| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f 'Industrieweg-oost 2026' |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0274.TAM006rh-va02 |
Aan de Industrieweg in het noorden van Renkum bevindt zich het bedrijventerrein Schaapsdrift. Over de huidige percelen van Industrieweg 29-33 en 35 en 37, Energieweg 1 en een deel van Bennekomseweg 120 geldt sinds het bestemmingsplan 'Renkum – Heelsum 2013' naast de bestemming 'Bedrijventerrein' ook de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – afval- en containerbedrijf'. Naast de ter plaatse toegestane bedrijvigheid tot en met categorie 2 en deels tot en met categorie 3.1 geeft deze aanduiding aan dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - afval en containerbedrijf' tevens een afval- en containerbedrijf, te weten uitsluitend in het overslaan en sorteren van afvalstoffen, toegestaan, met dien verstande dat buitenopslag (niet gelegen in containers) niet is toegestaan. Een afval-inzamelbedrijf is in beginsel (minimaal) een categorie 3.1-bedrijf. Nabij de woonpercelen aan de Hogenkampseweg zijn volgens het huidige bestemmingsplan alleen bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan. Op 50 meter vanaf de woningen aan de Hogenkampseweg zijn ook bedrijven van categorie 3.1 toegestaan. Door de eerder genoemde aanduiding is in het gebied waar bedrijven tot en met categorie 2 zijn toegestaan ook een afval- en containerbedrijf toegestaan met uitsluitend opslag in containers. Daarmee is (potentieel) hinderlijke bedrijvigheid dichter dan normaal het geval is toegestaan bij woningen, wat ook tot ervaren overlast leidt, ondanks een geluidsscherm van circa 4 meter hoogte.
Ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan 'Renkum – Heelsum 2013' waren de eerder genoemde percelen eigendom van en in gebruik bij Van Woudenberg B.V.. Na het vertrek van dat afval-inzamelbedrijf zijn deze gronden in 2018 verkocht aan een vijftal eigenaren/bedrijven. Vier van die bedrijven kennen een hele andere bedrijfsvoering dan die aanduiding. Een deel van het terrein is sinds 2018 in gebruik bij containerbedrijf en afvalbrengstation Donkelaar.nl (deels in eigendom en deels gehuurd) aan de Industrieweg 29-33.
Omdat het afval-inzamelbedrijf / afvalbrengstation / containerbedrijf direct naast een woonwijk is gesitueerd, en er van omwonenden klachten zijn aangaande trillingen, stof en geluid, bestaat de wens om de bedrijfsintensiteit daar waar mogelijk verder te reguleren en in te perken. De gemeente is in gesprek met de eigenaar van het afval-inzamelbedrijf over verplaatsing van het bedrijf en ook het bedrijf is zoekende naar een andere locatie. Begin 2026 is er meer duidelijkheid ontstaan overde mogelijke bedrijfsverplaatsing en de nieuwe functie en bebouwing op het terrein van Industrieweg 29-33. In overleg en overeenstemming met omwonenden is daarvoor het voorliggende TAM-omgevingsplan uitgewerkt en opgesteld.
Het voornemen bestaat om middels voorliggend TAM-omgevingsplan enkele planologische wijzigingen door te voeren ten behoeve van het meer in lijn brengen van de juridisch-planologische mogelijkheden ter plaatse met als doel de leefbaarheid te vergroten.
Voor het hele besluitgebied wordt de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – afval- en containerbedrijf' verwijderd, om te voorkomen dat in de toekomst nieuwe bedrijven kunnen vestigen met een dergelijke bedrijfsactiviteit. De huidige bedrijfsvoering kan, zolang het ononderbroken plaatsvindt, op basis van het overgangsrecht voorbestaan. Zie verder het beschrevene in paragraaf 2.3 Toekomstige situatie, Daar staat een uitgebreidere beschrijving.
Verder zijn er enkele specifieke wijzigingen voorzien op enkele binnen het bedrijventerrein gelegen percelen. Het gaat om de percelen met de aanduiding Gemeente Renkum, sectie B, perceelnummers 3609, 3992, 2708, 3828, 3993, 3996, 3997, 4081, 4089 en 4090.
Voor perceel 3609, 2708 en 3997 Energieweg 1) gaat het o.a. om de volgende wijzigingen:
Op perceel 3992 (Bennekomseweg 120) gaat het om de volgende wijzigingen, conform de eerder verleende omgevingsvergunning:
Voor percelen 2708, 3609, 3828, 3992, 3993, 3996, 3997, 4081, 4089 en 4090 gaat het om de volgende wijzigingen. Over het plangebied met de functie 'Bedrijventerrein' wordt de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bedrijfsverzamelgebouw' opgenomen. Ter plaatse zijn nu en straks al bedrijfsverzamelgebouwen toegestaan, maar met het opnemen van die aanduiding wordt nog duidelijker aangegeven dat dat ter plaatse is toegestaan. Uiteraard dienen de te zijner tijd daarbinnen te vestigen bedrijven moeten voldoen aan de ter plaatse toegestane categorie van bedrijvigheid.
Voor de percelen 3828, 3993, 3996. In overleg en op verzoek van de perceelseigenaar van Industrieweg 29-33 wordt (ten gunste van omwonenden) ter plaatse, ondanks dat dat milieukundig en qua hinderafstanden niet noodzakelijk is, de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' weggehaald en aangepast naar de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2'. Het voornemen is hier bedrijfsverzamelgebouwen neer te zetten. Ook wordt het bouwvlak in het westen en in het oosten iets vergroot en wordt de bouwhoogte van een deel van het terrein 3993 verlaagd van 12 meter naar 7 meter. Ook wordt opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm' de maximale bouwhoogte wordt verlaagd van 4 naar 3,2 meter.
De wijzigingen passen niet binnen de juridisch-planologische kaders die ter plaatse gelden op grond van het tijdelijk omgevingsplan. Om de planologische aanpassingen mogelijk te maken moet het (tijdelijke) omgevingsplan gewijzigd worden. Het voorliggend document voorziet in de motivering behorende bij de wijziging van het omgevingsplan.
Het besluitgebied is gelegen in het noordoosten van de kern Renkum, onderdeel van de gemeente Renkum in de Provincie Gelderland. Het besluitgebied bestaat uit meerdere percelen aan de Industrieweg. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het besluitgebied weergegeven.
Het plangebied heeft betrekking op de kadastrale percelen: Renkum, sectie B, nummers 2708, 3609, 3828, 3992, 3993, 3996, 3997, 4081, 4089 en 4090.
Ligging van het besluitgebied (globaal rood omcirkeld) (Bron: PDOK Viewer).
Globale begrenzing besluitgebied (rood omlijnd) (Bron: PDOK Viewer).
De voorliggende motivering is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie in het besluitgebied, waarbij zowel de ruimtelijke, juridisch-planologische, als functionele aspecten aan de orde komen. Vervolgens wordt kort ingegaan op de nieuwe ontwikkeling en de strijdigheden met het (tijdelijke) omgevingsplan. Het derde hoofdstuk gaat in op de relevante geldende beleidskaders die van invloed zijn op de ontwikkeling. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in hoeverre de ontwikkeling gevolgen heeft op de fysieke leefomgeving. In het vijfde hoofdstuk wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid van de ontwikkeling en de participatie en het overleg dat heeft plaatsgevonden. Tot slot bevat het laatste hoofdstuk een conclusie over hoe de ontwikkeling aansluit op het principe van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De naam Heelsum duikt al in de 11e eeuw op. De geschiedenis van het plaatsje begint met vroege bewoning en de stichting van een kerk in de 15e eeuw. Vanaf circa 1600 werd het Heelsum een bloeiend industrieel centrum dankzij de vele papiermolens aan de Heelsumse Beek, waardoor het landschap zelfs werd aangepast. Na de piek in de papierproductie, die na 1850 afnam en culmineerde in de herbouw van Schut na een brand in 1895, evolueerde Heelsum. De eeuwwisseling bracht verschillende ontwikkelingen teweeg: begin 1900 ontwikkelde Heelsum zich tot een sereen villadorp, met statige woningen die vooral langs de Utrechtseweg verrezen. In de jaren 20 kwamen daar ook arbeiderswoningen bij. Door de gestage stedelijke groei zijn Heelsum en Renkum door de jaren heen steeds meer in elkaar overgevloeid. De vroegere gemeentelijke opsplitsing verdween in 1923 met de samenvoeging bij Renkum. Tenslotte was Heelsum in september 1944 een belangrijke locatie voor de luchtlandingen tijdens de Slag om Arnhem.
Rond de locatie van het besluitgebied is de grootste verandering in de afgelopen decennia de uitbreiding van het stedelijke gebied van Renkum. In het begin van de 20e eeuw bestaat het besluitgebied nog grotendeels uit kavels die de overgang naar het buitengebied markeren. Wel was er al sprake van de woningen ten oosten van het besluitgebied. In de loop van de 20e eeuw raakt het gebied meer en meer bebouwd. In de jaren '70 wordt de Industrieweg aangelegd. Navolgende kaarten maken deze ontwikkeling inzichtelijk.
Het gebied rond het besluitgebied voor (links, 1950) en na (rechts, 2000) (bron: Atlasleefomgeving).
Het besluitgebied maakt onderdeel uit van een bedrijventerrein in het noordoosten van de kern Renkum. In de huidige situatie bevindt zich hier een afval-inzamellocatie. Het gebied wordt ontsloten via de Industrieweg. Het gebied zelf is in de huidige situatie bijna volledig verhard en in gebruik als afval-inzamellocatie. Navolgend bovenaanzicht geeft een impressie van de huidige situatie in het besluitgebied.
Luchtfoto van de huidige situatie met daarop het besluitgebied globaal rood omlijnd (bron: PDOK Viewer).
Het besluitgebied grenst aan de noordzijde aan een tankstation met carwash, aan de oostzijde aan achtertuinen van woningen, in het zuiden aan de energieweg en in het westen aan bedrijven aan de overzijde van de Industrieweg. In de huidige situatie zijn er veel klachten van omwonenden aangaande geluid- en trillinghinder als gevolg van de aanwezigheid van het afval- inzamelbedrijf. Om deze reden is de wens ontstaan enkele wijzigingen door te voeren in het besluitgebied. Navolgende afbeeldingen geven een indruk van de bebouwing in het gebied.
Huidige situatie besluitgebied (bron: Cyclomedia, 2023).
Deel van het besluitgebied gezien vanaf de Industrieweg (Google Streetview, 2025).
45 graden luchtfoto april 2025 (kijkrichting naar het oosten), Bennekomseweg 120 (links), Industrieweg 29-33 (midden), Energieweg 1 (rechts) en woningen Hogenkampseweg (boven). (Bron Vision10)
Ter plaatse van het besluitgebied is het bestemmingsplan 'Renkum - Heelsum 2013' van toepassing (vastgesteld op 26 juni 2013) dat is opgenomen in het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Renkum. Op grond van dit bestemmingsplan kent het besluitgebied de enkelbestemming 'Bedrijventerrein'. Het besluitgebied valt uiteen in twee delen, een westelijk deel met de functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' en een oostelijk deel met de functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2'. Het gehele gebied heeft de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – afval- en containerbedrijf'. Voor (een deel van) de oost- en westgrenzen van het besluitgebied is de functieaanduiding 'geluidscherm' opgenomen. Er zijn verder verschillende bouwvlakken met maatvoeringen opgenomen. Navolgende plankaart betreft een uitsnede van het bestemmingsplan 'Renkum-Heelsum 2013' met daarop het besluitgebied globaal omlijnd.
Uitsnede van het bestemmingsplan 'Renkum-Heelsum 2013' ter plaatse van het besluitgebied (rood omlijnd) (bron:
Omgevingsloket).
Naast het bestemmingsplan 'Renkum-Heelsum 2013', ligt er sinds 2023 een nieuw bestemmingsplan als ontwerp ter inzage. Dit betreft het plan 'Buitengebied en drie centrale dorpen 2024' en is nog niet vastgesteld. Ter plaatse is ook het bestemmingsplannen 'Parapluherziening parkeren 2024' van toepassing. Deze twee bestemmingsplannen worden navolgend besproken.
Ontwerpbestemmingsplan 'Buitengebied en drie centrale dorpen 2024'
Op 27 december 2023 is een ontwerpversie van het bestemmingsplan 'Buitengebied en drie centrale dorpen 2024' gepubliceerd. Dit plan is nog niet vastgesteld en heeft daarom nog geen juridische draagkracht. Het bestemmingsplan 'Buitengebied en drie centrale dorpen 2024' omvat een kleine strook aan de noordzijde van het besluitgebied. Voor voorliggend besluitgebied is er sprake van enkele wijzigingen ten opzichte van het plan 'Renkum-Heelsum 2013'. Op basis van dit plan wijzigt de functie van die gronden van 'Bedrijventerrein' naar 'Bedrijf'. De gronden van het besluitgebied verliezen de functieaanduidingen 'specifieke vorm van bedrijf – afval en containerbedrijf' en 'bedrijf tot en met categorie 3.1' en krijgen in plaats de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg'. Verder zijn er twee bouwvlakken opgenomen met maatvoeringen.
Parapluherziening parkeren 2024
In Renkum is alleen in de recent vastgestelde bestemmingsplannen (vanaf circa 30 september 2015) een parkeerregeling opgenomen. Het gaat hierbij om bestemmingsplannen voor diverse nieuwe ontwikkelingen en beheerbestemmingspannen waaronder 'Oosterbeek-Zuid 2016' en 'Wolfheze 2017'. In deze recente bestemmingsplannen wordt verwezen naar het Renkumse parkeerbeleid, zoals opgenomen in de Parkeernota 2014-2020. Ook in de overige en oudere bestemmingsplannen moet een parkeerregeling worden opgenomen. Anders kan bij aanvragen om een omgevingsvergunning gebaseerd op deze oudere bestemmingsplannen geen parkeertoets meer plaatsvinden. Daarom is op 27 maart 2024 de 'Parapluherziening Parkeren 2024' vastgesteld.
Dit bestemmingsplan voorziet in een parkeerregeling voor de oudere bestemmingsplannen in de gemeente die nog geen parkeerregeling kennen. Het bestemmingsplan 'Parapluherziening parkeren 2024' voegt aan de oudere bestemmingsplannen een parkeerregeling toe die regelt dat op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid moet zijn.
Voor voorliggend plan geldt dat op basis van het huidige geldende bestemmingsplan de gewenste wijzigingen niet mogelijk zijn. Het wijzigen van de regels is niet is toegestaan op basis van de opgenomen regels in het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Renkum. Om de wijziging planologisch vast te leggen wordt een wijziging van het omgevingsplan opgesteld.
Het voornemen bestaat om op het bedrijventerrein aan de Industrieweg in Renkum enkele planologische wijzigingen door te voeren. Een belangrijke aanleiding hiervoor is het verbeteren van de woonkwaliteit ter plaatse van de woningen in de omgeving van het besluitgebied. Daarom wordt de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - afval- en containerbedrijf' van alle percelen binnen het besluitgebied verwijderd, zodat dit type bedrijfsvoering in de toekomst niet langer mogelijk is.
Verder zijn er enkele specifieke wijzigingen / aanpassingen voorzien op enkele binnen het bedrijventerrein gelegen percelen (mede ook naar aanleiding van de ingediende zienswijzen en het daarna gevoerde gezamenlijke overleg met alle indieners van een zienswijze en gesprekken met de eigenaren van de percelen Bennekomseweg 120 en Energieweg 1) op enkele binnen het bedrijventerrein gelegen percelen. Het gaat om de percelen met de aanduiding Gemeente Renkum, sectie B, perceelnummers 3609, 3992, 2708, 3828, 3993, 3996, 3997, 4081, 4089 en 4090.
Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen en de constructieve overleggen die daarna (begin 2026) gezamenlijk (gemeente, Donkelaar, Carwash Janssen en omwonenden) hebben plaatsgevonden zijn er nog wat wijzigingen doorgevoerd in het TAM-omgevingsplan die door alle partijen akkoord zijn bevonden. Dit heeft geleid tot het voorliggende en vast te stellen TAM-omgevingsplan waar iedereen (onder andere Donkelaar en omwonenden) in de huidige vorm achter staat. Daarmee ontstaat de mogelijkheid (planologisch en financieel) voor Donkelaar om te kunnen verhuizen naar een andere locatie buiten de gemeente en ontstaat een betere en minder hinderlijke milieusituatie op het bedrijventerrein ter plaatse voor omwonenden door de realisatie van twee bedrijfsverzamelgebouwen met kleine bedrijfsruimtes.
Naar aanleiding van de zienswijzen en de daaropvolgende gesprekken is het o.a. volgende gewijzigd in het vast te stellen TAM-omgevingsplan. Het bouwvlak is vergroot (richting de percelen van Hogenkampseweg) in het noordoostelijke deel tot maximaal 10 meter van de perceelgrens om zo twee nieuwe bedrijfsverzamelgebouwen te kunnen bouwen. Donkelaar heeft daarnaast aangeboden om de maximale bouwhoogte ter plaatse van het nu aanwezige hoge bedrijfsgebouw in het noorden te verlagen van 12 naar maximaal 7 meter.
Op de navolgende afbeeldingen zijn schetsen weergegeven van de mogelijke nieuwe situatie met twee bedrijfsverzamelgebouwen ter plaatse van Industrieweg 29-33.
Schetsen van twee mogelijk nieuwe bedrijfsverzamelgebouwen op perceel Industrieweg 29-33. (bron: Architectenbureau DBL) Voor Energieweg 1 is al een omgevingsvergunning verleend voor twee bedrijfsverzamelgebouwen. In de gemeente is behoefte aan kleine bedrijfsruimtes. Er zijn veel kleine bedrijfjes in woonwijken waar verplaatsing mogelijk wenselijk voor is. Ook is er behoefte aan ruimte voor startende ondernemingen.
Naast de eersder genoemde wijzigingen hebben de navolgende wijzigingen heben plaatsgevonden ten opzichte van het nu nog gelddende bestemmingsplan 'Renklum - Heelsum 2013 en het ontwerp-TAM-omgevingsplan.
Voor perceel 3609 (Energieweg 1) gaat het om de volgende wijzigingen:
Voor de percelen 2708 en 3997 (Energieweg 1) gaat het om de volgende wijzigingen:
Op perceel 3992 (Bennekomseweg 120) gaat het om de volgende wijzigingen, confrom de eerder verleende omgevingsvergunning:
Voor de percelen 3997 en 4081 (Industrieweg 29) gaat het om de volgende wijzigingen:
Voor de percelen 3828 en 3993 (Industrieweg 33 en 29) gaat het om de volgende wijzigingen:
Voor percelen 2708, 3609, 3828, 3992, 3993, 3996, 3997, 4081, 4089 en 4090 gaat het om de volgende wijzigingen.
Voor de percelen 3828, 3993, 3996. In overleg en op verzoek van de perceelseigenaar van Industrieweg 29-33 wordt (ten gunste van omwonenden) ter plaatse, ondanks dat dat milieukundig en qua hinderafstanden niet noodzakelijk is, de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' weggehaald en aangepast naar de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2'.
Navolgende afbeelding toont de verbeelding van het voorliggende TAM-omgevingsplan waarin deze wijzigingen zijn verwerkt.
Verbeelding toekomstige
situatie besluitgebied (bron: SAB, 2026).
De Ontwerp-Nota Ruimte is een nationaal beleidsdocument dat de koers voor de ruimtelijke inrichting van Nederland tot 2050 schetst, met een doorkijk naar 2100. De Nota Ruimte vervangt de NOVI en is zelfbindend voor het Rijk. Ze is richtinggevend voor provincies, gemeenten en waterschappen.
Het motto is "elke regio telt". In de nota wordt gewerkt met het principe dat elke regio bijdraagt vanuit zijn eigen kracht en kwaliteiten. Het kabinet neemt regie over de inrichting van Nederland. De nationale belangen in de fysieke leefomgeving zijn:
De nota is onderverdeeld in vier samenhangende thema's om beleidskeuzes te ordenen:
Drie leidende principes bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn:
Parallel aan het realiseren van de definitieve Nota Ruimte wordt een uitvoeringsagenda opgesteld. De Nota ruimte wordt naar verwachting in 2026 vastgesteld.
Motivering
Voorliggend plan brengt de juridisch-planologische situatie op een bedrijventerrein meer in lijn met de wenselijke situatie. De wijzigingen omvatten: het verwijderen van de aanduiding 'afval- en containerbedrijf', het wijzigen van de bestemming naar 'Bedrijf' aan de noordzijde van het besluitgebied, en het aanpassen van enkele bouwvlakken en maximale bouwhoogtes. Ook wordt de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' plaatselijk toegevoegd en de aanduiding 'geluidscherm' deels verwijderd.
Voorliggend plan sluit hoofdzakelijk aan bij het eerstgenoemde nationale belang, namelijk: een goede en gezonde omgevingskwaliteit. Door in te zetten op het wijzigen van de planologische mogelijkheden in het besluitgebied, wordt de ruimtelijke situatie (die nu als problematisch wordt ervaren) aangepast met oog op het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Dit sluit aan bij het derde leidende principe: problemen niet doorschuiven naar toekomstige situaties. Het besluitgebied waarbinnen zich een afval-containerbedrijf bevindt grenst direct aan woningen. Door deze aanduiding te verwijderen, wordt een betere omgevingskwaliteit in de toekomst gewaarborgd. Dit maakt dat aansluit bij de kaders van de (ontwerp) Nota Ruimte.
De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd:
Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven:
Motivering
Voorliggend plan brengt de juridisch-planologische situatie op een bedrijventerrein meer in lijn met wenselijke situatie. De wijzigingen omvatten: het verwijderen van de aanduiding 'afval- en containerbedrijf', het wijzigen van de bestemming naar 'Bedrijf' aan de noordzijde van het besluitgebied, en het aanpassen van enkele bouwvlakken en maximale bouwhoogtes. Ook wordt de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' plaatselijk toegevoegd en de aanduiding 'geluidscherm' deels verwijderd.
Door het juridisch-planologisch vastleggen van de wijzigingen wordt actief gestuurd op de verbetering van de omgevingskwaliteit en de versterking van de leefbaarheid van de directe woonomgeving. Deze sturing is gebaseerd op het NOVI-afwegingsprincipe 'Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal'. Gezien de nabijheid tot een woonwijk is de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – afval- en containerbedrijf' op deze locatie ruimtelijk en milieutechnisch onwenselijk en inconsistent met de identiteit van het gebied. De voorgenomen wijzigingen, waarbij de zware milieucategorie wordt verwijderd en de bestemming wordt geflexibiliseerd naar 'Bedrijf' (met toevoeging van bijvoorbeeld een 'verkooppunt motorbrandstoffen'), leidt tot een passende en toekomstbestendige invulling van de locatie die beter aansluit bij de identiteit van het gebied. De voorliggende ontwikkeling is daarmee in lijn met de doelstellingen van de NOVI.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving is één van de vier AMvB's die invulling geven aan de Omgevingswet.
In het besluit staan:
Motivering
Voorliggend plan raakt geen van de nationale belangen zoals opgenomen in de instructieregels van het Bkl. Een nadere beschouwing van deze instructieregels is daarom niet vereist. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de verder relevante instructieregels voor voorliggende ontwikkeling.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g Bkl) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de Ladder is vereist.
Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling 'buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied' mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen stedelijk gebied wordt voorzien.
Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling 'buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied' mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen stedelijk gebied wordt voorzien.
Motivering
Voorliggend plan brengt de juridisch-planologische situatie op een bedrijventerrein meer in lijn met wenselijke situatie. De wijzigingen omvatten: het verwijderen van de aanduiding 'afval- en containerbedrijf', het wijzigen van de bestemming naar 'Bedrijf' aan de noordzijde van het besluitgebied, en het aanpassen van enkele bouwvlakken en maximale bouwhoogtes. Ook wordt de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' plaatselijk toegevoegd en de aanduiding 'geluidscherm' deels verwijderd.
Relevant is of deze wijzigingen zijn aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bkl. Bij de beantwoording van deze vraag moet volgens de Afdeling in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met de voorgaande situatie, voorziet in een functiewijziging en welk planologisch beslag op de ruimte de ontwikkeling maakt in vergelijking met de voorgaande situatie. Gelet op het feit dat de gronden voor het overgrote deel reeds de bestemming 'bedrijventerrein' en 'bedrijf' kennen in het bestemmingsplan 'Renkum – Heelsum 2013' en in het (ontwerp)bestemmingsplan 'Buitengebied en drie centrale dorpen 2024' wordt geacht dat de ontwikkeling niet hoeft te worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het doorlopen van de Toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt hierom niet noodzakelijk geacht.
Conclusie
Voorliggende ontwikkeling sluit aan bij de beleidsambities en -doelstellingen en de ter plaatse geldende regels vanuit de Rijksoverheid.
Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. In april 2026 lag de nieuwe ontwerp-Omgevingsvisie ter inzage welke in het najaar van 2026 zal worden vastgesteld. Deze heeft dus nog geen status en bevat daarnaast ook geen nieuwe beperkende uitgangspunten voor het voorligende TAM-omgevingsplan.
Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema's:
Motivering
Met betrekking tot de woon- en leefomgeving streeft de provincie naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Uitgangspunt hierbij is dat alle nieuwbouw aardgasloos aangelegd wordt en zoveel mogelijk circulair wordt gebouwd. In voorliggend plan is geen sprake van nieuwbouw. Het vastleggen van de beoogde wijzigingen heeft oog op de toekomst. De aanwezigheid van een afval-inzamellocatie naast woningen wordt namelijk niet toekomstbestendig geacht en komt het woon- en leefklimaat niet ten goede. Om deze reden wordt deze functieaanduiding middels voorliggend plan verwijderd, en worden enkele andere planologische wijzigingen doorgevoerd welke de inrichting en leefbaarheid van het gebied ten goede komen. Op deze manier wordt voorzien in een duurzame en toekomstbestendige invulling van de locatie. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee in lijn met het gegeven uit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland.
De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.
Motivering
Voorliggend plan brengt de juridisch-planologische situatie op een bedrijventerrein meer in lijn met wenselijke situatie. De wijzigingen omvatten: het verwijderen van de aanduiding 'afval- en containerbedrijf', het wijzigen van de bestemming naar 'Bedrijf' aan de noordzijde van het besluitgebied, en het aanpassen van enkele bouwvlakken en maximale bouwhoogtes. Ook wordt de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' plaatselijk toegevoegd en de aanduiding 'geluidscherm' deels verwijderd. Er zijn enkele aspecten uit de provinciale omgevingsverordening van toepassing. Deze worden navolgend toegelicht. Overigens l;ag in februari 2026 lag de nieuwe ontwerp-omgevingsverordening ter inzage welke in het najaar van 2026 zal worden vastgesteld. Deze heeft dus nog geen status en bevat daarnaast ook geen nieuwe beperkende uitgangspunten voor het voorligende TAM-omgevingsplan.
Beperkingengebied stikstofemissie
De digitale omgevingsverordening wijst uit dat het besluitgebied binnen een beperkingengebied voor stikstofemissie valt. Dit betekent dat voorgenomen project geen significante toename van stikstofdepositie op nabijgelegen stikstofgevoelige natuurgebieden mag veroorzaken. Met voorliggend plan wordt niet gebouwd en is daarom geen sprake van stikstofuitstoot. Met het weghalen van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - afval- en containerbedrijf' wordt een dergelijk potentieel stikstofemiterende bedrijvigheid niet meer toegestaan.
Gelderse streek Veluwe
Het besluitgebied is gelegen binnen de Gelderse streek Veluwe. Volgens artikel 2.47 van de provinciale omgevingsverordening geldt hier een kwaliteitsverbeteringsplicht voor de Veluwe. Dit houdt in dat ontwikkelingen binnen dit gebied moeten bijdragen aan het behoud en de versterking van de kernkwaliteiten van de Veluwe, zoals rust, stilte, donkerte, cultuurhistorie, natuur en landschap. Met voorliggende wijzigingen worden de waarden van de streek niet aangetast.
Glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied
Uit de digitale omgevingsverordening blijkt dat het besluitgebied binnen een glastuinbouwontwikkelingsgebied valt. Artikel 4.19 van de provinciale verordening verbiedt de vestiging, uitbreiding of herontwikkeling van glastuinbouwbedrijven buiten dergelijke specifiek aangewezen gebieden. Voorliggend plan omvat geen glastuinbouwactiviteiten.
Intrekgebied
De ligging van het besluitgebied binnen een intrekgebied wordt bevestigd door de digitale omgevingsverordening. Dit impliceert dat de grondwaterwinning voor drinkwater hier van cruciaal belang is en dat grondwaterbedreigende activiteiten niet zonder meer zijn toegestaan, zoals geformuleerd in artikel 4.36 van de provinciale verordening. Met voorliggend plan worden geen activiteiten mogelijk gemaakt die een negatieve invloed hebben op de kwaliteit of kwantiteit van het grondwater in het intrekgebied.
Verbodsgebied windturbines Veluwe
Uit de digitale omgevingsverordening blijkt dat het besluitgebied binnen het verbodsgebied voor windturbines Veluwe valt, zoals vastgelegd in artikel 4.54 van de provinciale verordening. In dit gebied zijn windturbines niet toegestaan, teneinde de openheid en de landschappelijke en ecologische waarden van de Veluwe te behouden. Met voorliggend plan zullen geen windturbines worden geplaatst.
Werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland
Het besluitgebied ligt binnen het werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland. Dit betekent dat voorliggend plan dient te voldoen aan de wet- en regelgeving betreffende faunabeheer en het beschermen van de aanwezige fauna. Met voorliggend plan zullen wild en andere beschermde diersoorten niet worden belemmerd. De ontwikkeling zal in overeenstemming zijn met de richtlijnen en plannen van de Faunabeheereenheid Gelderland.
Conclusie
Voorliggende ontwikkeling sluit aan bij de provinciale beleidsambities en doelstellingen en ter plaatse geldende regels.
Op 26 januari 2022 is de Omgevingsvisie Renkum 2040' vastgesteld. De omgevingsvisie heeft betrekking op het hele grondgebied van de gemeente Renkum, dus op alle zes de dorpen en het buitengebied. De omgevingsvisie biedt een vooruitblik op de leefomgeving tot het jaar 2040. Het is een langetermijnvisie op hoofdlijnen voor de ontwikkeling van de leefomgeving. Het biedt een stip aan de horizon voor de ambities en doelstellingen met als doelstelling te komen tot een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
De visie is opgesteld vanuit een integraal perspectief. Dat wil zeggen dat het niet alleen gaat om ruimtelijke vraagstukken en ontwikkelingen. Sociale ontwikkelingen en karakteristieken hebben, evenals economische ontwikkelingen namelijk invloed op de invulling van de leefomgeving. Alles wat je ziet, voelt en ruikt komt terug in deze visie. We verstaan hieronder het geheel van onder andere ruimte, water, bodem, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur, sociale cohesie, sociaal domein en cultureel erfgoed. Deze onderdelen zijn in samenhang bekeken en vertaald naar de leefomgeving en de toekomst. Bijna alle aspecten in de gemeente Renkum zijn immers met elkaar verbonden.
Met het opstellen van de omgevingsvisie geeft de gemeente richting en worden de inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties geïnspireerd en gemotiveerd om een bijdrage te leveren aan de uitvoering van de visie. Met elkaar bereidt de gemeente zich voor op de toekomst van onze gemeente. De omgevingsvisie wordt een dynamisch document die periodiek aangepast wordt om de relevantie ervan ook op lange termijn te behouden. Ontwikkelingen gaan zo snel dat er over sommige onderwerpen nu niet voldoende kennis is of sommige ontwikkelingen nu nog niet (volledig) te voorzien zijn.
Visiekaart gemeentebreed uit 'Omgevingsvisie Renkum 2040'.
Visiekaart Renkum en Heelsum uit 'Omgevingsvisie Renkum 2040'.
Motivering
Het groene karakter van de gemeente Renkum, de nabijheid van grote steden en de goede ligging ten opzichte van verkeerswegen en openbaar vervoer zijn belangrijke kwaliteiten (als uitvalsbasis) voor het wonen in de zes dorpen van de gemeente. Voor de bedrijvigheid en de werkgelegenheid in de gemeente is ook het in stand houden van de bedrijventerreinen van belang. Het besluitgebied is ook in de toekomstvisie van de gemeente aangemerkt als bedrijventerrein.
Voorliggend plan legt enkele wijzigingen op het bedrijventerrein in Renkum planologisch vast. De wijzigingen omvatten: het verwijderen van de aanduiding 'afval- en containerbedrijf', het wijzigen van de bestemming naar 'Bedrijf', en het aanpassen van het bouwvlak en de maximale bouwhoogte. Ook wordt de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' toegevoegd en de aanduiding 'geluidscherm' deels verwijderd. Deze wijzigingen komen de leefkwaliteit ten goede, terwijl het bedrijventerrein in stand gehouden wordt, maar op een wijze die beter past bij de directe omgeving. De ontwikkeling past binnen de ambities van de gemeentelijke omgevingsvisie.
Conclusie
Voorliggende ontwikkeling sluit aan bij de beleidsambities en doelstellingen en de ter plaatse geldende regels vanuit het gemeentelijk beleid.
Algemeen
De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.
Voor plannen en programma's die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.
De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r.. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
Motivering
Voorliggend plan brengt de juridisch-planologische situatie op een bedrijventerrein aan de Industrieweg meer in lijn met wenselijke situatie. De wijzigingen omvatten: het verwijderen van de aanduiding 'afval- en containerbedrijf', het wijzigen van de bestemming naar 'Bedrijf' aan de noordzijde van het besluitgebied, en het aanpassen van enkele bouwvlakken en maximale bouwhoogtes. Ook wordt de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' plaatselijk toegevoegd en de aanduiding 'geluidscherm' deels verwijderd. De verwachte effecten op het milieu, zoals geluid, beperkte verkeersbewegingen en bodemgebruik, zijn plaatselijk en goed beheersbaar. Deze effecten kunnen effectief worden gemitigeerd door toepassing van reguliere voorschriften uit de Omgevingsvergunning en bestemmingsplanregels. Er is geen sprake van activiteiten die cumulatie met andere projecten een significant milieueffect veroorzaken, noch worden kwetsbare natuurgebieden of waterwingebieden direct en substantieel beïnvloed. Om deze redenen wordt een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk geacht.
Conclusie
Een nadere beoordeling in een m.e.r.-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk.
Algemeen
Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
Motivering
Voorliggend plan brengt de juridisch-planologische situatie op een bedrijventerrein aan de Industrieweg meer in lijn met wenselijke situatie. De wijzigingen omvatten: het verwijderen van de aanduiding 'afval- en containerbedrijf', het wijzigen van de bestemming naar 'Bedrijf' aan de noordzijde van het besluitgebied, en het aanpassen van enkele bouwvlakken en maximale bouwhoogtes. Ook wordt de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' plaatselijk toegevoegd en de aanduiding 'geluidscherm' deels verwijderd. Er worden geen grondwerkzaamheden verricht als gevolg van voorliggend plan. Ook worden er geen functies mogelijk gemaakt, waarvoor strengere eisen aan de bodemkwaliteit worden gesteld.
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
Algemeen
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds.
Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen
De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen moet altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl).
Geluid door activiteiten
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient – naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen – ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten tezamen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van:
Dit wijzigingsbesluit maakt de realisatie van een geluidveroorzakende functie mogelijk. Beoordeeld moet worden of de nieuwe functies mogelijk geluidhinder veroorzaken op omliggende hindergevoelige gebouwen.
Voorafgaand de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd gewerkt met de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009'. Hierin is een lijst van inrichtingen opgenomen waarbij de inrichtingen op grond van de hinder die zij veroorzaken, zijn opgedeeld in 6 categorieën. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat een inrichting uit categorie 1 relatief weinig hinder veroorzaakt en een inrichting uit categorie 6 bijzonder veel hinder veroorzaakt. In de Omgevingswet wordt niet langer gewerkt met de term inrichting en wordt gesproken over milieubelastende activiteiten. Omdat in voorliggende situatie het gemeentebrede omgevingsplan nog niet gereed is en daarmee de bestemmingsplannen nog onderdeel uitmaken van omgevingsplan, is het kader van de VNG-publicatie nog wel relevant. Onder de Omgevingswet worden echter alleen nog de aspecten geluid en geur meegenomen in de afweging evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Motivering
Voorliggend plan brengt de juridisch-planologische situatie op een bedrijventerrein aan de Industrieweg meer in lijn met wenselijke situatie. De wijzigingen omvatten: het verwijderen van de aanduiding 'afval- en containerbedrijf', het wijzigen van de bestemming naar 'Bedrijf' aan de noordzijde van het besluitgebied, en het aanpassen van enkele bouwvlakken en maximale bouwhoogtes. Ook wordt de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' plaatselijk toegevoegd en de aanduiding 'geluidscherm' deels verwijderd. De planologische wijzigingen zijn gericht op het faciliteren van een functieverandering op termijn. De huidige, relatief zware milieubelastende activiteit (afval-inzamelbedrijf) zal naar verwachting op termijn worden beëindigd en verplaatst, waardoor er ruimte ontstaat voor een minder zwaar type bedrijvigheid.
Gezien de aard van de wijziging, die een gunstige ontwikkeling voor de geluidsbelasting in de omgeving betreft (inperken van de planologische en milieukundige mogelijkheden) wordt het uitvoeren van akoestisch onderzoek ten behoeve van de wijzigingen van voorliggend plan niet noodzakelijk geacht.
Conclusie
Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect geluid.
Algemeen
Trillingen kunnen hinder geven aan personen, gebouwen en activiteiten door golfbewegingen via de bodem. Deze trillingen worden vooral veroorzaakt door weg- en railverkeer en industriële machines. De trillingen die voelbaar zijn, bestaan uit mechanische golvende bewegingen van materialen. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Trillingen nemen af naarmate de afstand tot de bron groter is.
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving.
Motivering
Met voorliggend plan worden geen nieuwe functies en activiteiten mogelijk gemaakt die trillingen veroorzaken. Verder zijn er in de omgeving ook geen activiteiten aanwezig die mogelijk trillingen veroorzaken. Om deze reden is een nadere beschouwing van het aspect trillinghinder niet noodzakelijk geacht.
Conclusie
Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect trillinghinder.
Algemeen
Indien een ontwikkeling niet is gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, hoeft de luchtkwaliteit in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Net als onder de voormalige Wet milieubeheer is er namelijk een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden:
Motivering
Voorliggend plan brengt de juridisch-planologische situatie op een bedrijventerrein aan de Industrieweg meer in lijn met wenselijke situatie. De wijzigingen omvatten: het verwijderen van de aanduiding 'afval- en containerbedrijf', het wijzigen van de bestemming naar 'Bedrijf' aan de noordzijde van het besluitgebied, en het aanpassen van enkele bouwvlakken en maximale bouwhoogtes. Ook wordt de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' plaatselijk toegevoegd en de aanduiding 'geluidscherm' deels verwijderd.
De planologische wijzigingen zijn gericht op het faciliteren van een functieverandering waarbij de huidige, relatief zware milieubelastende activiteit (afval-inzamelbedrijf) naar verwachting zal worden beëindigd en verplaatst. Dit leidt tot de toekomstige vestiging van een minder zware type bedrijvigheid op de locatie.
Activiteiten die verband houden met afvalverwerking kunnen een hogere emissie van fijnstof en geur met zich meebrengen dan de lichtere bedrijvigheid die na de wijziging in de bestemming 'Bedrijf' is toegestaan. De verwachte functieverandering resulteert daarmee in een verbetering van de luchtkwaliteit in de directe omgeving.
De wijzigingen die beoogd zijn met voorliggend plan hebben geen negatief effect op de luchtkwaliteit. Er is geen sprake van wijzigingen in de verkeerssituatie. Een onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.
Conclusie
Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect luchtkwaliteit.
Algemeen
Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
Aanvaardbare geurhinder
De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit.
Motivering
Voorliggend plan brengt de juridisch-planologische situatie op een bedrijventerrein aan de Industrieweg meer in lijn met wenselijke situatie. De wijzigingen omvatten: het verwijderen van de aanduiding 'afval- en containerbedrijf', het wijzigen van de bestemming naar 'Bedrijf' aan de noordzijde van het besluitgebied, en het aanpassen van enkele bouwvlakken en maximale bouwhoogtes. Ook wordt de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' plaatselijk toegevoegd en de aanduiding 'geluidscherm' deels verwijderd. Omdat er aan de feitelijk situatie niets verandert, is nader onderzoek naar geurveroorzakende activiteiten niet noodzakelijk.
Conclusie
Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect geur.
Algemeen
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is.
Groepsrisico
Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken.
Motivering
Voorliggend plan brengt de juridisch-planologische situatie op een bedrijventerrein aan de Industrieweg meer in lijn met wenselijke situatie. De wijzigingen omvatten: het verwijderen van de aanduiding 'afval- en containerbedrijf', het wijzigen van de bestemming naar 'Bedrijf' aan de noordzijde van het besluitgebied, en het aanpassen van enkele bouwvlakken en maximale bouwhoogtes. Ook wordt de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' plaatselijk toegevoegd en de aanduiding 'geluidscherm' deels verwijderd.. Deze wijzigingen worden doorgevoerd met oog op de verbetering van de leef- en omgevingskwaliteit in de toekomst, met als gevolg dat een afval- containerbedrijf direct naast een woonwijk niet meer mogelijk zal zijn. De voorgenomen wijziging leidt niet tot een toename van het risicoprofiel van de locatie.. Het plan maakt geen vestiging van nieuwe risicovolle inrichtingen of activiteiten mogelijk. Ook worden geen kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt. Voorliggend plan heeft daarmee geen negatieve invloed op de omgevingsveiligheid in het besluitgebied. Aanvullend onderzoek naar de omgevingsveiligheid is niet noodzakelijk.
Conclusie
Voorliggend plan voldoet aan de kaders voor het aspect omgevingsveiligheid.
Algemeen
Het aspect veiligheid wordt onder de Omgevingswet hoog aangeslagen. Veiligheid maakt deel uit van de centrale doelstellingen van de Omgevingswet (artikel 1.3). Veiligheid is een belangrijk thema omdat het bijdraagt aan de volksgezondheid. Het aspect veiligheid valt uiteen in omgevingsveiligheid, hoogwaterveiligheid, brandveiligheid en constructieve veiligheid. Regels over de verschillende veiligheidsaspecten zijn/worden opgenomen in het omgevingsplan. Gemeenten zijn verplicht de risico's van rampen, crises en branden te adresseren door normen ervoor op te nemen in het omgevingsplan. Er is een zorgplicht voor zowel overheden als initiatiefnemers. De aspecten hoogwaterveiligheid, brandveiligheid en constructieve veiligheid worden daarom in deze paragraaf belicht.
Motivering
Voorliggend plan brengt de juridisch-planologische situatie op een bedrijventerrein aan de Industrieweg meer in lijn met wenselijke situatie. De wijzigingen omvatten: het verwijderen van de aanduiding 'afval- en containerbedrijf', het wijzigen van de bestemming naar 'Bedrijf' aan de noordzijde van het besluitgebied, en het aanpassen van enkele bouwvlakken en maximale bouwhoogtes. Ook wordt de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' plaatselijk toegevoegd en de aanduiding 'geluidscherm' deels verwijderd.
Voor het aspect hoogwaterveiligheid geldt dat het besluitgebied niet is gelegen in een risicogebied. De voorgenomen wijzigingen betreffen aanpassingen binnen het bestaande bedrijventerrein en leiden niet tot een toename van de risico's op het gebied van hoogwaterveiligheid.
Wat betreft brand- en constructieve veiligheid geldt dat de wijzigingen, met als gevolg een minder intensieve vorm van bedrijfsvoering, geen negatieve invloed hebben op de veiligheid. Alle toekomstige activiteiten moeten blijven voldoen aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en overige geldende normen.
Conclusie
Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect veiligheid.
Algemeen
Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben oorlogshandelingen plaatsgevonden in de gemeente Renkum. Gezien het voorgaande is de kans aanwezig dat er zich binnen het besluitgebied nog ontplofbare oorlogsresten bevinden. Bij de aanlegwerkzaamheden c.q. grondroerende activiteiten is er een risico dat op resten van explosieven wordt gestuit. Dit aspect verdient om die reden nadere aandacht.
Motivering
Op sommige plekken binnen de gemeente Renkum bevinden zich nog (restanten van) conventionele explosieven in de grond. Tijdens grondroerende werkzaamheden (o.a. graven, heien) kunnen die alsnog ontploffen, waardoor dit een risico vormt voor de (arbo)veiligheid. In de huidige situatie zijn de gronden van het besluitgebied reeds in gebruik. Als gevolg van voorliggend plan vinden geen grondwerkzaamheden plaats en zal de grond niet geroerd worden. Om deze reden hoeft het aspect ontplofbare oorlogsresten niet nader onderzocht te worden.
Conclusie
Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
Algemeen
Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3, sub a, Omgevingswet). Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om hier te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent het vaststellen van het wijzigingsbesluit omgevingsplan is meegenomen. Gemeenten kunnen hun gezondheidsambities tevens vastleggen in de omgevingsvisie, een programma en/of omgevingsplan.
Motivering
In voorgaande paragrafen met betrekking tot de diverse milieuaspecten is geconcludeerd dat in het besluitgebied sprake is van een gezonde leefomgeving voor wat betreft gezondheidsbescherming. Een belangrijke aanleiding voor het doorvoeren van de wijzigingen welke voorliggend plan omvat, is het verbeteren van de woonkwaliteit voor bewoners van de woningen gelegen naast het projectgebied. Hiertoe wordt de aanduiding 'afval- en containerbedrijf' van de percelen van het projectgebied verwijderd, zodat in de toekomst een dergelijke bedrijfsvoering niet mogelijk is. Deze wijzigingen komen de omgeving ten goede en maken gezond wonen in de toekomst mogelijk. Op basis van het voorgaande is het aspect gezondheid zowel vanuit gezondheidsbescherming als -bevordering meegewogen in de ontwikkeling.
Conclusie
Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect gezondheid.
Algemeen
Het waterbeleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht.
Rijksbeleid - Nationaal Waterprogramma 2022-2027
Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen.
In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd:
Provinciaal beleid - Regionaal Waterprogramma Gelderland 2021-2027
Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2021 – 2027 Provincie Gelderland is op 26 februari 2019 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2021-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Gelderland.
Het Waterplan is onderverdeeld in drie deelprogramma's:
In het plan zijn deze programma's verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Gelderland.
Waterschapsbeleid – Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Vallei en Veluwe
Op 22 november 2021 is het blauw omgevingsprogramma (BOP) van waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen.
Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende vijf programma's:
Motivering
Voorliggend plan brengt de juridisch-planologische situatie op een bedrijventerrein aan de Industrieweg meer in lijn met wenselijke situatie. De wijzigingen omvatten: het verwijderen van de aanduiding 'afval- en containerbedrijf', het wijzigen van de bestemming naar 'Bedrijf' aan de noordzijde van het besluitgebied, en het aanpassen van enkele bouwvlakken en maximale bouwhoogtes. Ook wordt de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' plaatselijk toegevoegd en de aanduiding 'geluidscherm' deels verwijderd. Als gevolg van voorliggend plan wordt een functiewijziging gefaciliteerd van een zware activiteit (afval-inzameling) naar een minder zwaar type industrie onder de bestemming 'Bedrijf' aan de noordzijde van het besluitgebied. Als gevolg van voorliggend plan neemt de verharding op het terrein niet toe ten opzichte van de huidige situatie. De grond wordt als gevolg van de beoogde wijzigingen niet geroerd. Onderzoek naar water kan daarmee achterwege blijven.
Conclusie
Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect water.
Algemeen
Het klimaatadaptatie beleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht. De landelijke aanpak gebeurt vanuit twee programma's: het nationaal Deltaprogramma en de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS). Hierin staan de nationale doelstellingen en strategieën omtrent waterbescherming en klimaatadaptatie.
Provinciaal beleid - Omgevingsvisie- en verordening Gaaf Gelderland
Het veranderend klimaat gaat aan niemand voorbij en raakt alle facetten van de omgeving. Zoals de Gelderse natuur - met haar vele grote en kleinere rivieren en rijkdom aan dier- en plantsoorten. Maar ook onze eigen gezondheid en veiligheid. De provincie wil hierop voorbereid zijn, daarom zetten ze vooral en eerst in op het tegengaan van de risico's en gevaren van de klimaatverandering. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving – steden, dorpen, bedrijventerreinen – neemt de Provincie de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maken afspraken over hoe met de risico's om te gaan.
In de Omgevingsverordening Gelderland is het volgende artikel opgenomen:
Artikel 5.85 (klimaatadaptatie)
Motivering
Voorliggend plan brengt de juridisch-planologische situatie op een bedrijventerrein aan de Industrieweg meer in lijn met wenselijke situatie. De wijzigingen omvatten: het verwijderen van de aanduiding 'afval- en containerbedrijf', het wijzigen van de bestemming naar 'Bedrijf' aan de noordzijde van het besluitgebied, en het aanpassen van enkele bouwvlakken en maximale bouwhoogtes. Ook wordt de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' plaatselijk toegevoegd en de aanduiding 'geluidscherm' deels verwijderd. De situatie aangaande groen en verharding verandert als gevolg van dit plan niet. Een belangrijke aanleiding voor dit plan is echter het reguleren van (milieubelastende) bedrijfsmogelijkheden op het perceel ten behoeve van de woon- en leefkwaliteit van de omgeving. Door de mogelijkheden van wat bedrijfsmatig mogelijk is verder te reguleren, wordt een bijdrage geleverd aan een duurzame toekomst voor de omgeving. Dit maakt dat het initiatief in lijn is met de ambities met betrekking tot klimaatadaptie.
Conclusie
Bij de planvorming is voor zo ver als mogelijk rekening gehouden met klimaatadaptatie.
Algemeen
Soortenbescherming
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid.
Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:
Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.
Gebiedsbescherming
De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies.
Natura 2000
Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als 'Natura 2000-activiteit'. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden.
Motivering
Voorliggend plan brengt de juridisch-planologische situatie op een bedrijventerrein aan de Industrieweg meer in lijn met wenselijke situatie. De wijzigingen omvatten: het verwijderen van de aanduiding 'afval- en containerbedrijf', het deels weghalen van de mogelijkheid om bedrijven tot en met categorie 3.1 toe te staan (wordt aangepast en verlaagd naar bedrijven tot en met categorie 2), het wijzigen van de bestemming naar 'Bedrijf' aan de noordzijde van het besluitgebied, en het aanpassen van enkele bouwvlakken en maximale bouwhoogtes. Ook wordt de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' plaatselijk toegevoegd. Als gevolg van dit plan worden alleen maar minder milieuhinderlijke en minder stikstofuitstotende bedrijvigheid hier toegestaan. Daarmee verminderd de uitstoot van stikstof van het plangebied flink, want er is straks geen 'afval- en containerbedrijf' meer toegestaan. Uit stikstofberekeningen, bij de aanvraag omgevingsverguning voor twee bedrijfsverzamelgebouwen bij Industrieweg 29-33, volgt dat er een flinke afname zal plaatsvinden van de stikstofdepositie bij het vertrek van een afval en containerbedrijf en de realisatie van twee bedrijfsverzamelgebouwen met kleine bedrijfsunits. Er is geen sprake van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Om deze reden hoeft er geen nader onderzoek uitgevoerd te worden.
Conclusie
Het aspect natuur vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
Algemeen
Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met archeologische waarden. De omgevingswet schrijft voor dat het aspect archeologie een plek heeft in het omgevingsplan. In het omgevingsplan is vastgesteld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. In beginsel moet de gemeente aan projecten kleiner dan 100 m2 vrijstelling verlenen van de verplichting tot archeologisch onderzoek (artikel 5.130 lid 4 Bkl). Met een inhoudelijke onderbouwing kan de gemeente echter afwijken van deze vrijstellingsgrens.
De instructieregels voor de omgang met archeologie in het omgevingsplan zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid). Uitgangspunt is dat bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De archeologische verwachtingswaarde en de omgang daarmee legt de gemeente vast in het omgevingsplan (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Wanneer er een archeologische verwachtingswaarde is voor het besluitgebied moet er een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden conform de door de gemeente gestelde voorwaarden. De uitkomsten van het onderzoek bepalen of vervolgonderzoek nodig is en of de bodemroerende werkzaamheden kunnen plaatsvinden.
Motivering
Voorliggend plan brengt de juridisch-planologische situatie op een bedrijventerrein aan de Industrieweg meer in lijn met wenselijke situatie. De wijzigingen omvatten: het verwijderen van de aanduiding 'afval- en containerbedrijf', het wijzigen van de bestemming naar 'Bedrijf' aan de noordzijde van het besluitgebied, en het aanpassen van enkele bouwvlakken en maximale bouwhoogtes. Ook wordt de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' plaatselijk toegevoegd en de aanduiding 'geluidscherm' deels verwijderd. Als gevolg van dit plan wordt de grond niet geroerd. Om deze reden kan nader archeologisch onderzoek achterwege blijven.
Conclusie
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
Algemeen
Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, (voorbeschermde) Rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van Rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Motivering
Voorliggend plan brengt de juridisch-planologische situatie op een bedrijventerrein aan de Industrieweg meer in lijn met wenselijke situatie. De wijzigingen omvatten: het verwijderen van de aanduiding 'afval- en containerbedrijf', het wijzigen van de bestemming naar 'Bedrijf' aan de noordzijde van het besluitgebied, en het aanpassen van enkele bouwvlakken en maximale bouwhoogtes. Ook wordt de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' plaatselijk toegevoegd en de aanduiding 'geluidscherm' deels verwijderd. . Als gevolg van voorliggend plan wordt niet gebouwd of gesloopt. Verder bevinden zich geen cultuurhistorisch waardevolle kenmerken in of direct rondom het besluitgebied. Met voorliggend plan wordt geacht naar een verbeterde aansluiting bij de huidige omgeving.
Conclusie
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Algemeen
Mobiliteit
In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom).
Parkeren
De gemeente Renkum heeft eigen parkeerbeleid in de vorm van de 'Parkeernota 2014-2020' (vastgesteld op 26 februari 2014). Voor de normering hanteert de gemeente Renkum de meest recente versie met parkeernormen van het CROW. Het beleid gaat daarbij uit van het gemiddelde kencijfer. Daarom moet voor het bepalen van de parkeerbehoefte van dit plan gebruik worden gemaakt van de CROW publicatie 381: 'Toekomstbestendig parkeren'. Op basis van de Parkeernota wordt de gemeente Renkum hierin gecategoriseerd als zijnde 'weinig stedelijk gebied'. Gezien de ligging van het besluitgebied in de buiten de kern van Heelsum worden de normen voor 'buitengebied' aangehouden.
Motivering
Mobiliteit
Voorliggend plan brengt de juridisch-planologische situatie op een bedrijventerrein aan de Industrieweg meer in lijn met wenselijke situatie. De wijzigingen omvatten: het verwijderen van de aanduiding 'afval- en containerbedrijf', het wijzigen van de bestemming naar 'Bedrijf' aan de noordzijde van het besluitgebied, en het aanpassen van enkele bouwvlakken en maximale bouwhoogtes. Ook wordt de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' plaatselijk toegevoegd en de aanduiding 'geluidscherm' deels verwijderd. Als gevolg van voorliggend plan wijzigt het aantal verkeersbewegingen niet. Er is geen sprake van een gewijzigde situatie aangaande het aspect mobiliteit.
Parkeren
Als gevolg van voorliggende ontwikkeling wijzigt de parkeerbehoefte niet ten opzichte van de huidige situatie.
Conclusie
Voorliggend plan voldoet aan de kaders voor het aspect mobiliteit en parkeren.
Algemeen
Een goede omgevingskwaliteit is een van de centrale doelstellingen van de omgevingswet (artikel 1.3). De omgevingsweg legt zowel initiatiefnemers als overheden een zorgplicht op voor verbetering van de omgevingskwaliteit. Om de omgevingskwaliteit te waarborgen zijn gemeenten verplicht dit aspect op te nemen in het omgevingsplan. Initiatiefnemers moeten het aspect opnemen bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. Er is geen heldere definitie van het begrip omgevingskwaliteit. Onderdelen die bijdragen aan een goede omgevingskwaliteit zijn het stedenbouwkundige plan architectuur, natuur en landschap. Wanneer deze losse aspecten kwaliteit hebben leidt dat tot 'omgevingskwaliteit'. De gemeente is op basis van de artikelen 2.4 en 4.2 van de Omgevingswet verplicht dit aspect mee te nemen bij de évenwichtige toedeling van functies aan locaties' (etfal). De gemeente is vrij om dit te doen door middel van beleid of door regels. Of het aspect omgevingskwaliteit getoetst moet worden aan het omgevingsplan of aan de omgevingsvisie is daarom afhankelijk van de keuze van de gemeente.
Motivering
Voorliggend plan legt enkele wijzigingen op het bedrijventerrein in Renkum planologisch vast. De wijzigingen omvatten: het verwijderen van de aanduiding 'afval- en containerbedrijf', het wijzigen van de bestemming naar 'Bedrijf', en het aanpassen van het bouwvlak en de maximale bouwhoogte. Ook wordt de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' toegevoegd en de aanduiding 'geluidscherm' deels verwijderd.
De planologische wijzigingen zijn gericht op het faciliteren van een functieverandering op termijn. De huidige, relatief zware milieubelastende activiteit (afval-inzameling) is een activiteit die potentieel gevaarlijke stoffen behelst. Het voornemen bestaat om de activiteit op termijn te beëindigen en te verplaatsen, waarna een minder zware type bedrijvigheid op de locatie mogelijk wordt. Een belangrijke aanleidingen voor dit plan is het verbeteren van de omgevingskwaliteit voor bewoners van de naast het projectgebied gelegen woningen. Daar in de huidige situatie hinder wordt ondervonden van het afval-inzamelbedrijf is de gemeente voornemens op termijn een andere vorm van bedrijvigheid in het projectgebied toe te staan.
Op voorgenoemde manier draagt voorliggend plan op een positieve manier bij aan de omgevingskwaliteit ter plaatse.
Conclusie
Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect omgevingskwaliteit.
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn:
Het overzicht van kostenverhaalplichtige activiteiten staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit.
Voorliggend TAM-Omgevingsplan wordt opgesteld op initiatief van de gemeente. Hieraan is vooralsnog geen fysieke ontwikkeling gekoppeld. De gemeente is in gesprek met de eigenaar van de gronden in het besluitgebied. De verwachting is dat de kosten hiermee voldoende geraamd zijn.
Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid. Het overleg met bestuursorganen kan beperkt blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. Het voorliggende TAM-omgevingsplan raakt geen belangen van andere overheden en is daarom niet voorgelegd.
Een grondeigenaar is actief betrokken bij het TAM-omgevingsplan. De omwonenden en de andere grondeigenaren zijn kort voor de ter inzage legging ook op de hoogte gesteld van de planwijziging.
Het ontwerp-TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f 'Industrieweg-oost 2026' heeft vanaf 24 december 2025 gedurende zes weken, dus tot en met 3 februari 2026, ter inzage gelegen. In die periode zijn acht zienswijzen ingediend, waarvan er zeven gelijk zijn.
In het Gemeenteblad van 24 december 2025 en in het huis-aan-huis blad Rijn en Veluwe van 24 december 2025 is de ter inzage legging bekend gemaakt. Ook op de gemeentelijke website is deze bekendmaking gepubliceerd. Het bestemmingsplan heeft in deze periode analoog ter inzage gelegen in het gemeentehuis. Het bestemmingsplan was digitaal ook in te zien op de landelijke websites www.ruimtelijkeplannen.nl, https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/zoeken/ en op de gemeentelijke website www.renkum.nl.
Hierna zijn de ingediende zienswijzen (samengevat) weergegeven en van een reactie voorzien.
| Hogenkampseweg 166 in Renkum | |
| Ontvangst zienswijze: | 23 januari 2026 |
| Inboeknummer: | 2026-001291 |
samenvatting:
Directe aanwoning
De woning van reclamanten is direct aangrenzend aan het plangebied. Hun perceel grenst rechtstreeks aan het betreffende perceel, zonder tussenliggende bebouwing of buffer. Reclamant geeft aan dus rechtstreeks belanghebbende (artikel 1:2 Awb) te zijn.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak is bij een zeer korte afstand of directe aanwoning een verwijzing naar algemene richtlijnen, zoals de VNG-brochure, onvoldoende. In dat geval is een concrete, locatie-specifieke motivering vereist waaruit blijkt dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd, ook bij maximale planologische invulling.
Scheidingsmuur
Achter de woning van reclamanten is een scheidingsmuur van circa 4 meter hoogte gerealiseerd. De hoogte van 4 meter is in relatie tot de destijds toegestane milieucategorie verklaarbaar. Een dergelijke muur vormt op zichzelf een ingrijpende ruimtelijke ingreep en heeft gevolgen voor daglicht, uitzicht en ruimtelijke kwaliteit van het perceel van reclamanten. Nu in het ontwerp de milieucategorie 1 en 2 nog zijn toegestaan verzoeken reclamanten de gemeente om de maximale hoogte van de muur in het bovengenoemde ontwerp dienovereenkomstig te verlagen. Reclamanten kunnen zich voorstellen dat een hoogte van de muur van 3 meter volstaat.
Bedrijf verzamelgebouwen en categorie 2
Het ontwerpplan staat bedrijven toe in milieucategorie 1 en 2. Daarbij is het voornemen van Ton Donkelaar B.V. op het betreffende perceel bedrijf verzamelgebouwen te gaan bouwen. Het college van burgemeester en wethouders is door Ton Donkelaar B.V. van dit voornemen op de hoogte gesteld.
Dergelijke bedrijf verzamelgebouwen leiden in de praktijk tot meerdere gelijktijdige bedrijfsactiviteiten, waaronder werkplaatsen, opslag, montage en logistiek. Hoewel deze functies individueel binnen categorie 2 kunnen vallen, leidt de cumulatie van activiteiten bij directe ligging aan een woonperceel tot een verhoogd risico op hinder.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft herhaaldelijk geoordeeld dat bij planvorming moet worden uitgegaan van hetgeen het plan maximaal mogelijk maakt. Zouden bedrijf verzamelgebouwen toegestaan worden, is cumulatie van bedrijfsactiviteiten geen hypothetisch scenario maar een voorzienbaar en reëel gevolg. Het ontbreken van een beoordeling van deze cumulatieve effecten maakt het plan in zoverre onvoldoende voorbereid en gemotiveerd.
Geluid, privacy en verkeer
Het ontwerpplan bevat onvoldoende planologische waarborgen ter bescherming van het woon- en leefklimaat, met name ten aanzien van:
Een locatie-specifieke beoordeling van deze effecten ontbreekt.
Woonkwaliteit en waardevermindering
De verwachte aantasting van rust, privacy en ruimtelijke kwaliteit heeft naar verwachting een negatief effect op het gebruiksgenot en de waarde van de woning van reclamanten. Dit aspect is onvoldoende betrokken in de ruimtelijke afweging.
Beleidskader gemeente Renkum
Het ontwerpplan sluit onvoldoende aan bij gemeentelijke beleidsuitgangspunten, waaronder de Omgevingsvisie en het woonbeleid, waarin het beschermen van woonkwaliteit en het toepassen van maatwerk bij functiemenging centraal staan.
Evenwichtige toedeling van functies
Het ontwerpplan bevat geen locatie-specifieke motivering waaruit blijkt dat bij directe aanwoning sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zoals vereist onder de Omgevingswet. De bescherming van het woon- en leefklimaat wordt ten onrechte doorgeschoven naar toekomstige vergunningprocedures.
Uit vaste rechtspraak volgt dat het bevoegd gezag de beoordeling of een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd niet mag doorschuiven naar de vergunningsfase, indien het om een wezenlijke planologische keuze gaat. Juist bij directe functiemenging dient deze afweging in het omgevingsplan zelf plaats te vinden.
Onder de Omgevingswet geldt dat naarmate functies dichter bij elkaar worden toegelaten, hogere eisen worden gesteld aan de motivering van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het ontbreken van een locaties-specifieke afweging bij directe aanwoning is daarmee niet verenigbaar.
Verzoek
Reclamanten verzoeken de gemeente het ontwerpplan aan te passen door voor de percelen, die direct aan woonpercelen grenzen, aanvullende voorwaarden op te nemen, zoals:
reactie:
Naar aanleiding van de zienswijze hebben er gesprekken plaatsgevonden met de gemeente maar ook gezamenlijke gesprekken met alle indieners van een zienswijze (begin 2026). Daarin zijn de zienswijzen besproken maar ook alle wensen en bedenkingen van alle partijen over de toekomstige (planologische) situatie. Daarbij zijn ook aanvullende opmerkingen gemaakt en soms in de zienswijzen gemaakte opmerkingen genuanceerd.
Concreet ging het om de wens voor bedrijfsverplaatsing van het bedrijf aan de Industrieweg 29-33. Zowel het bedrijf als omwonenden (dus alle indieners van een zienswijze) wilden deze bedrijfsverplaatsing mogelijk maken en daarvoor 'water bij de wijn' doen om dat financieel en planologisch mogelijk te maken. Daarbij was ook de wens en intentie om zekerheid in te bouwen over het daarvoor in de plaats terug laten komen van minder milieuhinderlijke bedrijvigheid, in de vorm van twee nieuwe bedrijfsverzamelgebouwen. Afgesproken is om twee nieuwe bedrijfsverzamelgebouwen mogelijk te maken. Daarvoor is het bouwvlak vergroot in o.a. de noordoostelijke gebied van Industrieweg 29-33, richting de woonpercelen van Hogenkampseweg. Daarbij is afgesproken dat dat bouwvlak wel om minimaal circa 10 meter van die perceelgrens moet komen te liggen. Ook is het bouwvlak aan de westzijde iets vergroot. Daarvoor in de plaats is de maximale bouwhoogte van de muur ter plaatse van het geluidscherm langs de percelen aan de Hogenkampseweg verlaagd van 4 naar 3,2 meter (dat is de hoogte van de muur zoals dat tot een jaar geleden ook was. Deze is een jaar geleden verhoogd tot 4 meter, zoals dat ook in het geldende bestemmingsplan was toegestaan). Nu wordt die maximale bouwhoogte dus planologisch verlaagd.
Ook is de maximaal toegestane goothoogte van 9 meter en de maximale bouwhoogte van 12 meter ter plaatse van het bestaande hoge bedrijfsgebouw bij Industrieweg 33 (perceel 3993) verlaagd naar 7 meter. Dit omdat met de komst van een bedrijfsverzamelgebouw een dergelijke hoog gebouw ook niet meer nodig is. Om te voorkomen dat buiten het aan de bouwvlak aan de oostzijde en dus tegen de perceelgrenzen met de woningen aan de Hogenkampseweg aan (hinderlijke) bedrijfsactiviteiten kunnen plaatsvinden is nu in de regels opgenomen dat daar geen bedrijfsmatige activiteiten mogen plaatsvinden. Uitsluitend verkeer en parkeren. Alle partijen waren het daarover eens.
De milieucategorie van het perceel van Industrieweg 29-33 was in het ontwerp-TAM-omgevingsplan al verlaagd van 3.1 naar 2. Met het maken van de aanvullende afspraken is dat zo gebleven in het vast te stellen TAM-omgevingsplan. Dergelijke bedrijven veroorzaken beperkte hinder en zijn en waren op deze afstand al toegestaan. Met het realiseren van kleine bedrijfsverzamelunits wordt de mogelijkheid tot grotere bedrijvigheid nog verder kleiner. Aanvullende regels over afstand en afschermingsmaategelen zijn verder niet nodig en mogelijk (om op te nemen in een TAM-omgevingsplan). Regels over tijdsbeperkingen, laad- en lostijden en werktijden in weekenden kunnen niet in een TAM-omgevingsplan worden opgenomen. Anderzijds is er door de gemaakte afspraken en de doorgevoerde wijzigingen wel veel geregeld over het verminderen van potentieel milieuhinderlijke bedrijven.
Daarmee leidt de zienswijze (in)direct tot (grotendeels) de gevraagde aanpassingen van het TAM-omgevingsplan.
conclusie:
De zienswijze leidt samen met ambtshalve wijzigingen en wijzigingen naar aanleiding van gevoerde gezamenlijke gesprekken met alle indieners van een zienswijze (van begin 2026) tot aanpassingen. Het gaat dan om, samengevat:
- bouwhoogte geluidscherm / muur bij de aanduiding verlagen van 4 meter naar 3,2 meter conform de ooit verleende vergunning en tot een jaar geleden bestaande situatie.
- buiten het bouwvlak (in het oosten nabij de perceelgrens met de woningen aan de Hogenkampseweg) wordt het verboden in de regels om bedrijfsmatige activiteiten te verrichten en bedrijfsopslag te laten plaatsvinden. Hier zijn alleen verkeer en parkeren toegestaan.
Bij paragraaf 5.5 Ambtshalve wijzigingen zijn alle wijzigingen, waaronder naar aanleiding van deze zienswijze, (uitgebreider) beschreven.
| Hogenkampseweg 168 in Renkum | |
| Ontvangst zienswijze: | 23 januari 2026 |
| Inboeknummer: | 2026-001297 |
samenvatting:
Deze zienswijze is gelijk aan de zienswijze genoemd in paragraaf 5.3.2 zienswijze 1. Hier wordt dan ook naar verwezen.
reactie:
Voor de reactie op deze zienswijze wordt verwezen naar de gegeven reactie op de zienswijze genoemd in paragraaf 5.3.2 zienswijze 1.
conclusie:
De zienswijze leidt tot de bij paragraaf 5.3.2 zienswijze 1 en uitgebreider bij paragraaf 5.5 Ambtshalve wijzigingen genoemde aanpassing van het bestemmingsplan.
| Hogenkampseweg 170 in Renkum | |
| Ontvangst zienswijze: | 23 januari 2026 |
| Inboeknummer: | 2026-001294 |
samenvatting:
Deze zienswijze is gelijk aan de zienswijze genoemd in paragraaf 5.3.2 zienswijze 1. Hier wordt dan ook naar verwezen.
reactie:
Voor de reactie op deze zienswijze wordt verwezen naar de gegeven reactie op de zienswijze genoemd in paragraaf 5.3.2 zienswijze 1.
conclusie:
De zienswijze leidt tot de bij paragraaf 5.3.2 zienswijze 1 en uitgebreider bij paragraaf 5.5 Ambtshalve wijzigingen genoemde aanpassing van het bestemmingsplan.
| Hogenkampseweg 174 in Renkum | |
| Ontvangst zienswijze: | 23 januari 2026 |
| Inboeknummer: | 2026-001295 |
samenvatting:
Deze zienswijze is gelijk aan de zienswijze genoemd in paragraaf 5.3.2 zienswijze 1. Hier wordt dan ook naar verwezen.
reactie:
Voor de reactie op deze zienswijze wordt verwezen naar de gegeven reactie op de zienswijze genoemd in paragraaf 5.3.2 zienswijze 1.
conclusie:
De zienswijze leidt tot de bij paragraaf 5.3.2 zienswijze 1 en uitgebreider bij paragraaf 5.5 Ambtshalve wijzigingen genoemde aanpassing van het bestemmingsplan.
| Hogenkampseweg 174 in Renkum | |
| Ontvangst zienswijze: | 23 januari 2026 |
| Inboeknummer: | 2026-0012 |
samenvatting:
Deze zienswijze is gelijk aan de zienswijze genoemd in paragraaf 5.3.2 zienswijze 1. Hier wordt dan ook naar verwezen.
reactie:
Voor de reactie op deze zienswijze wordt verwezen naar de gegeven reactie op de zienswijze genoemd in paragraaf 5.3.2 zienswijze 1.
conclusie:
De zienswijze leidt tot de bij paragraaf 5.3.2 zienswijze 1 en uitgebreider bij paragraaf 5.5 Ambtshalve wijzigingen genoemde aanpassing van het bestemmingsplan.
| Hogenkampseweg 176 in Renkum | |
| Ontvangst zienswijze: | 23 januari 2026 |
| Inboeknummer: | 2026-001296 |
samenvatting:
Deze zienswijze is gelijk aan de zienswijze genoemd in paragraaf 5.3.2 zienswijze 1. Hier wordt dan ook naar verwezen.
reactie:
Voor de reactie op deze zienswijze wordt verwezen naar de gegeven reactie op de zienswijze genoemd in paragraaf 5.3.2 zienswijze 1.
conclusie:
De zienswijze leidt tot de bij paragraaf 5.3.2 zienswijze 1 en uitgebreider bij paragraaf 5.5 Ambtshalve wijzigingen genoemde aanpassing van het bestemmingsplan.
| Hogenkampseweg 176A in Renkum | |
| Ontvangst zienswijze: | 23 januari 2026 |
| Inboeknummer: | 2026-001298 |
samenvatting:
Deze zienswijze is gelijk aan de zienswijze genoemd in paragraaf 5.3.2 zienswijze 1. Hier wordt dan ook naar verwezen.
reactie:
Voor de reactie op deze zienswijze wordt verwezen naar de gegeven reactie op de zienswijze genoemd in paragraaf 5.3.2 zienswijze 1.
conclusie:
De zienswijze leidt tot de bij paragraaf 5.3.2 zienswijze 1 en uitgebreider bij paragraaf 5.5 Ambtshalve wijzigingen genoemde aanpassing van het bestemmingsplan.
| Industrieweg 29-33 in Renkum | |
| Ontvangst zienswijze: | 29 januari 2026 |
| Inboeknummer: | 2026-001661 |
samenvatting:
Binnen het huidige bestemmingsplan mogen er voor een groot deel van het perceel bedrijven worden gevestigd tot en met milieucategorie 3.1. Ook mag de goothoogte nu 9 meter bedragen en de bouwhoogte 12,0 meter binnen een groot deel van het bouwvlak. Er mag specifiek een afval - en containerbedrijf worden gevestigd. Verder mag de omliggende grond worden gebruikt voor buitenopslag.
In het nieuwe TAM-omgevingsplan is aangegeven dat de milieucategorie voor het gehele perceel wordt teruggebracht tot categorie 2. Verder wordt het deel van het bouwvlak wat 12,0 meter hoog mag zijn teruggebracht naar 7,0 meter wat een beperking wordt voor de toekomstige bedrijfsvoering.
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken als bedoeld in lid 8.2.1 wordt in het nieuwe TAM-omgevingsplan in elk geval gerekend het:
Door bovenstaande worden er regels opgelegd voor het gebruik van de onbebouwde gronden waardoor er een beperking ontstaat voor de bedrijfsvoering met de nodige financiële consequenties welk hard nodig zijn om bedrijfsverplaatsing mogelijk te maken.
Op basis van de bovenstaande argumenten heeft reclamant bezwaar tegen het ontwerp-bestemmingsplan / -TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f -Industrieweg-oost 2026.
Naar aanleiding van het voorgaande verzoekt reclamant de gemeente met inachtneming van zijn zienswijze het ontwerp bestemmingsplan niet vast te stellen / gewijzigd vast te stellen, namelijk door het bouwblok aan te passen naar het plan met projectnummer 25-155 met datum 22-01-2026. Hiervoor zal reclamant dan de bouwhoogte van 12,0 meter laten vervallen. Ook de milieucategorie van 3.1 kan dan naar 2 voor het gehele perceel.
Verder ziet reclamant graag een schriftelijke bevestiging dat na de vaststelling het bestaande gebruik en de huidige vergunningen gerespecteerd zullen worden.
reactie:
Naar aanleiding van de zienswijze hebben er gesprekken plaatsgevonden met de gemeente maar ook gezamenlijke gesprekken met alle indieners van een zienswijze. Daarin zijn de zienswijzen besproken maar ook alle wensen en bedenkingen van alle partijen over de toekomstige (planologische) situatie. Daarbij zijn ook aanvullende opmerkingen gemaakt en soms in de zienswijzen gemaakte opmerkingen genuanceerd.
Concreet ging het om de wens voor bedrijfsverplaatsing van het bedrijf aan de Industrieweg 29-33. Zowel het bedrijf als omwonenden (dus alle indieners van een zienswijze) wilden deze bedrijfsverplaatsing mogelijk maken en daarvoor 'water bij de wijn' doen om dat financieel en planologisch mogelijk te maken. Daarbij was ook de wens en intentie om zekerheid in te bouwen over het daarvoor in de plaats terug laten komen van minder milieuhinderlijke bedrijvigheid, in de vorm van twee nieuwe bedrijfsverzamelgebouwen. Afgesproken is om twee nieuwe bedrijfsverzamelgebouwen mogelijk te maken. Daarvoor is het bouwvlak vergroot in o.a. de noodoostelijke gebied van Industrieweg 29-33, richting de woonpercelen van Hogenkampseweg. Daarbij is afgesproken dat dat bouwvlak wel om minimaal circa 10 meter van die perceelgrens moet komen te liggen. Ook is het bouwvlak aan de westzijde iets vergroot. Daarvoor in de plaats is de maximale bouwhoogte van de muur ter plaatse van het geluidscherm langs de percelen aan de Hogenkampseweg verlaagd van 4 naar 3,2 meter. Ook is daarvoor de maximaal toegestane goothoogte van 9 meter en de maximale bouwhoogte van 12 meter ter plaatse van het bestaande hoge bedrijfsgebouw bij Industrieweg 33 (perceel 3993) verlaagd naar 7 meter. Dit omdat met de komst van een bedrijfsverzamelgebouw een dergelijke hoog gebouw ook niet meer nodig is. De milieucategorie van het perceel was op verzoek van reclamant, opgenomen ten gunste van en als geste voor de woningen aan de Hogenkampseweg, in het ontwerp-TAM-omgevingsplan al verlaagd van 3.1 naar 2. Met het maken van de aanvullende afspraken is dat zo gebleven in het vast te stellen TAM-omgevingsplan.
Daarmee leidt de zienswijze (in)direct tot de gevraagde aanpassingen van het TAM-omgevingsplan.
conclusie:
De zienswijze leidt samen met ambtshalve wijzigingen en wijzigingen naar aanleiding van gevoerde gezamenlijke gesprekken met alle indieners van een zienswijze (van begin 2026) tot aanpassingen. Het gaat dan om, samengevat:
- verlaging van de maximale bouwhoogte van 12 naar 7 meter;
- het vergroten / aanpassen van het bouwvlak aan de noordoostzijde en aan de westzijde.
Bij paragraaf 5.5 Ambtshalve wijzigingen zijn alle wijzigingen, waaronder naar aanleiding van deze zienswijze, (uitgebreider) beschreven.
Mede naar aanleiding van de zienswijzen en de daarna gevoerde gezamenlijke gesprekken met de eigenaar van Industrieweg 29-33 en de andere indieners van een zienswijze zijn wijzingen doorgevoerd. Deze zijn veelal in samenspraak met alle indieners van een zienswijze doorgevoerd samen met ambtshalve wijzigingen. Daarom zijn alle wijzigingen beschreven bij paragraaf 5.5 Ambtshalve wijzigingen.
De zienswijzen leiden samen met ambtshalve wijzigingen tot de volgende aanpassingen in het vast te stellen TAM-omgevingsplan:
Afbeelding: schematische weergave van wijzigingen in de verbeelding van TAM-omgevingsplan ten opzichte van het ontwerp-TAM-omgevingsplan.
In het kader van de Omgevingswet wordt gestreefd naar een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn enkele algemene doelen geformuleerd in artikel 1.3 Omgevingswet. Hierin staat dat de bepalingen in de wet gericht zijn op het volgende:
In voorliggende motivering is het plan toegelicht om enkele wijzigingen op het bedrijventerrein aan de Industrieweg in Renkum planologisch vast te leggen. Voor het hele besluitgebied wordt de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – afval-en containerbedrijf' wordt verwijderd.
Verder gaat het in deze motivering om specifieke wijzigingen voorzien op de percelen met de aanduiding Gemeente Renkum, sectie B, perceelnummers 3609 en 3992. Voor perceel 3609 (energieweg 1) gaat het om de volgende wijziging, confrom in 2025 verleende omgevingsvergunning:
Op perceel 3992 (Bennekomseweg 120) gaat het om de volgende wijzigingen, conform bestaande gebruik en eerder verleende omgevingsvergunning:
Verder gaat het om de wijzigingen die vermeld zijn bij paragraaf 5.5 Ambtshalve wijzigingen
In voorliggend Omgevingsplan is het voornemen getoetst aan uiteenlopende aspecten en thema's van de fysieke leefomgeving. Het voorliggend plan is niet in strijd met het landelijk, provinciaal en gemeentelijk beleid. Daarnaast gaat landschappelijke waarden niet verloren. Het plan voldoet aan de wettelijke kaders van de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. De wijzigingen zullen de omliggende functies niet belemmeren en daarnaast vormen de omliggende functies geen belemmeringen voor de nieuwe ontwikkeling. Mede als gevolg van een zorgvuldige inpassing in de verdere omgeving is er sprake van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit.
Op basis van voorgaande kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de toekomstige situatie zal sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en wordt beantwoord aan een maatschappelijke behoefte.