TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22g -Uiterweg 227ws1 en 2
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0358.TAMOP22G-VG01 |
| Plantype: | bestemmingsplan |
REGELS
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22g - Uiterweg 227ws1 en 2 Aalsmeer
Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht om 2 woonarken te verplaatsen naar de Uiterweg 227ws1 en 2 in de gemeente Aalsmeer, en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22g]) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Aalsmeer. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22g] van het omgevingsplan van de gemeente Aalsmeer. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22g]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘[22g]’ gelezen worden.
Inhoudsopgave
HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen
Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen
Artikel 4 Meet- en regelbepaling
HOOFDSTUK 2 Functies en activiteiten
Artikel 7 Algemeen gebruiksverbod
Artikel 11 Water - Permanent wonen
Artikel 12 Wonen - Lintbebouwing
Artikel 13 Waarde - Archeologie 2
Artikel 14 Anti-dubbeltelregel
Artikel 15 Algemene bouwregels
Artikel 16 Algemene aanduidingsregels
HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen
Artikel 1 Toepassingsbereik
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
De regels in afdeling 22.2 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk 22g.
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22g-Uiterweg 227ws1 en 2, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO. met identificatienummer NL.IMRO.0358.TAMOP22g-OW01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
Artikel 2 Begripsbepalingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage II van het omgevingsplan zijn van toepassing op dit hoofdstuk 22g, alsmede bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk 22g, voor zover daarvan in bijlage II van het omgevingsplan niet is afgeweken.
Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk 22g gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen, voor zover daarvan in bijlage II van het omgevingsplan niet is afgeweken:
3.1 TAM-omgevingsplan
het "TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22g -Uiterweg 227ws1 en 2" van de gemeente Aalsmeer;
3.2 Aan huis gebonden beroep en of -bedrijf:
het uitoefenen van een vrij beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op het terrein van de administratieve, juridische, medische, therapeutische, kunstzinnige, ontwerp-technische dienstverlening of hiermee gelijk te stellen dienstverlening door (één van) de hoofdbewoners, dat door de beperkte omvang ervan in diens woning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken kan worden uitgeoefend met overwegend behoud van de woonfunctie en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;
3.3 Aanlegplaats:
Een plek gelegen in een vaarweg, bedoeld voor aanmeren van schepen of vaartuigen, niet zijnde woonschepen, voor een bepaalde periode;
3.4 Boothuis:
Een gebouw met één bouwlaag, gebouwd over het water en bereikbaar vanaf te bevaren water, dat dient voor het overdekt onderbrengen van één of meerdere vaartuigen;
3.5 Bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;
3.6 Huishouden:
persoon of groep personen die een huishouding voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen;
3.7 Ligplaats:
een gedeelte van het water door een woonark of woonboot ingenomen of bestemd om door een woonark of woonboot met bijbehorende voorzieningen te worden ingenomen;
3.8 Maaiveld:
de bovenkant van het oorspronkelijke dan wel (verhoogd of verlaagd) aangelegd terrein
waar een bouwwerk zal worden opgericht, dan wel is opgericht;
3.9 Normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden:
werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden, waaronder begrepen de handhaving dan wel de realisering van de functie;
3.10 Nutsvoorzieningen:
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut zoals transformatorhuisjes,
gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes,
telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van ondergrondse afvalinzameling en
apparatuur voor telecommunicatie;
3.11 Oever:
aan het water grenzende strook land bestaande uit een oevertalud en een horizontaal gelegen oever;
3.12 Oevergebruik:
Het gebruik van de oever ten behoeve van de buitenruimte bij een woonark en entree tot de woonark;
3.13 Onzelfstandige woonruimte:
Woonruimte, niet-zijnde woonruimte bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft of welke niet door een huishouden zelfstandig kan worden bewoond, zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte, waarbij als wezenlijke voorzieningen worden aangemerkt: keuken en sanitaire voorzieningen;
3.14 Permanente bewoning:
het gebruik van een kampeermiddel, woonark, recreatieverblijf of recreatiewoning door een persoon, gezin of andere groep van personen, op een wijze die ingevolge de Wet basisregistratie personen noopt tot inschrijving van bewoners(s) in de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Aalsmeer, terwijl deze perso(o)n(en) niet aannemelijk kan/kunnen maken elders over een hoofdverblijf te beschikken;
3.15 Pleziervaartuig
een vaartuig, hoofdzakelijk gebruikt en bestemd voor niet-bedrijfsmatige varende recreatie;
3.16 Seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;
3.17 Steiger:
een gebouwde of drijvende constructie langs een oever die tot aanlegplaats dient voor pleziervaartuigen;
3.18 Waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen die het waterhuishoudingbelang dienen, zoals watergangen (sloten), kunstwerken, bruggen, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang en dergelijke;
3.19 Wonen:
activiteit inhoudende de permanente bewoning van een woonruimte door één huishouden;
3.20 Woning:
Een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk
3.21 Woonark:
Drijvend object, in het algemeen niet bestemd om te varen, doorgaans bestaande uit een onderschip of betonbak met een vierkante of rechthoekige opbouw, waaronder begrepen een drijvende woning, zowel ten behoeve van permanente als niet-permanente bewoning.
Artikel 4 Meet- en regelbepaling
De meet- en rekenbepalingen bedoeld in hoofdstuk 6 van dit omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het tweede lid tot en met het vierde lid.
De inhoud van een bouwwerk wordt gemeten tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
De bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, ventilatiekanalen, antennes, liftopbouwen, installatieruimten en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
De oppervlakte van een bouwwerk wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
Artikel 5 Vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of te veranderen, met uitzondering van de vergunningsvrije bouwwerken zoals bepaald in hoofdstuk 6 van het omgevingsplan.
Artikel 6 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoeld in Hoofdstuk 6 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk 22g.
HOOFDSTUK 2 Functies en activiteiten
Artikel 7 Algemeen gebruiksverbod
Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.
Artikel 8 Tuin
8.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Tuin'.
8.2 Functieomschrijving
Een als 'Tuin' aangewezen locatie heeft de volgende functies:
oevers;
met de daarbij behorende;
tuinen, erven en oevervoorzieningen;
natuurlijke oevers of oeverbeschoeiingen;
met daaraan ondergeschikt:
ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen en andere verhardingen ten dienste van de functie;
waterhuishoudkundige voorzieningen en openbare nutsvoorzieningen.
8.3 beoordelingsregels bouwen
Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd:
8.3.1 Bouwwerken geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde bij woonarken gelden de volgende regels:
de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 1 meter;
de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 1 meter, gemeten vanaf het waterpeil.
8.4 Specifieke functieregels
8.4.1 Strijdig gebruik
Tot een gebruik, strijdig met dit TAM-omgevingsplan wordt in ieder geval gerekend:
het plaatsen of het geplaatst hebben van onderkomens;
voor het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond;
voor het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond;
als opslag-, laad- en/of losplaats ten behoeve van handelsdoeleinden;
het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.
8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.5.1 Verboden werkzaamheden
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
het dempen, graven, vergroten of herprofileren van watergangen en waterpartijen;
het aanleggen van dammen, dijken of andere taluds, of het vergraven dan wel ontgraven van bestaande dammen, dijken en taluds;
het ontginnen, verlagen van de bodem, afgraven, ophogen of egaliseren dan wel anderszins aanbrengen van wijzigingen in het maaiveld;
het permanent opslaan van goederen;
het aanbrengen van drainagesystemen, tenzij het de vervanging van een bestaande drainage betreft;
het aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen;
het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houden constructies, installaties of apparatuur.
8.5.2 Vergunningsvrije werkzaamheden
Het in lid 8.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
het normale onderhoud betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
8.5.3 beoordelingsregels
De in lid 8.5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door die werken of werkzaamheden of door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen de in 8.2 genoemde doeleinden dan wel waarden van deze gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind, gelet op:
het belang dat met de ingreep is gediend;
het waterhuishoudkundige belang (kwantitatief en kwalitatief), met het oog op de waterhuishoudkundige doelstellingen van het betrokken gebied.
Artikel 9 Tuin-Parkeertuin
9.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Tuin-Parkeertuin'.
9.2 Functieomschrijving
Een als 'Tuin' aangewezen locatie heeft de volgende functies:
oevers behorende bij de op de planverbeelding aangrenzende ligplaatsen voor woonarken;
parkeren, conform artikel 17.2, dient binnen deze bestemming te worden gerealiseerd;
met de daarbij behorende;
tuinen, erven en oevervoorzieningen;
natuurlijke oevers of oeverbeschoeiingen;
bouwwerken ten behoeve van de aangrenzende ligplaatsen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van tuin - bijgebouw woonarken';
met daaraan ondergeschikt:
ontsluitingswegen en andere verhardingen ten dienste van de functie;
waterhuishoudkundige voorzieningen en openbare nutsvoorzieningen.
9.3 beoordelingsregels bouwen
Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de functies benoemd in artikel 9.1.
9.3.1 Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij woonarken gelden de volgende regels:
binnen de aanduiding 'specifieke vorm van tuin - bijgebouw woonarken' is per woonark 1 zelfstandig bijbehorend bouwwerk toegestaan met een oppervlakte van niet meer dan 40 m2;
de bouwhoogte mag niet meer dan 3 meter bedragen;
de afstand van het zelfstandige bijhorend bouwwerk tot de oeverlijn mag niet minder dan 2 meter bedragen.
9.3.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde bij woonarken gelden de volgende regels:
bouwwerken, geen gebouwen zijnde dienen te worden opgericht binnen de aanduiding 'specifieke vorm van tuin - bijgebouwen woonarken';
per woonark is maximaal één aanlegplaats toegestaan;
de maximale oppervlakte van voorzieningen voor woonarken, met uitzondering van de loopplank, bedraagt per woonark 15 m²;
de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 1 meter;
de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 1 meter, gemeten vanaf het waterpeil.
9.3.3 Geluidsscherm
Voor het geluidsscherm geldt:
een bouwhoogte van minimaal 1.60 meter boven waterniveau;
een gewicht van minimaal 10 kg/m2;
naad- en kierdicht uitgevoerd, volledig gesloten;
geplaatst conform de situering (tegen de woonarken) en afmetingen zoals opgenomen in het akoestisch rapport M+P.APANN-24449.2, datum 11 juli 2025, bijlage 8 bij de plantoelichting;
dat deze in stand wordt gehouden.
9.4 Voorwaardelijke verplichting geluidsscherm
Het gebruik van de gronden is uitsluitend toegestaan indien ter plaatse van de functieaanduiding ‘geluidsscherm’ een geluidwerend scherm is gerealiseerd voorafgaand aan ingebruikname van de woonark.
9.5 Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing ter waarborging van:
de waterhuishouding;
de brandveiligheid en rampenbestrijding;
de kwaliteit van de openbare ruimte, zoals een samenhangend bebouwingsbeeld en de landschappelijke inrichting en inpassing;
de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken.
9.6 Specifieke functieregels
9.6.1 Strijdig gebruik
Tot een gebruik, strijdig met dit TAM-omgevingsplan, wordt in ieder geval gerekend:
het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning;
het gebruik van vrijstaande gebouwen en bijbehorende bouwwerken voor recreatief nachtverblijf;
het plaatsen of het geplaatst hebben van onderkomens;
voor het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond;
voor het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond;
als opslag-, laad- en/of losplaats ten behoeve van handelsdoeleinden;
het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.
9.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.7.1 Verboden werkzaamheden
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
het dempen, graven, vergroten of herprofileren van watergangen en waterpartijen;
het aanleggen van dammen, dijken of andere taluds, of het vergraven dan wel ontgraven van bestaande dammen, dijken en taluds;
het ontginnen, verlagen van de bodem, afgraven, ophogen of egaliseren dan wel anderszins aanbrengen van wijzigingen in het maaiveld;
het permanent opslaan van goederen;
het aanbrengen van drainagesystemen, tenzij het de vervanging van een bestaande drainage betreft;
het aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen;
het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houden constructies, installaties of apparatuur.
9.7.2 Vergunningsvrije werkzaamheden
Het in lid 9.7.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
het normale onderhoud betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
9.7.3 Beoordelingsregels
De in lid 9.7.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door die werken of werkzaamheden of door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen de in 9.2 genoemde doeleinden dan wel waarden van deze gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind, gelet op:
het belang dat met de ingreep is gediend;
het waterhuishoudkundige belang (kwantitatief en kwalitatief), met het oog op de waterhuishoudkundige doelstellingen van het betrokken gebied.
Artikel 10 Water 2
10.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Water 2'.
10.2 Functieomschrijving
De voor 'Water 2' aangewezen locatie heeft de volgende functies:
waterlopen, waterplassen en recreatiewater;
water als netwerk voor de waterhuishouding, waaronder waterberging, wateraanvoer en waterafvoer;
de ontwikkeling en het beheer van natuur en landschap waaronder de natuurverbindingen en de natuurwaarden;
(dras)oevers en groenvoorzieningen langs de oevers, zoals rietkragen;
verkeer te water;
met de daarbij behorende:
bouwwerken;
al dan niet gebouwde voorzieningen met het oog op het beheer en onderhoud;
keermuren, oeverbeschoeiingen, duikers en andere bouwwerken ten behoeve van de waterhuishouding.
10.3 beoordelingsregels bouwen
10.3.1 Algemeen
Op deze gronden mogen ten behoeve van de functie uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
10.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
de hoogte van palen, (licht-)masten en kunstwerken mag niet meer dan 6 meter bedragen;
de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 meter bedragen.
10.3.3 Geluidsscherm
Voor het geluidsscherm geldt:
een bouwhoogte van minimaal 1.60 meter boven waterniveau;
een gewicht van minimaal 10 kg/m2;
naad- en kierdicht uitgevoerd, volledig gesloten;
geplaatst conform de situering (tegen de woonarken) en afmetingen zoals opgenomen in het akoestisch rapport M+P.APANN-24449.2, datum 11 juli 2025, bijlage 8 bij de plantoelichting;
dat deze in stand wordt gehouden.
10.4 Voorwaardelijke verplichting geluidsscherm
Het gebruik van de gronden is uitsluitend toegestaan indien ter plaatse van de functieaanduiding ‘geluidsscherm’ een geluidwerend scherm is gerealiseerd voorafgaand aan ingebruikname van de woonark.
10.5 Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing ter waarborging van:
de sociale veiligheid;
de verkeersveiligheid;
de doorvaart, minimaal 4,5 meter;
de waterhuishouding;
de brandveiligheid en rampenbestrijding;
de kwaliteit van de openbare ruimte, zoals een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld, en de landschappelijke inrichting;
de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
de functionele en ruimtelijke structuur, zoals aansluitingen op (structurele) groen- en waterelementen.
10.6 Specifieke functieregels
10.6.1 Strijdig gebruik
Tot een gebruik, strijdig met dit TAM-omgevingsplan, wordt in ieder geval gerekend:
het gebruik ten behoeve van drijvende steigers en ander daarmee vergelijkbaar drijftuig;
het gebruiken of laten gebruiken van gronden als ligplaats of aanlegsteiger voor bedrijfsschepen buiten de aanduiding 'jachthaven';
het gebruiken of laten gebruiken als ligplaats voor woonarken ten behoeve van permanente bewoning;
het gebruiken of laten gebruiken als ligplaats voor woonarken ten behoeve van niet-permanente bewoning;
het plaatsen of geplaatst hebben van objecten, zijnde voorwerpen of vaartuigen die in, op of boven water zijn aangebracht of afgemeerd en die niet behoren tot enig andere in dit artikel genoemde categorieën (woonarken, pleziervaartuigen en bedrijfsschepen).
Artikel 11 Water - Permanent wonen
11.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Water - Permanent wonen'.
11.2 Functieomschrijving
Een als 'Water - Permanent wonen' aangewezen locatie heeft de volgende functies:
een ligplaats ten behoeve van één woonark voor permanente bewoning, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep of aan-huis-gebonden bedrijf tot maximaal 30% van de vloeroppervlakte van de woonark;
ter plaatse van de functieaanduiding 'geluidsscherm' is een geluidsscherm verplicht;
water;
waterberging;
waterhuishouding.
met de daarbij behorende:
voorzieningen van algemeen nut;
voorzieningen voor woonarken;
aanlegplaatsen;
erf- en terreinafscheidingen.
11.3 beoordelingsregels bouwen
11.3.1 Algemeen
Op en onder de in artikel 11.2 genoemde locatie mag slechts worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde functies.
11.3.2 Woonarken
Voor het bouwen van woonarken gelden de volgende regels:
woonarken dienen minimaal volledig binnen het bestemmingsvlak gelegen te zijn dan wel het bestemmingsvlak volledig te benutten;
de woonark mag maximaal 18x6x5 meter bedragen (lxbxh);
de afstand tot de naastgelegen woonarken dient aan alle zijden tenminste 5 meter te zijn;
de maximale afstand van de woonark tot de insteek van het water bedraagt 1 meter.
11.3.3 Geluidsscherm
Voor het geluidsscherm geldt:
een bouwhoogte van minimaal 1.60 meter boven waterniveau;
een gewicht van minimaal 10 kg/m2;
naad- en kierdicht uitgevoerd, volledig gesloten;
geplaatst conform de situering (tegen de woonarken) en afmetingen zoals opgenomen in het akoestisch rapport M+P.APANN-24449.2, datum 11 juli 2025, bijlage 8 bij de plantoelichting;
dat deze in stand wordt gehouden.
11.4 Voorwaardelijke verplichting geluidsscherm
Het gebruik van de gronden is uitsluitend toegestaan indien ter plaatse van de functieaanduiding ‘geluidsscherm’ een geluidwerend scherm is gerealiseerd voorafgaand aan ingebruikname van de woonark.
11.5 Specifieke functieregels
11.5.1 Strijdig gebruik
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet wordt in ieder geval gerekend:
het gebruik van vrijstaande (bij)gebouwen voor bewoning;
het gebruik van vrijstaande (bij)gebouwen voor recreatief nachtverblijf;
het plaatsen of het geplaatst hebben van onderkomens anders dan woonarken;
voor het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
voor het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
als opslag-, laad- en/of losplaats ten behoeve van handelsdoeleinden;
het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.
Artikel 12 Wonen - Lintbebouwing
12.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Wonen - Lintbebouwing'.
12.2 Functieomschrijving
De voor 'Wonen - Lintbebouwing' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
tuinen en erven behorende bij de woning 417b;
met de daarbij behorende:
bouwwerken;
waterhuishoudkundige voorzieningen;
natuurlijke oevers of oeverbeschoeiingen;
ontsluitingen ten behoeve van het wonen;
parkeervoorzieningen'.
12.3 Beoordelingsregels bouwen
12.3.1 Algemeen
Op en onder de in artikel 12.2 genoemde gronden mag slechts worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde bestemming.
12.3.2 Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij het hoofdgebouw gelden de
volgende regels:
behoudens vergunningvrije bouwwerken, als bedoeld in hoofdstuk 6 van het omgevingsplan Aalsmeer, zijn geen bijbehorende bouwwerken toegestaan.
12.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan inritconstructies, gelden de volgende regels:
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn niet meer dan 1 meter mag bedragen;
de bouwhoogte van gemetselde penanten in het voorerfgebied mag niet meer dan 2 meter bedragen;
de breedte en bouwhoogte van een toegangspoort in het voorerfgebied die onderdeel uitmaakt van de totale erf- of perceelsscheiding, of die geplaatst wordt tussen een groene erfafscheiding, mag niet meer bedragen dan 4 respectievelijk 2 meter;
per woonperceel is één (duiker)brug toegestaan;
de breedte van (duiker)bruggen ten behoeve van een in- of uitrit naar of van een perceel met de bestemming 'Wonen - Lintbebouwing' mag maximaal 4 meter bedragen;
de bouwhoogte van palen en masten mag niet meer bedragen dan 6 meter;
de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen 3 meter.
12.4 Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing ter waarborging van:
de sociale veiligheid;
de verkeersveiligheid;
de waterhuishouding;
de brandveiligheid en rampenbestrijding;
de kwaliteit van de openbare ruimte, zoals een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld, en de landschappelijke inrichting;
de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken.
12.5 Specifieke functieregels
12.5.1 Aan-huis-gebonden beroep en of -bedrijf
Het uitoefenen van een aan-huis-verbonden beroep en/of aan-huis-gebonden bedrijf is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft;
het bruto-vloeroppervlak voor de uitoefening van het aan-huis-verbonden beroep danwel het aan-huis-gebonden bedrijf niet groter is dan 30% van de woning inclusief bijbehorende bouwwerken;
het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluiting en parkeersituatie ter plaatse;
geen gebruik wordt gemaakt van gevelreclame;
het beroep alleen door de bewoner(s) wordt uitgeoefend;
er geen horeca-activiteiten en geen detailhandel plaatsvinden;
er geen buitenopslag plaatsvindt, noch beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten in de openbare ruimte rond de woning, met uitzondering van in- en uitladen.
12.5.2 Strijdig gebruik
Tot een gebruik van gronden en bouwwerken, strijdig met de bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend:
het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning;
het plaatsen of geplaatst hebben van onderkomens;
het opslaan van goederen, stoffen, producten of materialen en materieel, waarvan de aanwezigheid voor de realisering of handhaving van de in lid 1 genoemde bestemming niet noodzakelijk is, dan wel kan worden geacht noodzakelijk te zijn;
het gebruik van gronden en bebouwing als parkeergelegenheid voor reizigers die reizen vanaf de luchthaven Schiphol;
het gebruik ten behoeve van het kamperen;
het gebruik ten behoeve van detailhandel;
het gebruik ten behoeve van horeca;
het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.
Artikel 13 Waarde - Archeologie 2
13.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waarde - Archeologie 2.
13.2 Functieomschrijving
De als 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen locatie heeft, naast de andere daar voorkomende functies, mede de functie bescherming en behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. Deze functie van bescherming en behoud is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende functies.
13.3 beoordelingsregels bouwen
13.3.1 Algemene regels bouwen: vergunningsvrij ten aanzien van archeologie
Op de in lid 13.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd
indien deze bouwwerken voldoen aan de volgende regels:
ter plaatse van de aanduiding 'waarde archeologie 2' reiken de bodemingrepen niet verder dan een maximale diepte van 0,40 meter;
het bepaalde onder a is niet van toepassing bij een oppervlakte kleiner dan 50 m2;
het bepaalde onder a en b is niet van toepassing indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
13.4 Specifieke beoordelingsregels bouwen
13.4.1 Beoordelingsregels
In afwijking van artikel 13.3, kan een omgevingsvergunning voor een activiteit die niet voldoet aan de in dat onderdeel bepaalde regels worden verleend voor het bouwen ten behoeve van een overige aan deze gronden toegekende functie indien:
uit archeologisch onderzoek blijkt dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; of;
op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord, of;
de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate worden veiliggesteld, op grond van een onderzoeksrapport.
13.4.2 Vergunning voorschriften
Indien uit het onder 13.4.1 van dit artikel genoemde archeologisch onderzoek of rapport
blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van een
omgevingsvergunning zullen of kunnen worden aangetast, kan het bevoegd gezag aan
de omgevingsvergunning één of meer van de volgende voorschriften verbinden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
13.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
13.5.1 Verboden werkzaamheden
Het is verboden op of in de als Waarde - Archeologie aangewezen locatie zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden;
het bodemverlagen of afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingvergunning is vereist, waartoe ook gerekend wordt woelen en draineren;
het bebossen van gronden;
het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten;
het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
het uitvoeren van heiwerken en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
het door- of vergraven van historische kades;
het bepaalde onder a t/m i is niet van toepassing bij een oppervlakte kleiner dan 50 m2.
13.5.2 Vergunningplicht
Voor de onder 13.5.1 genoemde werkzaamheden is een omgevingsvergunning nodig wanneer sprake is van grondbewerkingen dieper dan 0,40 meter en groter dan 50 m2.
13.5.3 Vergunningsvrije werkzaamheden
Het onder 13.5.1 bedoelde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
het normale onderhoud betreffen;
op archeologisch onderzoek gericht zijn;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit TAM- omgevingsplan.
13.5.4 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13.5.2 kan worden verleend, indien:
uit archeologische onderzoek blijkt dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord, of;
de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate worden veiliggesteld, op grond van een onderzoeksrapport.
13.5.5 Vergunningvoorschriften
Indien uit het onder 13.5.4 van dit artikel genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van een omgevingsvergunning zullen of kunnen worden aangetast, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning één of meer van de volgende voorwaarden verbinden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
de verplichting de uitvoering van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan het door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
HOOFDSTUK 3 Algemene regels
Artikel 14 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 15 Algemene bouwregels
15.1 Toegelaten overschrijdingen
Het is toegestaan de in dit plan aangegeven bestemmings-, bouwgrenzen en/of hoogtematen te overschrijden:
ten behoeve van toegangen van bouwwerken, luifels, stoepen, stoeptreden, reclame-uitingen, vrijhangende balkons (al dan niet ondersteund door kolommen) bij woongebouwen, gaanderijen en funderingen en daarmee gelijk te stellen onderdelen van gebouwen, voor zover de bouwgrens met niet meer dan 2.50 meter wordt overschreden en deze onderdelen van gebouwen niet worden opgericht op gronden, bestemd voor verkeer en tevens een niet te bebouwen strook van 1 meter in acht wordt genomen ten opzichte van de gronden, bestemd voor verkeersdoeleinden;
vrijhangende balkons, gaanderijen, luifels en reclame-uitingen boven een verkeersbestemming is mogelijk indien er een vrije hoogte aanwezig is van 4,20 m boven de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg en een minimale vrije hoogte van 2,20 m boven een ander deel van de weg;
ten behoeve van plaatselijke verhogingen op gebouwen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, trappenhuizen en lichtkappen, alsmede technische voorzieningen, mits:
de oppervlakte van de vergroting niet meer dan 25% van de oppervlakte van het dak(vlak) bedraagt;
de hoogte niet meer dan 5 meter van de maximale (bouw)hoogte van het betreffende gebouw;
het bepaalde onder a. t/m c. geldt niet voor woonarken;
ten behoeve van ondergeschikte bouwdelen bij woonarken, als zonnepanelen, plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons, overstekende daken, overstekken, loopranden, gangboorden en stootranden voor zover de bouwgrens met niet meer dan 0,5 meter wordt overschreden.
Artikel 16 Algemene aanduidingsregels
16.1 Afwijkingsregels
Met een omgevingsvergunning kan afgeweken worden van:
de in de bestemmingsregels opgenomen maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages, uitsluitend indien dit nodig is voor een technische betere realisering van het plan. Dit is niet van toepassing bij toegelaten binnenplanse afwijkingen en woonarken;
de bestemmingsregels en toestaan dat de inrichting van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of verkeersintensiteit daartoe aanleiding geven;
de bestemmingsregels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
de bestemmingsregels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 meter;
de bestemmingsregels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot niet meer dan 40 meter;
de bestemmingsregels ten behoeve van het oprichten van ondergrondse kelderruimte, met dien verstande dat:
bestemmingsvlak dienen te worden gerealiseerd en conform de bestemming te worden gebruikt;
het realiseren van ondergrondse bouwwerken geen nadelige effecten mag hebben op de bodem- en waterhuishouding. Hiertoe dient de aanvrager (vooraf) een watervergunning aan te vragen bij de Waterbeheerder;
de bestemmingsregels ten behoeve het bouwen van kleine niet voor bewoning bestemde gebouwtjes ten behoeve van de dienstverlening van overheidswege, het openbaar bestuur en openbare nutsbedrijven, zoals transformatorhuisjes, telefooncellen, gemaalgebouwtjes en wachthuisjes voor verkeersdiensten, mits de inhoud per gebouwtje niet meer bedraagt dan 50 m³ en de bouwhoogte niet meer dan 4 meter;
de bestemmingsregels ten behoeve van het realiseren van groene daken op hoofdgebouwen, dan wel bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat:
de overschrijding van de voorgeschreven goot- en/of bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10%;
deze overschrijding met 10% heeft slechts betrekking op de extra (constructieve) opbouw op een dak dat nodig is om een groendak te kunnen toepassen, exclusief beplanting;
groene daken mogen niet als dakterras of daktuin worden gebruikt als deze worden toegepast op woningen. Bij andere gebouwen dan woningen wordt het gebruik van een groendak als dakterras of daktuin per geval beoordeeld, waarbij vooral de privacy van naburige woonpercelen niet nadelig mag worden beïnvloed.
Geen omgevingsvergunning wordt verleend indien:
daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan (bijvoorbeeld door schaduwwerking) aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
dit leidt tot aantasting van de ruimtelijke karakteristiek ter plaatste.
Artikel 17 Overige regels
17.1 Voorrangsregels
In het geval van strijdigheid van belangen tussen een functie en artikel 11, gaat het belang van artikel 11 voor.
17.2 Parkeren
17.2.1 Parkeernormen
Een omgevingsvergunning voor het bouwen, verbouwen, uitbreiden en/of functiewijziging van een gebouw of perceel wordt slechts verleend, wanneer wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform het thans geldend beleid 'Nota Parkeernormen Aalsmeer'. Indien deze beleidsregel gedurende de planperiode door het bevoegd gezag wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging van deze regels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning.
17.2.2 Laden en lossen
Indien de functie van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en/of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
17.2.3 Specifieke beoordelingsregels parkeernormen
Indien uit een door de aanvrager van een omgevingsvergunning te overleggen parkeerbalans blijkt dat niet (geheel) kan worden voldaan aan voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, waarbij rekening gehouden wordt met dubbelgebruik en de benodigde parkeerplaatsen niet in de openbare ruimte kunnen worden gerealiseerd, kan in afwijking van artikel 17.2.1 de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend indien:
de (resterende) parkeerbehoefte meer dan 2 parkeerplaatsen betreft, of:
met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid.
17.2.4 Specifieke beoordelingsregels laden en lossen
In afwijking van artikel 17.2.2 kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend indien:
het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
voor zover op andere wijze in de nodige laad- en/of losruimte wordt voorzien.