direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Westervoort Noord, westelijk deel
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0293.OPWTVNRD02-VS01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Westervoort Noord, westelijk deel en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22a]) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Westervoort. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22a] van het omgevingsplan van de gemeente Westervoort. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22a]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22a]' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • a. In afwijking van het bepaalde in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, te weten bestemmingsplan Westervoort Noord 2015, artikel 16 Verkeer, Correctieve herziening, Westervoort Noord 2015, artikel 3 Agrarisch, artikel 6 Sport, artikel 8 Water en artikel 12 Waterstaat -Waterkering met de daarbij horende begrippen, en wijze van meten, gelden voor de locatie als bedoeld in het derde lid de regels zoals opgenomen in dit hoofdstuk.
  • b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • c. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Westervoort Noord, westelijk deel waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0293.OPWTVNRD02-VS01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk. Aanvullend daarop gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk de volgende begripsbepalingen:

aan huis verbonden bedrijf

een bedrijf dat in een (gedeelte van) of bij een woning wordt uitgeoefend en dat is gericht op het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten, door de bewoner van de woning, voor zover geen sprake is van een milieubelastende activiteit waarvoor een vergunning- of meldingsplicht geldt.

aan huis verbonden beroep

een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

aanduidingsvlak

een op de plankaart aangegeven vlak met eenzelfde aanduiding, begrensd door een aanduidingsgrens.

bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

bebouwingspercentage

een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van (een deel van) het bouwvlak aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd, tenzij in de regels anders is bepaald.

bedrijf

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen.

bestaand

  • bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van terinzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald;
  • bij gebruik: het gebruik dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald.

bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

bijgebouw

een op zich zelfstaand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.

bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels van een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel.

bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

erf

al dan niet bebouwde perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw.

erker

een uitbouw van het hoofdgebouw met de omvang en uitstraling van een uitgebouwd venster, veelal gelegen voor het verlengde van de voorgevel.

extensieve dagrecreatie

recreatief medegebruik van gronden zoals wandelen, paardrijden, fietsen, varen,

zwemmen en vissen.

functiegrens

de grens van een functievlak.

functievlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie.

gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

hoofdgebouw

gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die door het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is.

kwadrantwoning

woning waarbij zowel de achtergevel als een zijgevel van de ene woning direct grenst aan een achtergevel of zijgevel van een andere woning.

maatschappelijke voorzieningen

culturele, educatieve, medische, sociale en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening met uitzondering van een ziekenhuis, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen.

peil

de hoogte van het aan de onderste woonlaag aansluitend afgewerkt maaiveld.

rug-aan-rugwoning

woning waarbij de achtergevel van de ene woning direct grenst aan de achtergevel van een andere woning.

voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt.

woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van dit hoofdstuk wordt als volgt gemeten:

3.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens

tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.

3.2 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.3 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met dien verstande dat goten van ondergeschikte bouwdelen zoals dakkapellen niet worden meegerekend.

3.4 de horizontale diepte van een gebouw

de diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd.

3.5 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.6 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.7 de oppervlakte van een overkapping

tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.

3.8 overige bepalingen

bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.

Hoofdstuk 2 Functieregels

Artikel 4 Dienstverlening

4.1 Functieomschrijving

Een als 'Dienstverlening' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. dienstverlening;
  • b. horeca in de categorie I van de Staat van Horeca-activiteiten ter plaatse van de aanduiding 'horeca van categorie 1', met dien verstande dat tevens zalenverhuur (zonder regulier gebruik ten behoeve van feesten en muziek-/dansevenementen) als bedoeld in categorie II van de Staat van Horeca-activiteiten en een galerie is toegestaan;

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en (fiets)paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en (nuts)voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven en daarmee naar aard en omvang vergelijkbaar gebouwen en voorzieningen.

4.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwwerken
4.2.1 Gebouwen

Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.

4.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

De bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 2 m.

Artikel 5 Gemengd

5.1 Gemengd

Een als 'Gemengd' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. maatschappelijke voorzieningen;
  • b. gestapelde woningen;
  • c. aan huis verbonden beroep met dien verstande dat de oppervlakte beperkt is tot een maximum van 60 m²;

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en (fiets)paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en (nuts)voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven en daarmee naar aard en omvang vergelijkbaar gebouwen en voorzieningen.

5.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwwerken
5.2.1 Algemeen
  • a. Het aantal woningen binnen de functies 'Woongebied' en 'Gemengd' gezamenlijk bedraagt niet meer dan 390.
  • b. Het aantal woningen mag ter plaatse van de aanduidingen 'minimum aantal wooneenheden' en 'maximum aantal wooneenheden' niet minder en niet meer bedragen dan het ter plaatse van de aanduiding aangegeven minimum en maximum.

5.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  • b. de bouwhoogte bedraagt maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte;
  • c. bebouwingspercentage maximaal het ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' aangegeven bebouwingspercentage;
  • d. bijbehorende bouwwerken bij woningen zijn niet toegestaan.

5.2.3 bouwwerken geen gebouwen zijnde

De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt:

  • a. maximaal 6 m voor lichtmasten, vlaggenmasten en speelvoorzieningen;
  • b. maximaal 3 m voor overige bouwwerken geen gebouwen zijnde.
5.3 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit geluid
5.3.1 Gezamenlijk geluid
  • a. Het gezamenlijk geluid op basis waarvan de benodigde karakteristieke gevelwering op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving moet worden berekend betreft de waarde zoals aangegeven in bijlage 3 van het akoestisch onderzoek vermeerderd met 8 dB. Dit akoestisch onderzoek is opgenomen in bijlage 7 bij de motivering;
  • b. Als voor (een van) de relevante geluidbronnen een geluidproductieplafond is vastgesteld, betreft het gezamenlijk geluid de waarde zoals in een akoestisch onderzoek berekend rekening houdend met de geluidproductieplafond(s).

5.3.2 Geluidluwe gevel

Bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet voor de woningen worden aangetoond dat sprake is van een geluidluwe gevel.

Artikel 6 Groen

6.1 Functieomschrijving

Een als 'Groen' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. groenvoorzieningen, bermen en beplanting;
  • b. parken en plantsoenen;
  • c. (fiets)paden, wegen;
  • d. parkeervoorzieningen uitsluitend op als 'parkeerterrein' aangewezen locaties;
  • e. speelvoorzieningen, water en nutsvoorzieningen en (nuts)voorzieningen voor de waterhuishouding;

met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en verhardingen en met inachtneming van de keur van het waterschap.

6.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwwerken
6.2.1 Gebouwen

Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.

6.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt:

  • a. maximaal 8 m voor speelvoorzieningen;
  • b. maximaal 10 m voor de wegaanduiding, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer;
  • c. maximaal 6 m voor overige bouwwerken.

Artikel 7 Verkeer

7.1 Functieomschrijving

Een als 'Verkeer' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. wegen en straten, wandel- en fietspaden met een functie voornamelijk gericht op verblijf alsmede de afwikkeling van het doorgaande verkeer;
  • b. parkeer-, groen- en speelvoorzieningen;
  • c. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;
  • d. nutsvoorzieningen waaronder (ondergrondse) containers;

met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde.

7.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwwerken
7.2.1 Gebouwen

Uitsluitend gebouwen voor het openbare nut zijn toegestaan met een maximum oppervlak van 50 m2 en een maximale bouwhoogte van 4 m.

7.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt:

  • a. maximaal 8 m voor speelvoorzieningen;
  • b. maximaal 10 m voor de wegaanduiding, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer;
  • c. maximaal 6 m voor overige bouwwerken.

Artikel 8 Water

8.1 Functieomschrijving

Een als 'Water' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;
  • b. paden, wegen en parkeervoorzieningen;
  • c. groen- en speelvoorzieningen;
  • d. vlonders;

met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde waaronder bruggen, steigers, dammen en/of duikers.

8.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwwerken
8.2.1 Gebouwen

Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.

8.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

De bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde anders dan voor de waterwegaanduiding, geleiding of tolheffing, bedraagt:

  • a. maximaal 8 m voor bruggen en viaducten;
  • b. maximaal 4 m voor overige bouwwerken geen gebouwen zijnde.

Artikel 9 Wonen

9.1 Functieomschrijving

Een als 'Wonen' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. het bestaande aantal woningen;
  • b. aan huis verbonden beroep met dien verstande dat de oppervlakte beperkt is tot een maximum van 60 m² van het hoofdgebouw en/of het aangebouwde bijgebouw;

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en (fiets)paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en (nuts)voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven en daarmee naar aard en omvang vergelijkbaar gebouwen en voorzieningen.

9.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwwerken
9.2.1 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  • b. de afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens is bij vrijstaande woningen aan twee zijden minimaal 3 m;
  • c. de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' aangegeven goothoogte respectievelijk bouwhoogte.

9.2.2 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. gebouwd op het zij- en achtererf en minimaal 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw, met dien verstande dat bijbehorende bouwwerken in de vorm van erkers tot vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mogen worden gebouwd, mits:
    • 1. de horizontale diepte maximaal 1,50 m bedraagt;
    • 2. de diepte van de overblijvende, niet met gebouwen bebouwde gronden minimaal 2,5 m bedraagt;
    • 3. voor zover de erker wordt gebouwd tegen de voorgevel van het hoofdgebouw de breedte maximaal 2/3 van de breedte van die gevel bedraagt;
    • 4. de bouwhoogte maximaal 3 m bedraagt dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,30 m;
  • b. gezamenlijke oppervlakte maximaal 50 m2, en waarbij geldt dat het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% mag zijn met dien verstande dat altijd 20 m2 mag worden gebouwd;
  • c. goothoogte maximaal 3 m dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,30 m;
  • d. bouwhoogte maximaal de bouwhoogte van het hoofdgebouw - 2 m, waarbij geldt dat de bouwhoogte in ieder geval 3 m mag bedragen en maximaal 6 m mag bedragen, en waarbij geldt dat indien tot:
    • 1. 1 m uit de perceelsgrens wordt gebouwd, de maximale bouwhoogte 4 m mag bedragen;
    • 2. 2 m uit de perceelsgrens wordt gebouwd, de maximale bouwhoogte 5 m mag bedragen;
  • e. bij gestapelde woningen mogen bijbehorende bouwwerken uitsluitend aan het hoofdgebouw aangebouwd worden.

9.2.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 1 m;
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 2 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 2 m.

9.2.4 Zwembaden

Het bouwen van onoverdekte zwembaden is toegestaan tot een maximaal oppervlak van 100 m², waarbij een minimale afstand van 5 m tot een naburige perceelsgrens moet worden aangehouden indien op het naburige perceel de functie wonen is toegestaan.

9.3 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijkend bouwen
9.3.1 Algemeen

Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen en daarmee toestaan dat wordt afgeweken van:

  • a. artikel 9.2.1 onder a voor het bouwen tot maximaal 5 meter buiten het bouwvlak, met inachtneming het gestelde in artikel 9.2.1 onder b;
  • b. artikel 9.2.1 onder c voor het bouwen tot een maximale goothoogte van 6 m en een maximale bouwhoogte van 11 m;
  • c. artikel 9.2.2 onder a voor het verkleinen van de afstand van een bijbehorend bouwwerk tot (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw dan wel voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw;
  • d. artikel 9.2.2 onder b voor het vergroten van de gezamenlijke bebouwde oppervlakte tot maximaal 135 m2.

9.3.2 Beoordelingsregels

De vergunning van artikel 9.3.1 kan alleen worden verleend als:

  • a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad.
9.4 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit bedrijf aan huis
9.4.1 Algemeen

Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen en daarmee toestaan dat

een aan huis verbonden bedrijf wordt toegestaan waarvan de oppervlakte beperkt is tot een maximum van 60 m² van het hoofdgebouw en/of het aangebouwde bijgebouw.

9.4.2 Beoordelingsregels

De vergunning van artikel 9.4.1 kan alleen worden verleend als:

  • a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad.

Artikel 10 Woongebied

10.1 Functieomschrijving
10.1.1 Algemeen

Een als 'Woongebied' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. wonen;
  • b. aan huis verbonden beroep met dien verstande dat de oppervlakte beperkt is tot een maximum van 60 m² van het hoofdgebouw en/of het aangebouwde bijgebouw;

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en (fiets)paden, parkeer- en verkeervoorzieningen, speel- en groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, nutsvoorzieningen, tuinen en erven en daarmee naar aard en omvang vergelijkbaar gebouwen en voorzieningen.

10.1.2 Buurtfuncties

Locaties aangewezen als 'specifieke vorm van woongebied - buurtfuncties' hebben aanvullend op het bepaalde in artikel 10.1.1 ook de functie maatschappelijke voorzieningen, uitgezonderd scholen.

10.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwwerken
10.2.1 Algemeen
  • a. Op locaties aangewezen als 'Woongebied' mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de functie worden gebouwd.
  • b. Het aantal woningen binnen de functies 'Woongebied' en 'Gemengd' gezamenlijk bedraagt niet meer dan 390.
  • c. Het aantal woningen mag ter plaatse van de aanduidingen 'minimum aantal wooneenheden' en 'maximum aantal wooneenheden' niet minder en niet meer bedragen dan het ter plaatse van de aanduiding aangegeven minimum en maximum. Indien geen aanduiding 'minimum aantal wooneenheden' en 'maximum aantal wooneenheden' is opgenomen, zijn geen woningen toegestaan.

10.2.2 Verdeling woningtypen

Van het aantal woningen binnen de functies 'Woongebied' en 'Gemengd' gezamenlijk betreft:

  • a. minstens 25% en maximaal 35% van de woningen betreft gestapelde woningen;
  • b. minstens 35% en maximaal 45% van de woningen betreft aaneengebouwde woningen en kwadrantwoningen;
  • c. minstens 15% en maximaal 30% van de woningen betreft twee-aaneengebouwde woningen, geschakelde woningen en/of vrijstaande woningen.

10.2.3 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. als hoofdgebouw mogen worden gebouwd:
    • 1. grondgebonden woningen, waaronder begrepen:
      • vrijstaande woningen;
      • twee-aaneengebouwde woningen;
      • aaneengebouwde woningen en rug-aan-rugwoningen;
      • geschakelde woningen;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' zijn uitsluitend gestapelde woningen en rug-aan-rugwoningen toegestaan;
  • b. de voorgevel van het hoofdgebouw mag niet minder dan 1 m en niet meer dan 6 m achter de voorste perceelsgrens worden gebouwd, met dien verstande dat dit niet geldt voor rug-aan-rugwoningen en gestapelde woningen;
  • c. met betrekking tot de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens gelden de volgende regels:
    • 1. bij vrijstaande woningen mag de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens aan beide zijden niet minder bedragen dan 3 m, met dien verstande dat bij zijdelingse perceelsgrenzen die grenzen aan de openbare ruimte de afstand niet minder dan 1 m mag bedragen;
    • 2. bij twee-aaneengebouwde en geschakelde woningen mag de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens aan één zijde niet minder bedragen dan 3 m;
    • 3. bij aaneengebouwde woningen mag de afstand van de hoekwoning tot de zijdelingse perceelsgrens aan één zijde niet minder bedragen dan 1 m, met dien verstande dat bij zijdelingse perceelsgrenzen die grenzen aan de openbare ruimte de afstand minder dan 1 m mag bedragen;
  • d. de afstand van een hoofdgebouw tot de achterste bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 6 m, met dien verstande dat bij rijwoningen de afstand minimaal 5 m bedraagt en bij rug-aan-rug woningen en kwadrantwoningen 0 m . In het geval de achterste bouwperceelsgrens een wisselende afstand heeft, de langste afstand bepalend is;
  • e. de goothoogte en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte; maximum bouwhoogte';
  • f. met betrekking tot de diepte van woningen gelden de volgende regels:
    • 1. de diepte van vrijstaande woningen mag niet meer bedragen dan 15 m;
    • 2. twee-aaneengebouwde en geschakelde woningen mag niet meer bedragen dan 12 m;
    • 3. de diepte van aaneengebouwde woningen mag niet meer bedragen dan 11 m;
  • g. aaneengebouwde woningen mogen worden gebouwd in rijen van maximaal 8 aaneengebouwde woningen;
  • h. bij een rij van meer dan 6 aaneengebouwde woningen dient sprake te zijn van:
    • 1. een rooilijnverspringing van minimaal 0,5 m; en/of
    • 2. een verschil in goothoogte van minimaal 0,5 m; en/of
    • 3. een verschil in bouwhoogte van minimaal 0,5 m; en/of
    • 4. twee verschillende kaprichtingen;
  • i. bij meer dan 3 naast elkaar gelegen rijen aaneengebouwde woningen binnen hetzelfde functievlak, dient:
    • 1. een van de rijen ten opzichte van de naastgelegen rij een rooilijnverspringing te hebben van minimaal 3 m; of
    • 2. er tussen twee rijen een openbare ruimte aanwezig te zijn met een breedte van minimaal 10 m.

10.2.4 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. gebouwd op het zij- en achtererf en minimaal 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw, met dien verstande dat aan- en uitbouwen in de vorm van erkers tot vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mogen worden gebouwd, mits:
    • 1. de horizontale diepte maximaal 1,50 m bedraagt;
    • 2. de diepte van de overblijvende, niet met gebouwen bebouwde gronden minimaal 2,5 m bedraagt;
    • 3. voor zover de erker wordt gebouwd tegen de voorgevel van het hoofdgebouw de breedte maximaal 2/3 van de breedte van die gevel bedraagt;
    • 4. de bouwhoogte maximaal 3 m bedraagt dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,30 m;

en met dien verstande dat veranda's tot vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mogen worden gebouwd, mits:

    • 1. de voorgevel grenst aan een groene grens of groene zone zoals vastgelegd in het beeldkwaliteitsplan dat is opgenomen in bijlage 1;
    • 2. de horizontale diepte maximaal 2 m bedraagt;
    • 3. de bouwhoogte maximaal 3 m bedraagt dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,30 m;
  • a. gezamenlijke oppervlakte maximaal 50 m2, en waarbij geldt dat het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% mag zijn met dien verstande dat altijd 20 m2 mag worden gebouwd;
  • b. goothoogte maximaal 3 m dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,30 m;
  • c. bouwhoogte maximaal de bouwhoogte van het hoofdgebouw - 2 m, waarbij geldt dat de bouwhoogte in ieder geval 3 m mag bedragen en maximaal 6 m mag bedragen, en waarbij geldt dat indien tot:
    • 1. 1 m uit de perceelsgrens wordt gebouwd, de maximale bouwhoogte 4 m mag bedragen;
    • 2. 2 m uit de perceelsgrens wordt gebouwd, de maximale bouwhoogte 5 m mag bedragen;
  • d. bij gestapelde woningen zijn bijbehorende bouwwerken niet toegestaan.

10.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij grondgebonden woningen

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde bij grondgebonden woningen gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 1 m;
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 2 m;
  • c. de bouwhoogte van pergola's mag niet meer bedragen dan 6 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 2 m.

10.2.6 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde, niet behorende bij grondgebonden woningen gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouw zijnde mag niet meer bedragen dan:
    • 1. 2 m voor erf- en terreinafscheidingen;
    • 2. 8 m voor speelvoorzieningen;
    • 3. 10 m voor de wegaanduiding, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer;
    • 4. 6 m voor overige bouwwerken.

10.2.7 Overdekte parkeervoorzieningen

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van woongebied - overdekt parkeren' is het bouwen van overdekte parkeervoorzieningen toegestaan waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)'.

10.2.8 Beeldkwaliteit
  • a. Het is verboden een bouwwerk te bouwen, tenzij wordt voldaan aan het beeldkwaliteitsplan zoals opgenomen in bijlage 1.
  • b. Het is verboden om gronden met de functie 'Woongebied' te gebruiken voor het wonen in een woning, tenzij is voorzien in de realisatie en instandhouding van de overgang privé-openbaar op het desbetreffende perceel op basis van het beeldkwaliteitsplan zoals opgenomen in bijlage 1.
  • c. Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen en daarmee toestaan dat wordt afgeweken van het beeldkwaliteitsplan en/of de minimale termijn van instandhouding van de overgang privé-openbaar, mits dit niet leidt tot stedenbouwkundige bezwaren.

10.2.9 Bouwen in 'Geluidszone - industrielawaai'

Bij het bouwen van hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone – industrielawaai', dient, indien dichterbij het perceel van IJsselkade 1 wordt gebouwd dan is ingetekend in het stedenbouwkundig plan (bijlage 1), door middel van een akoestisch onderzoek te worden aangetoond dat de geluidbelasting op de gevel de grenswaarde van 55 dB(A) niet overschrijdt.

10.2.10 Voorwaardelijke verplichting trillingen
  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - trillingszone' mag uitsluitend gebouwd worden als kan worden aangetoond dat aan de standaardwaarden conform artikel 5.87a Bkl kan wordt voldaan.
  • b. Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen en daarmee toestaan dat sprake is van een hogere waarden dan de standaardwaarden conform artikel 5.87a Bkl, mits wordt onderbouwd dat het voldoen aan de standaardwaarde redelijkerwijs niet mogelijk is.
10.3 Specifieke functieregels
10.3.1 Inrichtingsplan

Het is verboden om gronden met de functie 'Woongebied' te gebruiken voor het wonen in een woning, tenzij binnen 2 jaar na verlening van de eerste omgevingsvergunning voor het bouwen is voorzien in de realisatie en instandhouding van een door de gemeente goedgekeurd inrichtingsplan.

10.3.2 Verboden activiteiten

De volgende activiteiten zijn in ieder geval verboden het bouwen van woningen en het gebruiken van gronden en gebouwen voor de functie wonen op bouwpercelen waarvan de achterste perceelsgrens grenst aan gronden met de functie Verkeer.

10.3.3 Geluidzone - Industrielawaai

Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrielawaai' is het bouwen van woningen alleen toegestaan als deze geen geluidbelasting op de gevel hoger dan 55 dB(A) hebben.

10.4 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit bedrijf aan huis
10.4.1 Algemeen

Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen en daarmee toestaan dat

een aan huis verbonden bedrijf wordt toegestaan waarvan de oppervlakte beperkt is tot een maximum van 60 m² van het hoofdgebouw en/of het aangebouwde bijgebouw.

10.4.2 Beoordelingsregels

De vergunning van artikel 10.4.1 kan alleen worden verleend als:

  • a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad.
10.5 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit verdeling woontypen
10.5.1 Algemeen

Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen en daarmee toestaan dat

van de percentages zoals opgenomen in artikel 10.2.2 wordt afgeweken.

10.5.2 Beoordelingsregels

De vergunning van artikel 10.5.1 kan alleen worden verleend als de afwijking past binnen het gemeentelijk en regionaal volkshuisvestelijk beleid.

10.6 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit geluid
10.6.1 Gezamenlijk geluid
  • a. Het gezamenlijk geluid op basis waarvan de benodigde karakteristieke gevelwering op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving moet worden berekend betreft de waarde zoals aangegeven in bijlage 3 van het akoestisch onderzoek. Dit akoestisch onderzoek is opgenomen in bijlage 7 bij de motivering;
  • b. Als voor (een van) de relevante geluidbronnen een geluidproductieplafond is vastgesteld, betreft het gezamenlijk geluid de waarde zoals in een akoestisch onderzoek berekend rekening houdend met de geluidproductieplafond(s).
10.6.2 Geluidluwe gevel
  • a. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet voor de woongebouwen/woningen die in het akoestisch onderzoek (bijlage 7 bij de motivering) zijn aangeduid met nummers 17, 18, 91 en 92 worden aangetoond dat sprake is van een geluidluwe gevel.

Artikel 11 Waterstaat - Waterstaatwerk

11.1 functieomschrijving

Een als 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. de bescherming, het onderhoud en de verbetering van de waterkering, met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde zoals duikers, keerwanden en merktekens.
11.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit bouwen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 21.2.1 voor het bouwen overeenkomstig de andere functies, mits advies is verkregen van de beheerder van de waterkering.

11.2.1 Algemeen

In afwijking van het bepaalde bij de overige functies mag alleen ten behoeve van deze functie worden gebouwd.

11.2.2 gebouwen

Gebouwen mogen niet worden gebouwd.

11.2.3 bouwwerken geen gebouwen zijnde

De bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 3 m.

11.3 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit bouwen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 21.2.1 voor het bouwen overeenkomstig de andere functies, mits advies is verkregen van de beheerder van de waterkering.

11.4 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.4.1 omgevingsvergunningplichtige werken

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 11.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;
  • b. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen;
  • d. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen.

11.4.2 beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.4.1 kan alleen worden verleend als:

  • a. Het bevoegd gezag een advies heeft ingewonnen van de beheerder van de waterkering.

11.4.3 uitzonderingen

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.4.1 1 is niet nodig voor:

  • a. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
  • b. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende omgevingsvergunning.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 12 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 13 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit plan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 14 Algemene bouwregels

14.1 Ondergronds bouwen

Ondergronds bouwen is uitstluitend toegestaan onder hoofdgebouwen waarbij een maximale bouwdiepte van 3 m is toegestaan, , met dien verstande dat ondergronds bouwen niet is toegestaan ter plaatse van de functie 'Waterstaat - Waterstaatwerk'.

Artikel 15 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

Artikel 16 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken grenzen

16.1 Algemeen

Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen en daarmee toestaan dat wordt afgeweken van functiegrenzen, de bouw(perceels)grenzen en/of aanduidingsgrenzen tot maximaal 2,5 m.

16.2 Beoordelingsregels

De vergunning van artikel 16.1 kan alleen worden verleend als er verschillen blijken te zijn tussen perceels- en/ of kadastrale grenzen en de situatie in het veld, al dan niet na inmeting.

Artikel 17 Overige regels

17.1 Parkeernormen

In afwijking van artikel 4.1.1a van het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Westervoort', vastgesteld op 19 juni 2023, gelden ten aanzien van de parkeernormen de volgende regels:

  • a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen, vernieuwen of uitbreiden van een gebouw en/of een omgevingsvergunning voor de verandering van het gebruik van een (bouw)perceel wordt slechts verleend indien is aangetoond dat wordt of zal worden voldaan aan de parkeernormen ten aanzien van auto's zoals opgenomen in bijlage 2.

 

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 18 Overgangsrecht

18.1 Overgangsrecht bouwwerken
18.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

18.1.2 Afwijken bij omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 18.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 18.1.1 met maximaal 10 %.

18.1.3 Uitzondering

Het bepaalde in 18.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen in het omgevingsplan.

18.2 Overgangsrecht gebruik
18.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

18.2.2 Strijdig gebruik

Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in 18.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit hoofdstuk strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

18.2.3 Onderbroken gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in 18.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

18.2.4 Uitzondering

Het bepaalde in 18.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit artikel, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van het omgevingsplan.