Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: 't Ronde Sant, Ridderkerk
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0597.BP2023Hdegroothof1-VG01

Toelichting

1 Inleiding
1.1 Aanleiding
Op de planlocatie is een zorgcomplex aanwezig met thans 76 zorgeenheden (ouderenzorg en gehandicaptenzorg), 30 tijdelijke ouderenzorg-eenheden, 25 sociale huurwoningen en een kinderdagverblijf. Het voornemen is om de verouderde en tijdelijke bebouwing te slopen en om een nieuw verpleeghuis met 120 zorgeenheden, een gebouw met 60 sociale huurwoningen en een nieuw kinderdagverblijf te realiseren.
Er is hiervoor op 2 februari 2022 een principeverzoek bij de gemeente Ridderkerk ingediend. Het verzoek is op 22 februari 2022 behandeld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk, waarmee het college uitspreekt om de haalbaarheid verder te onderzoeken. Overeengekomen is om een ruimtelijke procedure te doorlopen om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken.
 
Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het bestemmingplan ‘Het Zand en De Gorzen' uit 2013. In dit bestemmingsplan beschikken de gronden over de bestemming 'Gemengd', bedoeld voor dienstverlening en voor maatschappelijke voorzieningen. De sociale huurwoningen hadden in de oorspronkelijke opzet een relatie met het verpleeghuis van Aafje, maar in de praktijk is dat thans niet meer het geval. Het initiatief past vanwege de gebruiksmogelijkheden voor reguliere woningen en voor wat betreft de nu beoogde bouwhoogten niet binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan. Derhalve dient er voor de beoogde ontwikkeling een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hier in. Daarnaast is een verlenging van de tijdelijke huisvesting vereist; dat wordt eveneens in het voorliggende bestemmingsplan geregeld.
 
1.2 Ligging plangebied
Het plangebied van onderhavig initiatief is gelegen aan de Hugo de Groothof 1, in de kern Ridderkerk. Het betreffende perceel is kadastraal bekend onder de gemeente Ridderkerk, sectie B, perceel 2089. Het perceel heeft een oppervlakte van ruim 1 hectare.
 
Op de navolgende afbeeldingen staan de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.
     
Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: ruimtelijkeplannen.nl) 
Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
  
1.3 Geldend bestemmingsplan
Voor de gronden van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Het Zand en De Gorzen', vastgesteld door de raad van de gemeente Ridderkerk op 28 november 2013. In het geldende bestemmingsplan zijn de gronden voorzien van de bestemming 'Gemengd' en deels de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'.
 
De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan 'Het Zand en De Gorzen'.
 
Uitsnede bestemmingsplan ''Het Zand en De Gorzen', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
   
De gronden bestemd als 'Gemengd' zijn bestemd voor dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen en de bijbehorende voorzieningen. Voor vrijwel het gehele plangebied is een bouwvlak opgenomen. Hier geldt een maximale goothoogte van 8 meter en een maximaal bebouwingspercentage van 50%.
 
Aan de noordzijde is een zone met de bestemming 'Groen' bij het plangebied gevoegd. Deze gronden zijn bestemd voor beplantingen en geluidswerende voorzieningen, met de bijbehorende voorzieningen zoals voet- en fietspaden, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, bermen en water. Er zijn hier uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegelaten.
 
Voor het zuidelijke deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie. Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden.
 
1.4 Leeswijzer
Dit hoofdstuk is de inleiding op het plan. In hoofdstuk 2 wordt het beoogde plan beschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft de relevante beleidskaders. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en milieuwetgeving. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische planopzet. Hoofdstuk 6 beschrijft de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 de maatschappelijke haalbaarheid van het plan beschreven, waarbij de uitkomsten van de inloopavonden zijn opgenomen.
 
2 Planbeschrijving
2.1 Huidige situatie
Locatie ’t Ronde Sant ligt aan het Hugo de Groothof 1 in de wijk Het Zand te Ridderkerk. Deze locatie vormt een schakel tussen de omliggende bebouwing. Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich een woonwijk met grotendeels tweelaagse bebouwing met zadeldak. Aan de zuidwestzijde bevindt zich het nieuw te ontwikkelen 'Binnenrijk' (bestemmingsplan 'Driehoek het Zand'), met drie stevige woonblokken in een parkachtige omgeving en een sportveld. Aan de noordzijde grenst het plangebied aan de groenstructuur met waterpartijen en daaromheen meerdere hoogteaccenten, waaronder woontoren ‘Palladio’. De Hugo de Grootlaan begrenst de locatie aan de zuid- en zuidoostzijde en een watergang scheidt haar van de achtertuinen van een rij geschakelde 2-onder-1-kapwoningen die de woonwijk beëindigd.
Circa 150 meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich het Winkelcentrum Vlietplein. Daarmee bevindt de planlocatie zich op korte (loop-)afstand van meerdere voorzieningen, waaronder een supermarkt, slager, groentewinkel, drogisterij en apotheek.
 
Onderstaande afbeelding toont een impressie van de ontwikkeling 'Driehoek het Zand' in relatie tot het plangebied en de omgeving.
  
3D impressie van de ontwikkeling Driehoek het Zand (geel omkaderd) in relatie tot het plangebied (rood omkaderd) (bron: www.woneninbinnenrijk.nl)
 
Het perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 1 hectare. Op het perceel staat een 8-hoekig gebouw met een binnentuin uit 1996 gebouwd met een zorg- en woonfunctie. In 2017 is ten zuidwesten van het gebouw een nieuwe aanbouw gerealiseerd. Het hele complex bestaat uit twee bouwlagen.
Verder is sindsdien aan de zuidoostkant een tijdelijk opvanghuis toegevoegd, eveneens in twee bouwlagen. Hiervoor is op 14 april 2015 een omgevingsvergunning verleend. De vergunning voor dit gebouw loopt tot 26 september 2026.
Daarnaast bevindt zich op het oostelijke gedeelte van het plangebied de kinderopvang Mundo – PleSant, in een gebouw met één bouwlaag. Deze heeft een eigen toerit vanaf de Hugo de Grootlaan, met daaraan enkele parkeerplaatsen. Verder heeft deze functie een buitenspeelterreintje in de zone tussen het kinderdagverblijf en het woonzorggebouw.
 
Op deze woonzorglocatie zijn drie organisaties aanwezig, met:
  • 60 plaatsen ouderenzorg van stichting Aafje;
  • 16 plaatsen gehandicaptenzorg via stichting Pameijer;
  • 25 sociale huurwoningen verhuurd door Stichting Wooncompas;
  • 30 plaatsen ouderenzorg (tijdelijke huisvesting voor cliënten met dementie).
Rond de bebouwing is het terrein groen ingericht. Het perceel is ontsloten aan de Hugo de Grootlaan. Aan de voorzijde van het verpleeghuis is op het Hugo de Groothof een kleine rotonde aangelegd met een aantal parkeerplaatsen. Daarnaast zijn er 37 bestaande parkeerplaatsen aan de Hugo de Grootlaan aanwezig. Deze zijn gerealiseerd in verband met de tijdelijke huisvesting op het voormalige parkeerterrein aan de oostkant van de planlocatie.
 
Aan de zuidwestzijde van het plangebied is een tweede toerit vanaf de Hugo de Grootlaan aanwezig, bedoeld voor de bevoorrading, met laden en lossen op het maaiveld.
Het plangebied is gelegen nabij de Vlietlaan, een belangrijke ontsluitingsweg van Ridderkerk en is daarmee goed met de auto te bereiken. Ook per fiets is de locatie goed te bereiken. Aan de Vlietlaan, maar ook aan de Erasmuslaan ten noorden van het plangebied, zijn bushaltes aanwezig waardoor de planlocatie ook met het openbaar vervoer te bereiken is.
     
Onderstaande afbeelding tonen een 3D impressie en het straatbeeld van de huidige situatie van het plangebied.
   
Impressie van het plangebied vanuit vogelvluchtperspectief (bron: Obliek, gemeente Ridderkerk 29-04-2022) 
Plangebied gezien vanaf de Hugo de Grootlaan ter hoogte van kinderopvang Mundo – PleSant en de uitbouw (bron: google.streetview, d.d. augustus 2022)
 
2.2 Toekomstige situatie
Initiatiefnemer is voornemens om het perceel aan de Hugo de Groothof in Ridderkerk te herontwikkelen. Het initiatief betreft de sloop van de bestaande bebouwing en het realiseren van 120 wooneenheden voor Stichting Aafje, 60 sociale huurappartementen voor Wooncompas en een kinderdagverblijf. De planlocatie is gelegen op een korte afstand van Winkelcentrum Vlietlaan. Hierdoor bevindt het zich op een ideale afstand van de supermarkt en andere ((para)medische) voorzieningen.
 
Op navolgende afbeelding is een situatietekening van de beoogde situatie weergegeven.
     
Situatietekening beoogde situatie (bron: Rothuizen Architecten en Stedenbouwkundigen, 10 september 2024)
 
Programma
Het voornemen is om een nieuw verpleeghuis en een gebouw met sociale huurwoningen te bouwen met in totaal 180 wooneenheden. Beoogd wordt om plaats te bieden aan:
  • 120 zorgstudio’s met ondersteunend programma en een besloten tuin voor zorginstelling Aafje aan de westzijde van het zorggebouw. Hierbij vormen 10 zorgstudio’s een groepswoning met een gezamenlijke huiskamer. De gezamenlijke huiskamer levert een bijdrage van het ontmoeten en omzien naar elkaar. Per bouwlaag dienen 2 groepswoningen aan elkaar gekoppeld te worden ten behoeve van een efficiënte zorgverlening. Voor het noordelijke deel wordt uitgegaan van drie bouwlagen en een maximum bouwhoogte van 15 meter. Voor het zuidelijke deel uitgegaan van vier bouwlagen en een maximum bouwhoogte van 12 meter.
  • 60 sociale huurappartementen voor woningcorporatie Wooncompas. Het betreft kleine appartementen met een vloeroppervlakte van 45-65 m² voor een- en tweepersoonshuishoudens. Beoogd wordt een gebouw met zes bouwlagen en een maximum bouwhoogte van 20 meter.
  • Een kinderdagverblijf op de begane grond van het meest noordelijke gebouw voor kinderdagverblijf Mundo – PleSant. De bijbehorende buitenspeelplaats bevindt zich aan de oostkant van het gebouw, dus niet aan de zijde van de aangrenzende bestaande woningen.
  • Er is een vergunning verleend voor tijdelijke huisvesting voor 30 cliënten met dementie; deze vergunning loopt tot 26 september 2026. Door vertraging in de planvorming zal de tijdelijke huisvesting niet binnen die looptijd kunnen worden beëindigd. Een verlenging van de vergunning, en daarmee van het gebruik, is juridisch echter niet mogelijk. Om die reden wordt hiervoor in het voorliggende bestemmingsplan een voorlopige bestemming opgenomen. Daarmee wordt het tijdelijke gebruik verlengd, uiterlijk tot 31 december 2028. Hierna vervalt deze voorlopige bestemming.
Onderstaande afbeelding toont een analyse van de bouwhoogten en zichtlijnen.
   
Analyse met daarin aangeduid o.a. de bouwhoogten en zichtlijnen (bron: Rothuizen Architecten en Stedenbouwkundigen, 10 september 2024) 
Vogelvlucht vanuit het noordwesten (bron: Rothuizen Architecten en Stedenbouwkundigen, 10 september 2024)
Vogelvlucht vanuit het zuidoosten (bron: Rothuizen Architecten en Stedenbouwkundigen, 10 september 2024)
 
Inrichting openbare ruimte
Aafje en Wooncompas hebben de intentie om bij te dragen bij aan de verdere vergroening van de gemeente Ridderkerk. Hiervoor is onderzocht wat de huidige verhouding is tussen verhard en groen oppervlak binnen het plangebied. Het vertrekpunt bij deze analyse is de wijkscan in het document ‘Groen is onze toekomst’ van ’t Zand. Het inpassen van de nieuwe stedenbouwkundige opzet leidt tot een verbetering van de groenbalans op eigen terrein. In de huidige situatie beschikt het plangebied over ca. 3.000 m² aan groen. In de beoogde situatie zal dit met 500 m² toenemen naar een totaal van 3.500 m². Zo wordt voorzien in een groene afscherming naar de woningen aan de Stevinstraat, om inkijk in de tuinen van die woningen te reduceren. Ook worden de mogelijkheden bekeken om parkeren en wandelpaden in halfverharding uit te voeren. In samenspraak met de gemeente zal dit nader worden uitgewerkt in een groenplan.
Verder wordt het parkeren aan de zijde van de Hugo de Grootlaan nog nader bekeken, met als uitgangspunt om de groenbestemming daar te handhaven. Bezien wordt of de verkeersstructuur en het parkeren aan deze weg anders gerealiseerd kan worden.
 
Groenstructuur in breder verband (bron: Rothuizen Architecten en Stedenbouwkundigen, 11 september 2024)
 
Verkeer en parkeren
In toelichting paragraaf 4.10.2 is de parkeerbehoefte nader toegelicht. Voor de beoogde ontwikkeling is sprake van een parkeerbehoefte van 121 parkeerplaatsen. Vanuit de gemeente Ridderkerk zijn 34 parkeerplaatsen in de openbare ruimte toegekend aan het zorggebouw, waardoor nog voorzien moet worden in (121 - 34 =) 87 parkeerplaatsen. Het voorliggende initiatief voorziet in totaal in 71 parkeerplaatsen op een parkeerterrein ten westen van het gebouw van Aafje. Aan de Hugo de Grootlaan worden in totaal 16 parkeerplaatsen gerealiseerd.
 
De auto-ontsluiting en de bevoorrading vinden in de beoogde situatie plaats aan de westzijde van de zorginstelling. Verder is er aan de zuidoostzijde een entree voor voetgangers en fietsers.
 
In toelichting paragraaf 4.10 is verder op het aspect verkeer en parkeren ingegaan.
 
3 Beleidskader
3.1 Rijksbeleid
 
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:
  1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  2. duurzaam economisch groeipotentieel;
  3. sterke en gezonde steden en regio's;
  4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. 
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
    
Planspecifiek
Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het rijk zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit van toekomstige omwonenden en het realiseren van woningen. Het plan wordt stedenbouwkundig inpasbaar geacht.
 
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Nationale Omgevingsvisie zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016, 1 januari 2017 en 1 december 2020 op onderdelen aangevuld.
   
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied.
 
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
 
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
  • De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
  • Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
  • Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
 
Planspecifiek
Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Met onderhavig ontwikkeling worden o.a. 120 zorgeenheden, 60 sociale huurwoningen en een kinderdagverblijf. Derhalve wordt de ontwikkeling gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling en worden hieronder de 'treden' van de ladder doorlopen.
 
Kwantitatieve behoefte
Met de Regionale Woningbouwafspraken van de Regio Rotterdam is de woningbouwopgave tot 2030 voor Ridderkerk geraamd op 1.150 woningen. Deze woningbouwopgave is overgenomen in de Woonvisie Ridderkerk 2021-2026. De beoogde ontwikkeling is ook opgenomen in de planmonitor, zoals in de woonvisie is benoemd. Derhalve is er sprake van een kwantitatieve behoefte.
 
Kwalitatieve behoefte
Tevens wordt in de woonvisie van Ridderkerk aangegeven dat er sprake is van een grote druk op de sociale huursector. Uit de huidige prestatieafspraken tussen de gemeente met Wooncompas blijkt dat een klein deel van de bestaande sociale huurwoningen bij nieuwe verhuur in de vrije sector terechtkomt. Deze afname moet de komende jaren gecompenseerd worden. Met de beoogde ontwikkeling worden 60 sociale huurwoningen gerealiseerd. Hierbij is bewust gekozen is voor kleine, goedkope woningen met een vloeroppervlakte van 45- 65 m², waarmee ingespeeld wordt op de veranderende vraag naar sociale huurwoningen.
 
De verwachting is dat het aantal huishoudens met een laag inkomen in de komende jaren licht zal groeien, waarbij de groei vooral voor rekening komt van de een- en tweepersoonshuishoudens. De toekomstige groei in het aantal eenpersoonshuishoudens komt bijna volledig voor rekening van senioren. Ook omdat senioren alleen nog met ernstige gezondheidsklachten naar een instelling gaan. Wooncompas wil graag tegemoet komen aan de behoefte aan betaalbare woningen voor een- en tweepersoonshuishoudens. Door het bouwen van 60 kleine appartementen op de locatie ’t Ronde Sant wordt hieraan invulling gegeven. De nabijheid van Aafje in het naastgelegen verpleeghuis biedt daarin ondersteuning op het gebied van verzorging en welzijnsactiviteiten.
 
In de huidige situatie zijn er 90 plaatsen voor ouderenzorg op de planlocatie aanwezig, naast 16 plaatsen gehandicaptenzorg via stichting Pameijer. Momenteel is er sprake van een wachtlijst. Op grond van de uitstaande vraag vanuit de huidige markt in combinatie met het stijgende aantal ouderen in de regio door de vergijzing, voorziet Aafje een behoeftestijging richting 2040 en verder. Met de uitbreiding naar 120 plaatsen voorziet Aafje in deze groeiende marktbehoefte. 
 
Derhalve kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een kwalitatieve behoefte. In toelichting paragraaf 3.3.1 en toelichting paragraaf 3.4.2 is deze behoefte nader toegelicht.
        
Bestaand stedelijk gebied
Het bestaand stedelijk gebied wordt volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) als volgt gedefinieerd: ’bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Het plangebied bevindt zich binnen het stedelijk gebied van Ridderkerk. 
 
Conclusie 
Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
 
3.2 Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland
De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 april 2023. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen:
  1. Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:
  • het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;
  • de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;
  • het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur;
  • de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie;
  • de groene ruimte en de groenblauwe structuur;
  • het bodem- en watersysteem;
  • energie.
In aanvulling hierop toont de ruimtelijke hoofdstructuur van de ondergrond indicatief de ruimtelijke situatie van de ondergrond.   
  1. Ambities en sturing
De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk.
 
De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:
  • naar een klimaatbestendige delta;
  • naar een nieuwe economie: the next level;
  • naar een levendig meerkernige metropool;
  • energievernieuwing;
  • best bereikbare provincie;
  • gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
  1. Omgevingskwaliteit
Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:
  • een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de Zuid-Hollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;
  • een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;
  • een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
  1. Beleidskeuzes
De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland).
  
Planspecifiek
  1. Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief.
  1. Ambities en sturing
De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de ontwikkeling.
  1. Omgevingskwaliteit
Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit van belang. Ruimtelijke ontwikkelingen die maatschappelijk en economisch gewenst zijn, moeten bijdragen aan de balans tussen de instandhouding, benutting en versterking van de bestaande gebiedskwaliteiten. Deze vinden hun grondslag in de drie onderscheiden deltalandschappen. Het plangebied is gelegen in het rivierdeltacomplex. De kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten geven richting aan de wijze waarop ontwikkelingen kunnen inspelen op ruimtelijke gebiedskwaliteiten. Navolgend wordt ingegaan op de relevante kaartlagen hiervan.
 
Laag van de ondergrond
Het plangebied bevindt zich in een rivierdeltacomplex. De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. De beoogde ontwikkeling zal zorg dragen voor het behoud en het herkenbaar houden van het verschil tussen komgronden en oeverwallen waar nodig. De beoogde ontwikkeling doet geen afbreuk aan de kwaliteiten van het rivierenlandschap.
 
Laag van de stedelijke occupatie
Op de kaart van de 'Laag van stedelijke occupatie' is het plangebied aangegeven als gelegen in de 'steden en dropen'. Elke stad of dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Het dorp is deel van het omringende landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van Ridderkerk. Ontwikkelingen dienen bij te dragen aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. De beoogde ontwikkeling ziet toe op het realiseren van een nieuw verpleeghuis met 120 zorgeenheden, een gebouw met 60 sociale huurwoningen en een nieuw kinderdagverblijf. Voor het gebouw met 60 sociale huurwoningen wordt uitgegaan van 6 bouwlagen, met een maximum bouwhoogte van 20 meter. Het gebouw van het verpleeghuis en het kinderdagverblijf zullen 3 en 4 bouwlagen krijgen, met maximum bouwhoogten van resp. 12 en 15 meter. Op de planlocatie is in de huidige situatie al een zorgcomplex aanwezig met zorgeenheden, sociale huurwoningen en een kinderdagverblijf. De beoogde ontwikkeling ziet niet toe op een functieverandering van de planlocatie en kan als passend worden gekenmerkt, gelet ook op de nabijheid van voorzieningen (Winkelcentrum Vlietplein) en bushaltes.
 
De toe te passen materialen en de diverse groenvoorzieningen, zorgen er voor dat het initiatief een passende ruimtelijke kwaliteit krijgt. Ook de beoogde bouwhoogte wordt passend geacht in deze omgeving. Direct ten noordoosten, aan de Erasmuspark, staat een woontoren met 10 bouwlagen (circa 27 meter). Ten noordwesten, aan de Erasmuslaan en de Leeghwaterstraat staan twee woontorens met een hoogte van respectievelijk ca. 27 meter en ca. 15 meter. De gebouwen van Driehoek het Zand aan de Vlietlaan zijn maximaal 16 meter hoog. Derhalve wordt de bouwhoogte van de beoogde woontoren en het nieuwe verpleeghuis passend geacht binnen het karakter van dit deel van Ridderkerk. Daarbij zijn een bezonningsstudie uitgevoerd om de effecten van de voorgestelde hoogbouw inzichtelijk te maken. Deze zijn verwerkt in toelichting paragraaf 4.12 van dit bestemmingsplan.
 
Beleidskeuzes
De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen meerdere uitgangspunten. Er wordt onderscheidt gemaakt tussen drie soorten ontwikkelingen: inpassing, aanpassing en transformatie. Bij de beoogde ontwikkeling gaat het om een inpassing. Het plangebied verandert niet of nauwelijks. In de huidige situatie zijn al een zorgcomplex, sociale huurwoningen en een kinderdagverblijf aanwezig, maar vanwege veroudering sluiten deze niet meer aan bij de eisen van deze tijd. Met de beoogde ontwikkeling zullen de gebiedsidentiteit en structuur niet onevenredig aangetast worden. Met de ontwikkeling wordt het plangebied ook iets meer groen ingericht.
 
Conclusie
Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast. De beoogde herontwikkeling is in lijn met de ambities uit de Omgevingsvisie Zuid-Holland.
 
3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland
Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening Zuid-Holland op 1 april 2023 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen.
  
Ladder voor duurzame verstedelijking
In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen:
  1. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening;
  2. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
Voor het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 op de ladder voor duurzame verstelijking ingegaan. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaande stads- en dorpsgebied.
 
Ruimtelijke kwaliteit
In artikel 6.9 lid 5 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling:
  1. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen;
  2. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen;
  3. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van aanpassen (sub b), omdat de ontwikkeling past binnen de gebiedsidentiteit en geen wijziging op structuurniveau voorziet. Met de stedenbouwkundige invulling van de beoogde nieuwbouw is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bestaande gebiedsidentiteit. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldoet.
   
Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit de Omgevingsverordening voor de onderhavige nieuwe ontwikkelingen.
      
Risico's van klimaatverandering
In artikel 6.50 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van:
  1. wateroverlast door overvloedige neerslag;
  2. overstroming;
  3. hitte;
  4. droogte. 
Wateroverlast
Uit de klimaatatlas blijkt dat er in het plangebied geen sprake is van wateroverlast bij extreme neerslag. Er wordt met het plan voldaan aan richtlijnen met betrekking tot waterberging en er zal meer ruimte zijn voor water om te infiltreren.
 
Overstroming
Uit raadpleging van de klimaatatlas blijkt dat er een zeer kleine kans (1/3.000 tot 1/30.000 per jaar) is op overstroming in het plangebied. Het aspect overstroming is niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.
 
Hitte
Uit raadpleging van de klimaatatlas blijkt dat de temperatuur in het plangebied vergelijkbaar is met de temperatuur in de omgeving. Met de beoogde ontwikkeling wordt verharding verwijdert en meer groen toegevoegd. Door het verwijderen van verharding en het toevoegen van groen zal de hittestress in het plangebied naar verwachting afnemen. Door de ligging nabij water zal hittestress in het plangebied geen belemmering vormen.
 
Droogte
Om droogte tegen te gaan is het belangrijk om water zo veel mogelijk te laten infiltreren. Vanwege de ligging en de vergroening in het plangebied wordt verwacht dat droogte geen grote risico's oplevert voor het plangebied.
 
Conclusie 
Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.
 
3.3 Regionaal beleid
3.3.1 Regionale Woonvisie Regio Rotterdam en het Regioakkoord Rotterdam
De Regionale Woonvisie vormt een drieluik met het Regioakkoord en het Bouwmanifest. De Regionale Woonvisie duidt de kwalitatieve ambities, het Regioakkoord focust zich op de kwantitatieve woningmarktopgaven en het Bouwmanifest is gericht op woningbouwversnelling. Onderstaand is ingegaan op de Regionale Woonvisie en het Regioakkoord.
 
Regionale woonvisie Regio Rotterdam
Op 23 juni 2021 is de nieuwe woonvisie van de Regio Rotterdam vastgesteld. De regionale woonvisie duidt de kwalitatieve ambities van de 14 gemeentes in de Regio Rotterdam op het gebied van wonen. Doel van de omgevingsvisie is dat er in 2040 een woningaanbod is dat aansluit bij de maatschappelijke wensen van die tijd, en waarin alle bewoners een woonkeuze kunnen maken die past bij hun persoonlijke situatie en voorkeuren. Belangrijke onderwerpen in de woonvisie zijn het bouwen van de juiste woning op de juiste plaats en een kwalitatieve goede woningvoorraad in een hoogwaardig woonmilieu voor alle inwoners. Dit betekent ook inzet op trends in nieuwe woonvormen, bijvoorbeeld ten gevolge van de vergrijzing.
 
Op basis van bestaand lokaal en regionaal beleid en geïnspireerd door de gesprekken met bestuurders, stads- en beleidsmakers en de woonpartners zijn vier toekomstperspectieven ontwikkeld. Deze zijn voor de komende periode (tot 2040) richtinggevend voor de regionale samenwerking op het brede terrein van wonen:
  • Een meer gelijkwaardige & inclusieve woningmarkt;
  • Een diversiteit aan woon(zorg)vormen;
  • Gemengde en verbonden woongebieden;
  • Een groenblauwe en natuurinclusieve leefomgeving.
Regioakkoord Rotterdam
Op 23 januari 2019 is het Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam vastgesteld. De regionale doelen zijn vastgesteld en de afspraken laten zien welke bijdrage iedere gemeente daaraan levert. In de periode tot 2030 worden zo voldoende woningen gerealiseerd en wordt de sociale woningvoorraad beter verspreid. De gemeenten staan tussen de periode 2018 - 2030 voor de uitdaging van een netto groei van 53.700 woningen. Tevens staan de gemeenten voor de uitdaging om de afname van de sociale voorraad te beperken tot netto ca. 19.000 woningen en realiseert de regio een meer evenwichtige spreiding van de sociale woningvoorraad. 
 
Planspecifiek
Voorliggend plan voorziet in 120 zorgeenheden, 60 sociale huurwoningen en een kinderdagverblijf. Zoals in het regioakkoord wordt aangegeven staan de gemeenten voor de uitdaging om de terugloop van de sociale voorraad te beperken. Met het per saldo toevoegen van 35 sociale huurwoningen wordt de terugloop in sociale huurwoningen deels tegengewerkt. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Regionale Woonvisie en het Regioakkoord Rotterdam.
 
3.4 Gemeentelijk beleid
3.4.1 Omgevingsvisie Ridderkerk 2035
De Omgevingsvisie Ridderkerk 2035 heeft betrekking op het gehele grondgebied van de gemeente Ridderkerk. In de omgevingsvisie komen de onderwerpen zoals ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur, cultureel erfgoed en sociaal aan bod. Het heeft een planhorizon tot 2035. De identiteit en het karakter van Ridderkerk is in 3 kernwaarden samen te vatten.
  1. Sterke wijken, goed verbonden;
  2. Groen-blauwe oase;
  3. Kloppend hart. 
Planspecifiek
Het voorliggende initiatief heeft voornamelijk raakvlakken met kernwaarde 1 ‘Sterke wijken, goed verbonden’. Er worden verschillende woonvormen gerealiseerd waardoor de wijk aantrekkelijk wordt voor verschillende doelgroepen. De komende jaren zal het aantal ouderen toenemen, waardoor er een grotere behoefte aan zorgwoningen en verpleeghuizen is. Het realiseren van een nieuw verpleeghuis met meer wooneenheden draagt bij aan de behoefte. Daarnaast worden er nieuwe woningen in de sociale huursector gerealiseerd. Met de herontwikkeling van het terrein wordt de groen-blauwe structuur niet uit het oog verloren.
 
3.4.2 Woonvisie Ridderkerk 2021-2026
De Woonvisie van de gemeente Ridderkerk (vastgesteld door de raad van de gemeente Ridderkerk op 1 juli 2021, beschrijft het beleid van de gemeente op het gebied van wonen voor de periode 2021-2026. Iedere gemeente in Nederland moet een actuele Woonvisie hebben. De woningbouwopgave tot 2030 is in die afspraken voor Ridderkerk geraamd op ongeveer 1.150 woningen.
 
In de woonvisie staan 5 thema's centraal:
  1. voldoende woningen;
  2. de juiste woningen;
  3. duurzame woningvoorraad;
  4. wonen en zorg;
  5. leefbare wijken.  
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling ziet toe op de realisatie van 120 zorgeenheden en 60 sociale huurwoningen, waarmee een toename van het huidige aantal zorgeenheden en sociale huurwoningen plaats heeft en er derhalve een bijdrage wordt geleverd aan het thema 'voldoende woningen' en ook 'de juiste woningen'. De beoogde bebouwing wordt gasloos gerealiseerd en het plangebied zal iets groener worden ingericht ten opzichte van de huidige situatie, waarmee het initiatief een bijdrage levert aan het thema 'duurzame woningvoorraad'. 
 
In de woonvisie is ook aandacht besteedt aan de sociale huursector. Binnen de gemeente is relatief weinig doorstroming van de sociale huurwoning en de vraag naar sociale huurwoningen binnen de gemeente neemt toe. Tevens verdwijnen sociale huurwoningen in de vrije huursector. Dit zorgt er voor dat de druk op de sociale huursector steeds groter wordt. Het toevoegen van per saldo 35 sociale huurwoningen kan deze druk deels verlichten.
 
In de woonvisie wordt aangegeven dat er in de sociale huursector de opgave bestaat om de kwaliteit van de sociale huurwoningen te verbeteren en om de sociale huurwoningen meer te laten aansluiten op de veranderende woonwensen. Deze woonwensen zijn: kleinere woningen, duurzamere woningen en levensloopbestendige woningen. De beoogde 60 sociale huurwoningen worden o.a. levensloopbestendig en zijn geschikt voor tweepersoonshuishoudens. De woningen zullen gerealiseerd worden als nultredenwoning. Dit wil zeggen dat de woningen intern en extern toegankelijk zullen zijn, zonder traplopen.
 
De gemeente geeft aan dat er in alle wijken een naar zorgdoelgroepen gevarieerd woonaanbod aanwezig dient te zijn. Het plan omvat 120 zorgeenheden voor Aafje. Momenteel hebben zij 90 plaatsen voor ouderenzorg op deze locatie, naast 16 plaatsen gehandicaptenzorg via stichting Pameijer. De locatie heeft te maken met een wachtlijst. Op grond van de uitstaande vraag vanuit de huidige markt in combinatie met het stijgende aantal ouderen in de regio door de vergijzing, voorziet Aafje een behoeftestijging richting 2040 en verder. Met de uitbreiding naar 120 plaatsen voorziet Aafje in deze groeiende marktbehoefte. Het biedt hiermee binnen de eigen gemeente een aanbod aan verpleeghuiszorg voor ouderen uit Ridderkerk die niet langer thuis kunnen blijven wonen.
 
Ten aanzien van de 60 wooneenheden voor Wooncompas, kan gesteld worden dat bewust gekozen is voor kleine, goedkope woningen met een vloeroppervlakte van 45- 65 m². Op dit moment is 33% van de Ridderkerkse huishoudens een eenpersoonshuishouden en 33% een tweepersoonshuishouden (opgeteld ruim 13.000 huishoudens). Beide percentages stonden in 2015 nog op 30%. De verwachting is dat er nog een verdere toename zal plaatsvinden vooral door de zich nog een tijd voortzettende vergrijzing. Ook ontwikkelingen als extramuralisering van senioren en de ‘flexibilisering’ van huishoudentype spelen een rol. Van deze een- en tweepersoonshuishoudens heeft bijna tweederde een laag inkomen.
 
Deze groep is de doelgroep voor de nu beoogde kleinere goedkopere woningen. De verwachting is dat het aantal huishoudens met een laag inkomen in de komende jaren licht zal groeien, waarbij de groei vooral voor rekening komt van de een- en tweepersoonshuishoudens. Het CBS heeft een onderzoek uitgevoerd naar de toename van de een- en twee persoonshuishoudens in Nederland (rapport Huishoudensprognose 2018-2060, december 2018). In dit rapport concludeert het CBS dat het aantal huishoudens naar verhouding sterker groeit dan het aantal inwoners. De conclusie van het CBS is dat de huishoudensverdunning in de komende jaren verder doorzet doordat steeds meer mensen alleen zullen wonen. De toekomstige groei in het aantal eenpersoonshuishoudens komt bijna volledig voor rekening van senioren. Ook omdat senioren alleen nog met ernstige gezondheidsklachten naar een instelling gaan. Wooncompas wil graag tegemoet komen aan de behoefte aan betaalbare woningen voor een- en tweepersoonshuishoudens. Door het bouwen van 60 kleine appartementen op de locatie ’t Ronde Sant wordt hieraan invulling gegeven. De nabijheid van Aafje in het naastgelegen verpleeghuis biedt daarin ondersteuning op het gebied van verzorging en welzijnsactiviteiten.
           
In de woonvisie wordt tevens aangegeven dat er blijvend aandacht nodig is voor mensen met verstandelijke, lichamelijke en mobiliteitsbeperkingen. Het onderhavige initiatief voorziet hier in.
  
Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Woonvisie Ridderkerk 2021-2026.
 
3.4.3 Groenvisie 'Groen is onze toekomst'
De Ridderkerkse Groenvisie 'Groen is onze toekomst' beschrijft hoe de gemeente Ridderkerk wil omgaan met het groen binnen de gemeente. De Groenvisie is vastgesteld door de raad van de gemeente Ridderkerk op 18 juni 2020. De ambitie van de gemeente is om de groenste gemeente van het eiland IJsselmonde te worden. Het meeste groen van de gemeente bevindt zich vooral aan de randen van de wijken. In de wijken zelf is weinig groen aanwezig, terwijl juist dit groen in de straat en het plantsoen voor de deur sfeerbepalend is voor de directe omgeving.
 
De Omgevingsvisie van Ridderkerk vormt het belangrijkste kader voor het opstellen van deze visie. In de Omgevingsvisie ligt de nadruk op de betekenis van een aaneengesloten netwerk van groen-blauwe verbindingen voor wandelaars en fietsers. Deze Visie op Groen zoomt verder in op de mogelijkheden en doet hierin voorstellen tot op het niveau van de wijk. In de Groenvisie zijn de volgende ambities en doelstellingen benoemd:
  • Ridderkerk: de groenste gemeente van IJsselmonde;
  • de grote variatie aan samenhangende natuur in de gemeente zorgt voor een rijke biodiversiteit;
  • het groen in de gemeente beschermt de gezondheid en stimuleert gezond gedrag;
  • in 2050 is de gemeente waterrobuust en klimaatbestendig;
  • de energietransitie heeft geleid tot een verbetering van het openbaar groen;
  • de gemeente schat (potentiële) groene ruimte letterlijk op waarde.
 
Planspecifiek
Bij de beoogde ontwikkeling is de intentie geweest om bij te dragen aan de verdere vergroening van de gemeente Ridderkerk om zo de groenste gemeente van het eiland IJsselmonde te worden. Binnen de planlocatie is onderzocht wat de huidige verhouding is tussen verhard en groen oppervlak op de eigen locatie. Bij de analyse is de groenvisie als vertrekpunt gehanteerd. De nieuwe stedenbouwkundige opzet leidt tot een verbetering van de groenbalans op eigen terrein. Het aandeel aan groen binnen het plangebied neemt toe met ca. 500 m². Zo wordt voorzien in een groene afscherming naar de woningen aan de Stevinstraat, om inkijk in de tuinen van die woningen te reduceren.
Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Groenvisie van de gemeente Ridderkerk.
 
3.4.4 Afwegingskader Marktinitiatieven Wonen, Welzijn en Zorg Gemeente Ridderkerk
De gemeente Ridderkerk ontvangt regelmatig verzoeken van zorginstellingen en/of projectontwikkelaars en ouderinitiatieven om voor mensen die zorg of ondersteuning nodig hebben mee te werken aan de realisatie van een woonzorgconcept in de gemeente. De afdeling Sociaal Domein heeft behoefte aan objectieve, heldere en uitlegbare criteria om marktinitiatieven die gericht zijn op mensen met een zorgvraag te kunnen beoordelen. Dit afwegingskader is bedoeld om daarin te voorzien.
 
Planspecifiek
Met behulp van het afwegingskader kan de gemeente advies geven over een initiatief en of deze passend geacht wordt binnen het gemeentelijke afwegingskader woonzorginitiatieven. De gemeente heeft aangegeven dat dit voor onderhavige ontwikkeling het geval is.
 
Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met het 'Afwegingskader Marktinitiatieven Wonen, Welzijn en Zorg Gemeente Ridderkerk'.
 
4 Milieu- en omgevingsaspecten
In dit hoofdstuk zal, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, worden aangetoond dat de nieuwe ontwikkeling past binnen de uitwerkingsregels van het globale bestemmingsplan en past binnen de geldende milieuwetgeving. Hiermee wordt aangetoond dat onderhavig project uitgaat van een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is.
 
4.1 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
  1. het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig;
  2. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;
  3. het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;
  4. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.  
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
  • door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
  • het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
  • de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
 
Planspecifiek
Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
 
Met de beoogde ontwikkeling wordt de bestemming van het plangebied gewijzigd van een gemengde bestemming naar een maatschappelijke bestemming. Er zullen duurzame en niet uitlogende materialen worden gebruikt en afval wordt gescheiden afgevoerd. Gelet op de aard en de omvang van de beoogde ontwikkeling kan gesteld worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.
 
Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
 
4.2 Bodem
In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
 
Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder gevoelig bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.
 
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling ziet toe op de realisatie van 120 wooneenheden, 60 sociale huurwoningen en een kinderdagverblijf. In de huidige situatie is reeds sprake van functies met langdurig verblijf binnen het plangebied. Voor het plangebied is een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 en een verkennend asbestonderzoek conform de NEN 5707 verricht op de locatie aan de Hugo de Groothof 1 te Ridderkerk (Inventerra, d.d. 19 september 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1).
 
In de grond van het plangebied zijn licht verhoogde gehalten aan PCB, PAK, minerale olie en zware metalen in de grond en licht verhoogde concentraties voor zink en xylenen in het grondwater aangetoond. De aangetoonde verhoogde gehalten in de grond en in het grondwater zijn zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt wordt het terrein geschikt geacht voor de huidige en de toekomstige bestemming.
 
Tijdens het asbestonderzoek is asbestverdachte materiaal aangetroffen. Deze is dermate hoog, hoger dan de interventiewaarde van 100 mg/kgds, dat er nader asbest onderzoek benodigd is. Indien uit het uit te voeren nader onderzoek blijkt dat het gemiddeld gewogen asbestgehalte hoger is dan de interventiewaarde, is er sprake van een saneringsnoodzaak. De uitvoering van het nader asbestonderzoek vindt plaats voor de sloop van het gebouw (fase 1).
 
4.3 Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
  • woningen;
  • geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen);
  • andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
 
Planspecifiek
Wonen is een geluidgevoelige functie in het kader van de Wet geluidhinder. Derhalve dient in beeld te worden gebracht of het plangebied is gelegen in de geluidzones van industrie-, wegverkeers- en spoorweglawaai.
 
Industrielawaai
Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een bedrijventerrein, waardoor onderzoek naar industrielawaai achterwege kan blijven. Desalniettemin is in het kader van het bedrijven en milieuzonering wel gekeken naar het geluid van de omliggende bedrijven. Dit is behandeld in toelichting paragraaf 4.4.
 
Wegverkeerslawaai
De planlocatie ligt binnen de bebouwde kom van Ridderkerk, maar is wel gelegen binnen de geluidzone van meerdere geluidgezoneerde wegen, namelijk de Hugo de Grootlaan, de Erasmuslaan en de Vlietlaan. Voor het bouwplan zoals dat in de inspraak is gebracht is een akoestisch onderzoek wegeverkeerslawaai uitgevoerd (Ingenieursbureau Spreen, d.d. 2 oktober 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2). Deze berekening had betrekking op een oudere versie van de beoogde ontwikkeling. Omdat het bouwplan is aangepast, waarbij de bouwhoogte van de woontoren naar beneden is bijgesteld, is als aanvulling op het vorige onderzoek een geluidsnotitie opgesteld waar rekening is gehouden met de nieuwe bouwhoogtes (Ingenieursbureau Spreen, d.d. 22 september 2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 12). De geluidsbelastingen met de aangepaste bouwhoogtes kunnen ten gevolge van de Rotterdamseweg en Vlietlaan voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB. De gecumuleerde geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen (incl. 30 km/h wegen) bedraagt ten hoogste 51 dB (excl. aftrek art. 110g Wgh). Bij een standaard geluidwering van 20 dB volgens het Bouwbesluit kan daarmee worden voldaan het toelaatbaar binnenniveau van 33 dB. Gesteld kan worden dat wegverkeerslawaai geen belemmering vormt voor het initiatief en er in het kader van het bestemmingsplan geen nadere acties vereist zijn.
 
Spoorweglawaai
In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig.
 
Conclusie
Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering zal ondervinden van het aspect geluid.
 
4.4 Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
 
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
 
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
 
Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt.
 
Besluit gevoelige bestemmingen
Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.
 
Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt.
 
De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
  • scholen;
  • kinderdagverblijven;
  • verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten.
 
In 2021 is gebleken dat NO2 en fijn stof schadelijker zijn dan gedacht. De WHO heeft daarom de advieswaarden voor zowel NO2, PM10 en PM2,5 op 21 september 2021 verlaagt naar respectievelijk 10, 15 en 5 μg/m³. Deze richtlijn wordt ook door de GGD gevolgd. Als voldaan wordt aan de advieswaarden, zal er sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. 
 
In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
 
Planspecifiek
De ontwikkeling kan, gezien de zeer beperkte omvang (< 1.500 woningen), aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het realiseren van o.a. de 120 woonunits en de 60 sociale huurwoningen is een project dat 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
 
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van Atlas Leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 17,1 μg/m³, 9,5 μg/m³ en 19,4 μg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 μg/m³ voor fijnstof PM2,5.
 
Er wordt net niet voldaan aan de aangescherpte WHO-advieswaarden. Hierbij dient vermeld te worden dat deze waarden dermate streng zijn dat ze momenteel nergens in Nederland worden gehaald. Op basis van het Schone Lucht Akkoord wordt gestreefd naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, waarbij wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof in 2030.
 
Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
 
4.5 Bedrijven en milieuzonering
Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
 
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven alsmede een goed klimaat voor de gevoelige functies.
 
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie (editie 2009) is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
 
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. 
Planspecifiek
Het voornemen is om de verouderde bebouwing te slopen en om een nieuw verpleeghuis met 120 zorgeenheden, een gebouw met 60 sociale huurwoningen en een nieuw kinderdagverblijf te realiseren. Met de realisatie van de woningen is er sprake van het toevoegen van een gevoelige bestemming. Er dient getoetst te worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot bedrijven en milieuzonering. Daarnaast dient inzichtelijk gemaakt te worden of bedrijven in de omgeving in de mogelijkheden beperkt worden. Volgens de VNG-publicatie valt de omgeving van het plangebied onder het gebiedstype 'rustige woonwijk', aangezien de omgeving van het plangebied hoofdzakelijk uit woningen bestaat.
 
Zorginstelling Aafje
Woonzorgvoorzieningen zijn niet specifiek benoemd in de VNG-brochure. Aangesloten kan worden bij de richtafstanden voor 'Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven' (milieucategorie 1) met een richtafstand van 10 m of voor 'Verpleeghuizen' (milieucategorie 2), met een richtafstand van 30 m. In beide gevallen is 'geluid' de maatgevende factor. Het gebouw wordt op een grotere afstand tot de bestaande woningen aan de Stevinstraat geprojecteerd. Dat geldt ook voor de bevoorrading: die situatie wijzigt niet nadelig ten opzichte van de huidige situatie.
De dagbegeleiding van de zorginstelling heeft overwegend inpandig plaats. De buitenruimte voor de zorginstelling is aan de oostzijde van het gebouw voorzien. Er zal hier sprake zijn van stemgeluid van bewoners, maar op basis van de huidige ervaringen zal dat niet ten koste gaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor bestaande en nieuwe woningen.
 
Kinderdagverblijf en Sportveld Driehoek het Zand
Kinderdagverblijf Mundo – PleSant krijgt binnen het plangebied een nieuwe locatie, op de begane grond van de noordelijke kop van het westelijke bouwdeel. Voor een kinderopvang geldt een milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter (rustige woonwijk). Aan die richtafstand wordt, gemeten van de gevel van het kinderdagverblijf tot de achtergevel van de woningen aan de Stevinstraat, voldaan. De bijbehorende buitenspeelruimte is aan de noordoostkant van het gebouw geprojecteerd, waardoor het geluid van spelende kinderen deels wordt afgeschermd door de nieuwbouw. Ten aanzien van de boven het kinderdagverblijf geprojecteerde zorgwoningen wordt niet voldaan aan de richtafstand. Om die reden is hiervoor een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Adviesburo van der Boom, d.d. 7 oktober 2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 11). In dat onderzoek is ook de sportvoorziening ten zuidoosten van het plangebied meegenomen. Op een afstand van ca. 27 meter van het plangebied, wordt met de ontwikkeling van 'Binnenrijk', namelijk een sportveld gerealiseerd. Volgens het bestemmingsplan 'Driehoek het Zand' is ter plaatse het realiseren van lichtmasten toegestaan. In het kader van dat bestemmingsplan is in het verleden een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd door KuiperCompagnons (5 oktober 2020). Hier is tevens getoetst naar geluidseffecten van het sportveld op het bestaande zorgcomplex. De geluidbelasting ten gevolge van de sportvoorziening is in het akoestisch onderzoek opnieuw bepaald, op basis van het door KuiperCompagnons aangeleverde akoestische model.
 
In het onderzoek is gebruik gemaakt van het toetsingskader voor geluid uit de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Hierbij wordt de geluidbelasting getoetst ter plaatse van de gevels van woningen in de omgeving. De toelaatbare geluidbelasting wordt afgewogen en afgestemd op de omgeving waarin zich de woningen bevinden.
Het toetsingskader voor geluid bestaat uit 4 stappen waarbij per stap de geluidbelasting groter wordt en daarmee de onderzoeks- en motiveringsplicht.
 
Stap 1
In het uitgevoerde onderzoek wordt stap 1 van het toetsingskader voor geluid overgeslagen, aangezien de richtafstanden worden overschreden.
 
Immissiepunten (bron: Akoestisch onderzoek Adviesburo van der Boom, oktober 2024)
 
Stap 2
Volgens stap 2 van het toetsingskader voor geluid is inpassing mogelijk indien het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau niet hoger is dan de richtwaarde van 45 dB(A) in de dagperiode en 40 dB(A) in de avond. Deze richtwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau wordt onder de gebruikte uitgangspunten op een drietal immissiepunten (punten 4, 5 en 6) overschreden ten gevolge van het kinderdagverblijf (met 1 - 9 dB(A)) en in de punten 3 en 7 ten gevolge van de sportvoorziening (overschrijding van 1 - 9 dB(A)).
Op de overige immissiepunten (punten 1 en 2 aan de Stevinstraat) kan ruimschoots aan de richtwaarden worden voldaan.
 
De richtwaarde voor het maximale geluidniveau van 65 dB(A) overdag en 60 dB(A) in de avond wordt onder de gebruikte uitgangspunten overschreden ten gevolge van het kinderdagverblijf (punten 4 en 5: overschrijding 2 - 5 dB(A)) en de sportvoorziening (punt 7: overschrijding in de dag en avond van respectievelijk 1 en 6 dB(A)).
 
Het kinderdagverblijf en de sportvoorziening zullen overigens niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering, aangezien stemgeluid bij toetsing aan het Activiteitenbesluit is uitgezonderd van toetsing aan de grenswaarden.
 
Stap 3
Wanneer stap 3 uit de VNG-brochure wordt genomen dan ontstaat er 5 dB(A) geluidruimte en resteert een overschrijding van de richtwaarden in de punten 4 en 7. Cumulatie van geluid moet dan ook in beschouwing worden genomen. Toetsing uitgaande van stap 3, in combinatie met (extra) maatregelen aan de gevels is een optie. Daarnaast kan worden overwogen of het gebied beschouwd kan worden als 'gemengd gebied', gezien de vermenging van functies. In dat geval kan met stap 3 aan de richtwaarden worden voldaan behalve in punt 7 ten gevolge van de sportvoorziening (1 dB(A) overschrijding van LAmax in de avond).
 
Stap 4
In stap 4 kan een (nog) hogere richtwaarde worden aangehouden dan in stap 3. Daarbij is het van belang om vast te stellen of de geluidwering van de bestaande en nieuwe woningen zodanig is dat aan de wettelijke binnenwaarden kan worden voldaan.
 Maatregelen en binnenniveaus
Om de geluidbelasting op de woningen ten gevolge van het kinderdagverblijf en de sportvoorziening te reduceren zijn de volgende maatregelen denkbaar:
  • Beperken van de bron (emissie).
  • Beperken van de geluidoverdracht naar de omgeving: dit is voor punt 4 (boven het KDV) en punt 7 (sportvoorziening, verspreide bronnen) geen realistische optie.
  • Beperking binnenniveaus: bij hoge gemiddelde en maximale geluidniveaus buiten op de gevel kunnen de binnenniveaus worden gegarandeerd. Conform het Activiteitenbesluit mogen de (maatgevende) langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus binnen overdag niet hoger zijn dan 35 dB(A); dat vergt dus een geluidwering van de hoogst belaste gevel (punt 4, eerste verdieping en punt 7) van minimaal 54 – 35 = 19 dB(A), hetgeen bouwtechnisch goed haalbaar is (eventueel gedempte ventilatie, goede beglazing en kierdichting). Met piekniveaus in de avond van 66 dB(A) in punt 7 t.g.v. de sportvoorziening kan met een geluidwering van 16 dB(A) aan de vereiste binnenniveaus worden voldaan. Uitgaande van een goede geluidwering zal dan sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.
 
Bovenstaande betekent dat wanneer stap 4 uit de VNG-brochure wordt gevolgd, de geluidwering van de bestaande en nieuwe woningen voldoende hoog is om aan de wettelijke binnenwaarden te voldoen (dat geldt voor zowel de LAr,lt als LAmax). Een en ander ervan uitgaande dat de onderzochte geluidbronnen maatgevend zijn voor de totale geluidbelasting (dus dat de bijdrage van andere bronnen, zoals verkeer en industrie verwaarloosbaar klein is).
 
Er is ruimte voor de gemeente om af te wijken van stap 3 met name in verband met het maatschappelijk belang van het kinderdagverblijf en van de buitensportvoorziening. Een belangrijke aspect voor het realiseren van een goed woon- en leefklimaat is dat alle betreffende woningen beschikken over een geluidluwe binnenzijde en dat is hier het geval.
   
Gemengde bestemming
Aan de Zeemanstraat 1 en 2 zijn een fysiopraktijk en een kantoor gevestigd. Voor dergelijke bedrijfsactiviteiten geldt een richtafstand van 10 meter. De afstand van het plangebied tot aan de bedrijfsactiviteiten bedraagt ruim 100 meter. Gezien de grote afstand tot het plangebied vormt deze geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
      
Conclusie
Gelet op voorstaande is er met de beoogde ontwikkeling sprake van een goede ruimtelijke ordening wat betreft milieuzonering. Er kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn met betrekking tot het aspect milieuzonering.
 
4.6 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
  • risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
 
Planspecifiek
Met de ontwikkeling van woningen is er sprake van het toevoegen van kwetsbare objecten. Daarom dienen de veiligheidsrisico’s voor de beoogde ontwikkeling getoetst te worden. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart (Atlas Leefomgeving) ter plaatse van het plangebied.
 
Uitsnede risicokaart (plangebied zwart omcirkeld, bron: Atlas Leefomgeving) 
 
Transportroutes gevaarlijke stoffen
De Noord, een rivier ten oosten van het plangebied, is onderdeel van de 'Corridor Rotterdam - Duitsland'. De Noord is aangewezen als binnenvaartroute voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Conform het Basisnet water betreft deze vaarroute een zwarte vaarroute. Hiervoor geldt een PR-contour tot maximaal 25 meter landinwaarts. Gezien de afstand van de planlocatie tot aan de oeverlaan (ca. 980 meter) vormt de Corridor Rotterdam - Duitsland geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 
 
Er zijn geen andere transportroutes met gevaarlijke stoffen in de omgeving van het plangebied aanwezig.
   
Inrichtingen
In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. 
   
Buisleidingen
Ten zuiden van het plangebied is een aardgasbuisleiding aanwezig. De afstand tot de buisleiding tot aan het plangebied bedraagt ca. 800 meter. Gezien de afstand van de buisleiding tot het plangebied vormt deze geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 
 
Conclusie 
Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
 
4.7 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.
 
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
 
Planspecifiek 
Met de beoogde ontwikkeling wordt het plangebied heringericht, waarbij de bestaande bebouwing wordt gesloopt. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep. Derhalve is er voor de planlocatie een ecologisch onderzoek uitgevoerd (Bureau Stadsnatuur, d.d. 12 april 2021, bijlagen bij toelichting, bijlage 3).
 
Beschermde soorten
Tijdens het onderzoek zijn meerdere beschermde soorten aangetroffen. Zo biedt de haag langs de westrand van het plangebied een rustplek voor de Huismus. Stootvoegen in het hoofdgebouw kunnen verblijfplaatsen vormen voor vleermuizen als rustplaats. In het verleden zijn hier ook vaste vliegroutes van de gewone dwergvleermuizen vastgesteld. Overige beschermde soorten kunnen redelijkerwijs op de planlocatie worden uitgesloten. Om een beter beeld te krijgen van het gebiedsgebruik van de twee beschermde soorten wordt geadviseerd om vervolgonderzoek uit te laten voeren naar vleermuizen en naar de Huismus.  
      
Aan de oostzijde van het plangebied staat een Els welke mogelijk binnen het groengebied van de gemeente staat. Mocht dit het geval zijn, moet bij mogelijke kap van de Els een vergunning aan worden gevraagd.
 
Aanvullend onderzoek
Er is aanvullend onderzoek naar vleermuizen en huismussen uitgevoerd (VanderHelm Milieubeheer, d.d. 1 juni 2023, bijlagen bij toelichting, bijlage 4). In de bebouwing binnen het projectgebied zijn één zomerverblijfplaats en één baltsterritorium van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Het is aannemelijk dat de paarverblijfplaats zich op dezelfde locatie bevindt als de zomerverblijfplaats of de indicatieve verblijfplaats. In de bebouwing zijn tevens twee paarverblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis vastgesteld. Het kan niet worden uitgesloten dat de vastgestelde verblijfplaatsen tevens door individuen van de soort in gebruik zijn als winterverblijfplaats gedurende milde winters. De vastgestelde verblijfplaatsen zullen door de sloopwerkzaamheden worden vernield, wat een overtreding op de Wet natuurbescherming betreft. Met betrekking tot de vastgestelde aanwezige beschermde elementen van de gewone en ruige dwergvleermuis is een Ontheffingsaanvraag met een Activiteitenplan van toepassing. In dat Activiteitenplan worden de benodigde maatregelen beschreven, zoals het plaatsen van tijdelijke vleermuiskasten en het benoemen van de permanente locaties van de kasten. De hiervoor benodigde procedure wordt gevolgd, waarbij het voornemen is om het Activiteitenplan eind 2024 in te dienen.
 
In het projectgebied zijn geen nestplaatsen van de huismus vastgesteld. Een deel van het aanwezige groen in het projectgebied biedt een aanvullende bijdrage aan het essentiële leefgebied van de huismussen die nestelen in de directe omgeving van het projectgebied (evenals aan andere soorten vogels). Indien de sloopwerkzaamheden en de werkzaamheden aan het groen worden uitgevoerd buiten het broedseizoen, en in de uiteindelijke situatie (en voorafgaand aan het broedseizoen) wordt voorzien in een ‘huismusvriendelijke’ tuin in het westelijke deel van het projectgebied, dan zullen de werkzaamheden geen afbreuk doen aan de functionaliteit die het projectgebied op dit moment vervult voor de huismus.
 
Beschermde gebieden
De afstand tot het Natuurnetwerk Nederland en het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is dermate groot dat een effect op deze gebieden uitgesloten kan worden. Wel dient aan de hand van een stikstofberekening de effecten van de uitstoot op de Natura-2000 gebieden berekend te worden. Derhalve is voor de beoogde ontwikkeling een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (Buro SRO, d.d. 2 oktober 2024, bijlagen bij toelichting, bijlage 5). Uit de AERIUS-berekening volgt dat er tijdens de gebruik- en de aanlegfase voor de Natura 2000-gebieden geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. 
 
Conclusie
Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering zal ondervinden van het aspect ecologie, waarbij er nog een procedure wordt gevolgd voor de benodigde ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming.
 
4.8 Water
De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.  
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma.
 
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.  
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.
 
Nationaal Water Programma
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
 
Waterschapsbeleid
Een waterbeheerder is op grond van artikel 4.6 van de Waterwet verplicht om voor de onder zijn beheer staande watersystemen een beheerplan vast te stellen. Het waterschap Hollandse Delta (hierna: WSHD) heeft haar waterbeheerprogramma voor de periode 2022-2027 vastgesteld op 10 november 2021. In het waterbeheerprogramma worden kaders gesteld voor, onder andere, de waterveiligheid en het voorkomen van wateroverlast. Deze onderdelen van het beheer van het watersysteem zien tevens op het plangebied waarin de waterkering zal worden verlegd en waarin een opgave voor waterberging aanwezig is
 
Eén van de instrumenten om het waterbeleid vorm te geven is de watertoets. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Hollandse Delta is aangesloten op de landelijke website van de Digitale Watertoets.
 
Watertoets
In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen.
  
Planspecifiek 
Watercompensatie
In de huidige situatie bestaat het plangebied voor een groot deel uit verhard oppervlak. Het oppervlak aan verharding zal als gevolg van het voorgenomen plan verminderen. Het inpassen van de nieuwe stedenbouwkundige opzet leidt tot een verbetering van de groenbalans binnen het plangebied. Het aandeel aan groen stijgt van circa 3.000 m² naar 3.500 m². Watercompensatie is derhalve niet vereist voor onderhavig initiatief.
 
Onderstaande afbeelding toont de verhardingsbalans van de beoogde ontwikkeling.
 
Verhardingsbalans huidige (links) en toekomstige (rechts) situatie (bron: Rothuizen Architecten en Stedenbouwkundigen, 25 september  2024)
  
Waterafvoer
De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het hoogheemraadschap over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater gescheiden van het afvalwater afgevoerd wordt en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het gescheiden afvoeren van hemelwater zijn:
  • de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden; 
  • de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken waardoor het zuiveringsrendement verbetert;
  • schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.
Voor het pand geldt dat het hemelwater gescheiden afgevoerd wordt en het vuilwater aangesloten wordt op het bestaande rioolstelsel. Hiermee wordt voldaan aan het beleid van het hoogheemraadschap.
 
Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen vormt voor het beoogde initiatief.
 
4.9 Archeologie en cultuurhistorie
 
4.9.1 Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan.
 
Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Om praktische redenen is het eenvoudiger om dit bij de gemeente Ridderkerk te doen.
 
Planspecifiek
Voor de zuidelijke helft van het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’. Voor deze gronden geldt dat bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 100 m² en dieper dan 30 cm een archeologisch onderzoek plaats moet vinden. Ondanks dat een groot deel van het plangebied in de huidige situatie al bebouwd is (dus is de bodem ter plaatse reeds geroerd), zullen deze normen naar verwachting overschreden worden. Om die reden is er archeologisch onderzoek uitgevoerd (Transect, d.d. 9 april 2024 zie bijlagen bij toelichting, bijlage 6).
 
Op basis van het veldonderzoek is geconcludeerd dat er in het plangebied oever- op bedding- en geulafzettingen van de Slikkerveen stroomgordel aanwezig zijn. De top ligt op een diepte tussen 40-85 cm -Mv (0,0 – 0,6 m -NAP). Deze afzettingen zijn naar verwachting gedurende de Romeinse Tijd tot stand gekomen en vanaf dan in theorie bewoonbaar geweest. De top van de oeverafzettingen is in het plangebied echter niet als intact te beschouwen. Een vegetatieniveau of overige sporen van bodemvorming ontbreken in deze afzettingen. Vermoedelijk zijn deze verstoringen te relateren aan de huidige bebouwing en overige (sub)recente ingrepen binnen het plangebied. In de boringen is geen Hollandveen aangetroffen. Dit is naar verwachting geërodeerd door de Slikkerveer. Gezien de resultaten van het veldonderzoek kan de archeologische verwachting in het plangebied naar laag worden bijgesteld.
 
Op basis van het veldonderzoek is sprake van een lage archeologische verwachting. Er is zodoende geen aanleiding om een vervolgonderzoek te adviseren. Het plangebied kan worden vrijgegeven voor de geplande ontwikkeling. Met het oog op mogelijke toekomstige ontwikkelingen is het zuidelijke deel van het plangebied nog voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'.
 
Op het moment dat onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Ridderkerk).
 
Versie 1.1 van het archeologische onderzoek (d.d. 8 december 2022) is beoordeeld door Archeologie Rotterdam (BOOR). In de beoordeling van BOOR d.d. 12 december 2023 wordt geadviseerd om de in het rapport geformuleerde aanbeveling, namelijk om in het plangebied geen vervolgonderzoek uit te voeren, over te nemen. Verder zijn de tekstuele opmerkingen uit de reactie van BOOR verwerkt in versie 2.1 d.d. 9 april 2024.
 
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Er is op een deel van het plangebied een archeologische dubbelbestemming opgenomen.
 
4.9.2 Cultuurhistorie
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.
 
Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
 
Planspecifiek
De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd dorpsgezicht en de bestaande bebouwing betreft geen gemeentelijk of rijksmonument. Ook zijn er geen andere cultuurhistorische elementen aanwezig binnen het plangebied. De boogde ontwikkeling heeft verder geen invloed op dit monument.
 
Gezien het voorgaande dient te worden geconcludeerd dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan.
 
4.10 Verkeer en parkeren
 
4.10.1 Verkeer
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
 
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
 
Planspecifiek
De ontwikkeling van de 120 zorgeenheden, de 60 sociale huurwoningen en het kinderdagverblijf brengt verkeersbewegingen met zich mee. Om de verkeersgeneratie te bepalen is de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. Het plangebied bevindt zich in de 'rest bebouwde kom' en 'matig stedelijk' gebied. In navolgende tabel staat de verkeersgeneratie van de ontwikkeling weergegeven. In de tabel is de verkeersgeneratie van de huidige situatie en de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling met elkaar vergeleken en de toename in de verkeersgeneratie berekent.
 
CROW-categorie
CROW-verkeersgeneratie
Huidig aantal eenheden
Beoogd aantal eenheden
Toename aantal eenheden
Toename aantal voertuigbewegingen
Serviceflat
2,45
106 (*)
120
14
34,3
Huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur)
3,6
25
60
35
126
Kinderdagverblijf
35,15
4,5
4,5
0
0
Totaal
    
160,3
(*) Aantal eenheden inclusief 16 plaatsen via stichting Pameijer
 
Uit de bovenstaande tabel blijkt dat er met de beoogde ontwikkeling sprake is van een verkeersgeneratie van 160,3 voertuigbewegingen per etmaal. De planlocatie wordt, net zoals in de huidige situatie, ontsloten aan de Hugo de Grootlaan. Het verkeer kan vervolgens richting het westen naar de Donkerslootweg of richting het oosten via de Erasmuslaan en de Vlietlaan. Vervolgens gaat het verkeer over in het heersende verkeersbeeld.
 
Conclusie  
Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
 
4.10.2 Autoparkeren
Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
   
Planspecifiek
Autoparkeren
Om het benodigde aantal parkeerplaatsen aan te tonen is een memo opgesteld (d.d. 7 januari 2022, Propos Consultancy in samenwerking met Wooncompas en gemeente Ridderkerk), conform het verkeersplan Ridderkerk 2011-2015 en de normen uit de ‘Nota parkeernormen 2024 Gemeente Ridderkerk’ (vastgesteld op 26 februari 2024). Hierbij is ook rekening gehouden met de aanwezigheidspercentages van de verschillende functies op de verschillende dagdelen van de week. Tevens zijn hierbij de resultaten van een mobiliteitsonderzoek van Mobycon, zoals opgenomen in de eerder genoemde memo, verwerkt.
 
Onderstaande tabel toont de berekende parkeerbehoefte voor de beoogde ontwikkeling, rekening houdend met aanwezigheidspercentages.
 
Parkeerbalans (bron: gemeente Ridderkerk, maart 2024)
 
Ter toelichting hierop het volgende:
  • Voor wat betreft de 60 sociale huurappartementen wordt uitgegaan van de norm van 1,2 parkeerplaats per appartement, inclusief het bezoekersaandeel.
  • Voor wat betreft de 120 zorgeenheden wordt in bovenstaande tabel uitgegaan van een parkeernorm van 0,6 parkeerplaats per zorgeenheid, inclusief bezoekersaandeel. Echter in de voorliggende situatie is uitgegaan van 0,5 parkeerplaats per zorgeenheid, inclusief bezoekersaandeel. Er is daarbij gebruik gemaakt van de discretionaire bevoegdheid om af te wijken van de norm van 0,6 parkeerplaats per eenheid. Dit is mogelijk omdat het een zorginstelling betreft voor demente bejaarden, waardoor de norm lager uitvalt. Dit is gemotiveerd in het bijgevoegde rapport, dat is opgenomen als bijlagen bij toelichting, bijlage 7.
  • Voorts wordt rekening gehouden met de parkeerbehoefte vanuit het kinderdagverblijf (voor personeel en voor halen en brengen). 
 
Uit de tabel blijkt dat de normatieve parkeerbehoefte, rekening houdend met aanwezigheidsfactoren en rekening houdend met een parkeernorm van 0,5 per zorgeenheden in plaats van 0.6 per zorgeenheid (133 - 120*0,1 =) 121 parkeerplaatsen bedraagt. Vanuit de gemeente Ridderkerk zijn 34 parkeerplaatsen in de openbare ruimte toegekend aan het zorggebouw. Dat betekent dat nog voorzien moet worden in (121 - 34 =) 87 parkeerplaatsen.
Het voorliggende initiatief voorziet in totaal in 71 parkeerplaatsen op een parkeerterrein ten westen van het gebouw van Aafje. Aan de Hugo de Grootlaan worden in totaal 16 parkeerplaatsen gerealiseerd.
 
Voor de beoogde ontwikkeling is een handreiking mobiliteitsaanpak opgesteld om de te hanteren mobiliteitsbeleid en de realistische parkeervraag in beeld te brengen (Mobycon, d.d. 7 december 2021, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 7). Het rapport biedt bouwstenen/aanknopingspunten voor het (mobiliteits-)beleid voor ’t Ronde Sant/Aafje in lijn met juridische en landelijke regels en een doorvertaling daarvan naar de te verwachten parkeervraag.
 
In het voorliggende bestemmingsplan is een 'Voorwaardelijke verplichting parkeren' opgenomen, met een verwijzing naar de 'Nota parkeernormen 2024 Gemeente Ridderkerk' of diens rechtsopvolger. Op basis daarvan wordt bij de vergunningsaanvraag getoetst of voldaan wordt aan de parkeernormen en of voldoende voorzieningen worden getroffen op eigen terrein voor het laden en lossen van goederen.
 
Geconcludeerd kan worden dat het aspect autoparkeren geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
 
4.10.3 Fietsparkeren
In de 'Nota parkeernormen 2024 Gemeente Ridderkerknota' is ook het beleid uitgewerkt ten aanzien van fietsparkeren in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In dat verband is aangegeven dat voldaan moet worden aan de fietsparkeereis  en er worden kwaliteitseisen gesteld aan het fietsparkeren en scootmobielen.
 
Voor het bepalen van de fietsparkeervraag wordt uitgegaan van de fietsparkeernormen voor:
  • een 'gezondheidscentrum', waar fietsparkeren alleen nodig is voor bezoekers en medewerkers: resp. 0,1 en 0,3 fietsparkeerplaatsen per 100 m² bvo;
  • woning, kleiner of gelijk aan 60 m²: 3,5 fietsparkeerplaatsen per woning (inclusief 0,5 fietsparkeerplaatsen per woning voor bezoekers);
  • woningen van 61 t/m 100 m² en t/m 60 m²: 4,5 fietsparkeerplaatsen per woning (inclusief 0,5 fietsparkeerplaatsen per woning voor bezoekers).
 
In de 'Nota parkeernormen 2024 Gemeente Ridderkerk' zijn kwaliteitseisen opgenomen. Deze hebben betrekking op toegankelijkheid en op inrichting en bruikbaarheid.
 
In het voorliggende bestemmingsplan is hiervoor de 'Voorwaardelijke verplichting parkeren' opgenomen, met een verwijzing naar de 'Nota parkeernormen 2024 Gemeente Ridderkerk' of diens rechtsopvolger. Op basis daarvan wordt bij de vergunningsaanvraag getoetst of voldaan wordt aan de fietsparkeereis en aan de kwaliteitseisen.
 
Het aspect fietsparkeren vormt geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.11 Klimaatadaptatie en duurzaamheid
Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 49 % reductie van de CO2-uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990. In 2030 dient verder de bijdrage van duurzame energie 32 % van het totale energieverbruik te zijn. In 2050 moet de energievoorziening bijna helemaal duurzaam en CO2-neutraal zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 40 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn.
 
Nederland in 2050 vrij van aardgas
Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden.
 
Energie (BENG)
De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden. De BENG kijkt naar de energie prestatie van een gebouw aan de hand van de drie energieprestatie-indicatoren:
  1. de energiebehoefte indicator;
  2. de primaire fossiele energie-indicator; en
  3. het aandeel hernieuwbare energie. 
Milieuprestatie Gebouwen (MPG)
De Milieuprestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m². Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik. 
  
Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijke beleid op het gebied van klimaatadaptatie en duurzaamheid is vastgelegd in de 'Strategie Klimaatadaptatie gemeente Ridderkerk', de 'Klimaatvisie Ridderkerk', de 'Woonvisie Ridderkerk 2021-2026' en de 'Groenvisie, Groen is onze toekomst'. In deze documenten staat het beleid en de visie van de gemeente voor de komende jaren beschreven, evenals in ‘Onze Toekomst is duurzaam’ (www.onzetoekomstisduurzaam.nl) en het convenant ‘Klimaatadaptief bouwen’.
 
Planspecifiek
In juli 2020 heeft de gemeente Ridderkerk de integrale visie 'Groen is onze toekomst' opgesteld voor het groen in de openbare ruimte per wijk. Het groen bevindt zich vooral in de randen van de wijken terwijl het groen in de straat en het plantsoen voor de deur sfeerbepalend is voor de directe omgeving. De gemeente Ridderkerk gaat zich inzetten om buurten groener te maken èn aan te passen aan het veranderende klimaat. Het project herontwikkeling ’t Ronde Sant ligt in de wijk ’t Zand. Rondom de locatie bevinden zich diverse groene zones. Aan de zuidwestzijde van de locatie ligt 'Driehoek ’t Zand/Binnenrijk', welke wordt herontwikkeld tot een parkachtige omgeving met drie woongebouwen.
 
Duurzaamheid
Aafje en Wooncompas ontwikkelen en realiseren het bouwprogramma conform het vigerend Bouwbesluit wat betekent dat de eenheden ten minste zullen voldoen aan de eisen van BENG (Bijna Energie Neutraal Gebouw). Aafje realiseert haar nieuwe locaties vanuit de afspraken die gemaakt zijn in de Green deal duurzame zorg. Aafje en Wooncompas dragen bij aan het klimaatrobuust maken en behouden van de omgeving door middel van zoveel mogelijk klimaatadaptieve maatregelen, waaronder - indien mogelijk - het realiseren van daken en terrassen met plantenbakken en/of sedum.
 
Klimaatadaptatie
In de planontwikkeling wordt hittestress zoveel mogelijk voorkomen door minder verstening en toepassing van vergroening bij gebouwen en openbare ruimte. In de huidige situatie bestaat het plangebied voor een groot deel uit verhard oppervlak. Het oppervlak aan verharding zal als gevolg van het voorgenomen plan verminderen. Het inpassen van de nieuwe stedenbouwkundige opzet leidt tot een verbetering van de groenbalans op eigen terrein. Het aandeel aan groen stijgt van 3.000 m² naar 3.500 m². Het aandeel half verharding daalt van 1.100 m² naar 600 m² om zo ruimte te maken voor volledig groen.
 
Het hemelwater van gebouwen en verharding wordt zoveel als mogelijk vastgehouden op eigen terrein en vertraagd afgevoerd naar oppervlaktewater. Als bij hevige stortbuien de capaciteit niet meer toereikend is, dan leidt een overstortfunctie naar de gemeentelijke schoonwaterriolering. Het hemelwater wordt dan gescheiden van het afvalwater afgevoerd en het vuilwater wordt via het riool afgevoerd.
 
Biodiversiteit
Aafje en Wooncompas onderzoeken gedurende de ontwikkeling van de locatie de mogelijkheden om natuur inclusief te bouwen. Vanuit landschappelijk oogpunt wordt in lijn met aanwezige flora en fauna de voorzieningen getroffen om bestaande diersoorten te beschermen en in de nieuwe situatie bij te dragen aan verbetering van de biodiversiteit.
 
Energie
Binnen de ambitie om het gebouw aan BENG te voldoen worden er zonnepanelen toegepast. Als de ruimte op het dak het toe laat, hebben Wooncompas en Aafje de ambitie om meer dan het benodigde aantal zonnepanelen te plaatsen.
 
Geconcludeerd kan worden dat het initiatief in lijn is met de ambities ten aanzien van klimaatadaptatie en duurzaamheid van de gemeente Ridderkerk.
 
4.12 Bezonning
Bij bezonning bij ruimtelijke ontwikkelingen gaat het om voldoende zon op de gevel en om schaduwwerking. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de openbare ruimte of tuinen van omwonenden. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt. Sommige functies hebben juist een goede bezonning nodig, zoals tuinen, terrassen of speelplekken. Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning. Voor zowel de toepassing als de inhoud van een bezonningsstudie bestaat derhalve geen directe wettelijke basis. Wel bestaande er de zogenaamde TNO normen. TNO kent een ‘lichte’ en een ‘strenge’ norm:
  • De ‘lichte’ TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.
  • De ‘strenge’ TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. 
Deze normen worden alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers - hoogbouw of niet - nooit direct zonlicht. Landelijk wordt enkel de lichte norm gehanteerd. De ‘TNO-normen’ geven een richtlijn of er sprake is van voldoende bezonning en of er sprake is van goede bezonning. De normen zijn in principe gericht op de bezonning door een raam in de woonkamer. De norm is echter ook te gebruiken om te bepalen of er voldoende bezonning is op balkons, tuinen en/of andere buitenruimtes.
 
Planspecifiek
De bezonningssituatie heeft aandacht bij de planontwikkeling. Voor de beoogde ontwikkeling is een bezonningsstudie uitgevoerd voor de nieuwe situatie (Rothuizen, d.d. 11 september 2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 8b). Tevens is een bezonningsstudie van de bestaande situatie uitgevoerd (Rothuizen, d.d. 27 maart 2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 8a).
Met de bezonningsstudies is de invloed van de geplande bouwvolumes op de bezonning van de omliggende woonbebouwing inzichtelijk gemaakt. Er wordt bij de realisatie van het plan aan de ‘lichte’ TNO-normen voldaan.
 
5 Juridische planbeschrijving
5.1 Algemeen
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).     
 
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
 
Toelichting
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
  
Verbeelding
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (BGT en/of kadastrale kaart).
 
Planregels
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. 
 
Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de 'Bestemmingsregels', staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
  • bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
  • bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
  • afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
 
5.2 Wijze van bestemmen
Voorliggend bestemmingsplan bevat de bestemmingen 'Gemengd', 'Wonen' en 'Tuin'. Deze bestemmingen zijn inhoudelijk vooral ontleend aan het bestemmingsplan 'Woongebied Ridderkerk' en nader afgestemd op het onderhavige initiatief.
 
Bestemming 'Gemengd'
Voor de gronden van het plangebied wordt de bestemming 'Gemengd' opgenomen. Deze gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen en voor zorgwoningen. Op de verbeelding is een bouwvlak met maximum bouwhoogten van 12 meter (zuidelijk bouwdeel)  en 15 meter (noordelijk bouwdeel) opgenomen. Tevens is het maximum aantal wooneenheden (120 wooneenheden) aangeduid. Het gaat hierbij om zorgwoningen. Er wordt tevens enige ruimte geboden voor overige bouwwerken, die ook buiten het bouwvlak mogen worden opgericht. Zo is de beoogde fietsenberging (en mogelijk deels een traforuimte) aan de westrand van te plangebied voorzien van de aanduiding 'bijgebouwen'. Hier is een bijgebouw met een bouwhoogte van 3 meter toegestaan. Daarnaast wordt buiten het bouwvlak nog een bergruimte voor het beheer en onderhoud van het groen of opslag bij het kinderdagverblijf mogelijk gemaakt met een totale oppervlakte van 20 m² en een bouwhoogte van maximaal 3 m.
Tevens wordt ruimte geboden aan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erf- en terreinafscheidingen en een pergola.
  
Bestemming 'Tuin'
Voor de gronden grenzend aan de Hugo de Grootlaan is de bestemming 'Tuin' opgenomen. Binnen deze bestemming zijn tevens verhardingen en parkeerplaatsen toegestaan. Op deze gronden mogen geen bouwwerken gebouwd worden. Wel is het mogelijk een erfafscheiding tot een hoogte van 1 meter te realiseren of overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde met een maximale hoogte van 3 meter. Tevens is er een afwijkingsmogelijkheid opgenomen ten behoeve van de bouw van erkers.
 
Bestemming 'Wonen'
Voor de woontoren en omliggende gronden is de bestemming 'Wonen' opgenomen. Op de verbeelding is één bouwvlak aangeduid; een bouwvlak met een maximum bouwhoogte van 20 meter. Tevens is het maximum aantal wooneenheden aangeduid (60 wooneenheden). Er worden hier geen bouwmogelijkheden voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen geboden, met uitzondering van een afwijkingsmogelijkheid voor erkers. Tevens wordt ruimte geboden aan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erf- en terreinafscheidingen.
Verder worden de in de gemeente gebruikelijke gebruiksmogelijkheden geboden, waaronder die voor aan-huis-gebonden beroepen en aan-huis-gebonden bedrijven.
 
'Gemengd - Voorlopig'
Voor de benodigde verlenging van het gebruik van de tijdelijke huisvesting aan de Hugo de Grootlaan is de voorlopige bestemming 'Gemengd - Voorlopig' opgenomen. Deze regelt de huidige, vergunde bebouwing en het gebruik. Deze voorlopige bestemming heeft een werkingsduur tot 31 december 2028. Na het verstrijken van die geldigheidstermijn worden de gronden bestemd voor 'Gemengd', 'Tuin' en 'Wonen', met een verwijzing naar de bijbehorende regels en naar een verbeelding waarop die bestemmingen zijn weergegeven. Die verbeelding is als bijlage 1 bij de regels gevoegd.
 
Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' 
Ter bescherming van de archeologische waarden die mogelijk aan de zuidwestzijde van het plangebied voorkomen is voorzien in een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Voor deze gronden geldt dat bouwen en een aantal genoemde werken en werkzaamheden, waarbij archeologische waarden in het geding kunnen zijn, slechts mogelijk zijn na voorafgaande toetsing door het bevoegd gezag aan de archeologische waarden. De regeling is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan 'Het Zand en De Gorzen'.
 
Algemene regels
In de Algemene regels zijn de in de gemeente gebruikelijke mogelijkheden voor overschrijdingen van bouwhoogten en bouwgrenzen opgenomen. Tevens gaat het hier om de gangbare afwijkings- en wijzigingsmogelijkheden.
 
Verder is een voorwaardelijke verplichting parkeren opgenomen, waarmee veilig is gesteld dat blijvend voorzien wordt in voldoende auto- en fietsparkeergelegenheid, dat voor laden en lossen van goederen voldoende voorzieningen worden getroffen op eigen terrein en dat voldaan wordt aan de kwaliteitseisen fietsparkeren en scootmobielen.
 
6 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
 
Planspecifiek
Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. Met de gemeente is een anterieure overeenkomst afgesloten.
De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve verzekerd.
 
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
 
7.1 Algemeen
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub c Wro vooroverleg te worden gevoerd, als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt vooroverleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het bestemmingsplan in het geding zijn. 
 
Tevens wordt het voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd, met de mogelijkheid voor een ieder om een inspraakreactie in te dienen.
  
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
 
7.2 Informatiebijeenkomsten
Voor de behandeling van het principebesluit is op 9 maart 2022 een informatiebijeenkomst geweest met omwonenden. Tijdens de bijeenkomst zijn vragen opgehaald en bezorgheden geuit. Hierop volgend zijn antwoorden geformuleerd en is een communicatieplan opgesteld om hierop in te spelen. Naar aanleiding van de reacties is het meest zuidelijk gelegen gebouw en stramien opgeschoven naar het zuidoosten, zodat de afstand met de woningen aan de Stevinstraat groter wordt.
  
Op 1 december 2022 is er een tweede informatiebijeenkomst georganiseerd. Tijdens deze avond zijn de laatste wijzigingen van de ontwikkeling gepresenteerd. Er waren ca. 65 mensen aanwezig. De reacties tijdens deze informatieavond hebben op dat moment niet geleid tot aanpassingen van het ontwerp.
 
Op 24 oktober 2023 is er wederom een informatieavond gehouden. Er waren ca. 40 mensen aanwezig en ook 9 raadsleden. Tijdens die bijeenkomst zijn mogelijke verbeterpunten besproken ten opzichte van de eerder getoonde voorstellen uit 2022. Dat betreft de afstand van de nieuwbouw tot belendende bebouwing en het aanpassen van de bouwhoogte van het woonblok van 10 naar 7 bouwlagen. Daarnaast is het voorheen stenige binnengebied gewijzigd naar een groene binnenruimte, door het parkeren te verschuiven naar de westzijde van het plangebied. Dit is tijdens die avond geïllustreerd met 3D-beelden.
  
Op 13 juni 2024 heeft de raad amendement 2024 – 13 aangenomen, welke kort gezegd stelt dat de raad een woongebouw van 7 bouwlagen niet acceptabel vindt op deze locatie. De raad vraagt met het amendement om het ontwerpbestemmingsplan aan te passen, zodat het geplande woongebouw van Wooncompas niet hoger dan 20 meter, dat is zes woonlagen, kan worden.
Naar aanleiding van dit amendement hebben initiatiefnemers bestudeerd of en op welke wijze een woongebouw met 60 woningen in 6 bouwlagen mogelijk is. De uitwerking hiervan is opgenomen in dit bestemmingsplan. Hierover hebben initiatiefnemers op 2 oktober 2024 een informatieavond georganiseerd. Belanghebbenden en belangstellenden zijn hier geïnformeerd over de planaanpassingen en de wijze waarop dit is verwerkt in het eveneens aangepaste bestemmingsplan. Hiervoor zijn informatiepanelen getoond met de oude plannen, de nieuwe plannen en de wijzigingen in het bijzonder. Hierover hebben geïnteresseerden kunnen spreken met de aanwezige initiatiefnemers.
 
Verslagen van de informatiebijeenkomsten zijn als bijlagen bij dit bestemmingsplan gevoegd (zie bijlagen bij toelichting, bijlage 9a, 9b, 9c en 9d).
  
7.3 Inspraak
Het voorontwerpbestemmingsplan ’t Ronde Sant, met de daarop betrekking hebbende stukken, heeft met ingang van 9 juni 2023 tot en met 6 juli 2023 ter inzage gelegen. Tijdens de terinzagelegging, is de mogelijkheid geboden om een inloopavond te bezoeken. Deze door de gemeente georganiseerde inloopavond heeft plaatsgevonden op donderdag 15 juni 2023. Gedurende de termijn van terinzagelegging zijn in totaal 37 inspraakreacties ontvangen.
Een samenvatting van de inspraakreactie en de reactie hierop heeft plaats in het bijgevoegde 'Nota inspraak en overleg inspraakreacties' (zie bijlagen bij toelichting, bijlage 10). Daarin is ook aangegeven op welke wijze het plan is aangepast naar aanleiding van de inspraakreacties.
 
7.4 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg
In het kader van het wettelijk vooroverleg, zoals bedoeld in artikel 3.1.1 Bro, is het voorontwerpbestemmingsplan gestuurd naar de vooroverlegpartners.. Er zijn reacties ontvangen van Gasunie, Archeologie Rotterdam en Veiligheidsregio Rotterdam – Rijnmond. voor een samenvatting van de ingediende vooroverlegreacties en de reactie hierop wordt verwezen naar de bijgevoegde 'Nota inspraak en overleg inspraakreacties' (zie bijlagen bij toelichting, bijlage 10). Hierbij is per overlegreactie aangegeven of de vooroverlegreactie heeft geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.
 
7.5 Verslag zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan ’t Ronde Sant, met de daarop betrekking hebbende stukken, heeft met ingang van 8 december 2023 tot en met 18 januari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is iedereen in de mogelijkheid gesteld schriftelijk en/of mondeling te reageren op het ontwerpbestemmingsplan.
 
Gedurende de termijn van terinzagelegging zijn in totaal 26 zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan naar voren gebracht. Hiervoor is de Nota zienswijze opgesteld die als  bijlagen bij toelichting, bijlage 13 is bijgevoegd.
Er zijn onderwerpen die meermaals terugkomen in de zienswijzen. Om die reden is in de Nota zienswijzen eerst voor die onderwerpen een algemene beantwoording opgenomen. Vervolgens zijn de afzonderlijke zienswijzen samengevat en beantwoord. Tevens is in de Nota zienswijzen aangegeven tot welke aanpassingen de zienswijzen hebben geleid, ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan.