| Plan: | Kruising Rijnsingel |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0597.BPBoln2014Kruising-VG01 |
Aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan is de wens om het kruispunt Rijnsingel-Kievitsweg en het kruispunt Rotterdamseweg-A38-Rijnsingel te reconstrueren. Dit is noodzakelijk om de kwaliteit, de capaciteit en veiligheid te verbeteren. Hiervoor zal de Kievitsweg worden verlegd en de Rijnsingel worden gereconstrueerd. Het verleggen van de Kievitsweg is niet mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan Bolnes.
Op basis van het inrichtingsplan, de bijbehorende randvoorwaarden en de benodigde onderzoeken is een passende bestemmingsregeling ontworpen, waarbij de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk wordt gemaakt.
Het plangebied wordt gevormd door de kruisingen Rijnsingel-Kievitsweg, het Kruispunt Rotterdamseweg-A38-Rijnsingel en het vroegere NAM-terrein. De exacte begrenzing van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.
Hoofdstuk 2 geeft een samenvatting van het actuele beleidskader dat relevant is voor het plangebied. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 de ruimtelijke analyse van het gebied aan de orde. In hoofdstuk 4 worden de relevante milieuaspecten en de overige onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. In hoofdstuk 6 ten slotte wordt een toelichting gegeven op de gekozen planvorm en de juridische regeling, zoals deze op de verbeelding en in de regels is opgenomen.
Het bestemmingsplan moet worden getoetst aan het nu geldende rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid- en toetsingskader. Hieronder is dit beleid- en toetsingskader nader beschreven. Paragraaf 2.2 behandelt het rijksbeleid. Het provinciale beleid- en toetsingskader is opgenomen in paragraaf 2.3. Het relevante gemeentelijk beleid staat in paragraaf 2.4. Paragraaf 2.5 geeft de conclusies.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) (maart 2012)
Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Voor Ridderkerk relevante belangen zijn:
Deze belangen zijn vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Barro (voorheen AMvB Ruimte) bevat inhoudelijke regels van de rijksoverheid waaraan bestemmingsplannen, provinciale inpassingsplannen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen met ruimtelijke onderbouwing moeten voldoen. Het Barro bevat regels over Project Mainportontwikkeling Rotterdam (Maasvlakte II), Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie (militaire terreinen, munitie, militaire luchtvaart) en Erfgoed (Unesco). Het Barro is niet van invloed op de ontwikkelingen binnen het plangebied.
Provinciale Structuurvisie
In deze 'Visie op Zuid-Holland' beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen. De structuurvisie geeft de visie voor 2020 met bijbehorende uitvoeringsstrategie. Daarnaast is er een doorkijk naar 2040.
De kern van Visie op Zuid-Holland is het versterken van samenhang, herkenbaarheid en diversiteit binnen Zuid-Holland. Dit draagt bij aan een goede kwaliteit van leven en een sterke economische concurrentiepositie. Duurzame ontwikkeling en klimaatbestendigheid zijn belangrijke pijlers. Dit wil Zuid-Holland bereiken door realisering van een samenhangend stedelijk en landschappelijk netwerk. Goede bereikbaarheid, een divers aanbod van woon- en werkmilieus in een aantrekkelijk landschap met ruimte voor water, landbouw en natuur, zijn daarin kenmerkende kwaliteiten.
Visie op Zuid-Holland is opgebouwd uit vijf integrale hoofdopgaven, namelijk:
In de provinciale structuurvisie zijn geen beleidslijnen opgenomen die van invloed zijn op de ontwikkelingen in het plangebied.
Verordening Ruimte
In samenhang met de structuurvisie is ook de Verordening Ruimte vastgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke plannen. In de Verordening Ruimte zijn geen bepalingen opgenomen die relevant zijn voor dit bestemmingsplan.
Ontwerp actualisering Provinciale structuurvisie en Verordening Ruimte (juni 2013)
De actualisering van de Provinciale structuurvisie en Verordening Ruimte (tot en met juni 2013) bevat geen relevante passages en artikelen waarmee in deze beheersverordening specifiek rekening dient te worden gehouden.
Structuurvisie Ridderkerk 2020
Als belangrijke kernkwaliteit van Ridderkerk wordt aangegeven dat de Ridderkerker in de gemeente zelf kan wonen en werken. Om dit te faciliteren heeft de gemeente een 8-tal uitdagingen geformuleerd:
In de structuurvisie zijn met betrekking tot de reconstructie van de kruising geen relevante passages opgenomen.
Vigerende bestemmingsplannen
Ter plaatse van het plangebied vigeren bestemmingsplan 'Bolnes' (vastgesteld op 24 januari 2013) en ter plaatse van het NAM-terrein (witte vlek in figuur 2.1) bestemmingsplan 'Bolnes Zuid' (vastgesteld op 15 juni 1981). In onderstaande figuren zijn uitsneden van de bijbehorende plankaarten opgenomen.
Op basis van de groenbestemmingen en de bestemming 'mijnterrein' is de herontwikkeling van het kruispunt niet mogelijk.
Figuur 2.1 Uitsnede plankaart bestemmingsplan Bolnes
Figuur 2.2 Uitsnede plankaart Bolnes Zuid
De voorgenomen ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan. Het plan is niet in strijd met het ruimtelijk beleid- en toetsingskader van het Rijk, de provincie Zuid-Holland en Gemeente.
Inleiding
Het kruispunt Rotterdamseweg - A38 - Rijnsingel en kruispunt Rijnsingel - Kievitsweg vormen samen een belangrijk verkeersknooppunt voor de wijk Bolnes. Veel wijkbewoners rijden dagelijks met de auto of de fiets over deze kruispunten, vooral naar hun werk of naar school. In de loop der jaren is door de hoger geworden verkeersintensiteit de verkeersafwikkeling op beide kruispunten verslechterd. Het kruispunt Rotterdamseweg - A38 – Rijnsingel is qua capaciteit te beperkt, het kruispunt Rijnsingel-Kievitsweg levert vooral voor fietsers gevaarlijke situaties op.
Kruispunt Rijnsingel - Kievitsweg
Over dit kruispunt rijden per dag honderden fietsers naar en van school of werk, of rijden recreatief. De regionale fietsroute no. 9 voert ook over dat kruispunt. De oversteek over de Rijnsingel is om drie redenen gevaarlijk.
Deze situatie hebben geleid tot diverse (bijna) aanrijdingen. Daarnaast zijn de oversteekbewegingen van fietsers storend voor de verkeersafwikkeling op het kruispunt Rotterdamseweg - A38 – Rijnsingel.
Kruispunt Rotterdamseweg - A38 - Rijnsingel
De verkeersafwikkeling op het kruispunt Rotterdamseweg - A38 - Rijnsingel is al jaren slecht. De verkeersintensiteit is hoog en de capaciteit van het kruispunt is beperkt. Daardoor ontstaan op diverse momenten van de dag in diverse richtingen lange wachtrijen. Ook op de Rijnsingel, vooral tijdens de ochtendspits.
In 2009 is door het waterschap, als beheerder van de Rotterdamseweg, en de gemeente Ridderkerk onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om de situatie te verbeteren. Op basis daarvan is een verbeterplan gemaakt dat zowel dit kruispunt als de verkeerssituatie op het kruispunt Rijnsingel-Kievitsweg verbetert.
Maatregelen en effecten
Het huidige kruispunt Rijnsingel - Kievitsweg zal met de ontwikkeling worden aangepast, daartoe worden in grote lijnen de volgende maatregelen genomen (zie ook figuur 3.1):
Figuur 3.1 Toekomstige situatie
Met de genoemde beoogde effecten worden de belangrijkste doelen gehaald: meer veiligheid voor de overstekende fietser en meer doorstroming van het autoverkeer op de Rijnsingel.
Daarnaast worden snelheidsbeperkende maatregelen genomen op de Kievitsweg. Op de overgang van de Kievitsweg 50 km/uur naar 30 km/uur (ter plaatse van de afbuiging naar het noorden) komt een verkeersplateau te liggen. Dit plateau markeert de overgang. Het wegvak van die overgang tot de aansluiting met de Spuistraat is circa 80 meter. Gezien de beperkte afstand worden op dit wegvak geen aanvullende maatregelen genomen.
Overigens moet de verbetering van de doorstroming op de Rijnsingel in nauwe samenhang worden gezien met de maatregelen die het Waterschap Hollandse Delta, in samenwerking met Rijkswaterstaat, zal uitvoeren op de kruising Rotterdamseweg- A38 - Rijnsingel.
Beoogd effect: betere doorstroming en kortere wachttijden vanuit alle richtingen. In grote lijnen zijn dat de volgende maatregelen:
Op grond van de wet en jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan te worden aangetoond en moet worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit bestemmingsplan relevant zijn. De resultaten en conclusies van de onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.
Waterbeheer en watertoets
In een vroeg stadium van de planvorming moet overleg worden gevoerd met de waterbeheerder. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Hollandse Delta. Deze is verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.
Europa:
Nationaal:
Provinciaal:
Waterschapsbeleid
In het Waterbeheerplan 2009-2015 (2009) staat hoe Hollandse Delta het waterbeheer in het werkgebied in de komende jaren wil uitvoeren. Daarbij gaat het om betaalbaar waterbeheer met evenwichtige aandacht voor veiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit, duurzaamheid en om het watersysteem als onderdeel van de ruimtelijke inrichting van ons land. Het Waterbeheerplan beschrijft de uitgangspunten voor het beheer, de ontwikkelingen die de komende jaren verwacht worden en de belangrijkste keuzen die het waterschap moet maken. Daarnaast geeft het Waterbeheerplan een overzicht van maatregelen en kosten. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan.
Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de hydraulische belasting van de afvalwaterzuivering. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor hemelwater een lozingsvergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Als er sprake is van toename aan verhard oppervlak, dan moet in principe 10% van deze toename worden gecompenseerd in de vorm van open water binnen het peilgebied waarin de toename van verharding plaatsvindt.
Gemeentelijk beleid
De hoofddoelstelling van het Waterplan 2 Ridderkerk (2008-2012) is: 'Het realiseren van een goed beheersbaar en aantrekkelijk watersysteem, met helder water van voldoende kwaliteit en gevarieerde veilige oevers, dat op de gewenste gebruiksfuncties is afgestemd. Het waterplan moet leiden tot een brede en integrale visie op het watersysteem.' In het waterplan staan de maatregelen beschreven die de gemeente Ridderkerk en waterschap Hollandse Delta tot 2012 uitvoeren om de waterkwaliteit van sloten en singels te verbeteren en de wateroverlast te beperken. Wateroverlast wordt aangepakt door ruimte voor water te creëren. Daarnaast worden maatregelen uitgevoerd om de kwaliteit van het water te verbeteren.
Milieubeschermingsgebied voor het grondwater
Het plangebied ligt in een milieubeschermingsgebied voor grondwater zoals vastgesteld in de provinciale milieuverordening. Het grondwater ter plaatse dient als bron voor de lokale drinkwatervoorziening. Om de kwaliteit hiervan te waarborgen gelden er regels om het grondwater te beschermen. Afhankelijk van de zone geldt een lichter of zwaarder beschermingsregime.
Binnen het milieubeschermingsgebied maakt het plangebied deel uit van een boringsvrije zone. In een dergelijke zone is het niet toegestaan om gesloten of een open bodemenergiesysteem aan te leggen of gebruiken. Ter bescherming van het grondwater is het verboden om sterk milieubelastende activiteiten uit te voeren. In de Provinciale Milieuverordening Zuid-Holland is uitgebreid beschreven welke dit zijn en welke ontheffingsmogelijkheden bestaan.
Figuur 4.1 Milieubeschermingsgebieden voor grondwater (uitsnede kaart 8 Krimpenerwaard/Alblasserwaard behorende bij de Provinciale Milieuverordening Zuid-Holland)
De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatief effect op de boringsvrije zone. Wel zal bij de uitvoering van de werkzaamheden toetsing plaats moeten vinden aan de regels uit de verordening.
Huidige situatie
Algemeen
Het plangebied bestaat uit de kruispunten Rijnsingel-Kievitsweg en Rotterdamseweg-A38-Rijnsingel te Ridderkerk. De bodem in het plangebied bestaat uit zeekleigrond. In het plangebied is sprake van grondwatertrap VII. Dat wil zegen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand varieert tussen 0,8 en 1,4 m beneden maaiveld en dat de gemiddelde laagste grondwatertrap op meer dan 1,2 m beneden maaiveld ligt. De maaiveldhoogte in het plangebied is circa NAP -1,7 m.
Het plangebied ligt in bemalingsgebied IJsselmonde-Oost. Het zuidelijke deel van het plangebied ligt in peilgebied 23A (Oost-IJsselmonde) met een zomerpeil van NAP -2,6 m en een winterpeil van NAP -2,8 m. Het noordelijke deel ligt in peilgebied 27A (Reijerwaard) met een zomerpeil va NAP -2,2 m en een winterpeil van NAP -2,4 m.
Waterkwantiteit
Binnen het plangebied zijn verschillende watergangen gelegen. Parallel aan de Rijnsingel ligt een watergang van het type 'overige watergang'. Langs de Kievitsweg is een hoofdwatergang gelegen en langs de Rotterdamseweg liggen wegsloten. Rondom de watergangen liggen beschermingszones. Binnen deze zones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om onderhoud aan de watergangen mogelijk te houden.
Waterkwaliteit
De watergangen binnen het plangebied zijn geen Kaderrichtlijn Water (KRW)-lichamen.
Veiligheid en waterkeringen
Het plangebied ligt niet in de kern-/beschermingszone van een waterkering.
Afvalwaterketen en riolering
Het plangebied is niet aangesloten op een rioolstelsel.
Toekomstige situatie
Algemeen
De ontwikkeling in het plangebied bestaat uit het reconstrueren van de kruispunten Kievitsweg-Rijnsingel en Rotterdamseweg-A38-Rijnsingel.
Waterkwantiteit
Toename in verharding dient gecompenseerd te worden. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m2 in stedelijk gebied dient er volgens het beleid van waterschap Hollandse Delta 10% van de toename in verharding aan functioneel open water gerealiseerd te worden.
Omdat de beoogde ontwikkeling bestaat uit een verlegging van wegen en de locatie van de te reconstrueren wegen reeds verhard is, zal de ontwikkeling niet leiden tot een toename in verharding van meer dan 500 m2. Watercompensatie is dan ook niet vereist.
Afvalwaterketen en riolering
Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
De beoogde ontwikkeling bestaat niet uit het realiseren van bebouwing.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de realisatie- als de gebruiksfase.
Veiligheid en waterkeringen
De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving.
Waterbeheer
Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Conclusie
De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
Onderzoek
De voorgenomen reconstructie van de kruising moet worden getoetst aan de grenswaarden voor een reconstructie van de Wet geluidhinder (Wgh). Deze toetsing is uitgevoerd waarbij is beoordeeld of ook in de zin van de Wgh sprake is van een reconstructie. Voor zover dat aan de orde is zijn maatregelen beoordeeld die de toename van de geluidbelasting reduceren.
Op de verlengde Kievitsweg zal een snelheidsregime gelden van 30 km/uur. Voor dergelijke wegen is de Wgh niet van toepassing en is een onderzoek niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de verlegging wel meegenomen in het geluidsonderzoek. Een volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 1.
Conclusies
Met het uitgevoerde onderzoek is berekend of de beoogde wijzigingen leiden tot een reconstructiesituatie in de zin van de Wgh. Het verkeer op de Rotterdamseweg en de Rijnsingel leveren, door de aanpassing van de kruising, geen geluidstoename die meer is dan (afgerond) 2 dB. Daardoor is de aanpassing geen reconstructie in de zin van de Wgh en is het doorlopen van een hogere waarde procedure niet aan de orde.
De Whg is niet van toepassing voor de verlegging van de Kievitsweg vanwege de snelheidsverlaging. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidstoename cumulatief berekend ter plaatse van de bestaande woningen in de nabijheid van de verlengde Kievitsweg. Uit de berekeningen blijkt dat het cumulatieve geluidniveau met maximaal 0,6 dB toeneemt. Een dergelijke geluidstoename is niet waarneembaar voor het menselijk oor en staat de vaststelling van het bestemmingplan niet in de weg.
Onderzoek
Voor de ontwikkelingen in het plangebied is onderzoek gedaan naar de aanwezige flora en fauna. Een volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 2.
Conclusies en aanbevelingen
Uit dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat de resultaten geen aanleiding geven voor de aanvraag van een ontheffing voor de Flora- en faunawet. Er zijn geen ontheffingsplichtige soorten aangetroffen en het plangebied wordt hiervoor ook niet geschikt geacht.
Het plangebied wordt gebruikt als foerageergebied voor vleermuizen. De Gewone en Ruige Dwergvleermuis zijn in en rond het projectgebied vastgesteld. De bomenrijen lijken niet gebruikt te worden als vaste vliegroute. In de bomen en struiken kunnen diverse soorten vogels tot broeden komen. De werkzaamheden dienen te worden afgestemd op het broedseizoen van de vastgestelde broedvogels. Alle broedende vogels en hun nesten zijn beschermd ex. art 11 van de Flora- en faunawet. Het broedseizoen duurt globaal vanaf half maart tot en met half juli, maar is soortspecifiek. Zo kan bijvoorbeeld de Houtduif tot in de zomerperiode met broeden beginnen. Hierdoor kan het broedseizoen voortduren tot september. Om te voorkomen dat broedende vogels worden getroffen is het raadzaam de begroeiing vooraf te controleren. Voor aanvang van de werkzaamheden dient de nestkast in de bosschage ten zuiden van de Kievitsweg verwijderd te worden. Indien de nestkast nog in goede staat is dan kan deze op een alternatieve locatie opgehangen worden, zoals in de groenstrook ten westen van het kruispunt met de Rijnsingel.
Bij de uitvoering van de werkzaamheden dient men te allen tijde rekening te houden met de in de Flora- en faunawet opgenomen Algemene Zorgplicht (Art. 2). De Zorgplicht houdt in dat schadelijke effecten aan planten en dieren door menselijk handelen tot een minimum beperkt moeten worden. Deze wettelijke verplichting geldt voor alle flora en fauna in Nederland ongeacht de beschermde status.
Bij de aanleg van de weg zal waarschijnlijk ook verlichting worden aangebracht. Hoewel de functie als foerageergebied voor vleermuizen op deze schaal niet wettelijk beschermd is, kan vanuit ecologisch perspectief gekozen worden om de belichting te minimaliseren. Door één van de bomenrijen of bosschages te laten staan blijft een donkere plek behouden. Met name de oostelijke bomenrij nabij de flat (Spuistraat) komt hiervoor in aanmerking. Deze aanbeveling is echter geen wettelijke verplichting.
De flora en fauna staat vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
Onderzoek
Voor de ontwikkelingen in het plangebied is onderzoek gedaan naar de effecten op de luchtkwaliteit. Dit onderzoek is uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Een volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 1.
Conclusies
Uit dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit voor de stoffen NO2 en PM10 niet worden overschreden. Het aspect luchtkwaliteit leidt daarom niet tot belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden in dit bestemmingsplan.
Beleid en normstelling
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Onderzoek
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen en vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het spoor, het water of door buisleidingen. Het bestemmingsplan maakt ook geen bestemmingen mogelijk die gevoelig zijn voor externe veiligheid.
In 2001 is door de gemeente Ridderkerk de Route Gevaarlijke Stoffen vastgesteld. Het vervoer en het laden en lossen van gevaarlijke stoffen mag alleen plaatsvinden via deze vastgestelde route. De routering bestaat uit het gedeelte van de Rotterdamseweg vanaf de A15 (afslag Ridderkerk-Zuid) tot aan de kruising Rotterdamseweg/Donkerslootweg. Binnen het plangebied vindt dus op beperkte schaal vervoer van gevaarlijke stoffen mogelijk. Op de provinciale risicokaart (www.risicokaart.nl) is de Rotterdamseweg echter niet weergegeven als een route waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De frequentie van het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze weg is dan ook dusdanig laag dat hier geen risico's voor de omgeving van uit gaan. De reconstructie van de wegen is daarnaast niet van invloed op de frequentie van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de wegen.
Conclusie
De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een toename van de externe veiligheidsrisico's. Het aspect externe veiligheid staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.
Normstelling en beleid
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen worden bij voorkeur op schone grond gerealiseerd.
Onderzoek en conclusie
Ten behoeve van dit bestemmingsplan is een bodemonderzoek uitgevoerd naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Een volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 3. Op basis van dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat dat de boven- en ondergrond (niet zijnde de puinverharding op het oostelijke deel van het terrein) niet of nauwelijks verontreinigd zijn. In het grondwater is er echter sprake van een matige verontreiniging met barium. Barium wordt in het grondwater vaker aangetoond als een van nature verhoogde achtergrondconcentratie. Gelet op geschiedenis van de locatie en de eerder vastgestelde verontreinigingen, kan deze conclusie niet zondermeer worden getrokken. Formeel zou een aanvullend onderzoek naar de oorzaak en omvang van de verontreiniging uitgevoerd dienen te worden. Gezien het doel van het onderzoek (aanleg van een weg) wordt voor het uitvoeren van nader bodemonderzoek evenwel niet noodzakelijk geacht
Archeologie beleid
Op 23 september 2013 heeft Ridderkerk gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld. Met het vaststellen van dit beleid kiest Ridderkerk ervoor om zorgvuldig om te gaan met het archeologisch erfgoed in de bodem, en tevens te zorgen voor een zo soepel verlopend proces van ruimtelijke ordening. Op de archeologische waarden – en beleidskaart is de locatie aangemerkt als gebied met een redelijk hoge archeologische verwachting. Op de kaart is aangegeven dat archeologische waarden te verwachten zijn op een diepte van meer dan 50 cm beneden het maaiveld.
Bij bodemverstoringen met een oppervlakte van meer dan 200 m2 en een diepte van meer dan 50 cm beneden maaiveld moet verder onderzocht worden of er archeologische waarden aanwezig zijn.
Figuur 4.2 Uitsnede uit de Archeologische waarden- en beleidskaart van de gemeente.
Eerdere bodemverstoring op de locatie
In het verleden is de NAM-locatie aan de Kievitsweg gesaneerd. Bij deze sanering is de bodem verstoord. De grond is ter plaatse afgegraven tot een diepte dieper dan de voorziene grondwerkzaamheden. Daarnaast is er een drainage aangelegd. Hiervoor is de grond ook geroerd. Omdat de bodem ter plaatse in het verleden als gevolg van de bodemsanering verstoord is worden geen archeologische waarden op de NAM-locatie verwacht. Verder archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
Als tijdens de werkzaamheden toch vondsten worden gedaan moet dit gemeld worden bij het bevoegd gezag en het provinciaal depot. Dit geldt overigens ook voor de overige werkzaamheden buiten de NAM-locatie, zoals de aanleg van de fietspaden.
Nota Belvedère (1999)
In plaats van een op behoud en bescherming gericht beleid, wil het Rijk cultuurhistorische elementen een plaats geven in een op ontwikkeling gericht ruimtelijk beleid. Ruimtelijke ordening kan ertoe bijdragen dat de betekenis van cultuurhistorische elementen en structuren groter wordt, door ze in te passen of een nieuwe functie te geven. Een en ander is mede van belang om de recreatieve belevingswaarde van die elementen en gebieden te versterken.
De Alblasserwaard en Vijfheerenlanden zijn door het Rijk aangewezen als Belvedèregebied. In de Nota Belvedère pleit het Rijk ervoor cultuurhistorische kwaliteit te integreren met ruimtelijke ontwikkelingen.
De planontwikkeling ligt op zodanige afstand van de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden dat geen sprake is van enige invloed.
Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (provincie Zuid-Holland, 2003)
De provincie Zuid-Holland heeft de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS) vastgesteld. De provincie betrekt hierdoor de cultuurhistorie bij ruimtelijke ontwikkelingen en richt zich hierbij vooral op het beschermen en versterken van het cultureel erfgoed voor zover dit is vastgelegd op de kaart van de CHS. Om deze reden is de CHS opgenomen in de streekplannen en in de Nota Regels voor Ruimte. De CHS vormt de basis voor toetsing van en advisering over bestemmings- en bouwplannen van gemeenten en erfgoedaspecten.
Op basis van de provinciale waardenkaart van de provincie Zuid-Holland is het plangebied aangewezen als archeologisch monument met hoge verwachtingswaarde. Door de aanleg van de Rotterdamseweg, de Rijnsingel en saneringswerkzaamheden ter plaatse van de NAM-locatie maken dat de grond dermate is geroerd dat er geen cultuurhistorische waarden meer te verwachten zijn.
De gemeenteraad van Ridderkerk heeft op 28 november 2013 de kredietaanvraag om de herontwikkeling van het kruispunt mogelijk te maken goedgekeurd. Hiermee is voldoende budget beschikbaar gesteld uit de programmabegroting 2014. Daarnaast zal Waterschap Hollandse Delta en Rijkswaterstaat ieder een aandeel in de totale kosten op zich nemen. Hierdoor is de economische uitvoerbaarheid van het plan gewaarborgd.
In het kader van het overleg als bedoeld ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het voorontwerpbestemmingsplan 'Kruising Rijnsingel' voorgelegd aan de volgende overlegpartners:
Bovenstaande instanties zijn van 16 december 2013 tot en met 13 januari 2014 in de gelegenheid gesteld te reageren op het voorontwerpbestemmingsplan. Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid, DCMR Milieudienst Rijnmond en de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR) hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid heeft aangegeven geen inhoudelijke opmerkingen te hebben op het plan. Zij vraagt wel, gelet op de ligging van het plangebied ten opzichte van de grens met de rijksweg A38, om tijdig in overleg te treden met Rijkswaterstaat over de wijze waarop en wanneer de uitvoering plaatsvindt.
De VRR brengt in het kader van externe veiligheid advies uit over de verantwoording van het groepsrisico en de mogelijkheden voor hulpverlening en zelfredzaamheid. Omdat een kruising niet als (beperkt) kwetsbaar object genoemd wordt in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en omdat de betreffende kruising geen risicobron voor de omgeving vormt, ziet de VRR af van advisering.
DCMR Milieudienst Rijnmond heeft als interne partner advies gegeven over het plan. Dit advies is verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.
Het ontwerpbestemmingsplan Kruising Rijnsingel heeft van 7 februari 2014 tot en met 20 maart 2014 ter inzage gelegen. Dit is bekend gemaakt in een publicatie in de Staatscourant, de Combinatie en op de gemeentelijke website. Daarnaast heeft het ontwerpbestemmingsplan, het ontwerpbesluit tot vaststelling en overige relevante stukken ter inzage gelegen op het gemeentehuis van Ridderkerk. Iedereen kon gedurende deze periode een zienswijze indienen. In deze periode zijn twee zienswijzen ingediend. In de 'nota zienswijzen en staat van wijzigingen' zijn deze zienswijzen samengevat en voorzien van een passende beantwoording. Deze nota is opgenomen in Bijlage 4.
Dit bestemmingsplan vormt het juridische kader voor het plangebied. Op basis van dit bestemmingsplan zal de beoogde ontwikkeling zonder verdere uitwerking van de bestemmingen of andere planologisch-juridische procedures kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast vervult het plan, na realisatie van het plan, een belangrijke beheer- en gebruiksfunctie. Iedere functie in het plangebied is voorzien van een daarop toegesneden bestemmingsregeling. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is enige flexibiliteit in het plan ingebracht door middel van de opname van algemene afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden.
Deze planvorm biedt enige flexibiliteit voor de beoogde functiewijziging en tegelijkertijd rechtszekerheid voor de gebruikers van de aangrenzende gebieden. De in het plan vastgelegde omvang van de functies zijn vastgelegd in de bestemmingsregeling. Door deze wijze van bestemmen zijn de functies ruimtelijk begrensd.
Ingevolge de Wro, het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd en gepresenteerd te worden en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. Er is een aantal standaarden door het Ministerie van VROM ontwikkeld, waaronder de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). In dit bestemmingsplan is van deze standaarden voor zover van toepassing gebruikgemaakt. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend. Het bestemmingsplan is tevens afgestemd op de terminologie en regelgeving zoals opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Hiernaast is het plan afgestemd op de huidige bestemmingsplanregeling en de gemeentelijke standaard.
De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk twee wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene regels. De overgangs- en slotregel maken onderdeel uit van het vierde hoofdstuk.
In het bestemmingsplan zijn verschillende bestemmingen gegeven aan het plangebied. Hieronder wordt ingegaan op de inhoud van deze bestemmingen. De inhoud van de bestemmingen zijn in overeenstemming met het vigerende bestemmingsplan Bolnes.
Groen
Kenmerkende groenstroken binnen het plangebied zijn bestemd met de bestemming 'Groen'. Binnen deze bestemming zijn beplanting, geluidswerende voorzieningen, speelvoorzieningen en voet- en fietspaden toegestaan. Binnen de bestemming is ook water toegestaan.
Verkeer
Wegen met een stroomfunctie (over het algemeen 50 km/h-wegen) inclusief bijbehorende voet- en fietspaden zijn voorzien van de bestemming 'Verkeer'.
Verkeer - Verblijfsgebied
De wegen met een verblijfsfunctie (over het algemeen 30 km/h-wegen) daarentegen hebben de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Deze laatste is gericht op het verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen.
Water
De gronden die aangewezen zijn voor water zijn bestemd voor waterlopen ten behoeve van de waterhuishouding. Binnen deze bestemming mag alleen worden gebouwd indien dit noodzakelijk is voor bijvoorbeeld oeververbindingen, of ten behoeve van de kwantiteit en kwaliteit van het oppervlaktewater.
Leiding - Hoogspanning (dubbelbestemming)
In het plangebied komt een ondergrondse hoogspanningsleiding voor. Deze planologisch relevante leiding is op de verbeelding weergegeven. In het bestemmingsplan zijn regels opgenomen die het samenvallende gebruik van de gronden en bouwwerken regelt. Bouwen ten behoeve van samenvallende bestemmingen is uitsluitend toegestaan na afwijking door het bevoegd gezag, waarbij, teneinde de leiding veilig te stellen, een zorgvuldige afweging van belangen dient plaats te vinden.
Waarde - Archeologie 1 en 3
Ter bescherming van de archeologische waarden die mogelijk in het gebied voorkomen is voorzien in een dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1 en 3'. Voor deze gronden geldt dat bouwen en een aantal genoemde werken en werkzaamheden, waarbij archeologische waarden in het geding kunnen zijn, slechts mogelijk zijn na voorafgaande toetsing door het bevoegd gezag aan de archeologische waarden.
Waterstaat - Waterstaatkundige functie (dubbelbestemming)
In het bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de belangen van de waterstaatkundige functie van bepaalde watergangen. Deze functie is vooropgesteld ten opzichte van de op deze gronden samenvallende functies.