| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Westkanaalweg nabij 20, Alphen aan den Rijn |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0484.Awestkanaalwegnb20-VA01 |
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de ontwikkeling van een Landgoed aan de Westkanaalweg (nabij nr. 20) te Alphen aan den Rijn en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22g]) van het omgevingsplan van de gemeente Alphen aan den Rijn. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
Begripsbepalingen die op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in Bijlage II bij het omgevingsplan gemeente Alphen aan den Rijn zijn van toepassing op dit TAM-omgevingsplan.
3. Voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan gelden aanvullend op het bepaalde in lid 1 en 2 de volgende begripsbepalingen:
De regels in afdeling 22.3 van het omgevingsplan zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:
Aan de regels in afdeling 22g.3, 22g.4 en 22g.5 van dit TAM-omgevingsplan wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
1. Voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende manier gemeten:
2. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
Voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan wordt op de volgende manier gemeten:
1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de regels of een vergunningvoorschrift kan aan een omgevingsvergunning worden verbonden in dit TAM-omgevingsplan, met uitzondering van bepalingen:
2. Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit TAM-omgevingsplan.
3. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden.
4. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over bepalingen in dit TAM-omgevingsplan zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften van overeenkomstige toepassing.
1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het tweede lid;
2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van het omgevingsplan zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan;
3. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Westkanaalweg nabij 20, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0484.Awestkanaalwegnb20-VA01 zoals vastgelegd op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/.
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-omgevingsplan.
Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Dit omgevingsplan is met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op het uitoefenen van de bevoegdheden en taken van de gemeente Alphen aan den Rijn als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en andere regels die met het oog daarop nodig zijn als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet.
Deze subparagraaf gaat over het gebruiken van locaties en bouwwerken met de functie Wonen.
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op:
De locaties binnen de functie Wonen worden gebruikt voor wonen en hier bijbehorende:
De locatie met de functie Wonen is alleen in gebruik voor wonen als de aanleg van het landgoed, inclusief het benodigde onderhoud, binnen één jaar na ingebruikname van de woning is gerealiseerd en in stand wordt gehouden. De inrichting van het landgoed dient daarbij uitgevoerd te worden conform een door de gemeente goed te keuren nadere uitwerking van de inpassing op basis van het in bijlage I bij deze regels opgenomen voorlopig ontwerp.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van een locatie met de functie wonen.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk te gebruiken voor kamerverhuur.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het gebruiken van het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk voor kamerverhuur wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als voldaan is aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de "Nadere regels tijdelijk wonen 2021" en diens rechtsopvolgers.
Deze subparagraaf gaat over het gebruiken van locaties en bouwwerken met de functie Natuur - Recreatie.
De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op:
De locaties binnen de functie Natuur - Recreatie worden gebruikt voor natuur en recreatieve doeleinden en hier bijbehorend(e):
Deze paragraaf gaat over normen voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
Hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken zijn gesitueerd binnen het op de locatie weergegeven bouwvlak.
De bouwhoogte van hoofdgebouwen is ter plaatse van de functie Wonen, zoals bedoeld in artikel 22g.11, niet hoger dan de op locatie weergegeven bouwhoogte.
De bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken is niet hoger dan 8 m.
1. De goothoogte van hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken met een (omgevouwen) zadeldak bedraagt niet meer dan 4,5 m;
2. De goothoogte van hoofdgebouwen mag worden overschreden door dakkapellen, met dien verstande dat:
1. De knikhoogte van hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken met een (omgevouwen) zadeldak bedraagt niet meer dan 4,5 m;
2. Het dakmateriaal in aanzicht van hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken met een omgevouwen zadeldak bedraagt minimaal 1,0 m.
1. Hoofdgebouwen worden uitsluitend als vrijstaande woning gebouwd en voorzien van een kap in de vorm van een (omgevouwen) zadeldak met een minimale dakhelling van 45 graden;
2. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden voorzien van een kap in de vorm van een (omgevouwen) zadeldak. Dit zadeldak krijgt dezelfde nokrichting, hellingshoek en materiaal als van het hoofdgebouw;
3. Bijbehorende bouwwerken met een plat dak, krijgen dezelfde gevelbekleding als de woning waarbij de dakrand bijzondere aandacht krijgt en deze bij voorkeur een relatie aangaat met (elementen uit) het hoofdgebouw.
Per bouwvlak is maximaal 1 woning toegestaan met 1 vrijstaand bijbehorend bouwwerk.
De gezamenlijke oppervlakte van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken, exclusief (dak)overstekken tot 1,5 m, bedraagt niet meer dan 240 m2 per bouwvlak.
Voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, als het gaat om een erf- of perceelafscheiding gelden de volgende regels:
Deze paragraaf is van toepassing op bouwwerken bij de volgende activiteiten:
De regels zijn gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid.
Een verbindingsweg heeft in afwijking van artikel 22.14 lid 3 van het omgevingsplan een breedte van tenminste 3,5 m;
1. Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
2. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:
3. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Een bouwwerk wordt niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Op een locatie met de functie Wonen wodt een bouwwerk alleen gebruikt voor beroep of bedrijf aan huis als:
Een woning wordt bewoond door één afzonderlijk huishouden, tenzij het gaat om:
Tenzij sprake is van woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden, wordt:
Deze paragraaf gaat over bouwactiviteiten en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van de omgevingskwaliteit.
Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Een aanvraag om een omgevingsvergunning, die betrekking heeft op het verrichten van een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt alleen verleend als:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, die betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, worden voor de beoordeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Deze subparagraaf is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd, in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
Het verbod om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken geldt niet voor het bouwen van een erf- of perceelafscheiding, die:
Binnen het 'aandachtsgebied parkeren' gelden de parkeernormen, maatvoerings- en ontwerpcriteria van de Parkeernota 2025 en diens rechtsopvolgers.
De regels binnen het 'aandachtsgebied parkeren' zijn gesteld met het oog op het beschermen van stedenbouwkundige waarden in de vorm van voldoende parkeergelegenheid, laad- en losvoorzieningen op eigen terrein bij de volgende activiteiten:
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het verrichten van een activiteit, als bedoeld in artikel 22g.47, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
2. Bij de beoordeling aan het eerste lid gelden de criteria van de Parkeernota 2025 of het op het moment van indienen van de aanvraag geldende gemeentelijk parkeerbeleid.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in deze paragraaf, worden voor de beoordeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Deze paragraaf gaat over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken op de locaties binnen het aandachtsgebied welstand.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van de omgevingskwaliteit.
De redelijke eisen van welstand voor het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zijn de criteria van de welstandnota, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het verrichten van een bouwactiviteit en het te bouwen bouwwerk in stand houden en gebruiken, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als het te bouwen bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, bedoeld in artikel 22g.53.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, die betrekking heeft op een bouwactiviteit en het te bouwen bouwwerk in stand houden en gebruiken, worden voor de beoordeling aan de redelijke eisen van welstand de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten op de locaties binnen het aandachtsgebied 'Waterstaat – Waterkering'.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van de veiligheid.
1. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de watervoorzieningen en de instandhouding van waterkeringen en bijbehorende beschermingszones zijn toegestaan met een bouwhoogte van maximaal 6 m;
2. Bouwwerken ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende, functies mogen gebouwd worden, met dien verstande dat het bouwplan uitsluitend betrekking heeft op vervanging, vernieuwing en/of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij geldt dat:
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 22g.58 onder 2 voor bouwwerken ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende functies, met dien verstande dat: