direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Voskuilerweg 20
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0351.TAMVoskuilerweg20-vg01

Motivering

behorende bij het TAM-omgevingsplan Voskuilerweg 20

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Voskuilerweg 20 in Woudenberg is een intensieve veehouderij aanwezig. Het bedrijf doet mee aan de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus). Daarvoor dient een deel van het agrarische bouwperceel verwijderd te worden. De in dat deel aanwezige pluimveestal wordt gesloopt in het kader van Lbv-plus. Voor het deels verwijderen van het agrarische bouwperceel is een wijziging van het omgevingsplan nodig.

1.2 Ligging en begrenzing

De locatie is gelegen in het buitengebied van Woudenberg, even ten noorden van Scherpenzeel. De dorpskern van Woudenberg ligt op circa 3,5 kilometer ten zuidwesten van de locatie. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Woudenberg, sectie A, nummers 1417, 1418, 1420 en 1421.

afbeelding "i_NL.IMRO.0351.TAMVoskuilerweg20-vg01_0001.jpg"

Ligging in omgeving

1.3 Geldend omgevingsplan

Ter plaatse van het werkingsgebied geldt het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Woudenberg. Het tijdelijk deel wordt onder andere gevormd door het wijzigingsplan Voskuilerweg 20, vastgesteld door burgemeester en wethouder op 10 mei 2017. Dat plan is een wijziging van het bestemmingsplan Buitengebied 2010, vastgesteld door de gemeenteraad op 23 september 2010.

Voor de locatie geldt de bestemming Agrarisch met waarden – Landschapswaarden – Reliëf. Er zijn 2 bouwvlakken aanwezig, die middels de functieaanduiding relatie gekoppeld zijn. Op het zuidelijke bouwvlak is een intensieve veehouderij toegestaan. Op het noordelijke bouwvlak mag geen bedrijfswoning gerealiseerd worden. Op het zuidelijke deel is, naast een intensieve veehouderij, ook een zorgboerderij toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0351.TAMVoskuilerweg20-vg01_0002.jpg"

Uitsnede verbeelding

Voor het planologisch verwijderen van het noordelijke bouwvlak is een wijziging van het omgevingsplan nodig. Daar voorziet dit plan in.

1.4 Leeswijzer

Deze motivering vangt in hoofdstuk 2 aan met een beschrijving van het plan. In het daaropvolgende hoofdstuk wordt het relevante beleidskader geschetst. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de omgevingsaspecten behandeld. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op inspraak en overleg.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het initiatief

2.1 Omgeving

De locatie is gelegen in het Woudenbergse buitengebied ten noorden van het dorp Scherpenzeel. Het landschap is te typeren is als een kampenlandschap. Dit is een kleinschalig landschap met een onregelmatig, bochtig wegenpatroon, onregelmatige perceelsvormen en veel opgaande begroeiing in de vorm van bospercelen, houtsingels, laanbeplantingen en erfbeplantingen. Het grondgebruik is overwegend agrarisch. De agrarische erven staan verspreid in het landschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.0351.TAMVoskuilerweg20-vg01_0003.jpg"

Luchtfoto omgeving

2.2 Locatie

Op de locatie is een agrarisch bedrijf gevestigd dat legkippen en vleeskalveren houdt. Daarnaast is er een zorgboerderij aanwezig. De locatie ligt op ruime afstand van de Voskuilerweg. De erftoegangsweg tot de locatie geeft ook toegang tot enkele verderop gelegen percelen. Deze weg verdeelt het agrarische erf in tweeën. Ten zuiden van de erftoegangsweg staat de bedrijfswoning. Verspreid rond de woning bevinden zich enkele agrarische bedrijfsgebouwen. Aan de noordzijde van de erftoegangsweg staat een pluimveestal, het grootste gebouw op het erf. De locatie wordt omringd door cultuurgronden, voornamelijk weilanden. Op enige afstand liggen enkele grotere bospercelen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0351.TAMVoskuilerweg20-vg01_0004.jpg"

Luchtfoto locatie

2.3 Voornemen

Initiatiefnemer is eigenaar van het agrarisch bedrijf aan de Voskuilerweg 20 in Woudenberg. Het bedrijf bestaat uit een pluimvee- en vleeskalverenhouderij met een zorgboerderij als neventak. In 2017 is voor deze locatie een wijzigingsplan vastgesteld waarmee de vorm van het agrarisch bouwvlak is aangepast. Daarmee is de uitbreiding van een pluimveestal met een wintergarten planologisch mogelijk gemaakt. Ook is de vorm van het bouwvlak aangepast, zodat de bestaande en vergunde pluimveestal volledig binnen het bouwvlak kwam te liggen. Deze uitbreiding is inmiddels gerealiseerd en in gebruik genomen.

Recent heeft initiatiefnemer besloten deel te nemen aan de landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv+). In het kader van deze regeling zullen de pluimveestal met wintergarten en een mestloods worden gesloopt. Het betreft in totaal circa 3.235 m2 aan staloppervlak en 120 m2 mestopslag. Daarmee verdwijnt feitelijk het volledige noordelijke bouwdeel van het bedrijf. Na deze sanering zal het vrijgekomen gedeelte van het perceel als (onbebouwde) cultuurgrond gebruikt gaan worden. De bestaande agrarische bedrijfswoning, de loods en het erf aan de zuidzijde blijven gehandhaafd.

In deze wijziging van het omgevingsplan wordt de planologische situatie aangepast op de nieuwe situatie op het erf. Het noordelijke deel van het bouwvlak komt te vervallen. Het zuidelijke deel blijft behouden, evenals de gebruiksmogelijkheden van dit deel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0351.TAMVoskuilerweg20-vg01_0005.jpg"

Situatietekening

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is vastgesteld op 11 september 2020. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken; te kiezen voor slimme combinaties van functies; uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. In totaal zijn er 21 nationale belangen gevormd, waaronder het bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving en het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.

Om ook daadwerkelijk uitvoering te geven aan de NOVI, is de Uitvoeringsagenda 2021-2024 opgesteld. Hierin zijn vier prioriteiten benoemd:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie.
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel.
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's.
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De NOVI is een permanent en aanpasbaar proces. Er wordt uitgegaan van een terugkerende cyclus van vier jaar. Jaarlijks, in het voorjaar, is er een nationale NOVI-conferentie over de voortgang van de uitvoering, nieuwe ontwikkelingen en inzichten. Ook wordt een tweejaarlijkse monitor uitgevoerd door het Planbureau voor de Leefomgeving. Elke vier jaar vindt een uitgebreide beleidsevaluatie plaats, evenals een onderzoek naar de mening van burgers en wordt de NOVI zo nodig aangepast.

Toetsing

Uit de NOVI volgen geen uitgangspunten en/of randvoorwaarden voor de herontwikkeling van het werkingsgebied. Met deze ontwikkeling zijn geen nationale belangen in het geding.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. De instructieregels voor een omgevingsplan staan in hoofdstuk 5 beschreven. In afdeling 5.1 staan de instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties houdt in dat er een balans is tussen verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Deze regels houden meer in dan alleen het bestemmen in een bestemmingsplan. Denk bij een functie bijvoorbeeld aan een netwerkfunctie (kabels en leidingen) of waterbergende functie (milieu).

De instructieregels uit afdeling 5.1 gaan over:

  • waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2)
  • beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3)
  • beschermen van de gezondheid en van het milieu (paragraaf 5.1.4)
  • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5)
  • behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6)
  • behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7)
  • bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8)

Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Het gaat dan vooral om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. Tot slot bevat afdeling 5.3 regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan.

Toetsing

In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de instructieregels en wordt het initiatief getoetst.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht

De Omgevingsvisie van de provincie Utrecht is vastgesteld door de Provinciale Staten op 10 maart 2021. De Omgevingsvisie is opgesteld om te zorgen voor een blijvend aantrekkelijke provincie. Via haar ruimtelijk beleid draagt de provincie bij aan een kwalitatief hoogwaardige fysieke leefomgeving, waarin het ook in de toekomst plezierig wonen, werken en recreëren is. De Omgevingsvisie is uitgewerkt aan de hand van 7 thema's en 3 regio's. De thema's zijn als volgt:

  • 1. Stad en land gezond.
  • 2. Klimaatbestendig en waterrobuust.
  • 3. Duurzame energie.
  • 4. Vitale steden en dorpen.
  • 5. Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar.
  • 6. Levend landschap, erfgoed en cultuur.
  • 7. Toekomstbestendige natuur en landbouw.

De drie regio's zijn U16, Amersfoort en Foodvalley.

De Omgevingsvisie geeft de ruimtelijke ambities weer van de provincie Utrecht. Hierin staat welke doelstellingen de provincie van provinciaal belang acht, welk beleid bij deze doelstellingen hoort én hoe dit beleid uitgevoerd wordt. Deels loopt deze uitvoering via de Interim Omgevingsverordening, die tegelijk met de Omgevingsvisie is vastgesteld. De Omgevingsvisie heeft alleen een zelfbindende werking. Het is bindend voor de provincie, niet voor andere partijen. De Omgevingsverordening zorgt voor doorwerking van het beleid en is bindend voor de gemeenten.

3.2.2 Omgevingsverordening Utrecht

Op 7 februari 2024 hebben Provinciale Staten de eerste wijziging Omgevingsverordening vastgesteld. Op 1 maart 2024 is deze eerste wijziging in werking getreden. In de omgevingsverordening staan de regels voor de fysieke leefomgeving. Zo’n twintig verordeningen, regelingen en besluiten zijn samengevoegd in één provinciale omgevingsverordening. De regels zijn herschreven, samengevoegd, vereenvoudigd en op elkaar afgestemd. De omgevingsverordening bevat de juridische uitwerking van de plannen en ambities uit de provinciale omgevingsvisie. Hierna worden de voor het projectgebied relevante bepalingen besproken.

Artikel 2.16 Instructieregel overstroombaar gebied

  • 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Overstroombaar gebied bevat regels die rekening houden met overstromingsrisico's. Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten en woonwijken en bedrijventerreinen. Buitendijks is dit ook van toepassing op individuele woningen en bedrijven.
  • 2. De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met het overstromingsrisico is omgegaan.

Toetsing

De locatie is binnendijks gelegen. Dit project voorziet niet in nieuwe woonwijken en vitale of kwetsbare objecten. Daarom hoeft geen rekening gehouden te worden met overstromingsrisico's.

Artikel 7.11 Instructieregel landschap

  • 1. Landschap bestaat uit:
    • a. het Landschap Eemland;
    • b. het Landschap Gelderse Vallei;
    • c. het Landschap Groene Hart;
    • d. het Landschap Rivierengebied en
    • e. het Landschap Utrechtse Heuvelrug.
  • 2. De kernkwaliteiten zijn per gebied vastgelegd in de Bijlage XVI Kernkwaliteiten landschap bij deze verordening.
  • 3. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties gelegen in Landschap bevat:
    • a. regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten; en
    • b. geen regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten.
  • 4. De motivering van een omgevingsplan bevat:
    • a. een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten; en
    • b. de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan.

Voor de Gelderse Vallei zijn de volgende kernkwaliteiten benoemd:

  • rijk gevarieerde kleinschaligheid;
  • stelsel van beken, griften en kanalen;
  • Grebbelinie;
  • Overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank).

Toetsing

De kleinschaligheid van het landschap is op de locatie en de omgeving beperkt aanwezig. De omgeving wordt gekenmerkt door een vrij grofmazige verkaveling en beperkte hoeveelheid perceelsrandbeplantingen. Beken, griften en kanalen zijn op de locatie niet aanwezig. Wel liggen rondom een aantal sloten. Dit project verandert niets aan die watergangen. Dit project doet geen afbreuk aan de landschappelijke kwaliteiten die samenhangen met de Grebbelinie. De genoemde kernkwaliteiten van de Gelderse Vallei zijn niet specifiek op de locatie aanwezig en worden in dit project afdoende beschermd.

Artikel 8.1 Instructieregel agrarisch bedrijf

  • 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied agrarische bedrijven bevat geen regels die voorzien in:
    • a. nieuwe agrarische bouwpercelen, tenzij het gaat om de verplaatsing van een grondgebonden agrarisch bedrijf voor het voldoen aan internationale verplichtingen; en
    • b. een omschakeling van grondgebonden agrarisch bedrijf naar niet-grondgebonden landbouw.
  • 2. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied agrarische bedrijven bevat regels die voorzien in een agrarisch bouwperceel met een oppervlakte van maximaal 1,5 hectare ten behoeve van bestaande agrarische bedrijven, waarbij per bouwperceel maximaal 1 bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen met maximaal 1 bouwlaag voor het stallen van dieren zijn toegestaan.
  • 3. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied agrarische bedrijven kan regels bevatten die voorzien in uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwperceel voor een grondgebonden veehouderij tot maximaal 2,5 hectare, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • a. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing:
    • b. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van het dierenwelzijn;
    • c. de uitbreiding draagt bij aan vermindering van de milieubelasting; en
    • d. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van de volksgezondheid.
  • 4. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied agrarische bedrijven kan regels bevatten die nevenactiviteiten toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:
    • a. de nevenactiviteit blijft ruimtelijk ondergeschikt aan de agrarische activiteiten, tenzij de nevenactiviteit bijdraagt aan de dagrecreatiemogelijkheden voor bestaande woongebieden of woongebieden die nog in de nabije omgeving worden gerealiseerd waaraan in het gebied nadrukkelijk behoefte bestaat;
    • b. de nevenactiviteit vindt plaats binnen het bestaande bouwperceel;
    • c. erfinrichting en bedrijfsbebouwing zijn landschappelijk goed inpasbaar; en
    • d. omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.
  • 5. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing.

Toetsing

Dit project voorziet niet in nieuwe agrarische bouwpercelen of uitbreidingen daarvan. In tegendeel: er wordt juist een bouwperceel verwijderd. Die gronden maken vervolgens plaats voor cultuurgrond. Dat is in de bestaande situatie ook al toegestaan. Tot slot worden geen nieuwe nevenactiviteiten geïntroduceerd.

Conclusie

Dit project is in overeenstemming met de Omgevingsverordening.

3.2.3 Inpassingsplan Grebbelinielandschap

Het Inpassingsplan Grebbelinielandschap is vastgesteld op 8 december 2014. Met dit inpassingsplan is aan het noordelijke deel van de locatie de dubbelbestemming 'Waarde - Grebbelinielandschap' toegekend. Hiermee zijn deze gronden tevens aangewezen voor het behoud, herstel en bescherming van de herkenbaarheid en de beleefbaarheid van de cultuurhistorische waarden, deeluitmakende van de Grebbelinie zoals beschreven in het Beeldkwaliteitsplan Grebbelinie behorende bij de regels van het inpassingsplan.

Volgens het beeldkwaliteitsplan Grebbelinie ligt de locatie in het deelgebied kleinschalige Grebbelinie. Dit deelgebied wordt gekenmerkt door een fijnmazig, kleinschalig cultuurlandschap waarin historische militaire elementen, agrarisch gebruik en landschappelijke structuren in samenhang aanwezig zijn. Het landschap bestaat uit een afwisseling van open en halfopen ruimten, kleine percelen, houtwallen, watergangen en verdedigingswerken die gezamenlijk bijdragen aan de herkenbaarheid van de Grebbelinie als linielandschap.

Binnen dit deelgebied staat het behoud en versterken van de kleinschaligheid centraal. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen moeten aansluiten bij de bestaande maat, structuur en het ritme van het landschap. Kwaliteiten die daarbij richtinggevend zijn, omvatten onder meer:

  • Historisch-militaire landschapselementen, zoals inundatiekommen, kades, verdedigingsdijken en waterlopen die deel uitmaken van het liniesysteem. Deze elementen dienen herkenbaar te blijven en waar mogelijk beleefbaar te worden gemaakt.
  • Kleinschalige verkavelingsstructuur, waarbij smalle percelen, sloten en houtsingels een karakteristiek patroon vormen dat de openheid én beslotenheid van het landschap afwisselt.
  • Landschappelijke beplanting, waaronder elzensingels, houtwallen en kleine bosjes, die van belang zijn voor zowel de cultuurhistorische identiteit als de ecologische waarde van het gebied.
  • Beperkte bebouwing, passend in maat, schaal en situering, zodat het militaire en landschappelijke karakter niet wordt aangetast. Nieuwe bebouwing of functies dienen zorgvuldig te worden ingepast en mogen de zichtlijnen en structuren van de linie niet doorkruisen.
  • Beleving van de linie, waarbij zichtrelaties, routes en de ruimtelijke opbouw van de Grebbelinie worden behouden en versterkt, zodat de historische betekenis en het verhaal van de linie op een vanzelfsprekende wijze in het landschap aanwezig blijft.

Voor het plangebied betekent dit dat ontwikkelingen moeten bijdragen aan de instanthouding, herkenbaarheid en leesbaarheid van de Grebbelinie als cultuurhistorisch waardevol linielandschap. Concrete ingrepen dienen aan te sluiten bij de bestaande kleinschalige structuren en mogen niet leiden tot aantasting van karakteristieke elementen, openheid, historische verkaveling of beplantingspatronen. Inpassingsmaatregelen kunnen nodig zijn om de ruimtelijke kwaliteit van het deelgebied te waarborgen en, waar mogelijk, te versterken.

Toetsing

De ontwikkeling voldoet aan het inpassingsplan. Door sloop van de bestaande bebouwing wordt de open structuur van het linielandschap hersteld en sluiten de gronden weer aan op de oorspronkelijke kleinschalige verkaveling en open zichtlijnen die voor dit deelgebied kenmerkend zijn. Door het verwijderen van deze bebouwing en het omzetten naar cultuurgrond verbetert de leesbaarheid van het historische inundatielandschap en worden de cultuurhistorische waarden van de Grebbelinie aantoonbaar versterkt.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Woudenberg 2030

De Structuurvisie Woudenberg 2030 is vastgesteld door de gemeenteraad op 24 januari 2019. In de structuurvisie geeft het gemeentebestuur zijn visie over de ruimtelijke invulling voor het wonen, werken en recreëren in Woudenberg voor de komende jaren tot 2030.

Richting 2030 zet Woudenberg in op het verbinden, combineren en vernieuwen van haar kwaliteiten. Een groot deel van deze kwaliteiten is opgehangen aan de landschappelijke en ruimtelijke (verkeers)structuur van Woudenberg, maar versterken elkaar op dit moment onvoldoende. Ze bestaan als het ware naast elkaar. Van west naar oost: recreatie rondom het Henschotermeer en de Pyramide van Austerlitz --> wonen en centrumvoorzieningen in de kern --> werken en horeca op bedrijventerrein Parallelweg en bij hotel Schimmel --> cultuurhistorie bij het Valleikanaal en de Grebbelinie en ten noorden en zuiden daarvan landbouw, natuur en landgoederen. Door het ruimtelijk verbinden en combineren van deze secoren ontstaat een sterk raamwerk: het ruimtelijk economisch structuurbeeld voor 2030. Hierin benut Woudenberg (de mogelijkheden van) haar kwaliteiten ten volle. Niet alleen door deze te verbinden en te combineren, maar ook door deze:

  • Te vernieuwen: centrum van Woudenberg tot aantrekkelijk boodschappen-, winkel- en verblijfsgebied voor bewoners en recreanten;
  • Te transformeren te herstructureren en te herontwikkelen: verschillende bedrijventerreinen waarvan bedrijventerrein Parallelweg en de spoorzone de grootste zijn;
  • Te versterken: woningbouw in Woudenberg Oost en op verschillende inbreidingslocaties;
  • Te verbreden: landbouw met verschillende agrarische nevenfuncties;
  • Te beschermen: de intrinsieke waarde van de natuur, landschap en cultuurhistorie. Indien mogelijk dan kunnen deze ook beter benutbaar en beleefbaar worden gemaakt.

Woudenberg ligt in een divers en kwalitatief hoogwaardig landschap. Het groen in de bebouwde kom en het buitengebied van Woudenberg maken de gemeente een aantrekkelijke plaats met een goed woon- en leefkwaliteit. De historisch aanwezige groenstructuur is ontstaan door ontginningen in de Gelderse Vallei en wordt begrensd door de stuwwal van de Utrechtse Heuvelrug. De vallei wordt doorsneden met beken en er zijn veel historische landschapselementen aanwezig zoals houtwallen, elzensingels en historische lanen. Ook zijn in het landschap nog landschapstypen te herkennen zoals het slagen- en kampenlandschap. Hiermee vormt het landschap onmiskenbaar de onderlegger van de gemeente. Het laat niet alleen de geschiedenis en het heden zien, maar is (zeker in het buitengebied) ook een kapstok om toekomstige ontwikkelingen van haar gebruikers aan op te hangen. Deze gebruikers zijn: de agrarische sector, de landgoederen, de intrinsieke waarden van natuur en recreatie. Al eeuwenlang zijn dit de medegebruikers van het landschap. Vroeger hoofdzakelijk de agrarische sector, maar vandaag de dag is het landschap multifunctioneel in gebruik met verschillende functies. Functies die bovendien niet langer naast elkaar staan, maar steeds meer met elkaar samenwerken en in combinatie een sterk recreatief en economisch concept zijn voor het buitengebied.

Toetsing

Door het vervallen van een deel van het bouwvlak wordt het karakteristieke kampenlandschap beter herkenbaar. Ook draagt het plan bij aan een lagere milieubelasting in het gebied, wat de ruimtelijke kwaliteit versterkt.

Conclusie

Onderhavig plan is in overeenstemming c.q. niet in strijd met de structuurvisie.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid en overige aspecten

4.1 Milieuaspecten

In deze paragraaf worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook is een paragraaf gewijd aan het al dan niet noodzakelijk zijn van een milieueffectrapportage of milieueffectbeoordeling.

4.1.1 Bodem

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels (paragraaf 5.1.4.5) in het Bkl opgenomen. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet daarom regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem opnemen in het omgevingsplan. De gemeente zorgt ervoor dat nazorg en instandhouding van bodemmaatregelen na het saneren in het omgevingsplan komt. Het kan zowel gaan om een sanering die is uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Bal, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. De gemeente neemt in het omgevingsplan een bodemfunctieklassenkaart op. Deze kaart geeft de bodemfunctieklassen van de landbodem van het gemeentelijk grondgebied weer. De bodemfunctieklasse beschrijft het gebruik van de bodem 3 klassen van bodemfuncties:

  • landbouw en natuur
  • wonen
  • industrie

Bij de aanwijzing van deze klassen wordt rekening gehouden met de functie die in het omgevingsplan aan die locatie is toegedeeld. Bijvoorbeeld: wonen met tuin komt in de bodemfunctieklasse wonen.

Het bevoegd gezag gebruikt de bodemfunctieklassen voor het vaststellen van de toepassingseisen voor de milieubelastende activiteit toepassen van grond en baggerspecie. De bodemfunctieklassen zijn nader uitgewerkt in de Regeling bodemkwaliteit. De maximale waarden van deze bodemfunctieklassen zijn medebepalend voor de vraag aan welke kwaliteit de toe te passen grond of baggerspecie moet voldoen. Dit volgt uit artikel 5.89p van het Bkl.

Na sloop van de stal worden de gronden in gebruik genomen als agrarisch gras- of bouwland. Dat is geen gevoeliger bodemgebruik dan nu het geval is. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is daarom niet nodig.

4.1.2 Activiteiten en milieuzonering

Ook onder de Omgevingswet is ook een goede afstemming nodig om hinder tussen woningen en bedrijven te voorkomen. Waar onder de Wet milieubeheer gesproken werd over milieubelastende 'inrichtingen', gaat het in de Omgevingswet over milieubelastende 'activiteiten'. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Lozingsactiviteiten op oppervlaktewater of een zuiveringsinstallatie of wateronttrekking vallen hier niet onder.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Dit project voorziet in het verwijderen van de stal als milieubelastende activiteit. Daarmee vindt op voorhand een verbetering van de milieuimpact op de omgeving plaats. De milieuionvloed van het overige deel van het bedrijf hoeft niet opnieuw beoordeeld te worden.

Milieuzoneringen vormen geen belemmering voor dit project.

4.1.3 Geluid

Op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de planologische medewerking aan nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Er wordt onderscheid gemaakt tussen geluidbronnen met een basisgeluidemissie en geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde. De beoordeling van deze geluidbronnen bij gevoelige gebouwen ligt bij het bevoegd gezag.

Dit project voorziet niet in nieuwe geluidgevoelige functies. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is daarom niet nodig.

4.1.4 Luchtkwaliteit

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.

Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Er zijn 2 mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze standaardgevallen NIBM vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet dan wel onder een bepaalde omvang blijven (artikel 5.54 Bkl). Valt een project binnen een genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool (Excelapplicatie) op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Dit hangt af van de uitkomst van de NIBM-tool.

Dit project voorziet niet in nieuwe functies of gebruiksmogelijkheden, maar juist in een afname daarvan. Op voorhand is daarmee sprake van een verbetering van de luchtkwaliteit. Daarom is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren.

4.1.5 Omgevingsveiligheid

De instructieregels voor externe veiligheid zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het gaat om de volgende soorten activiteiten:

  • activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
  • het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor)
  • buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal
  • windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal

Kwetsbare gebouwen en locaties

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan 3 categorieën 'gebouwen en locaties' waarvoor de regels bescherming bieden: zeer kwetsbaar, kwetsbaar en beperkt kwetsbaar. De gemeente moet regels opnemen in het omgevingsplan om deze gebouwen en locaties te beschermen vanwege externe veiligheidsrisico's.

Plaatsgebonden risico

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen. Dit is een grenswaarde van 1 op de 1.000.000 per jaar. Dit geldt voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties. De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit komen. In acht nemen van de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico betekent dat de gemeente alleen van de grenswaarde mag afwijken onder de voorwaarden die in het Bkl staan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moeten gemeenten rekening houden met een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico. De standaardwaarde is 1 op de 1.000.000 per jaar.

Aandachtsgebieden

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden:

  • brandaandachtsgebied
  • explosieaandachtsgebied
  • gifwolkaandachtsgebied

De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl.

afbeelding "i_NL.IMRO.0351.TAMVoskuilerweg20-vg01_0006.jpg"

Uitsnede risicokaart

Op de locatie ligt een propaantank en blijft aanwezig. Dit project wijzigt echter niets aan het plaatsgebonden risico of het groepsrisico. Externe veiligheidsrisico's vormen geen belemmering voor dit project.

4.1.6 Milieueffectrapportage

Dit project maakt geen activiteit mogelijk die is opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. De milieueffecten zijn onderzocht in deze paragraaf. Daaruit volgt geen aanleiding om tot een vormvrije m.e.r.-beoordeling over te gaan.

4.2 Archeologie, cultuurhistorie en monumenten

De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.

Dit project voorziet niet in nieuwe bodemingrepen. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is daarom niet nodig.

Specifieke cultuurhistorische waarden en monumenten zijn niet aanwezig binnen de locatie. Wel ligt de locatie binnen de Grebbelinie. In paragraaf 3.2.3 is daar nader op ingegaan. De cultuurhistorische waarden van de Grebbelinie worden verbeterd door dit project.

4.3 Natuur

Per 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming opgegaan in de Omgevingswet. De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet waarborgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit.

Soortenbescherming

Deze wijziging van het omgevingsplan heeft uitsluitend betrekking op het verwijderen van het bouwvlak en brengt zelf geen directe sloopverplichting of andere fysieke ingrepen met zich mee. Sloop van de bestaande stal en bijbehorende bebouwing vindt later plaats. Gezien de aard van het project, waarbij een relatief nieuwe, modern uitgevoerde stal die tot voor kort nog intensief in gebruik is geweest, is de verwachting dat de bebouwing weinig geschikt is als vaste verblijfplaats voor gebouwbewonende soorten. De stal is grotendeels gesloten geconstrueerd, met dichte gevel- en dakplaten, beperkt aantal kieren en openingen en een hoog niveau van menselijke activiteit (aan- en afvoer, verlichting, ventilatie, reiniging), waardoor soorten als vleermuizen en huismus hier naar verwachting geen duurzaam verblijf hebben. Daarmee is de kans op aanwezigheid van beschermde gebouwbewonende soorten in de te saneren bebouwing beperkt en zijn in dit stadium geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten. Bij een toekomstige sloopmelding geldt de algemene zorgplicht voor beschermde soorten en kan, indien de feitelijke situatie of het gekozen tijdstip van de werkzaamheden daartoe aanleiding geeft, alsnog nader ecologisch onderzoek worden verlangd. De soortenbescherming staat de vaststelling van dit omgevingsplan dan ook niet in de weg.

Gebiedsbescherming

Het dichtstbijzijnde, Natura 2000-gebied is Rijntakken, en ligt op ruim 10 kilometer vanaf de locatie. Vanwege deze afstand en de aard van het project zijn negatieve effecten vanwege stikstofdepositie, lichthinder of oppervlakteverlies niet aan de orde. Verder ligt de locatie buiten het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone.

4.4 Waterparagraaf

Bij het vaststellen van omgevingsplannen moeten gemeenten rekening houden met waterbelangen. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Daarnaast kan de weging van het waterbelang ook nodig zijn bij andere instrumenten. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:

  • watercompensatie in verband met toenemende verharding
  • bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning

Voor dit project is digitaal wateradvies aangevraagd. Het resultaat hiervan is opgenomen als Bijlage 1.

Dit project voorziet in een aanzienlijke afname van het bebouwde en verharde oppervlak. Na sloop worden de gronden omgevormd naar agrarisch gras- of bouwland.

Negatieve effecten op de waterhuishouding zijn niet aan de orde.

4.5 Economische uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

In deze motivering is onderbouwd dat deze wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie wordt bereikt en dat de toegekende functie binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Zodoende kan aangenomen worden dat het project economisch uitvoerbaar is.

Kostenverhaal

Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht kosten te verhalen, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouw- of gebruiksactiviteiten uit artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, op andere wijze verzekerd zijn of vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit.

Dit project betreft geen aangewezen bouw- of gebruiksactiviteit.

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet

5.1 Wijziging omgevingsplan

5.1.1 Omgevingsplan van rechtswege

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

5.1.2 Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.

Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).

5.1.3 Werkingsgebied

De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Voskuilerweg 20, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0351.TAMVoskuilerweg20-vg01 zoals weergeven op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/.

5.1.4 Overzicht wijzigingen

Dit TAM-omgevingsplan wijzigt de volgende planregels van het omgevingsplan:

Het noordelijke bouwvlak wordt verwijderd. Voor het overige wordt aangesloten bij de bestaande geldende regels.

5.2 Artikelsgewijze toelichting functies

Artikel 3 Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - Reliëf

Met artikel 3 is de functie Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - Reliëf toegekend aan het werkingsgebied. Daarbinnen is één bouwvlak aanwezig voor het zuidelijke deel van de locatie. In het noordelijke deel is het bouwperceel verwijderd. Verder wijzigen de gebruiksmogelijkheden niet ten opzichte van de huidige situatie.

Artikel 4 Waarde - Archeologie 3, 4 en 6

Conform de meest recente archeologische beleidskaart van de gemeente Woudenberg zijn de waarden Waarde - Archeologie 3, 4 en 6 toegekend aan het werkingsgebied.

Hoofdstuk 6 Inspraak en overleg

6.1 Vooroverleg

Het concept van deze wijziging van het omgevingsplan wordt toegezonden aan de provincie Utrecht en Waterschap Vallei en Veluwe in het kader van kennisgeving en participatie volgens artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit.

6.2 Voorontwerp

De ontwikkeling die dit plan mogelijk maakt, heeft een beperkte invloed op zijn omgeving. Andere, bebouwde percelen zijn op ruime afstand gelegen. Daarom heeft geen voorontwerp van dit plan voor inspraak ter inzage gelegen.

Er is door initiatiefnemer intensief contact geweest met 't Schoutenhuis over deze functieverandering. Hieruit is een getekende afspraak voortekomen tussen initiatiefnemer en 't Schoutenhuis (namens de landgoedeigenaren. De bewoners van de Voskuilerweg 20 zijn ook op de hoogte van de plannen. Zij huren de boerderij en opstallen van initiatiefnemer.

6.3 Ontwerp

Het ontwerp van deze wijziging van het omgevingsplan heeft van 17 december 2025 tot en met 27 januari 2026 ter inzage gelegen. Toen zijn geen zienswijzen ingediend.