direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Vijfhuizen uitbreiding Hoogspanningsstation
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0394.TAMvyfVijfhHoogsp-C001

Regels

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Hoogspanningsstation Vijfhuizen. Dit plan vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22d) van het omgevingsplan van de gemeente Haarlemmermeer. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening https://www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit plan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22d van het omgevingsplan van de gemeente Haarlemmermeer. In de artikelkop van de in dit plan weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22d' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit plan weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22d' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

1.1 Algemeen

Tenzij anders is bepaald in hoofdstuk 1 van dit plan gelden de begripsbepalingen als bedoeld in artikel 1.1 van hoofdstuk 1 van dit omgevingsplan.

1.2 Aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling op artikel 1.1 van dit plan worden de volgende begripsbepalingen gehanteerd:

Plan

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Vijfhuizen uitbreiding Hoogspanningsstation met identificatienummer NL.IMRO.0394.TAMvyfVijfhHoogsp-B001.

Afspanportaal

Een stalen portaal welke geplaatst wordt tussen de laatste hoogspanningsmast van een lijn en de onderdelen op een station.

Akoestische gebiedseenheid

Een op de verbeelding aangegeven deel van een industrieterrein waarvan de beschikbare geluidruimte is uitgedrukt in een emissie-kental en/of immissievoorwaarde.

Bedrijfsactiviteit

Activiteit van een onderneming die tot doel heeft het vervaardigen, bewerken, installeren, inzamelen en/of verhandelen van goederen, evenals diverse vormen van opslag.

Bergbezinkbassin

Een ten behoeve van de waterhuishouding vuilreducerende voorziening in de riolering met zowel een bergings- als een bezinkfunctie in de vorm van een bak.

Bestaande

ten aanzien van bebouwing:

bebouwing, zoals legaal, met vergunning, aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van dit hoofdstuk, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde en verleende of te verlenen vergunning.

ten aanzien van gebruik:

het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip waarop dit hoofdstuk rechtskracht heeft verkregen.

Bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

Bliksempieken

Stalen masten die voorkomen dat de gevoelige onderdelen op het station geraakt worden door de bliksem.

Bouwlaag

Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.

Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond waarop krachtens het plan zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

Detailhandelsactiviteiten

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

Emissie-kental

Geluidemissie van een kavel of akoestische gebiedseenheid uitgedrukt als bronvermogen per vierkante meter, als Lw per m², uitgedrukt in dB(A) / m²; het emissie-kental kan een etmaalwaarde betreffen zoals bedoeld in de Hmrl.

Geluidsruimte

Een aan een kavel of akoestische gebiedseenheid toegekend emissie-kental en/of immissievoorwaarde.

HmrI 1999

Handleiding meten en rekening Industrielawaai 1999.

Immissievoorwaarde

De geluidsbelasting op een immissiepunt/(zone)toetspunt (geluidszone of ander toetspunt binnen of op de zone) ten gevolge van de geluidsemissie (geluidsbronnen) afkomstig van een akoestische gebiedseenheid. Deze waarde is uitgedrukt in een equivalent geluidsniveau per etmaalperiode.

Kantooractiviteiten

het uitvoeren van administratieve handelingen bij een (dienstverlenend) bedrijf.

Kavel

Een gebied (al dan niet bestaande uit bouwpercelen) dat gelijk is aan of een deel is van een akoestische gebiedseenheid, waarop een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 Wet milieubeheer is of kan worden gevestigd.

Kunstobject

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat strekt tot het tot uitdrukking brengen van een kunstzinnig idee, door het op creatieve wijze vorm geven aan materiaal of materialen, zoals steen, hout, brons, glas e.d.

Normaal onderhoud

Werkzaamheden die regelmatig nodig zijn voor een goed beheer van de gronden.

Nutsvoorzieningen

Voorzieningen ten behoeve van openbaar nut, zoals gas-, water-, elektriciteits- en communicatievoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de inzameling van afval.

Oppervlaktebron

Een geluidbron, bestaande uit deelbronnen die regelmatig zijn verdeeld over een bepaald oppervlak, waarbij een zekere bronhoogte en brondichtheid wordt aangehouden; een oppervlaktebron bepaalt het emissie-kental voor het bepaalde oppervlak.

Omgevingsplan

Omgevingsplan gemeente Haarlemmermeer

Ondergronds bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die onder het straatpeil is gelegen.

Overig bouwwerk

Bouwwerk dat geen gebouw en geen bijbehorend bouwwerk is.

(Zone)toetspunt

Een beoordelingspunt (tevens immissiepunt in de zin van artikel 2.1 van het reken- meetvoorschrift geluidhinder 2012) gelegen op of binnen een geluidszone als bedoeld in artikel 40 van de Wet geluidhinder of een bij besluit vastgestelde maximale of ten hoogste toelaatbare (grens)waarde of hogere toelaatbare geluidsbelasting bij of krachtens de Wet geluidhinder, dan wel een ander punt dat als zodanig in het bestemmingsplan benoemd is.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • a. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in sub d.
  • b. De regels in afdeling 22.2, afdeling 22.3, paragraaf 5.2.2.14 en afdeling 5.2.11 van het omgevingsplan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit plan.
  • c. In afwijking van sub b, gelden subparagraaf 22.2.7.3 en paragraaf 5.2.2.25 van het omgevingsplan onverkort.
  • d. De regels in dit plan zijn van toepassing op de locatie Hoogspanningsstation Vijfhuizen waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0394.TAMvyfVijfhHoogsp-B001.gml.

Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Artikel 3 Paragraaf 4.1.1 Beschermingsgebieden

3.1 Toepassing

Deze paragraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken bij het verrichten van activiteiten in de werkingsgebieden [Overig – Beschermingsgebied geluidzone industrie], [Leiding – Beschermingsgebied hoogspanningsverbinding] en [Overig – Beschermingsgebied milieuzone geluidverdeling].

3.2 Doelen

De regels in deze paragraaf hebben als doel: het beschermen van de werking van specifiek benoemde activiteiten en objecten in de werkingsgebieden [Overig – Beschermingsgebied geluidzone industrie], [Leiding – Beschermingsgebied hoogspanningsverbinding] en [Overig – Beschermingsgebied milieuzone geluidverdeling].

3.3 Beschermingsgebied geluidgezoneerd industrieterrein

Bij het verrichten van activiteiten in het werkingsgebied [Overig - Beschermingsgebied geluidzone industrie] wordt voldaan aan artikel 8 (Afdeling 5.2.1 Thematische activiteiten - Beschermingsgebieden & Paragraaf 5.2.1.1 Beschermingsgebied vanwege geluidzone industrie).

3.4 Beschermingsgebied hoogspanningsverbinding

Bij het verrichten van activiteiten in het werkingsgebied [Leiding - Beschermingsgebied hoogspanningsverbinding] wordt voldaan aan artikel 9 (Paragraaf 5.2.1.2 Beschermingsgebied vanwege hoogspanningsverbinding).

3.5 Beschermingsgebied milieuzone geluidverdeling

Bij het verrichten van activiteiten in het werkingsgebied [Overig - Beschermingsgebied milieuzone geluidverdeling] wordt voldaan aan artikel 10 (Paragraaf 5.2.1.3 Beschermingsgebied vanwege milieuzone geluidverdeling).

Artikel 4 Paragraaf 4.1.2 Bouwen van een bouwwerk

4.1 Toepassing

Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot bouwwerken.

4.2 Doelen

De regels in deze paragraaf hebben als doelen:

  • a. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden;
  • b. het beschermen van het uiterlijk van een bouwwerk; en
  • c. het beschermen van het woon- en leefklimaat.
4.4 Bijbehorend bouwwerk bouwen in de vorm van overkapping

Bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een overkapping wordt voldaan aan:

4.5 Overig bouwwerk bouwen

Bij het bouwen van een overig bouwwerk wordt voldaan aan:

Artikel 5 Paragraaf 4.1.3 Parkeren

5.1 Toepassing

Deze paragraaf gaat over het parkeren van auto's.

5.2 Doelen

De regels in deze paragraaf hebben als doel het realiseren en in stand houden van voldoende parkeergelegenheid voor auto's bij het gebruik van gronden en bouwwerken.

5.3 Benutten

Bij het parkeren van auto's wordt voldaan aan:

Artikel 6 Paragraaf 4.1.4 Openbare ruimte

6.1 Toepassing

Deze paragraaf gaat over het gebruiken van wegen, water, groen, overige gronden, steigers, aanmeervoorzieningen en meerpalen in de openbare ruimte.

6.2 Doelen

De regels in deze paragraaf hebben als doelen:

  • a. het behoeden van de staat en werking van de openbare weg en het openbaar water voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg of dat water;
  • b. het bevorderen van de verkeersveiligheid;
  • c. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte;
  • d. het beperken van hinder;
  • e. het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte;
  • f. het beschermen van het openbaar groen;
  • g. het coördineren van werkzaamheden in of op openbare gronden;
  • h. het waarborgen van het veilig gebruiken van openbare gronden;
  • i. het waarborgen van optimaal gebruik van openbare gronden;
  • j. het waarborgen van de veiligheid op de weg;
  • k. het waarborgen van de bruikbaarheid van de weg;
  • l. het beschermen van het milieu;
  • m. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; en
  • n. het beheer van infrastructuur.
6.3 Benutten van de openbare ruimte

Bij het verrichten van activiteiten in of met betrekking tot de openbare ruimte wordt voldaan aan:

Artikel 7 Paragraaf 4.2.1 Gebiedstype Bedrijventerrein

7.1 Toepassing

Deze paragraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken bij het verrichten van activiteiten met gebruiksruimte in het werkingsgebied [Overig - Gebiedstype bedrijventerrein].

7.2 Doelen

De regels in deze paragraaf hebben als doelen:

  • a. het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat;
  • b. het bieden van voldoende fysieke en milieuruimte voor milieubelastende bedrijven en andere activiteiten, anders dan wonen;
  • c. het kunnen benutten en beheren van de openbare ruimte voor nutsvoorzieningen verkeer, parkeren;
  • d. het waarborgen van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
  • e. het waarborgen van de veiligheid;
  • f. het beschermen van de gezondheid;
  • g. het beschermen van het milieu;
  • h. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
  • i. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen;
  • j. het doelmatig beheren van afvalstoffen;
  • k. het bevorderen van een duurzame ontwikkeling;
  • l. het kunnen overschakelen van fossiele energie naar hernieuwbare energie;
  • m. het kunnen produceren binnen gesloten kringlopen; en
  • n. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress.
7.3 Activiteiten met gebruiksruimte

Bij het verrichten van activiteiten met gebruiksruimte in het werkingsgebied [Overig - Gebiedstype bedrijventerrein] wordt voldaan aan:

Hoofdstuk 3 Hoofdstuk 5 Activiteiten

Artikel 8 Afdeling 5.2.1 Thematische activiteiten - Beschermingsgebieden & Paragraaf 5.2.1.1 Beschermingsgebied vanwege geluidzone industrie

8.1 Toepassing

Deze paragraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken bij het verrichten van activiteiten in het werkingsgebied [Overig - Beschermingsgebied geluidzone industrie].

8.2 Voorrangsregeling

Als de inhoud van een ander onderdeel in dit omgevingsplan dan de beschermingsgebieden zoals aangewezen in Artikel 3 (Paragraaf 4.1.1 Beschermingsgebieden) van dit plan in strijd is met een onderdeel in deze paragraaf, dan gaat het onderdeel in deze paragraaf voor.

8.3 Verboden activiteiten

In afwijking van overige regels in dit omgevingsplan is het in het werkingsgebied [Overig - Beschermingsgebied geluidzone industrie] verboden:

  • a. om een geluidgevoelig gebouw te bouwen; of
  • b. om de gebruiksfunctie van een bestaand bouwwerk te wijzigen van een niet geluidgevoelig gebouw naar een geluidgevoelig gebouw.

Artikel 9 Paragraaf 5.2.1.2 Beschermingsgebied vanwege hoogspanningsverbinding

Subparagraaf 5.2.1.2.1 Algemeen

9.1 Toepassing

Deze paragraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken bij het verrichten van activiteiten aan of bij een hoogspanningsverbinding in het werkingsgebied [Leiding - Beschermingsgebied hoogspanningsverbinding].

9.2 Activiteiten met betrekking tot een hoogspanningsverbinding
  • 1. In het werkingsgebied [Leiding - beschermingsgebied bovengrondse hoogspanningsverbinding 150 kV] kan een bovengrondse hoogspanningsverbinding met een maximale spanning van 150 kV worden gerealiseerd en beheerd met inbegrip van de bij die hoogspanningsverbinding behorende voorzieningen.
  • 2. In het werkingsgebied [Leiding - beschermingsgebied ondergrondse hoogspanningsleiding 150 kV] kan een ondergrondse hoogspanningsleiding met een maximale spanning van 150 kV worden gerealiseerd en beheerd met inbegrip van de bij die hoogspanningsleiding behorende voorzieningen.
  • 3. In het werkingsgebied [Leiding - beschermingsgebied ondergrondse hoogspanningsverbinding 150 kV] kan een ondergrondse hoogspanningsverbinding met een maximale spanning van 150 kV worden gerealiseerd en beheerd met inbegrip van de bij die hoogspanningsverbinding behorende voorzieningen.
  • 4. In het werkingsgebied [Leiding - beschermingsgebied ondergrondse hoogspanningsverbinding 380 kV] kan een ondergrondse hoogspanningsverbinding met een maximale spanning van 380 kV worden gerealiseerd en beheerd met inbegrip van de bij die hoogspanningsverbinding behorende voorzieningen.
9.3 Voorrangsregeling
  • 1. Als de inhoud van een ander onderdeel in dit omgevingsplan dan de beschermingsgebieden zoals aangewezen in Artikel 3 (Paragraaf 4.1.1 Beschermingsgebieden) van dit plan in strijd is met een onderdeel in deze paragraaf, dan gaat het onderdeel in deze paragraaf voor.
  • 2. In aanvulling op het eerste lid, gaan de regels voor het werkingsgebied [Leiding - Beschermingsgebied hoogspanningsverbinding] voor op de regels voor andere beschermingsgebieden zoals aangewezen in Artikel 3 (Paragraaf 4.1.1 Beschermingsgebieden) van dit plan, tenzij in die regels anders is bepaald.
9.4 Verboden activiteiten

In afwijking van de overige regels in dit omgevingsplan is het in het werkingsgebied [Leiding - Beschermingsgebied hoogspanningsverbinding] verboden om de gebruiksfunctie van een bestaand niet kwetsbaar gebouw of beperkt kwetsbaar gebouw te wijzigen naar een gebruiksfunctie als kwetsbaar gebouw of zeer kwetsbaar gebouw.

Subparagraaf 5.2.1.2.2 Vergunningplicht bouwen in 'Leiding - Beschermingsgebied hoogspanningsverbinding'

9.5 Toepassing

Deze subparagraaf gaat over het bouwen van een bouwwerk aan of bij een hoogspanningsverbinding in het werkingsgebied [Leiding - Beschermingsgebied hoogspanningsverbinding].

9.6 Vergunningplicht bouwen in 'Leiding - Beschermingsgebied hoogspanningsverbinding
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het werkingsgebied [Leiding - Beschermingsgebied hoogspanningsverbinding] een bouwwerk te bouwen.
  • 2. Een omgevingsvergunning, als bedoeld in het eerste lid, kan alleen worden verleend als naast de regels in dit artikel, ook is voldaan aan de regels, bedoeld in artikel 13.4 en artikel 14.4.
  • 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet als het om het bouwen van een hoogspanningsverbinding met daarbij behorende voorzieningen gaat. De regels in artikel 13.4 en artikel 14.4 blijven wel onverminderd gelden.
  • 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet als het om het bouwen van een bouwwerk gaat:
    • a. dat een legaal bouwwerk vervangt, vernieuwt of verandert;
    • b. waarbij de bebouwde oppervlakte niet wordt uitgebreid;
    • c. waarbij de hoogte niet wordt vergroot; en
    • d. waarbij de bestaande fundering wordt gebruikt.
9.7 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit
  • 1. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.6 wordt alleen verleend als het om het bouwen van een bouwwerk gaat dat:
    • a. geen zeer kwetsbaar gebouw is of op een zeer kwetsbare locatie ligt; 
    • b. geen kwetsbaar gebouw is of op een kwetsbare locatie ligt; en
    • c. geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de hoogspanningsverbinding en het elektriciteitsnet.

2. In aanvulling op het eerste lid, vraagt het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies bij de beheerder van de hoogspanningsverbinding en betrekt dit advies bij het te nemen besluit.

Subparagraaf 5.2.1.2.3 Vergunningplicht uitvoeren van werkzaamheden of werken, geen bouwwerk zijnde, in 'Leiding - Beschermingsgebied hoogspanningsverbinding'

9.8 Toepassing
  • 1. Deze subparagraaf gaat over het uitvoeren van werkzaamheden of van werken aan of bij een hoogspanningsverbinding in het werkingsgebied [Leiding - Beschermingsgebied hoogspanningsverbinding].
  • 2. Onder werken, bedoeld in het eerste lid, worden geen bouwwerken verstaan.
9.9 Vergunningplicht uitvoeren van werkzaamheden of werken, geen bouwwerk zijnde, in 'Leiding - Beschermingsgebied hoogspanningsverbinding'
  • 1. In afwijking van de overige regels in dit omgevingsplan is het in het werkingsgebied [Leiding - Beschermingsgebied hoogspanningsverbinding], vanwege een bovengrondse hoogspanningsverbinding, verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden en werken, geen bouwwerken zijnde, uit te voeren:
    • a. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
    • b. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van watergangen;
    • c. het aanleggen van wegen en parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen;
    • d. het aanleggen van zonnepanelen, en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
    • e. het opslaan van goederen, (brandbare)stoffen en/of materialen;
    • f. het aanleggen van kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, tenzij het gaat om activiteiten met betrekking tot de hoogspanningsverbinding;
    • g. het aanbrengen en of kappen van hoogopgaande beplantingen; of
    • h. het plaatsen of hebben van voorwerpen of andere objecten niet zijnde een bouwwerk met een hoogte van meer dan 2 meter.
  • 2. In afwijking van overige regels in dit omgevingsplan is het in het werkingsgebied [Leiding - Beschermingsgebied hoogspanningsverbinding] vanwege een ondergrondse hoogspanningsverbinding, verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden en werken, geen bouwwerken zijnde, uit te voeren:
    • a. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
    • b. het indrijven van voorwerpen in de bodem, dieper dan 0,80 meter onder het maaiveld;
    • c. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en aanleggen van drainage, dieper dan 0,80 meter onder maaiveld;
    • d. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van watergangen;
    • e. het aanleggen van wegen en parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen;
    • f. het aanleggen van zonnepanelen, en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
    • g. het opslaan van goederen, (brandbare)stoffen en/of materialen;
    • h. het aanleggen van kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, tenzij het gaat om activiteiten met betrekking tot de hoogspanningsverbinding; of
    • i. het aanbrengen en/of kappen van diepwortelende beplantingen.
  • 3. Het verbod in het eerste lid en het verbod in het tweede lid zijn niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden:
    • a. die het normale onderhoud en beheer ten aanzien van de hoogspanningsverbinding of ten aanzien van andere ter plaatse toegedeelde functies betreffen;
    • b. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
    • c. welke graafwerkzaamheden vormen als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten; of
    • d. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.
9.10 Beoordelingsregels
  • 1. De omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 9.9, wordt alleen verleend als de activiteit geen onevenredig negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de hoogspanningsverbinding.
  • 2. In aanvulling op het eerste lid vraagt het bevoegd gezag vooraf advies aan de beheerder van de hoogspanningsverbinding en betrekt dit advies bij het te nemen besluit.

Artikel 10 Paragraaf 5.2.1.3 Beschermingsgebied vanwege milieuzone geluidverdeling

10.1 Toepassing

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een milieubelastende activiteit in het werkingsgebied [Overig – Beschermingsgebied milieuzone geluidverdeling].

10.2 Voorrangsregeling

Als de inhoud van een ander onderdeel in dit omgevingsplan dan de beschermingsgebieden zoals aangewezen in Artikel 3 (Paragraaf 4.1.1 Beschermingsgebieden) van dit plan in strijd is met een onderdeel in deze paragraaf, dan gaat het onderdeel in deze paragraaf voor.

10.3 Algemene regels
  • 1. De geluidemissie bedraagt niet meer dan ter plaatse van de met de omgevingsnorm  [Geluidemissie dB(A)m2] aangegeven geluidemissie in dB(A)/m2.
  • 2. De geluidimmissie bedraagt niet meer dan:
    • a. de immissievoorwaarde in dB(A)m2, zoals opgenomen ter plaatse van de omgevingsnorm [Geluidimmissie akoestische gebiedseenheid dB(A)m2]; of
    • b. de immissievoorwaarden voor een akoestische gebiedseenheid conform de berekeningsprocedure, bedoeld in artikel 10.4, tweede lid.
  • 3. Het is verboden om in het werkingsgebied [Overig – Beschermingsgebied milieuzone geluidverdeling] gronden te gebruiken voor een milieubelastende activiteit met geluid zonder te beschikken over een akoestische rapportage.
  • 4. Het verbod in het derde lid, is niet van toepassing als het bevoegd gezag het overleggen van een rapport niet noodzakelijk acht, omdat aannemelijk is gemaakt dat voldaan wordt aan de waarden, als bedoeld in het eerste en tweede lid.
  • 5. Een akoestische gebiedseenheid als bedoeld in het tweede lid, kan al dan niet op verzoek door het bevoegd gezag worden opgedeeld in één of meerdere kavels. Het opdelen van een akoestische gebiedseenheid kavels mag er niet toe leiden dat niet aan de immissievoorwaarden wordt voldaan.
10.4 Wijze van meten
  • 1. Voor de toepassing van artikel 10.3, eerste lid komen de emissie-kentallen op het industrieterrein tot stand door voor elke akoestische gebiedseenheid een oppervlaktebron aan te maken in een op HmrI gebaseerd rekenmodel. Deze oppervlaktebron emitteert geluid volgens het standaard spectrum industrielawaai en heeft een hoogte van 5 meter boven het plaatselijk maaiveld en een verdeling van ten minste een deelbron per 5 m2 in de x en y richting.
  • 2. Voor de toepassing van artikel 10.3, tweede lid wordt de immissievoorwaarden voor een akoestische gebiedseenheid bepaald conform een op de meet- en rekenmethode industrielawaai voor complexe situaties (methode II) uit de HmrI 1999 gebaseerd rekenmodel. Om de geluidsbelasting hiervan te berekenen op de relevante (zone)toetspunten dienen de regels van de HmrI 1999 in acht te worden genomen. Indien uit de berekening blijkt dat er geen relevante immissiebijdrage op de (zone)toetspunten optreedt is een immissievoorwaarde niet aan de orde.
  • 3. Voor de toepassing van artikel 10.3, vijfde lid wordt, in geval het bevoegd gezag akoestische gebiedseenheden opdeelt in kavels, de berekening van de geluidimmissie berekend overeenkomstig hetgeen in het eerste lid voor gebiedseenheden is bepaald, met dien verstande dat voor elk kavel dat deel uitmaakt van de betreffende akoestische gebiedseenheid, hetzelfde emissie-kental gehanteerd wordt als voor de akoestische gebiedseenheid waarin het kavel is gelegen en dat dezelfde systematiek voor de (deel)oppervlaktebron gehanteerd wordt.
10.5 Vergunningplichte activiteit

Het is binnen het werkingsgebied [Overig – Beschermingsgebied milieuzone geluidverdeling] verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor een milieubelastende activiteit met geluid met een grotere geluidemissie en/of geluidimmissie, als bedoeld in artikel 10.3.

10.6 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 10.5, wordt verleend als de hogere emissie geen effect heeft op de toepasselijke immissievoorwaarde, zoals bedoeld in artikel 10.3, tweede lid.

Artikel 11 Afdeling 5.2.2 Bouwen van een bouwwerk & Paragraaf 5.2.2.1 Bouwwerk bouwen - algemeen

11.1 Toepassing
  • 1. Deze paragraaf gaat over:
    • a. het bouwen van een gebouw;
    • b. het bouwen van een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een overkapping als bedoeld in artikel 13.4; en
    • c. het bouwen van een overig bouwwerk.
  • 2. Onder het bouwen van een bouwwerk wordt ook verstaan het uitbreiden of veranderen van een bouwwerk en het in stand houden van een bouwwerk.
11.2 Meetbepalingen
  • 1. Bij het bouwen van een bouwwerk worden de waarden die daarin in meter of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten, tenzij in het tweede lid anders is bepaald :
    • a. afstanden loodrecht;
    • b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, die niet nodig zijn voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven;
    • c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 meter buiten beschouwing blijven; en
    • d. voor de toepassing van onderdeel b wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
  • 2. In aanvulling op of in afwijking van het eerste lid, geldt de volgende wijze van meten:
    • a. afstand tussen bouwwerken onderling en tot perceelgrenzen:  
      de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelgrenzen wordt daar gemeten waar deze afstand het kleinste is;
    • b. bouwhoogte van een hoofdgebouw, bedrijfsgebouw of bedrijfswoning :
      de bouwhoogte wordt vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een hoofdgebouw, bedrijfsgebouw of bedrijfswoning, met uitzondering van verticaal uitstekende bouwonderdelen van ondergeschikte aard tot maximaal 1 meter, gemeten;
    • c. breedte van de Ringvaart: 
      de breedte is grootste afstand loodrecht op de oevers, of op de oever en de gemeentegrens van Haarlemmermeer, in geval en voor zover de Ringvaart buiten de begrenzing van de gemeente Haarlemmermeer ligt;
    • d. breedte van een steiger:  
      de breedte is de afmeting van een steiger loodrecht op de oeverlijn; 
    • e. brutovloeroppervlak:
      het brutovloeroppervlak is de bebouwde oppervlakte van de afzonderlijke bouwlagen van een gebouw bij elkaar opgeteld, inclusief de bijzondere bouwlagen;
    • f. dakhelling: 
      de dakhelling is de kleinste hoek langs het hellend dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
    • g. goothoogte van een gebouw:
      de goothoogte wordt vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot of de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel gemeten, waarbij de goot van dakkapellen, topgevels, trappenhuizen, liftkokers, schoorstenen en andere gelijksoortige bouwdelen buiten beschouwing worden gelaten;
    • h. hoogte van een meerpaal en aanmeervoorziening:
      de hoogte wordt vanaf het hoogste punt tot aan het plaatselijk geldende zomerpeil of vaste peil van het water gemeten;
    • i. hoogte van een steiger: 
      de hoogte wordt vanaf de bovenzijde van het beloopbare deel tot aan het plaatselijk geldende zomerpeil of vaste peil van het water;
    • j. hoogte van een transparante omheining en hijs- en bootliftinstallatie op een steiger:  
      de hoogte wordt vanaf de bovenzijde van het beloopbare deel van de steiger tot het hoogste punt gemeten;
    • k. hoogte van een windturbine:  
      de hoogte wordt vanaf het peil tot aan de as van de windturbine gemeten;
    • l. ashoogte van een windturbine:  
      de ashoogte wordt vanaf het peil tot aan het hart van de rotor-as van de windturbine gemeten;
    • m. tiphoogte van een windturbine: 
      de tiphoogte wordt vanaf het peil tot aan het hoogste punt van de wiek van de windturbine gemeten;
    • n. inhoud van een gebouw:  
      de inhoud wordt tussen de onderzijde van de laagst gelegen vloer, de buitenzijde van de (denkbeeldige) gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen gemeten, met uitzondering van uitstekende bouwonderdelen van ondergeschikte aard tot maximaal 1 meter;
    • o. lengte en breedte van een gebouw:  
      de lengte en breedte worden tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de (denkbeeldige) gevels (en/of het hart van de gemeenschappelijke scheidsmuren) gemeten, met uitzondering van horizontaal uitstekende bouwonderdelen van ondergeschikte aard tot maximaal 1 meter;
    • p. lengte van een steiger:
      de lengte is de afmeting van de steiger parallel aan de oeverlijn;
    • q. oppervlakte van een gebouw:  
      de oppervlakte wordt tussen de (denkbeeldige) buitenwerkse gevelvlakken of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk gemeten, met uitzondering van horizontaal uitstekende bouwonderdelen van ondergeschikte aard tot maximaal 1 meter; 
    • r. verticale diepte van een gebouw:  
      de verticale diepte wordt vanaf het peil tot de onderkant van de vloer van de onderste bouwlaag met inbegrip van een bijzondere bouwlaag gemeten;
    • s. peil:
      • 1. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst is het peil de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
      • 2. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst is het peil de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
      • 3. voor een bouwwerk op een viaduct of brug is het peil de hoogte van de kruin van het viaduct of de brug ter plaatse van het bouwwerk;
      • 4. in afwijking van de onderdelen 1 tot en met 3 voor een bouwwerk ter plaatse van het water dat het peil het zomerpeil of vaste peil is;
      • 5. in andere gevallen dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 4 is het peil de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
  • 1. Onder zomerpeil of vaste peil van het water verstaan het zomerpeil of vaste peil zoals dat is vastgelegd door het bevoegd gezag in het geldende peilbesluit, met dien verstande dat indien sprake is van een dynamisch zomerpeil er wordt uitgegaan van de geldende bovengrens van dat zomerpeil.
  • 2. onder uitstekende bouwonderdelen van ondergeschikte aard van een gebouw wordt verstaan antennes, schoorstenen, bewassingsinstallaties, plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken en naar hun aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen, beschouwd als zijnde van ondergeschikte aard.
11.3 Specifieke zorgplicht beschermen omgeving bouwwerkzaamheden

De specifieke zorgplichten, bedoeld in artikel 22.18 en artikel 22.20 van dit omgevingsplan, houden voor een activiteit zoals bedoeld in artikel 11.1, in ieder geval in dat:

  • a. beschadiging van bestaande werken zo veel mogelijk wordt voorkomen;
  • b. belemmering van het gebruik van bestaande werken zo veel mogelijk wordt voorkomen of beperkt; en
  • c. bij werkzaamheden die kunnen leiden tot beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere roerende of onroerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, alle maatregelen worden getroffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die beschadiging of belemmering te voorkomen of niet te laten voortduren.
11.4 Samenvallende activiteiten

Als een activiteit als bedoeld in artikel 11.1, geheel of gedeeltelijk samenvalt met een andere activiteit waarvoor op grond van dit omgevingsplan regels gelden, dan gelden die regels voor die andere activiteit ook, tenzij anders is bepaald.

Artikel 12 Paragraaf 5.2.2.2 Gebouw bouwen - vergunningplicht voor ruimtelijke kenmerken - standaard

12.1 Toepassing
  • 1. Deze paragraaf gaat over het bouwen van een gebouw.
  • 2. Deze paragraaf gaat over de ruimtelijke kenmerken van een gebouw.
  • 3. Deze paragraaf is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt en geen legaal bouwwerk is.
12.2 Gebouw bouwen - ruimtelijke kenmerken - vergunningplicht

Onverminderd het bepaalde in Artikel 2 (Toepassingsbereik) van dit plan is het verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw te bouwen.

12.3 Gebouw bouwen - ruimtelijke kenmerken - beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 12.2 wordt verleend als wordt voldaan aan de artikelen 12.4, 12.5, 12.6 en 12.7.

12.4 Gebouw bouwen - ruimtelijke kenmerken - algemene regels
  • 1. Een gebouw wordt gebouwd in het werkingsgebied [bouwvlak].
  • 2. De bouwhoogte van een gebouw is maximaal de met de omgevingsnorm aangegeven bouwhoogte [Gebouw bouwhoogte (m)].
  • 3. Het bebouwingspercentage van het bouwvlak is maximaal het met de omgevingsnorm aangegeven percentage [Gebouw bouwen (%)] .
12.5 Gebouw bouwen - ruimtelijke kenmerken - vervangen, vernieuwen of veranderen

Een gebouw kan in ieder geval op dezelfde locatie worden vervangen, vernieuwd of veranderd als:

  • a. het bestaande gebouw een legaal bouwwerk is;
  • b. de bebouwde oppervlakte niet wordt uitgebreid; en
  • c. het bouwvolume niet wordt uitgebreid.
12.6 Gebouw bouwen - ruimtelijke kenmerken - gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen
  • 1. In het werkingsgebied [Overig - Gebouw nutsvoorziening bouwen] kan in afwijking van artikel 12.4, eerste lid een gebouw ten behoeve van een nutsvoorziening worden gebouwd.
  • 2. De bouwhoogte van een gebouw ten behoeve van een nutsvoorziening als bedoeld in het eerste lid is maximaal 4 meter.
  • 3. De inhoud van een gebouw ten behoeve van een nutsvoorziening is maximaal 60 m3.
12.7 Gebouw bouwen - ruimtelijke kenmerken - gebouwen ten behoeve van voorzieningen voor de verkeersafwikkeling
  • 1. In het werkingsgebied [Overig - Gebouw verkeersafwikkeling bouwen] kan in afwijking van artikel 12.4, eerste lid een gebouw ten behoeve van de verkeersafwikkeling worden gebouwd.
  • 2. De bouwhoogte van een gebouw ten behoeve van een voorziening voor de verkeersafwikkeling als bedoeld in het eerste lid is maximaal 4 meter.
  • 3. De inhoud van een gebouw ten behoeve van een voorziening voor de verkeersafwikkeling is maximaal 60 m3.

Artikel 13 Paragraaf 5.2.2.3 Gebouw bouwen - vergunningplicht voor ruimtelijke kenmerken - afwijken standaard

13.1 Toepassing
  • 1. Deze paragraaf gaat over het bouwen van gebouwen en over een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een overkapping als bedoeld in artikel 13.4 waarvoor een omgevingsvergunning nodig is.
  • 2. Deze paragraaf gaat over de ruimtelijke kenmerken van een gebouw of een overkapping als bedoeld in artikel 13.4.
  • 3. Deze paragraaf is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt en geen legaal bouwwerk is.
13.2 Vergunningplichtige activiteit

Onverminderd het bepaalde in Hoofdstuk 2 (Toepassingsbereik) is het verboden zonder omgevingsvergunning gebouwen of een overkapping als bedoeld in artikel 13.1 te bouwen die niet voldoen aan de artikelen 12.4, 12.5, 12.6 en 12.7.

13.3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13.2 wordt verleend als:

  • a. ter plaatse van de met de omgevingsnorm [Gebouw bouwhoogte (m)] aangegeven bouwhoogte de aangegeven bouwhoogte van het gebouw met maximaal 1 meter wordt vergroot; en
  • b. voor zover gebouwd wordt buiten het werkingsgebied [bouwvlak]:
    • 1. de gezamenlijke oppervlakte van (het) gebouw(en) buiten het bouwvlak per bouwperceel maximaal 20 m2 is;
    • 2. de goothoogte maximaal 3 meter is; en
    • 3. de bouwhoogte maximaal 5 meter is.
13.4 Bouwen in beschermingsgebied hoogspanningsverbinding

Bij het bouwen van een gebouw of een overkapping in het werkingsgebied [Leiding - Beschermingsgebied ondergrondse hoogspanningsverbinding 380 kV] geldt in afwijking van artikel 13.3 dat de omgevingsvergunning alleen kan worden verleend als:

  • a. de oppervlakte van een gebouw of overkapping maximaal 40 m2 is; en
  • b. de hoogte van een gebouw of overkapping maximaal 3 meter is.

Artikel 14 Paragraaf 5.2.2.4 Overig bouwwerk bouwen - geen vergunningplicht voor ruimtelijke kenmerken

14.1 Toepassing
  • 1. Deze paragraaf gaat over het bouwen van een overig bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is.
  • 2. Deze paragraaf gaat over de ruimtelijke kenmerken van een overig bouwwerk.
  • 3. Deze paragraaf is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt en geen legaal bouwwerk is.
14.2 Algemene regels over het bouwen van een erfafscheiding of perceelafscheiding
  • 1. De hoogte van een erfafscheiding of perceelafscheiding is maximaal de met de omgevingsnorm aangegeven [Erfafscheiding bouwhoogte (m)].
  • 2. Een erfafscheiding of terreinafscheiding mag voor de naar de weg gekeerde gevel en/of het verlengde daarvan uitsluitend transparant zijn.
14.3 Algemene regels over een overig bouwwerk
  • 1. De hoogte van een afspanportaal of bliksempiek is maximaal de met de omgevingsnorm aangegeven hoogte [Afspanportaal of bliksempiek bouwhoogte (m)].
  • 2. De hoogte van een lichtmast is maximaal de met de omgevingsnorm aangegeven hoogte [Lichtmast bouwhoogte (m)].
  • 3. De hoogte van een overig bouwwerk is maximaal de met de omgevingsnorm aangegeven hoogte [Overig bouwwerk bouwhoogte (m)].
14.4 Bouwen in het werkingsgebied Leiding - Beschermingsgebied hoogspanningsverbinding
  • 1. Bij het bouwen van een overig bouwwerk in het werkingsgebied [Leiding - Beschermingsgebied ondergrondse hoogspanningsleiding 150 kV] geldt in afwijking van artikel 14.3 dat de hoogte maximaal 3 meter is.
  • 2. Bij het bouwen van een overig bouwwerk in het werkingsgebied [Leiding - Beschermingsgebied ondergrondse hoogspanningsverbinding 380 kV] geldt in afwijking van artikel 14.3 dat de hoogte van maximaal 2 meter is.
  • 3. Bij het bouwen van een overig bouwwerk in het werkingsgebied [Leiding - Beschermingsgebied ondergrondse hoogspanningsverbinding 150 kV] geldt in afwijking van artikel 14.3 dat de hoogte van maximaal 2 meter is.
  • 4. Bij het bouwen van een overig bouwwerk in het werkingsgebied [Leiding - Beschermingsgebied bovengrondse hoogspanningsverbinding 150 kV] geldt in afwijking van artikel 14.3 dat:
    • a. de hoogte van een erfafscheiding of een terreinafscheidingen maximaal 1 meter is;
    • b. de hoogte van een mast ten behoeve van een bovengrondse hoogspanningsverbinding maximaal 30 meter is; en
    • c. de hoogte van een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde, maximaal 10 meter is.
  • 5. In afwijking van de eerste tot en met het vierde lid geldt voor bestaande hoogspanningsmasten de bestaande hoogte als maximale hoogte.

Artikel 15 Afdeling 5.2.3 Ruimte voor parkeren & Paragraaf 5.2.3.1 Parkeren - Algemeen

15.1 Toepassing

Deze afdeling gaat over het realiseren en in stand houden van voldoende parkeergelegenheid voor auto's bij het gebruik van gronden en bouwwerken voor een activiteit.

15.2 Parkeren - bij andere vergunningplichte activiteiten
  • 1. Als op grond van dit plan een omgevingsvergunning nodig is voor het wijzigen van het gebruik van de gronden of bouwwerken of voor het bouwen geldt voor het parkeren van auto's op die locatie dat:
    • a. wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid; en
    • b. op eigen terrein in voldoende mate ruimte wordt gereserveerd, ingericht en in stand gehouden voor het parkeren.
  • 2. Van voldoende parkeergelegenheid is sprake als wordt voldaan aan het Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer 2018 (herziening 2025) of de daarna geldende regeling waarin de parkeernormen zijn vastgelegd.
15.3 Specifieke aanvraagvereisten parkeren

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.2, eerste lid worden gegevens en bescheiden verstrekt over de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein.

15.4 Voorschriften

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.2, eerste lid, kunnen voorschriften verbonden worden die nodig zijn om het behoud van voldoende parkeergelegenheid te waarborgen.

Artikel 16 Afdeling 5.2.4 Openbare ruimte & Paragraaf 5.2.4.1 Openbare ruimte - Algemeen

16.1 Toepassing

Deze afdeling gaat over het gebruiken van wegen, water, groen, overige gronden, steigers, aanmeervoorzieningen en meerpalen in de openbare ruimte voor een activiteit.

16.2 Activiteiten in en met betrekking tot de openbare ruimte

De gronden in het werkingsgebied [Overig - Openbare ruimte] kunnen worden gebruikt voor de volgende activiteiten:

  • a. het aanleggen en beheren van openbaar groen;
  • b. aanleg en beheer van verharding;
  • c. aanleg en beheer van water en een waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • d. aanleg en beheer van kabels en leidingen;
  • e. aanleg en beheer van geluidwerende voorzieningen;
  • f. aanleg en beheer van voorzieningen ter bevordering van de luchtkwaliteit;
  • g. activiteiten in de vorm van verkeer en verblijf;
  • h. bedrijfsactiviteiten met betrekking tot het aanleggen, beheren en gebruiken van nutsvoorzieningen;
  • i. spelen en sporten;
  • j. het houden van evenementen;
  • k. uitingen van kunst;
  • l. uitingen van reclame;
  • m. bergbezinkbassins;
  • n. het aanleggen, inrichten, beheren en gebruiken van parkeervoorzieningen;
  • o. het aanleggen, beheren en gebruiken van steigers, aanmeervoorzieningen en meerpalen;
  • p. aanleg, beheer en gebruik van wegen; en
  • q. het realiseren, beheren en gebruiken van steigers, aanmeervoorzieningen, meerpalen en vlonders.
16.3 Activiteiten in en met betrekking tot groen

De gronden in de openbare ruimte in het werkingsgebied [Overig - Openbare ruimte – groen] kunnen worden gebruikt voor de volgende activiteiten:

  • a. het aanleggen, inrichten, beheren en gebruiken van openbaar groen;
  • b. het aanleggen, beheren en gebruiken van verharding voor voet- en fietspaden en overige voorzieningen voor langzaam verkeer, met inbegrip van bruggen voor langzaam verkeer boven watergangen;
  • c. het aanleggen, beheren en gebruiken van kabels en leidingen;
  • d. het realiseren, beheren en gebruiken van watergangen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen met inbegrip van bergbezinkbassins;
  • e. spelen en sporten en ontspanning;
  • f. het aanleggen, beheren en gebruiken van nutsvoorzieningen;
  • g. het aanleggen, beheren en gebruiken van verkeersontsluitingen; en
  • h. het realiseren, beheren en gebruiken van steigers, aanmeervoorzieningen, meerpalen en vlonders.

Artikel 17 Afdeling 5.3.1 Gebiedsgerichte activiteiten met gebruiksruimte & Paragraaf 5.3.1.1 Algemeen - geen vergunningplicht voor gebruik

17.1 Toepassing

Deze paragraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken bij het verrichten van activiteiten in het werkingsgebied [Overig - Gebiedstype bedrijventerrein].

17.2 Geen vergunningplicht voor functietoedeling

Als bij het verrichten van een activiteit wordt voldaan aan artikel 17 (Afdeling 5.3.1 Gebiedsgerichte activiteiten met gebruiksruimte & Paragraaf 5.3.1.1 Algemeen - geen vergunningplicht voor gebruik) van dit plan is geen omgevingsvergunning nodig voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor die activiteit.

17.3 Algemene regels, met uitzondering van bijzondere activiteiten
  • 1. De gronden in het werkingsgebied [Overig - Gebiedstype bedrijventerrein] kunnen worden gebruikt voor het realiseren, beheren en gebruiken van watergangen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen met inbegrip van bergbezinkbassins.
  • 2. De gronden in het werkingsgebied [Overig - Waterberging] worden gebruikt voor het realiseren, beheren en gebruiken van een waterbergingsvoorziening.
  • 3. In het werkingsgebied [Overig - Bedrijfsactiviteiten 4.2] worden de bedrijfsactiviteiten verricht van bedrijfscategorie 2 tot maximaal bedrijfscategorie 4.2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten bij dit hoofdstuk van het omgevingsplan, waarbij geldt dat in de Staat van bedrijfsactiviteiten gestelde richtafstanden voor een gemengd gebied, voor zover het de aspecten stof en geur betreft, voldaan moet worden.
  • 4. In het werkingsgebied [Overig - Bedrijfsactiviteiten 4.2] worden de volgende bedrijfsactiviteiten niet uitgevoerd:
    • a. een bedrijfsactiviteit in de vorm van het verkopen van motorbrandstoffen;
    • b. een bedrijfsactiviteit als risicobron als bedoeld in afdeling 5.1.en bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
    • c. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van andere bedrijfsactiviteiten uit de Staat van bedrijfsactiviteiten die bij dit hoofdstuk van het omgevingsplan in bijgevoegd;
    • d. het gebruik van gronden en bouwwerken voor detailhandelsactiviteiten;
    • e. het gebruik van gronden en bouwwerken voor horeca-activiteiten;
    • f. het gebruik van gronden en bouwwerken voor zelfstandige kantooractiviteiten;
    • g. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor woonactiviteiten; en
    • h. het gebruik van gronden en bouwwerken voor het exploiteren van een seksinrichting of het uitoefenen van prostitutie.
17.4 Algemene regels voor nutsbedrijven
  • 1. In het werkingsgebied [Overig - Nutsbedrijf] worden de bedrijfsactiviteiten verricht in de vorm van een nutsbedrijf.
  • 2. Onder bedrijfsactiviteiten in de vorm van een nutsbedrijf wordt ook begrepen:
    • a. een 150 kV transformatorstation waarvan alle transformatoren in een gesloten gebouw zijn ondergebracht, waarvan het buiten gebouwen opgestelde vermogen niet meer mag bedragen dan 10 MVA;
    • b. een 380 kV transformatorstation waarvan alle transformatoren in een gesloten gebouw zijn ondergebracht, waarvan het buiten gebouwen opgestelde vermogen niet meer mag bedragen dan 10 MVA;
    • c. voorzieningen ten behoeve van de aansluiting op de 380 kV verbinding;
    • d. voorzieningen ten behoeve van de aansluiting op een 150 kV net; en
    • e. bedrijfsactiviteiten met betrekking tot nutsvoorzieningen.
17.5 Algemene regels bijbehorende kantooractiviteit
  • 1. In het werkingsgebied [Overig - Bijbehorende kantooractiviteiten] worden kantooractiviteiten alleen verricht in de vorm van bij bedrijfsactiviteiten behorende kantooractiviteiten.
  • 2. Bij het verrichten van bijbehorende kantooractiviteiten wordt voldaan aan de volgende regels:
    • a. het brutovloeroppervlak van het bijbehorende kantoor per bedrijf bedraagt niet meer dan 30% van het bedrijfsvloeroppervlak;
    • b. het brutovloeroppervlak van het bijbehorende kantoor per bedrijf bedraagt niet meer dan 500 m2.

Artikel 18 Paragraaf 5.3.1.2 Bedrijfsactiviteit - vergunningplicht voor gebruik

18.1 Toepassing

Deze paragraaf gaat over het gebruiken van gronden en bouwwerken bij het verrichten van activiteiten in het werkingsgebied [Overig - Gebiedstype bedrijventerrein].

18.2 Vergunningplichtige activiteit

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bedrijfsactiviteit te verrichten in een categorie hoger dan ter plaatse is aangewezen.

18.3 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 18.2 wordt alleen verleend als:

  • a. de bedrijfsactiviteit maximaal één categorie hoger is ingeschaald dan ter plaatse aangewezen; of
  • b. de bedrijfsactiviteit niet voorkomt in de bij dit omgevingsplan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten;
  • c. de bedrijfsactiviteit naar soort en omvang geacht kan worden te behoren tot de ter plaatse aangewezen categorie; en
  • d. de bedrijfsactiviteit geen risicobron is als bedoeld in afdeling 5.1 en bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 19 Overgangsrecht bouwwerken

19.1 Overgangsrecht bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
19.2 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken

Het bepaalde in artikel 19.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende (tijdelijk deel van) het omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat (tijdelijk deel van) het omgevingsplan.

Artikel 20 Overgangsrecht gebruik

20.1 Overgangrecht gebruik

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

20.2 Strijdig gebruik

Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 20.1 te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

20.3 Verboden gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in artikel 20.1 na de inwerkingtreding van dit plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

20.4 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik

Het bepaalde in artikel 20.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het daarvoor geldende (tijdelijke deel van het) omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat (tijdelijke deel van het) omgevingsplan.