direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Nijmegen Lindenholt - 2 (de Meeuwse Acker nabij 2012)
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0268.BP6002-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Door verplaatsing van de IJpenbroekweg is een meer optimale verkaveling mogelijk van de geplande woningen ten zuiden van het Mondial College aan de Meeuwse Acker 2020. Met het plan wordt beoogd om de meer optimale verkaveling van een zevental woningen te realiseren.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Meeuwse Acker 20ste straat in de wijk 't Acker in het westen van Nijmegen. Het plangebied betreft een groenstrook tussen het noordelijk gelegen Mondial College en de zuidelijk gelegen woningen aan de Meeuwse Acker 20ste straat.Het plangebied wordt aan de oostzijde begrensd door de IJpenbroekweg en aan de westzijde door de Meeuwse Acker 20ste straat.

De gronden in het plangebied zijn onderdeel van het perceel, kadastraal bekend als gemeente Neerbosch, Sectie K, nummer 4113.

Op onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied in de directe omgeving weergegeven. De exacte begrenzing van het plangebied is ingetekend op de verbeelding van dit bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BP6002-VG01_0001.png"

Afbeelding 1: ligging plangebied in directe omgeving

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Het vigerend bestemmingsplan betreft het bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt. Dit bestemmingsplan is door de raad op 12 december 2012 vastgesteld.

De beoogde ontwikkeling past niet in het vigerend bestemmingsplan, omdat de nieuwe situering van de woningen niet past binnen de bouwvlakken uit het vigerende bestemmingsplan. Tevens is voor de meest westelijk gelegen woning de gewenste kapvorm niet passend binnen de toegestane goot- en bouwhoogte. Het bouwen van de woningen is strijdig met het geldende bestemmingsplan.

Onderhavige bestemmingsplanherziening vormt vanwege deze strijdigheid met het vigerend bestemmingsplan het juridisch en planologisch kader voor de beoogde ontwikkeling.

1.4 Leeswijzer

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding met bijbehorende planregels en gaat vergezeld van een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan.

De toelichting bestaat uit een planbeschrijving met (separate) bijlagen. De toelichting van dit bestemmingsplan is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. De opbouw van de hoofdstukken is zodanig dat er sprake is van een logische volgorde in vraagstelling (wat, waarom, waar, hoe, etc.).

Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 'Planbeschrijving', dit gaat in op de beschrijving van de huidige situatie van het plangebied en directe omgeving.Daarnaast worden de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt op een rij gezet. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het relevante beleid op Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Daarbij wordt bekeken of de voorgestane ontwikkeling in lijn is met dit beleid. In hoofdstuk 4 wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. Vanuit de verschillende van invloed zijnde haalbaarheidsaspecten zoals externe veiligheid, luchtkwaliteit en water wordt in dit hoofdstuk beschreven waarom de ontwikkeling die voorliggend bestemmingplan mogelijk maakt, uitgevoerd kan worden. In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet toegelicht. Er wordt een antwoord gegeven op de vraag hoe hetgeen in voorliggend plan is vastgelegd juridisch wordt geregeld. Hoofdstuk 6 geeft inzicht in de economische uitvoerbaarheid van het plan. In het laatste hoofdstuk van dit bestemmingsplan wordt verslag gedaan van het (voor)overleg en de zienswijzen.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Beschrijving huidige situatie

Het gebied vormt onderdeel van een groter plan voor de vernieuwing van het sportcomplex van voetbalclub SCE en de nieuwbouw van een schoolgebouw (het Mondial College). Onderdeel van dit plan waren tevens een aantal woningen die de aanliggende buurten afronden en een gezicht naar sportcomplex en school vormden. Het huidige plan betreft de reeds geplande woningen tussen het Mondial College en de bestaande woningen aan de Meeuwse Acker 20ste straat.

Het plangebied betreft een groenstrook tussen het Mondial College en de zuidelijk gelegen woningen aan de Meeuwse Acker 20ste straat. In de huidige situatie staat er nog een bosschage op het gebied. Aan de noordzijde ligt de nieuwe weg die de school en het sportterrein van SCE vanaf de IJpenbroekweg ontsluit. Deze ontsluitingsweg is alleen te gebruiken voor bestemmingsverkeer (voor school, sportvelden en direct aanliggende woningen). Door op twee plaatsen de aanliggende wegen af te sluiten is doorgaand autoverkeer door de wijk heen voorkomen.

Aan de westzijde van het gebied is onlangs een 'park&ride' voorziening gerealiseerd. Doordat de bijbehorende parkeerplaats aan de zijde van de Meeuwse Acker is gesitueerd is de IJpenbroekweg verder van de woningen af komen te liggen.

Het gebied grenst aan zuidzijde aan de zijtuinen van de vrijstaande woningen aan de 20ste straat. De huidige bosschage zorgt voor een afscherming richting de school.

2.2 Beschrijving toekomstige situatie

De verschuiving van de IJpenbroekweg verder van het plangebied af (en de daarmee samenhangende vermindering van de geluidsbelasting) maakt een meer optimale verkaveling mogelijk.

Hierbij wordt aangesloten bij de reeds voorziene ruimtelijke structuur "Ter plaatse van de nieuwe entree zijn een vrijstaande of geschakelde woningen gesitueerd, aansluitend bij de reeds aanwezige vrijstaande woningen in losse verkaveling. De geplande woningbouw bestaat uit grondgebonden vrijstaande en twee-onder-een-kap-woningen. De nieuwe woningen sluiten aan op de bestaande woonbuurt en ronden deze af."

De woningen zijn met de 'luwe zijde' (de achtertuinen) naar de zijtuinen van de bestaande woningen gericht en hebben een oriëntatie op de nieuwe ontsluitingsweg en de school. Zo ontstaat er een rustig achtergebied aan de zijde van de bestaande woningen. Met deze opzet kijken de nieuwe woningen uit op de school en krijgt de ontsluitingsweg hier een minder anoniem beeld.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Relevant rijksbeleid

3.1.1 Ladder duurzame verstedelijking

Per 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd ten aanzien van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Voortaan geldt een onderbouwing op basis van “behoefte” ( in plaats van 'actuele regionale behoefte'). Dit houdt in dat de reikwijdte van de stedelijke ontwikkeling die een bestemmingsplan mogelijk maakt, leidend is voor het ruimtelijk verzorgingsgebied waarbinnen de Laddertoets moet worden gedaan . Ook is dit leidend voor het al dan niet plegen van regionale afstemming.

Zowel bij een ontwikkeling binnen als buiten het bestaand stedelijk gebied blijft het van belang de behoefte te onderbouwen (ook al lijkt artikel 3.1.6, lid 2, Bro anders te suggereren).

De derde trede van de eerdere Ladder onderbouwing (de eis dat gemotiveerd moet worden in hoeverre ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied passend zijn of worden ontsloten) is geschrapt.

Er is een nieuw onderdeel toegevoegd aan artikel 3.1.6 (lid 3) Bro waarmee de Laddertoets bij flexibele planvormen (wijzigings- of uitwerkingsplan) kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van het wijzigings- of uitwerkingsplan.

Het plan voorziet in minder dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie kunnen worden aangemerkt en voorziet in een lokale behoefte. Tevens zijn de woningen al planologisch mogelijk in het vigerende bestemmingsplan. De in het plan voorziene ontwikkeling kan daarmee niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is.

3.1.2 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met het rijksbeleid.

3.2 Relevant provinciaal beleid

3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Gelderland

In de Omgevingsvisie Gelderland (december 2015; geconsolideerd op 10 juli 2017) staan de hoofdlijnen van het provinciale beleid over onderwerpen als ruimte, water, mobiliteit, economie, natuur en landbouw. In relatie tot de beoogde ontwikkeling in het plangebied is het volgende beleid uit deze Omgevingsvisie relevant.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

De doelstellingen uit de Omgevingsvisie zijn juridisch vertaald in de Omgevingsverordening Gelderland (december 2015). De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de Provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De Omgevingsverordening heeft de status van een Ruimtelijke verordening in de zin van artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening.

3.2.3 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met dit beleid.

3.3 Relevant gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Nijmegen 2013

De structuurvisie Nijmegen 2013 bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in de stad en geeft de keuzes weer die de gemeente Nijmegen maakt in het ruimtelijk beleid. Met de Structuurvisie wordt invulling gegeven aan de ruimtelijke ambities, die zijn vertaald in een uitvoeringsprogramma. De Structuurvisie kent een planhorizon van 10 jaar.

3.3.2 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met dit beleid.

Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten

4.1 Wonen

Woonbeleid
Het gemeentelijk woonbeleid is vastgelegd in de Woonvisie 2015-2020 "Samen werken aan goed wonen". Bewoners binden in een ongedeelde stad is de constante in ons woonbeleid. Ambitie is dat Nijmegen een aantrekkelijke en toekomstbestendige woonstad blijft voor iedereen. Betaalbaarheid van het wonen is daarvoor een belangrijke voorwaarde.

We willen toekomstbestendige en gevarieerde wijken die voorzien in de woningbehoefte. Dit betekent op stedelijk niveau een mix van woonmilieus en per wijk een wisselende mix van woningtypen.

In het Coalitieakkoord en de Woonvisie is vastgelegd dat de Waalsprong en het Waalfront prioriteit hebben bij woningbouwontwikkeling. Voor de rest van de stad wordt een terughoudender beleid gevoerd. Nieuwe woningbouwontwikkelingen in de rest van de stad worden getoetst aan de volgende criteria: strategische maatschappelijke relevantie, versterking voorzieningen, leefbaarheid, verbetering differentiatie woningaanbod, doelgroepenbeleid, stadium planontwikkeling en financiële gevolgen voor de gemeente. Het leidende criterium is dat ontwikkelingen in de bestaande stad een duidelijke meerwaarde moeten hebben voor de wijk.


Het plan
Het plan voorziet in de bouw van zeven woningen aan de Meeuwse Acker nabij 2012. De locatie heeft op dit moment al de bestemming wonen. Het gebruik in strijd met het bestemmingsplan voorziet alleen in het feit dat de bouwlakken iets aangepast worden.

Het plan is een toevoeging voor het woonmilieu van de wijk t' Acker. Het toevoegen van de zeven woningen maakt de bestaande bebouwing af en heeft daarmee een meerwaarde voor de wijk.

4.2 Bedrijven en milieuzonering

In deze ruimtelijke verantwoording zal de toelaatbaarheid van bedrijven en bedrijfsactiviteiten worden getoetst aan de ruimtelijk relevante milieuaspecten waaronder geluid, geur, stof, gevaar. Daarnaast zijn verkeer en visuele aspecten van belang. Tevens wordt getoetst of nieuwe woonfuncties de bedrijvigheid in de omgeving niet onnodig belemmeren. Uitgangspunt hierbij is de systematiek van de VNG publicatie "Bedrijven en milieuzonering". In het bestaande bestemmingsplan zijn al woonfuncties op de betreffende locatie mogelijk. De woningen die met dit plan worden mogelijk gemaakt hebben alleen een iets andere bouwvlak dan in het bestaande bestemmingsplan. De nabijgelegen school en sportzaal liggen zodanig dat deze geen ontoelaatbare hinder zullen veroorzaken op de woningen. Het betreft hier een gebied met functiemenging waarbij een bouwkundige afscheiding van de woningen met de school en de sportzaal volstaat om tot een toelaatbaar woon en leefmilieu te komen. Dit is mede het geval doordat de grote lawaaimaker van de school nl. de speelplaats wordt afgeschermd door het schoolgebouw en daarmee naar verwachting geen hinder zal veroorzaken op de woningen. Overige bedrijvigheid gelegen aan de noordzijde van de Neerbosscheweg liggen op een dusdanige afstand dat er geen hinder te verwachten is.


Conclusie

Er zijn geen belemmeringen voor het voorgenomen bouwplan.

4.3 Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing binnen de wettelijke vastgestelde zone van een weg. Wegen waarvoor een maximum toegestane snelheid geldt van 30 km/uur en die binnen een als woonerf aangeduid gebied liggen zijn niet gezoneerd en daardoor niet onderzoeksplichtig.

De woningen liggen binnen de zone van de IJpenbroekweg/Hogelandseweg en Neerbosscheweg. Voor deze wegen is akoestisch onderzoek verricht, zie Bijlage 2.

De voorkeurswaarde uit de Wgh voor wegverkeer bedraagt 48 dB. Deze waarde mag bij voorkeur niet worden overschreden. Als de voorkeurswaarde wordt overschreden kan onder voorwaarden een hoge waarde worden vastgesteld. In de Wgh en de "Beleidsregels Hogere Waarden Wet geluidhinder" staan deze voorwaarden omschreven.

Uit akoestisch onderzoek blijkt dat bij twee woningen de voorkeurswaarde vanwege wegverkeer op de IJpenbroekweg/Hogelandseweg wordt overschreden en bij één wonig vanwege wegverkeer op de Neerbosscheweg. De hoogst berekende geluidbelasting bedraagt 52 dB vanwege wegverkeer op de IJpenbroekweg/Hogelandseweg en 49 dB vanwege wegverkeer op de Neerbosscheweg.

De geplande ontwikkeling kan alleen worden gerealiseerd als voor de twee woningen een hogere waarde is vastgesteld. Een hogere waarde procedure is dus noodzakelijk. De hoogste waarde bedraagt 52 dB. Het plan voldoet aan het ontheffingscriterium "opvullen open plaats tussen bestaande bebouwing". De woningen hebben een geluidluwe zijde en de tuinen liggen ook geluidluw.

Bij de woningen moet worden voldaan aan de geluidweringeisen, zodanig dat voor de toegestane binnenwaarden minimaal wordt voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit.

4.4 Externe veiligheid

De gemeente heeft de wettelijke plicht externe veiligheid mee te wegen in de besluitvorming over ruimtelijke ontwikkelingen. In deze afweging is het van belang de risico's te beschouwen die ontstaan door inrichtingen vallend onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en door risicovolle transportroutes. Voor het plaatsgebonden risico (PR) zijn grenswaarden voor kwetsbare objecten aangegeven en richtwaarden voor beperkt kwetsbare objecten. Het groepsrisico (GR) dient verantwoord te worden. De volgende risicobronnen hebben invloed op het bestemmingsplangebied.

  • Gasleidingen N-576-02-KR-004 (40,6 diameter en 40 bar druk) (170 m vs 80 m)
  • Maas Waalkanaal (530 meter)
  • Broekman Logistics


Toetsing aan Plaatsgebonden risico (PR)
Onder het PR wordt verstaan de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een gevarenbron bevindt, overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen van die bron. De PR contour van de genoemde risicobronnen blijft ver van de voorgenomen ontwikkeling en vormt dus geen belemmering voor de ontwikkeling.


De verantwoording van het groepsrisico
Het groepsrisico geeft de kans weer op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers binnen het invloedsgebied van de beschouwde risicobron. Het groepsrisico dient verantwoord te worden. De afstand van risicobronnen zoals het Maas-Waalkanaal en Broekman Logistics is dusdanig dat er alleen een zeer onwaarschijnlijk toxisch scenario kan optreden. Hiervoor een in de beleidsvisie externe veiligheid van februari 2014 een verantwoording opgenomen op pagina 33. Het plangebied ligt daarnaast binnen de 100% lethaal zone van de hogedruk aardgastransportleiding N-576-02. Deze leiding heeft een druk van 40 bar en een diameter van 40,6 cm en heeft derhalve een 100% lethaal contour van 80 meter. Er is echter geen toename van het aantal personen in het invloedsgebied. Er worden immers niet meer woningen toegelaten. Het groesrisico blijft dus gelijk aan de bestaande situatie. Een uitwerking van de verantwoording groepsrisico wordt derhalve achterwege gelaten.


Conclusie
Op grond van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de planontwikkeling.

4.5 Bodem

Voor deze bestemmingsplanherziening is geen bodemonderzoek nodig. Bij het vaststellen van het huidige bestemmingsplan is de bodemkwaliteit op de locatie al beoordeeld in relatie tot de geplande woningbouw. De bodemkwaliteit is beoordeeld op basis van het volgende bodemonderzoek:
Bijlage 1: Verkennend bodemonderzoek Meeuwse Acker, Bioclear, kenmerk 20175259/11323, 21 augustus 2017.

Uit het bodemonderzoek blijkt:

  • De grond is licht verontreinigd met lood en molybdeen (0 - 2,0 meter diep);
  • Het grondwater is licht verontreinigd met barium en molybdeen;
  • Er is geen asbest op het terrein gevonden.

Conclusie
De locatie is geschikt voor wonen.

4.6 Water

4.6.1 De watertoets

Voor de ruimtelijke aspecten heeft het Nationaal Waterplan de status van structuurvisie. Hierin zijn water en ruimtelijke ontwikkelingen geïntegreerd, conform de nieuwe Wet ruimtelijke ordening, de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Bouwbesluit 2012 en de Waterwet.


Binnen de volgende documenten is de watertoets verankerd:

  • Nota Anders Omgaan met Water (Kabinetsstandpunt over het waterbeleid 21e eeuw, dec. 2000)
  • Bestuursakkoord Water (mei 2011)
  • Landelijke Handreiking Watertoets 3 (RIZA, december 2009)
  • Waterplan 2010 - 2015 (WP4)
  • Waterbeheersprogramma 2016-2021 (Waterschap Rivierenland, vastgesteld op 27 november 2015, ingegaan op 22 december 2015)
4.6.2 Algemeen

Het plangebied maakt deel uit van de bestaande waterhuishoudkundige inrichting van het gebied Lindenholt. Voor dit gebied is het Waterplan Nijmegen (2001) relevant. Er vinden geen wijzingen plaats als gevolg van de voorgenomen bestemming. Het plan omvat een kleine aanpassing van de bouwvlakken van zes woningen en aanpassing van de goot- en bouwhoogte van 1 woning. De woningen zelf zijn via het vigerende bestemmingsplan Nijmegen Lindenholt eerder al mogelijk gemaakt.

4.6.3 Oppervlaktewater

In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig, nabij het plangebied wel. De gemeente heeft het oppervlaktewater van de wijken Dukenburg en Lindenholt overgedragen aan het Waterschap Rivierenland.

Het regenwater van het gebied, waarvan de zeven woningen deel uitmaken, wordt via een gescheiden stelsel op het oppervlaktewater geloosd. Een waterhuishoudkundig plan geeft invulling aan de omgang met hemelwater in het gebied. Eventueel benodigde compenserende berging is al via dat plan gerealiseerd.

4.6.4 Grondwater

Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied.

Uitgangspunt bij nieuwe stedelijke in- en uitbreidingen is dat er grondwaterneutraal wordt gebouwd. Dat wil zeggen dat de oorspronkelijke grondwaterstanden en -stromen in de omgeving niet wijzigen. Dit kan bereikt worden door:

  • een grondwatergerelateerde locatiekeuze: geen stedelijke uitbreidingen in gebieden met (kans op) hoge grondwaterstanden;
  • maatregelen te treffen bij bouwrijp maken en tijdens de bouw (ophogen, goede structuur van het oppervlaktewatersysteem, voorkomen verdichting bodemstructuur);
  • een waterproof bouwkundig ontwerp van woningen en gebouwen (bijvoorbeeld kruipruimteloos)


Om grondwateroverlast in bestaand stedelijk gebied te beperken zet de gemeente in eerste instantie in op bouwkundige maatregelen. Pas als dit onvoldoende soelaas biedt, komen drainerende of onttrekkende oplossingen in beeld. Dit sluit ondergronds bouwen niet uit. Dit is mogelijk mits voldoende technische maatregelen worden getroffen zodat de bouw waterdicht is.

4.6.5 Riolering / hemelwater

De riooltechnische ontsluiting van het plangebied bevindt zich aan De Meeuwse Acker. De riolering is uitgevoerd als gescheiden stelsel. Vanuit het bouwbesluit 2012 geldt de verplichting om vuilwater en hemelwater op een verantwoorde manier te verwerken. Vuilwater moet verplicht op de openbare vuilwaterriolering aangesloten worden. Hemelwater moet op de openbare regenwaterriolering aangesloten worden.

Er is sprake van rechtstreekse lozing op het oppervlaktewater. Omdat geen sprake is van een plan met meer dan 500 m2 verhard oppervlak hoeft geen waterhuishoudkundig plan bij het waterschap ingediend te worden. Omdat geen sprake is van een toename van verhard oppervlak hoeft geen extra compenserende berging gerealiseerd te worden.

4.7 Flora en Fauna

Wet natuurbescherming
De Wet Natuurbescherming vervangt vanaf 1 januari 2017 de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De doelstelling van de Wet Natuurbescherming is het beschermen en ontwikkelen van de intrinsieke waarde van de natuur en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit en tegelijkertijd het doelmatig beheren en gebruiken van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies.

Gebiedsbescherming Natura 2000
Binnen de nieuwe wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden en vormt daarmee de basis voor het beleid van de EU voor behoud en herstel van biodiversiteit. Natura 2000 is niet enkel ter bescherming van gebieden maar draagt ook bij aan soortenbescherming. Het Natura 2000 netwerk omvat alle gebieden die zijn beschermd op grond van de Vogelrichtlijn van 1979 en de Habitatrichtlijn van 1992. In en om Nijmegen gaat het om de Natura 2000 gebieden 'Uiterwaarden Waal' en de 'Gelderse Poort'.

Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning Natuurbeschermingswet wordt aangevraagd. In de nieuwe wet moet deze vergunning aangevraagd worden bij de provincie. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van deze beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden.

Voor de Natura 2000 gebieden geldt tevens de externe werking. Ontwikkelingen in de nabijheid van deze gebieden mogen geen significante gevolgen hebben voor de aanwezige natuurwaarden in deze gebieden.

Conclusie
Het plangebied heeft geen directe relatie met de beschermde natuurgebieden (Natura 2000) in de omgeving van Nijmegen, er is ook geen significante schade te verwachten. Het plangebied ligt ook niet in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) of de Groene Ontwikkelingszone (GO), de waardevolle natuurgebieden die in de Omgevingsvisie Gelderland opgenomen zijn. De Omgevingsvisie is wat dat betreft niet van toepassing.

Soortenbescherming

De soortenbescherming uit hoofdstuk 3 van de nieuwe wet regelt de bescherming van dier- en plantensoorten. In grote lijnen blijft de bescherming gelijk aan de oude Flora en faunawet. Het doel van deze wet is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. Deze wet hanteert daarbij het "nee, tenzij principe". Dat betekent dat alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten in principe verboden zijn. Alleen onder strikte voorwaarden zijn afwijkingen van de verbodsbepalingen mogelijk. Hiertoe moet een Wet Natuurbescherming ontheffing voor soorten bij de Provincie aangevraagd worden. Deze ontheffingsaanvraag moet onderbouwd zijn door een goed onderzoek naar het voorkomen van en de effecten op beschermde soorten. Ook moet aangetoond worden dat er sprake is van een dwingende reden van openbaar belang of dat het gaat om een ruimtelijke inrichting.

In de nieuwe wet is daarnaast een zogenaamde 'algemene zorgplicht' opgenomen. De zorgplicht is van toepassing op alle planten en dieren, ongeacht of ze wettelijk beschermd zijn. De zorgplicht houdt in dat er bij ingrepen zoals bouwactiviteiten altijd zorgvuldig moet worden omgegaan met de aanwezige planten en dieren. Schadelijke activiteiten moeten zoveel mogelijk worden voorkomen.

Conclusie
Gezien de beperkte wijziging op enkel de positie van de al mogelijk gemaakte bouwblokken zijn er geen negatieve effecten te verwachten op beschermde flora en fauna.

Groenplan De groene draad (2007)

Het groenbeleid is vastgelegd in 'De groene draad - kansen voor het Nijmeegse groen' en heeft als doelstelling:

  • inzicht te geven in het totaal van groene ontwikkelingen in en om de stad en hun onderlinge samenhang;
  • een sturingsinstrument voor het bestuur te zijn voor groene ontwikkelingen in de stad;
  • vanuit een groen toekomstperspectief een gids of leidraad te zijn voor toekomstige stedelijke ontwikkelingen;
  • de groene ambities te benoemen voor de komende jaren die vertaald worden in een uitvoeringsprogramma.


De hoofdgroenstructuur en de hoofdbomenstructuur zijn de basis en de ruggengraat van het groen in Nijmegen. Deze structuren houden we dan ook in stand. In bestemmingsplannen gaat het dan om de bestemmingen Groen, Natuur en Bos. Daarnaast kennen ook andere plekken een groene bestemming bijvoorbeeld kleinere groenplekken op wijkniveau.

Conclusie
In dit bestemmingsplan wordt de hoofdgroenstructuur in stand gehouden.

Handboek stadsbomen (2009)

Het Handboek Stadsbomen is een uitwerking van het Groenplan "De Groene draad, kansen voor het Nijmeegse groen'. Het Handboek Stadsbomen vormt het kader voor inrichtingsplannen en beheerplannen voor de openbare ruimte waar het bomen betreft. Het handboek is daarnaast te definiëren als toetsingskader voor ruimtelijke plannen en initiatieven en biedt inzicht in de beleidsuitgangspunten ten aanzien van bescherming, aanplant, beheer en kap van bomen.

De hoofddoelstelling van het Handboek Stadsbomen is het waarborgen van de duurzame instandhouding van het Nijmeegs bomenbestand door middel van behoud èn ontwikkeling. De volgende uitgangspunten staan daarbij centraal:

  • Optimale inzet van middelen.
  • Waarborgen van een vitaal bomenbestand.
  • Zorgen voor draagvlak; zorgvuldig afwegen, bewust besluiten en tijdig communiceren.
  • Meer bomen en meer kronen. Inzet op kwantiteit en kwaliteit.


Het Handboek Stadsbomen heeft betrekking op alle bomen binnen de gemeentegrenzen. Dat zijn dus niet alleen de park-, laan- en straatbomen, maar ook bomen in tuinen en op particuliere terreinen. Voor bosopstanden, bosplantsoen en bomen in natuurgebieden gelden andere beleidskaders en wet- en regelgeving.

In het Handboek Stadsbomen is de hoofdbomenstructuur opgenomen. Deze structuur vormt samen met de hoofdgroenstructuur de basis van het groen in Nijmegen. De hoofdbomenstructuur leggen we niet vast in bestemmingsplannen maar wordt wel beschreven in de toelichting en speelt daarmee wel een rol in bestemmingsplannen.

Conclusie
In dit bestemmingsplan wordt de hoofdbomenstructuur in stand gehouden.

4.8 Cultuurhistorie en archeologie

4.8.1 Cultuurhistorie

Rijksbeleid

Cultuurhistorie speelt een belangrijke rol bij de ruimtelijke inrichting van ons land. Het geeft identiteit en kwaliteit aan een gebied. Om deze redenen heeft het rijk de beleidslijn ingezet om cultuurhistorie onderdeel te laten zijn van het afwegingskader bij het opstellen van bestemmingsplannen. Deze beleidslijn is verwoord in de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg uit 2009 en heeft geleid tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) sinds 1 januari 2012. Met het gewijzigde Bro zijn gemeenten wettelijk verplicht cultuurhistorie deel uit te laten maken van het afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het rijk vraagt hiermee aan gemeenten om bij het opstellen van bestemmingsplannen, projectafwijkingsbesluiten en beheersverordeningen cultuurhistorische gebouwen, objecten en structuren te inventariseren en daaraan conclusies te verbinden en die in het bestemmingsplan te verankeren.

De Erfgoedwet 2016 vormt de basis voor de monumentenzorg. Rijksmonumenten worden op basis van deze wet aangewezen, evenals rijksbeschermde stadsgezichten. Voor het wijzigen en slopen van rijksmonumenten is een 'Omgevingsvergunning voor de activiteit monumenten' nodig.

Gemeentelijk beleid


Monumentenverordening
De aanwijzing van gemeentelijke monumenten, bouwhistorie monumenten, identiteitsbepalende objecten en beschermde stadsbeelden met stadsbeeldobjecten geschiedt op basis van de monumentenverordening. Afhankelijk van de beschermingsvorm is voor wijziging, verbouw en sloop al dan niet een 'Omgevingsvergunning voor de activiteit monumenten' nodig.


Aandachtslijst Cultureel Erfgoed 
De aandachtslijst betreft een inventarisatie van onbeschermd waardevol erfgoed en is bedoeld om ongewenste sloop van cultureel erfgoed te voorkomen en herbestemming te stimuleren. De lijst is globaal getoetst aan de selectiecriteria uit de Monumentenverordening. Er is nog geen uitgebreid onderzoek gedaan. Pas als er sprake is van een beschermingsprocedure zal dit onderzoek worden gedaan en worden de exacte cultuurhistorische waarden vastgesteld. Het college heeft de mogelijkheid om bij sloopplannen een beschermingsprocedure te starten. Op 18 maart 2015 is de Aandachtslijst Cultureel Erfgoed door de gemeenteraad van Nijmegen vastgesteld. Diverse gebouwen en objecten in Nijmegen Zuid staan op de aandachtslijst.


Nota Cultureel Erfgoed
Het gemeentelijk erfgoedbeleid is vastgelegd in de Nota Cultureel Erfgoed (vastgesteld 15-5-2013). Deze nota beschrijft op welke manier erfgoed kan bijdragen aan de ambitie van de gemeente Nijmegen om de identiteit van de stad te behouden en te versterken. Hiervoor worden drie strategieën ingezet: duurzame ruimtelijke ontwikkeling, kennis & inspiratie en bescherming & instandhouding.

De strategie duurzame ruimtelijke ontwikkeling heeft betrekking op een toekomstbestendige stad, waar erfgoed ingezet wordt om bij ruimtelijke ontwikkelingen de eigen identiteit te behouden of te versterken. De verplichtingen vanuit het Besluit ruimtelijke ordening en de daaruit voortvloeiende beleidsvrijheid die we als gemeente hebben, zetten we in om deze ambitie te kunnen realiseren. Erfgoed is namelijk een factor die mede kwaliteit geeft aan de ruimte en daarmee ruimtelijke ontwikkelingen kan verrijken. De cultuurhistorische elementen die onderdeel zijn van de identiteit van de stad kunnen we niet allemaal als beschermd monument of gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we onze stad beleven, inrichten en gebruiken. De cultuurhistorische beleidskaart is de basis voor de cultuurhistorische inbreng bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0268.BP6002-VG01_0002.png"

Afbeelding 2: Uitsnede cultuurhistorische beleidskaart met de ligging van het plangebied (rode ster)

Het plangebied valt binnen gebiedstype 1 van de cultuurhistorische beleidskaart. Bij gebiedstype 1 gaat het om gebieden waarin cultuurhistorisch waardevolle elementen in mindere mate aanwezig zijn. Bij ruimtelijke plannen wordt daarom alleen gestreefd naar behoud en herkenbaarheid van historische structuren. Voor dit gebiedstype wordt in het bestemmingsplan een regeling met betrekking tot bescherming van cultuurhistorische waarden opgenomen, indien sprake is van cultuurhistorisch waardevolle structuren.


Huidig beeld
Voor de bouw van de wijk Lindenholt is het plangebied niet bebouwd geweest. De huidige weg, de Meeuwse Acker, is een moderne weg, die de woningen van de gelijknamige buurt ontsluit. De bestaande groenstrook dateert eveneens uit de periode van de aanleg van de wijk Lindenholt en heeft als onderdeel van het stedenbouwkundig ontwerp een minimale cultuurhistorische waarde.


Bestemmingsplan
De beoogde bestemmingsplanherziening maakt de bouw van zeven woningen mogelijk. Er is sprake van een zorgvuldige inpassing in de bestaande situatie. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de voorgestelde bestemmingsplanwijziging.

4.8.2 Archeologie

Het plangebied kent de archeologische waarde 2 (terreinen met een hoge archeologische verwachting). Deze zone maakt deel uit van een oost-west georiënteerde 'zandrug'. Over de genese van deze zandige opduiking is niets bekend. Mogelijk betreft het een holocene stroomgordel. Op deze zandrug liggen verschillende bekende vindplaatsen. Op grond hiervan geldt in de gehele zone een hoge archeologische verwachting voor bewoningsresten van de vroege ijzertijd tot de Romeinse tijd. Bovendien liggen binnen deze zone enkele ontginningsassen uit de late middeleeuwen, de periode waarin de Lindenholt in cultuur is gebracht.

4.9 Verkeer en parkeren

4.9.1 Bereikbaarheid


Gemotoriseerd verkeer
Het plangebied ligt aan de Meeuwse Acker 20ste straat en wordt voor het gemotoriseerd verkeer via deze weg ontsloten. Betreffende weg functioneert als erftoegangsweg.


Langzaam verkeer
Het plangebied kan vanuit Meeuwse Acker 20ste straat ontsloten worden door fiets en voetganger.


Openbaar vervoer
Voor gebruik van het openbaar vervoer is het plangebied aanwezen op de haltevoorzieningen aan de IJpenbroeckweg. Deze bevinden zich op ca. 150 meter loopafstand.

4.9.2 Expeditie

Het expeditie verkeer ontsluit op dezelfde wijze als het overige gemotoriseerde verkeer.

4.9.3 Parkeren

Het aantal parkeerplaatsen wordt berekend aan de hand van de beleidsregels parkeren. Het plangebied valt in de sterk stedelijke zone "schil/ overloopgebied".

4.9.4 Verkeersveiligheid

Aan de hand van de wegencategorisering kaart uit de nota Nijmegen Duurzaam bereikbaar (augustus 2012) is bepaald welke snelheidsregime er geldt. Op de GOW-plus, GOW-basis en de industrieterreinen geldt 50 km/h. Voor de rest binnen bebouwde kom geldt 30 km/h. Het plangebied ligt aan een erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 30 km/h. De verkeerstoename is niet significant, omdat de woningen planologisch al zijn toegestaan.

4.10 Klimaat

De klimaatverandering noopt tot aanpassingen in ruimtelijke ontwikkelingen. De Gemeenteraad van Nijmegen heeft haar visie hierop in de Kadernotitie Klimaat en de nota Duurzaamheid in Uitvoering 2013-2017 vastgelegd. Kernbegrippen zijn compensatie en adaptatie.

Compensatie is het tegengaan en verminderen van negatieve effecten op het klimaat. Dit kan door energiegebruik te beperken en/of duurzame energiebronnen te gebruiken en door gebruik te maken materialen uit vernieuwbare bronnen. Nijmegen streeft er daarom naar om als stad energieneutraal te worden.

Adaptatie is het aanpassen aan de wijzigende omstandigheden zoals extremere weersomstandigheden en een stijgende energieprijs. Voorbeelden hiervan zijn het voorkomen van oververhitting, aandacht voor windklimaat en het realiseren van grotere piekbergingen voor neerslag.

In de gebouwde omgeving zijn voor energiegebruik en oververhitting de oriëntatie van de bebouwing en de manier waarop met de bezonning is omgegaan bepalende factoren. Het microklimaat wordt bepaald door de verhouding tussen bebouwd en begroend oppervlak en de relatie tussen bebouwde en groene structuren. Een goed groenontwerp helpt oververhitting tegen te gaan en vangt neerslag en luchtverontreiniging op.

Verantwoord materiaalgebruik, beperking van energievraag en een verstandige positionering van functies dragen mede bij aan de klimaatdoelstellingen. In Nijmegen wordt de GPR-methodiek gehanteerd om prestaties van gebouwen te in beeld te brengen. De ontwikkelaar kan deze systematiek ook gebruiken om haar ontwerpen te optimaliseren.

Om de mogelijkheden per plan in beeld te brengen kan de voor het bouwplan noodzakelijke installatie ontwerp aangevuld worden met een energiescan. Hierin kunnen zowel de warmtevraag als de koelingsbehoefte onderzocht worden. Op die manier kan de bijdrage van dit project aan de hierboven genoemde doelstellingen in beeld woorden gebracht.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

De voorgestelde herziening maakt de realisering mogelijk van de bouw van 7 woningen aan de Meeuwse Acker 20e straat tegenover het Mondialcollege. Ten behoeve van deze ontwikkeling heeft het College van Burgemeester en Wethouders een overeenkomst planherziening en verkoop vastgesteld. De financiële verantwoording van deze overeenkomst vindt plaats in de gemeentelijke planexploitatie G750 Lindenholt Noord. De gemeentelijke plankosten worden verantwoord in de betreffende planexploitatie. Dekking van de kosten vindt plaats door verkoop van betreffende kavels.

Derhalve kan gesteld worden dat de bestemmingswijziging financieel-economisch uitvoerbaar is. Via de grondprijs is het kostenverhaal anderszins verzekerd en hoeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen exploitatieplan vastgesteld te worden.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Inspraak

Voor dit bestemmingsplan is op 18 oktober 2017 een vooraankondiging gepubliceerd. Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende een periode van zes weken ter visie gelegd. Binnen deze termijn is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen tegen het plan kenbaar te maken. De tervisielegging is gepubliceerd in het elektronische gemeenteblad en in de "Staatscourant". Tegen het ontwerpbestemmingsplan is één zienswijze ingediend. De zienswijze is in de zienswijzennota opgenomen en van een beoordeling voorzien. De zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan.

5.2.2 Overleg

Op 7 juni 2017 heeft het Waterschap aangegeven dat het ontwerpbestemmingsplan in het kader van de watertoets niet meer toegestuurd hoeft te worden aan het waterschap.