direct naar inhoud van Regels
Plan: Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0355.BPWAHoeveNRDZDOV-OW01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan:

het bestemmingsplan Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld met identificatienummer NL.IMRO.0355.BPWAHoeveNRDZDOV-OW01 van de gemeente Zeist;

1.2 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels;

1.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 aaneengesloten woningen:

twee of meer woningen met de hoofdgebouwen aaneengebouwd;

1.6 archeologisch monument:

terrein dat op basis van de Monumentenwet 1988 is aangewezen als beschermd monument.

1.7 archeologisch onderzoek:

onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning op grond van de Monumentenwet 1988 beschikt.

1.8 archeologisch waardevol gebied:

gronden waar archeologische waarden aanwezig of te verwachten zijn;

1.9 archeologische waarde:

vindplaats of vondst met een oudheidkundige waarde, met name archeologische relicten in hun oorspronkelijke ruimtelijke context;

1.10 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken;

1.11 bebouwingspercentage:

de som van de oppervlakten van alle bouwwerken binnen een bouwperceel of bouwvlak, uitgedrukt in een percentage van dat vlak of perceel;

1.12 bedrijf aan huis:

het door de bewoners bedrijfsmatig uitoefenen van bedrijfsactiviteiten in de woning en bijbehorende bouwwerken:

  • d. die zijn genoemd in de bij deze regels deel uitmakende bijlage 'Staat van bedrijfsactiviteiten aan huis', danwel daarmee gelijk kunnen worden gesteld wat betreft de gevolgen voor de omgeving, en
  • e. die geen horeca of detailhandel zijn, behoudens detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van de ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteit;
1.13 bedrijfsgebouw:

een gebouw dat noodzakelijk is voor de uitoefening van ter plaatse toegestane (bedrijfs-)activiteiten, hieronder wordt geen bedrijfs- of dienstwoning verstaan;

1.14 beroep aan huis:

het door de bewoners beroepsmatig uitoefenen van activiteiten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, educatief, kunstzinnig, maatschappelijk en daarmee gelijk te stellen gebied, in de woning en de bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie;

1.15 bestaand:
  • a. bestaande bouwwerken: bestaand legaal bouwwerk ten tijde van de terinzagelegging van het bestemmingsplan als ontwerp, dan wel mogen worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;
  • b. bestaand gebruik: bestaand legaal gebruik ten tijde van het in werking treden van het bestemmingsplan;
1.16 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

1.17 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.18 bijbeborend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

1.19 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.20 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.21 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop, ingevolge de regels, een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.22 bouwperceelgrens:

de grens van een bouwperceel;

1.23 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, bepaalde gebouwen en andere bouwwerken zijn toegelaten;

1.24 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect, met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.25 cultuurhistorische waarden:

de aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarden, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied;

1.26 dak:

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

1.27 dakkapel:

een constructie ter vergroting van een gebouw, welke zich boven de dakgoot bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst;

1.28 erf:

de oppervlakte van het bouwperceel, uitgezonderd de oppervlakte van het hoofdgebouw;

1.29 erftoegangsweg:

een erftoegangsweg als bepaald in de Wegenverkeerswet;

1.30 erker:

een uitbouw van de gevel van het hoofdgebouw, die maximaal 2/3 van de breedte van de voorgevel mag beslaan en waarvan de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 6 m2;

1.31 erotisch getinte vermaaksfunctie:

een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal;

1.32 escortbedrijf:

de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend (escortservices, bemiddelingsbureaus, overige);

1.33 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.34 gestapelde woningen:

een woning die geheel of gedeeltelijk boven/onder een andere woning is gelegen;

1.35 halfverharding:

doorlatende verharding die bestaat uit een wegdek met een zeer hoge doorlatendheid;

1.36 halfvrijstaande of twee-onder-een-kap woning:

een woning waarvan het hoofdgebouw aan één zijde is verbonden met het hoofdgebouw van een andere woning;

1.37 hoofdgebouw:

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken en waarin de hoofdfunctie ingevolge de bestemming is of wordt ondergebracht;

1.38 huishouden:

persoon of groep personen die een huishouden voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen;

1.39 kampeermiddel:
  • a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan;
  • b. enig ander onderkomen of ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelten daarvan, voorzover niet zijnde een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist;
  • c. een en ander voorzover de onder a. en b. bedoelde onderkomens of voertuigen geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of ingericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
1.40 luifel:

een uitstekend afdak aan een gebouw;

1.41 mantelzorg:

het bieden van zorg aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband in de vorm van inwoning en/of afhankelijke woonruimte; als afhankelijke woonruimte wordt aangemerkt een bijbehorend bouwwerk, dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg is gehuisvest;

1.42 nutsvoorziening:

voorziening ten behoeve van het openbaar nut, zoals ten behoeve van de levering van elektriciteit, gas, drinkwater en telecommunicatiediensten, alsmede ten behoeve van riolering en afvalinzameling;

1.43 oorspronkelijk hoofdgebouw:

het hoofdgebouw zoals dat ten tijde van de afronding van de bouwwerkzaamheden, overeenkomstig de voor het hoofdgebouw verleende vergunning, is opgeleverd;

1.44 overkapping:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte ruimte vormt, met ten hoogste 1 eigen wand;

1.45 peil:

de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen;

1.46 permanente bewoning:

het gebruik van een ruimte, daaronder begrepen kampeermiddelen, chalets, stacaravans en recreatiewoningen, als woonadres als bedoeld in de Wet Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (Wet GBA)

1.47 prostitutie:

het zich ten behoeve van een ander tegen vergoeding beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten;

1.48 raamprostitutie:

het etaleren van prostituees achter vensters, met de kennelijke intentie passanten te werven voor prostitutie;

1.49 recreatieve bewoning:

het gebruik van een gebouw, dat uitsluitend bestemd is om te dienen voor recreatief nachtverblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die zijn/hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben; onder recreatief nachtverblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen;

1.50 seksinrichting:

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden; onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.51 straatmeubilair:

de op of bij de weg behorende andere bouwwerken, zoals: verkeerstekens, wegbebakeningen, bewegwijzeringen, verlichting, halte-aanduidingen, parkeerregulerende constructies, roadbarriers, afvalinzamelsystemen, brandkranen, informatie- en reclameobjecten, rijwielstandaards, papier- en plantenbakken, zitbanken, communicatievoorzieningen, beeldende kunst, gedenktekens, speelvoorzieningen, abri's e.d.;

1.52 straatprostitutie:

het op de openbare weg door handeling, houding, woord, gebaar of op andere wijze benaderen van het publiek, met de kennelijke intentie passanten te werven voor prostitutie;

1.53 verblijfsgebied:

gedeelte van de openbare ruimte dat hoofdzakelijk is bestemd en is ingericht voor langzaam verkeer, doch in ondergeschikte mate tevens fungerend als erftoegangsweg.

1.54 voorgevellijn:

de lijn, welke aansluit aan de ligging van de voorgevels van de bestaande hoofdgebouwen en een zo gelijkmatig beloop overeenkomstig de weg heeft;

1.55 vrijstaande woning:

woning waarvan het hoofdgebouw niet aan het hoofdgebouw van een andere woning is gebouwd;

1.56 water en waterhuishoudkundige voorzieningen:

al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit, zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten;

1.57 werk:

een werk, geen gebouw of bouwwerk zijnde;

1.58 wonen:

het gehuisvest zijn in een woning;

1.59 woning:

een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimte;

1.60 woonadres:
  • a. het adres waar betrokkene woont, of indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;
  • b. het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder a., betrokkene naar redelijke verwachtingen gedurende drie maanden minimaal tweederde van de tijd zal overnachten;
1.61 woongebouw:

een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.2 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, dan wel de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een ander bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.4 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.5 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidsmuren en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.6 horizontale diepte van een bouwwerk:

de lengte van een bouwwerk, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel;

2.7 verticale diepte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend;

2.8 ondergeschikte bouwdelen:

bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen bouwvlakken of bestemmingsvlakken worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons, ingangspartijen, galerijen en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de bouw- c.q. bestemmingsgrens, dan wel de rooilijn met niet meer dan 1 meter wordt overschreden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bos

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende dan wel daaraan eigen cultuurhistorische, landschaps- en natuurwaarden die bestaan uit historisch tuin- en park-/bosontwerp, oude bossen en lanen, de bosranden en hellingbos, schrale bermen en de functie van deze tuin en parkbos voor de flora en fauna;
  • b. instandhouding van minimaal 1.544 m2 aaneensluitende natuur van het beheertype N15.02 dennen-, eiken- en beukenbossen;
  • c. instandhouding en ontwikkeling van aldaar voorkomende watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  • d. extensieve openluchtrecreatie, zoals fiets-, voet- en ruiterpaden voor zover de onder a en b bedoelde waarden niet onevenredig worden aangetast;
  • e. ten minste een verkeersontsluiting ten behoeve van langzaam verkeer ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting';
  • f. geluidwerende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'geluidwal';

met de daarbij behorende:

  • g. voorzieningen en andere bouwwerken.
3.2 Bouwregels

Op en in de gronden als bedoeld in lid 3.1 mogen uitsluitend andere bouwwerken geen overkappingen zijnde worden gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer mag bedragen dan 1 meter;
  • b. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken niet meer mag bedragen dan 1,5 meter;
  • c. de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'geluidwal' niet meer mag bedragen dan 8 meter.
3.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.3.1 Vergunningplicht

Het is verboden, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders, op of in de gronden als bedoeld in lid 3.1 de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, met uitzondering van het aanleggen van verhardingen ten behoeve van in- of uitritten tot een oppervlakte van 60 m² en het aanleggen van halfverhardingen;
  • b. het verlagen van de bodem en afgraven van gronden, dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld, anders dan normaal spit- en ploegwerk, tenzij daarvoor een vergunning is vereist krachtens de Ontgrondingenwet;
  • c. het ophogen en egaliseren van gronden, waaronder het aanleggen van geluid- en andere wallen;
  • d. het aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  • e. het verlagen van het grondwaterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  • f. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • g. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen, die de dood of ernstige beschadiging daarvan ten gevolge hebben of kunnen hebben;
  • h. het uitvoeren van graafwerkzaamheden, grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden (inclusief diepploegen, ontginnen en het aanleggen van drainage) dieper dan 0,3 meter onder maaiveld;
  • i. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
  • j. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, bomen, struiken en heesters.
3.3.2 Toelaatbaarheid
  • a. De in lid 3.3.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien:
    • 1. de in lid 3.1 genoemde waarden niet onevenredig worden aangetast als gevolg van deze werken of werkzaamheden, dan wel de direct of indirect te verwachten gevolgen daarvan;
    • 2. door de uitvoering daarvan het principe van het Beeldkwaliteitsplan Bosch & Hei Willem Arntsz Hoeve - Den Dolder, als opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels, niet in het geding komt.
  • b. Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.3.2 lid a onder 2 voor het voldoen aan het Beeldkwaliteitsplan Bosch & Hei Willem Arntsz Hoeve - Den Dolder van latere datum dan het Beeldkwaliteitsplan als opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels.
3.3.3 Uitzonderingen

Geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in lid 3.3.1 is vereist voor werken of werkzaamheden:

  • a. die het normale beheer en onderhoud betreffen;
  • b. die op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.

Artikel 4 Bos - Tuin

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bos - Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende dan wel daaraan eigen cultuurhistorische, landschaps- en natuurwaarden die bestaan uit historisch tuin- en park-/bosontwerp, oude bossen en lanen, de bosranden en hellingbos, schrale bermen en de functie van deze tuin en parkbos voor de flora en fauna;
  • b. instandhouding en ontwikkeling van aldaar voorkomende watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  • c. extensieve openluchtrecreatie, zoals fiets-, voet- en ruiterpaden voor zover de onder a en b bedoelde waarden niet onevenredig worden aangetast;

met de daarbij behorende:

  • d. voorzieningen en andere bouwwerken.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen

Op en in de gronden als bedoeld in lid 4.1 mogen uitsluitend delen van hoofdgebouwen, ten dienste van de aangrenzende bestemming 'Woongebied' en andere bouwwerken geen overkappingen zijnde ten dienste van de bestemming 'Bos - Tuin' worden gebouwd.

4.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. alleen oorspronkelijke hoofdgebouwen zijn toegestaan;
  • b. hoofdgebouwen mogen enkel ten behoeve van de aangrenzende bestemming 'Woongebied' worden gebouwd;
  • c. hoofdgebouwen mogen enkel gedeeltelijk binnen de bestemming 'Bos - Tuin' gebouwd worden, waarbij de voorgevel van een hoofdgebouw in de aangrenzende bestemming 'Woongebied' gebouwd dient te worden;
  • d. woningen mogen vrijstaand of twee-aaneen worden gebouwd;
  • e. het totaal aantal woningen binnen het bestemmingsplan mag niet meer bedragen dan 175;
  • f. de maximale goothoogte mag ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte' niet meer bedragen dan is aangeduid;
  • g. de maximale bouwhoogte mag ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' niet meer bedragen dan is aangeduid;
  • h. de oppervlakte per vrijstaande woning en twee-aaneengebouwde woning mag niet meer bedragen dan 120 m2;
  • i. de afstand van de zijgevels van het hoofdgebouw tot de zijdelingse bouwperceelgrens mag niet minder dan 3 meter bedragen, in het geval van twee-aaneengebouwde en aaneengebouwde wonen betreft dit de afstand van de niet aangebouwde zijdes van het hoofdgebouw tot de zijdelingse bouwperceelgrens;
  • j. de ondergrondse bouwdiepte mag niet meer dan 4 meter bedragen, met dien verstande dat voor gebouwde parkeervoorzieningen een bouwdiepte van maximaal 6 meter is toegestaan.
4.2.3 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 1,5 meter.
4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.3.1 Vergunningplicht

Het is verboden, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders, op of in de gronden als bedoeld in lid 4.1 de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, met uitzondering van het aanleggen van verhardingen ten behoeve van in- of uitritten tot een oppervlakte van 60 m² en het aanleggen van halfverhardingen;
  • b. het verlagen van de bodem en afgraven van gronden, dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld, anders dan normaal spit- en ploegwerk, tenzij daarvoor een vergunning is vereist krachtens de Ontgrondingenwet;
  • c. het ophogen en egaliseren van gronden, waaronder het aanleggen van geluid- en andere wallen;
  • d. het aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  • e. het verlagen van het grondwaterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  • f. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • g. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen, die de dood of ernstige beschadiging daarvan ten gevolge hebben of kunnen hebben;
  • h. het uitvoeren van graafwerkzaamheden, grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden (inclusief diepploegen, ontginnen en het aanleggen van drainage) dieper dan 0,3 meter onder maaiveld;
  • i. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
  • j. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, bomen, struiken en heesters.
4.3.2 Toelaatbaarheid
  • a. De in lid 4.3.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien:
    • 1. de in lid 4.1 genoemde waarden niet onevenredig worden aangetast als gevolg van deze werken of werkzaamheden, dan wel de direct of indirect te verwachten gevolgen daarvan;
    • 2. door de uitvoering daarvan het principe van het Beeldkwaliteitsplan Bosch & Hei Willem Arntsz Hoeve - Den Dolder, als opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels, niet in het geding komt.
  • b. Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.3.2 lid a onder 2 voor het voldoen aan het Beeldkwaliteitsplan Bosch & Hei Willem Arntsz Hoeve - Den Dolder van latere datum dan het Beeldkwaliteitsplan als opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels.
4.3.3 Uitzonderingen

Geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in lid 4.3.1 is vereist voor werken of werkzaamheden:

  • a. die het normale beheer en onderhoud betreffen;
  • b. die op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.

Artikel 5 Groen

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. speelvoorzieningen;
  • c. watergangen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • d. fiets- en voetpaden;
  • e. in- en uitritten;
  • f. beeldende kunst;

met de daarbij behorende:

  • g. voorzieningen en andere bouwwerken;

met daaraan ondergeschikt:

  • h. verhardingen.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Algemeen

Uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming mogen worden gebouwd.

5.2.2 Gebouwen

Gebouwen zijn niet toegestaan.

5.2.3 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van licht- en andere masten mag niet meer bedragen dan 6 meter;
  • b. de bouwhoogte van beeldende kunst mag niet meer bedragen dan 4 meter;
  • c. de bouwhoogte van speelvoorzieningen mag niet meer bedragen dan 5 meter;
  • d. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 meter.
5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.3.1 Vergunningplicht

Het is verboden om op de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
  • b. het aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  • c. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen, die de dood of ernstige beschadiging daarvan ten gevolge hebben of kunnen hebben;
  • d. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, bomen, struiken en heesters.
5.3.2 Toelaatbaarheid
  • a. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.3.1 wordt slechts verleend indien:
    • 1. door de uitvoering daarvan het principe van het Beeldkwaliteitsplan Bosch & Hei Willem Arntsz Hoeve - Den Dolder, als opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels, niet in het geding komt.
  • b. Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.3.2 lid a onder 1 voor het voldoen aan het Beeldkwaliteitsplan Bosch & Hei Willem Arntsz Hoeve - Den Dolder van latere datum dan het Beeldkwaliteitsplan als opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels.
5.3.3 Uitzonderingen

Geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in lid 5.3.1 is vereist voor werken of werkzaamheden:

  • a. die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
  • b. die op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.

Artikel 6 Tuin

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen;
  • b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Algemeen

Uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming mogen worden gebouwd.

6.2.2 Gebouwen

Gebouwen zijn niet toegestaan.

6.2.3 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van licht- en andere masten mag niet meer bedragen dan 5 meter;
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevellijn of de voorgevellijn van om de hoek gelegen hoofdgebouwen ten hoogste 1 meter
  • c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt achter de voorgevellijn ten hoogste 2 meter, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen die gelegen zijn op minder dan 1 meter van de aan het openbaar gebied grenzende perceelsgrens, welke ten hoogste 1 meter mogen bedragen;
  • d. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 2 meter.
6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.3.1 Vergunningplicht

Het is verboden om op de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
  • b. het aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  • c. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen, die de dood of ernstige beschadiging daarvan ten gevolge hebben of kunnen hebben;
  • d. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, bomen, struiken en heesters.
6.3.2 Toelaatbaarheid
  • a. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.3.1 wordt slechts verleend indien:
    • 1. door de uitvoering daarvan het principe van het Beeldkwaliteitsplan Bosch & Hei Willem Arntsz Hoeve - Den Dolder, als opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels, niet in het geding komt.
  • b. Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.3.2 lid a onder 1 voor het voldoen aan het Beeldkwaliteitsplan Bosch & Hei Willem Arntsz Hoeve - Den Dolder van latere datum dan het Beeldkwaliteitsplan als opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels.
6.3.3 Uitzonderingen

Geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in lid 6.3.1 is vereist voor werken of werkzaamheden:

  • a. die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
  • b. die op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.

Artikel 7 Verkeer

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen met ten hoogste twee rijstroken;
  • b. verhardingen;
  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. in- en uitvoeg- en opstelstroken;
  • e. bushaltes;
  • f. geluidwerende voorzieningen;
  • g. parkeerstroken en -voorzieningen;
  • h. fiets- en voetpaden;
  • i. bermen, groen- en speelvoorzieningen;
  • j. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • k. nutsvoorzieningen;
  • l. beeldende kunst;

met de daarbij behorende:

  • m. voorzieningen en andere bouwwerken.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Algemeen

Uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming mogen worden gebouwd.

7.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en ondergeschikte gebouwen zoals abri's gelden de volgende regels:

  • a. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 20 m2;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter.
7.2.3 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van licht- en andere masten mag niet meer bedragen dan 10 meter;
  • b. de bouwhoogte van beeldende kunst mag niet meer bedragen dan 8 meter;
  • c. de bouwhoogte van speelvoorzieningen mag niet meer bedragen dan 5 meter;
  • d. de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen mag niet meer bedragen dan 6 meter;
  • e. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 meter.
7.3 Specifieke gebruiksregels
7.3.1 Voorwaardelijke verplichting

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - nnn' zijn de in lid 7.1 genoemde functies slechts toelaatbaar, indien ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - nnn' in de bestemming 'Bos' minimaal 1.544 m2 aaneensluitende natuur van het beheertype N15.02 dennen-, eiken- en beukenbossen duurzaam in stand gehouden worden.

7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
7.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden om op de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
  • b. het aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  • c. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen, die de dood of ernstige beschadiging daarvan ten gevolge hebben of kunnen hebben;
  • d. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, bomen, struiken en heesters.
7.4.2 Toelaatbaarheid
  • a. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.4.1 wordt slechts verleend indien:
    • 1. door de uitvoering daarvan het principe van het Beeldkwaliteitsplan Bosch & Hei Willem Arntsz Hoeve - Den Dolder, als opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels, niet in het geding komt.
  • b. Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.4.2 lid a onder 1 voor het voldoen aan het Beeldkwaliteitsplan Bosch & Hei Willem Arntsz Hoeve - Den Dolder van latere datum dan het Beeldkwaliteitsplan als opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels.
7.4.3 Uitzonderingen

Geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in lid 7.4.1 is vereist voor werken of werkzaamheden:

  • a. die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
  • b. die op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.

Artikel 8 Woongebied

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen;
  • b. beroep of bedrijf aan huis;
  • c. tuinen;
  • d. groen- en speelvoorzieningen;
  • e. verkeers-, verblijfs- en parkeervoorzieningen;
  • f. water en waterhuishoudkunidge voorzieningen met daarbij behorende oevers en taluds;
  • g. wegen met ten hoogste twee rijstroken;
  • h. verhardingen;
  • i. parkeerstroken en -voorzieningen;
  • j. fiets- en voetpaden;
  • k. bermen;
  • l. nutsvoorzieningen;
  • m. geluidwerende voorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • n. voorzieningen en andere bouwwerken.
8.2 Bouwregels
8.2.1 Algemeen

Op en in de gronden als bedoeld in lid 8.1 mogen uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken geen overkappingen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

8.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. alleen oorspronkelijke hoofdgebouwen zijn toegestaan;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - gebouwen' is het bouwen van gebouwen, bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet toegestaan;
  • c. woningen mogen vrijstaand of twee-aaneen worden gebouwd;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' zijn eveneens aaneengebouwde woningen toegestaan;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' zijn eveneens gestapelde woningen toegestaan;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' mag het aantal wooneenheden niet meer bedragen dan is aangeduid, met inachtneming van het bepaalde in lid g;
  • g. het totaal aantal woningen binnen het bestemmingsplan mag niet meer bedragen dan 175;
  • h. de maximale goothoogte bedraagt 6,5 meter;
  • i. de maximale bouwhoogte bedraagt 11 meter;
  • j. in afwijking van het bepaalde onder i bedraagt de maximale bouwhoogte voor gestapelde woningen 13 meter;
  • k. in afwijking van het bepaalde onder i mag ter plaatse van gestapelde woningen over maximaal 30% van het bebouwde oppervlak de maximale bouwhoogte niet meer dan 15 meter bedragen;
  • l. in afwijking van het bepaalde onder h mag de maximale goothoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte' niet meer bedragen dan is aangeduid;
  • m. in afwijking van het bepaalde onder h en l mag ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte' in geval van een plat dak over maximaal 30% van het bebouwde oppervlak de maximale goothoogte niet meer dan 10 meter bedragen;
  • n. in afwijking van het bepaalde onder i en k mag de maximale bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' niet meer bedragen dan is aangeduid;
  • o. ter plaatse van de aanduiding 'plat dak' is uitsluitend een plat dak toegestaan;
  • p. de oppervlakte per vrijstaande woning en twee-aaneengebouwde woning mag niet meer bedragen dan 120 m2;
  • q. de oppervlakte per aaneengebouwde woning mag niet meer bedragen dan 90 m2;
  • r. in afwijking van het bepaalde onder p mag de maximale oppervlakte van een vrijstaande en twee- aaneengebouwde woning ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte' niet meer bedragen dan is aangeduid;
  • s. de afstand van de voorgevel van het hoofdgebouw tot de voorste bouwperceelgrens mag niet minder dan 2 meter bedragen;
  • t. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - verspringende voorgevel' geldt dat niet meer dan twee naast elkaar gelegen bouweenheden in dezelfde gevellijn gebouwd mogen worden, waarbij het verschil in voorgevels tussen deze twee bouweenheden en de andere bouweenheden tenminste 2 meter bedraagt;
  • u. de afstand van de zijgevels van het hoofdgebouw tot de zijdelingse bouwperceelgrens mag niet minder dan 3 meter bedragen, in het geval van twee-aaneengebouwde en aaneengebouwde wonen betreft dit de afstand van de niet aangebouwde zijdes van het hoofdgebouw tot de zijdelingse bouwperceelgrens;
  • v. in afwijking tot het bepaalde onder u mag de afstand tussen de zijgevel van gestapelde woningen tot de zijdelingse bouwperceelgrens 0 meter bedragen;
  • w. de ondergrondse bouwdiepte mag niet meer dan 4 meter bedragen, met dien verstande dat voor gebouwde parkeervoorzieningen een bouwdiepte van maximaal 6 meter is toegestaan.
8.2.3 Bijbehorende bouwwerken en overkappingen

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. aangebouwde en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken zijn niet toegestaan;
  • b. vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn niet toegestaan voor de voorgevel of de voorgevel van om de hoek gelegen hoofdgebouwen;
  • c. de afstand tot openbare wegen met bijbehorende paden en bermen bedraagt minimaal 1 meter;
  • d. de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij vrijstaande, twee-aaneen en aaneen gebouwde woningen, mag per hoofdgebouw niet meer dan 40 m² bedragen plus 2% van de oppervlakte van het desbetreffende bouwperceel, tot een maximum van 100 m² en met dien verstande dat het bouwperceel daardoor nooit voor meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • e. goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 meter;
  • f. de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 4,5 meter;
  • g. de bouwhoogte van overkappingen mag niet meer bedragen dan 3 meter.
8.2.4 Overige gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en ondergeschikte gebouwen zoals abri's gelden de volgende regels:

  • a. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 20 m2;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter.
8.2.5 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevellijn of de voorgevellijn van om de hoek gelegen hoofdgebouwen ten hoogste 1 meter
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt achter de voorgevellijn ten hoogste 2 meter, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen die gelegen zijn op minder dan 1 meter van de aan het openbaar gebied grenzende perceelsgrens, welke ten hoogste 1 meter mogen bedragen;
  • c. de bouwhoogte van licht- en andere masten mag niet meer bedragen dan 10 meter;
  • d. de bouwhoogte van speelvoorzieningen mag niet meer bedragen dan 7 meter;
  • e. de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen mag niet meer bedragen dan 8 meter;
  • f. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 meter.
8.2.6 Criteria voor het bouwen, uitbreiden en wijzigen

Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en het wijzigen van gebouwen en andere bouwwerken wordt slechts verleend, indien voldaan wordt aan:

  • a. het niet onevenredig schaden van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de nabijgelegen gronden;
  • b. het niet onevenredig schaden van het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. het Beeldkwaliteitsplan Bosch & Hei Willem Arntsz Hoeve - Den Dolder als opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels;
  • d. het bepaalde in de Woonvisie Zeist 2016 - 2020.
8.3 Afwijken van de bouwregels
8.3.1 Afwijkingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 8.2.2 onder t voor de verkleining van de afstand van de woningen tot de zijdelingse bouwperceelgrens tot 0 meter;
  • b. artikel 8.2.6 onder c voor het voldoen aan het Beeldkwaliteitsplan Bosch & Hei Willem Arntsz Hoeve - Den Dolder van latere datum dan het Beeldkwaliteitsplan als opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels;
  • c. artikel 8.2.6 onder d voor het voldoen aan de Woonvisie Zeist van latere datum dan de Woonvisie Zeist 2016 - 2020.
8.3.2 Afwegingskader

Een afwijking als bedoeld in artikel 8.3.1 is slechts mogelijk, indien:

  • a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad;
  • c. geen sprake is van een onevenredige aantasting van de bouw- en gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van nabijgelegen aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • d. de afwijking niet tot gevolg heeft dat de geluidsbelasting op de geluidgevoelige objecten hoger is dan bij of krachtens de bepalingen van de Wet geluidhinder maximaal is toegestaan.
8.4 Specifieke gebruiksregels
8.4.1 Strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het wonen in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk;
  • b. buitenopslag van goederen ten behoeve van de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis;
  • c. bedrijfsactiviteiten in de openbare ruimte rond de betreffende woning, met uitzondering van het laden en lossen.
8.4.2 Beroep of bedrijf aan huis

De gezamenlijke brutovloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis mag niet meer bedragen dan 30% van de totale brutovloeroppervlakte van de betreffende woning en de daarbij behorende bouwwerken en in ieder geval niet meer dan 100 m2.

8.4.3 Parkeren

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruiken of het laten gebruiken van gronden of bouwwerken waarbij niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 13.1 ten aanzien van het parkeren.

8.5 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8.4.1 onder a ten behoeve van het wonen in een bijbehorend bouwwerk, indien:

  • a. daarvoor dringende sociaal-economische redenen bestaan;
  • b. vooraf vaststaat dat het tijdelijke huisvesting betreft;
  • c. het aantal zelfstandige woningen binnen het plangebied niet wordt vergroot.
8.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.6.1 Vergunningplicht

Het is verboden om op de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
  • b. het aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  • c. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen, die de dood of ernstige beschadiging daarvan ten gevolge hebben of kunnen hebben;
  • d. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, bomen, struiken en heesters.
8.6.2 Toelaatbaarheid
  • a. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.6.1 wordt slechts verleend indien:
    • 1. door de uitvoering daarvan het principe van het Beeldkwaliteitsplan Bosch & Hei Willem Arntsz Hoeve - Den Dolder, als opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels, niet in het geding komt.
  • b. Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.6.2 lid a onder 1 voor het voldoen aan het Beeldkwaliteitsplan Bosch & Hei Willem Arntsz Hoeve - Den Dolder van latere datum dan het Beeldkwaliteitsplan als opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels.
8.6.3 Uitzonderingen

Geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in lid 8.6.1 is vereist voor werken of werkzaamheden:

  • a. die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
  • b. die op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.
8.7 Wijzigingsbevoegdheid
8.7.1 wetgevingzone - wijzigingsgebied

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied' te wijzigen en de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - gebouwen' als bedoeld in lid 8.2.2 onder a te laten vervallen met inachtneming van het volgende:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - gebouwen' is maximaal 1 woning toegestaan;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - gebouwen' is enkel een plat dak toegestaan;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - gebouwen' bedraagt de bouwhoogte maximaal 5 meter;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - gebouwen' bedraagt de maximale oppervlakte 120 m2;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' mag het aantal wooneenheden maximaal 3 bedragen;
  • f. het bepaalde in artikel 8.2.6 blijft van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9 Waarde - Archeologie 2

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden.

9.2 Bouwregels
9.2.1 Verbod

Het is verboden om zonder afwijking van burgemeester en wethouders te bouwen of te laten bouwen op de voor 'Waarde - Archeologie 2' mede bestemde gronden.

9.2.2 Uitzonderingen

Het onder 9.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing als aan tenminste één van de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

  • a. bebouwing waarvan de oppervlakte niet meer dan 1.000 m2 bedraagt en die daar kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), met dien verstande dat plandelen die in gezamenlijkheid ontwikkeld worden ook in gezamenlijkheid beschouwd dienen te worden;
  • b. bebouwing waarbij de bodem tot maximaal 30 centimeter onder het bestaande maaiveld wordt geroerd (en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst) en die daar kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en).
9.3 Afwijken van de bouwregels
9.3.1 Afwijking

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het verbod in 9.2.1 voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits op basis van deskundig archeologisch onderzoek in voldoende mate blijkt dat:

  • a. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
  • b. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
  • c. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad.
9.3.2 Beperkingen

Burgemeester en wethouders kunnen de afwijking onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan de afwijking verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  • c. de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door de burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden, op of in de in lid 9.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het vergraven en egaliseren van gronden;
  • b. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder begrepen het kweken en telen van bomen, struiken en heesters;
  • c. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
  • d. het aanleggen van waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen;
  • e. het aanbrengen van leidingen, constructies, installaties en apparatuur;
  • f. het ophogen van gronden en aanleggen van (geluids)wallen;
  • g. werken en werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of ten gevolge hebben, zoals uitdiepen, draineren en slaan van putten.
9.4.2 Toelaatbaarheid

Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in 9.4.1 mag alleen worden verleend, indien door de uitvoering van de werken en werkzaamheden dan wel door de daarvan, hetzij direct hetzij indirect, te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden, dan wel hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.

Vooraf dient door aanvrager van de omgevingsvergunning een deskundig archeologisch rapport is overgelegd waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate blijkt dat:

  • a. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
  • b. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
  • c. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad.
9.4.3 Uitzonderingen

Geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in lid 9.4.1 is vereist voor werken of werkzaamheden:

  • a. die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
  • b. die op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning;
  • c. werken en werkzaamheden die betrekking hebben op plangebieden die niet groter zijn dan 1.000 m² en ingrepen die niet dieper dan 30 cm de bodem verstoren, met dien verstande dat plandelen die in gezamenlijkheid ontwikkeld worden ook in gezamenlijkheid beschouwd dienen te worden.
9.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, indien op basis van deskundig archeologisch onderzoek blijkt dat:

  • a. ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  • b. het niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.

Artikel 10 Waarde - Cultuurhistorie

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en herstel van de cultuurhistorische waarden.

10.2 Bouwregels
10.2.1 Toegestane bouwwerken

In afwijking van het elders in deze regels bepaalde met betrekking tot het bouwen, mogen op en in de gronden als bedoeld in lid 10.1, andere bouwwerken ten behoeve van de in lid 10.1 aangegeven doeleinden worden gebouwd, zoals terreinafscheidingen en informatie- en aanwijsborden.

10.2.2 Toelaatbaarheid

Het bouwen en gebruik krachtens de op de gronden geldende andere bestemmingen als bedoeld in lid 10.1, mag uitsluitend geschieden:

  • a. voor zover de cultuurhistorisch belangen dat gedogen;
  • b. nadat ter zake advies is ingewonnen bij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Zeist;
  • c. indien door de uitvoering daarvan het principe van het Beeldkwaliteitsplan Bosch & Hei Willem Arntsz Hoeve - Den Dolder, zoals deze geldt op het moment van de aanvraag, niet in het geding komt.
10.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.3.1 Vergunningplicht

Het is verboden om op de voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden, waaronder het aanleggen van geluid- en andere wallen;
  • b. aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  • c. vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen, die de dood of ernstige beschadiging daarvan ten gevolge hebben of kunnen hebben;
  • d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
  • e. bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder begrepen het kweken en telen van bomen, struiken en heesters.
10.3.2 Toelaatbaarheid
  • a. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 10.3.1 wordt slechts verleend indien:
    • 1. door de uitvoering daarvan, dan wel de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen daardoor de cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast;
    • 2. ter zake advies is ingewonnen bij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Zeist;
    • 3. door de uitvoering daarvan het principe van het Beeldkwaliteitsplan Bosch & Hei Willem Arntsz Hoeve - Den Dolder, als opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels, niet in het geding komt.
  • b. Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 10.3.2 lid a onder 3 voor het voldoen aan het Beeldkwaliteitsplan Bosch & Hei Willem Arntsz Hoeve - Den Dolder van latere datum dan het Beeldkwaliteitsplan als opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels.
10.3.3 Uitzonderingen

Geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in lid 10.3.1 is vereist voor werken of werkzaamheden:

  • a. die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
  • b. die op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12 Algemene bouwregels

12.1 Bestaande afwijkingen
  • a. Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van de maatvoering en situering van gebouwen gelden de bouwregels, zoals die onder de bestemmingen en in dit artikel zijn voorgeschreven, dan wel de bestaande overschrijding daarvan, zoals deze op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, of kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen;
  • b. Het bepaalde onder a geldt niet voor bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan;
  • c. In geval van herbouw is het bepaalde onder a uitsluitend van toepassing indien herbouw op dezelfde plaats geschiedt.
12.2 Onderkeldering van gebouwen

Voor het bouwen onder een gebouw gelden de volgende regels:

  • a. de bouwdiepte mag maximaal 4 meter bedragen;
  • b. de ondergrondse bebouwing of halfverdiepte bebouwing mag uitsluitend onder het gebouw worden gerealiseerd, met uitzondering van ingangspartijen en voorzieningen voor de toetreding van daglicht;
  • c. de bouwhoogte van keermuren ten behoeve van ingangspartijen mag niet meer dan 1.20 meter bedragen;
  • d. de voorzieningen voor de toetreding van daglicht mogen maximaal 1 meter uit de gevel worden gebouwd.
12.3 Aangrenzende terreinen

Het is verboden enig terrein of bouwperceel zodanig te bebouwen, dat daardoor op een aangrenzend terrein, bouwvlak of bouwperceel een toestand zou ontstaan, die aldaar niet meer met de regels van dit plan zou overeenstemmen, of voorzover er reeds aldaar een afwijking van de regels bestaat, zodanig te bebouwen, dat deze afwijking zou worden vergroot.

Artikel 13 Algemene gebruiksregels

13.1 Parkeren
13.1.1 Parkeergelegenheid
  • a. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, mag niet worden gebouwd wanneer voor dit bouwwerk op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien.
  • b. De omgevingsvergunning voor het bouwen kan alleen worden verleend als wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, zoals opgenomen in de 'Parkeerbeleidsnota Zeist' (d.d. 3 mei 2004). Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt rekening gehouden met deze wijziging.
  • c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien:
    • 1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
    • 2. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien; of
    • 3. indien is aangetoond dat het voldoen aan die bepalingen niet meer noodzakelijk is.

Met dien verstande dat de omgevingsvergunning voor het afwijken uitsluitend wordt verleend indien de verwachte effecten inzichtelijk zijn gemaakt is aangetoond op welke wijze de hinder voor de directe omgeving geminimaliseerd wordt.

  • d. Gerealiseerde parkeervoorzieningen mogen niet zodanig worden gewijzigd, dat hierdoor niet meer voldoende parkeergelegenheid aanwezig is, zoals opgenomen in de 'Parkeerbeleidsnota Zeist' (d.d. 3 mei 2004). Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt rekening gehouden met deze wijziging.
13.1.2 Laad- en losruimte
  • a. Indien het beoogde gebruik van een bouwwerk aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen uitsluitend verleend indien aan of in dat bouwwerk dan wel op het onbebouwde terrein bij het bouwwerk wordt voorzien in die behoefte. Deze bepaling geldt niet:
    • 1. voor bestaand gebruik, waarbij de herbouw van een bouwwerk zonder functiewijziging wordt beschouwd als bestaand gebruik;
    • 2. voor zover op andere wijze in de nodige laad- of losruimte wordt voorzien.
  • b. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende laad- en losgelegenheid wordt voorzien:
    • 1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
    • 2. voor zover op andere wijze in de nodige laad- en losruimte wordt voorzien.
13.2 Aanvuling gebruiksverbod

Onder het gebruiken als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt tevens verstaan het in gebruik geven of laten gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

13.3 Vormen van verboden gebruik (onbebouwd)

Als een verboden gebruik, als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt in ieder geval beschouwd een gebruik van gronden en/of water:

  • a. als opslag-, stort-, lozings- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen of producten, behoudens voorzover dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • b. als terrein voor het al dan niet voor de verkoop opslaan of opstellen van ongebruikte en/of gebruikte, dan wel geheel of gedeeltelijk uit gebruikte onderdelen samengestelde machines, voer-, vaar- of vliegtuigen c.q. onderdelen daarvan, die bruikbaar en niet aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken zijn, behoudens voorzover het betreft parkeren en overigens voorzover dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • c. als opslagplaats van hout en/of aannemersmaterialen, behoudens voorzover dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond, of ten behoeve van bouw of andere tijdelijke werkzaamheden;
  • d. voor het (doen) uitoefenen van straatprostitutie.
13.4 Vormen van verboden gebruik (gebouwen)

Als een verboden gebruik, als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt in ieder geval beschouwd het gebruik:

  • a. van gebouwen voor het verkopen of ten verkoop aanbieden van goederen als detailhandel, met uitzondering van het verkopen of ten verkoop aanbieden van:
    • 1. goederen, waarvan de verkoop deel uitmaakt van de normale dienstverlening behorende bij het op hetzelfde perceel uitgeoefende bedrijf;
    • 2. agrarische producten afkomstig van en geteeld op het ter plaatse aanwezige agrarisch bedrijf;
  • b. van niet voor bewoning bestemde gebouwen of ruimten, daaronder begrepen kampeermiddelen, voor permanente bewoning;
  • c. van gebouwen ten behoeve van het (doen) exploiteren van een seksinrichting, een escortbedrijf of (het laten uitoefenen van) raamprostitutie.

Artikel 14 Algemene aanduidingsregels

14.1 luchtvaartverkeerzone - 45m

Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - 45m' mag de bouwhoogte van bebouwing of de hoogte van beplanting niet meer dan 45 meter bedragen.

Artikel 15 Algemene afwijkingsregels

15.1 Bevoegdheid tot het afwijken

Het bevoegd gezag is bevoegd af te wijken van de regels van het plan, ten behoeve van:

  • a. het bouwen van niet voor bewoning bestemde bouwwerken voor nutsvoorzieningen, waarvan de oppervlakte niet meer dan 30 m² en de bouwhoogte niet meer dan 3 meter mag bedragen;
  • b. het bouwen van andere bouwwerken binnen 1 meter uit de grens van de bestemming 'Verkeer', voor het weren van voorwerpen die de verkeersveiligheid in gevaar kunnen brengen, verkeersregeling, verkeersgeleiding, wegaanduiding of verlichting, mits de landschappelijke en/of natuurwaarden daardoor niet onevenredig worden aangetast;
  • c. het aanpassen van de ligging van bouw- en aanduidingsgrenzen voor zover noodzakelijk ter aanpassing van het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein, mits die afwijkingen ten opzichte van hetgeen is aangegeven niet meer dan 1 meter bedragen;
  • d. het aanpassen van de ligging van bestemmingsgrenzen voor zover noodzakelijk ter aanpassing van het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein, mits die afwijkingen ten opzichte van hetgeen is aangegeven niet meer dan 10 meter bedragen;
  • e. het afwijken van de in de regels voorgeschreven maten, afmetingen, percentages, behoudens de afstanden tot aan voorste en zijdelingse bouwperceelgrenzen, tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  • f. het bouwen van masten en bijbehorende installaties voor telecommunicatie, al of niet op of aan gebouwen of andere bouwwerken, tot vanaf peil een bouwhoogte van 40 meter, waarbij als voorwaarde kan worden gesteld dat gebruik dient te worden gemaakt van bestaande masten voor telecommunicatie of andere bestaande hoge objecten, zoals hoge gebouwen, lichtmasten of hoogspanningsmasten, indien deze aanwezig zijn binnen een redelijke afstand van de gevraagde locatie.
15.2 Voorwaarden waaronder kan worden afgeweken

Er kan niet worden afgeweken als bedoeld in artikel 15.1, indien de bouw- en gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen percelen in onevenredige mate worden beperkt en/of indien ter plaatse aanwezige waarden op onevenredige wijze worden of kunnen worden aangetast.

Artikel 16 Algemene wijzigingsregels

16.1 Algemene wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de ligging van grenzen van bestemmings- en bouwvlakken en aanduidingen te wijzigen zodanig, dat:

  • a. de geldende oppervlakte van de bij wijziging betrokken vlakken met niet meer dan 10% wordt verkleind of vergroot.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 17 Overgangsrecht

17.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid 17.1 sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • c. Lid 17.1 sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
17.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 17.2 sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het lid 17.2 sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Lid 17.2 sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 18 Slotregel

18.1 Citeertitel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld.