direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Kardeel 20
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0589.BPKardeel20-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de oostzijde van de kern Oudewater ligt de wijk Noort Syde II. In 2000 is het bestemmingsplan De Noort Syde II vastgesteld waarin de bouw van circa 300 woningen is vastgelegd. In 2013 is een nieuw bestemmingsplan vastgesteld waarin de geactualiseerde bouwopgave is verwerkt. Deze regeling is in 2017 integraal overgenomen in een beheersverordening.

De afgelopen jaren is de wijk ontwikkeld. Aan Kardeel 20 ligt een laatste perceel om bebouwd te worden.

Als gevolg van omissies in de bouwregels van het geldende bestemmingsplan is het niet mogelijk een omgevingsvergunning voor het bouwen van een twee-onder-een-kap-woning te verlenen. Om de bouw van de beoogde woningen mogelijk te maken, is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied betreft het perceel Kardeel 20. Figuur 1.1 geeft de ligging van het plangebied weer. Dit perceel wordt aan de oostzijde begrensd door het Jijnpad. Aan de zuidzijde grenst de locatie aan de tuinen van de woningen aan de Wantslag. De oostzijde wordt begrensd door de watergang. Aan de noordzijde bevindt zich een groenstrook.

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.BPKardeel20-VA01_0001.png"

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: Arcgis luchtfoto 2019)

1.3 Geldend planologisch kader

Ter plaatse geldt de beheersverordening 'Oudewater en landelijk gebied Hekendorp en Papekop', vastgesteld op 28 september 2017. De locatie bevindt zich binnen deze beheersverordening in het besluitvlak 'De Noort Syde II', binnen dit besluitvlak gelden de regels zoals in het bestemmingsplan 'De Noort Syde II', vastgesteld op 4 juli 2013. Figuur 1.2 geeft een uitsnede van dit bestemmingsplan weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.BPKardeel20-VA01_0002.png"

Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan 'De Noort Syde II' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Ter plaatse geldt de bestemming Wonen met een maximum bouwhoogte van 8 meter en een maximum goothoogte van 4,2 meter. Voor de voorgevelrooilijn en langs de zijkant van het perceel geldt de bestemming Tuin.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 komt de ruimtelijke analyse van het plangebied aan de orde en wordt het initiatief beschreven. Vervolgens wordt de ontwikkeling in hoofdstuk 3 aan het actuele beleidskader getoetst dat relevant is voor het plangebied. In hoofdstuk 4 worden de relevante omgevingsaspecten en de bijbehorende onderzoeken beschreven. Een toelichting op de juridische regeling van het plan is opgenomen in hoofdstuk 5. Ten slotte gaat hoofdstuk 6 in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Strijdigheid planvoornemen met de huidige regeling

De wens is ter plaatse een vrijstaande of een twee-onder-een-kap-woning te realiseren. Dit is echter niet mogelijk op basis van de geldende beheersverordening. Door een omissie in de regeling is het bouwplan op twee punten strijdig:

  • 1. Aantal woningen
    Ten aanzien van het aantal woningen staat in artikel 9.2.1. het volgende:
    b. het bestaande aantal woningen per bouwperceel mag niet worden vergroot;
    c. in afwijking van het bepaalde onder b, bedraagt het aantal woningen ter plaatse van de aanduiding 'maximumaantal wooneenheden' ten hoogste het met de aanduiding genoemde aantal;
    Op de kavel is nog geen woning gerealiseerd en een aanduiding 'maximumaantal wooneenheden' mist. Daardoor is het niet mogelijk ter plaatse een woning te bouwen.
  • 2. Woningtype
    Ten aanzien van woningtypes is in artikel 9.2.1. het volgende opgenomen:
    d. hoofdgebouwen worden gebouwd in de volgende vorm:
    1. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld': gestapeld;
    2. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand': vrijstaand;
    3. ter plaatse van de aanduiding 'twee aaneen': twee-aaneen;
    4. indien geen van de onder 1, 2 en 3 genoemde aanduidingen is opgenomen: aaneengebouwd, met een maximum diepte van 10 m;
    Ter plaatse van de kavel mist een bouwaanduiding, waardoor enkel aaneengebouwde woningen zijn toegestaan. Dit betreffen drie of meer woningen. Een vrijstaande of twee-onder-een-kap-woning is hierdoor niet mogelijk.

2.2 Wenselijke aanpassing

Met voorliggend bestemmingsplan wordt de realisatie van één vrijstaande woning of een twee-onder-een-kap-woning mogelijk gemaakt.

Ten opzichte van de geldende beheersverordening worden de volgende wijzigingen aangebracht:

  • In de regels wordt opgenomen dat maximaal twee woningen binnen het bouwvlak zijn toegestaan.
  • Het bouwvlak wordt vergroot en gesitueerd richting het Jijnpad. Binnen het bouwvlak is daarmee een twee-onder-een-kap-woning mogelijk.
  • De aanduidingen 'vrijstaand' en twee aaneen' worden toegevoegd. Daardoor zijn beide woningtypen toegestaan.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

3.1 Toetsing

Het geldende bestemmingsplan ging ter plaatse reeds uit van een woonbestemming. Voorliggend bestemmingsplan repareert de omissie in de bouwregels en maakt maximaal twee woningen mogelijk binnen een bestaande woonwijk. Gelet op de geringe grootte van de ontwikkeling zijn er geen raakvlakken of strijdigheden met het beleid op Rijks-, Provinciaal en gemeentelijk niveau.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de sectorale aspecten beschreven die voor dit bestemmingsplan relevant zijn. De resultaten en conclusies van de onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.

4.2 Milieueffectrapportage

Toetsingskader

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.

Onderzoek en conclusie

De realisatie van 2 woningen betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject. De functie is reeds aanwezig en passend binnen de omgeving. Daarnaast zijn er geen significante milieueffecten en gevolge van de ontwikkeling.

4.3 Wegverkeerslawaai

Toetsingskader

Ten aanzien van geluidhinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst.

Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) aangewezen als geluidgevoelige objecten.

Onderzoek en conclusie

Uit de geluidscontourenkaart van de ODRU blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van geluidbelasting lager dan 38 dB. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

 afbeelding "i_NL.IMRO.0589.BPKardeel20-VA01_0003.png"

Figuur 4.1: Uitsnede geluidscontourenkaart ODRU (bron: odru.gispubliek.nl)

4.4 Verkeer en parkeren

Toetsingskader

Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling.

Onderzoek en conclusie

Voor twee-onder-een-kap-woningen geldt een parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per woning. De benodigde parkeerplaatsen worden voorzien op eigen terrein. In artikel 9.2 is de parkeerbepaling opgenomen.

De verkeersgeneratie ten gevolge van de twee woningen bedraagt op grond van een indicatieve berekening op basis van de kencijfers uit publicatie 381 van de CROW maximaal 15 mvt/etmaal. De realisatie van maximaal twee woningen ter plaatse zorgt niet voor knelpunten in de verkeersafwikkeling ter plaatse.

Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Water

Waterbeheer en watertoets

Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer.

Waterschapsbeleid

Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden heeft haar ambities en langetermijnvisie vastgelegd in het waterbeheerplan Waterkoers 2016–2021. De Waterkoers is een koersdocument om te sturen op hoofdlijnen met als overkoepelende doel Samen werken aan een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. In de Waterkoers wordt op een niet-planmatige manier over het waterschapswerk gesproken, waarbij waterschapswerk breder is dan enkel beheer van water.

Water is een belangrijke pijler van een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. Vanuit deze achtergrond werkt Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden samen met de ruimtelijke ordening aan bescherming tegen overstromingen, een gezond grond- en oppervlaktewatersysteem en het zuiveren van afvalwater. Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt het principe van ruimtelijke adaptatie (Deltabeslissing, www.ruimtelijkeadaptatie.nl). Dit houdt in dat de bebouwde omgeving in 2050 nog steeds aantrekkelijk is om te leven en dat uiterlijk in 2020 ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig zijn opgebouwd en getoetst.

Het minimale uitgangspunt voor planontwikkelingen is dat een plan/project hydrologisch neutraal moet worden ontwikkeld. Doel hierbij is dat een plan/project geen (nadelige) gevolgen heeft voor de waterveiligheid, het grond- en oppervlaktewater en de waterkwaliteit en ecologie. Hiermee wordt geborgd dat de ontwikkeling van het gebied met betrekking tot wateraspecten duurzaam is.

Gemeentelijk beleid

De gemeente Oudewater heeft, 'Ambitieus en schoon', een gemeentelijk Waterbeleidsplan voor de periode 2020-2024 opgesteld met betrekking tot afval-, grond- en hemelwater. Het beleid van de gemeente Oudewater ten aanzien van het natuur- en oppervlaktewater (de singels, sloten, plassen en vijvers) wordt beschreven in het Groenblauw Omgevingsplan. Wat betreft het afvalwater worden stappen gemaakt op gebied van energiebesparing, ontwerpen van nieuwe milieuvriendelijke riolering en het terugwinnen van energie en grondstoffen uit afvalwater. Voor het grondwater wordt gekozen voor een ambitieuze benadering met betrekking tot te hoge grondwaterstanden en een basisbenadering jegens te lage grondwaterstanden. Voor het hemelwater wordt hoog ingezet op een natuurlijke omgang, omdat dit nodig is voor het realiseren van een waterbestendig Oudewater en het vasthouden van water voor droge periodes.

Onderzoek en conclusie

Het plangebied bestaat uit een grasveld. Door de ontwikkeling van de woningen wordt dit gebied verhard. In het kader van het bestemmingsplan De Noort Syde, waar het gebied eerder onderdeel van uitmaakte, is reeds compenserend water gerealiseerd ten noorden van de wijk. Voor de beoogde ontwikkeling is dus geen watercompensatie meer benodigd. Daarnaast vinden er geen werkzaamheden plaats nabij waterkeringen of watergangen van het Hoogheemraadschap.

Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Bodem

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Onderzoek en conclusie

In Bijlage 2 is het verkennend bodemonderzoek toegevoegd. Hieruit blijkt de kwaliteit van de bodem ter plaatse geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van woningen. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Archeologie en cultuurhistorie

Toetsingskader

De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit.

Onderzoek en conclusie

Archeologie

Op basis van de geldende beheersverordening zijn de gronden - behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen - tevens zijn bestemd voor de instandhouding en bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden. In de beheersverordening wordt verwezen naar de nota 'Actualisatie Archeologiebeleid 2015' of een nieuwe nota indien actualisatie plaatsvindt.

Voor het plangebied geldt een lage archeologische verwachting. Bij bodemingrepen vanaf 10.000 m2 en 30 cm -mv is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Cultuurhistorie

Ter plaatse bevinden zich geen monumenten of cultuurhistorische structuren. Cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8 Externe veiligheid

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Onderzoek

Risicovolle inrichtingen

Er bevinden zich geen risicovolle inrichtingen in de nabijheid van het plangebied.

Transport gevaarlijke stoffen

Verder vindt er transport van gevaarlijke stoffen plaats over het spoor (traject Gouda-Harmelen), ten noorden van het plangebied. Het invloedsgebied voor dit spoor bedraagt 4 kilometer. Het spoor bevindt zich op circa 2,2 kilometer en daarmee ligt het plangebied binnen het invloedsgebied. Echter, het plangebied bevindt zich niet binnen de 200 meter vanaf de transportroute, waardoor een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk is. Vanwege de ligging in het invloedsgebied moet wel een beknopte verantwoording voor het groepsrisico worden opgesteld.

Beknopte verantwoording

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid

Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via het Jijnpad en de Wantslag. Deze wegen sluiten aan op het verdere wegennetwerk van de kern Oudewater. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Het wegennetwerk biedt daarnaast vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht.

Zelfredzaamheid

In de toekomstige situatie zullen maximaal 2 woningen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Bij deze groepen wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers/ouders de kinderen en ouderen zullen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen.

Conclusie

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoor (traject Gouda-Harmelen), waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9 Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Onderzoek en conclusie

Het plangebied bevindt zich in een woonwijk waar in de directe omgeving enkel woonfuncties aanwezig zijn. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen bedrijven belemmerd in hun bedrijfsvoering en is ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect bedrijf- en milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Ecologie

Toetsingskader

Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • overige soorten.

Toetsing en conclusie

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt niet in een natuurgebied met beschermde status. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura-2000 gebied (Uiterwaarden Lek) ligt op 9 kilometer afstand. Gelet op deze afstand en de geringe grootte van de ontwikkeling, wordt geen toename van stikstofdepositie op deze gebieden ten gevolge van de ontwikkeling verwacht.

Soortenbescherming

Het plangebied bestaat uit gras wat regelmatig gemaaid wordt. Ter plaatse worden geen beschermde dier- of plantensoorten verwacht.

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen.

Besluit niet in betekenende mate

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek en conclusie

De realisatie van maximaal twee woningen valt onder het Besluit niet in betekenende mate en hoeft daarom niet aan de grenswaarden te worden getoetst.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2019 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Johan J. Vierbergenweg ten westen van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2018 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lag. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen voor de Johan J. Vierbergenweg in 2018; 17,9 µg/m³ voor NO2, 19,3 µg/m³ voor PM10 en 11,8 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 7,1 dagen. Naarmate van de weg af wordt gegaan, nemen de concentraties luchtverontreinigende stoffen af. Ook ter plaatse van het plangebied kan daarom gesteld worden dat wordt voldaan aan deze waarden.

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.12 Bezonning

Toetsingskader

Er zijn in Nederland geen wettelijke eisen gesteld aan de hoeveelheid zon dat op of in een gebouw minimaal dient toe te treden. Voor woningen is door TNO een richtlijn opgesteld. Sommige gemeenten waaronder Den Haag hebben in aanvulling op deze TNO richtlijn een eigen richtlijn opgesteld.

De gemeente Oudewater hanteert geen specifieke bezonningsnorm.

Onderzoek en conclusie

In Bijlage 3 is een bezonningsstudie toegevoegd. Hieruit blijkt dat de invloed van de nieuwbouw beperkt is. Er is ter plaatse van Kardeel 22 nauwelijks extra schaduw door de voorgenomen nieuwbouw te verwachten.

4.13 Kabels en leidingen

Toetsingskader

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.

Onderzoek en conclusie

Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Artikel 1 Begrippen

De begrippen die in het bestemmingsplan gebruikt worden zijn in dit artikel gedefinieerd. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen.

Artikel 2 Wijze van meten

Dit artikel maakt duidelijk hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken worden gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.

5.2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Tuin

Gronden voor woningen en naast woningen grenzend aan openbaar gebied zijn bestemd als Tuin. Deze gronden mogen gebruikt worden als tuin behorend bij de woning, waarbij bebouwing slechts in zeer beperkte zin is toegestaan.

Artikel 4 Wonen

De beoogde woningen zijn toegestaan binnen Wonen. Hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Het maximum aantal woningen bedraagt 2. Op de verbeelding zijn de aanduidingen 'vrijstaand' en 'twee-aaneen' opgenomen. Beide woningtypen zijn hiermee toegestaan.

5.3 Algemene regels

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel

Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Bro vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.

Artikel 6 Algemene bouwregels

Dit artikel bevat de bepaling 'Overschrijding bouwgrenzen'. Dit is een regeling voor beperkte en ondergeschikte overschrijding van de grenzen van bouwvlakken.

Artikel 7 Algemene afwijkingsregels

In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om af te wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan.

Artikel 8 Algemene wijzigingsregels

Dit artikel maakt het mogelijk om de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen wanneer dit benodigd is voor een technisch betere realisering van bestemmingen. Deze bevoegdheid mag nadrukkelijk niet worden gebruikt om zodanig aanzienlijke wijzigingen van bestemmingen te bewerkstelligen, dat daarmee de essentie van het plan wezenlijk wordt veranderd

Artikel 9 Overige regels

Dit artikel bevat de bepaling 'Werking wettelijke regeling'. Hierin is bepaald dat wanneer in de regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen, deze gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan. Daarnaast is in dit artikel geborgd dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en laad- en losruimte.

5.4 Overgangs- en slotregels

Artikel 10 Overgangsrecht

In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. In lid 10.1 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid 10.2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen.

Artikel 11 Slotregel

De slotregel beschrijft op welke wijze de regels aangehaald moeten worden.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

Financiële haalbaarheid

Het project richt zich op de bouw van twee woningen door particuliere opdrachtgevers.

Grondexploitatie

Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.

Het project betreft een particulier initiatief. Er is een grondexploitatie voor dit gebied. De gemeente verkoopt een bouwkavel met een bouwtitel.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het bestemmingsplan wordt in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegezonden aan de verschillende overlegpartners. De ingekomen reacties worden van een beantwoording voorzien.

Ter inzagelegging

Het ontwerp bestemmingsplan heeft samen met de ontwerp omgevingsvergunning voor bouwen gedurende zes weken ter inzage gelegen (artikel 3.8 Wro). Tijdens deze periode is aan belanghebbenden de mogelijkheid geboden tot het indienen van zienswijzen. In Bijlage 1 is de nota zienswijzen toegevoegd.