| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d 'Gemeentewerf, Veentjesbrug 2026' |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0274.TAM004rh-va02 |
Aan de noordzijde van de Veentjesbrug (Veentjesbrug 6) te Heelsum bevindt zich de gemeentewerf van de gemeente Renkum. De gemeentewerf komt uit de jaren '80 van de vorige eeuw en voldoet niet meer aan de huidige eisen en wensen voor een gemeentewerf. Het voornemen bestaat om aan de zuidzijde van de Veentjesbrug (Veentjesbrug 1 en 3-3a (deels)) een nieuwe gemeentewerf te realiseren. De gemeentewerf zal bestaan uit een gebouw met ruimte voor onder andere een kantine, kantoorruimten, werkplaatsen en opslag van materieel. Het gebouw zal bestaan uit maximaal twee bouwlagen met een vlak hellend dak. Het terrein voorziet verder in voldoende parkeerruimte, een tasveld en de benodigde in- en uitritten. De zuidzijde van het perceel krijgt de groenfunctie, omdat deze tevens dienst doet als entree van het dorp. Rondom de parkeerplaatsen aan de zuidzijde zal een houtwal worden gerealiseerd, zodat deze aan het zicht worden onttrokken. Dit groene gedeelte zal tevens worden voorzien van een wadi om zo aan de gevraagde waterberging te kunnen voldoen.
De ontwikkeling past niet binnen de juridisch-planologische kaders die ter plaatse gelden op grond van het tijdelijk omgevingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken moet het (tijdelijke) omgevingsplan gewijzigd worden. Het voorliggend document voorziet in de motivering behorende bij de wijziging van het omgevingsplan.
Het besluitgebied is gelegen ten oosten van de kern van Heelsum, onderdeel van de gemeente Renkum in de Provincie Gelderland. Het besluitgebied bestaat uit meerdere percelen aan de oostzijde van de openbare weg Veentjesbrug. Het gaat om de percelen: Doorwerth, sectie B, 423 (grotendeels), 452, 487 (grotendeels), 521, 588 (deels) en 604 (grotendeels) en 605 (deels). De gezamenlijke oppervlakte van de gronden bedraagt ongeveer 8.410 m². De locatie is gelegen ten westen van de A50. Aan de noordzijde grenst de locatie aan het perceel van de Veentjesbrug 3 met daarachter op het adres Veentjesbrug 5 de Stichting Cardiologie Heelsum. Aan de zuidzijde is de openbare weg Kabeljauw gelegen. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het besluitgebied weergegeven.
Het besluitgebied globaal rood omcirkeld (Bron: PDOK Viewer).
Globale begrenzing besluitgebied rood omlijnd (Bron: PDOK Viewer).
De voorliggende motivering is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie in het besluitgebied, waarbij zowel de ruimtelijke, juridisch-planologische, als functionele aspecten aan de orde komen. Vervolgens wordt kort ingegaan op de nieuwe ontwikkeling en de strijdigheden met het (tijdelijke) omgevingsplan. Het derde hoofdstuk gaat in op de relevante geldende beleidskaders die van invloed zijn op de ontwikkeling. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in hoeverre de ontwikkeling gevolgen heeft op de fysieke leefomgeving. In het vijfde hoofdstuk wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid van de ontwikkeling en de participatie en het overleg dat heeft plaatsgevonden. Tot slot bevat het laatste hoofdstuk een conclusie over hoe de ontwikkeling aansluit op het principe van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De naam Heelsum duikt al in de 11e eeuw op. De geschiedenis van het plaatsje begint met vroege bewoning en de stichting van een kerk in de 15e eeuw. Vanaf circa 1600 werd het Heelsum een bloeiend industrieel centrum dankzij de vele papiermolens aan de Heelsumse Beek, waardoor het landschap zelfs werd aangepast. Na de piek in de papierproductie, die na 1850 afnam en culmineerde in de herbouw van Schut na een brand in 1895, evolueerde Heelsum. De eeuwwisseling bracht verschillende ontwikkelingen teweeg: begin 1900 ontwikkelde Heelsum zich tot een sereen villadorp, met statige woningen die vooral langs de Utrechtseweg verrezen. In de jaren 20 kwamen daar ook arbeiderswoningen bij. Door de gestage stedelijke groei zijn Heelsum en Renkum door de jaren heen steeds meer in elkaar overgevloeid. De vroegere gemeentelijke opsplitsing verdween in 1923 met de samenvoeging bij Renkum. Tenslotte was Heelsum in september 1944 een belangrijke locatie voor de luchtlandingen tijdens de Slag om Arnhem.
Rond de locatie van het besluitgebied is de grootste verandering in de afgelopen decennia de aanleg van de snelweg te zien. Zoals onderstaande kaart laat zien, lag de locatie reeds aan een doorgaande weg, maar van een snelweg was hier nog geen sprake. Pas in de jaren '70 is deze ontwikkeling tot stand gekomen. In de jaren '80 van de vorige eeuw zijn ten noorden van het besluitgebied de gemeentewerf en een afval brengstationgerealiseerd.
Het gebied rond het besluitgebied (gele stip) voor (links, 1967) en na (rechts, 1972) de aanleg van de snelweg (bron: Atlasleefomgeving).
Het besluitgebied maakt onderdeel uit van de percelen aan de zuidzijde van de Veentjesbrug te Heelsum. In de huidige situatie bevindt zich hier een woning met bijgebouwen, een caravanstalling en een klein weiland. Het gebied wordt ontsloten via de rotonde van de N782, en de Bennekomseweg. De openbare weg waar het besluitgebied aan ligt, de Veentjesbrug, is doodlopend.
Voorliggend besluitgebied maakt onderdeel uit van de percelen Doorwerth, sectie B, 423 (grotendeels), 452, 487 (grotendeels), 521, 588 (deels) en 604 (grotendeels) en 605 (deels). Voor sectie 487 geldt momenteel de groenbestemming, slechts een deel van deze gronden zullen onderdeel zijn van voorliggend plan en herontwikkeld worden. Navolgend bovenaanzicht geeft een impressie van de huidige situatie in het besluitgebied.
Luchtfoto van de huidige situatie met daarop het besluitgebied globaal rood omlijnd (bron: PDOK Viewer).
Ten noordwesten van het besluitgebied, aan de overzijde van de Veentjesbrug, bevindt zich de huidige gemeentewerf. Ten oosten en zuidoosten loopt de snelweg (A50). Op de gronden van het beoogde besluitgebied staat een woning met bijbehorende schuur. Verder is het gebied grotendeels onbebouwd. Navolgende afbeelding geeft een indruk van de bebouwing in het gebied.
Huidige situatie besluitgebied, gezien vanaf de Veentjesbrug (Bron: Breur Ecologie & Onderzoek, 2024)
Ter plaatse van het besluitgebied geldt het 'Veentjesbrug' (vastgesteld op 29 juli 1997) dat is opgenomen in het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Renkum. Op grond van dit bestemmingsplan kent het besluitgebied de enkelbestemming 'Bedrijvendoeleinden' met de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie I'; 'bedrijf tot en met categorie II'; 'bedrijf tot en met categorie III.1'; 'bedrijf tot en met categorie III.2'. Tevens kent het gebied de bestemming 'groensingel' (rondom de bedrijfsdoeleinden) en de bestemming 'agrarisch gebied II'. Verder zijn er twee aangewezen zones, een 'zone ten behoeve van ontsluitingsweg' en een 'zone ten behoeve van gastransportleiding. Navolgende plankaart betreft een verbeelding van het vigerende bestemmingsplan in het besluitgebied.
Uitsnede van het bestemmingsplan 'Veentjesbrug' ter plaatse van het besluitgebied en omgeving (bron: Ruimtelijkeplannen.nl).
Naast het bestemmingsplan 'Veentjesbrug', ligt er sinds december 2023 een nieuw bestemmingsplan als ontwerp ter inzage. Dit betreft het plan 'Buitengebied en drie centrale dorpen 2024' en is nog niet vastgesteld. Ter plaatse gelden ook de bestemmingsplannen 'Parapluherziening parkeren 2024' en 'Veentjesbrug en partiële wijziging 1998-1'. Deze bestemmingsplannen worden navolgend besproken.
Ontwerpbestemmingsplan 'Buitengebied en drie centrale dorpen 2024'
Op 27 december 2023 is een ontwerpversie van het bestemmingsplan 'Buitengebied en drie centrale dorpen 2024' gepubliceerd. Dit plan is nog niet vastgesteld en heeft daarom nog geen juridische draagkracht. Op dit moment is ook niet duidelijk en/of wanneer dit bestemmingsplan zal worden vastgesteld. Voor voorliggend besluitgebied is er wel sprake van enkele wijzigingen ten opzichte van 'Veentjesbrug en partiële wijziging 1998-1'. Van enkele bouwvlakken ter plaatse is de categorie van de functieaanduiding gewijzigd. Voorliggend besluitgebied bevindt zich volgens het ontwerpbestemmingsplan op een bedrijventerrein met de functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2'. Verder kent gebied op basis van dit plan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachting'.
Bedrijventerrein met functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2'
Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor de bedrijfsfunctie. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' zijn (dienstverlenende) bedrijven toegestaan van categorie 1 en categorie 2 zoals opgenomen in de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten'. Hieronder vallen onder meer tuinbouwbedrijven, kleine broodfabrieken en uitgeverijen, binderijen en kleine drukkerijen. Bij al deze bedrijven geldt dat geluidzoneringsplichtige bedrijven en inrichtingen niet zijn toegestaan.
Uitsnede van het bestemmingsplan 'Buitengebied en drie centrale dorpen 2024' (ontwerp) met daarop het besluitgebied globaal rood omlijnd (bron: Ruimtelijkeplannen.nl).
Waarde - archeologie hoge verwachting
Met deze dubbelbestemming zijn ter plaatse ook eventueel aanwezige archeologische waarden beschermd en wordt bij bodemingrepen van meer dan 200 m2 en dieper dan 30 centimeter onder maaiveld een archeologisch onderzoek gevraagd.
Veentjesbrug en partiële wijziging 1998-1
De 'Partiële herziening 1998-1, Voorschriften bestemmingsplan Veentjesbrug" is een kleine wijziging van de voorschriften van het bestemmingsplan 'Veentjesbrug', vastgesteld op 27 januari 1999. Het bestemmingsplan is van toepassing op een bedrijventerrein met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen. De partiële herziening 1998-1 richtte zich specifiek op het actualiseren en optimaliseren van de planologische situatie op dit bedrijventerrein, inclusief een zeer beperkte uitbreiding van de bestemming bedrijventerrein.
Parapluherziening parkeren 2024
In Renkum is alleen in de recent vastgestelde bestemmingsplannen (vanaf circa 30 september 2015) een parkeerregeling opgenomen. Het gaat hierbij om bestemmingsplannen voor diverse nieuwe ontwikkelingen en beheerbestemmingspannen waaronder 'Oosterbeek-Zuid 2016' en 'Wolfheze 2017'. In deze recente bestemmingsplannen wordt verwezen naar het Renkumse parkeerbeleid, zoals opgenomen in de Parkeernota 2014-2020. Ook in de overige en oudere bestemmingsplannen moet een parkeerregeling worden opgenomen. Anders kan bij aanvragen om een omgevingsvergunning gebaseerd op deze oudere bestemmingsplannen geen parkeertoets meer plaatsvinden. Daarom is op 27 maart 2024 de 'Parapluherziening Parkeren 2024' vastgesteld.
Dit bestemmingsplan voorziet in een parkeerregeling voor de oudere bestemmingsplannen in de gemeente die nog geen parkeerregeling kennen. Het bestemmingsplan 'Parapluherziening parkeren 2024' voegt aan die bestemmingsplannen een parkeerregeling toe die regelt dat op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid moet zijn.
Nieuw TAM-omgevingsplan
Op basis van het huidige geldende bestemmingsplan ('Bedrijfsdoeleinden') het ontwerpbestemmingsplan is de ontwikkeling niet (geheel) mogelijk. Dit vanwege de toegestande bedrijfscategorieen, bouwgrenzen en grenzen van die bestemming(en). Ook binnen de bestemming 'Bedrijventerrein', 'bedrijf tot en met categorie 2' uit het ontwerpbestemmingsplan is de realisatie van een gemeentewerf niet (geheel) toegestaan. Het voornemen bestaat om ter plaatse een gebouw en gebruik als gemeentewerf te realiseren. Vaak wordt dit gekwalificeert als een functie 'bedrijf tot en met categorie 3.1', eigenlijk alleen als dit in combinatie is met een afval-inzameldepot. De gemeentewerf zelf heeft echter geen afval-inzameldepot, waardoor de bedrijfscategorie lager zal uitvallen, richting categorie 2. Om dit goed te regelen en discussie te voorkomen is het voornemen in het nieuwe TAM-omgevingsplan naast 'bedrijf tot en met categorie 2' een specifieke aanduiding op te nemen, te weten 'specifieke vorm van bedrijf - gemeentewerf'. Hierbinnen is een gemeentewerf met of zonder gronddepot (niet zijnde een afvalverwerkingsbedrijf en/of een vuiloverslagstation) toegestaan.
Daarnaast bestaat het voornemen een deel van het naastgelegen perceel met de agrarische bestemming (of: groenbestemming in het ontwerpbestemmingsplan) ook in te zetten als onderdeel van de nieuwe gemeentewerf. Hierbij wordt een strook aangeduid met de aanduiding 'parkeerterrein' wat inhoudt dat daar alleen geparkeerd mag worden ten behoeve van de bedrijfsactiviteit (dus geen bedrijfsmatige activiteiten alhier). Het parkeerterrein wordt met groen / houtsingel visueel afgeschermd. In de bestemming 'Groen'' wordt een wadi voorschreven met een bepaalde opvang- infiltratiecapaciteit die te maken heeft met de nieuwe gemeentewerf. Buiten de aanduiding 'parkeerterrein' is ene bouwvlak opgenomen met ene maximale bouwhoogte van 8,5 meter. Van het bouwvlak mag 70% bebouwd worden met gebouwen (dat was ook zo in het ontwerp-plan opgenomen). Maar omdat 70% van dat bouwvlak (wat niet zo eenvoudig te meten is) lastig uit te rekenen is, is nu de oppervlakte van het bouwvlak uitgerekend (te weten: 6.483 m²), waarbij ook uitgerekend is wat dan 70% daarvan is, namelijk 4.538 m². Daarom is in het bouwvlak opgenomen daarbinnen maximaal 4.538 m² aan gebouwen bebouwd mag worden.
Dit maakt dat het realiseren van de beoogde gemeentewerf niet is toegestaan op basis van de opgenomen regels in het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Renkum. Om de ontwikkeling alsnog mogelijk te maken is het voorliggende TAM-omgevingplan als wijziging van het omgevingsplan opgesteld.
Verbeelding TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d 'Gemeentewerf, Veentjesbrug 2026'
Het voornemen bestaat om aan de zuidzijde van de Veentjesbrug een nieuwe gemeentewerf te realiseren. Dit omvat enkele percelen ten zuiden van de huidige gemeentewerf. De huidige, leegstaande woningen en bijbehorende bebouwing zullen hiertoe gesloopt worden. De nieuwe gemeentewerf zal bereikbaar zijn via de Veentjesbrug. Onderdeel van de ontwikkeling is ook de realisering van parkeerplekken en een gebouw voor personeelsvoorzieningen en opslag.
De beoogde bebouwing in de toekomstige situatie betreft de nieuwbouw van een twee bouwlagen tellend kantoorgebouw, een enkellaags remise en een buitenberging. Er wordt gekozen voor ingetogen kleuren voor een rustige sfeer. Het kantoorgedeelte in twee bouwlagen krijgt een duidelijke plint, die van een robuust en solide materialisering is. De uitstraling zal zoveel mogelijk natuurlijk zijn, waarbij gebruik wordt gemaakt van houten spanten en balken en stalen funderingen. In het kantoorgebouw zelf in ruimte voor een kantine voor medewerkers van de gemeentewerf, kantoorplekken, overlegruimten, kleedruimten en opslag. Het beoogde kantoorgebouw heeft in de huidige schetsen een bouwhoogte van circa 8,2 meter en een goothoogte van circa 5,5 meter. Verder kent het beoogde kantoorgebouw in de huidige schetsen een oppervlakte van circa 650 m2 , de remise een oppervlakte van circa 1.520 m2 en de terreinopstallen gezamenlijk circa 620 m2.
Onderdeel van de ontwikkeling is de herinrichting van de kavel. Het streven is hierbij om de groene entree tot de kern Heelsum te behouden en waar mogelijk te versterken. Hiertoe worden de bestaande bomen zoveel mogelijk behouden en wordt een houtwal gerealiseerd als bufferzone tussen het weiland en de werf. De houtwal heeft ook tot doel om de werf en met name de parkeerplaatsen uit het zicht te onttrekken. Het bebouwd oppervlakte wordt bewust aan de buitenranden van de kavel aangelegd. Hierdoor ontstaat er een compact buitenterrein dat rondom wordt afgeschermd door de bebouwing. Middels een enkele rijbaan is het bedrijfsterrein goed bereikbaar en zorgt voor een snelle doorstroom. De toegang tot het kantoor voor personeel en bezoekers is duidelijk gescheiden van de overige logistieke bewegingen op het terrein zodat er sprake kan zijn van een efficiënte ontsluiting. Bij het kantoordeel is een heldere scheiding gerealiseerd tussen fietsers en auto's. Beide dichtbij de hoofdentree en personeelsingang. Op het werkterrein zetten we een efficiënte routing op van éénrichtingsverkeer voor alle buitenfuncties. Hiermee worden kruisende bewegingen voorkomen en de veiligheid op het terrein vergroot.
Om te voldoen aan de gevraagde waterhuishouding op het terrein wordt het bestaande weilandje aan de zuizijde ingezet als bufferzone voor waterinfiltratie middels een wadi. Hiermee wordt het karakter van een 'nat' weiland nog verder versterkt.
Navolgende situatieschets toont een impressie van de toekomstige situatie.
Ontwerpschets beoogde ontwikkeling, kijkrichting naar het oosten (Bron: bdg architecten).
Ontwerpschets beoogde bebouwing gezien vanaf de zuidwestzijde (Bron: bdg architecten).
Ontwerpschets beoogde bebouwing (vogelvlucht, kijkrichting naar noordoosten). (Bron: bdg architecten).
De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd:
Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven:
Motivering
Voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling van een nieuwe gemeentewerf ten zuiden van de Veentjesbrug te Heelsum. Hierbij is aandacht besteed aan het op een juiste wijze inpassen van de werf in de omgeving en is in het ontwerp rekening gehouden met het karakter van de omgeving als 'entree tot Renkum'. Daarnaast resulteert de ontwikkeling in de toevoeging van extra functies en een prettige en veilige werkplek. Gelet op voorgaande kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een passende en toekomstbestendige invulling van de locatie. De voorliggende ontwikkeling is daarmee in lijn met de doelstellingen van de NOVI.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving is één van de vier AMvB's die invulling geven aan de Omgevingswet.
In het besluit staan:
Motivering
In voorliggende situatie raakt dit plan geen van de nationale belangen die in de instructieregels van het Bkl zijn opgenomen. Een nadere beschouwing van deze instructieregels is daarom niet vereist. In hoofdstuk 4 wordt nader stilgestaan bij verder relevante instructieregels voor voorliggende ontwikkeling.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g Bkl) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de Ladder is vereist.
Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling 'buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied' mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen stedelijk gebied wordt voorzien.
Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling 'buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied' mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen stedelijk gebied wordt voorzien.
Motivering
Het voornemen bestaat om een nieuwe gemeentewerf te realiseren. Relevant is of deze ontwikkeling is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bkl. Bij de beantwoording van deze vraag moet volgens de Afdeling in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met de voorgaande situatie, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte de ontwikkeling maakt in vergelijking met de voorgaande situatie. Gelet op het feit dat de gronden voor het overgrote deel reeds de bedrijfsbestemming kennen in het (ontwerp)bestemmingsplan 'Buitengebied en drie centrale dorpen 2024' wordt geacht dat de ontwikkeling niet hoeft te worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het doorlopen van de Toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt hierom niet noodzakelijk geacht.
Conclusie
Voorliggende ontwikkeling sluit aan bij de beleidsambities en -doelstellingen en de ter plaatse geldende regels vanuit de Rijksoverheid.
Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld.
Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema's:
Motivering
Met betrekking tot de woon- en leefomgeving streeft de provincie naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Uitgangspunt hierbij is dat alle nieuwbouw aardgasloos aangelegd wordt en zoveel mogelijk circulair wordt gebouwd. De beoogde gemeentewerf voldoet hieraan. Zo zal de werf aardgasloos ontwikkeld worden en voldoen aan de meest recente BENG-normen. De werf kan tevens een platform zijn voor de energietransitie door de implementatie van duurzame logistiek en bedrijfsvoering. Deze functies dragen bij aan een dynamische, diverse en duurzame woon- en leefomgeving. Op deze manier wordt voorzien in een duurzame en toekomstbestendige invulling van de locatie. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee in lijn met het gegeven uit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. In april 2026 heeft de nieuwe Omgevingsvisie van de provincie in ontwerp ter inzage gelegen. De verwachting is dat die in het najaar van 2026 zal worden vastgesteld.
De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. In maart 2026 heeft de nieuwe ontwerp-omgevingsverordening ter inzage gelegen. De verwachting is dat die medio oktober 2026 zal worden vastgesteld.
Motivering
Voor voorliggende ontwikkeling wordt een nieuwe gemeentewerf gerealiseerd en zijn enkel bepaalde aspecten uit de provinciale omgevingsverordening hiervoor van toepassing. Deze worden navolgend toegelicht.
Ammoniakbuffergebied
Het besluitgebied bevindt zich binnen een ammoniakbuffergebied, zoals geconstateerd bij raadpleging van de digitale omgevingsverordening. Conform artikel 4.42 van de provinciale verordening zijn ontwikkelingen die een toename van ammoniakemissie veroorzaken hier niet zonder meer toegestaan. De voorliggende ontwikkeling zal geen relevante ammoniakemissie genereren die gevoelige natuurgebieden in de omgeving zou kunnen beïnvloeden. De activiteiten op de werf zijn immers primair gericht op beheer en onderhoud, en niet op bronnen zoals veehouderij. Hiermee voldoet de ontwikkeling aan de voorschriften betreffende het ammoniakbuffergebied.
Beperkingengebied stikstofemissie
De digitale omgevingsverordening wijst uit dat het besluitgebied binnen een beperkingengebied voor stikstofemissie valt. Dit betekent dat de realisatie van een nieuwe gemeentewerf geen significante toename van stikstofdepositie op nabijgelegen stikstofgevoelige natuurgebieden mag veroorzaken. Dit wordt verder toegelicht in de paragraaf 4.13 en het onderzoek naar stikstofdepositie.
Gelderse streek Veluwe
Het besluitgebied is gelegen binnen de Gelderse streek Veluwe. Volgens artikel 2.47 van de provinciale omgevingsverordening geldt hier een kwaliteitsverbeteringsplicht voor de Veluwe. Dit houdt in dat ontwikkelingen binnen dit gebied moeten bijdragen aan het behoud en de versterking van de kernkwaliteiten van de Veluwe, zoals rust, stilte, donkerte, cultuurhistorie, natuur en landschap. De ontwikkeling van een nieuwe gemeentewerf in Heelsum is zodanig vormgegeven dat deze landschappelijk zorgvuldig wordt ingepast, met aandacht voor de ecologische waarden en de visuele kwaliteit van het gebied. Er wordt gestreefd naar een compacte en efficiënte inrichting, met waar mogelijk gebruik van duurzame materialen en landschapseigen beplanting.
Glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied
Uit de digitale omgevingsverordening blijkt dat het besluitgebied binnen een glastuinbouwontwikkelingsgebied valt. Artikel 4.19 van de provinciale verordening verbiedt de vestiging, uitbreiding of herontwikkeling van glastuinbouwbedrijven buiten dergelijke specifiek aangewezen gebieden. De voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van een gemeentewerf, welke geen glastuinbouwactiviteiten omvat.
Intrekgebied
De ligging van het besluitgebied binnen een intrekgebied wordt bevestigd door de digitale omgevingsverordening. Dit impliceert dat de grondwaterwinning voor drinkwater hier van cruciaal belang is en dat grondwaterbedreigende activiteiten niet zonder meer zijn toegestaan, zoals geformuleerd in artikel 4.36 van de provinciale verordening. Met de voorliggende ontwikkeling van een gemeentewerf worden geen activiteiten mogelijk gemaakt die een negatieve invloed hebben op de kwaliteit of kwantiteit van het grondwater in het intrekgebied. Opslag van milieubelastende stoffen zal conform de strengste milieueisen plaatsvinden, in vloeistofdichte voorzieningen en onder strikt toezicht. Bovendien zal regenwater gescheiden worden afgevoerd. Hiermee voldoet de ontwikkeling aan de voorschriften betreffende het intrekgebied.
Nationale landschappen
Het besluitgebied is niet gelegen binnen een Nationaal Landschap, zoals gedefinieerd in de digitale omgevingsverordening. Nationale Landschappen zijn gebieden met uitzonderlijke kwaliteiten waarvoor specifieke beschermingsregimes gelden, conform artikel 2.50 van de provinciale verordening. De ontwikkeling van een nieuwe gemeentewerf in Heelsum bevindt zich buiten deze beschermde categorie en heeft derhalve geen directe impact op de doelstellingen van Nationale Landschappen. De aanleg van de werf is gepland op een locatie die reeds bedrijfsmatig is beïnvloed en niet behoort tot de kernkwaliteiten van dergelijke landschappen.
Verbodsgebied windturbines Veluwe
Uit de digitale omgevingsverordening blijkt dat het besluitgebied binnen het verbodsgebied voor windturbines Veluwe valt, zoals vastgelegd in artikel 4.54 van de provinciale verordening. In dit gebied zijn windturbines niet toegestaan, teneinde de openheid en de landschappelijke en ecologische waarden van de Veluwe te behouden. Met de voorliggende ontwikkeling, een gemeentewerf, zullen geen windturbines worden geplaatst.
Werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland
Het besluitgebied ligt binnen het werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland. Dit betekent dat de ontwikkeling van de gemeentewerf dient te voldoen aan de wet- en regelgeving betreffende faunabeheer en het beschermen van de aanwezige fauna. De voorliggende ontwikkeling zal rekening houden met mogelijke verstoring van wild en de aanwezigheid van beschermde diersoorten. Eventuele ecologische inventarisaties zullen voorafgaand aan de realisatie plaatsvinden, en mitigerende maatregelen zullen worden getroffen indien noodzakelijk, zoals het aanpassen van werkmethoden of het creëren van compenserende leefgebieden. De ontwikkeling zal in overeenstemming zijn met de richtlijnen en plannen van de Faunabeheereenheid Gelderland.
Conclusie
Voorliggende ontwikkeling sluit aan bij de provinciale beleidsambities en doelstellingen en ter plaatse geldende regels.
Op 26 januari 2022 is de Omgevingsvisie Renkum 2040' vastgesteld. De omgevingsvisie heeft betrekking op het hele grondgebied van de gemeente Renkum, dus op alle zes de dorpen en het buitengebied. De omgevingsvisie biedt een vooruitblik op de leefomgeving tot het jaar 2040. Het is een langetermijnvisie op hoofdlijnen voor de ontwikkeling van de leefomgeving. Het biedt een stip aan de horizon voor de ambities en doelstellingen met als doelstelling te komen tot een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
De visie is opgesteld vanuit een integraal perspectief. Dat wil zeggen dat het niet alleen gaat om ruimtelijke vraagstukken en ontwikkelingen. Sociale ontwikkelingen en karakteristieken hebben, evenals economische ontwikkelingen namelijk invloed op de invulling van de leefomgeving. Alles wat je ziet, voelt en ruikt komt terug in deze visie. We verstaan hieronder het geheel van onder andere ruimte, water, bodem, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur, sociale cohesie, sociaal domein en cultureel erfgoed. Deze onderdelen zijn in samenhang bekeken en vertaald naar de leefomgeving en de toekomst. Bijna alle aspecten in de gemeente Renkum zijn immers met elkaar verbonden.
Met het opstellen van de omgevingsvisie geeft de gemeente richting en worden de inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties geïnspireerd en gemotiveerd om een bijdrage te leveren aan de uitvoering van de visie. Met elkaar bereidt de gemeente zich voor op de toekomst van onze gemeente. De omgevingsvisie wordt een dynamisch document die periodiek aangepast wordt om de relevantie ervan ook op lange termijn te behouden. Ontwikkelingen gaan zo snel dat er over sommige onderwerpen nu niet voldoende kennis is of sommige ontwikkelingen nu nog niet (volledig) te voorzien zijn.
Visiekaart gemeentebreed uit 'Omgevingsvisie Renkum 2040'.
Visiekaart Renkum en Heelsum uit 'Omgevingsvisie Renkum 2040'.
Motivering
Het groene karakter van de gemeente Renkum, de nabijheid van grote steden en de goede ligging ten opzichte van verkeerswegen en openbaar vervoer zijn belangrijke kwaliteiten (als uitvalsbasis) voor het wonen in de zes dorpen van de gemeente. Naast deze specifieke kwaliteiten zijn ook andere kwaliteiten voor een goed leefkwaliteit van belang, zoals de directe woonomgeving (de kwaliteit van de woningen, de inrichting en de bruikbaarheid van de openbare ruimte), het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en de toegankelijkheid van functies.
Voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling van een gemeentewerf naast de locatie van de bestaande gemeentewerf. De werf wordt zo goed mogelijk ingepast in de omgeving. Hierdoor blijven de kwaliteiten en kenmerken van de entree naar Renkum behouden en wordt efficiënt gebruik gemaakt van de ruimte.
Daarnaast biedt een nieuwe werf de mogelijkheid om processen duurzamer in te richten. Denk hierbij aan efficiënter energieverbruik door betere isolatie en zonnepanelen en het faciliteren van een modern wagenpark van gemeentelijke (elektrische) voortuigen. Dit sluit direct aan bij de ambitie van Renkum 2040 om de ecologische voetafdruk te verkleinen en te investeren in een duurzame toekomst. Dit maakt dat de gemeentewerf past bij de ambities uit de gemeentelijke omgevingsvisie.
Conclusie
Voorliggende ontwikkeling sluit aan bij de beleidsambities en doelstellingen en de ter plaatse geldende regels vanuit het gemeentelijk beleid.
Algemeen
De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.
Voor plannen en programma's die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.
De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r.. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
Motivering
Voorliggende ontwikkeling bevindt zich op gronden die reeds bestemd zijn voor bedrijfsactiviteiten, nabij de rand van de kern Heelsum en aansluitend op de huidige gemeentewerf. De gemeentewerf betreft een functionele voorziening voor beheer en onderhoud van de openbare ruimte. De verwachte effecten op het milieu, zoals geluid, beperkte verkeersbewegingen en bodemgebruik, zijn plaatselijk en goed beheersbaar. Deze effecten kunnen effectief worden gemitigeerd door toepassing van reguliere voorschriften uit de Omgevingsvergunning en bestemmingsplanregels. Er is geen sprake van activiteiten die cumulatie met andere projecten een significant milieueffect veroorzaken, noch worden kwetsbare natuurgebieden of waterwingebieden direct en substantieel beïnvloed. Om deze redenen wordt een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk geacht.
Conclusie
Een nadere beoordeling in een m.e.r.-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk.
Algemeen
Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
Motivering
Ter plaatse van het besluitgebied is reeds eerder vastgesteld dat er sprake is van bodemverontreiniging. In januari 2012 heeft daarom een bodemsanering plaatsgevonden. In het kader van voorliggend plan is de bodem verder onderzocht. Er is een vooronderzoek bodem1 uitgevoerd en zijn verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd conform NEN 5740 en NEN 5707 ter plaatse van de Veentjesbrug 12, Veentjesbrug 33, Veentjesbrug 44 en Veentjesbrug 65. Uit de onderzoeksresultaten van de boringen in het besluitgebied volgt dat de bodem tot 0,5 à 2 meter onder het maaiveld uit matig fijn, zwak tot matig siltig, zwak tot sterk humeus, zwak grindig zand bestaat. Daaronder is het zand tot de maximaal onderzochte diepte van 4,3 meter onder het maailveld humusarm, matig fijn (lokaal zeer fijn) tot matig grof, zwak tot matig siltig en plaatselijk matig grindig.
Uit de onderzoeksresultaten volgt verder dat er op drie boringslocaties verontreinigingen zijn aangetroffen. Op éénn boringslocatie is een sterke verontreiniging met koper en zink in de bovengrond aangetoond. Op basis van de huidige gegevens kan niet met voldoende zekerheid gesteld worden dat geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Ter plaatse van twee van de asbestinspectiegaten zijn in de bovengrond verhoogde concentraties asbest aangetroffen. Gezien de ligging van beide meetpunten (onder of nabij een asbesthoudend dak) en het gegeven dat er geen asbesthoudend plaatmateriaal is waargenomen is het aannemelijk dat de aanwezigheid van het asbest te relateren is aan erosie van de asbestdaken.
In een later stadium wordt de bodemkwaliteit nader onderzocht. Dit onderzoek wordt uitgevoerd voordat grondwerkzaamheden mogen plaatsvinden, zodat kan worden vastgesteld of de bodem veilig en geschikt is voor de beoogde functie. Het verplicht uitvoeren van dit onderzoek volgt uit zowel de Arbowet als de Omgevingswet.Omdat dit bodemonderzoek een uitvoeringsaspect betreft, staat het los van de planvorming. Eventuele uitkomsten hebben geen gevolgen voor het voorliggende omgevingsplan: het plan regelt uitsluitend de toegestane functies en laat de verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van het benodigde bodemonderzoek bij de initiatiefnemer in de uitvoeringsfase.
Conclusie
Onder de voorwaarde dat de bodemkwaliteit nader wordt onderzocht voldoet het plan aan de kaders van het aspect bodem.
Algemeen
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds.
Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen
De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen moet altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl).
Geluid door activiteiten
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient – naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen – ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten tezamen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van:
Dit wijzigingsbesluit maakt de realisatie van een geluidveroorzakende functie mogelijk. Beoordeeld moet worden of de nieuwe functies mogelijk geluidhinder veroorzaken op omliggende hindergevoelige gebouwen.
Voorafgaand de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd gewerkt met de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009'. Hierin is een lijst van inrichtingen opgenomen waarbij de inrichtingen op grond van de hinder die zij veroorzaken, zijn opgedeeld in 6 categorieën. Hierbij wordt ervan uit gegaan dat een inrichting uit categorie 1 relatief weinig hinder veroorzaakt en een inrichting uit categorie 6 bijzonder veel hinder veroorzaakt. In de Omgevingswet wordt niet langer gewerkt met de term inrichting en wordt gesproken over milieubelastende activiteiten. Omdat in voorliggende situatie het gemeentebrede omgevingsplan nog niet gereed is en daarmee de bestemmingsplannen nog onderdeel uitmaken van omgevingsplan, is het kader van de VNG-publicatie nog wel relevant. Onder de Omgevingswet worden echter alleen nog de aspecten geluid en geur meegenomen in de afweging evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Motivering
Het voornemen bestaat om een nieuwe gemeentewerf te realiseren aan de Veentjesbrug in Heelsum. Omdat een gemeentewerf niet geldt als hindergevoelige functie en er in de omgeving geen hindergevoelige functies aanwezig zijn waarop de werf impact op zou kunnen hebben, wordt geacht dat een akoestisch onderzoek naar (spoor)wegverkeer niet noodzakelijk is.
Conclusie
Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect geluid.
Algemeen
Trillingen kunnen hinder geven aan personen, gebouwen en activiteiten door golfbewegingen via de bodem. Deze trillingen worden vooral veroorzaakt door weg- en railverkeer en industriële machines. De trillingen die voelbaar zijn, bestaan uit mechanische golvende bewegingen van materialen. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Trillingen nemen af naarmate de afstand tot de bron groter is.
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving.
Motivering
In voorliggende situatie worden geen nieuwe functies en activiteiten mogelijk gemaakt die trillingen veroorzaken. Verder zijn er in de omgeving ook geen activiteiten aanwezig die mogelijk trillingen veroorzaken. Om deze reden is een nadere beschouwing van het aspect trillinghinder niet noodzakelijk geacht.
Conclusie
Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect trillinghinder.
Op basis van de NIBM-tool draagt de toename van verkeer niet-in-betekenende-mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Conclusie
Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect luchtkwaliteit.
Algemeen
Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
Aanvaardbare geurhinder
De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit.
Motivering
In de directe omgeving van het besluitgebied bevinden zich geen geurveroorzakende activiteiten. Wel voorziet de ontwikkeling niet in nieuwe geurveroorzakende activiteiten. Voor milieubelastende activiteiten in de categorie 3.2 geldt een richtafstand tot geurgevoelige functies van minstens 100 meter. Voorliggende ontwikkellocatie bevindt zich langs de snelweg, aan de rand maar buiten de kern van Heelsum. Er wordt aan de richtafstanden voldaan. Nader onderzoek naar geurveroorzakende activiteiten wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Conclusie
Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect geur.
Algemeen
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is.
Groepsrisico
Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken.
Motivering
Met voorliggend plan wordt een nieuwe gemeentewerf gerealiseerd. Met dit plan worden nieuwe beperkt kwetsbare gebouwen en locaties toegevoegd en dient gekeken te worden of dit eventueel van invloed is op nabijgelegen risicovolle activiteiten. Dit is gedaan middels een Quick scan omgevingsveiligheid6. Hieruit volgt dat zich meerdere gasleidingen en 5 risicovolle inrichtingen in de omgeving bevinden. De inrichtingen worden weergegeven in navolgende tabel:
Risicovolle inrichtingen op basis van de risicokaart
| Inrichting | Installatie | Plaatsgebonden risico PR10-6 | Aandachtsgebied | Afstand tot dichtstbijzijnd punt ontwikkellocatie |
| [3] Particulier, Koninginnelaan | Opslagtanks Propaan | n.v.t. | 20 m (brand) 30 m (explosie) |
± 250 meter |
| [4] Biologische boerderij Veld en Beek | Opslagtank propaan/propeen | n.v.t. | 20 m (brand) 30 m (explosie) |
± 1.010 meter |
| [5] Dierenpension De Broekhorst | Opslagtanks onbekende stof | n.v.t. | 20 m (brand) 30 m (explosie) |
± 1.020 meter |
| [6] Gasontvangst-station N347 | Opslag Oxiderend Verstikkend Gas | n.v.t. | Eigen inrichting | ± 1.000 meter |
| [8] Particulier, Renkumseheide | Propaantank | n.v.t. | 20 m (brand) 30 m (explosie) |
± 1.120 meter |
Verder bevinden zich meerdere wegen waarover mogelijk gevaarlijke stoffen worden vervoerd in de omgeving van het besluitgebied.
De ontwikkellocatie bevindt zich niet binnen een PR 10-6-contour of het brand/explosie/gifwolkaandachtsgebied van risicovolle activiteiten, watertrajecten, spoorroutes, luchtvaart en windturbines. De ontwikkellocatie bevindt zich in het brandaandachtsgebied van buisleiding N-568-30 en tevens in het brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied van wegvak G5 en in het explosieaandachtsgebied van de N782. Verder ligt het besluitgebied in het brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied van de A50 en in het explosieaandachtsgebied van de N782 ligt.
Van de nieuwe bebouwing mag verwacht worden dat hier in geschuild kan worden ten aanzien van het gifwolkscenario. Bij brand en explosie zal wel geëvacueerd en gevlucht moeten worden. Er dienen voldoende vluchtwegen, bluswatervoorzieningen en risicocommunicatie aanwezig te zijn. Het aanwijzen van voorschriftengebieden wordt niet noodzakelijk geacht gezien de beperkte personenaanwezigheid en het feit dat er voldoende zelfredzame aanwezigen zullen zijn. Wel dienen er voldoende BHV'ers aanwezig te zijn.
Deze verantwoording dient gelezen te worden in combinatie met de gemeentelijke beleidsdocumenten en besluiten met betrekking tot externe veiligheid en de daarin gemaakte keuzes. De genoemde maatregelen dienen in de omgevingsvergunning te worden geborgd en bevoegd gezag dient het restrisico te accepteren.
Conclusie
Voorliggend plan voldoet aan de kaders voor het aspect omgevingsveiligheid.
Algemeen
Het aspect veiligheid wordt onder de Omgevingswet hoog aangeslagen. Veiligheid maakt deel uit van de centrale doelstellingen van de Omgevingswet (artikel 1.3). Veiligheid is een belangrijk thema omdat het bijdraagt aan de volksgezondheid. Het aspect veiligheid valt uiteen in omgevingsveiligheid, hoogwaterveiligheid, brandveiligheid en constructieve veiligheid. Regels over de verschillende veiligheidsaspecten zijn/worden opgenomen in het omgevingsplan. Gemeenten zijn verplicht de risico's van rampen, crises en branden te adresseren door normen ervoor op te nemen in het omgevingsplan. Er is een zorgplicht voor zowel overheden als initiatiefnemers. De aspecten hoogwaterveiligheid, brandveiligheid en constructieve veiligheid worden daarom in deze paragraaf belicht.
Motivering
Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van een nieuwe gemeentewerf. Bij de realisatie van het nieuwe gebouw worden de benodigde (bouwkundige) eisen rondom brandveiligheid en constructieve veiligheid in acht genomen en nader uitgewerkt in het kader van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit. Verder worden er met deze ontwikkeling geen risicovolle activiteiten mogelijk gemaakt en is er geen sprake van (noemenswaardige) risico's op het gebied van hoogwaterveiligheid. Verder is voor verkeer een verkeersanalyse en ontwerpplan gemaakt die besproken zal worden in paragraaf 4.16. Hieruit volgt dat de realisatie van voorliggend plan minimale impact heeft op de verkeersveiligheid in de omgeving. Geacht wordt dat de veiligheid ter plaatse voldoende aangetoond en geborgd is.
Conclusie
Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect veiligheid.
Algemeen
Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben oorlogshandelingen plaatsgevonden in de gemeente Renkum. Gezien het voorgaande is de kans aanwezig dat er zich binnen het besluitgebied nog ontplofbare oorlogsresten bevinden. Bij de aanlegwerkzaamheden c.q. grondroerende activiteiten is er een risico dat op resten van explosieven wordt gestuit. Dit aspect verdient om die reden nadere aandacht.
Motivering
Op sommige plekken binnen de gemeente Renkum bevinden zich nog (restanten van) conventionele explosieven in de grond. Tijdens grondroerende werkzaamheden (o.a. graven, heien) kunnen die alsnog ontploffen, waardoor dit een risico vormt voor de (arbo)veiligheid. In de huidige situatie zijn de gronden van het besluitgebied reeds in gebruik (geweest) voor woningen en agrarische activiteiten.
In een later stadium wordt onderzocht of in het besluitgebied sprake kan zijn van ontplofbare oorlogsresten. Dit onderzoek wordt uitgevoerd voordat grondwerkzaamheden plaatsvinden, zodat de veiligheid van werknemers en omgeving kan worden gewaarborgd. De verplichting om dergelijke risico’s te inventariseren en, indien nodig, te mitigeren volgt uit de Arbowet en uit de algemene zorgplicht onder de Omgevingswet.
Het onderzoek naar mogelijke ontplofbare oorlogsresten betreft een uitvoeringsaspect. Dit staat los van de planologische afwegingen die ten grondslag liggen aan het voorliggende omgevingsplan. De noodzaak, wijze van uitvoering en eventuele vervolgmaatregelen worden in de uitvoeringsfase bepaald en hebben daarom geen gevolgen voor het voorliggende omgevingsplan. Het plan kan derhalve ongewijzigd worden vastgesteld.
Conclusie
Dit aspect zal in het kader van het aanvragen van de bouwvergunning nader behandeld worden. Daarmee wordt geacht dat het plan, met inachtneming van het voorgaande, voldoet aan de kaders voor het aspect ontplofbare oorlogsresten.
Algemeen
Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3, sub a, Omgevingswet). Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om hier te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent het vaststellen van het wijzigingsbesluit omgevingsplan is meegenomen. Gemeenten kunnen hun gezondheidsambities tevens vastleggen in de omgevingsvisie, een programma en/of omgevingsplan.
Motivering
In voorgaande paragrafen met betrekking tot de diverse milieuaspecten is geconcludeerd dat in het besluitgebied sprake is van een gezonde leefomgeving voor wat betreft gezondheidsbescherming. Een belangrijke aanleiding voor het ontwikkelen van de nieuwe gemeentewerf is het kunnen bieden van een fijnere en veiligere werkplek voor werknemers van de werf. Een prettige werkomgeving voor werknemers kan een bijdrage leveren aan hun welzijn. Op basis van het voorgaande is het aspect gezondheid zowel vanuit gezondheidsbescherming als -bevordering meegewogen in de ontwikkeling.
Conclusie
Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect gezondheid.
Algemeen
Het waterbeleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht.
Rijksbeleid - Nationaal Waterprogramma 2022-2027
Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen.
In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd:
Provinciaal beleid - Regionaal Waterprogramma Gelderland 2021-2027
Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2021 – 2027 Provincie Gelderland is op 26 februari 2019 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2021-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Gelderland.
Het Waterplan is onderverdeeld in drie deelprogramma's:
In het plan zijn deze programma's verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Gelderland.
Waterschapsbeleid – Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Vallei en Veluwe
Op 22 november 2021 is het blauw omgevingsprogramma (BOP) van waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen.
Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende vier programma's:
Motivering
Om de belangen van het watersysteem in de planvorming te borgen en invulling te geven aan een duurzame waterhuishouding is de ontwikkeling via het online vragenformulier getest middels een watertoets7. Uit het resultaat van de watertoets volgt dat voor voorliggend plan de normale procedure gevolgd kan worden.
De relevante aspecten uit de watertoets worden navolgend besproken.
Wateroverlast
Door de ontwikkelingen in het besluitgebied neemt het verhard oppervlak toe. Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden - bergen – afvoeren behandeld. Op deze wijze kan regenbui T=100+10% worden opgevangen in het besluitgebied tot aan maaiveld of op maaiveld geborgen worden zonder dat waterschade optreedt, en vertraagd worden afgevoerd. Bij voorkeur worden natte en laaggelegen gebieden, beekdalen, regionale bergingsgebieden en overstromingsvlaktes niet bebouwd. Het besluitgebied beoogt geen kapitaalintensieve bouwwerken in deze gebieden. Wateroverlast voor het besluitgebied wordt voorkomen door de aanleg van een wadi binnen de groenfunctie. Hiervoor is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels.
Waterkwaliteit
Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden. Om de kwaliteit van het water te waarborgen, wordt een wadi aangelegd.
Riolering en afvalwaterketen
Een toename van het afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de gemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie kunnen de toename van afvalwater van verwerken zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. Het hemelwater wordt niet aangesloten op het rioolstelsel en zal ter plaatse infiltreren/geborgen worden. Tot slot worden in de milieuzone van de RWZI of rioolgemaal geen hindergevoelige functies opgenomen, die het functioneren van de installatie nu of in de toekomst kunnen belemmeren.
Grondwaterbeheer
De ontwikkeling leidt niet tot wijziging van de grondwaterstand. Er wordt niet gebouwd in een gebied met een hoge grondwaterstand of kwel. De bouwwijze is aangepast aan de grondwaterstand en zettingsgevoeligheid van de bodem door ophoging van het maaiveld, kruipruimteloos bouwen, waterdicht bouwen, passende fundering, etc. Om de bestaande grondwaterstanden op peil te houden worden maatregelen genomen om neerslag in de bodem te infiltreren of in andere voorzieningen vast te houden of te bergen.
Verharding en waterberging
Het besluitgebied is in de huidige situatie voor een groot deel onverhard. De bestaande bebouwing zal gesloopt worden. Als gevolg van voorliggende ontwikkeling zal het verhard oppervlak toenemen. Er is geprobeerd om het aandeel verharding tot een minimum te beperken. De inschatting is dat de impact van de toegevoegde verharding een minimaal effect zal hebben op het waterbergende vermogen van het perceel. Hemelwater zal geheel op eigen terrein worden geborgd. Na de ontwikkeling zal voldoende ruimte voor waterberging op het perceel aanwezig zijn. Mocht dat bij extreem weer toch niet geheel voldoende zijn, dan is in de omgeving van het besluitgebied genoeg onverharde grond aanwezig om het water op een juiste wijze af te laten stromen.
Waterkering
Raadpleging van de legger van het Waterschap Vallei en Veluwe wijst uit dat onderhavig besluitgebied niet is gelegen in de beschermingszone van een waterkering. Dit plan heeft geen invloed op overige waterstaatkundige elementen.
Conclusie
Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect water.
Algemeen
Het klimaatadaptatie beleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht. De landelijke aanpak gebeurt vanuit twee programma's: het nationaal Deltaprogramma en de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS). Hierin staan de nationale doelstellingen en strategieën omtrent waterbescherming en klimaatadaptatie.
Provinciaal beleid - Omgevingsvisie- en verordening Gaaf Gelderland
Het veranderend klimaat gaat aan niemand voorbij en raakt alle facetten van de omgeving. Zoals de Gelderse natuur - met haar vele grote en kleinere rivieren en rijkdom aan dier- en plantsoorten. Maar ook onze eigen gezondheid en veiligheid. De provincie wil hierop voorbereid zijn, daarom zetten ze vooral en eerst in op het tegengaan van de risico's en gevaren van de klimaatverandering. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving – steden, dorpen, bedrijventerreinen – neemt de Provincie de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maken afspraken over hoe met de risico's om te gaan.
In de Omgevingsverordening Gelderland is het volgende artikel opgenomen:
Artikel 5.85 (klimaatadaptatie)
Motivering
Met voorliggend plan worden enkele gronden ten oosten van de Veentjesbrug herontwikkeld door hier een nieuwe gemeentewerf te realiseren. De verharding op het perceel zal beperkt toenemen, waardoor de beoogde ontwikkeling het waterbergende vermogen slechts beperkt zal beïnvloeden. Daarnaast worden met voorliggende ontwikkeling ook enkele gronden voorzien van een groenfunctie met daarbinnen ruimte voor een wadi. Dit zal een positieve bijdrage leveren aan het bestrijden van wateroverlast en hitte. Op de percelen blijft tevens voldoende groen aanwezig om voldoende schaduw te bieden. Dit maakt dat het initiatief in lijn is met de ambities met betrekking tot klimaatadaptie.
Conclusie
Bij de planvorming is voor zo ver als mogelijk rekening gehouden met klimaatadaptatie.
Algemeen
Soortenbescherming
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid.
Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:
Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.
Gebiedsbescherming
De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies.
Natura 2000
Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als 'Natura 2000-activiteit'. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden.
Motivering
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van nieuwe gemeentewerf aan de Veentjesbrug in Heelsum. Vanuit ecologisch oogpunt dient onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Daarom is een quick scan natuurwaarden8 uitgevoerd. Hierin is onderzoek gedaan naar mogelijk te verwachten beschermde soorten. Navolgend worden de resultaten en conclusies beschreven.
Gebiedsbescherming
In de quickscan worden geen Natura 2000-gebieden of andere juridisch beschermde natuurgebieden binnen het plangebied genoemd of als relevant voor de beoordeling aangemerkt.Het gebied heeft daarmee geen directe gebiedsbescherming, maar vervult ecologisch gezien wel een belangrijke verbindingsfunctie tussen leefgebieden aan weerszijden van de A50 — met name onder de snelwegdoorgang. Negatieve effecten op deze groene verbinding kunnen ecologisch ongewenst zijn en moeten via de zorgplicht zoveel mogelijk worden voorkomen of beperkt.
Daarnaast kan de ontwikkeling mogelijk een stikstofdepositie veroorzaken op naastgelegen beschermde natuurgebieden. Daarom zijn de effecten van stikstofdepositie zijn onderzocht in een onderzoek stikstofdepositie9. Hierin zijn zowel de aanleg- alsook de gebruiksfase beoordeeld.
Aanlegfase
Omdat de locatie direct grenst aan het Natura 2000-gebied de Veluwe, is het niet mogelijk om materieel te gebruiken met verbrandingsmotoren. Met verbrandingsmotoren zal er direct een overschrijding van de huidige grenswaarde optreden. Een dergelijke situatie is conform de Porthos-uitspraak op dit moment wel mogelijk, maar dient te worden ondersteund door een ecologische voortoets. Derhalve is nu uitgegaan van materieel zonder stikstofuitstoot. Met de gehanteerde parameters blijkt uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden.
Gebruiksfase
Omdat de locatie gelegen is direct grenzend aan het Natura 2000-gebied is het niet mogelijk om voertuigen en materieel van en naar de locatie te laten rijden en werken met stikstofuitstoot. Het materieel en de voertuigen moeten, in deze fase, voorzien zijn van emissiearme motoren, bijvoorbeeld dus elektrische of voertuigen op waterstof. Van deze situatie is in de berekening uitgegaan. Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden.
Geconcludeerd wordt dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Er is geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit benodigd. In de projectfase dient stikstof opnieuw overwogen te worden, enerzijds of de uitgangspunten zoals in de rapportage zijn opgenomen, uitvoerbaar zijn, en anderzijds hoe het landelijke en/of provinciale beleid op dat moment ingestoken is.
Soortenbescherming
Uit de quick scan volgt dat het e nog bestaande bebouwing in het besluitgebied een functie kan vervullen voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Daarom is er een nader soortgericht onderzoek10 uitgevoerd naar de vermoedelijk aanwezige soorten. Dit soortgericht onderzoek geeft uitsluitsel of het besluitgebied inderdaad een functie vervult voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen, en zo ja, welke vervolgstappen genomen dienen worden genomen. Navolgend worden de resultaten per soort besproken.
Huismus
In het besluitgebied zijn 6 nesten van huismussen aangetroffen. Deze nesten bevinden zich allen in het dakvlak met dakpannen van de Veentjesbrug 1. De huismussen hebben vanuit de dakgoot toegang tot de ruimtes onder de dakpannen. Het functioneel leefgebied van de huismussen bestaat voornamelijk uit een haag aan de noordzijde van de Veentjesbrug 1, het struweel in het talud van de snelweg en het bosschage direct ten westen van de woning. Daarnaast hangen de mussen veel rond bij het paard en de pony welke direct ten zuidoosten van het woonhuis een kleine stal hebben en overdag op het kleine graslandje grazen. Vermoedelijk is de aanwezigheid van deze paarden (en daarmee stro, warmte, insecten) een zeer belangrijke verklaring voor de aanwezigheid van deze kleine huismussenpopulatie.
Gierzwaluw
In het besluitgebied zijn tijdens het onderzoek geen waarnemingen gedaan van gierzwaluwen met nestindicerend gedrag. Slechts een heel enkele maal is een hoog foeragerende gierzwaluw waargenomen, vroeg in de avond, zonder binding met het besluitgebied. Nesten van de gierzwaluw zijn niet aanwezig in het besluitgebied.
Vleermuizen
In en om het besluitgebied zijn 4 soorten vleermuizen waargenomen: de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis, de laatvlieger en de rosse vleermuis. Als foerageergebied of vliegroute vervult de bebouwing in het besluitgebied geen essentiële functie voor vleermuizen in het algemeen. Er was op geen moment sprake van aanhoudend foerageergedrag of een duidelijk eenduidige vliegrichting van langsvliegende vleermuizen. Wel werd één zomer/paarverblijfplaats aangetroffen van 1 gewone dwergvleermuis. Dit dier werd in mei invliegend waargenomen in een kleine kier tussen dakpannen van de Veentjesbrug 1. In het najaar werd grofweg bij dit gebouwdeel en het naastgelegen bosje een paarterritorium vastgesteld van gewone dwergvleermuis, aangenomen wordt dat dit paarterritorium gekoppeld kan worden aan deze zomerverblijfplaats.
Door de aanwezigheid van zowel de huismus als de vleermuizen, beiden met binding tot het besluitgebied, is de voorliggende ontwikkeling vergunningsplichtig. Ten aanzien van de sloop van de Veentjesbrug 1 dient men een vergunning van de Omgevingswet aan te vragen. Een vergunning is nodig omdat er verbodsbepalingen m.b.t. het vernielen/wegnemen van nest/verblijfsplaatsen zullen worden overtreden, alsmede verbodsbepalingen m.b.t. het opzettelijk verstoren van diersoorten. Voor het verkrijgen van een vergunning zijn de volgende zaken van belang:
Al deze zaken dienen goed onderbouwd in een activiteitenplan te worden beschreven, op basis van dit activiteitenplan kan men de vergunning aanvragen.
Conclusie
Voor de beoogde ontwikkeling is een activiteitenplan opgesteld op basis waarvan een ontheffing is aangevraagd.
Algemeen
Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met archeologische waarden. De omgevingswet schrijft voor dat het aspect archeologie een plek heeft in het omgevingsplan. In het omgevingsplan is vastgesteld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. In beginsel moet de gemeente aan projecten kleiner dan 100 m2 vrijstelling verlenen van de verplichting tot archeologisch onderzoek (artikel 5.130 lid 4 Bkl). Met een inhoudelijke onderbouwing kan de gemeente echter afwijken van deze vrijstellingsgrens.
De instructieregels voor de omgang met archeologie in het omgevingsplan zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid). Uitgangspunt is dat bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De archeologische verwachtingswaarde en de omgang daarmee legt de gemeente vast in het omgevingsplan (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Wanneer er een archeologische verwachtingswaarde is voor het besluitgebied moet er een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden conform de door de gemeente gestelde voorwaarden. De uitkomsten van het onderzoek bepalen of vervolgonderzoek nodig is en of de bodemroerende werkzaamheden kunnen plaatsvinden.
Motivering
Met voorliggend plan wordt de realisatie van een nieuwe gemeentewerf beoogd. Het besluitgebied kent de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachting'. Alvorens de grond geroerd zal worden, wordt een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd. Om dit te kunnen waarborgen blijft de bestaande functie 'Waarde - Archeologie hoge verwachting' behouden. hiermee zijn mogelijk aanwezige archeologische resten voldoende beschermd.
Conclusie
Met het behouden van de bestaande archeologische functie 'Waarde - Archeologie hoge verwachting' voldoet het plan aan de kaders voor archeologie.
Algemeen
Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, (voorbeschermde) Rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van Rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Motivering
De bebouwing en het perceel aan de Veentjesbrug 1 en 3-3a vertegenwoordigt geen cultuurhistorisch significante waarde en is ook niet aangewezen als een monument. Met voorliggend plan wordt aangesloten op de huidige omgeving.
Conclusie
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Algemeen
Mobiliteit
In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom).
Parkeren
De gemeente Renkum heeft eigen parkeerbeleid in de vorm van de 'Parkeernota 2014-2020' (vastgesteld op 26 februari 2014). Voor de normering hanteert de gemeente Renkum de meest recente versie met parkeernormen van het CROW. Het beleid gaat daarbij uit van het gemiddelde kencijfer. Daarom moet voor het bepalen van de parkeerbehoefte van dit plan gebruik worden gemaakt van de CROW publicatie 381: 'Toekomstbestendig parkeren'. Op basis van de Parkeernota wordt de gemeente Renkum hierin gecategoriseerd als zijnde 'weinig stedelijk gebied'. Gezien de ligging van het besluitgebied in de buiten de kern van Heelsum worden de normen voor 'buitengebied' aangehouden.
Motivering
Mobiliteit
De verkeersgeneratie van de gemeentewerf is bekend en door de gemeente Renkum aangeleverd. Voor de eigen dienst zijn er circa 25 voertuigen die gemiddeld 4 keer per dag naar de werf komen en gaan, dit zijn 200 lichte verkeersbewegingen per etmaal. Gemiddeld per dag komen er circa 5 busjes van derden, dit zijn 10 middelzware verkeersbewegingen per etmaal. Er komen circa 3 zware vrachtwagens per dag naar de werf, dit zijn 6 zware vrachtbewegingen per etmaal. In totaal zijn dit 216 verkeersbewegingen per etmaal. Er is geen reden om aan te nemen dat dit verkeer niet afgewikkeld kan worden op het bestaande wegennet.
Parkeren
In het huidige ontwerp zijn 38 bezoekersparkeerplaatsen beoogd. Deze zijn hoofdzakelijk bedoeld voor medewerkers van de gemeente en bezoekers van de gemeentewerf. Daarnaast zijn er ook enkele parkeerplaatsen voor motors en scooters beoogd. Ook wordt een fietsenstalling met ruimte voor 18 fietsen gerealiseerd. Voorgenoemde parkeerplaatsen worden zoveel mogelijk aan de zuidzijde van het perceel geconcentreerd, zodat een buffer ontstaat met het kantoorgebouw en het groene veldje. De voertuigen worden aan het zicht ontrokken middels een houtwal. De voertuigen, aanhangers, grasmaaiers e.d. behorende bij de gemeentewerf worden in en langs de bebouwing gestald. Hier is voldoende ruimte voor gereserveerd.
Conclusie
Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect verkeer en parkeren.
Algemeen
Een goede omgevingskwaliteit is een van de centrale doelstellingen van de omgevingswet (artikel 1.3). De omgevingsweg legt zowel initiatiefnemers als overheden een zorgplicht op voor verbetering van de omgevingskwaliteit. Om de omgevingskwaliteit te waarborgen zijn gemeenten verplicht dit aspect op te nemen in het omgevingsplan. Initiatiefnemers moeten het aspect opnemen bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. Er is geen heldere definitie van het begrip omgevingskwaliteit. Onderdelen die bijdragen aan een goede omgevingskwaliteit zijn het stedenbouwkundige plan architectuur, natuur en landschap. Wanneer deze losse aspecten kwaliteit hebben leidt dat tot 'omgevingskwaliteit'. De gemeente is op basis van de artikelen 2.4 en 4.2 van de omgevingswet verplicht dit aspect mee te nemen bij de évenwichtige toedeling van functies aan locaties' (etfal). De gemeente is vrij om dit te doen door middel van beleid of door regels. Of het aspect omgevingskwaliteit getoetst moet worden aan het omgevingsplan of aan de omgevingsvisie is daarom afhankelijk van de keuze van de gemeente.
Motivering
In voorliggende situatie worden enkele percelen ten oosten van de Veentjesburg herontwikkeld ten behoeve van een nieuwe gemeentewerf. Hierbij is rekening gehouden met de stedenbouwkundige opzet van de omgeving en de bestaande groenstructuren en bomen. Het perceel zelf wordt op een compacte, veilige en logische wijze ingericht, waardoor een hoogstaande omgevingskwaliteit wordt gerealiseerd. Op voorgenoemde manieren draagt voorliggend plan op een positieve manier bij aan de omgevingskwaliteit ter plaatse.
Conclusie
Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect omgevingskwaliteit.
Algemeen
Bij nieuwe ontwikkelingen weegt de gemeente het belang mee van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Dit volgt uit artikel 5.162 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij een ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met mensen met een functiebeperking.
Motivering
Voorliggende ontwikkeling voorziet primair in de herontwikkeling van gronden die buiten de openbare buitenruimte liggen. Daarbij geldt wel dat in de ontwikkeling wordt gezorgd voor een goede aansluiting op de openbare buitenruimte. Ook worden de activiteiten en bouwwerken binnen het besluitgebied zoveel mogelijk uit het zicht onttrokken door onder andere een haag. Op die manier wordt zo veel mogelijk een bijdrage geleverd aan het realiseren van een toegankelijke openbare buitenruimte.
Conclusie
Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect toegankelijkheid openbare buitenruimte.
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn:
Het overzicht van kostenverhaalplichtige activiteiten staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit.
De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van de gemeente. De gronden zijn reeds in bezit van de gemeente. Daarnaast zijn er geen aanpassingen aan de openbare ruimte benodigd die mogelijk tot extra kosten leiden bij de gemeente. De verwachting is dat de kosten hiermee voldoende geraamd zijn.
Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid. Het overleg met bestuursorganen kan beperkt blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld.
Voor voorliggend project wordt de onderste trede van de participatieladder doorlopen. Dit is de trede: informeren. Via de gebruikelijke wijze is op 24 december 2025 de ter inzage legging van het ontwerp-TAM-omgevingsplan bekend gemaakt (Gemeenteblad, website gemeente Renkum en huis-aan-huis-blad 'Rijn en Veluwe').
Het ontwerp-TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d 'Gemeentewerf, Veentjesbrug 2026' heeft van 24 december 2025 tot en met 3 februari 2026 ter inzage gelegen. In die periode zijn er geen zienswijzen ingediend.
Ambtshalve zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd ten opzichte van het ontwerp-TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d 'Gemeentewerf, Veentjesbrug 2026':
In het kader van de Omgevingswet wordt gestreefd naar een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn enkele algemene doelen geformuleerd in artikel 1.3 Omgevingswet. Hierin staat dat de bepalingen in de wet gericht zijn op het volgende:
In voorliggende motivering is het plan toegelicht om enkele gronden aan de oostzijde van de Veentjesbrug te herontwikkelen door hier een nieuwe gemeentewerf voor de gemeente Renkum te realiseren. In voorliggend Omgevingsplan is het voornemen getoetst aan uiteenlopende aspecten en thema's van de fysieke leefomgeving. Het voorliggend plan is niet in strijd met het landelijk, provinciaal en gemeentelijk beleid. Daarnaast gaat landschappelijke waarden niet verloren. Het plan voldoet aan de wettelijke kaders van de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. Het toevoegen van een nieuwe gemeentewerf zal de omliggende functies niet belemmeren en daarnaast vormen de omliggende functies geen belemmeringen voor de nieuwe ontwikkeling. Mede als gevolg van een zorgvuldige inpassing in de verdere omgeving is er sprake van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit.
Op basis van voorgaande kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de toekomstige situatie zal sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en wordt voorzien in een maatschappelijke behoefte.