direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Elpeterbosweg 61, Hoofdstuk 22k
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0302.TAM0022k-vg01

Regels

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van het wijzigen van de functie van een gedeelte van het perceel Elspeterbosweg 61 in de gemeente Nunspeet. Dit TAM-omgevingsplan vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22k) van het omgevingsplan van de gemeente Nunspeet. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22k van het omgevingsplan van de gemeente Nunspeet. In de artikelkop van het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22k' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • a. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in lid c van dit artikel.
  • b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 en afdeling 22.3, zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in dit hoofdstuk TAM-omgevingsplan Elpeterbosweg 61, Hoofdstuk 22k.
  • c. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Elpeterbosweg 61, Hoofdstuk 22k, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand TAM-omgevingsplan Elpeterbosweg 61, Hoofdstuk 22k zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 Van toepassing verklaring

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij hierna daarvan wordt afgeweken.

Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend op de bepalingen zoals genoemd in artikel 2 de volgende begripsbepalingen:

3.1 plan

het omgevingsplan TAM-omgevingsplan Elpeterbosweg 61, Hoofdstuk 22k, met identificatienummer NL.IMRO.0302.TAM0022k-vg01 van de gemeente Nunspeet;

3.2 omgevingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

3.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

3.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

3.5 arbeidsmigrant

personen die hun vaste woon-, of verblijfplaats in een ander land dan Nederland hebben en op grond van een EU-paspoort of werkvergunning legaal in Nederland werkzaam zijn;

3.6 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

3.7 bed & breakfast

een bedrijfsmatige voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt als toeristisch-recreatieve activiteit, welke bedrijfsmatige voorziening ondergeschikt is aan de hoofdfunctie/hoofdactiviteit.

3.8 bedrijfsmatige exploitatie

het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer of exploitatie dat in zomerhuizen, chaletcaravans en/of kampeermiddelen - permanent wisselende - recreatieve (nacht)verblijfsmogelijkheden worden geboden;

3.9 bijbehorend bouwwerk

functioneel met een zich op hetzelfde bouwperceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegenaan gebouwd op de grond staand gebouw of ander bouwwerk met een dak en dat in architectonisch opzicht opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

3.10 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

3.11 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

3.12 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

3.13 gebruiksvloeroppervlakte

de totale vloeroopervlakte van die delen van een gebouw met eenzelfde gebruiksfunctie.

3.14 huishouden

een verzameling van één of meerdere personen die samen één zelfstandig huishouden vormen dat zich kenmerkt door continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid;

3.15 locatiegrens

de grens van een locatievlak;

3.16 kampeermiddel

Een tent, een vouwwagen, een camper, een caravan, een wagonette of een huifkar, voor zover bestemd voor recreatief nachtverblijf;

3.17 locatievlak

een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een functie en/of een gebruiksdoel;

3.18 seizoenarbeider

werknemer die in een periode van grote arbeidsbehoefte tijdelijk op een (agrarisch) bedrijf werkzaam is;

3.19 seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

3.20 stacaravan

een gebouw, bestaande uit een lichte constructie, dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor recreatief verblijf, dat geen vaste verankering in de grond heeft en binnen 24 uur demontabel is. De stacaravan mag niet zijn/worden opgebouwd uit steenachtige materialen;

3.21 woning

een complex van ruimten, dat blijkens zijn indeling en inrichting uitsluitend bestemd is voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden;

3.22 zomerhuis

een gebouw uitsluitend bestemd om voor een persoon, gezin of andere groep van personen die zijn/hun hoofdverblijf elders heeft/hebben, tot recreatief verblijf te dienen;

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel.

  • a. lengten worden aangegeven in meters (m);
  • b. oppervlakten worden aangegeven in vierkante meters (m²);
  • c. inhoudsmaten worden aangegeven in kubieke meters (m³);
  • d. verhoudingen worden aangegeven in procenten (%);
  • e. hoeken/hellingen worden aangegeven in graden (º).
4.1 Afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens

Tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.

4.2 Bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

4.3 breedte van een gebouw

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de scheidingsmuren;

4.4 Dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

4.5 Goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Wolfseinden worden hieronder niet begrepen.

4.6 Hoogte van een windturbine

De hoogte van een windturbine wordt gemeten vanaf het peil tot aan:

  • a. bij een horizontale as-turbine: de (wieken)as van de windturbine;
  • b. bij een verticale as-turbine: de bovenzijde van de rotor;
4.7 Inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

4.8 Oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Bouwonderdelen zoals goten, dakoverstekken en in dakoverstekken geïntegreerde goten en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen met een oversteek van meer dan 75 cm worden in de oppervlakte meeberekend;

4.9 Peil
  • a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst:
    • 1. de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst:
    • 1. de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • c. indien in of op het water wordt gebouwd:
    • 1. het plaatselijke niveau ten opzichte van Nieuw Amsterdams Peil;
  • d. indien de onder a tot en met c genoemde peilen in het veld aanleiding geven tot onduidelijkheden, een door of namens burgemeester en wethouders aan te wijzen peil;
4.10 vloeroppervlakte van een beroeps- en/of bedrijfsactiviteit

tussen de binnenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren van de ruimtes die in gebruik zijn voor de beroeps- en/of bedrijfsactiviteit;

Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies.

Artikel 6 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 2 Functies

Artikel 7 Recreatie

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen voor Recreatie.

7.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen voor Recreatie heeft de volgende functies:

  • a. verblijfsrecreatie uitsluitend door middel van bedrijfsmatige exploitatie in zomerhuizen;
  • b. verblijfsrecreatie uitsluitend door middel van bedrijfsmatige exploitatie in stacaravans;

met bij een en ander behorende voorzieningen.

7.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
7.3.1 Toepassingsbereik

In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 gelden de in 7.3 opgenomen beoordelingsregels.

7.3.2 Beoordelingsregels zomerhuizen

Voor het bouwen van een zomerhuis gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. binnen de norm 'aantal zomerhuizen' mag het aantal zomerhuizen niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;
  • b. de oppervlakte bedraagt maximaal 64 m2, exclusief een inpandige berging van maximaal 6 m2;
  • c. de inhoud bedraagt maximaal 279 m3, exclusief een inpandige berging van maximaal 21 m3;
  • d. de goothoogte van een zomerhuis bedraagt maximaal 3 m;
  • e. de bouwhoogte van een zomerhuis bedraagt maximaal 6 m;
  • f. de afstand tot de grens van het locatievlak mag niet minder dan 5 m bedragen;
  • g. een zomerhuis dat ten tijde van de terinzagelegging aanwezig is en een grotere inhoudsmaat heeft, mag blijven staan;
  • h. in geval van volledige herbouw van het zomerhuis moet de omvang worden teruggebracht tot maximaal 300 m3;
  • i. een berging mag uitsluitend inpandig worden gebouwd.
7.3.3 Beoordelingsregels stacaravans

Voor het realiseren van een stacaravan gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. binnen de norm 'aantal stacaravans' mag het aantal stacaravans niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;
  • b. de oppervlakte van een stacaravan bedraagt maximaal 55 m2;
  • c. de hoogte van een stacaravan bedraagt maximaal 4 m;
  • d. de breedte van een stacaravan bedraagt maximaal 5 m;
  • e. een stacaravan mag uit maximaal één bouwlaag bestaan;
  • f. de afstand van de stacaravan tot de perceelsgrens mag niet minder dan 3 m bedragen.
7.3.4 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 10 m.

Artikel 8 Natuur - Landschap

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen voor Natuur - Landschap.

8.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen voor Natuur - Landschap heeft de volgende functies:

  • a. bos, houtwallen, solitaire bomen, heide, zandverstuivingen, vennen en houtproductie;
  • b. natuurlijk beheerde graslanden;
  • c. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke waarde en de landschappelijke waarde;
  • d. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische waarde, ter plaatse van de aanduiding "cultuurhistorische waarden";
  • e. bestaande wegen, wandel-, fiets- en ruiterpaden;
  • f. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water;
  • g. voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, waarbij parkeervoorzieningen ten behoeve van toeristische overstappunten enkel zijn toegestaan op de locaties waar dit is aangegeven;

met daarbijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, andere werken en terreinen.

8.3 Bouwactiviteit - algemeen

Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien deze ten dienste staan van de functies genoemd in 8.2.

8.4 Bouwactiviteit - nadere regels

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden ook de volgende beoordelingsregels.

8.4.1 Gebouwen

Er mogen geen gebouwen worden gebouwd, met dien verstande dat bestaande gebouwen mogen worden gehandhaafd met de bestaande omvang.

8.4.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, geldt dat de bouwhoogte niet meer dan 2,5 m mag bedragen.

8.5 Bouwactiviteit - vergunningplicht

 

8.5.1 Onderhouds- en beheersgebouwen en jacht- en vogelkijkhutten

Het is verboden zonder omgevingsvergunning onderhouds- en beheersgebouwen en jacht- en vogelkijkhutten te bouwen. Anders dan bepaald in 8.4.1 kan de omgevingsvergunning worden verleend onder de volgende voorwaarden:
a. De oppervlakte bedraagt niet meer dan 40 m2;
b. De bouwhoogte bedraagt niet meer dan 6 m;
c. Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

8.5.2 Veldschuren ten behoeve van een schaapskooi

Het is verboden zonder omgevingsvergunning veldschuren ten behoeve van een schaapskooi te bouwen. Anders dan bepaald in 8.4.1 kan de omgevingsvergunning worden verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. De gezamenlijke oppervlakte bedraagt niet meer dan 400 m2;
  • b. De bouwhoogte bedraagt niet meer dan 8 m;
  • c. Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
8.5.3 Gebouwen voor onderhoud en beheer van het landgoed

Het is verboden zonder omgevingsvergunning gebouwen voor onderhoud en beheer van het landgoed te bouwen. Anders dan bepaald in 8.4.1 kan de omgevingsvergunning worden verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. De gezamenlijke oppervlakte aan gebouwen bedraagt niet meer dan 200 m2;
  • b. De gebouwen worden opgericht aan een weg;
  • c. De goothoogte bedraagt niet meer dan 3,5 meter;
  • d. De bouwhoogte bedraagt niet meer dan 6 meter;
  • e. De situering past binnen de inrichting van het landgoed;
  • f. Er wordt aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, cultuurhistorische en landschappelijke waarden.
8.6 Gebruiksactiviteit - strijdig gebruik

Tot een met het omgevingsplan strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruiken of laten gebruiken van de gronden ten behoeve van de aanleg van nieuwe wandel-, fiets- en ruiterpaden.

8.7 Gebruiksactiviteit - vergunningplicht

Met een omgevingsvergunning kan, anders dan bepaald in 8.6, worden toegestaan nieuwe wandel-, fiets- en/of ruiterpaden aan te leggen, dan wel de tracées van bestaande wandel-, fiets- en/of ruiterpaden te wijzigen. De omgevingsvergunning kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. de aanleg van nieuwe paden en/of het verleggen van bestaande paden is uitsluitend ten behoeve van de verbetering van natuurwaarden vanuit beheerinrichting;
  • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
8.8 Overige activiteit - vergunningplicht
8.8.1 Vergunningplicht

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist:

  • a. het verwijderen van landschaps- en/of natuurelementen;
  • b. het vergraven en egaliseren van gronden;
  • c. de wijziging van de waterhuishouding of van waterstanden beogen of ten gevolge hebben, zoals uitdiepen, draineren en slaan van putten;
  • d. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en het aanleggen van oppervlakteverhardingen;
  • e. het aanbrengen van onder- en bovengrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur;
  • f. het aanleggen van nieuwe waterlopen en het vergraven, verbreden en dempen van bestaande waterlopen en vennen;
  • g. het ophogen van gronden en aanleggen van geluid- en/of grondwallen;
  • h. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder begrepen het kweken en telen van bomen, struiken en heesters;
  • i. het vellen of rooien van houtopstanden, houtwallen, singels, bomenrijden, boomgroepen en bos.
8.8.2 Uitzondering

Dat wat bepaald is in 8.8.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden die:

  • a. normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden betreffen en/of passen in een normale exploitatie van het bosgebied door bosbedrijven die geregistreerd zijn bij het Bosschap. Onder normale exploitatie wordt in ieder geval verstaan: onderhoud, beheer en exploitatie, voor zover voortvloeiende uit verplichtingen op grond van de Omgevingswet of omschreven in een aanwezig beheerplan voortvloeiende uit de Omgevingswet;
  • b. worden uitgevoerd krachtens een vastgesteld beheerplan.
8.8.3 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk en werkzaamheden zoals bedoeld in 8.8.1 kan slechts worden verleend wanneer geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden van de gronden.

Hoofdstuk 3 Algemene regels voor activiteiten

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 10 Algemene beoordelingscriteria bouwactiviteiten

10.1 Overschrijding van de bouw- en/of functiegrenzen

Bij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwperceelgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.

10.2 Wegverkeerslawaai
10.2.1 Toepassingsbereik

De regels in dit lid gaan over het toestaan van een geluidgevoelig gebouw in de nabijheid van een weg.

10.2.2 Beoordelingsregels wegverkeerslawaai

De realisering van een geluidgevoelig gebouw op een plek of (bouw) hoogte waar nog geen geluidgevoelig gebouw aanwezig is, is uitsluitend toegestaan indien voor dat gebouw, respectievelijk de geluidgevoelige ruimte in dat gebouw:

  • a. voldaan zal worden aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting zoals vastgelegd in:
    • 1. artikel 12.13m van het besluit kwaliteit leefomgeving jo. artikel 3.27, lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving vanwege gemeentewegen en waterschapswegen;
    • 2. artikel 12.13ia, lid 2, Besluit kwaliteit leefomgeving vanwege provinciale wegen;
    • 3. artikel 5.78t besluit kwaliteit leefomgeving vanwege rijkswegen;
  • b. dan wel, indien niet voldaan wordt aan het bepaalde in lid a, voldaan zal worden aan een door het bevoegd gezag vastgestelde en bij dit plan behorend Besluit hogere grenswaarde overeenkomstig artikel 5.78u van het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • c. dan wel, indien niet voldaan wordt aan het bepaalde in lid a of b, sprake zal zijn van geluidbelasting op een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen in de zin van artikel 5.78y van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 11 Algemene beoordelingscriteria gebruiksactiviteiten

11.1 Verboden gebruiksactiviteiten

10.1 Verboden gebruiksactiviteiten

Tot een gebruik, strijdig met enige functie, wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale, ter plaatse toegestane bedrijfsvoering;
  • b. het gebruiken of het laten gebruiken van gronden als renbaan of menterrein;
  • c. het gebruiken of het laten gebruiken van gebouwen ten behoeve van een seksinrichting;
  • d. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van gemotoriseerde of gemechaniseerde sporten;
  • e. het gebruiken of laten gebruiken van recreatiewoningen, groepsaccommodaties, chalets, stacaravans, trekkershutten, toercaravans, vouwwagens, campers, tenten, huifkarren en andere recreatieobjecten voor niet recreatief gebruik zoals onrechtmatige bewoning;
  • f. het gebruiken of laten gebruiken van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij woningen voor bewoning en/of mantelzorg;
  • g. het gebruiken of laten gebruiken van aangebouwde bijbehorende bouwwerken bij een woning voor bewoning door een ander huishouden dan het huishouden dat de woning bewoont.
  • h. het gebruiken of laten gebruiken van woningen voor inwoning.
11.2 Specifiek verbod bed & breakfast
11.2.1 Verbodsbepaling voor nieuwbouw ten behoeve van bed en breakfast
  • 1. Nieuwbouw ten behoeve van een bed & breakfast is niet toegestaan binnen dit plangebied;
  • 2. Artikel 11.2.1, lid 1, is niet van toepassing indien er nieuwbouw in de vorm van herbouw plaatsvindt.
11.2.2 Verbodsbepaling voor het gebruiken van een gebouw voor een bed & breakfast en voor het verbouwen van een gebouw tot een bed & breakfast
  • 1. Het is verboden een gebouw te gebruiken voor een bed & breakfast, en het is verboden een gebouw te verbouwen tot een bed & breakfast binnen het plangebied.
11.3 Specifiek verbod logies voor arbeidsmigranten/seizoensarbeiders e.a.

Onder strijdig gebruik wordt in dit plan specifiek het volgende verstaan, zoals genoemd onder de leden a tot en met e:

  • a. binnen de functies Recreatie, Recreatie - Bungalowpark, Recreatie - Gemengd terrein, en Recreatie - Kampeerterrein het gebruiken van een gebouw met de functie/activiteit "hotel" voor logies voor arbeidsmigranten/seizoenarbeiiders e.a.;
  • b. binnen de functies Recreatie, Recreatie - Bungalowpark, Recreatie - Gemengd terrein, en Recreatie - Kampeerterrein het gebruiken van een gebouw met een andere recreatieve functie dan hotel voor logies voor arbeidsmigranten/seizoenarbeiders e.a.;
  • c. binnen de functie Horeca het gebruiken van een gebouw met deze functie voor logies ten behoeve van arbeidsmigranten/seizoenarbeiders e.a.;
  • d. binnen de functie Maatschappelijk het gebruiken van een gebouw voor logies ten behoeve van arbeidsmigranten/seizoenarbeiders e.a.;
  • e. het gebruik van bouwwerken/gebouwen binnen andere functies dan de in dit artikel onder a, b, c, en d. genoemde functies, voor logies ten behoeve van arbeidsmigranten en/of seizoenarbeiders e.a.;
  • f. het verboden gebruik, zoals genoemd in dit artikel onder a, b, c, d en e betekent ook dat het verboden is voor dit gebruik de activiteit bouwen uit te oefenen;
  • g. de verbodsbepalingen, zoals genoemd onder het bepaalde onder letter a. tot en met f zijn niet van toepassing op bestaande bouwwerken / gebouwen waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is verleend voor het toestaan van het logies voor arbeidsmigranten, of waarvan het gebruik (en de activiteit bouwen) reeds is toegestaan volgens het geldende omgevingsplan.
11.4 Toegestane gebruiksactiviteiten

Tot een verboden gebruiksactiviteit zoals bedoeld in artikel 11, lid 11.1, wordt in ieder geval niet gerekend het gebruiken of het laten gebruiken van gronden ten behoeve van kortstondige, incidentele evenementen, festiviteiten en manifestaties, indien en voor zover daarvoor ingevolge een wettelijk voorschrift een omgevingsvergunning vereist is en deze is verleend.

11.5 Specifieke beoordelingsregels
11.5.1 Specifieke beoordelingsregels logies arbeidsmigranten/seizoensarbeiders e.a.

In afwijking van het bepaalde in 11.3 kan met een omgevingsvergunning worden meegewerkt:

a. Te herontwikkelen gebouwen

Door het college van Burgemeester en Wethouders kan met een tijdelijke omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11.3 voor het tijdelijk gebruik van een locatie, en van bebouwing op die locatie, die als herontwikkelingslocatie is aangewezen, mits:

b. Transformatie (verouderd) recreatiepark

Door het college van Burgemeester en Wethouders kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11.3 voor het tijdelijk gebruiken van bebouwing op een recreatiepark, mits:

c (Tijdelijk) gebruik van recreatieobjecten

Door het college van Burgemeester en Wethouders kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11.3 voor het tijdelijk gebruik van recreatieobjecten, mits:

  • 1. het maximaal 10% van het aantal recreatieobjecten betreft (met een maximum van 10 recreatieobjecten);
  • 2. het een maximale duur van 3 jaar betreft (met de mogelijkheid tot verlenging);
  • 3. indien er op het recreatiepark ook pauzewoningen zijn vergund, tellen deze ook mee in het maximum van 10% van de recreatieobjecten;
  • 4. verhuurders vragen een tijdelijke omgevingsvergunning aan;
  • 5. dit niet leidt tot strijdigheid met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarvoor wordt verwezen naar de Algemene Voorwaarden volgens a Algemene voorwaarden om te kunnen meewerken aan het afwijken van de bovengenoemde categorieën genoemd onder de hiervoor genoemde letters a. t/m d. onder punt 4.
  • 6. huurders vragen een tijdelijke omgevingsvergunning aan voor 1 jaar met de mogelijkheid tot verlenging;
  • 7. huurders schrijven zich in in de gemeentelijke BRP, de Basisregistratie Personen (iemand die langer dan vier maanden in Nederland woont moet zich als ingezetene inschrijven in de Basisregistratie Personen);
  • 8. er een plicht tot verblijfsregistratie wordt uitgevoerd die ook met de gemeente wordt gedeeld;

d Semipermanent bieden van logies op voormalig recreatiepark

Door het college van Burgemeester en Wethouders kan met een tijdelijke omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11.3 voor het semipermanent bieden van logies aan arbeidsmigranten/seizoenarbeiders e.a. op een voormalig recreatiepark, mits:

  • 1. het een (voormalig) recreatiepark betreft met maximaal 25 legale recreatieobjecten;
  • 2. er in totaal niet meer dan 70 personen worden gehuisvest;
  • 3. er geen sprake is van menging van functies, zowel op het park als daarbuiten;
  • 4. de omgevingsvergunning wordt verleend voor een termijn van maximaal drie jaar, met de mogelijkheid tot verlenging van deze termijn met telkens 3 jaar;
  • 5. binnen het grondgebied van de gemeente Nunspeet kunnen maximaal 2 locaties voor het semipermanent bieden van logies worden benut;
  • 6. dit niet leidt tot strijdigheid met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarvoor wordt verwezen naar de Algemene Voorwaarden volgens a Algemene voorwaarden om te kunnen meewerken aan het afwijken van de bovengenoemde categorieën genoemd onder de hiervoor genoemde letters a. t/m d. onder punt 4.
  • 7. er een plicht tot verblijfsregistratie wordt uitgevoerd die ook met de gemeente wordt gedeeld;
a Algemene voorwaarden om te kunnen meewerken aan het afwijken van de bovengenoemde categorieën genoemd onder de hiervoor genoemde letters a. t/m d.
  • 1. indien wordt meegewerkt aan logies van arbeidsmigranten / seizoenarbeiders e.a. dient voldaan te zijn aan de voorwaarden die zijn genoemd bij de letters a. t/m d.
  • 2. indien wordt meegewerkt aan logies van arbeidsmigranten / seizoenarbeiders e.a. dient in elk geval voldaan te zijn aan de voorwaarde dat de behoefte aan logies van arbeidsmigranten / seizoenarbeiders e.a. in voldoende mate dient te zijn aangetoond.
  • 3. indien wordt meegewerkt aan logies van arbeidsmigranten/seizoenarbeiders e.a. dient aangetoond te worden dat deze (in hoofdzaak) werkzaam zijn in de gemeente Nunspeet.
  • 4. dit niet leidt tot strijdigheid met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
    • a. het woon- en leefklimaat;
    • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • c. de verkeersveiligheid en de parkeersituatie;
    • d. de brandveiligheid;
    • e. de externe veiligheid;
    • f. de rampenbestrijding;
    • g. de milieusituatie;
    • h. de cultuurhistorische waarde;
    • i. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
  • 5. er de plicht tot verblijfsregistratie wordt uitgevoerd die ook met de gemeente wordt gedeeld;
b Plaatsen van woonunits en/of andere bouwwerken/gebouwen ten behoeve van arbeidsmigranten / seizoenarbeiders

I. Plaatsen van woonunits en/of andere bouwwerken/gebouwen ten behoeve van arbeidsmigranten/seizoenarbeiders e.a.

De gemeente kan ook meewerken aan een plan waarbij gebouwd wordt door bijvoorbeeld het plaatsen van woonunits en/of andere bouwwerken/gebouwen ten behoeve van logies voor arbeidsmigranten/seizoenarbeiders e.a.

Aan een dergelijk plan kan worden meegewerkt, mits de voorwaarden in acht worden genomen die hieronder bij het cijfer II. zijn geformuleerd.

Qua procedure kan een dergelijk, zoals hiervoor omschreven, plan, voor het plaatsen (=bouwen) van woonunits en/of andere bouwwerken/gebouwen ten behoeve van logies voor arbeidsmigranten/seizoenarbeiders e.a., enkel geregeld worden door een herziening van het omgevingsplan dan wel door een omgevingsvergunning te verlenen voor een omgevingsplanactiviteit.  

II. Voorwaarden om mee te werken aan een procedure voor het plaatsen van woonunits of andere bouwwerken/gebouwen voor het bieden van logies aan arbeidsmigranten/seizoenarbeiders e.a.

Als voorwaarden om mee te kunnen werken aan het plaatsen van woonunits en/of andere bouwwerken/gebouwen dienen de volgende voorwaarden in acht te worden genomen:

  • 1. de locatie in de directe nabijheid van de bebouwing kom ligt;
  • 2. het logies tijdelijk is (maximaal 10 jaar), waarbij het mogelijk is deze periode te verlengen;
  • 3. de omvang en inrichting aansluit bij de omgeving;
  • 4. de locaties op voldoende afstand van woonfuncties liggen;
  • 5. er een plicht tot verblijfsregistratie wordt uitgevoerd die met de gemeente wordt gedeeld;
  • 6. er vanwege de milieuaspecten meegewerkt kan worden;
  • 7. er sprake is van een goede ruimtelijke ordening;
  • 8. er geen gebouwen in het kader van herontwikkeling zoals bedoeld in artikel 11.5.1 letter a. dan wel transformatie van een (verouderd) recreatiepark zoals bedoeld onder letter b. dan wel semipermanente locaties zoals bedoeld in artikel 11.5.1 letter d. beschikbaar zijn.
  • 9. er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, hetgeen blijkt uit:
    • a. het woon- en leefklimaat;
    • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • c. de verkeersveiligheid en de parkeersituatie;
    • d. de brandveiligheid;
    • e. de externe veiligheid;
    • f. de rampenbestrijding;
    • g. de milieusituatie;
    • h. de cultuurhistorische waarde;
    • i. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 12 Algemene beoordelingscriteria parkeeractiviteiten

12.1 Beoordelingsregels parkeeractiviteiten
  • 1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en/of voor het wijzigen van het gebruik van een gebouw dan wel voor het wijzigen van het gebruik van een onbebouwd terrein wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de functie van het gebouw of het terrein in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor:
    • a. het parkeren of stallen van auto's en fietsen;
    • b. het laden of lossen van goederen;
    • c. het realiseren van parkeervoorzieningen voor invaliden.
  • 2. De onder12.1, lid 1 genoemde voorzieningen voor parkeren en laden of lossen worden gerealiseerd op eigen terrein, in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort respectievelijk op of onder het onbebouwde terrein waarvan het gebruik wordt gewijzigd.
12.2 Specifieke beoordelingsregels parkeeractiviteiten

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 12.1 

  • 1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit;
  • 2. of voor zover aantoonbaar op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien;

met dien verstande dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

    • a. de parkeersituatie in de openbare ruimte;
    • b. het woon- en leefklimaat;
    • c. de sociale veiligheid;
    • d. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
12.3 Parkeerfonds
  • 1. Van de parkeerregels genoemd in 12.1 kan, indien er geen voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd, en de parkeerplaatsen niet voldoende in het openbaar gebied aanwezig (kunnen) zijn, door het college van Burgemeester en Wethouders ook worden afgeweken met een omgevingsvergunning, door de aanvrager van een omgevingsvergunning een financiële bijdrage te doen storten in het parkeerfonds.
  • 2. Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in lid 1, komt tot stand volgens Hoofdstuk 3 van de Parkeernota van de gemeente Nunspeet (2014).
  • 3. De financiële bijdrage voor het parkeerfonds wordt berekend volgens Hoofdstuk 3 van de Parkeernota van de gemeente Nunspeet (2014).
12.4 Beleidsregels

Bij de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in de leden 12.1, 12.2 en 12.3 wordt getoetst aan de beleidsregel Parkeernota van de gemeente Nunspeet (2014) dan wel, in het geval deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, aan deze gewijzigde, respectievelijk vervangende, beleidsregel.

Artikel 13 Algemene beoordelingscriteria overige activiteiten

13.1 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
13.1.1 Beoordelingsregels kleine windturbines

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de functieregels voor het bouwen van kleine windturbines binnen functies waar een hoofdgebouw aanwezig is, mits wordt voldaan aan de volgende regels:

  • a. vrijstaande windturbines zijn niet toegestaan;
  • b. per functievlak is maximaal één windturbine toegestaan, met uitzondering van 'wokkels', waarvan er meerdere zijn toegestaan;
  • c. rotorbladen zijn niet toegestaan;
  • d. de hoogte van de windturbine is maximaal 1,5 m boven dak- of nokhoogte van het gebouw waarop of waaraan plaatsing plaatsvindt;
  • e. de afstand tot de perceelgrens is minimaal 3 m, gemeten vanaf de as van de windturbine tot aan de perceelgrens;
  • f. plaatsing van windturbines bij gemeentelijke of rijksmonumenten is enkel mogelijk in overleg met de Monumentencommissie;
  • g. het verlenen van de omgevingsvergunning mag niet leiden tot een onevenredige beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Van belang daarbij kunnen zijn:
    • 1. de bezonningssituatie;
    • 2. de lichttoetreding in nabijgelegen bebouwing;
    • 3. zichtlijnen of visuele hinder;
    • 4. het optreden van slagschaduw;
    • 5. risico's voor gevoelige of kwetsbare objecten;
    • 6. afbreuk monumentaal karakter van een pand
    • 7. geluidshinder; of
    • 8. de mogelijkheden tot voortzetting c.q. uitbreiding van een bestaand bedrijf.

Hoofdstuk 4 Overgangsrechtbepalingen

Artikel 14 Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkintreding van het TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%.
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
14.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-Omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.