| Plan: | Drontermeer 2018 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0439.BPDRONTERM2018-va01 |
Een bestemmingsplan is een juridisch plan dat het gebruik van gronden regelt en de wijze van bouwen op die gronden. Zo wordt in een bestemmingsplan bijvoorbeeld aangegeven of er op gronden mag worden gewoond, gewerkt, gerecreëerd of dat ze juist zijn bestemd voor agrarische doeleinden. Daarnaast kan worden aangegeven aan welke afmetingen de bouwwerken moeten voldoen. Een bestemmingsplan wordt vastgesteld door de gemeenteraad en geldt in principe voor tien jaar. Tussentijds kan een bestemmingsplan worden aangepast, indien de situatie daarom vraagt. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten om voor het gehele gemeentelijke grondgebied actuele bestemmingsplannen te hebben.
Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen:
Een verbeelding is een kaart van het gebied waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding dient te worden gelezen in samenhang met de regels.
In de regels staan de bepalingen voor elke bestemming die op de verbeelding staat weergegeven. In de regels wordt hetgeen op de verbeelding is opgenomen nader geconcretiseerd.
In de toelichting wordt verantwoord waarom de verschillende bestemmingen in het bestemmingsplan zijn gekozen. Daarnaast wordt in de toelichting het plangebied beschreven, het ruimtelijke beleid dat geldt, welke nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt en wordt gekeken naar de planologische en milieutechnische regelgeving waaraan het bestemmingsplan moet voldoen.
De verbeelding en de regels zijn juridisch bindend voor een ieder in Nederland.
Eind 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders de voormalige schoollocatie aan het Drontermeer aangewezen als geschikte locatie voor de realisatie van tijdelijke huisvesting. Tijdens het informeren van de omgeving over de aanwijzing kwamen veel bezwaren vanuit de buurt. In de raadsvergadering van december 2015 is door een collectief van bewoners ingesproken en gepleit voor het realiseren van permanente, sociale woningbouw op deze locatie.
Naar aanleiding daarvan heeft het college op 26 januari 2016 besloten onderzoek te verrichten naar permanente bebouwing op de voormalige schoollocatie. Uitgangspunt hierbij is het realiseren van 30 sociale huurappartementen. Na overleg tussen de woningbouwcorporaties heeft de Wooncompagnie zich gemeld als geïnteresseerde om mee te doen in het onderzoek, met als doel op termijn de woningen te gaan realiseren.
Vervolgens is een participatiegroep opgericht met bewonersvertegenwoordiging, Wooncompagnie en ambtelijke vertegenwoordiging van de gemeente, met als doel te komen tot een gedragen voorstel voor het realiseren van woningen op het Drontermeer.
De gemeente heeft randvoorwaarden gesteld in aantal woningen (30 sociale huurappartementen), openbare ruimte en betaalbaarheid. De woningbouwcorporatie heeft vooral gestuurd op de leefbaarheid en betaalbaarheid voor de toekomstige bewoners en de bewonersvertegenwoordigers hebben primair de randvoorwaarden voor de omwonenden aangegeven. Toekomstige bewoners/woningzoekenden zijn geen onderdeel geweest van dit proces.
Dit onderzoek heeft uiteindelijk geresulteerd in twee mogelijke woningbouwvarianten. Deze varianten zijn op 6 september 2016 door de bewonersvertegenwoordiging, Wooncompagnie en de gemeente gepresenteerd aan de buurt. De buurt heeft hierna een voorkeursstem voor het te kiezen woningbouwmodel kunnen uitbrengen. De stemming heeft een duidelijke voorkeur van de buurt aangegeven. Deze voorkeur heeft geleid tot het onderhavige bestemmingsplan, dat een planologisch kader - bouw- en gebruiksregels - geeft waarbinnen het project planologisch mogelijk wordt gemaakt.
Het plangebied bevindt zich in de Purmer-Zuid. Het wordt omsloten door de Drontermeer en een voetpad.
Afbeelding 1: Globale ligging plangebied Drontermeer (rode cirkel)
Voor het plangebied geldt tot op het moment van inwerkingtreding van het onderhavige bestemmingsplan het bestemmingsplan 'De Purmer 2016', vastgesteld op 27 oktober 2016. Dit plan geeft voor de betreffende locatie de bestemmingen 'Maatschappelijk', 'Groen' en 'Verkeer - 2'.
Afbeelding 2: Uitsnede verbeelding 'De Purmer 2016'
Woningen zijn binnen deze bestemmingen niet toegestaan. Bovendien verschuift het bouwvlak met het voorliggende bestemmingsplan naar het noorden.
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving op hoofdlijnen. Hoofdstuk 3 geeft een samenvatting van het relevante actuele beleidskader. Hierbij wordt ingegaan op het beleid van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente. In hoofdstuk 4 worden de relevante randvoorwaarden en omgevingsaspecten behandeld. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Tenslotte wordt in hoofdstuk 6 een toelichting gegeven op de gekozen planvorm en de gedachten die ten grondslag liggen aan de juridische regeling zoals deze op de verbeelding en in de regels is opgenomen.
Onderhavig plangebied ligt in de Purmer-Zuid. Deze wijk is vanaf de tweede helft van de jaren '80 ontwikkeld en is wat ruimer van opzet dan de Purmer-Noord. In beide woonwijken zijn voornamelijk eengezinswoningen gerealiseerd.
De buurt wordt gevormd door woningrijen - gegroepeerd in blokken en georiënteerd in de voor de stad karakteristieke noord-zuidrichting. Op een aantal plekken liggen er ook woningrijen in oost-westrichting om straten ruimtelijk te kunnen begeleiden. Het grootste deel van de omgeving wordt gevormd door rijwoningen van twee lagen en een aan de straat evenwijdige kap. Onderhavig plangebied wordt momenteel ingenomen door een groene ruimte in een rechthoekige vorm die aan de noordkant iets breder is dan aan de zuidkant.
Op de onderhavige locatie heeft een school gestaan. Deze school stond aan de zuidkant.
Afbeelding 3: Luchtfoto voormalige schoollocatie
De bewonersvertegenwoordiging in de participatiegroep heeft aangedrongen op het centraal plaatsen van de nieuwbouw op het veld 'om de belasting voor de omgeving te verdelen'. Het uiteindelijk door de buurt gekozen 'parallelmodel' (zie onderstaande afbeelding 4) gaat uit van twee stroken bebouwing in het midden van het terrein. De stroken zijn noord-zuid georienteerd en hebben een hoogte van twee bouwlagen met een kap. Deze hoogte en verschijningsvorm sluit aan op de bebouwing in de omgeving. Ook wat betreft de lengte van de volumes voegt de nieuwe ontwikkeling zich naar de bebouwing in de omgeving. In de zone tussen de bebouwingsstroken zijn de galerijen en ontsluitingen gedacht. Er is veel ruimte voor groen rondom.
Afbeelding 4: Het door de buurt gekozen parallelmodel
De groene ruimte blijft herkenbaar doordat de randen van de ruimte onbebouwd blijven. Op die manier is een compromis gevonden tussen behoud van openheid en een groen aanzicht van het straatbeeld aan de ene kant en het toevoegen van woningen en intensivering van het ruimtegebruik aan de andere kant. Door de positionering van de bebouwing kan een zonering in de buitenruimte worden aangebracht: aan de noordkant spelen, aan de zuidkant een parkeerterrein. Hiermee wordt getracht het speelterrein veilig ten opzichte van het verkeer te houden en het aantal verkeerbewegingen te minimaliseren omdat het parkeren direct bereikbaar is vanuit de belangrijkste straat (Drontermeer). De toegang tot het parkeerterrein bevindt zich tegenover een kopgevel van een woning, zodat er zo min mogelijk hinder is van het in- en uitrijden van motorvoertuigen. De herinrichting van de openbare buitenruimte zal in samenspraak met de buurt plaatsvinden.
Het plangebied is gelegen in het woongebied Purmer-Zuid te Purmerend. Het ligt ten noorden van de gebiedsontsluitingsweg Meerland en ten oosten van de Grevelingenmeer.
Afbeelding 5: Verkeersstructuur
Gemotoriseerd verkeer
Voor gemotoriseerd verkeer is het plangebied via de Drontermeer (30 km erftoegangsweg) op twee locaties doormiddel van de gebiedsontsluitingsweg Meerland ontsloten op het hoofdwegennet van de gemeente Purmerend. De wegen van het Drontermeer zijn conform de richtlijnen van duurzaam veilig als erftoegangsweg (CROW) ingericht.
Openbaar vervoer
Binnen de gemeente Purmerend wordt het openbaar vervoer gefaciliteerd door een uitgebreid busnetwerk en de aanwezigheid van een drietal NS-stations. Het plangebied ligt binnen loopafstand (300 meter) van de bushaltevoorzieningen aan het Meerland en de Verzetslaan. Deze bushaltes (met hoge frequentie busdienst) zijn uitgevoerd volgens de laatste normen van toegankelijkheid en kwaliteit, waaronder reizigersinformatiepanelen, abri- en fietsstallingsvoorzieningen. Het NS-station Centrum ligt op fietsafstand. Op dit NS-station zijn voorzieningen aanwezig om de (brom)fiets te stallen.
Langzaam verkeer
Het langzaam verkeer (fietsers en voetgangers) wordt ontsloten via Drontermeer-Meerland. Daarnaast zijn er aansluitingen op de omliggende erftoegangswegen aanwezig om het plangebied te bereiken.
Verkeersgeneratie
In het onderhavige plan maken de huidige functies in het plangebied plaats voor de nieuwe ontwikkeling. Dit heeft een andere verkeersgeneratie tot gevolg. Onderstaand wordt deze verkeergeneratie in beeld gebracht. Voor de berekening van de toekomstige verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'.
Huidige situatie
Binnen de huidige situatie van het plangebied zijn geen verkeerstellingen bekend: de Drontermeer betreft een erftoegangsweg en hier vinden (in principe) geen tellingen plaats. Om inzicht te krijgen in de huidige verkeersaantallen zijn deze theoretisch bepaald door middel van de CROW publicatie 317 en de CROW rekentool Verkeersgeneratie & Parkeren.
De verkeersafwikkeling van het plangebied vindt plaats langs de twee aansluitingen van de erftoegangswegen van het Drontermeer naar de verkeersontsluiting Meerland. Vanuit de theorie kunnen we hier in de huidige situatie uitgaan van een verkeersgeneratie van ca. 170 rijwoningen. De basisschool die binnen het plangebied aanwezig was is reeds gesloopt en zal dan ook niet worden meegenomen in de verkeersgeneratieberekening.
Het huidige aantal verkeersbewegingen vanuit het plangebied naar het Meerland komt op 1272 mvt/etmaal (+/- 5%). Deze verkeersbewegingen worden verdeeld over de twee verkeersaansluitingen op het Meerland.
Toekomstige situatie
In de toekomstige situatie worden 30 sociale huurwoningen gerealiseerd. Deze toekomstige ontwikkeling zal een aantal van ca. 153 mvt/etmaal genereren.
In de toekomstige situatie zal het totaal aantal verkeersbewegingen uitkomen op 1425 mvt/etmaal (1272+153).
Uit deze verkeersaantallen kan geconcludeerd worden dat het gebied zich kenmerkt door een lage verkeersdruk. De richtlijnen van het CROW geven aan dat deze verkeersaantallen op een goede en veilige manier zijn af te wikkelen op erftoegangswegen. Het CROW geeft voor een woonerf (verblijfsgebied) aan dat 1000 - 2400 motorvoertuigen acceptabel zijn. Binnen een 30km zonering kunnen tot 5000 motorvoertuigen afgewikkeld worden.
Conclusie
De verkeersgeneratie voldoet aan de wegcategorisering van de rijwegen. Een totaal van 1425 mvt/etmaal valt nog onder de categorie woonerf en erftoegangsweg 30km/uur. Het verkeer kan op een goede manier afgewikkeld worden.
Parkeren
In het plangebied zullen voldoende parkeerplaatsen worden gefaciliteerd, uitgaande van de parkeernormennota1 van de gemeente Purmerend.
Het inrichtingsplan is op schetsniveau uitgewerkt, waarbij de parkeervoorziening in het zuidelijke deel van het plangebied gesitueerd is. Dit is ten behoeve van de verkeersafwikkeling de meeste verkeersveilige opzet omdat er op deze manier zo min mogelijk verkeersbewegingen binnen het woongebied plaatsvinden en een korte route aanwezig is naar het omliggende wegennet.
De beleidscontext voor dit plan wordt gevormd door diverse landelijke, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante rijks-, provinciaal en regionaal beleid samengevat. Voor het gemeentelijk beleid is de algemene beleidslijn aangegeven.
Het rijksbeleid inzake de ruimtelijke inrichting en het mobiliteitsbeleid is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Op 13 maart 2012 is deze vastgesteld. Hierin presenteert het kabinet zijn visie op de ruimtelijke inrichting en mobiliteit van Nederland tot 2040.
De regering maakt ruimte voor groei en beweging en laat de invulling van het ruimtelijk beleid voor een belangrijk deel over aan provincies en gemeenten. Daardoor kan het Rijk zich richten op het behartigen van belangen die van nationale en internationale betekenis zijn ('decentraal, tenzij ...'). Ingezet is op vermindering van het aantal procedures en op eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Dit betekent minder nationale belangen en eenvoudigere regelgeving. Daarbij verwacht het Rijk dat medeoverheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en verdere integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. De gemeente is de overheid die het dichtst bij de burger staat en zorg draagt voor een veilige en leefbare woon- en werkomgeving. In het ruimtelijk domein gaat het om de ruimtelijke ontwikkeling van stad en platteland in brede zin, waarbij onder meer belangen ten aanzien van mobiliteit, milieu, natuur, water, economie en wonen worden afgewogen.
Het Rijk formuleert drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028) en verbindt hier dertien nationale belangen aan. De drie hoofddoelstellingen van het Rijk zijn:
Voor wat betreft nationale belangen ligt de nadruk op het verbeteren van milieukwaliteit en bereikbaarheid om zo de drie hoofddoelstellingen te dienen. De nationale belangen verzetten zich niet tegen de woningbouwontwikkeling aan het Drontermeer. In de SVIR wordt de woningbehoefte in de regio Noordwest-Nederland, waar Purmerend in valt, en specifiek in en rond Amsterdam benadrukt. Het ontwikkelen van extra woonruimte in Purmerend past dan ook goed in het beleid zoals uiteengezet in de SVIR.
Het bepaalde in dit bestemmingsplan is in lijn met het gestelde in de structuurvisie.
De SVIR bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructuurbeleid in dertien nationale belangen. Vanaf eind 2011 zijn in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) voor deze onderwerpen rijksregels vastgelegd ten aanzien van de ruimtelijke inrichting van Nederland op het gebied van mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen (zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam) en de uitoefening van defensietaken. Met ingang van 1 oktober 2012 is aan het Barro een aantal onderwerpen toegevoegd. Het betreft de onderwerpen Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken.
Met de vaststelling (van de uitbreiding) van het Barro, de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de juridische verankering van de SVIR nagenoeg com-
pleet. Het bepaalde in dit bestemmingsplan is niet strijdig met deze algemene regelingen.
Op 1 juli 2017 is het besluit tot wijziging van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening in werking getreden. Het betreft een wijziging van de Ladder voor duurzame verstedelijking (duurzaamheidsladder). De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De behoefte aan deze stedelijke ontwikkeling moet dan worden aangetoond. De behoefte is het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, looptijd bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapacitiet). De uitkomst van de beoordeling van de behoefte moet in de plantoelichting worden vermeld.
Als stedelijke ontwikkeling wordt bedoeld: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor een minimale omvang vastgelegd van wat een stedelijke ontwikkeling is. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724) dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor overige stedelijke functies wordt gesteld dat 'in beginsel' geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag minder dan 500 m² bedraagt.
Uitgangspunt is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van overprogrammering en de negatieve ruimtelijke gevolgen van leegstand. In het geval in het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, bevat de toelichting een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. De motivering van de behoefte aan die ontwikkeling dient in het licht te worden geplaatst van een goede ruimtelijke ordening en dient zich te richten tot het motiveren van de behoefte aan die ontwikkeling met het oog op het tegengaan van ongewenste leegstand en het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik. De behoefte wordt onderbouwd en afgewogen op het niveau van het verzorgingsgebied van de ontwikkeling. Dit betekent dat de aard en omvang van de ontwikkeling bepalend zijn voor de reikwijdte van de beschrijving van en het overleg over de behoefte, waarvan de resultaten ook zijn opgenomen in de beschrijving.
Uit de jurisprudentie volgt dat een bestemmingsplan dat alleen in een planologische functiewijziging voorziet maar geen planologisch ruimtebeslag mogelijk maakt, in beginsel niet kwalificeert als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, tenzij de functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het bestemmingsplan 'De Purmer 2016' voorziet ter plaatse in een bestemming 'Maatschappelijk' waarbinnen o.m. een school met een bebouwd oppervlak van 2.400 m2 (80% van 3.000 m2) tot een maximale bouwhoogte van 8 meter is toegestaan. Een dergelijke school heeft relatief veel verkeer- en personenbewegingen. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een bestemming 'Wonen' met een maximaal bebouwd oppervlak van 1150 m2, met een maximale goothoogte van 6 meter en een maximale bouwhoogte van 10 meter. De ruimtelijke uitstraling van een dergelijke woonontwikkeling is niet van zodanige aard en omvang dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6 Bro. Evenwel doorloopt de gemeente Purmerend hierna ten aanzien van de voorziene woningen, onverplicht, de laddertoets.
De gemeente Purmerend is opgenomen in het Regionaal Actieprogramma Wonen 2016 - 2020 (RAP) van de Stadsregio Amsterdam. Purmerend maakt daarbinnen deel uit van de marktregio Zaanstreek-Waterland. De voorziene woningen passen binnen zowel de kwantitatieve als kwalitatieve woningbehoefte die het RAP voor deze regio aantoont. Met kwantitatieve woningbehoefte wordt het aantal woningen bedoeld, met kwalitatieve woningbehoefte wordt het woonmilieu bedoeld. In het RAP wordt beschreven dat er bovenop de al bestaande harde plancapaciteit voor woningen nog behoefte is aan plancapaciteit in alle prijssegmenten binnen de koop- en huursector. Er is behoefte aan elk type woning en woonmilieu. Een van de speerpunten van het RAP is bovendien om nieuwe plekken voor woningbouw voornamelijk te realiseren in binnenstedelijk gebied. Ook passen de voorziene woningen in de Woonvisie en de Structuurvisie van de gemeente Purmerend. In de Woonvisie wordt aangegeven dat er sprake is van een grote vraag naar sociale huurwoningen. De structuurvisie vermeldt dat de woningbouwopgave voor de ISWregio tot 2020 bestaat uit 3.000 nieuwbouwwoningen en 3.000 ICTwoningen (intensiveren, combineren, transformeren). De realisatie van 30 sociale huurappartementen, zoals voorzien met dit bestemmingsplan, past dan ook in voornoemd beleid.
De onderhavige ontwikkeling is gelegen in de Purmer-Zuid en is goed ontsloten. Het plangebied ligt binnen loopafstand (300 meter) van de bushaltevoorzieningen aan het Meerland en de Verzetslaan. Het NS-station Centrum ligt binnen fietsafstand. Hiermee liggen de woningen zeer nabij openbare vervoersvoorzieningen en zijn de woningen daarmee bijzonder goed bereikbaar.
De ontwikkeling van 30 sociale huurappartementen vindt plaats in het bestaande stedelijk gebied van Purmerend. De woningen voldoen aan de behoefte die de gemeente Purmerend heeft vastgelegd in verschillende beleidsdocumenten. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling de Ladder voor duurzame verstedelijking positief heeft doorlopen.
De Structuurvisie Noord-Holland 2040 bevat het provinciaal ruimtelijk beleid. De hoofddoelstelling is het inspelen op de veranderingen die tot 2040 te verwachten zijn. In de periode tot 2040 zullen verdere globalisering en klimaatverandering grote gevolgen hebben voor Noord-Holland. Ook veranderingen en trends op nationaal en lokaal niveau hebben een grote ruimtelijke impact. Deze veranderingen leiden tot een aantal belangrijke ruimtelijke opgaven en keuzes. In de Structuurvisie worden deze ontwikkelingen en de voornaamste keuzes die de Provincie Noord-Holland zal moeten maken kort toegelicht. Ook wordt geschetst hoe de provincie er in 2040 uit ziet en op welke wijze de Provincie met deze structuurvisie zal bijdragen aan het realiseren van dit toekomstbeeld. De Structuurvisie is vastgesteld op 21 juni 2010 en in werking getreden op 1 november 2010.
Uitgangspunt is om de vraag naar woningen zoveel mogelijk te realiseren binnen het Bestaand Bebouwd Gebied. Dit komt zowel het realiseren van (hoog)stedelijke voorzieningen in de metropoolregio (de metropolitane strategie) als het behouden van regionale/lokale voorzieningen in kleine(re) kernen in het noorden ten goede. Door concentratie worden verkeers- en vervoersnetwerken optimaal benut en wordt een voldoende en gedifferentieerd aanbod van sociaal-culturele voorzieningen behouden. Verdichting brengt een aantal aandachtspunten met zich mee op het gebied van sociaal-maatschappelijke voorzieningen, functiemenging en financiering. Voorzieningen zoals scholen, kantoren en bedrijfsruimten, winkelaanbod, ruimte voor groen, recreatie, sport en zorg zijn onlosmakelijk verbonden met het woonprogramma. Door gevarieerde programma's zijn deze functies binnen het Bestaand Bebouwd Gebied te behouden.
Het bepaalde in dit bestemmingsplan is in lijn met de Structuurvisie Noord-Holland 2040.
Provinciale Staten hebben op 28 september 2015 de Provinciale Verordening gewijzigd. Op 20 december 2016 is de Provinciale Ruimtelijke Verordening door Provinciale Staten vastgesteld en op 1 maart 2017 is deze in werking getreden.
In deze verordening worden regels gegeven omtrent de inhoud van bestemmingsplannen over onderwerpen in zowel het landelijke als het bestaand bebouwd gebied van Noord-Holland waar een provinciaal belang mee gemoeid is. In de verordening worden algemene regels gegeven voor de Provinciale Planologische Commissie, de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling, bedrijventerreinen en detailhandel, de mogelijkheden voor woningbouw in het landelijk gebied, de vereiste ruimtelijke kwaliteit verbonden met stedelijke en niet-stedelijke ontwikkelingen in het landelijke gebied, de Groene en Blauwe Ruimte, energie en landbouw.
Het plangebied valt binnen het 'Bestaand Stedelijk Gebied'. Hiermee wordt het bestaand stedelijk gebied als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder h van het Besluit ruimtelijke ordening bedoeld. De provinciale verordening geeft aan dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen zoveel mogelijk binnen het bestaand stedelijk gebied gerealiseerd dienen te worden. Het onderhavige bestemmingsplan is in lijn met de Provinciale Ruimtelijke Verordening.
Het provinciale beleid inzake woningbouw is vastgelegd in de Provinciale Woonvisie 2010-2020. Deze woonvisie sluit aan op de structuurvisie en schetst de kaders voor regionaal woonbeleid. Vooral het kwalitatieve aspect van wonen komt in deze visie aan de orde.
De speerpunten van dit beleid zijn:
In de woonvisie is beschreven dat in het zuidelijk deel van Noord-Holland de groei van de bevolking de afgelopen jaren aanzienlijk is toegenomen en naar verwachting zal blijven groeien. Voor Noord-Holland Zuid zal de grote vraag vanuit de rest van het land leiden tot een grote vraag op de woningmarkt. In de woonvisie staat de ambitie om het tekort in de woningvoorraad in de provincie terug te brengen van 3,6% (33.000 woningen) in 2010 naar 1,5% in 2020. Recente prognoses van de provincie laten echter een stijging van het woningtekort zien tot 2018. Deze stijging geldt ook voor de regio Waterland.
Het bepaalde in dit bestemmingsplan is in lijn met de Provinciale Woonvisie 2010-2020.
Voor de lange termijn heeft de (sub)regio Waterland een ontwikkelingskader tot 2040 opgesteld, de Regiovisie Waterland 2040. In deze visie staat behoud en zo mogelijk versterking van het kenmerkende authentieke karakter van de regio Waterland voorop, maar wel met de noodzakelijk sociaal-economische en infrastructurele impulsen om de kernen vitaal te houden en het gebied binnen de Metropoolregio Amsterdam bereikbaar te maken. Naast maatregelen om het authentieke karakter van het landelijk gebied te bewaren, vergt dat op vele locaties een forse inspanning in de kwaliteit van de leefomgeving, selectieve uitbreiding voor noodzakelijke sociaal-economische ontwikkelingen en duurzame oplossingen voor beheer en terugdringing van het woon-werkverkeer. Op die manier ontstaat een duurzame vitale regio met een herkenbaar eigen karakter.
Het bepaalde in dit bestemmingsplan is niet strijdig met dit beleid.
Purmerend maakt onderdeel uit van 'Metropoolregio Amsterdam' (MRA). Dit is een (informeel) samenwerkingsverband van lokale en provinciale overheden in het noordelijk deel van de Randstad. De MRA behoort tot de Europese top vijf van economisch sterke regio's. Rode draad van de samenwerking is het behouden en versterken van die internationale concurrentiepositie. De door de partners geformuleerde hoofdopgaven zijn (thematisch) neergelegd in de 'Gebiedsagenda 2013' en richten zich met name op het optimaliseren van het fysieke vestigingsklimaat (economie), het - via verstedelijkingsafspraken - tijdig voorzien in kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwbehoefte (verstedelijking) en het op orde brengen en houden van een goed functionerend mobiliteitsnetwerk (bereikbaarheid).
De agenda richt zich voornamelijk op het verbeteren van de infrastructuur en het milieu. De agenda bevestigt dat er binnen de regio Waterland, waar Purmerend onder valt, een aanzienlijk aantal nieuwe woningen dient te worden gerealiseerd. De te realiseren woningen passen dan ook goed in het beleid van de MRA.
In de Structuurvisie Purmerend 2005-20202 , vastgesteld op 2 maart 2006, heeft de gemeenteraad van Purmerend een toetsingskader neergelegd voor gewenste en bestaande ontwikkelingen binnen de gemeente. In de structuurvisie worden vier ambities verwoord die leidend dienen te zijn bij de ontwikkeling van de stad Purmerend tot 2020.
In 2013 is de strategische plankaart, behorende bij de structuurvisie Purmerend 2005 - 2020, als eerste stap in het proces om te komen tot en vooruitlopend op een integrale herziening, aangepast aan de actuele stand van zaken. Het betreft een beleidsneutrale actualisering, waarbij op de plankaart de wijzigingen zijn verwerkt, die in de achterliggende periode (sinds 2006) doorgevoerd zijn in of op grond van het gemeentelijk beleid. Deze kaart gaat vergezeld van een toelichting daarop.
Afbeelding 6: Geactualiseerde strategische plankaart structuurvisie (uitsnede)
De 30 sociale huurappartementen worden gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied. De voorgenomen ontwikkeling past in het beleid van de Structuurvisie.
De speerpunten van het Woonprogramma uit de Structuurvisie Purmerend 2005-2020 zijn:
De voorgenomen transformatie van een voormalige schoollokatie naar woningbouwlocatie is overeenkomstig dit beleid.
In de Woonvisie Purmerend 2017-2022 heeft de gemeente haar visie tot 2022 op het gebied van wonen geformuleerd. De gemeente wil een prettige woonstad blijven, de vraag naar woningen van inwoners goed kunnen blijven bedienen en een bijdrage leveren aan de regionale woningbouwopgave. Veel aandacht gaat uit naar de positie van huishoudens die zichzelf niet of moeilijk kunnen redden op de woningmarkt.
In een achttal speerpunten heeft Purmerend deze ambitie verder uitgewerkt, waaronder ook de ambitie om tot 2040 10.000 extra woningen te bouwen. Dit om tevens de kwaliteit van de stad te versterken door vergroting van de differentiatie van het aanbod en van verschillende woonmilieus en de woningvoorraad meer passend te maken voor de toekomstige bevolkingssamenstelling.
De voorgenomen ontwikkeling voegt woningen waaraan veel behoefte is toe aan de huidige woningvoorraad. Hiermee past de voorgenomen ontwikkeling in dit beleid.
De basis voor het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid is verwoord in het collegewerkprogramma 2014-2018 en de Programmabegroting 2017. Met de duurzaamheidsagenda3 wordt inhoud gegeven aan de uitgangspunten zoals opgenomen in de begroting 2017 (energiezuinige gemeentelijke organisatie, energiezuinige inwoners en bedrijven en zoveel mogelijk lokale energieopwekking).
De volgende thema's staan centraal:
Duurzaamheid in de gebouwde omgeving:
Duurzame bedrijven:
Duurzame mobiliteit:
Duurzame energie:
Duurzame stad en regio:
Duurzame gemeente:
Het planvoornemen houdt rekening met de duurzaamheidsambities en -opgaven uit de Duurzaamheidsagenda 2017 - 2020 door aansluiting op het stadsverwarmingsnet. Het bouwplan levert een positieve bijdrage aan het tekort aan woningen in Purmerend.
In november 2014 is de Groenkoers vastgesteld. Daaruit valt af te leiden dat het onderhavige terrein onderdeel uitmaakt van de hoofdgroenstructuur. De herinrichting van de openbare buitenruimte in het onderhavige plangebied zal in samenspraak met de buurt plaatsvinden.
De nota Integrale Handhaving Purmerend 2016 - 2019 richt zich op de fysieke leefomgeving van de gemeente Purmerend. Deze nota beschrijft de bestuurlijke uitgangspunten en beleidskeuzes over de regelgeving op het gebied van het omgevingsrecht, Algemene plaatselijke verordening en bijzondere wetten. De gemeente Purmerend wil een veilige, schone en gezonde woon-, werk- en leefomgeving voor haar burgers en bedrijven. Dat wil de gemeente bereiken door de duurzaamheid, veiligheid en leefbaarheid te vergroten en te waarborgen. Belangrijke waarden hierbij zijn 'schoon, heel, gezond en veilig'. Een servicegerichte, professionele dienstverlening op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving levert hieraan een belangrijke bijdrage.
In het collegewerkprogramma 2014-2018 wordt aangegeven dat er “van buiten naar binnen” wordt gewerkt. In de aanpak van problemen krijgt de eigen verantwoordelijkheid en betrokkenheid van burgers en bedrijven een belangrijke rol. Er wordt sterk ingezet op wijkgerichte of gebiedsgerichte handhaving en de gemeente gaat in gesprek met burgers en bedrijven. Er wordt gehandhaafd met gezond verstand en kijken niet alleen naar wat niet mag, maar ook naar wat mogelijk is.
Om een veilige, schone en gezonde woon-, werk- en leefomgeving te realiseren zijn de volgende keuzes
gemaakt:
De aan bouwplannen gerelateerde kosten van de grondexploitatie moeten verzekerd worden alvorens het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Samen met de Grondexploitatiewet geeft specifiek gemeentelijk beleid invulling aan het kostenverhaalbeleid in Purmerend. Het specifieke beleid is neergelegd in de Nota planoverschrijdende ruimtelijke openbare faciliteiten. Uit dit gemeentelijke beleid vloeit voort dat onder de te verhalen kosten ook een bijdrage wordt meegenomen voor de kosten van bouwplanoverschrijdende openbare faciliteiten (bovenwijkse voorzieningen, bovenplanse verevening/kosten en bijdragen aan ruimtelijke ontwikkelingen). Sociale huurwoningen die door toegelaten instellingen worden geëxploiteerd worden hiervan vrijgesteld.
Kosten zijn verzekerd wanneer de gemeente deze kosten in haar begroting opneemt, wanneer de gemeente een exploitatieplan vaststelt, of wanneer de gemeente en de particuliere grondexploitant die het bouwplan gaat realiseren een anterieure overeenkomst sluiten. De voorkeur van de gemeente gaat uit naar het verzekeren van de kosten via een anterieure overeenkomst.
In het hoofdstuk Uitvoerbaarheid zal concreet worden ingegaan op de vraag hoe de kosten van de grondexploitatie gerelateerd aan het in dit bestemmingsplan opgenomen bouwplan verzekerd is.
In de Erfgoedwet en het Overgangsrecht in de Erfgoedwet (de hoofdstukken II, paragrafen 2 en 3, IV, V, paragrafen 1 en 9, en VI van de Monumentenwet 1988, zoals die luidden voor inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet) is opgenomen dat zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan.
De gemeente Purmerend heeft in 2009 een eigen archeologisch beleid opgesteld (archeologische beleids- en advieskaart)4 en daar een archeologische verwachtingskaart bij vervaardigd. Een archeologische verwachtingskaart is een voorspellingskaart waarop verwachtingen met betrekking tot de situering van (nog) onbekende archeologische vindplaatsen zijn vertaald in termen van vlakken en zones. Op de kaart worden zones aangegeven met verschillende verwachtingen: hoge, middelhoge of lage verwachting. De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het opstellen van een beleidsadvieskaart, die vervolgens kan worden gebruikt voor de toetsing van ruimtelijke plannen op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Het bestemmingsplan vormt het belangrijkste instrument voor de archeologische monumentenzorg.
Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatste archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Ter plaatse van een lage archeologische verwachtingswaarde is er geen noodzaak om een verkennend archeologisch onderzoek uit te voeren voordat nieuwe bouwactiviteiten plaatsvinden. Ter plaatse van een hoge en middelhoge verwachtingswaarde dient bij grondwerkzaamheden eerst een verkennend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd door een hiertoe gecertificeerd bureau.
Het plangebied valt niet in een zone waar sprake is van een archeologische verwachtingswaarde.
In het onderhavige bestemmingsplan spelen archeologische waarden niet.
Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat in de toelichting van een bestemmingsplan onder meer moet worden ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. Een onderzoek naar de bodemgesteldheid maakt hiervan deel uit. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. In de bestaande stad is dit niet in alle gevallen mogelijk in verband met de aanwezigheid van eventuele historische verontreinigingen. Teneinde maatschappelijke en/of ruimtelijke ontwikkelingen niet onnodig te frustreren als gevolg van de aanwezigheid van bodemverontreiniging, is het mogelijk om onder voorwaarden bestemmingen op een verontreinigde bodem te realiseren.
Een en ander is ook verwoord in het in 2009 door burgemeester en wethouders vastgestelde bodembeleidsplan5 van de gemeente Purmerend en het hieraan gekoppelde bodembeheerplan6 en bodemkwaliteitskaart7 . Met deze instrumenten wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke taak met betrekking tot actief bodembeheer. Bij procedures voor ruimtelijke plannen kunnen deze instrumenten ingezet worden, waardoor er in de praktijk steeds minder vaak bodemonderzoek en bodemsanering dient te worden uitgevoerd.
Ook is binnen de gemeente een bodeminformatiesysteem aanwezig. In dit systeem is de bij de gemeente bekende bodeminformatie geregistreerd. Dit systeem wordt ook in het kader van de bodemtoets bij bouwaanvragen regelmatig geraadpleegd en voortdurend geactualiseerd met nieuwe onderzoeksgegevens of geplande en gerealiseerde bodemsaneringen.
De mogelijkheid om op verontreinigde grond te kunnen bouwen dient per geval te worden beoordeeld. De Wet bodembescherming biedt de kaders waarbinnen gehandeld dient te worden. Afhankelijk van de verontreinigingsituatie, is de gemeente dan wel de provincie het bevoegd gezag.
In het geval dat de gemeente het bevoegd gezag is, kan het bouwen op verontreinigde bodem geregeld worden in de omgevingsvergunning. Dit is in alle gevallen maatwerk.
Indien de bevoegdheid ligt bij de provincie, dan dient bij de provincie een BUS- melding te worden ingediend. Wanneer binnen 4 weken geen reactie van de provincie wordt ontvangen, is het toegestaan om te saneren conform de BUS-melding. Deze procedure is in de plaats gekomen van de voormalige goedkeuring van de provincie. De BUS-melding wordt gepubliceerd in een huis-aan-huisblad. Indien noodzakelijk worden aanvullend saneringsvoorschriften in de omgevingsvergunning opgenomen. De beschikking is hiervoor leidend.
In het kader van de onderhavige transformatie is bodemonderzoek8 uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat:
Met betrekking tot de vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse kan worden geconcludeerd dat er milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen zijn voor de realisatie van de nieuwbouw. Indien van de locatie grond wordt afgevoerd, dient rekening gehouden te worden met de geldende regelingen voor het afvoeren en toepassen van grond zoals beschreven in de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheersplan. In dit geval kan de grond overal binnen Purmerend worden toegepast.
In de toelichting op een bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Het doel hiervan is om cultuurhistorische belangen meer te laten meewegen in de ruimtelijke ordening. Hiertoe is op 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd, waarbij dit voorschrift in artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a is opgenomen.
Binnen het plangebied is geen sprake van cultuurhistorische waarden.
Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de invloed van het project op cultuurhistorische waarden.
In het kader van ruimtelijke procedures conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient het aspect externe veiligheid in acht te worden genomen. Het gaat hierbij om risico's ten aanzien van het vervoer, de opslag en het bewerken van gevaarlijke stoffen. De risico's met betrekking tot gevaarlijke stoffen worden geduid in het zogenaamde Plaatsgebonden risico (PR) en het Groepsrisico (GR). Het groepsrisico dient in veelal de meeste ruimtelijke procedures verantwoord te worden. De verantwoording is erop gericht om een weloverwogen besluit te nemen over het al dan niet aanvaarden van het groepsrisico. Het uiteindelijke besluit is aan het bevoegd bezag.
In het kader van externe veiligheid is de Risicokaart Noord-Holland geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er in of in de nabijheid van het plangebied geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen en geen hogedruk-aardgasleidingen of transportleidingen voor brandbare voeistoffen zijn gesitueerd Het project zelf maakt ook geen risicovolle inrichting mogelijk.
De wet- en regelgeving omtrent externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor het onderhavige bestemmingsplan.
De artikelen 76 en 74 van de Wet geluidhinder (hierna Wgh) schrijft voor dat in ruimtelijke plannen die betrekking hebben op gronden die langs een verkeersweg gelegen zijn, onderzocht wordt of op de gevel van gebouwen de maximaal toegestane geluidsbelasting niet wordt overschreden.
Langs alle wegen bevinden zich, als gevolg van de Wgh, geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. De zonebreedte is afhankelijk van een binnen- of buitenstedelijke ligging en de hoeveelheid rijstroken van de weg en wordt gemeten uit de rand van de weg.
Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De voorkeursgrenswaarde mag in principe niet worden overschreden. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat deze voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden, is onderzoek naar maatregelen gericht op het verminderen van de geluidsbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten noodzakelijk. Onderscheid wordt gemaakt in maatregelen aan de kant van de bron (bijvoorbeeld geluidsreducerend asfalt), maatregelen in het overdrachtsgebied (bijvoorbeeld geluidsschermen), maatregelen aan de kant van de geluidsontvanger (bijvoorbeeld geluidsdove gevels) of het vergroten van de afstand tussen de geluidsbron en de ontvanger.
Zijn maatregelen onvoldoende doeltreffend, dan wel ontmoeten deze maatregelen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek tot vaststelling van (een) hogere waarde(n) worden ingediend bij burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend. Deze hogere grenswaarde mag, afhankelijk van de situatie, een bepaalde waarde niet te boven gaan (uiterste grenswaarde). De uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs bestaande wegen is 53 dB voor buitenstedelijk gebied en 63 dB voor binnenstedelijk gebied.
Voor wegen die zijn ondergebracht in een 30 km/h-gebied geldt geen wettelijke geluidszone en is akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai in nieuwe situaties op grond van de Wgh niet verplicht. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening echter aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau. Indien dit niet aannemelijk is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidsbelasting op de gevels noodzakelijk, mogelijk en doelmatig zijn. Bij gebrek aan wettelijke normen kunnen uitsluitend de eerder vermelde voorkeursgrenswaarde en de uiterste grenswaarde uit de Wgh als referentiekader worden gehanteerd. Daarnaast is van belang dat de maximaal toegestane binnenwaarde op grond van het Bouwbesluit ten hoogste 33 dB bedraagt.
Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een snelheid lager dan 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een maximumsnelheid van 70 km/h of meer geldt een aftrek van 2 dB. Op alle in akoestische onderzoeken genoemde geluidsbelastingen is deze aftrek toegepast, tenzij anders vermeld.
In het kader van de onderhavige transformatie is door het geluid Buro onderzoek9 verricht naar de geluidbelasting op de gevels van de nieuw te realiseren woningen vanwege het wegverkeer. Uit het onderzoek blijkt dat voor wat betreft de Verzetslaan en Meerland (zoneplichtige wegen) en de Drontermeer (niet-zoneplichtige weg) de berekende geluidbelasting op de gevel de voorkeursgrenswaarde van 48 dB nergens overschrijdt.
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied en voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van het bestemmingsplan rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Op 15 november 2007 is wet- en regelgeving in werking getreden die tezamen bekend staat onder de naam 'Wet luchtkwaliteit'. Dit is echter geen formele benaming. Op basis van deze wetgeving kunnen ruimtelijk-economische initiatieven worden uitgevoerd als een of meer voorwaarden wordt voldaan:
De kern van titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) bestaat uit luchtkwaliteitseisen, gebaseerd op de Europese richtlijnen. Een overzicht van deze luchtkwaliteitseisen is te vinden in het Compendium voor de Leefomgeving. Verder bevat titel 5.2 van de Wm basisverplichtingen op grond van Europese richtlijnen, namelijk: plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. Titel 5.2 van de Wm regelt het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Daarbinnen werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet:
Voor ruimtelijke projecten geldt uiteraard ook het principe van een goede ruimtelijke onderbouwing.
Met het Besluit gevoelige bestemmingen van 1 december 2008, gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer, wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen'- zoals een school of een verzorgingstehuis- in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg.
Waar in de onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op een dergelijke plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan.
De realisatie van 30 huurappartementen draagt niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Het plangebied bevindt zich daarnaast buiten onderzoekszones bij rijkswegen en provinciale wegen.
Er zijn geen belemmeringen voor het onderhavige bestemmingsplan uit het oogpunt van het aspect luchtkwaliteit.
Milieuzonering legt een relatie tussen de milieuaspecten van een bedrijf - geluid, geur, gevaar en stof - en de omgeving. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- of goederenverkeer genereert mede bepalend voor de mate van hinder. Een milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) waar nodig ruimtelijk voldoende worden gescheiden.
Het onderhavige bestemmingsplan bevat geen bedrijven waar een milieuzonering op van toepassing is. Evenmin bevinden er zich bedrijven in de omgeving waar een milieuzonering op van toepassing is.
In het onderhavige bestemmingsplan speelt milieuzonering geen rol.
Sinds 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en hollen.
De Wet Natuurbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora en faunawet is de Wet Natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben.
De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet Natuurbescherming. Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met de eerder vigerende Flora-en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden.
Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet Natuurbescherming van belang:
Er worden in de Wet Natuurbescherming drie beschermingsregime onderscheiden:
1. Soorten van Vogelrichtlijn:
Bescherming van alle in het wild levende vogels in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4. Dit beleid verandert deels t.o.v. de Ffwet. De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden. De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen.
2. Soorten van Habitatrichtlijn:
Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9:
A. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern, bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I.
In het geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden:
B. die streng beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II.
Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is. In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nadere regels gesteld worden. De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen.
3 Andere soorten:
Dit zijn de in de bijlage van artikel 3.10 van Wet Natuurbescherming genoemde soorten. In deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna en onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (artikel 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan. De provincie Noord-Holland heeft nog geen lijst met vrijstellingsbesluiten gemaakt.
Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000-gebied, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap of Ecologische Hoofdstructuur. De Polder Zeevang en het Ilperveld/Varkensland/Oost- zanerveld/Twiske liggen op ca 4 kilometer afstand.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd10. Daaruit blijkt dat het plangebied mogelijk een territorium biedt voor de gewone dwergvleermuis. Voor de bouw van de woningen hoeven geen bomen gekapt te worden. De herinrichting van de openbare buitenruimte zal in samenspraak met de buurt plaatsvinden. Aan de hand van die herinrichtingsplannen wordt bezien of het noodzakelijk is om een mitigatieplan op te stellen om het eventuele negatieve effect van de ingreep te verzachten.
Het plangebied biedt mogelijk een territorium voor de gewone dwergvleermuis. Aan de hand van de herinrichtingsplannen van de openbare buitenruimte wordt bezien of het noodzakelijk is om een mitigatieplan op te stellen om het eventuele negatieve effect van de ingreep te verzachten.
Voor ruimtelijke plannen in de omgeving van hogedrukaardgasleidingen en leidingen voor aardolieproducten met een externe veiligheidscontour is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van dit besluit dienen plannen te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR).
Binnen het plangebied liggen geen planologisch relevante leidingen. Ook in de nabijheid van het plangebied is geen sprake van leidingen die van invloed kunnen zijn op het project.
De wetgeving inzake planologisch relevante leidingen levert geen belemmering op voor het onderhavige bestemmingsplan.
Nota Waterbeleid 21e eeuw
Op basis van beleid dat voortkomt uit de nota 'Waterbeleid 21e eeuw' is een watertoetsproces ingesteld bij de ruimtelijke planvorming. Het watertoetsproces heeft tot doel om elkaar vroegtijdig te informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van het belang van water en dit in ruimtelijke plannen gestalte te geven. Een watertoetsproces leidt onder andere tot een waterparagraaf in het plan. De diepgang van de watertoets en de inhoud van de waterparagraaf kan verschillen naar de aard van de planvorming. De watertoets moet er voor gaan zorgen dat bij de inrichting van ons land bewust rekening wordt gehouden met water. De waterbeheerder en initiatiefnemer nemen daarvoor samen de waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar en evenwichtig mee bij alle ruimtelijke plannen of ingrepen.
Naast de in de toelichting genoemde Watertoets is er in de Nota 'Waterbeleid 21e eeuw' (Commissie Tielrooij, 2000) het principe van 'Vasthouden - Bergen - Afvoeren' als ordeningsprincipes geïntroduceerd. Dit is bedoeld om het watersysteem op een duurzame en robuuste manier in te richten, teneinde de burgers een prettige en veilige leefomgeving te bieden.
Nationale Waterplan 2016-2021
In het Nationale Waterplan staan 5 ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt er voor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is.
Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen.
Water en ruimtelijke ordening zijn dus steeds meer met elkaar verweven. In het verleden werd water vooral geplooid naar de wensen van inrichters en gebruikers. Steeds vaker verschijnt waterproblematiek in de actualiteit.
De hoogwatersituaties van de afgelopen jaren, maar ook verdrogingsverschijnselen, hebben aangetoond dat water een belangrijk aspect is bij ruimtelijke ordening. Daarom moet men water beter inbedden in ruimtelijke plannen. Ook vraagt klimaatverandering om ruimtelijke aanpassingen. Denk hierbij aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevige regenbuien en perioden van droogte. Het wateraspect moet men zo vroeg mogelijk betrekken bij ruimtelijke planvorming.
In structuurvisies en bestemmingsplannen staat de wettelijk verplichting om de gevolgen voor water af te wegen via de watertoets. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten planners rekening houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Het proces van de watertoets voorziet erin dat rekening wordt gehouden met de eisen zoals die vanuit het waterbeheer worden gesteld. Dit is niet alleen van belang voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem. Het is ook belangrijk om zoveel mogelijk te voorkomen dat er problemen met water ontstaan nadat men heeft gebouwd. Tenslotte moet men in de waterparagraaf van zowel structuurvisies, bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen verantwoorden hoe het plan rekening houdt met waterkwantiteit, waterkwaliteit, oppervlaktewater, grondwater, afvalwater en de landschappelijke aspecten van water.
Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier
Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen.
Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.
In het kader van dit bestemmingsplan is overleg gepleegd met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier11. Hieruit is gebleken dat het plan beperkte invloed heeft op de waterhuishouding.
Verharding en compenserende maatregelen
De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de bouw van 30 sociale huurappartementen met bijbehorende parkeerplaatsen. Op de onderhavige locatie heeft een school gestaan. Ten opzichte van de situatie met de school is sprake van een afname van de verharding van ca. 800 m2. Er hoeven zodoende geen compenserende maatregelen te worden uitgevoerd.
Waterkwaliteit en riolering
In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe opppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Met het oog op de waterkwaliteit wordt het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk voorkomen.
Het aspect water vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
Voor bepaalde grootschalige ontwikkelingen op het gebied van woningen, bedrijvigheid en infrastructuur dient op grond van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 een milieu-effecrapportage te worden opgesteld. Hierin moet worden aangegeven wat de gevolgen zijn van de ontwikkelingen voor het milieu.
In het Besluit m.e.r. is aangegeven in welke gevallen er onderzoek gedaan moet worden. Afhankelijk van de grootte van het project zijn er drie mogelijkheden:
De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. Het is wel opgenomen in onderdeel D van bijlage II van het Besluit m.e.r. De activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, maar valt nog onder de drempelwaarde die hier is genoemd. Dit betekent dat het verplicht is om een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht uit te voeren.
De kenmerken van het project
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 30 sociale huurappartementen. Het plan blijft ver onder de drempelwaarden. Voor de volledige beschrijving wordt verwezen naar paragraaf 2.2.
De plaats van het project
Het plangebied ligt in de woonwijk Purmer-Zuid, waar voornamelijk eengezinswoningen zijn gerealiseerd.
Onderhavig plangebied wordt momenteel ingenomen door een groene ruimte in een rechthoekige vorm die aan de noordkant iets breder is dan aan de zuidkant. Op de onderhavige locatie heeft aan de zuidkant een school gestaan.
Potentiële effect
Aangezien het onderhavige bestemmingsplan niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen leidt, is het niet nodig een m.e.r.-procedure te voeren en/of een milieueffectrapport (MER) op te stellen.
De gemeente mag op basis van de Wet ruimtelijke ordening alleen meewerken aan planontwikkelingen die haalbaar en uitvoerbaar zijn. Ingevolge artikel 3.1.6 Bro dient de toelichting van een bestemmingsplan inzichten te bevatten over de uitvoerbaarheid van een plan.
De uitvoering van het bestemmingsplan heeft een sluitende exploitatiebegroting. Voor de kosten van bouw- en woonrijpmaken wordt een krediet van ca. 330.000,- aangevraagd zodra het bestemmingsplan is vastgesteld en dat wordt gedekt door de grondopbrengsten binnen het plan.
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat een bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Artikel 3.1.6 Bro bepaalt daarnaast dat in de toelichting de uitkomsten van dit overleg worden beschreven.
In het kader van dit bestemmingsplan is overleg gepleegd met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Hieruit is gebleken dat het plan beperkte invloed heeft op de waterhuishouding. In dit verband wordt verwezen naar het gestelde in paragraaf 4.10.2.
Voor het overige is geen artikel 3.1.1. Bro-overleg gevoerd, aangezien het hier een herziening van geringe omvang betreft, waarbij de belangen van de overige wettelijk vooroverlegpartners niet in het geding zijn.
De omgeving is nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van het woningbouwmodel voor de sociale huurwoningen. De buurt is eveneens betrokken geweest in de herinrichting van de openbare buitenruimte. Daarover zijn betrokkenen middels een brief geïnformeerd. De wethouder heeft in een bewonersavond hiervan mededeling gedaan. In dit kader wordt verwezen naar het gestelde in paragraaf 1.2.
Artikel 3:8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Deze afdeling bevat bepalingen rond de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure.
Het ontwerp van dit bestemmingsplan heeft ter inzage gelegen van 9 maart 2018 tot en met 19 april 2018. Het ontwerpbestemmingsplan is tevens digitaal beschikbaar gesteld via de landelijke voorziening op www.ruimtelijkeplannen.nl. Gedurende de periode van ter inzage ligging is een ieder in de gelegenheid gesteld (schriftelijk of mondeling) zienswijzen omtrent het ontwerpbesluit naar voren te brengen. Hiervan is melding gemaakt door middel van voorafgaande kennisgeving in de rubriek officiële mededelingen zoals gepubliceerd in het Purmerends Nieuwsblad en in de Staatscourant, beiden op donderdag 8 maart 2018. De kennisgeving heeft ook op de gemeentelijke website gestaan. Tevens is de kennisgeving electronisch toegestuurd aan het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.
Gedurende de periode van terinzage ligging is één zienswijze ontvangen. Naar aanleiding van de zienswijze is een Nota van zienswijzen opgesteld. Hierin wordt de ontvankelijke zienswijze verkort weergegeven en van commentaar voorzien. De conclusie van de Nota is dat de zienswijze geen aanleiding geeft om het bestemmingsplan niet of gewijzigd vast te stellen.
Dit hoofdstuk bevat de toelichting op de gekozen planvorm en geeft inzicht in de overwegingen die aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen.
Het onderhavige plan voorziet in een actueel en adequaat juridisch kader voor ontwikkeling en beheer van het plangebied. Het is een plan op basis van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012).
Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi (verklaring van de bestemmingen) te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de gebruiksbepalingen alsmede de eventuele afwijkingsmogelijkheden te vinden.
Voor een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk dat de in het bestemmingsplan gestelde regels zodanig zijn opgesteld dat deze (goed) te handhaven zijn. Het gemeentebestuur is van oordeel dat de regels in het onderhavige plan voldoen aan deze eis.
Een aantal regelingen is hieronder toegelicht.
Bestemmingsregels
Groen
De grote eenheden groen met een structurerende functie en kleinere op zichzelf staande groeneenheden die belangrijk zijn voor de woonkwaliteit en waar flexibiliteit bij de inrichting van de openbare ruimte minder noodzakelijk is, zijn bestemd voor Groen. Kleine stukjes siergroen vallen onder de bestemming Verkeer-2.
Binnen de bestemming Groen is een beperkt aantal gebruiksvormen toegestaan. Er mogen binnen deze bestemming slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen voor nutsvoorzieningen.
Objecten van beeldende kunst zijn toegestaan tot een hoogte van zes meter. Burgemeester en wethouders kunnen binnenplans afwijken om objecten tot een hoogte van maximaal vijftien meter toe te staan.
Verkeer-2
De bestemming Verkeer-2 wordt toegekend aan wegen met een verkeers- of verblijfsfunctie. Binnen deze bestemming is een aantal daarin passende gebruiksvormen toegestaan, waaronder parkeren.
Wonen
De gronden met de bestemming Wonen zijn bestemd voor bewoning en de daarbij behorende voorzieningen, zoals tuinen en erven en de daarin geplaatste erfbebouwing, speeltoestellen, water en nutsvoorzieningen.
Aan-huis-verbonden beroepen, (kleinschalige) bedrijvigheid en bed&breakfast zijn toegestaan, zolang de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft en er geen hinder voor de omgeving optreedt.
Bij het bouwen of aanleggen van een nieuwe functie of voorziening moet in principe op eigen terrein gezorgd worden voor voldoende parkeerplaatsen. Hiervoor wordt verwezen naar de in mei 2016 vastgestelde Nota Parkeernormen gemeente Purmerend 2016. Het hele plangebied wordt als eigen terrein bedoeld. Dat betekent dat er ook in de nieuwe openbare ruimte geparkeerd mag worden, zolang dit geen negatief effect heeft op de bestaande openbare ruimte buiten het plangebied.
Algemene bouwregels
In dit artikel worden regels gegeven voor bouwwerken die op twee of meer bestemmingen van toepassing zijn.
Algemene gebruiksregels
In de algemene gebruiksbepaling is opgenomen wat onder verboden gebruik van de gronden wordt verstaan.