Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Nijkerkerstraat 27-29
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0307.TAM010-0301

Toelichting

1 Inleiding
 
1.1 Aanleiding
Initiatiefnemer is voornemens om het bedrijfsgebouw aan de Nijkerkerstraat 27 te Amersfoort uit te breiden. De uitbreiding betreft een vergroting van het bedrijfsgebouw richting het noorden, op het naastgelegen perceel aan de Nijkerkerstraat 29. Tevens komt de huidige bedrijfswoning te vervallen en wordt de woning op nr 29 omgezet naar een bedrijfswoning.
  
Het initiatief past niet binnen de regels van het omgevingsplan 'bedrijventerreinen  e.o. en snelwegen'. Derhalve is het voorliggende TAM-omgevingsplan opgesteld.     
1.2 Ligging plangebied
Het plangebied ligt aan de Nijkerkerstraat, in het oosten van de gemeente Amersfoort. De planlocatie wordt aan het noorden begrensd door een woning en gronden van een bedrijf. Aan de oostzijde ligt de Nijkerkerstraat, daarachter ligt een weiland en de grens met de gemeente Hoevelaken en de provincie Gelderland. Ten zuiden en ten westen is meer bedrijvigheid aanwezig. Het plangebied is  bekend onder de kadastrale gemeente Amersfoort, sectie R, perceelnummers 115, 625, 624 en 51 (deels) en heeft een oppervlakte van ca. 3.800 m2.
 
Onderstaande afbeeldingen geven de ligging van het plangebied weer.
 
Globale ligging plangebied, plangebied rood omcirkeld (bron: Google Earth)
 
Begrenzing plangebied, plangebied rood omlijnd (bron: Google Earth)
1.3 Toetsing aan omgevingsplan
Alle voorheen geldende bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Amersfoort. Voor de projectlocatie geldt het bestemmingsplan 'bedrijventerreinen e.o. en snelwegen', vastgesteld door de gemeenteraad van Amersfoort op 12 december 2014.
 
De gronden van het plangebied zijn grotendeels voorzien van de bestemming ‘Bedrijf’, 'Agrarisch' en 'Wonen - 3'. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van dat bestemmingsplan. 
 
 
Uitsnede bestemmingsplan ‘bedrijventerreinen e.o. en snelwegen', plangebied rood omkaderd (bron: omgevingswet.overheid.nl)
    
In het zuiden van het plangebied geldt de enkelbestemming 'Bedrijf'. Deze gronden zijn bestemd voor bedrijven in de categorie 1 tot en met 3.2 in de Staat van Bedrijfsactiviteiten.
In het noordwesten van het plangebied geldt de enkelbestemming 'Agrarisch'. Deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven. Het realiseren van (of het uitbreiden van) een bedrijfsgebouw en het gebruik van deze gronden voor een niet-agrarisch bedrijf is in strijd met het omgevingsplan.
In het noordoosten van het plangebied geldt de enkelbestemming 'Wonen - 3'. Deze gronden zijn bestemd voor vrijstaande eengezinswoningen met bijbehorende bouwwerken.
  
Naast de enkelbestemminging geldt in het plangebied ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2', gericht op het behoud van archeologische waarden. Archeologisch onderzoek is vereist bij bodemingrepen dieper dan 30 cm onder het maaiveld.   
      
Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM)-omgevingsplan
De TAM biedt een alternatieve mogelijkheid voor gemeenten om het omgevingsplan te wijzigen, wanneer dit nog niet via de nieuwe standaarden en met nieuwe plansoftware mogelijk is. Met het TAM-omgevingsplan wordt het tijdelijk deel van het omgevingsplan juridisch gewijzigd.
   
1.4 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande situatie en de toekomstige situatie beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. De juridische planbeschrijving volgt in hoofdstuk 5. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid en de resultaten van overleg en inspraak.
2 Planbeschrijving
2.1 Huidige situatie
Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit meerdere percelen op twee adressen: Nijkerkerstraat 27 en 29. Op nummer 27 is het bedrijf Autoham aanwezig. Op het terrein is een  bedrijfsgebouw/garage aanwezig. Ook is er een bedrijfswoning aanwezig. Het overige terrein is verhard en wordt gebuikt om auto's op te slaan. Nummer 29 betreft een woonperceel met een vrijstaande woning aan de Nijkerkerstraat en enkele bijgebouwen achter de woning. Het gebied achter de bijgebouwen, wat ongeveer de helft van het perceel uitmaakt, is volledig onbebouwd met groen en enkele bomen.
 
Het plangebied ligt in rand van de stad Amersfoort. De locatie ligt ten noordoosten van het centrum van de stad. Ten noorden van het plangebied zijn enkele woningen aan de Nijkerkerstraat aanwezig. De planlocatie ligt in de 'oksel' van de rijksweg A1 en de rijksweg A28. Ten zuiden van het plangebied zijn enkele bedrijven aanwezig.
 
Op de onderstaande afbeeldingen is een impressie van het plangebied in de huidige situatie te zien.
 
Huidige situatie plangebied, vanaf de Nijkerkerstraat (bron: Google Streetview)
 
Situatietekening huidige situatie (bron: 3OT, 13-01-2025)
  
2.2 Toekomstige situatie
Het voornemen is om de bestaande bedrijfshal uit te breiden. Hierbij wordt aan de Nijkerstraat 29, in aansluiting op de bestaande bedrijfsbebouwing, een nieuwe bedrijfshal gerealiseerd. De bedrijfshal krijgt aan de zijde van de Nijkerkerstraat een prominente gevel bestaand uit drie bouwlagen. In deze representatieve gevel zijn op de 2e en 3e verdieping kantoorruimten ondergebracht. De 1e verdieping (begane grond) bevat de recepie, kantine, een klein kantoor en wachtruimte. De nieuwe hal krijgt een oppervlakte van 1.725 m2 en wordt deels 8,8 m hoog. Het bouwdeel met kantoren bestaat uit 3 lagen en wordt 10,1 m hoog. 
 
Om de uitbreiding te faciliteren wordt het woonperceel van Nijkerkerstraat 29 verkleind en worden alle aanwezige bijgebouwen gesloopt. De bedrijfswoning van Nijkerkerstraat 27 wordt gesloopt om meer ruimte te creëren  voor de inrit en parkeren. De woning aan de Nijkerkerstraat 29 wordt omgezet naar een bedrijfswoning behorende bij het bedrijf.
 
De beoogde uitbreiding wordt op enige afstand van de Nijkerkerstraat gerealiseerd. Daarmee behoud de Nijkerkerstraat het karakter met woningen aan de weg met daarachter bedrijfsgebouwen en bedrijvigheid. Om het oorspronkelijke karakter van agrarisch lint niet te verstoren wordt het voorterrein groen ingericht door de realisatie van groene parkeervakken en beplanting. 
 
Onderstaande afbeelding geeft een impressie van de toekomstige situatie.
  
  
Situatietekening toekomstige situatie (bron: 3OT, 04-12-2025)
3 Beleidskaders
3.1 Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:
  1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  2. duurzaam economisch groeipotentieel;
  3. sterke en gezonde steden en regio's;
  4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. 
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. 
 
Planspecifiek
Doordat voorliggend plan naar aard en omvang beperkt is heeft het geen effecten die van nationaal belang zijn. Wel draagt het plan bij aan de ambitie van het Rijk om voor duurzaam economisch groeipotentieel.
 
3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
 
In Artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met:
  1. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
  2. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
 
Planspecifiek
Stedelijke ontwikkeling
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor een stedelijke ontwikkeling. Wel zijn in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hiervoor lijnen uitgezet. Bij nieuwbouw en uitbreiding van bedrijven ligt de ondergrens in beginsel bij een bruto-vloeroppervlakte van 500 m2. Met de beoogde ontwikkeling wordt een bestaan bedrijf uitgebreid met ca. 1.725 m2 BVO. Derhalve is er sprake van een stedelijke ontwikkeling en dienen de trappen van de ladder behandeld te worden.
 
Behoefte
Zoals  blijkt uit 'Ontwikkelbeeld Regio Amersfoort 2030-2040' blijkt dat er in de gemeente Amersfoort behoefte is voor het uitbreiden en intensiveren van enkele bestaande bedrijventerreinen  en goed bereikbare locaties langs de A1 en A28. Het plangebied ligt nabij de 
bedrijfsterreinen. De Hoef en De Wieken en op zeer korte afstand tot de A1 en A28. Gelet op de ligging van het plangebied is en de reeds aanwezigheid van het bedrijf is te stellen dat er behoefte is voor uitbreiding op deze locatie en dat dit gewenst is.
  
Uit het Omgevingsprogramma Werklocaties blijkt de bedrijfsruimtemarkt in Amersfoort zeer krap is. Het beschikbare aanbod in 2022 ligt met 17.000 m² v.v.o. 71% onder het tienjarig gemiddelde en 35% onder het vijfjarig gemiddelde (Vastgoedmonitor Amersfoort 2023). Samen met 2021 is het beschikbare aanbod aan bedrijfsruimte sinds de metingen nog nooit zo laag geweest in Amersfoort. Dit resulteert in een leegstandspercentage van 1,4%. De krapte aan bedrijfsruimte is ook voelbaar in Regio Amersfoort. In de Behoefteraming bedrijfsruimte van de provincie Utrecht zijn de voornaamste opgaven en aanbevelingen voor de regio benoemd en komt naar voren dat onbenutte ruimte en intensiveringskansen benut moeten worden waar dat mogelijk is. Daarom wordt met het Omgevingsprogramma Werklocaties ingezet op het creëren van extra werkplekken en het intensiveren van bedrijvigheid op daarvoor geschikte locaties. De locatie Nijkerkerstraat 27 is een van die plekken waar ruimte is voor uitbreiding en intensivering van bestaande werkgelegenheid, inclusief een kwaliteitsimpuls (zoals een bredere inrit). Het voorgestelde plan is hiermee in lijn met de behoefte vraag van de ladder voor duurzame verstedelijking.
 
Buiten bestaand stedelijk gebied
In bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bestaand stedelijk gebied als volgt omschreven: ‘op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen.’ Rondom het plangebied zijn reeds woon- en bedrijfsgebouwen aanwezig. Het plangebied maakt onderdeel uit van dit stedenbouwkundig samenstel.  Uitgaande van de definitie als omschreven in het Bkl kan het plangebied dan ook aangemerkt worden als stedelijk gebied.
 
Hoewel een deel van het plangebied is bestemd voor agrarische doeleinde worden de gronden niet meer als zodanig gebruikt. De functie wonen is passend in het stedelijk gebied. Aanvullend wordt de directe omgeving gebruikt voor wonen en bedrijvigheid. Niet voor agrarisch. De ontwikkeling past in het beeld van de omgeving en de huidige omgeving kan worden gezien als een verlengde van het stedelijk samenstel van bebouwing.
 
Tevens wordt het plangebied in de omgevingsverordening provincie Utrecht aangemerkt als stedelijk gebied.  
 
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht
De Omgevingsvisie Provincie Utrecht is op 1 januari 2024 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
 
  • waarin Stad en land gezond zijn;
  • die Klimaatbestendig en water robuust is;
  • waarin Duurzame energie een plek heeft;
  • met Vitale steden en dorpen;
  • die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is;
  • met een Levend landschap, erfgoed en cultuur;
  • die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
 
Kernwoorden hierbij zijn slim combineren en combineren. Daarnaast gaat het om samenwerking, aangezien de provincie de vraagstukken waar de provincie voor staat niet alleen kan oplossen. Het betreft samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie, medeoverheden, partners en de samenleving. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.
 
Planspecifiek
Vitale steden en dorpen
Het plangebied is gelegen binnen het stedelijk gebied zoals aangewezen door de provincie Utrecht. De werkgelegenheid binnen de provincie groeit tot 2050 stevig met naar verwachting 100.000 banen en dat is ook nodig voor een goede woon-werkbalans. De provincie Utrecht heeft de ambitie om de ruimtevraag zo veel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied worden gerealiseerd en in de nabijheid van bestaande knooppunten. Het initiatief sluit aan bij deze ambitie door middel van het uitbreiden van een bestaand bedrijf binnen het stedelijk gebied van Amersfoort.
 
3.2.2 Omgevingsverordening Provincie Utrecht
In de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. 
  
De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden.
  
Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s. De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere keer zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te stimuleren.
 
Planspecifiek
Stedelijk gebied
Het plangebied ligt in het stedelijk gebied. In artikel 9.18 van de omgevingsverordening staan instructieregels over bedrijventerreinen binnen stedelijk gebied. Er wordt gesteld dat met ontwikkeling wordt aangesloten aan het Provinciaal Programma Wonen en Werken. Gelet op de beperkte schaal van de uitbreiding voldoet voorliggend plan aan de basisprincipes van het programma: de ontwikkeling is kleiner dan 1 hectare, de milieucategorie blijft ongewijzigd. Tevens betreft de beoogde uitbreiding, zoals in paragraaf 4.2 is opgenomen, een duurzame ontwikkeling.
   
3.3 Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Amersfoort 2030-2040
De gemeenteraad van Amersfoort heeft de Omgevingsvisie 2030-2040 ‘Gezond Samenleven’ op 19 december 2023 vastgesteld. In het kader van de visievorming is vastgesteld dat de afgelopen jaren veel is veranderd in Amersfoort en de komende jaren zal er nog veel meer veranderen. De stad groeit omdat het voor veel mensen een aantrekkelijke plek is om te wonen, te werken en te recreëren. Vanwege economische ontwikkelingen, klimaatverandering en energietransitie zal de stad op verschillende plekken ingrijpend aangepakt moeten worden. De visie en strategie zijn samen met de ambities en doelen voor het beleid voor de fysieke leefomgeving vertaald in zes integrale ontwikkelopgaven. 
  1. Een groene stad in een groene omgeving die water omarmt;
  2. Een duurzame CO2-neutrale stad;
  3. Een stad met een duurzame mobiliteit;
  4. Een inclusieve en aantrekkelijke stad om in te wonen;
  5. Een stad met een veelzijdige en veerkrachtige economie;
  6. Een stad waarin voorzieningen meegroeien. 
Planspecifiek
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt bijgedragen aan de ontwikkelopgaven uit de omgevingsvisie. Met het uitbreiden van bedrijvigheid wordt er voornamelijk bijgedragen aan de vijfde ontwikkelopgave, een stad met een veelzijdige en veerkrachtige economie. De stad wil dat het aantal arbeidsplaatsen meegroeit met de groei van het aantal inwoners en dat de economie een bijdrage levert aan een duurzame, circulaire, inclusieve, gezonde en leefbare stad. De ruimtebehoefte van bedrijven wil de gemeente binnen de bestaande stad opvangen. Met de beoogde bedrijfsuitbreiding worden er meer arbeidsplaatsen gecreëerd en vindt uitbreiding van bedrijvigheid plaats in een bestaand bebouwingslint waar meerdere bedrijven gevestigd zijn. De beoogde uitbreiding is passend binnen de schaal van het lint en in overeenstemming met de Omgevingsvisie.
 
3.3.2 Groenvisie Amersfoort 2030
Op 8 november 2016 heeft de gemeenteraad van Amersfoort de 'Groenvisie Amersfoort 2030' vastgesteld. Met de groenvisie wil de gemeente de kwaliteit van de groenstructuur verbeteren. De groenvisie benadrukt dat Amersfoort een groene stad is, maar dat meer groen van belang is. Op 28 mei 2024 is het beleid omtrent groen geactualiseerd. Met de actualisatie heeft het nieuwe puntensysteem voor groencompensatie en natuurinclusief bouwen haar intrede gedaan.
 
De doelen van de groenvisie worden aan de hand van een aantal thema's verwoord:
  • Stad van de groene ruimte
  • Biodivers Amersfoort
  • Recreatief Amersfoort
  • Eetbaar Amersfoort
  • Klimaatbestendig Amersfoort
  • Boomrijk Amersfoort
Groencompensatiebeleid
Aan de hand van de groenvisie heeft de raad van Amersfoort op 31 mei 2022 het Groencompensatiebeleid vastgesteld. Ruimtelijke plannen die niet passen in het geldende bestemmingplan dienen getoetst te worden aan het groencompensatiebeleid. De toetsing bestaat uit een stappenplan dat de initiatiefnemer dient te doorlopen. Daarnaast is een Maatregelencatalogus opgesteld. De catalogus is een communicatiemiddel dat initiatiefnemers helpt om de juiste maatregelen op de juiste locatie in het ontwerp te kunnen toepassen.
 
Planspecifiek
Initiatiefnemer het de afdelingen stedenbouw en groen van de gemeente Amersfoort hebben het plan tijdens meerdere bijeenkomsten besproken en afgestemd. De gemeente heeft het plan op dit gedeelde akkoord bevonden.
 
3.3.3 Welstand
De welstandsnota van de gemeente Amersoort (origineel uit 2008) is in 2017 geactualiseerd vanuit de behoefte aan een beter hanteerbaar beleid voor de ruimtelijke kwaliteiten van de stad. Met de criteria en uitgangspunten voor de welstandsbeoordeling wordt een bijdrage geleverd aan het ontwikkelen en versterken van de ruimtelijke karakteristieken en kwaliteiten binnen de gemeente Amersfoort. Naast de algemene criteria geldt er gebiedsgerichte criteria voor de 13 verschillende gebiedstypen die in de welstandsnota zijn onderscheiden. Op de onderstaande abeelding is een uitsnede van de welstandskaart te zien, met de locatie van het plangebied rood omcirkeld.
 
Uitsnede Welstandskaart Welstandsnota 2017 Gemeente Amersfoort (bron: gemeente Amersfoort)
Planspecifiek
Het plangebied ligt binnen het gebied 'Buitengebied: Vallei en Eemland'. Dit gebied bestaat uit drie verschillende delen die worden ontleend aan het landschap: Hoogland West, Vathorst en Oost (Stoutenburg). Het plangebied ligt binnen het deel 'Oost'.
 
Het planvoornemen wordt getoetst aan redelijke eisen van welstand door de Gemeentelijke Adviescommissie Omgevingskwaliteit (GAO), voorheen Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK).
 
 
4 Onderzoek
4.1 Verkeer en parkeren
 
4.1.1 Verkeer
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
 
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. 
 
Planspecifiek
In de nieuw situatie kent het bedrijfsgebouw een oppervlakte van 2.575 m2. Om te bepalen wat de verkeersgeneratie is wordt aangesloten op het CROW 2024. Een autobedrijf is aan te merken als een arbeidsextensief en bezoekersextensief bedrijf. Uitgaande van rest bebouwde kom, matig stedelijk bedraagt de verkeersgeneratie 1,3 mvt/e per 100 m2. Hiervan uitgaande bedraagt de te verwachte verkeersintensiteit circa 33 mvt/e. Dit aantal verkeersbewegingen is goed af te wikkelen via het bestaande wegennet.
 
4.1.2 Parkeren
Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type functie. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
 
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
 
 
Planspecifiek
De 'Parkeernormen Auto Gemeente Amersfoort 2020' van de gemeente Amersfoort bevat de gemeentelijke parkeernormen die aangehouden dienen te worden bij een ontwikkeling. Deze parkeernormen zijn uitgangspunt voor de voorgenomen ontwikkeling. Het plangebied is gelegen binnen het gebiedstype ‘rest Amersfoort'. Hiervan wordt het gemiddelde gebruikt. Met de beoogde ontwikkeling wordt de huidige parkeersituatie op het plangebied opnieuw ingedeeld. Om deze rede wordt bij de onderstaande berekening naar de totale bedrijfsoppervlakte, dus niet alleen naar de uitbreiding.
   
Categorieoppervlakte
parkeernorm
rest Amersfoort
parkeerbehoefte
Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief
2.575 m20,95 per 100 m2 bvo24,46
Totaal afgerond   25
   
De parkeerbehoefte in de beoogde ontwikkeling bedraagt afgerond 25. Zoals op de situatietekening in paragraaf 2.2 te zien is, worden er in het plangebied 23 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee wordt vooralsnog niet voldaan aan de parkeerbehoefte volgens de parkeernormen van Amersfoort. Op locatie zullen maximaal zeven mensen werkzaam zijn. Ervan uitgaande dat alle medewerkers met de auto komen (dit kan worden gezien als een worstcase benadering) zijn er 16 parkeerplaatsen over voor bezoekers. Gelet op het bezoekersextensieve karakter van het bedrijf, zijn 16 parkeerplaatsen voldoende voor het aantal te verwachten bezoekers. Tevens is het naastgelegen perceel, aan de zuidzijde, ook in bezit van Autoham. Hier is ook ruimte om te parkeren. Derhalve is er voldoende parkeergelegenheid in  de directe omgeving op eigen terrein. Daarmee is de parkeerbalans op orde en voldoet de beoogde ontwikkeling aan de gestelde eisen voor parkeren.
  
4.2 Duurzaamheid en gezondheid
De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan, zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden.
 
De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG).
 
Planspecifiek
Aan de hand van de overige aspecten van de fysieke leefomgeving wordt duidelijk dat het aspect gezondheid op voorhand geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. In aanvulling hierop is de klimaateffectatlas geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er voor het plangebied geen aandachtpunten zijn voor de gevolgen van klimaatverandering.
De gemeente Amersfoort heeft voor ruimtelijke intiatieven een maatregelencatalogus opgesteld. Deze catalogus bevat  voorstellen en voorzieningen voor duurzaam bouwen. Initiatiefnemers kunnen de catalogus gebruiken als inspiratiebron bij de te realiseren bouwwerken en gebouwen. In de beoogde nieuwbouw worden voorzieningen voor vogels en vleermuizen opgenomen zoals deze ook opgenomen zijn in de catalogus. Daarmee wordt, in bescheide mate, invulling gegeven aan de ambities voor duurzaamheid zoals deze binnen de gemeente Amersfoort beleidsmatig van toepassing zijn.   
4.3 Geluid
De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (Artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
  • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • gebouw voor kinderopvang met bedden;
  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige gebouwen gebeurt aan de hand van vastgestelde geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.
  
Planspecifiek
De bedrijfsbebouwing van de beoogde uitbreiding is niet aan te merken als een geluidgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Onderzoek naar beluidbelasting vanwege wegverkeer is daarmee niet nodig. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.4 Activiteiten en milieuzonering
De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2024 de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gepubliceerd. De nieuwe handreiking ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van 'milieuhinderlijke activiteiten' onder de Omgevingswet. Het begrip ‘milieuhinderlijke activiteiten’ wordt gehanteerd om alle (bedrijfs)activiteiten met een hindercontour vanwege geur- en/of geluidproductie in één passende term te vangen. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Onder een milieugevoelige activiteit wordt een activiteit verstaan waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
 
Een gemeente kan in haar omgevingsplan voorzien in een set regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, in het bijzonder voor geluid en geur. Uitgangspunt blijft functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Daarbij geldt: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteit beschikbaar is. De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten.
 
Zones, waarden en afstanden
Voor een milieuhinderlijke activiteit op een bedrijventerrein of ander werkterrein geldt voor geluid de basiswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde tot de grens van het woongebied of op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. De gemeente heeft de mogelijkheid in het omgevingsplan een zone ‘geluid verruimd’ toe te passen om op bedrijventerreinen, niet zijnde industrieterreinen, ook de zwaardere milieuhinderlijke activiteiten te voorzien van voldoende standaard geluidruimte (50 dB(A) tot maximaal 100 m van eigen terreingrens). Ook kan de zone ‘geluid beperkt’ toegepast worden. In dat geval mag er maximaal 45 dB(A) op de grens van het rustig woongebied geproduceerd worden.
 
Voor geur geldt de basiswaarde 0,5 ouE/m³ als 98-p en 2 ouE/m³ als 99,9-p traploos over eerste 50 meter tot grens woongebied of vanaf de eigen terreingrens. Ook voor geur kan de gemeente een zone ‘verruimd’ of ‘beperkt’ aan een bedrijventerrein of werkterrein toekennen.
 
Gebiedstypen
In de meeste omgevingsplannen worden, behalve regels voor het hele ambtsgebied, ook regels opgenomen voor verschillende gebiedstypen, bijvoorbeeld voor woongebied, centrumgebied, bedrijventerrein, industrieterrein en buitengebied. Er wordt onderscheid gemaakt in twee soorten woongebieden: het gebiedstype ‘rustig woongebied’ en ‘gemengd gebied met wonen’. De gemeente dient in het omgevingsplan de locatie van de gebiedstypen aan te wijzen en hier regels aan te verbinden. Met een rustig woongebied wordt in de handreiking de gebruikelijke woonwijk en woonbuurt bedoeld. Met gemengd gebied met wonen wordt een gebied bedoeld waar een menging van aan een locatie toegedeelde milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten aanwezig is of wordt beoogd. Onder een gemengd gebied met wonen kan ook lintbebouwing en woongebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen worden verstaan.
  
Bestaande activiteit
Wanneer van een bestaande rechtmatige activiteit bekend is dat deze niet voldoet aan de nieuwe milieuwaarden voor geur en geluid, ligt het voor de hand om de bestaande milieugebruiksruimte specifiek (op maat) te regelen. Dit kan bijvoorbeeld via een eigen functieaanwijzing met regels of met een maatwerkvoorschrift. Voor de bestaande activiteiten kan daarom een overgangsbepaling worden opgenomen op basis waarvan een bestaande, maar niet onderkende overschrijding van de waarden onder voorwaarden kan worden voortgezet. Het moet gaan om een rechtmatige en feitelijk aanwezige geluid- of geurbelasting, ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan.
 
Andere milieuthema’s dan geur en geluid
Een groot aantal milieuthema’s is al op een andere wijze afdoende gereguleerd, waardoor de VNG-handreiking niet op deze milieuthema’s is gericht. Het betreft:
  • Luchtverontreiniging.
  • Externe veiligheid en gevaar.
  • Trillinghinder.
  • Geur door agrarische activiteiten in het buitengebied.
  • Lichthinder.
  • Spuitzones.
  • De hinder door verkeer aantrekkende werking.
   
Planspecifiek
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient aangetoond te worden dat het uitbreiden van de bedrijfslocatie geen belemmering vormt voor een goed woon- en leefklimaat en activiteiten in de omgeving niet in hun mogelijkheden beperkt worden. Uit raadpleging van de VNG publicatie 2024 blijkt dat een autosloperijen basiswaarde van 50 dB op 50 meter.
De woning aan de Nijkerstraat 29 staat in de huidige situatie op een afstand van ca. 20 meter van het bedrijfsgebouw. Met de uitbreiding van het bedrijfspand verminderd de afstand tot ca. 15 m tot de woning. Hierdoor krijgt deze woning te maken met zeer hoge piekniveaus door wegrijdende vrachtwagens. Om deze reden zijn er afspraken gemaakt met de gemeente om de woning om te zetten naar een bedrijfswoning. Doordat deze woning onderdeel gaat uitmaken van de bedrijfsmatige inrichting kan deze in het kader van richtafstanden buiten beschouwing gelaten worden. Op een afstand van ca. 70 m ten noorden van het huidige bedrijfsgebouw is een woning (Nijkerkerstraat 31) gelegen. Met de beoogde uitbreiding komt het bedrijfsgebouw tot ca. 40 m van deze woning. Hiermee komt het bedrijfspand binnen de basisafstand van 50 m. Waarbij opgemerkt moet dat deze woning afgeschermd worde door de 'nieuwe' bedrijfswoning, Nijkerkerstraat 29. Daarmee kan voldaan worden aan de maximale waarden die het omgevingsplan voorschrijft.
  
In artikel 22.60 van het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan van de gemeente Amersfoort worden een aantal activiteiten genoemd waarvoor er in dit geval mogelijk geluidonderzoek moet worden verricht. Het gaat om de volgende activiteiten: zware transportbewegingen met woningen binnen 50m afstand, metalen in bulk overslaan of bewerken in de buitenlucht of het neutraliseren van airbags of gordelspanners. Enige zware transportbewegingen in het plangebied vinden plaats over dezelfde inrit als in de huidige situatie. Deze ligt op meer dan 50 m van de betreffende woning. Van de overige activiteiten is geen sprake. De laad- en losactiviteiten vinden plaats gedurende de dag periode. Daarmee mogen deze akoestisch buiten beschouwing gelaten worden.
 
Gelet op het voorgaande, de beperkte schaal van de activiteiten, en de redelijke afstand tot de woning is het niet te verwachten dat de beoogde uitbreiding een belemmering vormt voor een goed woon- en leefklimaat.
 
Conclusie
Gelet op het voorgaande vormt de uitbreiding van het bedrijf op de onderhavige locatie geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat van de woning ten noorden van het plangebied. Voor de woning op nummer 29 wordt omgezet naar bedrijfswoning. Gezien de fucntionele binding mag deze woning op grond van het omgevingsplan en het Bal buiten beschouwing gelaten worden.
4.5 Luchtkwaliteit
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.
  
Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
  1. Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.
  2. Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.  
Planspecifiek
De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gelet op de beperkte omvang van het initiatief wordt het per definitie aangemerkt als project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.
 
Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Er is gekeken naar het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij het plangebied (32160938_204181). Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 μg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2024 van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5) en (PM10) in het plangebied bedragen respectievelijk gemiddeld 20,7 μg/m³, 8,7 μg/m³ en 16,2 μg/m³. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden.
 
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.6 Cultuurhistorie en archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (3.7 Bal).
 
Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
 
In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.
 
 
Planspecifiek
Archeologie
Op de gronden van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. De vrijstellingsgrenzen van deze dubbelbestemming worden met de beoogde ontwikkeling overschreden. Derhalve is archeologisch onderzoek vereist. Initiatiefnemer heeft een Archeologisch inventariserend veldonderzoek d.m.v  proefsleuven laten uitvoeren voor de Nijkerkerstraat 29 (Transect, 5779, d.d. 30-01-2025, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 1).
 
Tijdens het onderzoek zijn er twee proefsleuven gegraven in het plangebied. Hieruit zijn geen archeologische vindplaatsen aangetroffen. Significante sporen van landgebruik zijn ook niet aangetroffen. Alle sporen die wel zijn aangetroffen, bestaan uit modern materiaal en zijn daarom als recente verstoringen ingemeten. Op grond van het uitgevoerde onderzoek is het advies het plangebied vrij te geven. Het onderzoek ziet niet op het gehele plangebied. Uitsluitend voor het plandeel wat onderzocht is komt de archeologische dubbelbestemming te vervallen. 
 
Cultuurhistorie
Binnen het plangebied of in de directe omgeving zijn geen monumenten aanwezig. In het plangebied of in de omgeving zijn daarnaast geen cultuurhistorische waarden aanwezig die aangetast worden door de beoogde ontwikkeling.
 
Conclusie 
De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen daarmee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Omdat er geen archeologische vonsten zijn gedaan, wordt het plangebied vrijgegeven van de archeologische dubbelbestemming.  
 
4.7 Bodem
Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:
  • Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;
  • Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.
 
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). 
 
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling ziet toe op het realiseren van bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw en het mogelijk maken van een bodemgevoelige locatie dient bij een aanvraag omgevingsvergunning een bodemonderzoek te worden verstrekt. Voor de beoogde ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (PJ Milieu, 24010701A, d.d. 16 mei 2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2).
    
Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat er zowel in de bovengrond als in de ondergrond, bestaande uit zand met humeuze bovenlaag, geen verhoogde gehalten zijn aangetroffen. In het grondwater een enkel een lichte verhoging aan zink aangetoond. Gelet op de beperkte gehalten vormt deze verhoging geen belemmering.  
   
Conclusie
Op basis van de uitgevoerde onderzoeken kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.8 Omgevingsveiligheid
Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan. Of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Waar onder het oude recht de regels over externe veiligheid verspreid waren, waaronder in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), zijn de belangrijkste regels over externe veiligheid onder de Omgevingswet opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
 
Kwetsbare gebouwen en locaties
Om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen tegen externe veiligheidsrisico’s, gaat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in op drie categorieën waar afstanden voor kunnen gelden: ‘beperkt kwetsbare gebouwen en locaties’, ‘kwetsbare gebouwen en locaties’ en ‘zeer kwetsbare gebouwen’. Beperkt kwetsbaar zijn bijvoorbeeld verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen, bij kwetsbaar gaat het hierbij om meer dan 50 personen. Onder kwetsbare gebouwen vallen gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing), kantoren en sportgebouwen. De categorie zeer kwetsbaar is nieuw en hieronder vallen gebouwen die groepen mensen bevatten die niet of slecht zelfredzaam zijn. Deze vielen voorheen onder de categorie kwetsbaar en bevatten onder meer onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven.
 
Aandachtsgebieden
De Omgevingswet vult het groepsrisico anders in dan in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) het geval was. Bij risicovolle activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat gemeenten aandachtsgebieden aanwijzen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied.
 
De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Deze maatregelen dienen te geschieden met voorschriftengebieden. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
 
Plaatsgebonden risico
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er geen inhoudelijke wijzigingen voor het plaatsgebonden risico. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR(plaatsgebonden risico)-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, zoals verspreid liggende woningen en kleine sportlocaties, geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde. Hiermee moet in het omgevingsplan ‘rekening gehouden worden’. Dit houdt in dat aan de norm van ten hoogste één op de miljoen per jaar moet worden voldaan, tenzij er redenen zijn om af te wijken. Het Bkl geeft in de bijlagen ook aan wat de PR-contouren en aandachtsgebieden zijn.
 
Seveso-inrichtingen
De milieubelastende activiteit Seveso-inrichting wordt in paragraaf 3.3.1 van het Bal aangewezen. Deze activiteit kan schadelijk zijn voor het milieu. Er zijn vooral nadelige gevolgen voor de omgevingsveiligheid vanwege de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Bij een Seveso-inrichting gaat het om een bedrijf waar een gevaarlijke stof aanwezig is of mag zijn, of kan ontstaan bij verlies van controle over de processen. In bijlage VII van het Bkl staan de afstanden voor het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Onderdeel E6 gaat in op Seveso-inrichtingen. Daar staat dat beide afstanden moeten berekend worden.
 
Vervoer gevaarlijke stoffen
Er geldt verschillende nationale en internationale wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit zorgt ervoor dat de kans op een ongeval en het vrijkomen van deze stoffen zo klein mogelijk is. Er bestaat wet- en regelgeving voor vervoer van gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water, oftewel het Basisnet. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen blijven buiten de Omgevingswet bestaan onder de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Alle artikelen over de ruimtelijke ordening gaan over naar de Omgevingsregeling.
 
In bijlage VII onder C bij het Bkl zijn de afstanden voor de aandachtsgebieden voor het Basisnet:
  • 30 meter voor een brandaandachtsgebied
  • 200 meter voor een explosieaandachtsgebied
  • 300 meter voor een gifwolkaandachtsgebied
De Omgevingsregeling (artikel 2.23 Invoeringsregeling Omgevingswet) wijst wegen en spoorwegen aan die een aandachtsgebied hebben. Welke wegen en spoorwegen dit zijn, staat in de Regeling basisnet, tabellen I en II. Voor deze wegen en spoorwegen gelden dan de eerdergenoemde aandachtsgebieden.
  
Planspecifiek
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:
 
   
Uitsnede risicokaart, plangebied rood omkaderd (bron: Atlas leefomgeving)
   
Uit de risicokaart blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied transportroutes en gasleidingen aanwezig zijn en dat het plangebied binnen enkele aandachtsgebieden ligt.
 
Activiteiten
Op een afstand van ca. 800 m ten oosten van het plangebied zijn enkele bedrijven aanwezig met een propaanopslag. Gelet op deze afstanden vormen deze activiteiten geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
 
Transport gevaarlijke stoffen
Op een afstand van minimaal 250 m ten zuidwesten van het plangebied is een transportroute gevaarlijke stoffen aanwezig. Het betreft de rijkswegen A1 en A28.  Het plangebied ligt binnen meerdere gifwolkaandachtsgebieden afkomstig van de transportroutes.  Daarbij moeten de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid worden beschouwd vanuit een gifwolkscenario. Bij een ongeval met een tank-/ketelwagen met gevaarlijke stoffen is het mogelijk dat er een toxische wolk ontstaat en deze over het plangebied trekt. Het effectgebied waar binnen onherstelbare of ernstige gezondheidsklachten bij blootstelling kunnen optreden is bij stabiel weer tot voorbij de 1,5 km.
 
- Bestrijdbaarheid
Het plangebied is vanuit de oostzijde voor de hulpdiensten goed bereikbaar. Voor het bedrijfsgebouw wordt tevens bouwtechnische maatregelen genomen, zoals afschakelbare (mechanische) ventilatie.
 
- Zelfredzaamheid
Bij zelfredzaamheid gaat het om de mogelijkheden voor personen in het effectgebied van een risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen, indien een ramp of een zwaar ongeval plaatsvindt. Belangrijk aspect hierbij is dat zij zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar zonder daadwerkelijke hulp van de hulpverleningsdiensten, bijvoorbeeld door te vluchten of te schuilen. De mate van zelfredzaamheid in het rampgebied is mede bepalend voor het uiteindelijke aantal slachtoffers en voor de omvang van de hulpverlening tijdens een ramp of een zwaar ongeval.
 
Voor het toxische wolkscenario is de beste optie om in het bedrijfsgebouw te schuilen tot de lekkage is verholpen en/of de concentratie in de lucht laag genoeg is om het gebied te ontvluchten. Daarvoor is het noodzakelijk dat de gifwolk het gebouw niet binnendringt. Het eenvoudig en snel kunnen uitschakelen van het ventilatiesysteem is daarvoor een vereiste. Dit is een verplichting vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.124 lid 4).
 
De transportroute kent een PR 10-6 contour. Maar deze blijft binnen het wegvak, op een afstand van ca. 250 m van het plangebied, waardoor dit aspect geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
 
Buisleidingen
Op een afstand van ca. 60 meter ten westen van het plangebied ligt een buisleiding van de Gasunie. Het plangebied ligt zowel binnen het brandaandachtsgebied en een plaatsgebonden risico contour van de leiding. Gelet op de beperkte schaal van de ontwikkeling en de beperkte toename van het aantal personen binnen het invloedsgebied leidt het project niet tot een overschrijding van 10% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Het groepsrisico vormt daarom geen belemmering voor het voorliggende plan. In dit kader dient wel een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Bij een incident met een buisleiding kan uitstroming van brandbaar gas ontstaan, wat een gaswolk, gasbrand of fakkelbrand tot gevolg kan hebben. Daarbij is een fakkelbrand het maatgevende scenario. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving ontstaan. Bij het plaatsvinden van een fakkelbrand bij de buisleiding is de verwachting dat het plangebied te maken krijgt met hittestraling.
 
Voor personen binnen, dichtbij de bron (daar waar gebouwen ontbranden) is het handelingsperspectief ontruimen en vluchten.
Voor personen buiten is het handelingsperspectief om dekking te zoeken bij objecten zoals muren of gebouwen (schuilmogelijkheden). Daarbij is het advies om onder dekking van het gebouw weg te vluchten (vluchten in oostelijke richting). Vanaf hier kan gevlucht worden naar het noorden en het zuiden.
 
De buisleiding kent ter hoogte van het plangebied geen PR 10-6 contour, waardoor dit aspect geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
 
Conclusie 
Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.9 Natuur
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet.
 
De uitgangspunten, begrippen en systematiek van de Wet natuurbescherming zijn de afgelopen jaren al zoveel mogelijk afgestemd op de vergunning- en ontheffingverlening onder de Omgevingswet. De regels uit de Wet natuurbescherming zijn beleidsneutraal overgeheveld naar de Omgevingswet. Dat betekent dat het normenkader en de instrumenten ongewijzigd blijven. Hetzelfde geldt voor het beschermingsniveau voor habitatsoorten, vogelsoorten en andere (beschermde) soorten. Anders gezegd: de bescherming blijft op peil. Bovendien blijft ook de algemene zorgplicht bestaan.
 
Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder geeft de Omgevingswet ook regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen.
 
Gebiedsbescherming
Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld. Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen.
 
In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:
  • aanwezige dier- en plantensoorten;
  • typen natuurlijke habitats;
  • leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.
Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN.
 
Soortenbescherming
Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten in het wild, kan een omgevingsvergunning nodig zijn.
De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:
  • strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
 
Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
 
Houtopstanden
Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are. 
 
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling ziet toe op werkzaamheden die mogelijk schadelijk kunnen zijn voor beschermde soorten en gebieden. Op nummer 27 wordt de bedrijfswoning gesloopt, op het naastgelegen perceel wordt groen verwijderd.  Dit betreft een Flora- en Fauna-activiteit zoals geformuleerd in de Omgevingswet. Derhalve is er voor de beoogde ontwikkeling per adres een ecologische quickscan uitgevoerd (De Slijpkruik, 24AHA01, d.d. 03-05-2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 3) (De Slijpkruik, 24AHA02, d.d. 03-05-2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4).
   
Soortenbescherming  
Naar aanleiding van het onderzoek op nummer 29 is gebleken het plangebied verder geen potentieel leefgebied vormt voor beschermde soorten. In het plangebied kunnen wel vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden of voor het broedseizoen te beginnen en continu door te werken tijdens het broedseizoen zodat vogels niet tot broeden komen in het plangebied. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient er een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Indien er broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is.
 
Naar aanleiding van het onderzoek op nummer 27 is gebleken dat de bedrijfswoning mogelijk een functie als verblijfplaats voor vleermuizen heeft. Om dit vast te stellen is er een Soortgericht  vervolgonderzoek vleermuizen uitgevoerd (De Slijpkruik, 24AHA04, d.d. 07-10-2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5). Tijdens het vervolgonderzoek  zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld in de te slopen woning binnen het plangebied. Het beperkte oppervlak aan groenstructuren binnen het plangebied wordt minimaal gebruikt als foerageergebied door gewone dwergvleermuis, en het betreft met zekerheid geen essentieel foerageergebied, door de aanwezigheid van ruim voldoende alternatieven in de omgeving. Van een vaste vliegroute is binnen het plangebied geen sprake. De sloop van de bedrijfswoning leidt niet tot verstoring of vernieling van verblijfplaatsen, foerageergebieden of vliegroutes van vleermuizen. Naast het voorgaande geldt voor nummer 27 hetzelfde advies voor algemene vogelsoorten zoals beschreven bij nummer 29.
 
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Het plangebied ligt op circa 5.9 km afstand tot Natura 2000-gebied die gevoelig is voor stikstof. Mogelijke stikstof effecten zijn daarom niet op voorhand uitgesloten. Derhalve is er voor de beoogde ontwikkeling een stikstofberekening uitgevoerd (De Slijpkruik, 24AHA03, d.d. 16 juli 2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 6). Voor de Natura 2000-gebieden geldt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. De beoogde ontwikkeling heeft geen significante gevolgen voor de Natura 2000-gebieden.
 
Houtopstanden
Er is geen sprake van effecten op houtopstanden onder bescherming van de Omgevingswet.
   
Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen effect heeft op de onderzochte soorten/soortgroepen en dat de beoogde plannen geen effect hebben op beschermde gebieden. Negatieve effecten op omliggende natuurgebied als gevolg van stikstof zijn uitgesloten. Verder vervolgonderzoek is in dit kader dan ook niet nodig.
 
4.10 Water
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
 
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
 
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.
 
Beleid
De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen t.a.v. het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het ‘Nationaal waterprogramma’ dat door het Rijk is vastgesteld, het ‘Regionaal waterprogramma’ dat door de provincie wordt vastgesteld en het ‘Waterbeheerprogramma’ van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling. De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op.
 
Nationaal Waterprogramma
Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
  
Waterschap Vallei en Veluwe
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de Waterschapsverordening de keur en de algemene regels van het waterschap vervangen. In de Waterschapsverordening staan alle regels die bepalen, welke activiteiten, waar mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. Omdat het omzetten van de keur naar de Waterschapsverordening beleidsneutraal heeft plaatsgevonden zijn de nieuwe beleidsregels vrijwel gelijk gebleven aan de keur.
 
Weging van het waterbelang
Het begrip ‘weging van het waterbelang’ houdt in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. In bepaalde gevallen kan de provincie in de omgevingsverordening regels stellen over activiteiten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent dat er een balans moet zijn tussen de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen hebben.
 
Berging van water in de bodem
Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen moet voldaan worden aan de uitgangspunten Klimaat adaptief Bouwen van de gemeente Amersfoort, waaruit verschillende bergingseisen van toepassing zijn voor verschillende typen buien.
 
Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2031
In het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) is beschreven hoe de gemeente de komende jaren invulling geeft aan de gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Centraal doel is het behouden en versterken van een vitale en gezonde leefomgeving. Het inzamelen en verwerken van hemelwater dat redelijkerwijs niet op particulier terrein kan worden verwerkt is een taak van de gemeente. Daarnaast treft de gemeente op doelmatige wijze maatregelen tegen structurele grondwateroverlast en verwerking van ingezameld grondwater. De uitvoering van deze taken zoveel mogelijk aansluitend bij de natuurlijke situatie en in verbinding met andere maatschappelijke opgaven. In het landelijke Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie is afgesproken dat Nederland in 2050 klimaatbestendig is. Op basis van het basisrioleringsplan zijn maatregelen benoemd om regenwateroverlast tot een acceptabel niveau te beperken. De uitvoering van is zo mogelijk gekoppeld aan andere ontwikkelingen in de stad
 
Watervisie gemeente Amersfoort 2021-2040
De watervisie is het kader voor integraal en duurzaam waterbeheer in Amersfoort. De ambitie is dat Amersfoort een gezonde, groene stad is met mogelijkheden om te groeien. Een goede waterhuishouding is elementair voor een afgewogen inrichting en beheer. Ook speelt een goede waterhuishouding een belangrijke rol in (recreatief) gebruik, economie, cultuurhistorie, groenblauwe structuren, biodiversiteit en toekomstbestendige (klimaat)oplossingen. Het klimaat verandert, er ligt een grote binnenstedelijke woningbouwopgave en het gebruik van de openbare ruimte zal intensiveren. Daarom zijn extra inspanningen nodig op het gebied van het waterbeheer om de stad leefbaar te houden. Met name bij nieuwe ontwikkelingen liggen hiervoor kansen. Daarbij wil de gemeente Amersfoort om kunnen gaan met de gevolgen van klimaatverandering en de natuur meer kansen geven. Amersfoort hanteert voor de duurzame ontwikkeling van nieuwbouwplannen het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw. Specifiek voor water zijn aanvullende uitgangspunten opgesteld (Uitgangspunten Klimaatadaptief Bouwen, dec. '23).
        
Planspecifiek
Watercompensatie 
Met de beoogde ontwikkeling wordt er verharding toegevoegd. Uit raadpleging van de waterschapsverordening van Waterschap Vallei en Veluwe blijkt dat er geen compensatieplicht geldt voor het toevoegen van verharding. Tevens wordt er met de beoogde ontwikkeling geen oppervlaktewater gedempt of verlegd. Hiermee is watercompensatie niet aan de orde.
 
Afvalwater- en hemelwater
Voldaan zal worden aan de waterschapsverordening van Waterschap Vallei en Veluwe en het Gemeentelijke Rioolplan 2021-2031 ten aanzien van de afvoer van hemelwater en afvalwater. De afvoer van afvalwater vindt plaats via het gemeentelijke rioolstelsel. Het hemelwater wordt afgekoppeld en afgevoerd naar de watergang ten noorden van het plangebied.    
 
Waterkeringen
Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een waterkering. Het plangebied ligt echter wel in een overstroombaar gebied. Uit raadpleging van de kaart 'Kans op een overstroming vanuit zee, meer of rivier' op de Atlas Leefomgeving blijkt dat er in het plangebied een zeer kleine overstromingskans geldt (1/3.000 tot 1/30.000 per jaar).
 
Watertoets
Voor het plan is een digitale watertoets uitgevoerd op www.hetwateradvies.nl (Zie bijlagen bij toelichting, bijlage 8). Uit de beoordeling volgt dat de normale procedure gevolgd dient te worden.
   
Geohydrologische situatie
Uit het bodemonderzoek blijkt dat de grondwaterstand in het plangebied zicht op 1,14 m-mv bevindt. Uit peilbuisgegevens in de omgeving (GMW32B001965 / GMW000000024239) blijkt dat de hoogte grondwaterstand uit de omgeving op een diepte van ca. 0,6 m-mv ligt.  Het plangebied ligt niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied en/of binnen het invloed gebied van een industriële of particuliere grondwateronttrekking. Uit  het bodemonderzoek blijkt tevens dat de bodem voornamelijk bestaat uit zand. Gelet op het voorgaande vormt de geohydrologische situatie geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.11 Bomen
Door De Slijpkruik is op 16 september 2024 een Boom Effect Analyse uitgevoerd (24AHA03, d.d. 16-09-2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 7).  Het doel van een BEA is, inzichtelijk te krijgen welke invloeden de (civiele) werkzaamheden hebben, op de aanwezige bomen. Tevens wordt bepaald hoe om te gaan met de bomen, zodat zoveel mogelijk bomen gehandhaafd kunnen worden.
 
Boomnummers (bron: De Slijpkruik, 16 september 2024)
Op de bovenstaande afbeelding zijn de onderzochte bomen weergegeven met nummers 1, 2 en 3. Het gaat op een cluster van 3 beuken die door hun omvang een beeldbepalende functie en grote ecologische waarde voor de biodiversiteit.
 
Alle 3 onderzochte bomen staan aan de rand van de invloedsferen van de beoogde werkzaamheden. Bij deze bomen is geen negatieve invloed te verwachten, dus vormen de voorgenomen plannen geen bedreiging voor de onderzochte bomen, mits de bomen en hun groeiplaats voldoende beschermd worden tijdens de werkzaamheden.
 
Om de bomen tijdens de werkzaamheden te beschermen is het advies dat er een gesloten hekwerk van minimaal 2,5 meter geplaatst dient te worden.
4.12 M.e.r.-beoordeling
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
 
In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.
 
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht.
 
Een m.e.r.-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.
  • Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag
  • Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.
De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn.
 
Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de m.e.r.-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn:
  1. de kenmerken van het project
  2. de plaats van het project
  3. de kenmerken van de potentiële effecten
  
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling ziet toe op de realisatie van 44 woningen. Onderhavig plan is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Artikel 16.43 van het Omgevingsbesluit beschrijft wanneer er sprake is van mer-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten. Artikel 16.43 lid 1 luidt als volgt:
 
Bij algemene maatregel van bestuur worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen:
  1. die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt; en
  2. waarvoor moet worden beoordeeld of die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
 
Onderhavig initiatief is een project als bedoeld onder b. Er dient daarom te worden bezien of er wordt voldaan aan de beoordelingscriteria van bijlage III van de Europese richtlijn milieubeoordeling projecten. Een beschouwing van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect komen hierbij aan bod.
 
Voor het project is een aanmeldnotitie opgesteld (Buro-SRO, d.d. 29 augustus 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 10). In deze notitie wordt geconcludeerd dat het opstellen van een milieuefffectrapportage geen verder inzicht geeft op de milieueffecten van deze ontwikkeling. In de aanmeldnotitie wordt het bevoegd gezag voorgesteld in het nog te nemen mer-beoordelingsbesluit geen milieuefffectrapportage op te stellen voor deze ontwikkeling.
5 Juridische aspecten
5.1 Algemeen
Voor voorliggend plan is gebruik gemaakt van de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de RO standaarden 2012 na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO.
   
Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een motivering. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de functies aangewezen op locaties. Aan deze locaties zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De motivering heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De motivering van dit TAM-omgevingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het TAM-omgevingsplan ten grondslag liggen. Ook is de motivatie van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het TAM-omgevingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het TAM-omgevingsplan.
5.2 Verbeelding
Op de verbeelding worden de functies en activiteiten weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels
Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen.
 
De planregels zijn onderverdeeld in vijf hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de algemene bepalingen voor het hele plangebied. Hoofdstuk II bevat thematische regels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de activiteitgerichte regels. Hoofdstuk IV beschrijft de gebruiksactiviteiten. Ten slotte regelt hoofdstuk V de overgangsbepalingen.
 
In het tweede, derde en vierde hoofdstuk, de functies en activiteiten, staan de verschillende functies. Ook deze hoofdstukken kennen een standaardopbouw:  
  • Functieomschrijving
  • Beoordelingsregels bouwactiviteiten
  • Specifieke bouwregels
  • Specifieke gebruiksregels
5.4 Toelichting op functies en locaties
De regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan op recente bestemmingsplannen van de gemeente Amersfoort. Daarnaast wordt uiteraard rekening gehouden met de rechten op basis van het nu geldende omgevingsplan. Voorliggend TAM-omgevingsplan bevat de volgende functies en activiteiten:
 
Bedrijf
Het gehele plangebied heeft de functie 'Bedrijf' gekregen. Hier zijn bedrijven in de posities 1 en 2 in de VNG-uitgave Handreiking Activiteiten en Milieuzonering 2024 toegestaan.
 
Waarde - Archeologie 2
Conform het 'Partiele herziening Veegplan B - Archeologie' is ter bescherming van archeologische waarden is voor een deel van de gronden van het plangebied de functie 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen.
 
   
6 Uitvoerbaarheid
6.1 Economische uitvoerbaarheid
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
   
De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.
 
Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.
 
Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.
 
 
Planspecifiek
Het initiatief heeft plaats voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De kosten voor de gemeente worden op de initiatiefnemer verhaald. Ten behoeve hiervan is een anterieure overeenkomst met de gemeente gesloten. Het ruimtelijk plan is financieel uitvoerbaar. Ook is er met de gemeente een planschadeovereenkomst gesloten.
 
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1 Algemeen
Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad moet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangeven in welke gevallen participatie verplicht wordt gesteld. Daarbij moet aandacht besteed worden aan de rol en/of het doel van de participatie. In de gemeente Amersfoort dient participatie aan de hand van de participatiegids van Amersfoort uitgevoerd te worden.
 
 
6.2.2 Participatie
Initiatiefnemer heeft in de periode september-november 2024 gesprekken gevoerd meerdere omwonenden en belanghebbenden.
Alle gesproken omwonenden zijn op de hoogte van de uitbreiding van Autoham en reageren overwegend positief, vooral met betrekking tot de sloop van huisnummer 27. Er zijn afspraken gemaakt over communicatie en toekomstige ontwikkelingen. Ham Invest zal de betrokkenen blijven informeren over de voortgang. Een verslag van de gespekken is toegevoegd als bijlage (zie bijlagen bij toelichting, bijlage 8) 
   
6.2.3 Vooroverleg
Voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan is het plan voorgelegd aan de provincie Utrecht, het Waterschap Vallei en Veluwe en de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht.
      
6.2.4 Zienswijzen
Het TAM-omgevingsplan Nijkerkerstraat 27-29  heeft vanaf dinsdag 28 oktober 2025 tot en met maandag 8 december 2025 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode van ter inzagelegging zijn er geen zienswijzen ontvangen.
7 Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op het uitbreiden van een bedrijfshal aan de Nijkerkerstraat 27 en 29 te Amersfoort. Het initiatief is getoetst aan het beleid van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente. Hieruit blijkt dat het initiatief in lijn is met het beleid. Vanuit de aspecten van de fysieke leefomgeving komen geen belemmeringen voort. Daarnaast wordt de ontwikkeling stedenbouwkundig zorgvuldig ingepast. Alle aspecten afwegende kan de toedeling van de beoogde functies aan de locatie als evenwichtig worden beoordeeld.