| Plan: | Andijk - Cornelis Kuinweg 15 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0420.20201839-VA01 |
Aan de Cornelis Kuinweg 15 in Andijk is het bloembollenbedrijf Bot Flowerbulbs BV gevestigd. Het bedrijf wil zijn bedrijfsvoering in noordelijke richting uitbreiden.
Voor het bestaande bedrijf is een bouwvlak van circa 2,24 hectare in het bestemmingsplan vastgelegd. Hierin staat alle bebouwing van het bedrijf inclusief de bedrijfswoning. De uitbreiding betreft een vergroting van het totale bouwvlak naar 3,36 hectare.
De gewenste situatie is in strijd met het bestemmingsplan (zie paragraaf 1.3). Daarom is voor de locatie dit bestemmingsplan opgesteld. Dit bestemmingsplan vormt het juridisch-planologisch kader, waarbinnen de uitbreiding van het bouwvlak mogelijk wordt gemaakt.
Het plangebied betreft de bestaande agrarische bedrijfskavel met het daarbij behorende bouwvlak inclusief de gronden van de beoogde uitbreiding. De ligging en begrenzing van het plangebied is weergeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1 De ligging van het plangebied
Het plangebied is geregeld in het bestemmingsplan Buitengebied, dat is vastgesteld op 22 februari 2018. Het plangebied heeft hierin de bestemming 'Agrarisch', een bouwvlak en de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel agrarisch grondgebonden bedrijf'.
De agrarische bestemming buiten het bouwvlak voorziet niet in de uitbreiding van de bedrijfsgebouwen. Het bestemmingsplan biedt bovendien geen afwijkings- en wijzigingsregels om de gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken.
Op het plangebied is verder de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' van toepassing. Hiermee worden de potentieel aanwezige archeologische resten beschermd. In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie.
Gekozen is om de gewenste ontwikkelingen in een nieuw bestemmingsplan juridisch-planologisch te regelen. Dit bestemmingsplan voorziet daarin.
Figuur 1.2 Plangebied met het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied'
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige situatie, de gewenste ontwikkelingen en ruimtelijke inpassing daarvan en de vertaling naar uitgangspunten voor het bestemmingsplan. In hoofdstuk 3 worden de uitgangspunten getoetst aan het, voor het plan relevante, beleid op de verschillende niveaus. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 bevat de vertaling van de uitgangspunten uit hoofdstuk 2, 3 en 4 naar een juridische regeling. In hoofdstuk 5 wordt het juridische systeem toegelicht. Ten slotte worden in hoofdstuk 6 de maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid van het plan besproken.
In dit hoofdstuk staat een toelichting op de huidige situatie en de gewenste ontwikkeling.
Aan de Cornelis Kuibweg 15 in Andijk is het bloembollenbedrijf Bot Flowerbulbs BV gevestigd. Het bedrijf is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen. De planlocatie ligt in het agrarische productiegebied ten zuiden van de bebouwde kom van Andijk.
De huidige bedrijfsbebouwing heeft een omvang van 2,24 hectare. Dit bestaat uit teeltruimtes, opkweekcellen, verwerkingsruimten, koelruimte en buitenopslag, erf en parkeren, een waterbassin en andere bijbehorende functies inclusief een bedrijfswoning.
De gronden ten noorden van de bestaande bebouwing c.q ter hoogte van toekomstige uitbreiding bestaat in de huidige situatie uit akkerbouwgrond. Het plangebied grenst aan de noordkant aan het open agrarisch gebied, aan de oostkant aan een agrarisch perceel, aan de zuidkant aan de ontsluitingsweg van de Cornelis Kuinweg en aan de westkant wordt het plangebied begrenst door een sloot.
De ontsluiting van het perceel vindt plaats via twee ontsluitingen aan de Cornelis Kuinweg. Rond de woning ligt een tuin. Figuur 2.1 geeft een bovenaanzicht van de bestaande situatie. Figuur 2.2 en 2.3 geeft het vooraanzicht van de huidige situatie weer.
Figuur 2.1 Huidige situatie plangebied (bron: Geo Web)
Figuur 2.2 Vooraanzicht westkant huidige situatie (bron: Google Streetview)
Figuur 2.3 Vooraanzicht westkant huidige situatie (bron: Google Streetview)
De markt in de bollenbroeierij professionaliseert steeds verder. De bedrijven vergroten in schaal en ontwikkelen zich met een focus op een vaste kring van afnemers. Dit biedt continuïteit en meer vastheid in een volatiele markt. Daarnaast biedt het een kans om dichter bij de uiteindelijke consument te staan via bijvoorbeeld "branding" van specifieke producten. Met branding wordt de focus verlegd van een inwisselbaar bulkproduct naar een specifiek product dat niet meer inwisselbaar is. Hierdoor krijgt het bedrijf meer invloed binnen de keten.
In het rapport "Verkenning bollenbroeierij Noord-Holland" wordt onderkend dat de trend is dat de schaalvergroting van deze branche voortzet zonder dat de uiteindelijke totaalproductie in gelijke tred toeneemt. Dit betekent dat grote professionele bedrijven overblijven en de kleinere bedrijven met een laag toekomstperspectief afvallen. De gezonde bedrijven moeten verder kunnen groeien. Dit heeft bovendien een groei van het aantal arbeidsplaatsen tot gevolg.
Deze ontwikkeling is ook voor het bedrijf voorzien. Om aan de (groeiende) vraag (te blijven) voldoen in de productkwaliteit en -kwantiteit die gevraagd wordt, is het noodzakelijk als bedrijf om de productiefaciliteiten te vergroten. Dit betekent een uitbreiding van de opstanden in een gebalanceerde uitbreiding, dus niet alleen verwerkingsruimte of teeltruimte, maar een optimale mix van de diverse bedrijfsonderdelen. Binnen het huidige bouwvlak is hiervoor onvoldoende ruimte.
Het eindbeeld van het bedrijf is een volledig ingevuld bedrijfsoppervlak van 3,36 hectare. Dit vindt echter plaats via het organisch uitbreiden van het bedrijf. Dit proces voltrekt zich over meerdere jaren en vindt plaats in 2 fasen. De gewenste uitbreiding is schematisch weergegeven in figuur 2.4.
Ten behoeve van de uitbreiding zijn nieuwe gebouwen nodig. Eén grote loods met stalen dak en gevelbekleding, kleur als bestaand. Ook wordt er een nieuwe schuurkas gebouwd met een glazen dak en wanden van sandwichpanelen. Kleuren conform tekeningen en zoveel mogelijk als bestaand. De goothoogte van deze gebouwen bedraagt maximaal 8 meter en de bouwhoogte bedraagt maximaal 14 meter. Daarnaast wordt naast bestaande laadkuil een nieuwe dubbele laadkuil gecreëerd.
Gewenste fasering uitbreiding
Het plan stelt de nieuwbouw van bedrijfsgebouwen in het open landelijk gebied voor. Van belang is dat de bebouwing op een verantwoorde wijze wordt ingepast in het landschap.
De nieuwbouw vind plaats achter de bestaande bebouwing; aan de noordzijde van de bestaande gebouwen. De bebouwing zal qua vormgeving, goot- en nokhoogten en materiaalgebruik aansluiten op de bestaande bebouwing.
In deze paragraaf wordt de landschappelijke inpassing kort beschreven volgens de ruimtelijke kwaliteitssystematiek van de provincie. Bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied, wordt in het ruimtelijk plan, gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie:
Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (Provincie Noord-Holland, 2018)
In de Leidraad is het Noord-Hollandse landschap onderverdeeld in deelgebieden. Het plangebied ligt in het deelgebied West-Friesland Oost.
Ontstaansgeschiedenis
West-Friesland is ontstaan uit grote hoeveelheden sediment die zijn afgezet door het Zeegat van Bergen. Dit getijdebekken, dat tot ver in het binnenland reikte, zorgde voor opslibbing van zand en klei uit zee. Hierop vestigde zich al vroeg een groot aantal mensen in een relatief hoge dichtheid. West-Friesland is dan ook een archeologisch waardevol gebied, met in de bodem relicten van nederzettingen uit Steentijd, Bronstijd, Ijzertijd en Romeins tijd (zie ook archeologie). Vooral de resten uit de Midden- en Late-Bronstijd uit oostelijk West-Friesland zijn uniek.
Vanaf de Ijzertijd vernatte het gebied waardoor er veen tot ontwikkeling kwam. Dit maakte het gebied ongeschikt voor bewoning. Vanaf de vroege middeleeuwen werd het veen in ontginning genomen. Om het gebied te ontwateren werden vanuit bestaande veenrivieren parallelle sloten het veen in gegraven. Op de droge toplaag kon men vervolgens wonen en akkers aanleggen. Een deel van de ontginningen werd beperkt door natuurlijke grenzen of bezitsgrenzen maar elders trok men onder druk van de bodemdaling steeds verder het veen in – net als in andere veengebieden. Om droge voeten te houden werden de nederzettingen verplaatst naar de hoogste plaatsen in het landschap, ten oosten van Hoorn en bij Medemblik lagen veel nederzettingen op kreekruggen. Kreekruggen zijn kronkelende zandbanen die op veel plaatsen in West-Friesland voorkomen. De zandbanen zijn met zand opgevulde restanten van voormalige getijgeulen. Er zijn twee hoofdtakken. De noordelijke hoofdtak loopt vanaf Hoogwoud via Abbekerk, Twisk en Opperdoes naar Medemblik. De zuidelijke hoofdtak loopt vanaf Hoogwoud via Wognum ten noorden langs Hoorn naar Wijdenes en verder richting Enkhuizen.
De meeste nederzettingen in de veenontginningen kregen de vorm van langgerekte linten. Veel plaatsnamen in West-Friesland eindigend op –woud, -woude en –broek (zoals Westwoud en Grootebroek) herinneren nog aan het onontgonnen landschap en de veenvegetatie. Het veenpakket dat zich eerder op de kleibodem had ontwikkeld, is inmiddels verdwenen door oxidatie. Het gebied heeft echter wel de ruimtelijke karakteristieken van een veenontginningsgebied behouden. Doordat de gronden ter weerszijden van de opgevulde getijdegeulen zijn ingeklonken en het zand in de geulen niet, zijn deze met zand gevulde geulen nu lichte verhogingen in het landschap. Dit noemt men reliëfinversie.
Vanaf omstreeks de 11e eeuw begon men met het aanleggen van dijken om de veenontginningen tegen inbraken van de zee te beschermen. Vanaf de tweede helft van de 13e eeuw vormden deze dijken één geheel: de Westfriese Omringdijk. Door de gesloten dijk nam de invloed van de zee sterk af. De Omringdijk onderging na aanleg nog flinke veranderingen door de vele doorbraken en achter zwakke dijktracés werden inlaagdijken (reservewaterkeringen) aangelegd. In de late middeleeuwen trachtte Graaf Floris V West-Friesland aan zich te onderwerpen door dwangburchten – waaronder kasteel Radboud bij Medemblik– te bouwen langs de dijk. Nog altijd vormt de Omringdijk door zijn hoogte en als scheiding tussen landschapstypen die in verschillende periode zijn ontstaan, de markante begrenzing van het oude zeekleigebied.
Het gebied kende lang vooral een agrarisch gebruik (akkerbouw en fruitteelt). Het grootste deel van het transport ging over water. Polder het Grootslag was bijvoorbeeld een ‘vaarpolder’ met een zeer beperkt aantal wegen. Als onderdeel van de intensivering en structuurverbetering van de Nederlandse landbouw vonden in de tweede helft van de 20e eeuw grootschalige ruilverkavelingen en daarmee schaalvergroting plaats. Het landschap werd getransformeerd, maar dat gebeurde niet overal op dezelfde manier of in dezelfde mate. In polder Het Grootslag is het landschap in de jaren 80 bijvoorbeeld ingrijpend getransformeerd, veel sloten werden gedempt en er werd een wegennetwerk aangelegd. De ecologische zone in de polder verwijst nog naar de vaarpolderstructuur die er vroeger was. Langs de Markermeerdijk tussen Hoorn en Enkhuizen is het historische landschap nog zichtbaar.
Sindsdien is het beeld van het agrarisch landschap onder invloed van schaalvergroting van agrarische bebouwing verder gewijzigd. In delen van polder het Grootslag, waar het plangebied deel van uitmaakt, bijvoorbeeld begint het agrarisch platteland meer de verschijningsvorm van een bedrijventerrein te krijgen. Het gebied ten zuiden van Andijk is ingericht als glastuinbouwgebied. Andere delen van het ensemble zijn in de laatste decennia van de vorige eeuw flink verstedelijkt, bijvoorbeeld bij Hoorn, Medemblik, Enkhuizen, Hoogkarspel, Bovenkarspel en Wervershoof.
Kernwaarden
West-Friesland Oost heeft de volgende drie provinciale kernwaarden:
Ambities en Ontwikkelprincipes
De algemene ambitie is om ruimtelijke ontwikkelingen:
In Polder het Grootslag is het oorspronkelijke karakter van het gebied door de ruilverkaveling verloren gegaan. De vaarverkaveling is verdwenen en het gebied is nu relatief grootschalig van opzet. Veel sloten zijn gedempt en wegen zijn aangelegd om het gebied te ontsluiten. Samen met de nieuwe agrarische bebouwing die in omvang toeneemt, ontstaat een nieuw landschap. Alleen de oost-west lopende ecologische zone Natte Cel met de Kadijk en de noord-zuidsloten (zoals de Molensloot en Kanthoeksloot) herinneren aan de originele vaarverkaveling.
De agrarische sector zorgt met bijvoorbeeld de fruitteelt, glastuinbouw, bollenbroeierijen, en zaadveredeling voor veel dynamiek in het landschap. Zeker ook in polder het Grootslag dragen deze sectoren bij aan een geheel eigen landschapsbeeld met omvangrijke bouwkavels en grote gebouwen, refererend aan het beeld van een bedrijventerrein.
De ontwikkeling vindt plaats in het grootschalig landbouwgebied van polder het Grootslag. De verkavelingsstructuur bestaat hier uit lange, vrij smalle noord zuid gericht kavels. Het gebied is open. Het perceel wordt aan de westzijde begrensd door een watergang. De nieuwbouw vindt plaats in aansluiting op de bestaande bebouwing, aan de noordzijde. De bebouwing blijft binnen de bestaande verkaveling. Voor het gebied gelden verder geen specifieke landschappelijke of aardkundige waarden. Ook met de uitbreiding blijft er voldoende ruimte bestaan tussen de bebouwing aan de Cornelis Kuinweg. Er is geen sprake van een verdichting van de zichtlijnen vanaf de openbare weg. De aanwezige zichtlijnen blijven grotendeels bestaan. Het open karakter van het gebied kenmerkend. Aangezien de nieuwe bebouwing aansluit op de bestaande bebouwing en wordt ingepast in de bestaande verkaveling, wordt geen afbreuk gedaan aan deze openheid. De nieuwbouw sluit qua situering en richting ook aan op de bestaande bebouwing. Dit sluit ook goed aan op het huidige ordeningspatroon.
De bebouwingskarakteristiek in de omgeving, die refereert aan het beeld van een bedrijventerrein, sluit aan bij de grootschaligheid van de gewenste bedrijfsontwikkeling. Het gewenste bedrijfsgebouw zal qua vormgeving en materiaalgebruik aansluiting vinden bij de huidige bedrijfsgebouwen waardoor een eenduidig beeld zal ontstaan. De omvang van het bedrijfsperceel sluit in de nieuwe situatie aan op de bestaande bedrijfsloodsen. Er wordt geen afbreuk gedaan aan de bebouwingskarakteristiek.
In de omgeving is sprake van een weide, grootschalig en open landschap met langs de linten enige laan- en erfbeplanting. De achterzijden van de bedrijfspercelen liggen open in het agrarisch landschap. Het huidige bedrijfsperceel sluit goed aan op deze karakteristiek. Gelet hierop is het voorstelbaar het bedrijf open in het landschap te plaatsen en niet nadrukkelijk in te passen in beplanting. Daarnaast is het van belang dat er tussen de linten ruimte blijft behouden en deze niet aan elkaar groeien. Met de uitbreiding van het bedrijf is hier geen sprake van. Er blijft ruimte tussen het lint van de Gedeputeerde laanweg ten noorden van het plangebied en het lint van de Cornelis Kuinweg.
Conclusie
Uit het voorgaande blijkt dat er binnen het plangebied geen specifieke kernkwaliteiten aanwezig zijn. De ontwikkeling is perceelsgebonden en doet geen afbreuk aan de kenmerken en structuren van de omgeving.
Dit hoofdstuk beschrijft vanuit het rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid de uitgangspunten die een directe doorwerking hebben voor het plangebied en de daarin voorgestelde ontwikkeling.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI.
Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren
Opgaven
Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven:
Uitvoering
De NOVI gaat vergezeld van een uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. IN de Uitvoeringsagenda zijn onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen te vinden. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd.
De ontwikkeling in het projectgebied raakt, gezien de relatief zeer kleine omvang, geen opgaven die zijn opgenomen in de NOVI.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijk beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen draagt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.
Conclusie
De beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied raken geen van bovenstaande Rijksbelangen. Het Rijksbeleid geeft hierdoor geen uitgangspunten voor dit bestemmingsplan.
Voor het provinciaal beleid zijn twee beleidsdocumenten van belang, de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 en de Omgevingsverordening NH2020.
Omgevingsvisie Noord-Holland 2050
Het ruimtelijk beleid van de provincie Noord-Holland is vastgelegd in de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050. In de visie geeft de provincie een toekomstbeeld, waaruit het provinciaal belang volgt. De provincie wil balans tussen economische groei en leefbaarheid. Er zijn randvoorwaarden geformuleerd hoe om te gaan met klimaatverandering.
In de visie zijn 5 bewegingen met ontwikkelprincipes beschreven voor de ontwikkeling van de leefomgeving.
Het perceel valt in gebied vijf 'Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving'. In Noord-Holland is er voor een natuurlijke en vitaal landelijke omgeving een goede balans nodig tussen de agrifoodsector en de natuur- en watersystemen. De landelijke omgeving in Noord-Holland is van oudsher bepaald door het watersysteem, het landbouwkundig gebruik en de natuurgebieden. De provincie zoekt continu naar de juiste balans tussen een gezonde leefomgeving, een sterke economische ontwikkeling en robuuste natuurlijke systemen. De agrifoodsector geeft steeds vaker invulling aan de gewenste balans. Dit gebeurt door het vergroten en benutten van biodiversiteit (onder andere in de bodem), technologische ontwikkelingen, door natuur onderdeel te laten zijn van de bedrijfsvoering, efficiëntieverbetering en verbetering en vernieuwing van gewassen. Uit oogpunt van het bieden van voedselzekerheid en voedselveiligheid is een verantwoorde voedselproductie een gezamenlijke ambitie van de provincie en de sector. Verantwoord wil zeggen: onder gezonde en gecontroleerde omstandigheden. De regels voor dit gebied zijn uitgewerkt in de provinciale ruimtelijke verordening.
Conclusie
Het voorliggende plan past binnen de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050.
Omgevingsverordening NH2020
In de Omgevingsverordening NH2020 staan de regels waaraan ruimtelijke plannen in Noord-Holland moeten voldoen. De omgevingsverordening geeft op grond van artikel 6.33, eerste lid, sub c mogelijkheden voor de uitbreiding van het bouwvlak van het bedrijf. Lid c geeft aan dat een van bouwperceel van meer dan 2 hectare is toegestaan, indien de uitbreiding noodzakelijk is voor het agrarisch productieproces en het geen glastuinbouwbedrijf betreft. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Met dit bestemmingsplan wordt een grondgebonden bedrijf met teelondersteunend glas van 3,36 hectare mogelijk gemaakt. Het bedrijf heeft aangetoond dat de uitbreiding noodzakelijk is voor het agrarisch productieproces.
Een toetsing aan de ruimtelijke kwaliteitseis (artikel 6.59 PRV) is nodig, wanneer meegewerkt wordt aan deze nieuwe ontwikkeling in het landelijk gebied. De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (Leidraad) een van de provinciale instrumenten om te kunnen sturen op Ruimtelijke kwaliteit. Deze werkt door in de juridische regeling van de omgevingsverordening.
Het plangebied ligt volgens de leidraad in Polder het Grootslag. Hier is het oorspronkelijke karakter van het gebied door de ruilverkaveling verloren gegaan. De vaarverkaveling is verdwenen en het gebied is nu relatief grootschalig van opzet. Veel sloten zijn gedempt en wegen zijn aangelegd om het gebied te ontsluiten. Samen met de nieuwe agrarische bebouwing die in omvang toeneemt, ontstaat een nieuw landschap. Dit oostelijke deel is het minst open ensemble van West-Friesland. Het verloor de grootschalige openheid door de aanleg van woongebieden, bedrijventerreinen en agrarische bebouwing en is nu matig open tot gesloten.
De toetsing aan de ruimtelijke kwaliteitseis staat in paragraaf 2.1.2.3. Daarnaast geldt dat nieuwe ontwikkelingen zoveel mogelijk rekening dienen te houden met de oorspronkelijke verkavelingsstructuren. De beoogde uitbreiding past binnen de oorspronkelijke verkavelingsstructuur.
Voor dit plan is vooral de mate van openheid en de ligging aan een historische structuurlijn van belang. Het ligt niet in een aardkundig waardevol gebied of monument. Ook zijn er geen cultuurhistorisch waardevolle objecten in het geding. Zoals beschreven in paragraaf 2.1.2.3 wordt geen afbreuk gedaan aan de kernkwaliteiten van Polder Het Grootslag.
De zeven West-Friese gemeenten, waaronder de gemeente Medemblik, werken nauw samen in de regio West-Friesland. Op verschillende aspecten, waaronder ruimtelijke ordening, worden binnen de regio beleidsafspraken gemaakt. In dat kader is de Structuurschets "West-Friesland, een dijk van een regio" (vastgesteld in 2017) opgesteld. De gemeenten willen ruimte bieden aan initiatieven die de regio versterken. Hiervoor zijn vijf arrangementen geschetst: ze bevatten een samenhangende serie kansen en potenties. Het uitgangspunt is ‘ja, mits...’: de gemeenten bieden ruimte aan goede initiatieven en gaan zich inzetten om deze initiatieven realiteit te laten worden.
Voor het plangebied en de daarin voorgestelde ontwikkeling is arrangement (3) 'Agribusiness- landschap' van toepassing. West-Friesland is onderdeel van de Greenport Noord-Holland Noord en wil daarom ruimte bieden aan de agrarische sector. Schaalvergroting, verbreding en innovatie worden daarom geaccommodeerd. Belangrijk daarbij is echter wel de balans met de leefbaarheid, de landschappelijke kwaliteit en het watersysteem.
Conclusie
De verdere schaalvergroting en verbreding van het bedrijf past dan ook binnen de beleidsuitgangspunten van de regionale structuurschets.
In de op 28 februari 2013 vastgestelde Structuurvisie 2012-2022 van de gemeente Medemblik 'Sterke kust en sterk achterland' is het ruimtelijk beleid van de gemeente Medemblik vastgelegd. Medemblik wil de komende jaren het vestigen bedrijven in de gemeente zo aantrekkelijk mogelijk maken. Met de structuurvisie haakt de gemeente aan op de bij 3.3.1 beschreven regionale structuurschets.
Specifiek voor de agribusiness is een speerpunt de schaalvergroting en verbreding van de agrarische sector. Schaalvergroting is in het gebied ten oosten van de Markerwaardweg goed denkbaar, gelet op de bestaande ruimtelijke en functionele structuur. Dit gebied is in de visie dan ook aangewezen als agrarisch gebied met kassen. Het bedrijf ligt binnen het gebied waar schaalvergroting goed denkbaar is, de beoogde bedrijfsontwikkeling sluit hierbij aan.
Daarnaast wordt bij de bestaande agrarische productiesector in Het Grootslag ingezet op versterking van de aansluiting op en samenwerking met Seedvalley en Agriport. Het plangebied ligt in Het Grootslag, waarin de gemeente ruimte biedt voor productontwikkeling en nieuwe exportmarkten. De uitbreiding van het bedrijf draagt hier in positieve zin aan bij.
De gemeente heeft beleid vastgesteld (vaststellingsdatum 31 januari 2019) met de voorwaarden waaronder grootschalige agrarische bedrijfsontwikkeling mogelijk is. Daarbij is een gebied aangewezen waar ruimte aanwezig is voor agrarische grondgebonden bouwvlakken groter dan 2 hectare. De provinciale Handreiking Ruimtelijke inpassing - Bollenbroeierij het Grootslag is als uitgangspunt voor de landschappelijke inpassing genomen. Deze is vervolgens verwerkt in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 van de provincie Noord - Holland. Op basis van dit beleid wordt meegewerkt aan onderhavige ontwikkeling.
Het gemeentelijke beleid voor het toekomstgericht (duurzaam) ontwikkelen van de gemeente Medemblik is vastgelegd in de beleidsnota Duurzaam Medemblik. De brede aanpak van duurzaamheid maakt Medemblik concreet met de thema's: gebiedsontwikkeling, inkopen en aanbesteden, mobiliteit, energieopwekking, energiebesparing en bewustwording. Binnen deze thema's kan de gemeente sturen op duurzaamheid en toekomstbestendigheid.
Medemblik als duurzame gemeente betekent ook dat er ruimte is voor economische groei, dat ontwikkelingen aansluiten op de identiteit van het landschap en dat er ruimte is voor participatie en flexibiliteit in gebruiksmogelijkheden van gebouwen en ruimte. De economische belangen, de sociaal maatschappelijke betekenis en de landschappelijke en natuurlijke basis zijn met elkaar in evenwicht. De bevolking is erg betrokken, er zijn veel vrijwilligers. Bewoners en bedrijven zijn belangrijke partners voor de gemeente om de (duurzame) ambities te verwezenlijken.
Medemblik is (ook) in de toekomst een veilige en leefbare gemeente. Dit impliceert een aantrekkelijke, schone en herkenbare omgeving, waar de inwoners trots op zijn. Leefbaarheid wordt mede bepaald door duurzaamheid. De milieuregelgeving, het milieubeleid (inclusief Europese Richtlijnen) dragen bij aan een gezond en veilig leefklimaat in een aantrekkelijke groene omgeving. Deze leefomgeving (met vitale natuur) wordt behouden. Nieuwe ontwikkelingen vinden plaats zonder de biodiversiteit aan te tasten of natuurlijke hulpbronnen uit te putten. Medemblik heeft niet alleen oog voor de behoeften van nu, maar ook voor de leefbaarheid in de toekomst. Duurzaamheid staat vaak synoniem voor fysieke duurzaamheid: de dorpskernen worden ingericht zodat het energieverbruik vermindert en de CO2-uitstoot wordt beperkt. De structuurvisie biedt voorstellen om de dorpskernen fysiek en sociaal te verduurzamen.
Energieneutraal bouwen wordt de norm voor de nabije toekomst. In de komende jaren gaat Nederland steeds energiezuiniger bouwen. Van een EPC 04 (in 2015) tot energieneutraal in 2020. Dat ligt vast in Europees en Nederlands overheidsbeleid. Zeer energiezuinig en energieneutraal bouwen biedt nu al een marktvoordeel ten opzichte van standaard nieuwbouw.
De gemeente Medemblik streeft naar een energie-efficiënte, duurzame omgeving. De gemeente Medemblik neemt projectontwikkelaars mee in de transitie naar energieneutraal bouwen. Om ontwikkelaars te informeren en te stimuleren zijn diverse opties mogelijk. Op de website van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord staat een aantal links naar websites die de ontwikkelaar of initiatiefnemer helpen bij het maken van hun keuze in duurzaam bouwen.
Het bedrijf heeft verduurzaming hoog in het vaandel staan. De warmte die vrijkomt bij de centrale koelinstallatie wordt hergebruikt om de kas en werkruimten te verwarmen. Dit kun je beschouwen als een warmtepomp. Ook wordt overal LED-verlichting toegepast en wordt de loods voorzien van dikkere isolatie dan standaard. Het bedrijf tracht hiermee bij te dragen aan het toekomstgericht (duurzaam) ontwikkelen van de gemeente Medemblik.
In dit hoofdstuk wordt de gewenste ontwikkeling getoetst aan de omgevingsaspecten.
Om een belangenafweging tussen een goed woon- en leefklimaat in de omgeving en bedrijvigheid te kunnen maken, wordt in het algemeen gebruik gemaakt van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (editie 2009). In deze uitgave is een lijst opgenomen met allerhande activiteiten en bijbehorende richtafstanden en milieunormen die gehanteerd worden voor gevoelige functies.
De VNG-publicatie is bedoeld voor nieuwe situaties en niet voor de toetsing van bestaande situaties. In bestaande situaties kan de VNG-brochure evenwel een indicatie geven van de mate van hinder bij bestaande conflictsituaties. Verder moet ook bij de vaststelling van een bestemmingsplan waarin mogelijk een (deels) feitelijk bestaande situatie wordt bestemd, worden onderzocht of het laten voortbestaan van een dergelijke situatie in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Ook om die reden wordt aansluiting gezocht bij de VNG-publicatie.
De VNG-brochure hanteert twee soorten omgevingstypen. Een rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied, voor beide omgevingstypen gelden andere richtafstanden en/of normen.
De definitie van een rustige woonwijk/rustig buitengebied is:
“Een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.“
De definitie van een gemengd gebied is:
“Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden en hogere milieunormen rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten meestal bepalend.“
De achterliggende geluidnormen die in de VNG-publicatie worden gehanteerd om de richtafstanden te bepalen, zijn weergegeven in onderstaande tabel.
Geluidnormen (richtwaarden) voor een rustige woonwijk/rustige buitengebied en gemengd gebied
| Periode | Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) | Maximale geluidniveaus (LAmax) | ||
| rustige woonwijk/ rustig buitengebied |
gemengd gebied | rustige woonwijk/ rustig buitengebied |
gemengd gebied | |
| dagperiode (07:00 - 19:00 uur) |
45 dB(A) | 50 dB(A) | 65 dB(A) | 70 dB(A) |
| avondperiode (19:00 - 23:00 uur) |
40 dB(A) | 45 dB(A) | 60 dB(A) | 65 dB(A) |
| nachtperiode (23:00 - 07:00 uur) |
35 dB(A) | 40 dB(A) | 55 dB(A) | 60 dB(A) |
Deze richtwaarden hebben geen wettelijke status, maar zijn algemeen aanvaarde waarden. Het is mogelijk om op basis van een bestuurlijke afweging af te wijken van deze richtwaarden. De VNG-brochure biedt hiervoor een stappenplan, opgenomen in bijlage B5.3 van de VNG-publicatie. Het stappenplan omvat de volgende methodiek:
stap 1: indien de richtafstand voor het aspect geluid niet wordt overschreden, kan verdere toetsing
voor het aspect geluid in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk;
stap 2: indien stap 1 niet toereikend is, dan is inpassing mogelijk bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen van maximaal 45 dB(A) in een rustige woonwijk/rustig buitengebied en 50 dB(A) in gemengd gebied voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (etmaalwaarde), 65/60/65 dB(A) voor maximale geluidniveaus en 50 dB(A) etmaalwaarde t.g.v. de verkeersaantrekkende werking (indirecte hinder);
stap 3: indien stap 2 niet toereikend is, dan is inpassing mogelijk bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen van maximaal 50 dB(A) in een rustige woonwijk/rustig buitengebied en 55 dB(A) in gemengd gebied voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, 70/65/60 dB(A) voor maximale geluidniveaus en 65 dB(A) etmaalwaarde t.g.v. de verkeersaantrekkende werking (indirecte hinder). Met betrekking tot de maximale geluidsniveaus geldt dat de beoordeling plaatsvindt exclusief de maximale geluidniveaus vanwege aan- en afrijdend verkeer.
Een akker- of tuinbouwbedrijf valt onder milieucategorie 2, waarbij een richtafstand van 30 meter geldt in een "rustige woonomgeving/rustig buitengebied". Gezien de definities kan de omgeving van het bedrijf worden gezien als "Gemengd gebied", zodat de richtafstand met één stap kan worden verlaagd naar 10 meter.
De uitbreiding van het bouwvlak, met de daarbij behorende bebouwingsmogelijkheden ten behoeve van het agrarisch grondgebonden bedrijf, vindt plaats op meer dan 10 meter vanaf de bestemmingsgrens tot de meest dichtbij gelegen woonbestemming aan de Cornelis Kuinweg 17. De uitbreiding van het bouwvlak vindt plaats achter het reeds bestaande bouwvlak, waarmee de bestaande afstand én planologische situatie gehandhaafd blijft. Deze bestaande afstand tussen de woning Cornelis Kuinweg 17 en het reeds bestaande bouwvlak (deel uitmakend van het plangebied van voorliggend bestemmingsplan) is minder dan 10 meter (de percelen grenzen aan elkaar). Tussen de woning aan de Cornelis Kuinweg 17 en het agrarische bedrijf bevindt zich echter de bedrijfswoning behorend bij het agrarisch bedrijf aan de Cornelis Kuinweg 15. De daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten aan de Cornelis Kuinweg 15 vinden plaats op een afstand van meer dan 10 meter vanaf de woonbestemming aan de Cornelis Kuinweg 17.
De afstand tussen bedrijf en woning wijzigt niet door de uitbreiding. Deze bedraagt in zowel de huidige als nieuwe situatie 10 m. Deze geeft daarmee geen aanleiding tot een negatieve beoordeling. Door de uitbreiding neemt wel het (bebouwde) oppervlak van het bedrijf toe en in potentie ook de mogelijke bedrijvigheid en daarmee de mogelijke geluidemissie. Echter, de grootte van een agrarisch bedrijf is geen criterium voor de aan te houden afstand conform de richtlijn van het VNG. Hiermee concluderen we dat de nieuwe situatie gelijk is aan de bestaande situatie.
Vanuit de milieuzonering bestaan er dan ook geen belemmeringen voor de ontwikkeling.
Andere woningen van derden in de directe omgeving (met bijbehorende bestemmingen) bevinden zich op een afstand van meer dan 10 meter van het bouwvlak van het agrarisch bedrijf aan de Cornelis Kuinweg 15.
Aanvullend geldt dat Bot Flowerbulbs BV voor wat betreft geluid (maatgevend aspect bij de milieuzonering) valt onder de werking van het Activiteitenbesluit (agrarisch). De milieuregels uit het Activiteitenbesluit zijn rechtstreeks werkend en gelden zowel voor de bestaande situatie als de nieuwe situatie. De grenswaarde voor agrarische inrichtingen bedraagt 45 dB(A) als etmaalwaarde. Dit is 5 dB lager dan de VNG-richtwaarde voor "Gemengd gebied", zodat er sprake zal zijn van een blijvend goed woon- en leefklimaat, passend bij het gebiedstype. Tot slot geldt nog dat de meest nabijgelegen woning aan de Cornelis Kuinweg 17 is aangeduid als zogenaamde plattelandswoning.
In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg in principe een zone heeft waar aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. Daarbij onderscheidt de Wgh geluidsgevoelige gebouwen enerzijds en niet-geluidsgevoelige functies anderzijds. Het uitgangspunt is dat op de gevels van geluidsgevoelige functies voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Indien hier niet aan wordt voldaan, kan een hogere grenswaarde worden vastgesteld. Deze hogere waarde is te verlenen tot 53 dB in het buitengebied.
Binnen het plangebied worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies voorgesteld. Het is daarom niet noodzakelijk om het plan te toetsen aan geluidszones rondom wegen.
Deze 'waterparagraaf' gaat in op de watertoets. Hierin wordt beoordeeld wat de effecten van het bestemmingsplan op de waterhuishouding zijn en of er waterschapsbelangen spelen. De belangrijkste thema's zijn waterveiligheid, de afvoer van schoon hemelwater en afvalwater en de waterkwaliteit.
Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het hoogheemraadschap (dossiercode:20201214-12-25047). Op het plan is de normale watertoetsprocedure van toepassing. Reden hiervoor is de ligging van het plangebied grenzend aan een primaire watergang. Het betreft de watergang langs de westzijde van het plangebied. Daarnaast raakt het plangebied de kadastrale eigendommen van het HHNK. Het watertoetsresultaat is opgenomen in bijlage 4, dit bevat een automatisch gegenereerd concept-advies.
Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier
Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen.
Waterkwantiteit
De initiatiefnemer van het ruimtelijk plan is verantwoordelijk voor de regeling, de financiering en de realisatie van compenserende maatregelen. Bij een verhardingstoename van meer dan 2000 m2 geldt het volgende: Om de effecten van de verhardingstoename te compenseren dient het wateroppervlak in het peilgebied 6700-15 uitgebreid te worden met 14% van de verhardingstoename. Hierbij is uitgegaan van een peilstijging van 0,31 meter die statistisch eens in de 25 jaar kan voorkomen, een bemalingscapaciteit van 14,4 mm/dag, een drooglegging van 1,50 meter en grondsoort klei. Bij een verhardingstoename van minder dan 2000 m2 dient het wateroppervlak in het peilgebied 6700-15 uitgebreid te worden met 10% van de verhardingstoename.
Uit de ingediende gegevens blijkt dat de realisatie van het plan een substantiële toename van verharding en bebouwing tot gevolg heeft. Uitgaande van de aangeleverde gegevens vindt binnen het plangebied een verhardingstoename plaats van circa 9.000 m2. Door deze toename aan verharding zal de neerslag versneld worden afgevoerd van het terrein. Zonder compenserende maatregelen kan dit leiden tot ongewenste peilstijgingen en zal de waterhuishoudkundige situatie hierdoor verslechteren.
Voor de exacte uitvoering ten behoeve van de benodigde watercompensatie gaat de ontwikkelaar nog in overleg met het waterschap. Uitgangspunt is dat er op een juiste wijze wordt gecompenseerd om de versnelde afstroming als gevolg van het toegenomen verhard oppervlak op te kunnen vangen. Het voorstel is om te gaan compenseren door middel van een het verbreden van de sloot aan de noordkant van het plangebied.
Waterkwaliteit
Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Uitgangspunt is dat huishoudelijk afvalwater en hemelwater van schone oppervlakken gescheiden worden. Op het erf worden drie logiesverblijven achter op het erf gebouwd. Deze dienen aangesloten te worden op een doelmatige IBA voorziening. Hierbij dient gehouden te worden aan de algemene voorwaarden van het Activiteitenbesluit.
Het uitbreiden van bedrijfsbebouwing duidt er op dat de agrarische bedrijfsactiviteiten op deze locatie worden geïntensiveerd. Het waterschap wijst erop dat deze bedrijfsactiviteiten gebonden zijn aan de bepalingen van het Activiteitenbesluit. Ervaring van het waterschap is dat door een goede inrichting van het erf veel waterkwaliteitsproblemen kunnen worden voorkomen.
Het hoogheemraadschap heeft als bevoegd gezag ook een toezicht en handhavende taak voor agrarische activiteiten op het erf. Om het belang van een schoon erf te onderstrepen treedt het HHNK met de initiatiefnemer in overleg over de inrichting van het erf. Een toetsing van de inrichting kan desinvesteringen, problemen met de waterkwaliteit en daaruit volgende boetes voor de toekomst wellicht voorkomen.
Het hemelwater kan direct afgekoppeld worden naar de watergangen in de directe omgeving van het plangebied. Nieuwe watergangen of verbreden van watergangen zijn omgevingsvergunningsplichtig en mogen geen schade toebrengen aan het cultuurhistorische verkavelingspatroon. Bij de verdere uitwerking van de plannen wordt hier rekening meegehouden en tevens wordt de benodigde vergunningen hiervoor aangevraagd, waarbij rekening wordt gehouden met de voorwaarden die hiervoor gelden.
Voor een lozing op het oppervlaktewater moet op grond van de Waterwet een vergunning worden aangevraagd of moet een melding worden gedaan. Met betrekking tot het afstromend hemelwater raadt HHNK aan om terughoudend om te gaan met uitlogende materialen zoals koper, lood en zink. Indien uit architectonische overwegingen gekozen wordt voor toepassing van dergelijke materialen kan een zuiverende voorziening noodzakelijk zijn. Van het gebruik van deze materialen is geen sprake.
Vergunningen en ontheffingen
Voor werkzaamheden in, onder, langs, op, bij of aan oppervlaktewater, waterkeringen en wegen in het beheer van het hoogheemraadschap en het aanleggen van meer dan 800 m² verharding is een watervergunning of ontheffing van het hoogheemraadschap nodig. Afhankelijk van de complexiteit van de aanvraag en/of werken is het belangrijk om hierover in een vroeg stadium overleg te starten, zodat onderzoeken tijdig kunnen worden gestart en wordt voorkomen dat onnodige onderzoeken worden gedaan.
Bij het aspect 'bodem' staat de vraag centraal of de bodemkwaliteit toereikend is voor het nieuwe gebruik. De bodem kan door eerdere (bedrijfs)activiteiten verontreinigd zijn. Voor de ruimtelijke procedure is het van het belang dat verdachte locaties worden gesignaleerd.
Het perceel voor de uitbreiding betreft gronden die in de huidige situatie agrarisch in gebruik zijn. Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning is een bodemonderzoek nodig. Vanwege het agrarische grondgebruik is de verwachting dat de bodem geschikt is voor de toekomstige functie.
Over het algemeen is de grond in het plangebied altijd toepasbaar voor hergebruik. In een geval wordt specifiek hergebruik voor de klasse industrie aangegeven en in een geval voor de klasse wonen. De Omgevingsdienst Noord-Holland Noord heeft de toetsende en handhavende taak als het gaat om het (her)gebruik van de bodem. Zij zijn hiervoor het bevoegd gezag. De omgevingsdienst heeft hiervoor een advies gegeven.
Van de te beoordelen locatie is geen bodemonderzoek beschikbaar. In dit stadium is derhalve alleen globaal iets aan te geven over de geschiktheid van de bodem voor het voorgenomen gebruik, op basis van de bodemkwaliteitskaart, in de omgeving uitgevoerde bodemonderzoeken en eventuele historisch verdachte activiteiten op of in de omgeving van de locatie.
Op basis van de Bodemkwaliteitskaart van de Regio West Friesland (2016) is de locatie ingedeeld in deelgebied B5/O5, "Buitengebied". De kwaliteit van de boven- en ondergrond op onverdachte locaties is hier gemiddeld gelijk aan klasse Landbouw en Natuur.
Aangrenzend aan de te beoordelen locatie is in 1996 een bodemonderzoek uitgevoerd door de firma Landview. Uit de analyseresultaten van dit onderzoek blijkt dat de bovengrond en ondergrond licht verontreinigd zijn met zink en EOX. In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Met betrekking tot dit onderzoek dient de parameter EOX te worden gezien als trigger functie voor verontreinigingen met bestrijdingsmiddelen.
In het historisch bodembestand zijn op en in de directe omgeving van de locatie geen meldingen opgenomen. Uit bestudering van (historisch) kaartmateriaal op topotijdreis blijkt dat er mogelijk in de jaren 70 nabij het perceel fruitteelt heeft plaatsgevonden. Hierdoor kan het perceel verontreinigd zijn met bestrijdingsmiddelen. Uit de beoordeling blijkt dat er op basis van de beschikbare informatie geen betrouwbare uitspraak gedaan kan worden of de bodem geschikt is voor het beoogd gebruik. De bodem kan namelijk mogelijk verontreinigd zijn met bestrijdingsmiddelen.
Aangezien er geen betrouwbare uitspraak gedaan kan worden omtrent de bodemkwaliteit is geadviseerd een bodemonderzoek conform de NEN 5740 te laten uitvoeren. Dit onderzoek is inmiddels uitgevoerd en als bijlage 5 toegevoegd. In de bovengrond zijn in 3 mengmonsters (MM1, MM2 en MM3) een licht verhoogd gehalte aan lood, Hexachloorbenzeen en/of DDD (som) aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan de geanalyseerde parameters aangetoond. In het grondwater is molybdeen licht verhoogd aangetoond. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek is geen aanvullend of nader onderzoek noodzakelijk. Met dit onderzoek zijn milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen aangetroffen voor de voorgenomen nieuwbouw.
Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De Monumentenwet 1988 en de in 2007 ingevoerde Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) zijn hierin opgenomen. De Wamz legde de verantwoordelijkheid voor het archeologisch erfgoed bij de gemeenten. Dit verplichtte de gemeenten de archeologische onderbouwing in hun bestemmingsplannen goed te regelen.
De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet wanneer die van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2023. Het betreft dan:
Archeologie West-Friesland heeft voor de gemeente Medemblik een beleidskaart archeologie opgesteld. Op de beleidskaart archeologie zijn de meest recente gegevens verwerkt. De beleidskaart archeologie van de gemeente Medemblik is op 28 februari 2019 vastgesteld.
De beleidskaart archeologie geeft een vlakdekkend inzicht in de aanwezige en te verwachten archeologische waarden en legt de basis voor een nog op te stellen paraplubestemmingsplan dat een herziening doorvoert van de planologisch-juridische regelingen voor de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie", die opgenomen zijn in de huidige bestemmingsplannen.
Ten behoeve de uitbreiding van de bedrijfsruimte op het perceel is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 6).
Uit het booronderzoek blijkt dat de bovengrond binnen het plangebied tot een diepte van minimaal 65 cm-mv is vergraven. Hierbij is ook de top van de onderliggende kwelderafzettingen/kwelderwal vergraven. In het oosten van het gebied bestaat de ondergrond uit matig fijn tot fijn zand: afzettingen van de kwelderwal. In de overige boringen bestaat de ondergrond uit zandige lichtgrijze klei van de kwelderafzettingen die naar beneden toe overgaan in licht blauwgrijze slappe klei (wadafzettingen). In de boringen zijn geen archeologische resten aangetroffen. Doordat de top van de kwelderafzettingen niet meer intact is, zullen van eventueel aanwezige archeologische resten alleen de diepere grondsporen aanwezig zijn.
Geadviseerd wordt om verder geen archeologisch onderzoek uit te voeren. De ingrepen voor de funderingen bedragen 40 cm-mv en zijn beperkt tot de al verstoorde bovengrond. Voor de laadkuil (ten behoeve van de vrachtwagens) wordt tot onder de verstoorde bovengrond gegraven. De oppervlakte van deze diepere ontgraving is beperkt. De top van de kwelderafzettingen is al is verstoord bij de ruilverkaveling Grootslag in de jaren '70. Daarom is ook de ontgraving voor de laadkuil vrijgegeven.
Het archeologisch onderzoek is beoordeeld door de adviseur van het bevoegd gezag (bijlage 7). Hierin wordt geconcludeerd dat het advies tot vrijgave op basis van het verkennend booronderzoek niet wordt overgenomen. Om de eventueel aanwezige archeologische waarden te beschermen wordt geadviseerd de dubbelbestemming Waarde-Archeologie te handhaven. De vrijstellingsgrens die is aangegeven op de beleidskaart archeologie (= 1.000 m2), zal bij bodemingrepen worden getoetst.
Vanuit het gemeentelijk beleid wordt geadviseerd om archeologie-vriendelijk te bouwen, dat wil zeggen de bodem niet onevenredig te verstoren. De bouw van een schuurkas zal in de regel de aanwezige of te verwachten archeologische waarden niet onevenredig schaden. Een palenplan en informatie over de wijze van bouwrijp maken dienen te worden aangeleverd. Op basis hiervan kan de archeologie-vriendelijkheid worden bepaald. In het geval van een niet archeologie-vriendelijk bouwplan, zal nader archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn om tot een waardestelling te komen.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen worden beschreven op welke manier rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden in het plangebied. Binnen het plangebied is geen sprake van specifieke cultuurhistorische waarden. Wel kunnen de structuren van het landschap als cultuurhistorisch waardevol worden aangemerkt. Daar de verkavelingsstructuur ongewijzigd blijven, worden geen cultuurhistorische waarden aangetast.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. De Wet natuurbescherming (Wnb) regelt zowel de bescherming van natuurgebieden als de bescherming van soorten en hun verblijfsplaatsen. De provinciale verordening wijst beschermde gebieden aan die van belang zijn voor het Natuur Netwerk Nederland (NNN)) en Weidevogelleefgebieden.
Het plangebied ligt niet in een beschermd natuurgebied. Natura 2000-gebieden liggen op grote afstand. Het dichtstbijzijnde gebied, het IJsselmeer, ligt op ongeveer 2,5 kilometer. Op ruim 1.200 meter ten zuiden van het plangebied ligt wel een gebied dat deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland.
Het plangebied ligt op meer dan 2,5 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, het IJsselmeer. Gezien de grote afstand en de uit te voeren werkzaamheden worden geen negatieve gevolgen verwacht van de plannen. Deze conclusie is eveneens van toepassing op de NNN-gebieden en weidevogel(leef)gebieden. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden. Het gebied is ook niet begrensd als een bijzonder te beschermen weidevogelleefgebied of belangrijk weidevogelgebied. Ook ligt het plangebied niet binnen het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL).
Met betrekking tot de uitvoering van het ruimtelijk plan is het van belang om na te gaan of stikstofdepositie een knelpunt kan vormen voor het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura-2000 gebied. Om te kunnen bepalen of stikstofdepositie een knelpunt vormt zijn met AERIUS Calculator berekeningen gemaakt van de stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkelingen. Deze berekening zijn als bijlage 1 en 2 toegevoegd. Een motivering van de uitgangspunten zijn opgenomen in bijlage 3 van de toelichting
Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie op de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden niet boven de 0,00 mol N/ha/jaar uit komt. Hiermee is aangetoond dat het project, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied niet kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
Voor de gewenste ontwikkelingen moeten meerdere werkzaamheden worden uitgevoerd die mogelijk een effect hebben op beschermde soorten. Het is daarbij eerst van belang om te achterhalen of er sprake is van beschermde soorten in het plangebied. Dit is in ook een verkennend onderzoek onderzocht.
Voor de ontwikkeling is een ecologisch onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde soorten uitgevoerd. Deze is als bijlage 3 toegevoegd. Hieruit is geconcludeerd dat de bestaande kas en schuurkas en directe omgeving ongeschikt is voor beschermde planten of diersoorten. Alleen is er een kans in de achterliggende weid dat er gebroed gaat worden. De kans is het grootst tussen maart en juli. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een check uitgevoerd te worden naar eventuele broedgevallen. Behoudens bovenstaande, is uit ecologisch oogpunt is er geen bezwaar om de beoogde werkzaamheden uit te voeren.
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen.
In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart van de provincie Noord-Holland geraadpleegd. Uit deze kaart blijkt dat het plangebied zich niet binnen het invloedgebied van risicovolle inrichtingen of vervoersroutes van gevaarlijke stoffen bevindt. Er worden ook geen risicovolle activiteiten of kwetsbare objecten voorgesteld.
Wel bevindt het plangebiedzicht binnen het plaatsgebonden risicocontour van een windturbine. Het betreft de windturbine met molennummer 61 aan de Gedeputeerde Laanweg 34 te Andijk. Het plaatsgebonden risicocontour voor kwetsbare objecten reikt tot 142 meter. Voor beperkte kwetsbare objecten geldt een plaatsgebonden risicocontour van 29 meter.
Aangezien het plangebied op circa 80 meter afstand ligt en het een beperkt kwetsbaar object betreft, levert dit geen verdere belemmeringen op.
In dit kader heeft de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord ook een advies gegeven. Dit advies is als bijlage 8 opgenomen. Het advies richt zich op de bestrijdbaarheid door hulpdiensten van brand, ongeval, ramp en crisis en de zelfredzaamheid van burgers. Het plangebied is niet gelegen in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, hogedruk aardgastransportleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen. De gevaren met invloed op het plan zijn de verschillende varianten brand en ongeval, waarmee de hulpdiensten bekend zijn. De basiszorg is daar in voldoende mate op voorbereid. Verder wordt geadviseerd om de ‘Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid VRNHN
2021’ voor de inrichting van het plangebied te gaan toepassen. En eveneens de brandweer te betrekken bij de verder uitwerking. Met dit advies wordt bij de verdere uitwerking rekening meegehouden.
Vanuit de externe veiligheid bestaan geen belemmeringen voor het plan.
In de Wet milieubeheer zijn normen voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze normen zijn bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, tegen te gaan. Als maatgevend voor de luchtkwaliteit worden de gehalten fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) gehanteerd.
Regeling Niet in betekenende mate
Het plangebied ligt in een landelijke omgeving waar sprake is van een goede luchtkwaliteit. Op grond van de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate (Nibm)” vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten als deze niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Een plan dat slechts in zeer beperkte mate bijdraagt aan luchtverontreiniging is op grond van het besluit 'niet in betekenende mate' (NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Een plan komt hiervoor in aanmerking als het voor minder dan 3% van de grenswaarden voor NO2 en PM10 bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Alleen bij een toename van enkele honderden verkeersbewegingen per dag wordt hier niet aan voldaan. De uitbreiding zal een beperkte stijging van het aantal verkeersbewegingen met zich meebrengen. Als gevolg hiervan is geen sprake van verslechtering van de luchtkwaliteit. Het plan wordt op dit punt uitvoerbaar geacht. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.
Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.
In het plangebied en in de directe nabijheid van het plangebied liggen geen hogedruk aardgasleidingen, rioolowatertransportleidingen, drinkwatertransportleidingen, of hoogspanningsleidingtracé. Planologische relevante kabels en leidingen vormen daarom geen belemmering voor de vaststelling van dit plan.
Duurzaamheid van een gebied of in relatie tot een ruimtelijke ontwikkeling kan tot uitdrukking komen in de thema’s: kwaliteit van de leefomgeving, water, energie, mobiliteit, natuur/ecologie en milieu. Onder milieu kan onder meer het volgende worden verstaan: gezondheid, externe veiligheid, materiaalkeuze en hergebruik van materialen, duurzaam slopen, geluid, lucht en beheer/onderhoud van een gebied of gebouw. Er bestaat geen wettelijke verplichting om het thema duurzaamheid in bestemmingsplannen vast te leggen. Wel vormt het een belangrijk onderwerp in het sociaal-maatschappelijke debat en daarmee een belangrijk aandachtspunt in het overheidsbeleid. Gemeenten streven in dat kader naar een duurzame (gebouwde) omgeving. Realisatie van nieuwbouw, zo ook voorliggend planvoornemen, biedt kansen voor duurzaamheid.
Het bedrijf heeft verduurzaming hoog in het vaandel staan. De warmte die vrijkomt bij de centrale koelinstallatie wordt hergebruikt om de kas en werkruimten te verwarmen. Dit kun je beschouwen als een warmtepomp. Ook wordt overal LED-verlichting toegepast en wordt de loods voorzien van dikkere isolatie dan standaard. Het bedrijf tracht hiermee bij te dragen aan het toekomstgericht (duurzaam) ontwikkelen van de gemeente Medemblik.
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het voldoet aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
In deze paragraaf wordt een toelichting gegeven op de bestemmingen die in het plangebied voorkomen. De uitgangspunten voor deze bestemmingen zijn beschreven in de voorgaande hoofdstukken.
De bestaande bestemming 'Agrarisch' blijft ook in dit bestemmingsplan van toepassing in het plangebied. Het bouwvlak en de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel agrarisch grondgebonden bedrijf' wordt daaraan toegevoegd tot de gewenste 3,36 hectare aansluitend op het bestaande bouwvlak met dezelfde aanduiding. Op deze wijze kan de gewenste bedrijfsuitbreiding plaatsvinden.
Voor de regels bij deze bestemming is aangesloten bij het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Medemblik. De regels van het plan Buitengebied en daarop volgende wijzigingen zijn als basis overgenomen en waar nodig aangepast op de specifieke ontwikkeling.
Voor werken en werkzaamheden groter dan 500 m2 is een nader onderzoek nodig. Hiervoor is in dit bestemmingsplan de bestemming Waarde - Archeologie 3' opgenomen. De bestemmingsregels van dezelfde bestemming uit het bestemmingsplan Buitengebied zijn hiervoor overgenomen. De oppervlakte voor de onderzoeksgrens daarbij is dat sprake moet zijn van een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld.
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. In dat verband wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
De maatschappelijke uitvoerbaarheid van een plan kan worden aangetoond door het doorlopen van de bestemmingsplanprocedure. In dat kader doorloopt dit bestemmingsplan de hierna beschreven stappen.
Op basis van de Inspraakverordening wordt geen inspraak doorlopen. Wel is het concept bestemmingsplan overlegd met de betrokken overlegpartners (provincie, HHNK, etc). Hierop heeft de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord een advies afgegeven. Het advies is als bijlage 8 opgenomen. Paragraaf 4.8 gaat hier nader op in.
Het bestemmingsplan doorloopt verder de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen bestemmingsplanprocedure. Het ontwerpbestemmingsplan heeft daarop gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode was voor een ieder de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen (artikel 3.8 Wro). Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
De gemeenteraad van de gemeente Medemblik heeft vervolgens het bestemmingsplan vastgesteld. Tegen dit besluit is uiteindelijk beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De economische uitvoerbaarheid wordt aangetoond via de financiële haalbaarheid van het plan en de grondexploitatieregeling vanuit de wetgeving. Deze aspecten komen dan ook hierna aan bod.
Dit bestemmingsplan heeft betrekking op een particulier initiatief waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. De uitvoeringskosten worden gedragen door de initiatiefnemer. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Hiervoor wordt dan een overeenkomst over planschade gesloten met de initiatiefnemer.
Hiermee is de economische haalbaarheid voldoende gewaarborgd en uitvoerbaar geacht.
In de Wet ruimtelijke ordening is de grondexploitatieregeling opgenomen. Hierin is het gemeentelijke kostenverhaal opgenomen. De gemeenten kunnen de door hen gemaakte plankosten, bij een bouwplan zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Bij de uitbreiding van het bedrijf gaat het om de uitbreiding van een gebouw met meer dan 1.000 m2, waarmee het een bouwplan is als bedoeld in het Bro.
Bij een bestemmingsplan voor een dergelijk bouwplan stelt de gemeente gelijktijdig met het bestemmingsplan een exploitatieplan vast. Bij dit bestemmingsplan is de vaststelling van een exploitatieplan niet nodig. Het kostenverhaal is op een andere manier verzekerd. Kosten worden verhaald via de leges, de planschade wordt gedekt via een planschadeovereenkomst.