direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Lodijk 8, Bunschoten
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0313.TAMhfst22bLodijk8-va01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Omgevingsplan Bunschoten

Dit plan wijzigt het omgevingsplan Bunschoten in die zin dat na hoofdstuk 22, [een hoofdstuk 22b] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in dit plan moeten gelezen worden als afdelingen van [hoofdstuk 22b] van het omgevingsplan Bunschoten. In de artikelkop van de artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22b.] gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22b.] gelezen worden.

1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4.

1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat

De regels in afdeling 22.2 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.

1.4 Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Lodijk 8, Bunschoten [Hoofdstuk 22b] omgevingsplan Bunschoten], waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0313.TAMhfst22bLodijk8-va01.

Artikel 2 Begrippen

2.1 Van toepassing verklaring

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit plan.

2.2 Aanvullende begrippen

In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit TAM-omgevingsplan de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.45 gehanteerd.

2.3 plan:

Het 'TAM-omgevingsplan Lodijk 8, Bunschoten' met identificatienummer NL.IMRO.0313.TAMhfst22bLodijk8-va01 van de gemeente Bunschoten;

2.4 TAM-omgevingsplan:

De geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

2.5 locatievlak:

een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een gebruiksdoel;

2.6 aan- of uitbouw:

een aan een woning aangebouwd, al dan niet voor bewoning bestemd gebouw, dat als uitbreiding van die woning dient;

2.7 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

2.8 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

2.9 agrarisch bedrijf:

een bedrijf dat is ingericht voor zowel de grondgebonden als niet-grondgebonden activiteiten: het telen van gewassen of het houden van dieren, één en ander ten behoeve van het voortbrengen van producten;

2.10 agrarisch bouwvlak:

aaneengesloten terrein, waarbinnen bedrijfsgebouwen, bijgebouwen, bedrijfswoning(en) met bijbehorend erf en tuin, andere bouwwerken zoals hooibergen, voersilo's, kuilvoerplaten, mestopslag, erfverharding, parkeervoorzieningen en erfbeplanting zijn geconcentreerd;

2.11 ander bouwwerk:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde;

2.12 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde;

2.13 bed-and-breakfast-appartement:

een gedeelte van agrarische opstallen, bedoeld voor recreatief nachtverblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die zijn/hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben; onder recreatief nachtverblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen;

2.14 bedrijfswoning:

een woning, inclusief aanbouwen in of bij een gebouw of op of bij een terrein, slechts bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of voor maximaal vier afzonderlijke personen, wanneer er geen huishouden in het gebouw is ondergebracht en het gebruiksoppervlak groter is dan 80 m², wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

2.15 beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten:

een activiteit, die in of bij een woonhuis wordt uitgeoefend op een zodanige wijze dat het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt;

2.16 bestaand:
  • ten aanzien van bebouwing: bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan rechtens aanwezig is of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een vergunning;
  • ten aanzien van gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals rechtens aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
2.17 bijgebouw:

een niet voor bewoning bestemd gebouw, behorende bij en dienstbaar aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, dat in functioneel en architectonisch opzicht ondergeschikt is aan en ten dienste staat van het hoofdgebouw;

2.18 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

2.19 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

2.20 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

2.21 bouwperceelgrens:

de grens van een bouwperceel;

2.22 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

2.23 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

2.24 erf- en perceelsafscheidingen:

schuttingen, muren, terrasschermen en andere gebouwde verticale afscheidingen welke al dan niet op de erfgrens zijn geplaatst;

2.25 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

2.26 gebruiksoppervlak:

het totaal van de tussen omsluitende wanden gelegen vloeroppervlakten van in een bepaalde gebruiksfunctie gelegen ruimten conform de NEN2580 als bedoeld in bijlage I A van het Bbl;

2.27 grondgebonden agrarisch bedrijf:

agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. Het betreft akkerbouw, vollegrondstuinbouw, fruitteelt en boomteelt en rundvee-, paarden-, schapen- of geitenhouderij voor zover bij deze veebedrijven het benodigde ruwvoer (gras, snijmaïs) geheel of vrijwel geheel afkomstig is van structureel bij het bedrijf behorende gronden;

2.28 hobbymatig agrarisch gebruik:

het telen van gewassen en/of het weiden van dieren, anders dan in het kader van de uitoefening van een agrarisch bedrijf of een bedrijfsmatige agrarische nevenfunctie, niet zijnde een volkstuin;

2.29 hoofdgebouw:

gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

2.30 huishouden:

persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen;

2.31 kleinschalige horecavoorziening:

vormen van horeca die wat betreft exploitatievorm en openingstijden aansluiten bij winkelvoorzieningen en waar naast kleinere etenswaren tevens dranken worden verstrekt, zoals een theeschenkerij of een koffiehuis;

2.32 mantelzorg:

een tijdelijke maar langer dan drie maanden durende behoefte aan zorg op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, waarbij de zorgverlening gebeurt op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband. Er behoeft daarbij niet per sé sprake te zijn van een ouder-kind relatie;

2.33 nevenactiviteit:

een activiteit die uitsluitend uitgeoefend kan worden naast een feitelijk aanwezige hoofdfunctie en wat betreft vloeroppervlakte ondergeschikt is aan die hoofdfunctie;

2.34 niet-grondgebonden veehouderij:

agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden veehouderij;

2.35 onderkomen:

een voor verblijf geschikt, al dan niet aan zijn bestemming onttrokken, vaar-, vlieg- of voertuig, ark of caravan, voorzover dat/die niet als een bouwwerk is aan te merken, alsook een tent;

2.36 paardenbak:

een niet overdekt terrein met daarbij behorende voorzieningen, ingericht voor het africhten, trainen en berijden van paarden en pony's en het anderszins beoefenen van de paardensport;

2.37 peil:
  • de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse vanwaar het gebouw voornamelijk toegankelijk is, dan wel
  • de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein, indien deze hoogte meer dan 1 m boven of beneden de in sub a bedoelde hoogte is gelegen;
2.38 permanente bewoning:

bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen van een ruimte als hoofdwoonverblijf, waarbij niet aannemelijk is of kan worden gemaakt dat elders daadwerkelijk over een hoofdwoonverblijf wordt beschikt;

2.39 recreatiewoning:

een gebouw, uitsluitend bestemd om te dienen voor recreatief nachtverblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die zijn/hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben; onder recreatief nachtverblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning;

2.40 seksinrichting:

een inrichting, bestaande uit een of meer voor publiek toegankelijke, besloten ruimten, waarin bedrijfsmatig of op een daarmee vergelijkbare wijze, seksuele handelingen worden verricht; onder een hiervoor bedoelde inrichting worden in elk geval verstaan: een bordeel;

2.41 voorgevel:

de naar de weg gekeerde of aan de voorzijde van een gebouw gelegen gevel of, indien het een gebouw betreft met meerdere zodanige gevels, één van de gevels;

2.42 voorgevelrooilijn:

denkbeeldige, rechte lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen;

2.43 vrij beroep:

beroep of beroepsmatige dienstverlening op administratief, juridisch, medisch, paramedisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch en daarmee gelijk te stellen gebied;

2.44 wonen:

wonen in een woning dan wel een bedrijfswoning;

2.45 woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, niet zijnde een woonwagen, of voor de huisvesting van maximaal vier afzonderlijke personen wanneer er geen huishouden in het gebouw is ondergebracht en het gebruiksoppervlak groter is dan 80 m2.

Artikel 3 Meten en rekenen

3.1 Meetbepalingen

In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24 van het omgevingsplan gemeente Bunschoten, gelden de volgende meetbepalingen:

3.2 dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

3.3 goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.4 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.5 inhoud van een bouwwerk

boven de begane grondvloer, tussen de buitenwerkse gevelvlakken, harten van scheidsmuren en buitenwerkse dakvlakken, met inbegrip van erkers en dakkapellen, en in geval van een recreatiewoning ook onder de begane grondvloer, met inbegrip van kelders en souterrains.oppervlakte van een bouwwerk.

3.6 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.7 oppervlakte van een ondergronds bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren , verticaal geprojecteerd op het onderliggende horizontale vlak.

3.8 onderlinge afstanden

afstanden tussen bouwwerken onderling en ook afstanden van bouwwerken tot erfscheidingen worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn.

3.9 ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.

3.10 zichtbaar vanaf de openbare ruimte

Vergunningsplichtig daar waar het zichtbaar is vanaf de openbare (of publieke) ruimte houdt in vanaf een oogpunt van 1,60 m hoogte, staande op welke plaats dan ook in de publieke ruimte. Dat wat zichtbaar is, is vergunningsplichtig in de context van de gehele gevel.

Hoofdstuk 2 Specifieke regels over functies

Artikel 4 Agrarisch met waarden

4.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0313.TAMhfst22bLodijk8-va01 is aangewezen voor het gebruiksdoel Agrarisch met waarden.

4.2 Beschrijving gebruiksdoel

Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Agrarisch met waarden heeft de volgende functies:

  • a. agrarische bedrijfsactiviteit, met dien verstanden dat kwekerijen van bomen, heesters en andere houtgewassen zijn uitgezonderd;
  • b. behoud, herstel en/of ontwikkeling van het aldaar voorkomende landschap Eemland, zoals beschreven in de kernkwaliteiten landschap behorende bij de provinciale verordening, dan wel daaraan eigen landschaps- en natuurwaarden, zoals deze tot uitdrukking komen in:
    • 1. de extreme visuele openheid van het landschap;
    • 2. het karakteristieke verkavelingspatroon in de vorm van een slagenverkaveling;
    • 3. de aanwezige weidevogelkerngebieden;
  • c. behoud van de voor oxidatie gevoelige veenbodem;
  • d. hobbymatig agrarisch gebruik;
  • e. ander gebruik van bebouwing als ondergeschikte nevenactiviteit met een maximum van 25% van het bebouwd oppervlak, met een maximum van 300 m², namelijk:
    • 1. stallen van paarden en pony's;
    • 2. detailhandel in op het betreffende agrarische bedrijf vervaardigde / bewerkte agrarische producten of streekproducten met dien verstande dat de verkoopvloeroppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m²;
    • 3. zorgboerderij;
    • 4. natuurvoorlichting- en educatie;
    • 5. ten hoogste vijf bed-and-breakfast-appartementen binnen één gebouw met elk een inhoud van maximaal 200 m³, en een daarbij behorende gemeenschappelijke ruimte van maximaal 30 m2;
    • 6. opslag en stalling van caravans, campers en boten;
  • f. standplaatsen voor ten hoogste 15 kampeermiddelen, met uitzondering van stacaravans, in de periode van 15 maart t/m 31 oktober, binnen een bouwvlak of op ten hoogste 25 m daarbuiten;
  • g. voorzieningen ten behoeve van extensieve openluchtrecreatie, zoals fiets- en voetpaden en picknickplaatsen;
  • h. duurzame energievoorziening;
  • i. natuurontwikkeling en - beheer;
  • j. watergangen en -lopen, en oevers met natuurwaarden;
  • k. tuinen, erven;
  • l. voorzieningen, zoals paardenbakken, dierweiden, ontsluitingswegen en -paden, mestplaten en opslag van grasrollen.
4.3 Gebruiksactiviteit – verboden
4.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in artikel 4.2 genoemde functies van de gronden.

4.3.2 Gebruik buiten bouwvlak

Het is in ieder geval verboden om gronden buiten het bouwvlak te gebruiken voor:

  • a. (hoge en lage) boogkassen;
  • b. de opslag van hooirollen;
  • c. bouwconstructies voor duurzame energie, waaronder begrepen velden met zonnepanelen.
4.4 Gebruiksactiviteit - omgevingsplanactiviteit
4.4.1 Pluktuin
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de gronden te gebruiken voor fruitbomen en andere opgaande beplanting ten behoeve van een pluktuin;
  • b. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend ten behoeve van een pluktuin er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. er geen sprake is van een onevenredige aantasting van het landschap en het natuurlijk milieu van de omgeving;
    • 2. de inpassing in het landschap op zorgvuldige wijze plaatsvindt aan de hand van een deugdelijk inrichtingsplan;
    • 3. er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
    • 4. er voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein en in vergelijking met het (voormalige) agrarische gebruik is er geen onevenredig grotere verkeersbelasting op aangrenzende wegen en paden.

4.4.2 Nevenactiviteiten
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning agrarische bedrijfsgebouwen binnen een agrarisch bouwvlak met een maximum van 30% van het bebouwd oppervlak, tot maximaal 600 m², waar sprake is van agrarische bedrijvigheid als hoofdactiviteit, voor het volgende niet-agrarisch gebruik,
    • 1. een agrarisch hulpbedrijf;
    • 2. bewerking van agrarische producten, die op het eigen bedrijf of in de directe omgeving daarvan gelegen agrarische bedrijven zijn geproduceerd;
    • 3. kinderdagopvang;
    • 4. horeca ten dienste van extensieve recreatie, zoals een theehuis een terras, een speeltuin, een pannenkoekenrestaurant, met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 300 m²;
    • 5. andere, niet-agrarische nevenactiviteiten tot een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 300 m² binnen elk agrarisch bouwvlak;
    • 6. de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsgebouwen van het betreffende agrarische bedrijf mag niet worden vergroot, voor zover deze vergroting betrekking heeft op het met vrijstelling toegestane gebruik;
    • 7. in uitzondering op het bepaalde in sub 6 kan vergroting van de oppervlakte van de bedrijfsgebouwen worden toegestaan als de bestaande gebouwen geheel of nagenoeg geheel noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de agrarische hoofdactiviteiten of de bestaande bebouwing ongeschikt is voor de beoogde functie, waarbij de oppervlakte met maximaal 300 m2 mag worden uitgebreid.
  • b. De omgevingsvergunning van de onder lid a genoemde activiteiten wordt alleen verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. de agrarische functie van aangrenzende, niet bij het bedrijf behorende gronden en bebouwing mag niet onevenredig worden belemmerd;
    • 2. in vergelijking met het agrarisch gebruik mag geen onevenredig grotere verkeersbelasting op aangrenzende wegen en paden plaatsvinden;
    • 3. het andere gebruik mag door de visuele aspecten, zoals reclame-uitingen en technische installaties, het landelijk karakter van de omgeving niet onevenredig aantasten;
    • 4. de waarden als bedoeld in lid 4.2 mogen niet onevenredig worden aangetast.

4.4.3 Vergroten aantal standplaatsen
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken als standplaats voor ten hoogste 25 kampeermiddelen, mits wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing, door middel van afschermende beplanting.
  • b. De omgevingsvergunning van de onder lid a genoemde activiteit wordt alleen verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. de agrarische functie van aangrenzende, niet bij het bedrijf behorende gronden en bebouwing mag niet onevenredig worden belemmerd;
    • 2. in vergelijking met het agrarisch gebruik mag geen onevenredig grotere verkeersbelasting op aangrenzende wegen en paden plaatsvinden;
    • 3. het andere gebruik mag door de visuele aspecten, zoals reclame-uitingen en technische installaties, het landelijk karakter van de omgeving niet onevenredig aantasten;
    • 4. de waarden als bedoeld in lid 4.2 mogen niet onevenredig worden aangetast.

4.4.4 Paardenbakken
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden behorende bij (agrarische) bedrijven en woningen, waaronder begrepen bedrijfs- en dienstwoningen, niet zijnde recreatiewoningen, te gebruiken als paardenbak;
  • b. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend ten behoeve van het gebruik als paardenbak indien er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. het bij eenzelfde bedrijf of woning ten hoogste één paardenbak betreft met een oppervlakte van maximaal 1.200 m²;
    • 2. de paardenbak binnen een afstand van 50 m van de betreffende woning respectievelijk de hoofdbebouwing van het betreffende bedrijf wordt gesitueerd;
    • 3. de hoogte van andere bouwwerken niet meer dan 2 m bedraagt, en
    • 4. de waarden als bedoeld in lid 4.2 mogen niet onevenredig worden aangetast;
    • 5. de inpassing van de paardenbak in het landschap op zorgvuldige wijze plaatsvindt aan de hand van een deugdelijk inrichtingsplan, waarbij onevenredige aantasting van de in de directe omgeving voorkomende natuurwaarden en van de waterhuishouding en van de waterkwaliteit ter plaatse zoveel mogelijk dient te worden voorkomen;
    • 6. er geen sprake is van een onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

4.4.5 Plattelandswoning
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning anders dan ten behoeve van het agrarische bedrijf, in een voormalige agrarische bedrijfswoning (plattelandswoning), te wonen;
  • b. De omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid a wordt alleen verleend indien er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. het aantal (bedrijfs)woningen op het betreffende perceel niet toeneemt;
    • 2. er sprake is van een goed woon- en leefklimaat;
    • 3. de overige bebouwing op het bouwvlak in gebruik blijft ten behoeve van de agrarische functie;
    • 4. ten behoeve van deze functie geen bebouwing wordt gerealiseerd;
    • 5. er geen sprake is van een onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en het landschap- en bebouwingsbeeld.
4.5 Bouwactiviteit - algemeen
  • a. Voor het bouwen van bouwwerken geldt het volgende:
    • 1. bouwwerken staan ten dienste van de functies genoemd in artikel 4.2.
  • b. Binnen elk bouwvlak mogen uitsluitend worden gebouwd:
    • 1. de bij één agrarisch bedrijf behorende bedrijfsgebouwen en andere bouwwerken, zoals hooibergen, voersilo's, kuilvoerplaten, sleufsilo's en mestopslag;
    • 2. één bedrijfswoning en daarbij behorende bijgebouwen;
    • 3. bij een standplaats voor kampeermiddelen behorende, niet voor bewoning bestemde gebouwen, zoals sanitaire ruimten, en andere bouwwerken;
    • 4. bouwwerken ten behoeve van het opwekken van duurzame energie, zoals zonnepanelen.
4.6 Bouwactiviteit - gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen en andere bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de oppervlakte van gebouwen mag niet meer bedragen dan hierna is aangegeven:
    • 1. de gezamenlijke oppervlakte van kassen met een hoogte van meer dan 1,2 m mag binnen elk agrarisch bouwvlak niet meer dan 300 m² bedragen;
    • 2. de gezamenlijke oppervlakte van bij eenzelfde bedrijfswoning behorende bijgebouwen bedraagt niet meer dan 150 m²;
  • b. de inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 800 m³ of, indien de bestaande inhoud meer dan 800 m³ bedraagt, niet meer dan de bestaande inhoud;
  • c. de goot- en bouwhoogte van gebouwen en andere bouwwerken mogen niet meer bedragen dan hierna is aangegeven:
Bebouwing     max. goothoogte in m     max. bouwhoogte in m    
bedrijfsgebouwen     6     12    
bedrijfswoning     7     11    
bijgebouwen bij bedrijfswoning     3     6    
bij een standplaats voor kampeermiddelen behorende gebouwen     3     6    
4.7 Bouwactiviteit - bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt het volgende:

  • a. kuilvoerplaten en sleufsilo's hebben een maximale bouwhoogte van 2 m;
  • b. bouwwerken voor mestopslag en kassen hebben een maximale bouwhoogte van 6 m;
  • c. boogkassen hebben een maximale bouwhoogte van 4 m;
  • d. voersilo's hebben een maximale bouwhoogte van 12 m;
  • e. erf- of perceelafscheidingen op ten minste 1 meter achter de voorgevelrooilijn binnen het bouwvlak hebben maximale bouwhoogte van 2 m;
  • f. overige erf- of perceelafscheidingen hebben een maximale bouwhoogte van 1 m;
  • g. overige andere bouwwerken binnen agrarisch bouwvlak hebben een maximale bouwhoogte van 10 m;
  • h. overige andere bouwwerken buiten agrarisch bouwvlak hebben een maximale bouwhoogte van 2 m.
4.8 Bouwactiviteiten – afwijken beoordelingsregels
4.8.1 Schuilgelegenheden voor vee

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten te verlenen in afwijking van artikel 4.6 indien:

  • a. de oppervlakte van de tot één bedrijf behorende agrarische gronden ten minste 5 ha bedraagt;
  • b. de afstand van de schuilgelegenheid tot de grens van het eigen bouwvlak en het bouwvlak of het bestemmingsvlak van derden niet minder bedraagt dan 50 m;
  • c. de goot- en bouwhoogte niet meer bedraagt dan respectievelijk 2,5 m en 3,5 m;
  • d. de schuilgelegenheid aan ten minste één zijde niet voorzien is van een wand;
  • e. de landschaps- en natuurwaarden van de betreffende gronden niet onevenredig worden aangetast;
  • f. de inpassing in het landschap op zorgvuldige wijze plaatsvindt aan de hand van een deugdelijk inrichtingsplan;
  • g. er een binding met een agrarisch bedrijf bestaat;
  • h. de schuilgelegenheid verwijderd wordt als het agrarisch bedrijf ophoudt te bestaan.

4.8.2 Bedrijfsgebouwen tot 15 meter

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van bedrijfsgebouwen tot een bouwhoogte van 15 m in afwijking van artikel 4.6 lid c, indien:

  • a. de noodzaak vanuit de agrarische bedrijfsvoering is aangetoond;
  • b. de landschaps- en natuurwaarden van de betreffende gronden niet onevenredig worden aangetast.

Hoofdstuk 3 Algemene regel over functies

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 6 Afwijken van beoordelingsregels

6.1 Meetverschillen

In afwijking van de beoordelingsregels zoals deze zijn opgenomen in dit plan kunnen burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning ook verlenen voor zover:

  • a. de afwijking noodzakelijk is voor een goede uitvoering van het plan;
  • b. de afwijking ten hoogste 1,00 m bedraagt.
6.2 10%-regeling

In afwijking van de beoordelingsregels zoals deze zijn opgenomen in dit plan kunnen burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning ook verlenen voor zover:

  • a. de afwijking betrekking heeft op een vermeerdering van de voorgeschreven maten en percentages, alsmede de inhoud en de oppervlakte van de bouwwerken;
  • b. de vermeerdering niet meer dan 10% bedraagt.

Artikel 7 Omgevingsplanactiviteit - bouwen

7.1 Nutsvoorziening
7.1.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in afwijking van de regels in dit plan, een nutsvoorziening te bouwen.

7.1.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte van het nutsgebouw bedraagt niet meer dan 3,5 m;
  • b. de oppervlakte van nutsgebouw bedraagt niet meer dan 50 m2; en
  • c. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor bewoners en omwonenden.

7.1.3 Indieningsvereisten

De aanvrager om omgevingsvergunning dient de gegevens en bescheiden in die nodig zijn voor de toetsing van de beoordelingsregels.

7.1.4 Vergunningvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen vanwege de belangen genoemd in artikel 7.1.2 voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning.

Artikel 8 Omgevingsplanactiviteit - gebruiken

8.1 Huisvesting van meer dan 4 personen in een woning
8.1.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een woning te gebruiken voor de huisvesting buiten het verband van een huishouden met meer dan vier personen.

8.1.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. het aantal personen voor huisvesting buiten het verband van een huishouden bedraagt per woning niet meer dan 6;
  • b. binnen een straal van 50 m (hemelsbreed gemeten vanaf de hoofdtoegang van de betreffende woning/woongebouw), mag geen andere woning zijn gelegen, waarin al meer dan 4 personen zijn of mogen worden gehuisvest buiten het verband van een huishouden;
  • c. de in de woning beschikbare gebruiksoppervlakte dient bij 1 extra persoon minimaal 120 m2 en bij twee extra personen minimaal 160 m2 per woning te bedragen;
  • d. er dienen voldoende parkeerplaatsen te worden gerealiseerd op eigen terrein waarbij een parkeernorm geldt van 1 parkeerplaats extra ten opzichte van de situatie dat de woning werd opgeleverd (of het nu gaat om 1 dan wel 2 extra personen boven het rechtstreeks toegestane maximum aantal van 4 personen);
  • e. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor bewoners en omwonenden.

8.1.3 Indieningsvereisten

De aanvrager om omgevingsvergunning dient de gegevens en bescheiden in die nodig zijn voor de toetsing van de beoordelingsregels.

8.1.4 Vergunningvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen vanwege de belangen genoemd in artikel 8.1.2 voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning.

8.1.5 Beleidsregel volgordesysteem afwijkingsbevoegdheid
  • a. Over het toepassen van de beoordelingsregels als bedoeld in artikel 8.1.2 geldt de beleidsregel "Volgordesysteem afwijkingsbevoegdheid Planregels wonen", zoals door burgemeester en wethouders is vastgesteld op 7 januari 2020.
  • b. In afwijking van het bepaalde onder lid a, dient te worden getoetst aan een gewijzigde beleidsregel, indien de beleidsregel, zoals bedoeld onder lid a, is gewijzigd.
8.2 Mantelzorg
8.2.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een woning te gebruiken voor de huisvesting van meer dan 1 huishouden.

8.2.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de huisvesting van meer dan 1 huishouden staat in verband met het verlenen van mantelzorg;
  • b. de voorziening in één gebouw, met één hoofdtoegang gerealiseerd dient te worden en er intern een doorgang aanwezig dient te zijn, waarbij de eventuele aanbouw/uitbreiding qua uitstraling ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
  • c. in het geval de zorg-relatie is beëindigd, de voorziening binnen een redelijke periode dient te worden gebracht in de situatie van bewoning door één huishouden.

8.2.3 Indieningsvereisten

De aanvrager om omgevingsvergunning dient de gegevens en bescheiden in die nodig zijn voor de toetsing van de beoordelingsregels.

8.2.4 Vergunningvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen vanwege de belangen genoemd in artikel 8.2.2 voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning.

Hoofdstuk 4 Regels ter bescherming van waarden en objecten

Artikel 9 Waarde - Archeologie 5

9.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2.

9.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0313.TAMhfst22bLodijk8-va01 is aangewezen als Waarde - Archeologie 5.

9.3 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologie 5 heeft mede als functie het beschermen van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.

9.4 Bouwactiviteit
9.4.1 Aanvullende aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van dit omgevingsplan worden naast de gegevens en bescheiden zoals genoemd in 22.35 van dit omgevingsplan, een rapport te worden overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

9.4.2 Aanvullende beoordelingsregel

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien door die bouwactiviteiten, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

9.4.3 Aanvullende vergunningvoorschriften

In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van dit omgevingsplan, de volgende verplichtingen worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

9.4.4 Uitzondering

De aanvullende aanvraagvereisten van artikel 9.4.1 geldt niet indien er sprake is van:

  • a. vervanging, vernieuwing of verandering van de bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande fundering;
  • b. de met de oprichting van een bouwwerk samenhangende bodemingrepen niet dieper zijn dan 30 cm en de oppervlakte niet meer dan 10.000 m2 bedraagt;
  • c. indien op voorhand is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.
9.5 Aanlegactiviteit
9.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:

  • a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,3 m onder peil;
  • b. het verlagen van de bodem en afgraven van gronden, dieper dan 0,3 m onder peil;
  • c. het graven of anderszins aanbrengen van watergangen en waterpartijen, dieper dan 0,3 m onder peil;
  • d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
  • e. het ophogen en egaliseren van gronden.

9.5.2 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod van artikel 9.5.1 geldt niet voor aanlegactiviteiten:

  • a. die een oppervlakte beslaan van minder dan 10.000 m2;
  • b. die in het kader van het normale beheer en onderhoud worden verricht;
  • c. die in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden verricht, mits verricht door een ter zake deskundige;
  • d. waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van onherroepelijk worden van dit artikel.

9.5.3 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om omgevingsvergunning worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. de te gebruiken materialen;
  • c. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en
  • d. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit.

9.5.4 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien door die aanlegactiviteiten, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

Artikel 10 Overige zone – cultuurhistorisch waardevol gebied

10.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2.

10.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0313.TAMhfst22bLodijk8-va01 is aangewezen als overige zone – cultuurhistorisch waardevol gebied.

10.3 Functieomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – cultuurhistorisch waardevol gebied' zijn de gronden mede bestemd voor het behoud, de versterking en ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische waarden in de vorm van een historische cope-ontginning met een kenmerkende noord-zuid verkaveling.

Artikel 11 Overige zone – ecologie

11.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2.

11.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0313.TAMhfst22bLodijk8-va01 is aangewezen als overige zone – ecologie.

11.3 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als overige zone - ecologie heeft mede als functie het beschermen van beschermde soorten zoals genoemd in de Omgevingswet.

11.4 Voorwaardelijke verplichting
  • a. Het is verboden om op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ecologie' de volgende handelingen te verrichten:
    • 1. het bebouwen van de gronden;
    • 2. het slopen van bebouwing;
    • 3. het verwijderen van hoogopgaande beplanting en/of bomen;
    • 4. het dempen van watergangen;
    • 5. het verrichten van overige werken en werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, ten gevolge waarvan foerageergebied of nestgelegenheden en/of verblijfplaatsen van beschermde soorten verdwijnen c.q. kunnen verdwijnen;
  • b. het verbod, bedoeld onder a, is niet van toepassing, indien:
    • 1. er middels ecologisch onderzoek wordt aangetoond dat er geen beschermde soorten aanwezig zijn;
    • 2. er middels ecologisch onderzoek wordt aangetoond dat een handeling, zoals genoemd in lid a niet leidt tot een aantasting van foerageergebied, nestgelegenheden en/of verblijfplaatsen voor beschermde soorten;
    • 3. er middels ecologisch onderzoek wordt aangetoond dat er beschermde soorten aanwezig zijn en vervolgens wordt voldaan aan de voorwaarden die opgenomen zijn in een door het bevoegd gezag goedgekeurd mitigatieplan of activiteitenplan.

Hoofdstuk 5 Overgangsregels

Artikel 12 Overgangsrecht

12.1 Overgangsrecht bouwwerken
12.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

12.1.2 Afwijken bij omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in artikel 12.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 12.1.1 met maximaal 10%.

12.1.3 Uitzondering

Het bepaalde in artikel 12.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

12.2 Overgangsrecht gebruik
12.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

12.2.2 Strijdig gebruik

Het is verboden het met het plan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 12.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

12.2.3 Onderbroken gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in artikel 12.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

12.2.4 Uitzondering

Het bepaalde in artikel 12.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.