Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Haaswijk
Status: ontwerp
Plan identificatie: NL.IMRO.0579.BPHaaswijk-ON01

Artikel 12 Wonen

12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. het wonen, daaronder begrepen aan huis gebonden beroepen;
  2. ter plaatse van de aanduiding ' onderdoorgang': tevens voor een onderdoorgang;
  3. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals erven, tuinen, water, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen.

12.2 Bouwregels

12.2.1 Hoofdbebouwing/Hoofdgebouw

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
  1. hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  2. de volgende bebouwingstypologie is van toepassing:
    1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' worden uitsluitend vrijstaande woningen gebouwd;
    2. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' worden uitsluitend halfvrijstaande en/of geschakelde woningen gebouwd;
    3. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' worden uitsluitend aaneengebouwde woningen gebouwd;
    4. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' worden uitsluitend gestapelde woningen gebouwd;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven goothoogte toegestaan;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
  5. ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - dakkapellen niet toegestaan': zijn dakkapellen niet toegestaan;
  6. ter plaatse van de aanduiding 'maximumaantal wooneenheden' bedraagt het aantal woningen ten hoogste het aangeduide aantal.

12.2.2 Bijbehorende bouwwerken

12.2.2.1 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen

Voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:
  1. ten behoeve van gestapelde bouw/hoofdgebouwen mogen geen aan- en uitbouwen en bijgebouwen gebouwd worden; 
  2. ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen niet toegestaan' mogen geen aan-, uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd;
  3. de gezamenlijk oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt ten hoogste:
    1. 50% van het achtererfgebied, wanneer de oppervlakte van het perceel niet groter is dan 500 m², met een maximum van 60 m²;
    2. 40% van het achtererfgebied, wanneer de oppervlakte van het perceel groter is dan 500 m², met een maximum van 80 m²;
  4. de afstand van aan- en uitbouwen en bijgebouwen tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens bedraagt tenminste 1 m, tenzij in de desbetreffende perceelgrens wordt gebouwd;
  5. de goothoogte en hoogte van aanbouwen en aangebouwde bijgebouwen is ten hoogste gelijk aan de hoogte van de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw, waarbij geldt, dat deze hoogte, behoudens de afdekking met een kap, voor ten hoogste 0,25 meter mag worden overschreden door op de aanbouw of het aangebouwde bijgebouw opgerichte andere bouwwerken;
  6. het bepaalde in lid 12.2.2.1 sub e ten aanzien van de hoogte is niet van toepassing indien het dakvlak van het hoofdgebouw wordt doorgetrokken, dan wel wanneer een kap boven een aanbouw of een aangebouwd bijgebouw naast of tussen de doorgetrokken zijgevel van het hoofdgebouw wordt gerealiseerd. In het laatste geval dient de kaprichting van het hoofdgebouw en de kaprichting boven de aanbouw of het aangebouwde bijgebouw evenwijdig te zijn. De dakhelling boven de aanbouw of het aangebouwde bijgebouw dient in alle gevallen gelijk te zijn aan de dakhelling van het hoofdgebouw. Binnen de daklijn is een balkon toegestaan indien geen ongewenste zichtlijnen ontstaan naar terrassen, woon en/of slaapvertrekken van belendende woningen;
  7. de goot- en bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m;
  8. de diepte van aan- en uitbouwen bedraagt, gemeten vanaf de oorspronkelijke achtergevel, ten hoogste 4,4 m.

12.2.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:
  1. steigers mogen worden gebouwd mits:
    1. de steiger niet wordt gebouwd aan een doorgaande vaarweg;
    2. de breedte van de steiger niet groter is dan de helft van de perceelsbreedte;
    3. de hoogte van de steiger niet groter is dan 1 meter boven het gemiddelde waterpeil;
  2. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn bedraagt ten hoogste 2 meter;
  3. de maximale bouwhoogte van een overkapping bedraagt 3 m, met dien verstande dat de maximale oppervlakte 25 m² bedraagt en de overkapping minimaal 3 met achter de wordt gebouwd; 
  4. de hoogte van overige bouwwerken geen gebouw zijnde bedraagt ten hoogste 3 meter.

12.2.2.3 Kelders

Voor kelders gelden de volgende regels:
  1. Binnen het gehele bouwvlak mogen kelders worden gebouwd;
  2. Buiten het bouwvlak mogen kelders worden gebouwd mits:
    1. De oppervlakte van de kelder is niet groter dan 30% van de gronden die zijn gelegen zowel buiten het bouwvlak als achter de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan, met een maximum van 50 m2;
    2. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens en de openbare weg tenminste 1 meter bedraagt, tenzij belendende percelen gelijktijdig een kelder bouwen, in welk geval in de gezamenlijke zijdelingse perceelgrens mag worden gebouwd;
    3. De kelder wordt tenminste 3 meter achter de voorgevellijn gesitueerd;
  3. De hoogte van een kelder mag ten hoogste 0,1 meter beneden peil zijn, met dien verstande dat in voorkomende gevallen een goede aansluiting op de openbare weg en belendende percelen wordt gerealiseerd;
  4. Een kelder mag niet ten koste gaan van op het perceel aanwezige parkeerplaatsen.

12.2.2.4 Bestaande bouwwerken voor de voorgevel

bestaande bouwwerken voor de voorgevel zijn toegestaan, waarvoor geldt dat:
  1. de goothoogte en hoogte van aanbouwen en aangebouwde bijgebouwen is ten hoogste gelijk aan de hoogte van de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw, waarbij geldt, dat deze hoogte, behoudens de afdekking met een kap, voor ten hoogste 0,2 meter mag worden overschreden door op de aanbouw of het aangebouwde bijgebouw opgerichte andere bouwwerken. De bepaling ten aanzien van de hoogte is niet van toepassing indien het dakvlak van het hoofdgebouw wordt doorgetrokken. De dakhelling boven de aanbouw of het aangebouwde bijgebouw dient gelijk te zijn aan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  2. de goothoogte en hoogte van vrijstaande bijgebouwen bedraagt ten hoogste respectievelijk 2,5 meter en 3,5 meter;

12.3 Nadere eisen

12.3.1 Bevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen na afweging van de in het geding zijnde belangen nadere eisen stellen met betrekking tot:
  1. de situering, afmeting en hoogte van bouwwerken;
  2. de situering van en het aantal parkeerplaatsen;
  3. de situering van in- en uitritten en andere wegen en paden;
  4. de situering van leidingen en andere daarmee samenhangende constructies; e. de (overige) inrichting van het perceel.

12.3.2 Toepassing

De bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen wordt toegepast:
  1. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  2. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden in de naaste omgeving;
  3. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  4. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van verkeersveiligheid, in het bijzonder het benodigde uitzicht op hoeken van wegen, bochten en in- en uitritten niet gewenst is;
  5. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van brandveiligheid c.q. brand en rampenbestrijding niet gewenst is, waarbij rekening dient te worden gehouden met het waarborgen, in stand houden c.q. tot stand brengen van een brandveilige situatie en goede bereikbaarheid;
  6. ter bescherming en voorkoming van onevenredige aantasting van de (bestaande) boombeplanting en ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing;
  7. ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van milieu niet gewenst is;
  8. ter waarborging en bescherming van monumentale en beeldbepalende bouwwerken alsmede van het aanwezige beschermd dorps- en stadsgezicht;
  9. ter waarborging van de sociale veiligheid.

12.4 Afwijken van de bouwregels

12.4.1 Klikoberging

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 12.2.2.1 voor het bouwen van een klikoberging waarvoor geldt dat:
  1. bij het hoofdgebouw geen achtertuin beschikbaar is voor het plaatsen van de kliko's;
  2. de omvang van de Kliko berging, maximaal 0,5 meter boven en naast de kliko mag bedragen.

12.4.2 Woningbouw

Ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bebouwing na afwijking toegestaan" kunnen burgemeester en wethouders afwijken van de opgenomen bouwtypologie ten behoeve van de bouw van ten hoogste twee twee-aaneengebouwde woningen met in acht name van het bepaalde onder lid 12.2.1.

12.5 Specifieke gebruiksregels

Gebruik van ruimten binnen de woning ten behoeve van de uitoefening van aan huis gebonden beroepen wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. ten hoogste 40% van het vloeroppervlak van de woning tot ten hoogste 30 m² wordt gebruikt voor het aan-huis-verbonden beroep;
  2. degene die het aan-huis-verbonden beroep in de woning uitoefent, dient tevens de bewoner van de woning te zijn;
  3. door degene die het aan-huis-verbonden beroep uitoefent, kan worden aangetoond dat de uitoefening van het beroep geen extra parkeerruimte vereist binnen het openbaar gebied;
  4. voorzien is in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  5. er mag geen detailhandel, groothandel of horeca plaatsvinden.

12.6 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 12.1  voor het gebruik van ruimten binnen de woning en op het erf voor aan-huis-verbonden (bedrijfs)activiteiten, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. ten hoogste 40% van het vloeroppervlak van – bij elkaar geteld – de woning en de bijgebouwen, tot ten hoogste 50 m², mag worden gebruikt voor het aan- huis-verbonden bedrijf;
  2. degene die de activiteiten in de woning of het bijgebouw zal uitvoeren, dient tevens de bewoner van de woonwagen te zijn;
  3. de noodzakelijke parkeervoorzieningen dienen op eigen terrein te worden gesitueerd;
  4. het bedrijf dient qua aard, milieubelasting en uitstraling te passen in een woonomgeving;
  5. voor de activiteit is geen omgevingsvergunning milieu benodigd; 
  6. er mag geen detailhandel, groothandel of horeca plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit in verband met de aan-huis-verbonden activiteit.

12.7 Afwijken mantelzorg

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van:
  1. lid 12.1  voor het gebruik van bijbehorende bouwwerken bij woningen als afhankelijke woonruimte in combinatie met de noodzakelijke verbouw daarvan, of;
  2. de bouwregels van de vigerende bestemmingsplannen voor het creëren van extra bouwmogelijkheden in de vorm van een bijbehorend bouwwerk, een aan-, uitbouw en/ of bijgebouw zijnde, bij woningen ten behoeve van mantelzorg; met inachtneming van de volgende voorwaarden:
    1. door een deskundige is aangetoond dat de afwijking noodzakelijk is in verband met medische, psychische en/of sociale omstandigheden;
    2. door de vestiging van extra woonruimte mag er geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en bedrijven;
    3. de noodzakelijke parkeervoorzieningen dienen op eigen terrein te worden gesitueerd, dan wel conform de huidige situatie.
    4. er mag geen extra ontsluitingsmogelijkheid op de openbare weg worden gemaakt;
    5. het gebruik van aan,-uitbouw en/of bijgebouw mag niet plaats vinden bij recreatiewoningen;
    6. er een getekende overeenkomst met de gemeente is, waarin is geregeld; - melding van beëindiging van de mantelzorg situatie - bankgarantie van 10% van de (ver)bouwkosten met een minimum van 2.500 euro - bouwkundig rapport met omschrijving van het terugbrengen in oude staat na beëindiging van de mantelzorg.

12.7.1 Voorwaarden

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 12.7 sub a  van dit plan kan bovendien slechts worden afgegeven indien:
  1. er op het erf sprake is van aanwezige bijbehorende bouwwerken, aan-, uitbouw, en/of bijgebouwen zijnde, die geschikt kunnen worden gemaakt voor het bieden van mantelzorg;
  2. de aanvrager ter toetsing met de indiening van de aanvraag om afwijking een bouwkundig rapport overlegt, waarin een overzicht gegeven wordt van:
    1. de bestaande bouwkundige en gebruikssituatie;
    2. de te treffen voorzieningen;
    3. de nieuwe (inrichtings)situatie;
  3. er een getekende overeenkomst met de gemeente is, waarin is geregeld; - melding van beëindiging van de mantelzorg situatie - bankgarantie van 10% van de (ver)bouwkosten met een minimum van 2.500 euro - bouwkundig rapport met omschrijving van het terugbrengen in oude staat na beëindiging van de mantelzorg.

12.7.2 Bebouwingsvoorwaarden

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 12.7 sub b  van dit plan kan slechts worden afgegeven indien:
  1. het bruto vloeroppervlak aan, aan-, uitbouw, en/of bijgebouwen ten hoogste 100 m2 bedraagt, met dien verstande dat het gezamenlijk bebouwd oppervlak ten hoogste 75% van het achtererf bedraagt;
  2. er op het erf geen sprake is van reeds aanwezige aan-,uit-, en/of bijgebouwen die geschikt kunnen worden gemaakt voor het bieden van mantelzorg;
  3. de goothoogte van een aan- of uitgebouwde uitbreiding van de woonruimte niet meer bedraagt dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw met een maximum van 3,00 meter;
  4. de goothoogte van een bijgebouw c.q. mantelzorgwoning niet meer bedraagt dan 3,00 meter;
  5. de nokhoogte maximaal 3/4 gedeelte van de nokhoogte van het hoofdgebouw bedraagt;
  6. de aanvrager ter toetsing van dit plan met de indiening van de aanvraag om afwijking een bouwkundig rapport overlegt, waarin een overzicht gegeven wordt van:
    1. de bestaande bouwkundige en gebruikssituatie;
    2. de te treffen voorzieningen;
    3. de nieuwe (inrichtings)situatie;
  7. er een getekende overeenkomst met de gemeente is, waarin is geregeld; - melding van beëindiging van de mantelzorg situatie - bankgarantie van 10% van de (ver)bouwkosten met een minimum van 2.500 euro - bouwkundig rapport met omschrijving van het terugbrengen in oude staat na beëindiging van de mantelzorg.

12.7.3 Intrekken omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag trekt de omgevingsvergunning, verleend op grond van lid 12.7  in, indien de bij het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is.

12.8 Afwijken bed and breakfast

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in lid 12.1  voor het gebruik van woningen ten behoeve van bed and breakfast mits:
  1. er niet meer dan 3 kamers voor bed and breakfast beschikbaar worden gesteld;
  2. de bed and breakfast ondergeschikt is aan de woonfunctie;
  3. de exploitant van de bed and breakfast de hoofdbewoner van de woning is;
  4. er op eigen terrein in de nodige parkeerbehoefte kan worden voorzien.