2.1 Doel van de functie
Locaties met de functie 'Transformatiegebied Merwedekanaalzone deelgebied 6' zijn bedoeld om te transformeren naar een hoogstedelijk woongebied voor gezond, stedelijk leven, met een goede mix van woningen, werken, voorzieningen, groen en een fijnmazig verkeersnetwerk voor langzaam verkeer. De leden 2.2 tot en met lid 2.8 bevatten de voorwaarden waaronder deze transformatie gestalte moet krijgen.
2.2 Activiteiten die bij de functie passen
Op een locatie met de functie 'Transformatiegebied Merwedekanaalzone deelgebied 6' zijn de volgende bestaande activiteiten toegestaan met inachtneming van de in lid 2.4 gestelde regel.
2.2.1 Bestaande activiteiten
-
a. Bestaande bedrijfsactiviteiten.
-
b. Bestaande overige activiteiten.
-
c. Bij de activiteiten a en b behorende bestaande voorzieningen en functies die bij de bestemming horen zoals verkeers-, parkeer- en groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, water, waterberging, tuinen en erven.
-
d. Gebouwde parkeervoorzieningen voor de auto waarbij geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan in bestaande gebouwde parkeergebouwen ter plaatse van de functie aanduiding 'parkeergarage' waarbij geldt dat het bestaande aantal parkeerplaatsen in de parkeervoorzieningen minimaal in stand wordt gehouden.
-
e. Parkeerplaatsen mogen uitsluitend worden gebruikt, verhuurd of ter beschikking worden gesteld aan binnen Deelgebied 6 van de Merwedekanaalzone gehuisveste functies en/of partijen.
-
f. Bestaande activiteiten mogen niet meer worden hervat als ze gedurende een aaneengesloten periode van één jaar niet meer hebben plaatsgevonden.
-
g. De regels van artikel 6.22 en 6.23 van het omgevingsplan zijn niet van toepassing.
2.5 Voorwaarden voor een vergunning
-
1. Burgemeester en wethouders stellen Beleidsregels Uitvoering programma Merwedekanaalzone deelgebied 6, fase 1 vast om de beoordelingscriteria die in lid 2.5 worden opgesomd in te vullen of te verduidelijken.
-
2. Voor zover over het betreffende beoordelingscriterium beleidsregels zijn gesteld, beoordelen burgemeester en wethouders aan de hand van de Beleidsregels Uitvoering Programma Merwedekanaalzone deelgebied 6, fase 1 of aan de beleidsregels die daarvoor in de plaats zijn getreden of een aanvraag omgevingsvergunning voor nieuwe activiteiten en bouwen voldoet aan de beoordelingscriteria.
-
3. Als ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning voor het betreffende (deel)gebied nog geen beleidsregels - een Beeldkwaliteitsplan daaronder begrepen - zijn vastgesteld, wordt een omgevingsvergunning zoals bedoeld onder 2 pas verleend nadat burgemeester en wethouders of de gemeenteraad in geval van een Beeldkwaliteitsplan, beleidsregels hebben vastgesteld.
2.5.1 Beoordelingsregels bouwen
Bestaande activiteiten
-
1. Het bouwen van nieuwe gebouwen ten dienste van toegelaten en/of overige bestaande activiteiten zoals bedoeld in 2.2.1 onder a en b, is niet toegestaan.
-
2. Het uitbreiden van bestaande gebouwen ten dienste van toegelaten en/of overige bestaande activiteiten zoals bedoeld in 2.2.1 onder a en b, is niet toegestaan.
-
3. In afwijking van de regels onder 1 en 2 geldt, naast de regel in 4.34 van het omgevingsplan, voor het bouwen van overige bouwwerken:
-
a. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 meter.
-
b. De regel onder a geldt niet voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ter geleiding, begeleiding en regeling van het verkeer.
-
c. In afwijking van de regel onder a mag de bouwhoogte van palen en masten maximaal 6 meter bedragen.
Activiteiten Transformatiegebied
-
4. De vergunningplicht voor het bouwen zoals opgenomen in artikel 4.5 lid 1 omgevingsplan, geldt niet voor de functie 'Transformatiegebied Merwedekanaalzone deelgebied 6'. Daarvoor geldt de vergunningplicht als bedoeld in artikel 2.4 van dit plan. Onderstaande beoordelingscriteria gelden in aanvulling op de regels en beoordelingscriteria van paragraaf 4.1.2, artikel 4.5 lid 2 en afdeling 4.2, met uitzondering van subparagraaf 4.2.1.2, van het omgevingsplan.
-
5. Gebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak.
-
6. De gebouwen in de functie 'Transformatiegebied Merwedekanaalzone deelgebied 6' hebben in totaal een maximum bruto vloeroppervlak van 195.000 m2 exclusief ondergronds programma, half verdiept programma, de bestaande gebouwde parkeervoorzieningen en exclusief 4.000 m2 van het bedrijfsgebouw Eendrachtlaan 100-260.
-
7. De bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan in 'tabel 2 maximale bouwhoogten' onder 'bouwhoogte' in de op de verbeelding aangegeven zone.
-
8. In aanvulling op de regel onder 7 zijn hoogteaccenten toegestaan onder de voorwaarden dat:
-
a. De maximale bouwhoogte voor gebouwen in de betreffende zone niet meer bedraagt dan in tabel 2 voor 'bouwhoogte hoogteaccenten' is aangegeven;
-
b. De oppervlakte van een hoogteaccent vanaf een hoogte van 20 meter, maximaal 750 m2 bedraagt (exclusief buitenruimten).
Tabel 2 Maximale bouwhoogten
Zone
Overige zone - zone 1
|
Bouwhoogte
25
|
Bouwhoogte hoogteaccenten
31
|
| Overige zone - zone 2
|
31
|
43
|
| Overige zone - zone 3
|
37
|
55
|
-
9. In aanvulling op de regel onder 7 en 8 is in 'Overige zone - zone 3', ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding -1', één hoogteaccent toegestaan met een bouwhoogte van maximaal 70 meter. Voor de hoogteaccenten als genoemd in de regel onder 8, 9 en 10 geldt dat deze worden ingepast met goede stedenbouwkundige kwaliteit. Of hiervan
sprake is wordt beoordeeld aan de hand van beleidsregels 'Uitvoering Programma
Merwedekanaalzone deelgebied 6, fase 1'.
-
10. In afwijking van de regel onder 7 en 8 geldt dat als op de verbeelding een maximale bouwhoogte is aangegeven, deze bouwhoogte als maximum geldt. Deze bouwhoogte mag worden overschreden door ten hoogste één hoogteaccent met een bouwhoogte van maximaal 43 meter.
-
11. Voor de middenhuurwoningen wordt een oppervlakte van minimaal 45 m2 gebruikersoppervlakte (gbo) en maximaal 65 m2 gbo gehanteerd met een gemiddelde van 55 m2 gbo.
-
12. Voor de middenkoopwoningen wordt een oppervlakte van minimaal 45 m2 gebruikersoppervlakte (gbo) gehanteerd.
-
13. Er is bovendien sprake van goede stedenbouwkundige kwaliteit met een goede maatvoering, doordachte opbouw en positionering van gebouwen. Er is sprake van voldoende ruimte voor een groene inrichting van het plangebied,met een goed gebruik van de openbare ruimten, groene daken en voor maatregelen in verband met de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast en hoge temperaturen. Woongebouwen hebben een goede woonkwaliteit en bevorderen gemeenschapszin. Het beschikbare metrage genoemd in regel 6 wordt evenwichtig toegekend aan de functie. Straatbreedtes en de hoogte en bijbehorende breedte van aangrenzende gebouwen zijn een essentiële factor. Straten hebben een goede hoogte-breedteverhouding voor een goede kwalitatieve stedenbouwkundige opzet en om ongewenste donkere straten voorkomen. Of hiervan
sprake is wordt beoordeeld aan de hand van beleidsregels 'Uitvoering Programma
Merwedekanaalzone deelgebied 6, fase 1'. De beleidsregels zien ook op de verdeling, reservering
en monitoring van het beschikbare ontwikkelprogramma.
-
14. Het uiterlijk van een bouwwerk moet voldoen aan de minimumeisen van ruimtelijke kwaliteit. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van beleidsregels
(Beeldkwaliteitsplan).
-
15. Een gebouw levert een bijdrage aan het beheersen en beperken van de gevolgen van de klimaatverandering, een efficiënt energiegebruik, duurzaamheid, circulariteit, voorzieningen voor waterafvoer of groene daken op de gebouwen. Of hiervan sprake is
wordt beoordeeld aan de hand van beleidsregels 'Uitvoering Programma Merwedekanaalzone
deelgebied 6, fase 1'.
-
16. Groene daken worden zodanig ingericht en in stand gehouden dat zij kunnen fungeren als leefgebied voor planten en dieren.
-
17. Voorzieningen in de ondergrond die nodig zijn voor het functioneren van het bouwwerk zijn alleen toegestaan als zij passen bij een doelmatige verdeling van het gebruik van de ondergrond en doorboren de scheidingslaag tussen het eerste en het tweede waterhoudend pakket alleen als daar een dringende reden voor is.
-
18. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer -1' wordt bij de situering van bebouwing rekening gehouden met voldoende ruimte voor het maken van een oost-westroute voor langzaam verkeer. Of sprake is van voldoende ruimte wordt beoordeeld
aan de hand van beleidsregels 'Uitvoering Programma Merwedekanaalzone deelgebied 6, fase
1'.
-
19. Voor het bouwen van overige bouwwerken geldt, naast de regel in 4.34 van het omgevingsplan:
-
a. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 meter.
-
b. De regel onder a geldt niet voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ter geleiding, begeleiding en regeling van het verkeer.
-
c. In afwijking van de regel onder a mag de bouwhoogte van palen en masten maximaal 6 meter bedragen.
-
20. Nutsvoorzieningen, fietsparkeervoorzieningen en voorzieningen voor afval worden zorgvuldig inpandig ingepast. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van
beleidsregels 'Uitvoering Programma Merwedekanaalzone deelgebied 6, fase 1'.
2.5.2 Beoordelingsregels woningbouw
-
1. Het minimum percentage sociale huurwoningen, middenhuurwoningen en middenkoopwoningen bedraagt per aanvraag omgevingsvergunning, minimaal 40%, respectievelijk minimaal 20%, en respectievelijk minimaal 15%.
-
2. Het is verboden om een woningbouwprogramma te realiseren met een lager percentage dan genoemd onder 1.
-
3. Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning met een woningprogramma met een lager percentage mits op een andere wijze in de behoefte voor de doelgroep wordt voorzien, waarbij in de eindsituatie een percentage van minimaal 34% geldt voor sociale huurwoningen en minimaal 17% voor middenhuur en maximaal 13% middenkoopwoningen. Voor een lager percentage sociale en middenhuurwoningen geldt aanvullend nog dat de omgevingsvergunning alleen verleend wordt indien het initiatief voorziet in een meerwaarde voor het werkingsgebied. Wanneer sprake is van een
meerwaarde is wordt beoordeeld aan de hand van beleidsregels 'Uitvoering Programma
Merwedekanaalzone deelgebied 6, fase 1'.
-
4. Sociale huurwoningen moeten minimaal 20 jaren lang worden verhuurd als sociale huurwoning.
-
5. Middenhuurwoningen moeten minimaal 20 jaren worden verhuurd als middenhuurwoning. Als bij het initiatief of aanvraag omgevingsvergunning zoals bedoeld onder 1, sprake is van erfpacht bedraagt de instandhoudingstermijn 25 jaar.
2.5.3 Beoordelingsregels niet-woonfuncties
-
1. De activiteit supermarkt is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de functie aanduiding 'specifieke vorm van gemengd -1' op de verbeelding. Bevoorrading voor deze activiteit is uitsluitend toegestaan met een inpandig loadingdock.
-
2. Bevoorradend verkeer voor de activiteit supermarkt is niet toegestaan op de Eendrachtlaan tussen de twee op de verbeelding opgenomen in oost-westrichting gelegen functie aanduiding 'specifieke vorm van verkeer-1'.
-
3. De activiteit supermarkt wordt mede met het oog op de regels onder 1 en onder 2 ruimtelijk goed ingepast. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van beleidsregels
'Uitvoering Programma Merwedekanaalzone deelgebied 6, fase 1'.
-
4. De activiteiten overige dagelijkse detailhandel en niet dagelijkse detailhandel zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de functie aanduiding 'specifieke vorm van gemengd-1' op de verbeelding en uitsluitend geclusterd met de activiteit supermarkt.
-
5. De activiteiten school en kinderdagverblijf/buitenschoolse opvang zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de functie aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - 2' op de verbeelding.
-
6. De activiteit horeca is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de functie aanduiding 'specifieke vorm van gemengd-1' en 'specifieke vorm van gemengd -3', waarbij geldt dat minimaal 200 m2 bruto vloeroppervlak moet worden gerealiseerd ter plaatse van de functie aanduiding 'specifieke vorm van gemengd-3'.
-
7. De activiteiten genoemd in 2.2.2 onder b, c en d zijn niet toegestaan ter plaatse van de functie aanduiding 'wonen' op de verbeelding.
-
8. Ter plaatse van de functie aanduiding 'wonen uitgesloten' is de activiteit wonen op de eerste bouwlaag niet toegestaan, met uitzondering van incidentele toegangen tot een woonfunctie op de verdieping(en), bergingen en fietsenstallingen.
-
9. De activiteit stadsverzorgende bedrijven is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de functie aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - 4' op de verbeelding. Ter plaatse zijn creatieve bedrijven op de eerste bouwlaag niet toegestaan.
-
10. Een aanvraag omgevingsvergunning voor nieuwe woningen voorziet tenminste in een percentage van 10% van het totale bruto vloeroppervlak van de aanvraag in een of meerdere niet-woonfuncties.
-
11. Het is verboden om een programma te realiseren met een lager percentage dan genoemd onder 10.
-
12. Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning met een lager percentage mits op een andere wijze in de behoefte voor de niet-woonfuncties wordt voorzien.
-
13. De regel onder 10 is niet van toepassing voor de gronden ter plaatse van de functie-aanduiding 'Wonen' op de verbeelding.
2.5.4 Beoordelingsregels parkeren
-
1. Het aantal benodigde autoparkeerplaatsen zoals bedoeld in artikel 4.42 van het omgevingsplan, in het werkingsgebied van dit plan voor de functies genoemd onder regel 2.2.2 sub a tot en met e bedraagt ten hoogste 455. Buiten het plangebied worden 292 parkeerplaatsen in een Park and Ride parkeervoorziening gereserveerd voor parkeren op afstand, totdat ook fase 2 van deelgebied 6 wordt getransformeerd en op dat moment wordt aangetoond dat deze plekken in de Park and Ride niet nodig zijn.
-
2. Of sprake is van voldoende parkeergelegenheid wordt beoordeeld aan de hand van de beleidsregel Parkeernormen Auto 2021 Gemeente Utrecht gebiedstype B1, met dien verstande dat de afwijkingsbevoegdheden uit artikel 7 en artikel 8 van deze beleidsregel op de volgende wijze worden ingevuld:
-
a. een korting tot 40% op het bewonersdeel van de parkeernorm bij woningen door inzet van deelauto's;
-
b. een korting van 25% door additioneel fietsparkeren;
-
c. parkeren op loopafstand en op afstand in een Park and Ride met een korting van 20%.
-
3. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet aan de hand van een parkeerbalans aangetoond worden:
-
a. dat voor het bouwplan een evenredig deel wordt gebruikt van de 455 parkeerplaatsen en de 292 parkeerplaatsen in een Park and Ride als bedoeld onder 1, en
-
b. dat uiterlijk bij ingebruikname van de gebouwen, één van de parkeeroplossingen als genoemd in artikel 2.2.2 onder g gerealiseerd is, en dat mede gelet op de beschikbaarheid van een Park and Ride-voorziening op afstand met 292 parkeerplaatsen en de overige (toekomstige) ontwikkelingen binnen de functie Transformatiegebied, toepassing van de onder 2 genoemde reductiefactoren redelijkerwijs gerechtvaardigd is.
-
4. Bij de beoordeling van de aanvraag onder 3 wordt bij de beoordeling van "evenredigheid" ook de inzet van deelauto's, additioneel fietsparkeren per bouwaanvraag betrokken.
-
5.
Of sprake is van evenredigheid als bedoeld in de regel 3 en 4 wordt beoordeeld aan de hand van
beleidsregels ‘Uitvoering programma Merwedekanaalzone deelgebied 6, fase 1’.
-
6. Het bestaande aantal parkeerplaatsen in de gebouwde parkeervoorzieningen als bedoeld in regel 2.2.1 onder e en 2.2.2 wordt minimaal in stand gehouden met een tariefstelling zoals dat ook in het omliggende gebied geldt.
2.5.5 Beoordelingsregels geluid
-
1. Bij het realiseren van activiteiten transformatie wordt voldaan aan de grenswaarde voor het langtijdgemiddelde geluid vanwege bedrijven en voorzieningen - anders dan vanwege industrielawaai - in en buiten het werkingsgebied op een geluidgevoelig gebouw overeenkomstig onderstaande tabel:
| Grenswaarde toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw
|
07.00 - 19.00 uur
|
19.00 - 23.00 uur
|
23.00 - 07.00 uur
|
| Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten
|
45 dB(A)
|
40 dB(A)
|
35 dB(A)
|
| Maximaal geluidniveau LAr,LT veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen
|
|
70 dB(A)
|
70 dB(A)
|
| Maximaal geluidniveau LAr,LT veroorzaakt door andere piekgeluiden
|
|
65 dB(A)
|
65 dB(A)
|
-
2. Bij het realiseren van activiteiten transformatie wordt voldaan aan de grenswaarde toelaatbaar geluid voor het langtijdgemiddelde geluid vanwege bedrijven en voorzieningen in en buiten het werkingsgebied in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen overeenkomstig onderstaande tabel:
| Grenswaarde toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelig gebouwen
|
07.00 - 19.00 uur
|
19.00 - 23.00 uur
|
23.00 - 07.00 uur
|
| Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten
|
35 dB(A)
|
30 dB(A)
|
25 dB(A)
|
| Maximaal geluidniveau LAr,LT veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen
|
|
55 dB(A)
|
55 dB(A)
|
| Maximaal geluidniveau LAr,LT veroorzaakt door andere piekgeluiden
|
|
45 dB(A)
|
45 dB(A)
|
-
3. Als uit een deskundigenonderzoek blijkt dat niet doelmatig of kosteneffectief kan worden voldaan aan de regel onder 1, kan worden afgeweken van de genoemde langtijd gemiddelde beoordelingsniveau, onder de voorwaarde dat een langtijd gemiddelde beoordelingsniveau van maximaal 50dB(A) in plaats van 45dB(A) is toegestaan. Uit een deskundigenonderzoek moet blijken dat in redelijkheid alle doelmatige of kosteneffectieve maatregelen om het geluidniveau te verminderen worden getroffen.
2.5.6 Beoordelingsregels terassen
In afwijking van de regel onder 2.3 onder 5 is het realiseren, gebruiken, vergroten of verplaatsen van een horecaterras alleen toegestaan, als het woon- en leefklimaat van omwonenden niet onevenredig wordt aangetast, waarbij de volgende beoordelingsregels gelden:
-
a. het gebruik van een horecaterras levert geen onevenredige geluidhinder op voor omliggende geluidsgevoelige gebouwen en ruimtes. Hiervan is in ieder geval sprake als aangetoond wordt dat het gecumuleerde langtijdgemiddelde geluidniveau van het geluid dat op het horecaterras veroorzaakt wordt, op de gevels van omliggende geluidsgevoelige gebouwen en ruimtes niet meer bedraagt dan 55 dB(A) voor de dagperiode (7-19 uur), 50 dB(A) voor de avondperiode (19-23 uur) en 45 dB(A) voor de nachtperiode (23-7 uur).
-
b. er is naast de regel onder a geen sprake van onevenredige geluidhinder als dit op voorhand voor de gemeentelijke geluidsadviseur aannemelijk is, op basis van de geringe grootte of de locatie van het horecaterras en de afstand van het horecaterras tot geluidgevoelige gebouwen en ruimtes.
2.5.7 Beoordelingsregels leefomgeving
-
1. Er is sprake van voldoende bezonning van gebouwen, straten, pleinen, parken, binnenterreinen en straten. Er wordt rekening gehouden met een bezonningsnorm waarbij;
-
a. in de periode 19 maart tot 21 oktober sprake is van tenminste 2 bezonningsuren per dag op de gevels van woningen en de openbare ruimte.
-
b. verblijfsplekken in parken en op pleinen minimaal 2 uur per dag worden blootgesteld aan direct zonlicht op de kortste winterdag.
-
c. verblijfsplekken in straten en binnenterreinen minimaal 2 uur zonlicht per dag hebben in de periode van 19 maart tot en met 21 oktober.
-
2. Voor windhinder en windgevaar volgens NEN 8100 wordt rekening gehouden met het volgende beoordelingskader:
-
a. voor parken, pleinen, straten en binnentuinen mag geen sprake zijn van de kwalificatie 'slecht' voor windhinder.
-
b. Voor windgevoelige functies zoals gebouwentrees en verblijfsgebieden wordt rekening gehouden met een beoordeling goed voor de activiteit slenteren (windklasse A en B).
-
c. voor windgevaar mag geen sprake zijn van de kwalificatie 'gevaarlijk'. Beperkt risico op windgevaar wordt alleen geaccepteerd op locaties die vallen binnen activiteitenklasse I (doorlopen).
-
3. Bij de beoordeling van bezonning en wind wordt rekening gehouden met al verleende omgevingsvergunningen voor gebouwen en toekomstige gebouwen die redelijkerwijs worden voorzien.
2.5.8 Beoordelingsregels openbare ruimte
-
1. De inrichting van het openbaar gebied voldoet aan de minimum eisen van ruimtelijke kwaliteit. In de inrichting van het openbaar gebied staat de voetganger centraal en voldoet de inrichting aan het principe 'groen, tenzij'.
-
2. Het gebied wordt voor de auto ontsloten vanaf de Europalaan, via zogenaamde 'inprikkers'. De inprikkers vallen niet samen met de routes voor langzaam verkeer maar liggen hiervan los gekoppeld.
-
3. De inrichting van het openbaar gebied houdt rekening met de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast en hoge temperaturen en voldoet aan de gemeentelijke toegankelijkheidseisen.
-
4. Bij de inrichting van het openbaar gebied wordt rekening gehouden met het Handboek Openbare Ruimte en de inrichting is sociaal veilig.
-
5.
Of sprake is van de beoogde invulling en kwaliteit onder regels 1 tot en met 4 wordt beoordeeld
aan de hand van beleidsregels 'Uitvoering Programma Merwedekanaalzone deelgebied 6, fase
1'.
2.5.9 Beoordelingsregels omgevingsveiligheid
-
1. Nieuwe kwetsbare functies zijn binnen de aanduiding 'overige zone explosievoorschriftengebied' op de verbeelding toegestaan, als wordt voldaan aan artikel 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Een gelijkwaardige oplossing als bedoeld in artikel 4.96 Bbl is ook mogelijk, waarbij de afscherming door bestaande bebouwing ook kan worden meegewogen.
-
2. Nieuwe zeer kwetsbare functies binnen de aanduiding 'overige zone explosievoorschriftengebied' niet toegestaan, tenzij sprake is van zwaarwegende motieven, bijvoorbeeld maatschappelijke of economische belangen.
2.5.10 Beoordelingsregels bedrijfsvoering bestaande activiteiten
Er wordt rekening gehouden met de bedrijfsvoering van bestaande bedrijven en deze wordt niet onevenredig geschaad, met dien verstande dat de voor de bestaande bedrijfsvoering benodigde milieuruimte wordt gerespecteerd. De voor de bedrijfsvoering benodigde milieuruimte wordt gerespecteerd indien in samenspraak met de betreffende bedrijven uit nader onderzoek volgt dat, al dan niet door het treffen van maatregelen aan de bron en/of aan de nieuw te realiseren gevoelige activiteiten in de directe omgeving, de bestaande bedrijfsvoering kan worden voortgezet. Onder de "voor de bestaande bedrijfsvoering benodigde milieuruimte" wordt verstaan: de milieuruimte die een bedrijf nodig heeft om de bestaande bedrijfsvoering voort te kunnen zetten. Deze milieuruimte wordt bepaald aan de hand de afstandstabel voor gemengd gebied van de VNG-Brochure bedrijven- en milieuzonering. Het treffen van maatregelen aan de bron zal tot aanpassing van de richtafstanden leiden.