Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Trechtweg 1 - Ossenwaard 5.0001/7
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0352.cottrecht1ossen5-bva1

Regels

 
Toelichting / introductie
Dit TAM omgevingsplan beoogt het mogelijk te maken om een agrarisch- en bedrijfsperceel aan de Ossenwaard 5-0001/7 te Cothen in gebruik te nemen voor reguliere woondoeleinden en een bestaand bedrijfsperceel aan de Trechtweg 1 te Cothen uit te breiden voor bedrijfsdoeleinden. Juridisch vormt het plan een nieuw hoofdstuk (te lezen als hoofdstuk 22c) van het omgevingsplan van de gemeente Wijk bij Duurstede.
 
Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet wenselijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22c] van het omgevingsplan van de Gemeente Wijk bij Duurstede.
 
In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '(22c)' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de Bijlage (22c) gelezen worden. Dus:
  • hoofdstuk 1 (Inleidende regels) moet worden gelezen als hoofdstuk 22c, paragraaf 1;
  • hoofdstuk 2 (Functies en andere gebiedsaanwijzingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22c, paragraaf 2;
  • hoofdstuk 3 (Algemene regels ten aanzien van activiteiten) moet worden gelezen als hoofdstuk 22c, paragraaf 3;
  • hoofdstuk 4 (Overgangsrecht en slotbepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22c, paragraaf 4;
  • Bijlagen bij de regels (TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c ‘Trechtweg 1 - Ossenwaard 5.0001/7’) moet worden gelezen als bijlage 1 etc. bij hoofdstuk 22c.
 
 
1 Inleidende regels
  
Artikel 1 Begripsbepalingen
 
  1. Bijlage 1 bij dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c ‘Trechtweg 1 - Ossenwaard 5.0001/7’ te Cothen' bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit TAM-IMRO-deel van het omgevingsplan.
  2. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c ‘Trechtweg 1 - Ossenwaard 5.0001/7’, tenzij in bijlage 1 daarvan is afgeweken.
 
Artikel 2 Toepassingsbereik
 
  1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locaties Trechtweg 1 te Cothen en Ossenwaard 5-0001 en 7 te Cothen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0352.cottrecht1ossen5-bva1.
 
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
 
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
3.1 de dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
 
3.2 De bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 
3.3 De goothoogte van een bouwwerk:
  1. vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
  2. de goothoogte van een lessenaarsdak wordt bepaald vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel van de laagste zijde van de kap.
 
3.4 De inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
3.5 de afstand tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel:
vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel.
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als:
  • plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en uitbouwen met een oppervlakte van 2 m² of kleiner;
  • overstekende of opgelichte daken;
  • luifels als geïntegreerd onderdeel van een uitbouw;
  • bijgebouwen en bouwwerken die worden gebouwd achter de naar de weg gekeerde gevellijn, niet zijnde erkers, uitbouwen of aanbouwen met een oppervlakte van ten hoogste 6 m² en een bouwhoogte van ten hoogste 3 m;
buiten beschouwing gelaten.
 
3.6 De oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk of ingeval dat geen gevelvlakken of scheidingsmuren aanwezig zijn, de oppervlakte vanaf de buitenzijde van het dak neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
3.7 Het bebouwd oppervlak van een bouwperceel:
de oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen.
 
3.8 Peil:
de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein.
 
Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod
 
  1. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden de gronden en de bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de aangegeven functies en/of gebiedsaanwijzingen;
  2. Het is verboden bouwwerken, voor het bouwen waarvan op grond van de in dit omgevingsplan besloten regels, bij een omgevingsvergunning is afgeweken, te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met het doel, waarvoor bij die omgevingsvergunning is afgeweken.
 
Artikel 5 Aanvraagvereisten
 
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
2 Functies en activiteiten
   
Artikel 6 Agrarisch
 
6.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Agrarisch.
 
6.2 Functieomschrijving
Gronden binnen de locaties ‘Agrarisch ’ mogen worden benut voor:
  1. agrarisch gebruik;
  2. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘ontsluiting’, tevens voor een toegangsweg annex in- of uitrit ten behoeve van het bedrijf Trechtweg 1;
  3. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘landschappelijke inpassing’, tevens voor landschappelijke inpassing;
  4. extensief recreatief medegebruik;
  5. verharde en onverharde paden, wegen;
  6. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  7. parkeervoorzieningen;
  8. beplanting;
  9. nutsvoorzieningen.
 
6.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
6.3.1 Toepassingsbereik
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden voor bouwactiviteiten de in dit artikel opgenomen beoordelingsregels;
 
6.3.2 Beoordelingsregels:
  1. op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd;
  2. op deze gronden mag niet ondergronds worden gebouwd.
 
Artikel 7 Bedrijf
 
7.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Bedrijf.
 
7.2 Functieomschrijving
Een als ‘Bedrijf’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. de uitoefening van bedrijven behorende tot categorie 1 en 2 van de in Bijlage 22 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten;
  2. de uitoefening van een niet-agrarisch bedrijf in de vorm van activiteiten gericht en gelieerd aan de handel in tuin- en bestratingsmaterialen en - benodigdheden, op-/overslag en handel(ingen) met grond, stenen en aanverwante stoffen en producten;
  3. een bedrijfswoning, waarbij maximaal 1 bedrijfswoning is toegestaan, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep en/of bedrijf en/of mantelzorg;
  4. functioneel ondersteunende detailhandelsactiviteiten welke een andere activiteit op dezelfde locatie ondersteunt en dat er zonder die kernactiviteit niet zou zijn;
  5. functioneel ondersteunende geluidrelevante activiteiten ter plaatse van de aangewezen locatie ‘grote geluidsbronnen’, waarbij onder geluidrelevante activiteiten wordt verstaan:
    • inzet trommelzeef inclusief kraan/graafmachine (maximaal 2x per maand in de dagperiode);
    • inzet puinbreekinstallatie inclusief shovel en graafmachine (maximaal 4x per jaar in de dagperiode).
 
met daarbij behorende gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken, in- en uitritten, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, opslagdoeleinden en -faciliteiten, groenvoorzieningen, erfverhardingen en parkeervoorzieningen.
 
7.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
7.3.1 Toepassingsbereik
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden voor bouwactiviteiten de in dit artikel opgenomen beoordelingsregels;
 
7.4 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
7.4.1 Gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken
Op deze gronden mogen ten behoeve van de functie Bedrijf uitsluitend worden gebouwd gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels:
 
  1. maatvoering en gegevens hoofdgebouwen
  
bedrijfswoning
maximaal
 
goothoogte
6 m
 
bouwhoogte
10 m
 
inhoud
650 m³
 
bedrijfsgebouwen
maximaal
goothoogte
9 m
bouwhoogte
11m
maximale omvang oppervlakte bebouwing
Conform weergave verbeelding
  
 
andere bouwwerken, buiten de in artikel 2.28 BBL en bruidsschat artikel 22.36 en 22.37 vergunningsvrije bouwwerken.
maximaal
bouwhoogte vóór de voorgevel van de bedrijfswoning
1 m
Keerwand annex geluidsscherm (buitenrand perceel)
3,5 m
 
 
  1. Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. functiegrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.
  2. Herbouw van woningen is, voor zover het de situering van de woning betreft, uitsluitend toegestaan indien en voor zover:
    1. de oude woning wordt binnen drie maanden na gereedmelding van de nieuwe woning gesloopt;
    2. bij verplaatsing mag een aaneengebouwde of gestapelde woning niet omgezet worden naar een vrijstaande woning;
    3. de woning wordt op maximaal 20 m van de voormalige woning gebouwd;
    4. met betrekking tot het woon- en leefklimaat is sprake van een evenwichtige toedeling aan functies gerelateerd aan de gebruiksfunctie;
    5. de belangen van de in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad;
    6. de nieuwe situering van de woning stedenbouwkundig en milieuhygiënisch aanvaardbaar is.
 
7.4.2 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. bijbehorende bouwwerken worden ten minste 1 m achter de voorgevellijn van de bedrijfswoning gebouwd;
  2. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd op ten hoogste 25 m afstand van de bedrijfswoning;
  3. de goothoogte mag maximaal 3 m bedragen;
  4. de bouwhoogte mag maximaal 5,5 m bedragen;
  5. de gezamenlijke oppervlakte van bij eenzelfde bedrijfswoning behorende bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 75 m² bedragen.
 
7.4.3 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde
Voor bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;
  2. de bouwhoogte van lichtmasten zal ten hoogste 8 m bedragen;
  3. de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, bedraagt niet meer dan 8 m.
 
7.5 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten
7.5.1 Bebouwd oppervlak
Met een omgevingsvergunning kan afgeweken worden van de maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van artikel 7.4.1 onder a ten behoeve van een groter bebouwd oppervlak tot ten hoogste 20% van het aangegeven maximale oppervlak van de bebouwing, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de grotere oppervlakte van bebouwing is noodzakelijk in het kader van de bedrijfsvoering;
  2. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  3. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid binnen het functievlak;
  4. de bebouwing leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkeling van omliggende agrarische bedrijven;
  5. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast;
  6. de in de omgeving aanwezige functies en waarden worden niet onevenredig aangetast;
 
7.5.2 Afwijken inhoud
Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van een grotere inhoud van een woning, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregel:
  1. de inhoud van de (bedrijfs)woning mag niet meer bedragen dan 800 m³.
 
7.6 Beoordelingsregels gebruiksactiviteiten
7.6.1 Toegestane gebruiksfuncties
Naast de toegestane gebruiksfuncties zijn de volgende functies toegestaan:
  1. Het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep en/of bedrijf waarbij de maximale oppervlakte 75 m², waarvan maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de woning en 100% van de vloeroppervlakte van de bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    1. het aan huis gebonden bedrijf betreft een activiteit uit de categorie 1 of 2 van Bijlage 22 Staat van bedrijfsactiviteiten of een daarmee gelijk te stellen activiteit;
    2. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner(s) van de woning;
    3. het gebruik leidt niet tot onevenredige belemmeringen voor de omliggende functies;
    4. het gebruik heeft geen nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer;
    5. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid ter plaatse van het bestemmingsvlak;
    6. ondergeschikte detailhandel is alleen mogelijk ten dienste van het aan huis verbonden beroep en/of bedrijf;
    7. er vindt geen buitenopslag plaats;
    8. de activiteiten betreffen geen seksinrichtingen of horeca.
 
7.6.2 Verboden gebruiksfuncties
Tot een strijdig gebruik met de functie wordt in ieder geval gerekend:
  1. het gebruik van gronden en gebouwen voor de uitoefening van detailhandel, anders dan productiegebonden detailhandel en/of bedrijfsgebonden detailhandel;
  2. een gebruik voor geluidszoneringsplichtige inrichtingen;
  3. een gebruik voor risicovolle inrichtingen.
 
7.7 Specifieke beoordelingsregels gebruiksactiviteiten
7.7.1 Afwijken van gebruiksfunctie
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 7.2 sub a een andere gebruiksfunctie te vestigen op de locatie.
 
7.7.2 Beoordelingsregeling afwijken van gebruiksfunctie
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.7.2 kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. bedrijven in milieucategorie 1 en 2 dienen, gelet op hun specifieke werkwijze of verschijningsvorm, naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn met toegelaten bedrijven;
  2. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid binnen het functievlak;
  3. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  4. de bedrijfsactiviteiten leiden niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkeling van omliggende agrarische bedrijven;
  5. er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  6. voor zover noodzakelijk worden aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden om zeker te stellen dat de beoordeelde situatie in stand blijft.
 
 
Artikel 8 Groen
 
8.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Groen.
 
8.2 Functieomschrijving
Een als ‘Groen’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. groenvoorzieningen;
  2. showtuin t.b.v. tuin- en bestratingsmaterialen ter plaatse van de aanduiding ‘showtuin’, alsmede parkeervoorzieningen (derden / bezoekers);
  3. speelvoorzieningen;
  4. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  5. erven en paden;
  6. in- en uitritten;
  7. verblijfsvoorzieningen.
 
8.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
8.3.1 Toepassingsbereik
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden voor bouwactiviteiten de in dit artikel opgenomen beoordelingsregels;
 
8.3.2 Beoordelingsregels:
  1. op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd;
  2. Op deze gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd en gelden de volgende regels:
    1. de bouwhoogte van speeltoestellen mag maximaal 4,5 m bedragen;
    2. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag maximaal 3,5 m bedragen.
 
Artikel 9 Verkeer - Verblijfsgebied
 
9.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Verkeer-Verblijfsgebied.
 
9.2 Functieomschrijving
Een als ‘Verkeer-Verblijfsgebied’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. wegen met een functie voor de ontsluiting van aanliggende gronden, met daarbij inbegrepen, voet- en fietspaden, bermen, bruggen, bushaltes, straatverlichting en dergelijke;
  2. parkeervoorzieningen;
  3. groen- en speelvoorzieningen;
  4. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  5. nutsvoorzieningen;
  6. voorzieningen voor langzaam verkeer.
 
9.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
9.3.1 Toepassingsbereik
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden voor bouwactiviteiten de in dit artikel opgenomen beoordelingsregels;
 
9.3.2 Beoordelingsregels:
  1. Op deze gronden mogen gebouwen en overkappingen, ten dienste van de in lid 9.2 onder a., c, e. en f. genoemde functies, worden gebouwd en gelden de volgende regels:
    1. de bouwhoogte mag maximaal 4,5 m bedragen;
    2. de oppervlakte van overkappingen mag maximaal 20 m² bedragen;
    3. de inhoud van gebouwen mag maximaal 70 m3 bedragen.
  2. Op deze gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd en gelden de volgende regels:
    1. de bouwhoogte mag maximaal 9m bedragen;
 
Artikel 10 Water
 
10.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Water.
 
10.2 Functieomschrijving
Een als ‘Water’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. waterlopen en waterpartijen;
  2. waterhuishouding en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  3. waterberging;
  4. oevers, oeverbeschoeiing en/of natuurvriendelijke oever;
  5. groenvoorzieningen.
 
10.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
10.3.1 Toepassingsbereik
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden voor bouwactiviteiten de in dit artikel opgenomen beoordelingsregels;
 
10.3.2 Beoordelingsregels:
Op deze gronden mogen gebouwen en gebouwen, geen gebouw zijnde, gebouwd worden en gelden de volgende regels:
  1. De bouwhoogte mag maximaal 6m bedragen.
 
Artikel 11 Wonen
 
11.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Wonen.
 
11.2 Functieomschrijving
Een als ‘Wonen’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. wonen, al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroep en/of bedrijf;
  2. parkeervoorzieningen;
  3. mantelzorg;
  4. tuinen;
  5. erven
 
11.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
11.3.1 Toepassingsbereik
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden voor bouwactiviteiten de in dit artikel opgenomen beoordelingsregels;
 
11.3.2 Hoofdgebouwen
Voor hoofdgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  2. de goothoogte van de hoofdgebouwen of hoofdgebouw mag niet meer dan 6 m bedragen, dan wel niet meer dan de goothoogte van het bestaande gebouw indien deze meer bedraagt;
  3. de bouwhoogte van de hoofdgebouwen of hoofdgebouw mag niet meer dan 11 m bedragen, dan wel niet meer dan de bouwhoogte van het bestaande gebouw indien deze meer bedraagt;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' mogen uitsluitend gestapelde woningen worden gebouwd;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' mogen uitsluitend rijenwoningen worden gebouwd;
  6. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' mogen uitsluitend twee-aan-een gebouwde woningen worden gebouwd;
  7. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd.
 
11.3.3 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen
Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. bouwen is alleen toegestaan op één meter achter voorgevellijn;
  2. het bebouwingspercentage van de gronden gelegen achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw en buiten de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak', mag maximaal 50% bedragen, met dien verstande dat het maximale oppervlak aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen niet meer dan 50 m² mag bedragen;
  3. de goothoogte mag maximaal 3,25 meter bedragen;
  4. de bouwhoogte mag maximaal 5,5 meter bedragen;
  5. de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag 0 meter bedragen.
 
11.3.4 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. voor de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen gelden de volgende regels:
    1. de bouwhoogte voor de voorgevellijn mag maximaal 1 m bedragen;
    2. de bouwhoogte achter de voorgevellijn mag maximaal 2 m bedragen;
  2. het aantal vlaggenmasten mag maximaal 3 bedragen, waarvan de bouwhoogte maximaal 6 m mag bedragen;
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag maximaal 3 m bedragen.
 
11.4 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten
11.4.1 Afwijken inhoud en splitsen woning
Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bestaande inhoud van een woning of het splitsen van de woning in meerdere wooneenheden, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de vergroting van de woning of het splitsen in meerdere woningen is alleen ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' toegestaan;
  2. de vergroting of splitsing dient binnen de karakteristieke bebouwing te worden gerealiseerd;
  3. parkeervoorzieningen dienen voorzien te worden op de gronden behorende bij de woning met de aanduiding ‘karakteristiek’.
 
11.5 Beoordelingsregels gebruiksactiviteiten
11.5.1 Toegestane gebruiksfuncties
Naast de toegestane gebruiksfuncties zijn de volgende functies toegestaan:
  1. ter plaatse van de aanduiding ‘maatschappelijk’ zijn de gronden en gebouwen tevens toegestaan voor het uitvoeren van maatschappelijke functies, zoals (recreatieve) dagbesteding en zorgverlening;
 
11.5.2 Verboden gebruiksfuncties
Tot een strijdig gebruik met de functie wordt in ieder geval gerekend:
  1. het gebruik van gronden en gebouwen voor de uitoefening van detailhandel;
  2. seksinrichtingen;
  3. horeca.
 
Artikel 12 Waarde – Archeologie 2a
 
12.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op gronden met de gebiedsaanwijzing ‘Waarde – Archeologie 2a’.
 
12.2 Gebiedsomschrijving
De gronden binnen het gebied ‘Waarde – Archeologie 2a’ zijn, behalve voor de andere daar
voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.
 
12.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
12.3.1 Vergunningplicht
Het is verboden om op of in de gronden bedoeld in artikel 12.2, zonder of in afwijking van een
omgevingsvergunning bouwactiviteiten uit te voeren indien:
 
  1. bodemingrepen plaatsvinden op een grotere diepte dan 30 cm beneden het maaiveld onder het bestaande maaiveld (ongeacht de oppervlakte).
 
12.3.2 Toegestane bouwactiviteiten
De in lid 12.3.1 genoemde vergunningplicht is niet van toepassing indien de bouwactiviteiten
betrekking hebben op:
  1. bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut;
  2. de bouwwerken maximaal 2,5 m uit bestaande funderingen worden opgericht.
 
12.4 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten
12.4.1 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12.3.1 kan worden verleend, mits:
  1. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  2. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad;
  3. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten wel onevenredig kunnen worden geschaad, hetgeen met toepassing van in artikel 12.4.2 opgenomen maatwerkvoorschriften kan worden voorkomen.
 
12.4.2 Maatwerkvoorschriften
Indien artikel 12.4.1 sub c van toepassing is kan de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 12.3.1 worden verleend door hieraan één of meer van de volgende maatwerkvoorschriften te verbinden:
  1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of
  2. een verplichting tot het (laten) uitvoeren van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen; of
  3. een verplichting de bouw van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
 
12.5 Beoordelingsregels overige activiteiten
12.5.1 Vergunningplicht
Het is verboden om op of in de gronden bedoeld in artikel 12.2, zonder of in afwijking van een
omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te
voeren:
  1. het ontgraven van de bodem;
  2. het slopen en/of verwijderen van muurwerk, ondergrondse kelders en bouwwerken en funderingen onder het bestaande maaiveld;
  3. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  4. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  5. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  6. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen.
 
12.5.2 Toegestane overige activiteiten
De in lid 12.5.1 genoemde vergunningplicht is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken
zijnde, en werkzaamheden die:
  1. betrekking hebben op bodemingrepen met een diepte van maximaal 30 cm onder het bestaande maaiveld (ongeacht de oppervlakte);
  2. betrekking hebben op gronden waarvan op basis van bij de gemeente beschikbare informatie of archeologisch onderzoek is aangetoond dat er zich geen archeologische waarden (meer) bevinden;
  3. het normale onderhoud of aanleg tot doel hebben, met inbegrip van:
    • onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen;
    • de aanleg van nieuwe en de vervanging van bestaande kabels, leidingen of riolering;
    • ploegen;
  4. dienen tot uitvoering van bouwactiviteiten waarvoor reeds een omgevingsvergunning is verleend.
  5. worden uitgevoerd in het kader van archeologisch vooronderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe erkende partij;
 
12.6 Specifieke beoordelingsregels overige activiteiten
12.6.1 Beoordelingsregels overige activiteiten
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12.5.1 kan worden verleend, mits:
  1. het bevoegd gezag schriftelijk advies heeft ingewonnen bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld;
 
12.6.1 Maatwerkvoorschriften
Indien artikel 12.5.1 van toepassing is kan de omgevingsvergunning worden verleend door hieraan één of meer van de volgende maatwerkvoorschriften te verbinden:
  1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of
  2. een verplichting tot het (laten) uitvoeren van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen; of
  3. een verplichting de betreffende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
 
3 Algemene regels
Artikel 13 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 14 Algemene beoordelingscriteria bouwactiviteiten
 
14.1 Bestaande bebouwing
Indien de bestaande bebouwing afwijkt van de in deze regels gegeven voorschriften ten aanzien van:
  1. de goot- en bouwhoogte;
  2. de inhoud;
  3. de afdekking van gebouwen;
  4. de afstand tot de weg;
  5. de afstand tot de bouwperceelgrens;
  6. de afstand tot gebouwen,
zijn de bestaande maten, hellingen, dan wel afstanden eveneens toegestaan.
36.2 Ondergronds bouwen
 
14.2 Ondergronds bouwen
Bij gebouwen zoals genoemd in artikel 7 is onderkeldering toegestaan in maximaal één laag waarvan de diepte niet meer dan 4 m mag bedragen.
 
14.3 Afdekking gebouwen
Voor zover maximale goothoogten zijn aangegeven geldt de regel dat:
  • gebouwen worden gebouwd met een kap waarvan de minimale dakhelling niet minder dan 30° mag bedragen en de maximale dakhelling niet meer dan 65° mag bedragen, dan wel;
  • gebouwen worden afgedekt met een plat dak met dien verstande dat de bouwhoogte van de gebouwen niet meer mag bedragen dan de aangegeven goothoogte.
 
14.4 Goothoogte aan- en uitbouwen
Daar waar in dit plan het bouwen van aan- en uitbouwen is toegestaan, geldt in aanvulling op de regels dat de goothoogte van aan- en uitbouwen tevens de hoogte van de eerste verdiepingsvloer vermeerderd met maximaal 30 cm mag bedragen.
 
14.5 Nutsvoorzieningen
Daar waar in dit plan is bepaald dat de gronden tevens mogen worden gebruikt voor nutsvoorzieningen mogen bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen worden opgericht, met dien verstande dat deze -indien het gebouwen betreffen- geen grotere inhoud hebben dan 70 m³ en geen grotere goothoogte dan 4 m, en -indien het bouwwerken, geen gebouwen zijnde betreffen- geen grotere oppervlakte hebben dan 10 m² en geen grotere bouwhoogte dan 4 m.
 
Artikel 15 Algemene beoordelingscriteria gebruiksactiviteiten
 
15.1 Algemeen verboden gebruiksactiviteiten
Onder strijdig gebruik wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijvingen, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
  1. het gebruiken of laten gebruiken van bedrijfsgebouwen voor bewoning, met uitzondering van het gebruik voor mantelzorg.
  2. het gebruik of laten gebruiken van gronden en/of gebouwen voor een seksinrichting;
  3. het uitvoeren van ingrepen in de bodem ter plaatse van de locaties genoemd in artikel 8, 9 of 11, voor zover deze invloed hebben of in aanraking komen met het grondwater;
  4. het uitvoeren van activiteiten gericht op energie uit biomassa ter plaatse van de locaties genoemd in artikel 8, 9 of 11;
  5. activiteiten welke een risico vormen voor de grond- en oppervlaktewaterwinning voor menselijke consumptie.
 
15.2 Specifieke beoordelingsregels activiteiten
15.2.1 Beoordelingsregels activiteiten
In afwijking van het bepaalde in artikel 15.1, onder c, kan voor het uitvoeren van een betreffende ingreep in de bodem ten behoeve van een activiteit een omgevingsvergunning worden verleend, mits:
  1. de sanering van het grondwater ter plaatse is afgerond en op grond van een rapportage blijkt dat de kwaliteit van het grondwater niet leidt tot een schadelijk gevolg voor de fysieke leefomgeving.
 
15.3 Boringsvrije zone
Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone – boringsvrije zone' zijn de gronden naast de voor die gronden aangewezen functies, mede bestemd voor het behoud van de beschermende laag in de bodem de boringsvrije zone van het grondwaterwingebied Cothen. Op deze zone zijn de provinciale regels van toepassing.
Het roeren van gronden, zoals het maken van boorputten, grond- en funderingswerken, dieper dan 40 m onder maaiveld is niet toegestaan, tenzij hiervoor toestemming van de provincie Utrecht is verkregen.
 
Artikel 16 Algemene beoordelingscriteria parkeeractiviteiten
 
16.1 Parkeergelegenheid
Indien de omvang of de bestemming van een gebouw en/of het terrein daartoe aanleiding geeft, dient ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, (motor)fietsen, of andere voertuigen in voldoende mate ruimte aanwezig te zijn of aangebracht te worden in, op of onder de bij dat gebouw of terrein behorende gronden of bouwwerken, met dien verstande dat:
  1. daarbij voor alle functies uitgegaan wordt van de parkeernormen zoals opgenomen in de door de gemeenteraad op 14 juni 2024 vastgestelde Nota parkeren gemeente Wijk bij Duurstede of zo deze naderhand zijn of wordt gewijzigd.
De in 16.1 onder 1 genoemde regeling doet zich in ieder geval voor in het geval van:
  1. een feitelijke gebruiksverandering;
  2. het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen;
  3. het verlenen van een omgevingsvergunning voor de in dit plan opgenomen afwijkingen;
  
16.2 Laden en lossen
Indien de functie van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
 
16.3 Afwijkingsbevoegdheid
16.3.1 Afwijken
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 16.1 en 16.2.
 
16.3.2 Beoordelingsregels
Burgemeester en wethouders verlenen de in 16.1 bedoelde omgevingsvergunning indien:
  1. het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit;
  2. voor zover op andere redelijke wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
 
Artikel 17 Algemene beoordelingscriteria overige activiteiten
 
17.1 Algemene beoordelingsregels afwijkende activiteiten
17.1.1 Vergunningplicht algemene afwijkende activiteiten
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van het gestelde in dit TAM-omgevingsplan voor:
  1. het in geringe mate aanpassen van het beloop of profiel van wegen, indien de verkeersveiligheid en/of verkeersintensiteit daar aanleiding voor geven;
  2. vermeerdering dan wel vermindering van de voorgeschreven maten en normen, mits de vermeerdering of vermindering ten hoogste 10% bedraagt;
  3. het aanleggen van nieuwe fiets- en/of wandelpaden;
  4. het overschrijden van functiegrenzen- en/of bouwgrenzen, indien een meetverschil hier aanleiding voor geeft;
  5. het bouwen van antennemasten tot een maximale hoogte van 25 meter;
  6. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, of kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 meter;
  7. het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en toestaan dat de (bouw)hoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, mits:
    1. de oppervlakte van de vergroting niet meer dan 10% van het dakoppervlak bedraagt;
    2. de hoogte van de plaatselijke verhogingen niet meer dan 4 meter mag bedragen.
 
17.1.2 Beoordelingscriteria algemene afwijkende activiteiten
De omgevingsvergunning als bedoeld in 17.1.1 kan worden verleend mits:
  1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de landschappelijke waarden, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
  2. wordt voldaan aan de in 17.1 opgenomen algemene beoordelingsregels
 
Artikel 18 Algemene aanduidingsregels
 
18.1 Voorwaardelijke verplichting beeldkwaliteitsplan Ossenwaard
Ter plaatse van de aanduiding 'beeldkwaliteitsplan’ dient binnen één jaar na realisatie van de woningbouw ter plaatse van de functie Wonen het landschappelijk inpassing & beeldkwaliteitsplan Ossenwaard 5-0001/7 te Cothen gerealiseerd, beheerd en in stand te worden gehouden of laten beheren of behouden conform de bij deze regels opgenomen bijlage, Bijlage 22c Landschappelijk inpassing & beeldkwaliteitsplan Ossenwaard 5-0001/7 te Cothen.
 
18.2 Voorwaardelijke verplichtingen Trechtweg
Ter plaatse van de aanduiding 'landschappelijke inpassing' dient binnen één jaar na realisatie van ingebruikname van het bedrijfsperceel ter plaatse van de functie Bedrijf op de locatie Trechtweg 1 de landschappelijke inpassing gerealiseerd, beheerd en in stand worden gehouden conform de bij deze regels opgenomen bijlage, Bijlage 22c Landschappelijke inpassingsplan Trechtweg 1 te Cothen.
 
Ter plaatse van de aanduiding ‘keerwand’ dient binnen één jaar na realisatie van ingebruikname van het bedrijfsperceel ter plaatse van de functie Bedrijf op de locatie Trechtweg 1 de keerwand met een hoogte van 3,50 meter gerealiseerd te zijn en in stand te worden gehouden.
 
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 19 Overgangsrecht
 
19.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het sub a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%.
  3. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
19.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld sub a., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld sub a., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende dit TAM-omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.