direct naar inhoud van Regels
Plan: Nieuw-Rhijngeest Zuid (bedrijven)
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0579.BPNRGZ-VA01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan:

het bestemmingsplan Nieuw-Rhijngeest Zuid (bedrijven) met identificatienummer NL.IMRO.0579.BPNRGZ-VA01 van de gemeente Oegstgeest;

1.2 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.3 aan- en uitbouw:

een aan een hoofdgebouw gebouwd pand of deel van een hoofdgebouw dat door zijn verschijningsvorm een ondergeschikte bouwmassa vormt dan wel in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw;

1.4 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.5 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.6 archeologisch deskundige:

een deskundige met betrekking tot archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen kwalificaties;

1.7 archeologische (verwachtings)waarde:

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied (verwachte) voorkomende overblijfselen uit oude tijden;

1.8 bebouwing:

één of meer panden en/of overige bouwwerken;

1.9 bedrijf:

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, verhandelen, installeren en/of herstellen van goederen;

1.10 bedrijfsactiviteit

een van de vele activiteiten in het functioneren van het bedrijf;

1.11 bedrijfsgebouw:

een pand dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten;

1.12 bedrijfswoning

een woning in of bij een pand of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het
huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het
pand of het terrein noodzakelijk is;

1.13 bedrijfsvloeroppervlak (bvo):

het totale vloeroppervlak van kantoren, winkels of bedrijven met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten;

1.14 bestaand gebruik:

het op het tijdstip van het in werking treden van het plan aanwezige gebruik van grond en opstallen;

1.15 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen:

afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die op het tijdstip van het inwerking
treden van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming
van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet dan wel de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht;

1.16 bestaande bouwwerken:

bouwwerken die op het tijdstip van het in werking treden van het plan zijn of worden gebouwd met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht danwel de Woningwet;

1.17 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

1.18 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.19 bijgebouw:

een vrijstaand pand dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde perceel gelegen hoofdgebouw;

1.20 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.21 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.22 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond inclusief tuin, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.23 bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel;

1.24 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde panden en overige bouwwerken zijn toegelaten;

1.25 bouwwerk:

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

1.26 Brancheringsbeleid

het beleid dat gehanteerd wordt bij toelating van nieuwe bedrijven die zich willen vestigen op het Leiden Bio Science Park en de wijze waarop deze toelaatbaarheid wordt getoetst door de gemeenten Leiden en Oegstgest;

1.27 brancheringscommissie

de externe commissie die is ingesteld bij besluit van 13 september 2013 om advies te geven aan de Stuurgroep LBSP. De commissie adviseert over de wenselijkheid van de vestiging van een bedrijf binnen het Leiden Bio Science Park, in het geval deze niet past binnen het vigerende bestemmingsplan en de Stuurgroep geen unaniem standpunt terzake inneemt. Tevens kan de commissie op verzoek van de Provincie Zuid-Holland het door de universiteit en gemeenten Leiden en Oegstgeest uitgevoerde vestigingsbeleid evalueren;

1.28 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.29 dienstverlening:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren, en bankfilialen;

1.30 erfafscheiding:

een bouwwerk geplaatst om de grens met de naburige percelen aan te geven en niet
zijnde een natuurlijk gewas zoals een haag;

1.31 escortbedrijf:

de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend zoals escortservices en bemiddelingsbureaus;

1.32 gen- laboratoria

gespecialiseerde laboratoria waarin gewerkt wordt aan of met genetisch gemodificeerde micro-organismen danwel natuurlijke micro-organismen.

1.33 grootschalige detailhandel:

detailhandel te onderscheiden in:

  • a. detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen;
  • b. detailhandel in zeer volumineuze goederen, auto's, keukens, badkamers, jacuzzi's vloerbedekking, parket, zonwering, tenten, boten,
    motoren, caravans, landbouwwerktuigen en grove bouwmaterialen;
  • c. tuincentra;
  • d. grootschalige meubelbedrijven met een oppervlakte van minimaal 1.000 m2 inclusief in ondergeschikte mate woninginrichting en stoffering;
  • e. bouwmarkten;
1.34 hoofdgebouw:

een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkste is;

1.35 horecabedrijf:

een bedrijf gericht op één of meer van de navolgende activiteiten:

  • a. het verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken;
  • b. het exploiteren van zaalaccommodatie;
  • c. het verstrekken van nachtverblijf;
1.36 hotel:

een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies (per nacht) met - al dan niet - als nevenactiviteit het verstrekken van maaltijden en dranken voor consumptie ter plaatse;

1.37 kantoor:

voorzieningen gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen;

1.38 kelder:

een gedeelte van een pand, dat wordt afgedekt door een vloer- of dakconstructie waarvan de bovenkant, voorzover de kelder tenminste niet onder het hoofdgebouw gesitueerd is, minimaal 10 cm onder het peil ligt;

1.39 Life Science & Health

Life Science & Health is een innovatieve en technologie intensieve sector gericht op de gezondheid van mens en dier. De sector bestaat uit bedrijven en kennisinstellingen in onder meer medische technologie, (bio)farmacie en regeneratieve geneeskunde;

1.40 Life Science & Health bedrijven

bedrijven behorende tot de sector Life Science & Health, namelijk de volle breedte van farma, biotech, materialen tot diagnostiek en medische technologie;

Life Science & Health bedrijven kunnen (deels) beschikken over (gen-) laboratoria en kunnen bestaan uit hoogwaardige distributie en -productie;

Life Science & Health bedrijven beschikken over maximaal 50% bedrijfsgebonden kantoorruimte per bedrijf, het overige deel van het bedrijf bestaat uit laboratoria, R&D-ruimten, productie- en distributiefaciliteiten;

1.41 Life Science & Health kenniscluster

een fysieke concentratie en interactie van bedrijven, kantoren en kennisinstellingen met onderzoek, ondersteuning en opleidingen in de Life Science & Health sector of een andere sector die een relatie heeft met de Life Science & Health sector;

1.42 maatschappelijke voorzieningen:

educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke voorzieningen (met uitzondering van kinderopvang) en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening;

1.43 nutsvoorzieningen:

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes,
gasreduceerstations, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalpandjes, telefooncellen,
voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse-) afvalinzameling en apparatuur voor
telecommunicatie;

1.44 onderkomens:

voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voer- en vaartuigen, zoals arken, woonwagens, kampeerauto's en caravans, voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken, alsook tenten;

1.45 ondergeschikte detailhandel:

beperkte op de eindgebruiker gerichte verkoop van goederen vanuit een bedrijf, waarbij het gaat om detailhandel dat niet zelfstandig functioneert, maar als een ondergeschikte aanvulling en ondersteuning van de bedrijfsfunctie dient;

1.46 ondergeschikte horeca

beperkt verstrekken van dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse vanuit een bedrijf, waarbij het gaat om horeca dat niet zelfstandig functioneert, maar als een ondergeschikte aanvulling en ondersteuning van de bedrijfsfunctie dient;

1.47 overig bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde en geen overkapping zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

1.48 overkapping

een bouwwerk, geen pand zijnde, dat minimaal aan 1 zijde open is en voorzien is van een gesloten dak;

1.49 pand

de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is;

1.50 peil:

Hieronder wordt verstaan:

  • a. bij ligging aan een weg: de kruin van de weg;
  • b. bij ligging aan een anderszins verhard terrein: de bovenkant van dat terrein;
  • c. bij ligging anders dan aan een weg of verhard terrein: het maaiveld.
1.51 perceel:

afgedeeld stuk land of water, kavel;

1.52 perceelsgrens:

een grens tussen twee percelen;

1.53 prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

1.54 prostitutiebedrijf:

een seksinrichting of een escortbedrijf;

1.55 raamprostitutie:

een seksinrichting met één of meer ramen van waarachter de prostitué/prostituee tracht de aandacht van personen op zich te vestigen;

1.56 seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijk pand of overig bouwwerk, dan wel onderkomens, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotisch massagesalon, al of niet in combinatie met elkaar;

1.57 Staat van Bedrijfsactiviteiten:

de Staat van Bedrijfsactiviteiten die van deze regels deel uitmaakt;

1.58 Staat van Bedrijven:

de Staat van Bedrijven die van deze regels deel uitmaakt;

1.59 standplaats

een op een openbare en in de open lucht gelegen plaats om goederen en/of diensten te koop aan te bieden, te verkopen of af te leveren, gebruik makend van mobiele middelen, zoals een kraam, een wagen, of een tafel;

1.60 verbeelding:

de analoge en digitale voorstelling van de in het bestemmingsplan opgenomen ruimtelijke informatie;

1.61 wellness-centre:

op gezondheid en actieve leefstijl gerichte ruimte zoals een fitness studio, een sauna en massagesalon;

1.62 Wet:

de Wet ruimtelijke ordening;

1.63 wetenschappelijke instellingen en onderwijs

wetenschappelijke instellingen en onderwijs op MBO, HBO en/of WO niveau met de daarbij behorende voorzieningen in de vorm van collegezalen, lesruimten, praktijkruimten, bibliotheken, functiegebonden kantoren, ondersteunende horeca en (gen)laboratoria.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 afstanden:

afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn;

2.2 bedrijfsvloeroppervlak (bvo):

binnenwerks, op de vloer van alle ruimten die worden of kunnen worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten conform NEN 2580;

2.3 bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een pand of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.4 breedte en lengte of diepte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse zijgevelvlakken en/of de harten der gemeenschappelijke scheidsmuren;

2.5 bruto vloeroppervlakte van een bouwlaag:

binnenwerks, op de vloer van de bouwlaag conform NEN 2580;

2.6 goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.7 inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.8 oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bedrijf - 1

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. Life Science & Health bedrijven zoals opgenomen in de Staat van Bedrijven 1 (bijlage 2);
  • b. (eventueel gebouwde) parkeervoorzieningen;
  • c. voorzieningen voor laden en lossen;
  • d. al dan niet ondergrondse voorzieningen voor het inzamelen van afval;
  • e. tuinen, in- en uitritten en ontsluitingswegen, voorzieningen voor langzaam verkeer en verblijf, verhardingen, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Panden

Voor het bouwen van panden gelden de volgende regels:

  • a. het bouwen van bedrijfswoningen is niet toegestaan;
  • b. panden worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  • c. de naar de weg gekeerde gevels van panden moeten in de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd;
  • d. het gezamenlijke bruto bedrijfsvloeroppervlak (b.v.o.) van panden binnen de bestemmingen Bedrijf - 1 en Bedrijf - 3 mag niet meer bedragen dan 195.000 m2;
  • e. de bouwhoogte van panden mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' in meters is aangegeven.
3.2.2 Overige bouwwerken

Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. overige bouwwerken mogen niet buiten het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m, met dien verstande dat:
    • 1. de bouwhoogte van bedrijfsinstallaties niet meer mag bedragen dan 6 m;
    • 2. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel, c.q. het verlengde daarvan niet meer mag bedragen dan 1 m;
    • 3. de bouwhoogte van overige erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m;
    • 4. de bouwhoogte van een vlaggenmast mag niet meer bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 6;
    • 5. de bouwhoogte van lichtmasten niet meer mag bedragen dan 6 m.
3.3 Nadere eisen
3.3.1 Bevoegdheid

Het bevoegd gezag kan na afweging van de in het geding zijnde belangen nadere eisen stellen met betrekking tot:

  • a. de situering en afmeting van bouwwerken;
  • b. de situering van en het aantal parkeerplaatsen;
  • c. de situering van vluchtwegen en het stellen van bouwtechnische eisen aan een gebouw;
  • d. de situering van in- en uitritten en andere wegen en paden;
  • e. de situering van leidingen en andere daarmee samenhangende constructies;
  • f. de (overige) inrichting van het perceel.
3.3.2 Toepassen

De bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen wordt toegepast:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden in de naaste omgeving;
  • c. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • d. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van verkeersveiligheid, in het bijzonder het benodigde uitzicht op hoeken van wegen, bochten en in- en uitritten niet gewenst is;
  • e. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van brandveiligheid c.q. brand en rampenbestrijding niet gewenst is, waarbij rekening dient te worden gehouden met het waarborgen, in stand houden c.q. tot stand brengen van een brandveilige situatie en goede bereikbaarheid;
  • f. ter vergroting van de zelfredzaamheid en het bieden van voldoende vluchtmogelijkheden van gebruikers van bouwwerken ingeval van calamiteiten;
  • g. ter bescherming en voorkoming van onevenredige aantasting van de (bestaande) boombeplanting en ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing;
  • h. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van milieu niet gewenst is;
  • i. ter waarborging van de sociale veiligheid.
3.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in Panden onder c en toestaan dat panden, al dan niet gedeeltelijk, niet in de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd indien dit in verband met het ontwerp van het pand in relatie met zijn omgeving wenselijk is.

3.5 Specifieke gebruiksregels
3.5.1 Milieuzonering
  • a. Ter plaatse van de functieaanduiding 'Bedrijf tot en met categorie 1' mogen alleen Life Science & Health bedrijven worden gevestigd met een Milieucategorie 1 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage1);
  • b. Ter plaatse van de functieaanduiding 'Bedrijf tot en met categorie 2' mogen alleen Life Science & Health bedrijven worden gevestigd met een Milieucategorie 2 of lager uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage 1);
  • c. Ter plaatse van de functieaanduiding 'Bedrijf tot en met categorie 3.1 ' mogen alleen Life Science & Health bedrijven worden gevestigd met een Milieucategorie 3.1 of lager uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage 1);
  • d. Ter plaatse van de functieaanduiding 'Bedrijf tot en met categorie 3.2 ' mogen alleen Life Science & Health bedrijven worden gevestigd met een Milieucategorie 3.2 of lager uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage 1).
3.5.2 Laboratoria

Alleen ter plaatse van de functieaanduiding 'Bedrijf tot en met categorie 3.2' mogen Life Science & Health bedrijven over (gen-)laboratoria met een inperkingsniveau van maximaal ML-III en/of BSL-3 met en maximale gevarenklasse van P3 beschikken.

3.5.3 Kantoren

Life Science & Health bedrijven mogen beschikken over bedrijfsgebonden kantoorruimte met dien verstande dat per bedrijf maximaal 50% bedrijfsgebonden kantoorruimte is toegestaan.

3.5.4 Parkeren
  • a. Het parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden, waarvoor de parkeernorm geldt van minimaal 1 parkeerplaats per 80 m2 b.v.o;
  • b. de afstand van de parkeervoorzieningen tot de entree van het hoofdgebouw bedraagt niet meer dan 200 m.
3.5.5 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en panden anders dan voor Life Science & Health bedrijven zoals opgenomen in de Staat van Bedrijven 1 (bijlage 2).

3.6 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. het bepaalde in 3.5.1 onder a, b, en c en de vestiging van bedrijven op het gebied van Life Science & Health toestaan, mits de hinder naar aard en karakter overeenkomst met een bedrijf dat is opgenomen in bijlage 1, de Staat van Bedrijfsactiviteiten, onder de categorieën respectievelijk 2, 3.1 en 3.2;
  • b. het bepaalde in 3.5.1 onder c en de vestiging van bedrijven op het gebied van Life Science & Health, die beschikken over (gen)-laboratoria met een inperkingsniveau van maximaal ML-I en/of BSL-1 met een maximale gevarenklasse van P1, toestaan ter plaatse van de functieaanduiding 'Bedrijf tot en met categorie 3.1'. Alvorens af te wijken laat het bevoegd gezag zich adviseren door de Omgevingsdienst West-Holland.

 

Artikel 4 Bedrijf - 3

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf - 3' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. Life Science & Health bedrijven zoals opgenomen in de Staat van Bedrijven 3 (bijlage 3 );
  • b. wetenschappelijke instellingen en onderwijs zoals opgenomen in de Staat van Bedrijven 3 (bijlage 3);
  • c. aan het Life Science & Health kenniscluster gerelateerde overige bedrijven, (onderwijs-)instellingen en/of kantoren zoals opgenomen in de Staat van Bedrijven 3 (bijlage 3);
  • d. terplaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - research en IT', een bedrijf dat, behalve op productie van Life Science & Health gerelateerde producten, mede gericht is op ontwikkeling van kantoorartikelen en op ITserviceverlening;
  • e. een detailhandelsvestiging met een maximum oppervlakte van 200 m2 bvo ten dienste van de aanwezige bedrijven;
  • f. (eventueel gebouwde) parkeervoorzieningen;
  • g. voorzieningen voor laden en lossen;
  • h. al dan niet ondergrondse voorzieningen voor het inzamelen van afval;
  • i. tuinen, in- en uitritten en ontsluitingswegen, voorzieningen voor langzaam verkeer en verblijf, verhardingen; nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Panden

Voor het bouwen van panden gelden de volgende regels:

  • a. het bouwen van bedrijfswoningen is niet toegestaan;
  • b. panden worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  • c. de naar de weg gekeerde gevels van panden moeten in de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd;
  • d. het gezamenlijke bruto bedrijfsvloeroppervlak (b.v.o.) van panden binnen de bestemmingen Bedrijf - 1 en Bedrijf - 3 mag niet meer bedragen dan 195.000 m2;
  • e. de bouwhoogte van panden mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' in meters is aangegeven.
4.2.2 Overige bouwwerken

Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. overige bouwwerken mogen niet buiten het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m, met dien verstande dat:
    • 1. de bouwhoogte van bedrijfsinstallaties niet meer mag bedragen dan 6 m;
    • 2. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel, c.q. het verlengde daarvan niet meer mag bedragen dan 1 m;
    • 3. de bouwhoogte van overige erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m;
    • 4. de bouwhoogte van een vlaggenmast mag niet meer bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 6;
    • 5. de bouwhoogte van lichtmasten niet meer mag bedragen dan 6 m.
4.3 Nadere eisen
4.3.1 Bevoegdheid

Het bevoegd gezag kan na afweging van de in het geding zijnde belangen nadere eisen stellen met betrekking tot:

  • a. de situering en afmeting van bouwwerken;
  • b. de situering van en het aantal parkeerplaatsen;
  • c. de situering van vluchtwegen en het stellen van bouwtechnische eisen aan een gebouw;
  • d. de situering van in- en uitritten en andere wegen en paden;
  • e. de situering van leidingen en andere daarmee samenhangende constructies;
  • f. de (overige) inrichting van het perceel.
4.3.2 Toepassen

De bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen wordt toegepast:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden in de naaste omgeving;
  • c. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • d. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van verkeersveiligheid, in het bijzonder het benodigde uitzicht op hoeken van wegen, bochten en in- en uitritten niet gewenst is;
  • e. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van brandveiligheid c.q. brand en rampenbestrijding niet gewenst is, waarbij rekening dient te worden gehouden met het waarborgen, in stand houden c.q. tot stand brengen van een brandveilige situatie en goede bereikbaarheid;
  • f. ter vergroting van de zelfredzaamheid en het bieden van voldoende vluchtmogelijkheden van gebruikers van bouwwerken ingeval van calamiteiten;
  • g. ter bescherming en voorkoming van onevenredige aantasting van de (bestaande) boombeplanting en ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing;
  • h. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van milieu niet gewenst is;
  • i. ter waarborging van de sociale veiligheid.
4.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.1 onder c en toestaan dat panden, al dan niet gedeeltelijk, niet in de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd indien dit in verband met het ontwerp van het pand in relatie met zijn omgeving wenselijk is.

4.5 Specifieke gebruiksregels
4.5.1 Milieuzonering
  • a. Ter plaatse van de functieaanduiding 'Bedrijf tot en met categorie 1' mogen alleen Life Science & Health bedrijven worden gevestigd met een Milieucategorie 1 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage 1);
  • b. Ter plaatse van de functieaanduiding 'Bedrijf tot en met categorie 2' mogen alleen Life Science & Health bedrijven worden gevestigd met een Milieucategorie 2 of lager uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage 1);
  • c. Ter plaatse van de functieaanduiding 'Bedrijf tot en met categorie 3.1 ' mogen alleen Life Science & Health bedrijven worden gevestigd met een Milieucategorie 3.1 of lager uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage 1);
  • d. Ter plaatse van de functieaanduiding 'Bedrijf tot en met categorie 3.2 ' mogen alleen Life Science & Health bedrijven worden gevestigd met een Milieucategorie 3.2 of lager uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage 1).
4.5.2 Laboratoria

Alleen ter plaatse van de functieaanduiding 'Bedrijf tot en met categorie 3.2' mogen Life Science & Health bedrijven over (gen-)laboratoria met een inperkingsniveau van maximaal ML-I+ en/of BSL-1 met en maximale gevarenklasse van P1 beschikken.

4.5.3 Parkeren
  • a. Het parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden, waarvoor de parkeernorm geldt van minimaal 1 parkeerplaats per 60m2 b.v.o;
  • b. de afstand van de parkeervoorzieningen tot de entree van het hoofdgebouw bedraagt niet meer dan 200 m.
4.5.4 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt, behoudens het bepaalde in 4.1 onder d, in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en panden anders dan voor Life Science & Health bedrijven en/of -instellingen, wetenschappelijke instellingen en/of onderwijs en Life Science & Health gerelateerde overige bedrijven, (onderwijs-)instellingen en/of kantoren zoals opgenomen in de Staat van Bedrijven 3 (bijlage 3).

4.6 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. het bepaalde in 4.1 onder d en een extra detailhandelsvestiging van maximaal 200 m2 bvo toestaan welke is gerelateerd aan een terplaatse aanwezige onderwijsinstelling;
  • b. het bepaalde in 4.5.1 onder a, b en c en de vestiging van bedrijven op het gebied van Life Science & Health toestaan, mits de hinder naar aard en karakter overeenkomst met een bedrijf dat is opgenomen in bijlage 1, de Staat van Bedrijfsactiviteiten, onder de categorieën respectievelijk 2, 3.1 en 3.2;
  • c. het bepaalde in 4.5.1 onder d en de vestiging van bedrijven op het gebied van Life Science & Health, die beschikken over (gen)-laboratoria met een inperkingsniveau van maximaal ML-I en/of BSL-1 met een maximale gevarenklasse van P1, toestaan ter plaatse van de functieaanduiding 'Bedrijf tot en met categorie 3.1'. Alvorens af te wijken laat het bevoegd gezag zich adviseren door de Omgevingsdienst West-Holland;
  • d. het bepaalde in 4.5.4 en de vestiging van overige bedrijven, (onderwijs-)instellingen en/of kantoren die niet voorkomen in de Staat van Bedrijven 3 (bijlage 3) toestaan, mits deze wel passen binnen het Life Science & Health kenniscluster. Alvorens af te wijken laat het bevoegd gezag zich adviseren door een deskundigencommissie in de vorm van een brancheringscommissie.

Artikel 5 Cultuur en ontspanning

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Cultuur en ontspanning' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een museum en/of tentoonstellingsruimten;
  • b. conferenties en exposities;
  • c. exploitatie van zaalaccomodaties;
  • d. maatschappelijke voorzieningen;
  • e. recreatieve voorzieningen;
  • f. ondergeschikte horeca;
  • g. ondergeschikte detailhandel met een maximale oppervlakte van 200 m2 bvo met een assortiment dat aansluit op de aard van de culturele, danwel recreatieve voorziening;
  • h. de bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen zoals in- en uitritten, ontsluitingswegen, groen, water, nuts- en parkeervoorzieningen.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Panden

Voor het bouwen van panden gelden de volgende regels:

  • a. het bouwen van bedrijfswoningen is niet toegestaan;
  • b. panden worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan.
5.2.2 Overige bouwwerken

Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. overige bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m, met dien verstande dat:
    • 1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer mag bedragen dan 1 m;
    • 2. de hoogte van overige erf- en terreinafscheidingen niet meer mag bedragen dan 2 m;
    • 3. de bouwhoogte van bedrijfsinstallaties niet meer mag bedragen dan 6 m;
    • 4. de bouwhoogte van vlaggenmasten niet meer mag bedragen dan 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 6 ;
    • 5. de bouwhoogte van lichtmasten niet meer mag bedragen dan 6 m.
5.3 Nadere eisen
5.3.1 Bevoegdheid

Het bevoegd gezag kan na afweging van de in het geding zijnde belangen nadere eisen stellen met betrekking tot:

  • a. de situering, afmeting en hoogte van bouwwerken;
  • b. de situering van en het aantal parkeerplaatsen;
  • c. de situering van vluchtwegen en het stellen van bouwtechnische eisen aan een gebouw;
  • d. de situering van in- en uitritten en andere wegen en paden;
  • e. de situering van leidingen en andere daarmee samenhangende constructies;
  • f. de (overige) inrichting van het perceel.
5.3.2 Toepassing

De bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen wordt toegepast:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden in de naaste omgeving;
  • c. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • d. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van verkeersveiligheid, in het bijzonder het benodigde uitzicht op hoeken van wegen, bochten en in- en uitritten niet gewenst is;
  • e. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van brandveiligheid c.q. brand en rampenbestrijding niet gewenst is, waarbij rekening dient te worden gehouden met het waarborgen, in stand houden c.q. tot stand brengen van een brandveilige situatie en goede bereikbaarheid;
  • f. ter vergroting van de zelfredzaamheid en het bieden van voldoende vluchtmogelijkheden van gebruikers van bouwwerken ingeval van calamiteiten;
  • g. ter bescherming en voorkoming van onevenredige aantasting van de (bestaande) boombeplanting en ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing;
  • h. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van milieu niet gewenst is;
  • i. ter waarborging van de sociale veiligheid.
5.4 Specifieke gebruiksregels
  • a. Het parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden, waarvoor de parkeernorm geldt van minimaal 1 parkeerplaats per 60m2 b.v.o;
  • b. de afstand van de parkeervoorzieningen tot de entree van het hoofdgebouw bedraagt niet meer dan 200 m.

Artikel 6 Groen

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. (openbaar) groen, water, voet- en fietspaden;
  • b. bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen zoals waterhuishoudkundige-, speel- en nutsvoorzieningen.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Panden

Binnen deze bestemming mogen geen panden worden gebouwd.

6.2.2 Overige bouwwerken

Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. overige bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m.

Artikel 7 Horeca

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor een hotel:

met hieraan ondergeschikt:

  • a. een café, restaurant en bar met een gezamenlijk oppervlak van maximaal 700 m2 b.v.o.;
  • b. business center/vergaderzalen met een gezamenlijk oppervlak van maximaal 800 m2 b.v.o.;
  • c. detailhandel tot maximaal 25 m2 b.v.o. met een assortiment dat aansluit op de aard van de hotelfunctie;
  • d. fitness en wellness centre met een gezamenlijk oppervlak van maximaal 700 m2 b.v.o.;
  • e. bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen zoals in- en uitritten, ontsluitingswegen, groen, water, nuts-, speel- en (ondergrondse-) parkeervoorzieningen.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Panden

Voor het bouwen van panden gelden de volgende regels:

  • a. panden worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  • b. de bouwhoogte mag niet groter zijn dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' in meters is aangegeven;
  • c. het totaal bruto vloeroppervlak van het hoofdgebouw mag niet groter zijn dan aanwezig op het moment van de inwerkingtreding van dit plan;
  • d. de diepte van ondergrondse parkeervoorzieningen mag niet groter zijn dan 4 meter beneden peil;
  • e. bedrijfswoningen zijn niet toegestaan;
7.2.2 Overige bouwwerken

Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. overige bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m, met dien verstande dat;
    • 1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer mag bedragen dan 1 m;
    • 2. de hoogte van overige erf- en terreinafscheidingen niet meer mag bedragen dan 2 m;
    • 3. de bouwhoogte van bedrijfsinstallaties bedraagt ten hoogste 6 m;
    • 4. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 6 m, waarbij het aantal vlaggenmasten per bouwpeceel niet meer mag bedragen dan 6;
    • 5. de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt ten hoogste 6 m.
7.3 Nadere eisen
7.3.1 Bevoegdheid

Het bevoegd gezag kan na afweging van de in het geding zijnde belangen nadere eisen stellen met betrekking tot de situering van vluchtwegen en het stellen van bouwtechnische eisen aan een gebouw.

7.3.2 Toepassing

De bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen wordt toegepast ter vergroting van de zelfredzaamheid en het bieden van voldoende vluchtmogelijkheden van gebruikers van bouwwerken ingeval van calamiteiten.

7.4 Specifieke gebruiksregels
  • a. Het parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden, waarvoor de parkeernorm geldt van minimaal 1 parkeerplaats per 60m2 b.v.o;
  • b. de afstand van de parkeervoorzieningen tot de entree van het hoofdgebouw bedraagt niet meer dan 200 m.

Artikel 8 Verkeer

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. (hoofdontsluitings-)wegen, fiets- en voetgangerspaden;
  • b. maximaal één standplaats;
  • c. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals geluidwerende voorzieningen, groen, water, bermstroken en parkeer-, speel- en nutsvoorzieningen;
  • d. reclameuitingen.
8.2 Bouwregels
8.2.1 Panden

Binnen deze bestemming mogen geen panden worden gebouwd.

8.2.2 Overige bouwwerken

De bouwhoogte van overige bouwwerken - anders dan ten behoeve van de verkeersregeling, verkeersaanduiding, wegaanduiding of verlichting - mag niet meer bedragen dan 3 m.

8.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.2.2 en een grotere bouwhoogte toestaan van maximaal 6 m.

8.4 Specifieke gebruiksregels

Ten aanzien van het innemen van de standplaats voor detailhandel gelden de volgende regels:

  • a. voor de standplaats geldt een maximale oppervlakte van 25 m2;
  • b. de opstelling van de standplaats mag het wegverkeer niet belemmeren;
  • c. bij de opstelling van de standplaats dient de toegang op het trottoir ongehinderd te blijven;
  • d. indien de opstelling van de standplaats leidt tot opheffing van parkeerplaatsen, dan mag deze opheffing geen onevenredige afbreuk doen aan het voorzieningenniveau van de openbare parkeerplaatsen;
  • e. het assortiment van de standplaats mag niet leiden tot geuroverlast voor omliggende bedrijven, of andere bestemmingen;
  • f. het gebruik moet qua aard, milieubelasting en uitstraling passen in de directe omgeving van de standplaats.

Artikel 9 Water

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. waterlopen en waterpartijen;
  • b. waterhuishouding;
  • c. waterberging;
  • d. bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen zoals groenvoorzieningen, oeverbeschoeiingen, bruggen.
9.2 Bouwregels
9.2.1 Panden

Op of in deze grond mogen geen panden worden gebouwd.

9.2.2 Overige bouwwerken

De bouwhoogte van overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m.

Artikel 10 Waarde - Archeologie 1

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Waarde - Archeologie 1 aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.

Deze dubbelbestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelbestemmingen.

10.2 Bouwregels
  • a. Op deze gronden mogen ten behoeve van de in 10.1 bedoelde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd die voor aanvullend of definitief archeologisch onderzoek (opgraven) noodzakelijk zijn, mits de bepalingen van 10.3 vooraf in acht zijn genomen.
  • b. Tevens mogen op deze gronden gebouwen/overige bouwwerken worden opgericht voor de primaire bestemming (-en) mits de bepalingen van 10.3 vooraf in acht zijn genomen.
10.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.3.1 Verbodsregel
  • a. Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren dieper dan 50 cm en over een (totale) oppervlakte groter dan 25 m².
    • 1. grondwerkzaamheden, waartoe wordt gerekend het ophogen, afgraven, verwijderen van oude funderingen, woelen en mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
    • 2. het aanleggen of rooien van bomen en diepwortelende struiken waarbij stobben worden verwijderd;
    • 3. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
    • 4. het verlagen van het waterpeil;
    • 5. het werken met opsporingsapparatuur (waaronder vallen metaaldetectoren, grondradar en ander detectieapparatuur), gevolgd door het opgraven van archeologische vondsten en relicten;
    • 6. het heien van palen en slaan van damwanden;
  • b. De aanvrager van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, dient bij het indienen van de aanvraag een archeologisch rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, in voldoende mate is vastgesteld.
  • c. De werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden als bedoeld onder a 1 t/m 6 zijn slechts toelaatbaar, indien en voor zover deze door die werken of werkzaamheden geen afbreuk doen aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden in de desbetreffende gronden.
10.3.2 Omgevingsvergunning niet vereist

Het verbod in lid 10.3.1 is niet van toepassing indien:

  • a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplanting en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • b. de werken of werkzaamheden:
    • 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
    • 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of ontgrondingenvergunning.
10.3.3 Voorwaarden omgevingsvergunning

Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het doen van archeologisch bureauonderzoek;
  • b. de verplichting tot het doen van inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuven en non-destructief onderzoek (zoals bijvoorbeeld grondradar- en weerstandsonderzoek);
  • c. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden kunnen worden behouden (behoud in situ);
  • d. de verplichting tot definitief archeologisch onderzoek (opgraven) en het conserveren van de archeologische resten en het opstellen van een eindrapportage;
  • e. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen kwalificaties (archeologische begeleiding).
10.3.4 Programma van eisen

Archeologisch onderzoek als bedoeld in 10.3.3 wordt uitgevoerd op basis van een programma van eisen opgesteld overeenkomstig de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, dat moet worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. In het programma van eisen wordt aangegeven op welke wijze de voorwaarden die aan de vergunning worden verbonden worden uitgevoerd.

10.4 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  • b. aan gronden alsnog de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 toe te kennen indien uit inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek blijkt dat de begrenzing van de gronden met deze medebestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Artikel 11 Waarde - Archeologie 2

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Waarde - Archeologie 2 aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.

Deze dubbelbestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelbestemmingen.

11.2 Bouwregels
  • a. Op deze gronden mogen ten behoeve van de in 11.1 bedoelde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd die voor aanvullend of definitief archeologisch onderzoek (opgraven) noodzakelijk zijn, mits de bepalingen van 11.3 vooraf in acht zijn genomen.
  • b. Tevens mogen op deze gronden panden/overige bouwwerken worden opgericht voor de primaire bestemming (-en) mits de bepalingen van 11.3 vooraf in acht zijn genomen.
11.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.3.1 Verbodsregel
  • a. Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren dieper dan 50 cm en over een (totale) oppervlakte groter dan 100 m².
    • 1. grondwerkzaamheden, waartoe wordt gerekend het ophogen, afgraven, verwijderen van oude funderingen, woelen en mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
    • 2. het aanleggen of rooien van bomen en diepwortelende struiken waarbij stobben worden verwijderd;
    • 3. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
    • 4. het verlagen van het waterpeil;
    • 5. het werken met opsporingsapparatuur (waaronder vallen metaaldetectoren, grondradar en ander detectieapparatuur), gevolgd door het opgraven van archeologische vondsten en relicten;
    • 6. het heien van palen en slaan van damwanden;
  • b. De aanvrager van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, dient bij het indienen van de aanvraag een archeologisch rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, in voldoende mate is vastgesteld.
  • c. De werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden als bedoeld onder a 1 t/m 6 zijn slechts toelaatbaar, indien en voor zover deze door die werken of werkzaamheden geen afbreuk doen aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden in de desbetreffende gronden.
11.3.2 Omgevingsvergunning niet vereist

Het verbod in lid 11.3.1 is niet van toepassing indien:

  • a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplanting en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • b. de werken of werkzaamheden:
    • 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
    • 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of ontgrondingenvergunning.
11.3.3 Voorwaarden omgevingsvergunning

Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het doen van archeologisch bureauonderzoek;
  • b. de verplichting tot het doen van inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuven en non-destructief onderzoek (zoals bijvoorbeeld grondradar- en weerstandsonderzoek);
  • c. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden kunnen worden behouden (behoud in situ);
  • d. de verplichting tot definitief archeologisch onderzoek (opgraven) en het conserveren van de archeologische resten en het opstellen van een eindrapportage;
  • e. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen kwalificaties (archeologische begeleiding).
11.3.4 Programma van eisen

Archeologisch onderzoek als bedoeld in 11.3.3 wordt uitgevoerd op basis van een programma van eisen opgesteld overeenkomstig de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, dat moet worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. In het programma van eisen wordt aangegeven op welke wijze de voorwaarden die aan de vergunning worden verbonden worden uitgevoerd.

Artikel 12 Waarde - Archeologie 3

12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Waarde - Archeologie 3 aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.

Deze dubbelbestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelbestemmingen.

12.2 Bouwregels
  • a. Op deze gronden mogen ten behoeve van de in 12.1 bedoelde bestemming uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd die voor aanvullend of definitief archeologisch onderzoek (opgraven) noodzakelijk zijn, mits de bepalingen van 12.3 vooraf in acht zijn genomen.
  • b. Tevens mogen op deze gronden panden/overige bouwwerken worden opgericht voor de primaire bestemming (-en) mits de bepalingen van 12.3 vooraf in acht zijn genomen.
12.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
12.3.1 Verbodsregel
  • a. Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren dieper dan 50 cm en over een (totale) oppervlakte groter dan 250 m².
    • 1. grondwerkzaamheden, waartoe wordt gerekend het ophogen, afgraven, verwijderen van oude funderingen, woelen en mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
    • 2. het aanleggen of rooien van bomen en diepwortelende struiken waarbij stobben worden verwijderd;
    • 3. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
    • 4. het verlagen van het waterpeil;
    • 5. het werken met opsporingsapparatuur (waaronder vallen metaaldetectoren, grondradar en ander detectieapparatuur), gevolgd door het opgraven van archeologische vondsten en relicten;
    • 6. het heien van palen en slaan van damwanden;
  • b. De aanvrager van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, dient bij het indienen van de aanvraag een archeologisch rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, in voldoende mate is vastgesteld.
  • c. De werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden als bedoeld onder a 1 t/m 6 zijn slechts toelaatbaar, indien en voor zover deze door die werken of werkzaamheden geen afbreuk doen aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden in de desbetreffende gronden.
12.3.2 Omgevingsvergunning niet vereist

Het verbod in lid 12.3.1 is niet van toepassing indien:

  • a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplanting en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • b. de werken of werkzaamheden:
    • 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
    • 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning of ontgrondingenvergunning.
12.3.3 Voorwaarden omgevingsvergunning

Aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het doen van archeologisch bureauonderzoek;
  • b. de verplichting tot het doen van inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuven en non-destructief onderzoek (zoals bijvoorbeeld grondradar- en weerstandsonderzoek);
  • c. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden kunnen worden behouden (behoud in situ);
  • d. de verplichting tot definitief archeologisch onderzoek (opgraven) en het conserveren van de archeologische resten en het opstellen van een eindrapportage;
  • e. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen kwalificaties (archeologische begeleiding).
12.3.4 Programma van eisen

Archeologisch onderzoek als bedoeld in 12.3.3 wordt uitgevoerd op basis van een programma van eisen opgesteld overeenkomstig de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, dat moet worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. In het programma van eisen wordt aangegeven op welke wijze de voorwaarden die aan de vergunning worden verbonden worden uitgevoerd.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 13 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 14 Algemene gebruiksregels

Het is verboden de gronden, bouwwerken en onderkomens te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met aan die gronden gegeven bestemming, waaronder in elk geval wordt gerekend:

  • a. het gebruik van de gronden, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting, escortbedrijf, raamprostitutie of straatprostitutie;
  • b. het gebruik van niet-bebouwde grond als permanente staan- of ligplaats van demonteerbare of verplaatsbare inrichtingen voor de verkoop van etenswaren en dranken;
  • c. het gebruik van niet-bebouwde grond als staan- of ligplaats voor kampeermiddelen;
  • d. het gebruik van niet-bebouwde grond als staan- of ligplaats voor, menselijk of dierlijk verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken, vaar- of voertuigen, arken of andere objecten, voor zover die niet als bouwwerk zijn aan te merken;
  • e. het gebruik van niet-bebouwde grond voor het opslaan, storten of bergen van al dan niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden, dan wel indien in hoofdstuk 2 van deze regels anders is bepaald.

Artikel 15 Algemene afwijkingsregels

Het bevoegd gezag mag door middel van een omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. de bepalingen in het plan en toestaan dat bouwwerken, zoals fietsenstallingen, transformatorhuisjes, schakelhuisjes, gemaalpandjes, wachthuisjes voor verkeersdiensten worden gebouwd, mits deze geen grotere inhoud hebben dan 50 m3;
  • b. de op de verbeelding of in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages aanduidingsgrenzen en overige aanduidingen indien dit uit het oogpunt van een doelmatig gebruik van de gronden en/of bebouwing gewenst is, met inachtneming van de volgende regels:
    • 1. de afwijkingen bedragen niet meer dan 2 m;
    • 2. het bouwvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot;
  • c. de op de verbeelding of in de regels gegeven bestemmingsgrenzen, bouwgrenzen, aanduidingsgrenzen en overige aanduidingen indien dit in geringe mate noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein;
  • d. de op de verbeelding of in de regels gegeven bouwhoogten en deze vergroten voor:
    • 1. overige bouwwerken tot maximaal 2 m;
    • 2. beeldende kunstwerken tot maximaal 7 m;
  • e. de op de verbeelding of in de regels toegestane maximum bouwhoogten, anders dan bedoeld in a, b en c en toestaan dat deze met ten hoogste 5 meter worden overschreden ten behoeve van antennemasten voor telecommunicatie, mits het grondoppervlakte ten hoogste 15% van het dakvlak bedraagt;
  • f. voor geringe veranderingen in de tracés van wegen en de aanpassing daaraan van de ligging en de vorm van de bestemmingsgrenzen, indien bij definitieve uitmeting blijkt, dat een weg als gevolg van de werkelijke toestand van het terrein slechts kan worden uitgevoerd als op ondergeschikte punten van het plan wordt afgeweken;
  • g. het overschrijden van de in het plan aangegeven bebouwing- en bestemmingsgrenzen voor het realiseren van balkons tot een maximum van 2 meter;
  • h. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%;

Artikel 16 Algemene wijzigingsregels

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het vestigen van ten hoogste één seksinrichting op het grondgebied van de gemeente Oegstgeest, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. het betreft niet raam- of straatprostitutie;
  • b. de bedrijfsvloeroppervlakte bedraagt maximaal 500 m²;
  • c. de afstand van de seksinrichting tot de dichtstbijzijnde kerk, school, peuterspeelzaal, kinderdagverblijf, verblijf voor naschoolse opvang of soortgelijke voorzieningen bedraagt minimaal 500 m;
  • d. de afstand van de seksinrichting tot de dichtstbijzijnde woning van een derde bedraagt minimaal 50 m;
  • e. voor bezoekers is voldoende parkeergelegenheid aanwezig op het terrein/erf behorende tot de seksinrichting, uitgaand van de parkeernorm voor café/bar/discotheek/cafetaria uit het Handboek Aanbevelingen voor Stedelijke Voorzieningen (ASSV), met als gevolg dat door het bezoek aan de seksinrichting in de directe omgeving geen onaanvaardbare parkeerdruk op de openbare parkeerplaatsen ontstaat;
  • f. wat het bouwen betreft, moet worden aangesloten bij de regels van de onderliggende bestemming, met dien verstande dat burgemeester en wethouders voorwaarden kunnen stellen aan de maximum oppervlakte van de activiteit;
  • g. de activiteit, gelet op de aard en invloed ervan, leidt niet tot een onevenredige aantasting van het karakter van de omgeving, van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken, en van de verkeers-, sociale en brandveiligheid.

Artikel 17 Overige regels

17.1 Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening

De regels van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen van paragraaf 5 van de Bouwverordening zijn uitsluitend van toepassing, voor zover het betreft:

  • a. de ruimte tussen bouwwerken;
  • b. parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in panden.
17.2 Werking wettelijke regelingen

De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van inwerkingtreding van het plan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 18 Overgangsrecht

18.1 Overgangsrecht bouwwerken
18.1.1 Overgangsrecht

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
18.1.2 Afwijking

Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

18.1.3 Overgangsrecht niet van toepassing

Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

18.2 Overgangsrecht gebruik
18.2.1 Overgangsrecht

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

18.2.2 Ander strijdig gebruik

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

18.2.3 Onderbreken gebruik onder overgangsrecht

Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

18.2.4 Overgangsrecht niet van toepassing

Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 19 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan Nieuw-Rhijngeest Zuid (bedrijven).