Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Ammerzoden, Hogesteeg 54-58 - Hoofdstuk 22i
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0263.TAMOP22i-VG01

Regels

 
Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie ‘Tussen
Hogesteeg 54 en 58, Ammerzoden’ en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22i) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Maasdriel. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit plan) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22i van het omgevingsplan van de gemeente Maasdriel. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22i' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22i’ gelezen worden.
 
1 Inleidende bepalingen
 
Artikel 1 Toepassingsbereik
 
1.1 Omgevingsplan Maasdriel
Dit plan wijzigt het omgevingsplan Maasdriel in die zin dat na hoofdstuk 22, een hoofdstuk 22i wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan.
 
1.2 Tijdelijk omgevingsplan – Wro-plannen
  1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4.
  2. Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor het bestemmingsplan 'Parapluherziening verkamering woningen 2020' met identificatienummer 'NL.IMRO.0263.BP1207-VG01'.
  3. Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor het bestemmingsplan ‘Parapluherziening parkeren 2022’ met identificatienummer ‘NL.IMRO.0263.BP1217-VG01’.
 
1.3 Tijdelijk omgevingsplan – bruidsschat
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van de regels van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit plan.
 
1.4 Verwijzing naar verbeelding
De regels in dit plan zijn van toepassing op de locatie ‘TAM-omgevingsplan Hogesteeg
tussen 54 en 58 Ammerzoden Hoofdstuk 22i’ waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0263.TAMOP22i-VG01.
 
Artikel 2 Begripsbepalingen
 
2.1 Van toepassing verklaring
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit plan
 
2.2 Aanvullende begrippen
In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit plan de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.25 gehanteerd.
 
2.3 Plan
Het TAM-omgevingsplan Ammerzoden, Hogesteeg 54-58 - Hoofdstuk 22i met identificatienummer NL.IMRO.0263 TAMOP22i-VG01 van de gemeente Maasdriel bestaande uit:
  1. de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0263.TAMOP22i-VG01;
  2. Het TAM-omgevingsplan Ammerzoden, Hogesteeg 54-58 - Hoofdstuk 22i met identificatienummer NL.IMRO.0263 TAMOP22i-VG01 van de gemeente Maasdriel bestaande uit:
  3. de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0263.TAMOP22i-VG01.
 
2.4 Ambachtelijk bedrijf
een bedrijf, dat is gericht op het geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen van goederen, alsook in verband hiermee en als nevenactiviteit van ondergeschikt belang- het verkopen en/of leveren van goederen.
 
2.5 Bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
2.6 Bedrijf
een locatie, waarbinnen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden vergelijkbaar met of zoals opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten gemengd gebied (bijlage 1 van voorliggend plan).
 
2.7 Bedrijfsgebouw
een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten.
 
2.8 Begane grond
de onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder.
 
2.9 Bestaand
bestaand op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan.
 
2.10 Bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van een kelder en de ruimte(n) in de kap.
 
2.11 Bouwgrens
De grens van een bouwvlak.
 
2.12 Bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
 
2.13 Bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
 
2.14 Detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending overwegend anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
 
2.15 Functie
Het gebruiksdoel dat een onderdeel van de fysieke leefomgeving op een bepaalde locatie heeft.
 
2.16 Gebruik
De wijze waarop gronden en bouwwerken worden gebruikt, waarbij het kan gaan om functies en gebruiksactiviteiten.
 
2.17 Hoofdgebouw
gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
 
2.18 Kampeermiddel
  1. een tent, een tentwagen, een kampeerauto, toercaravans, vouwwagens, campers of huifkarren;
  2. enig ander onderkomen of enig ander voertuig, gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 2.1 lid 1a van de Wabo een omgevingsvergunning voor het bouwen vereist is, een en ander voor zover genoemde onderkomens of voertuigen geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
 
2.19 Locatievlak
Een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een functie.
 
2.20 Nevenactiviteit
een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht ondergeschikt is aan de op de ingevolge dit bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie op een bouwperceel.
 
2.21 Ondersteunende horeca
een horecavoorziening binnen een bestemming waarvan de functie een andere dan horeca is, maar waar men ten behoeve van de hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren.
 
2.22 (openbare) nutsvoorziening
een bouwwerk dat ten dienste staat van het openbaar energietransport dan wel de telecommunicatie, zoals een schakelkast, een elektriciteitshuisje en een verdeelstation.
 
2.23 Openbaar toegankelijk gebied
weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.
 
2.24 Overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met maximaal één gesloten wand.
 
2.25 Risicovolle milieubelastende activiteit
Milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s, zoals genoemd in bijlage VII t/m X van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en daarmee vergelijkbare risicovolle activiteiten waaronder meldingsplichtige vuurwerkopslagen (§5.1.2.4 Bkl), meldingsplichtige opslagen van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (§5.1.2.5 Bkl) en energieopslagsystemen (EOS).
 
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
 
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten.
 
3.1 Meetbepalingen
In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24, gelden de volgende meetbepalingen:
 
3.2 De dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
3.2 De goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
3.3 De inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
3.4 De bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
3.5 De oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
3.6 Het bebouwingspercentage
het percentage van een bouwperceel dat met gebouwen mag worden bebouwd.
 
3.8 Het peil
  1. in geaccidenteerd terrein (in de nabijheid van dijken): ten hoogste 15 cm boven het gemiddelde oorspronkelijke omliggende terrein;
  2. in vlak terrein, voor zover dat oorspronkelijk hoger ligt dan de kruin van de weg: ten hoogste 15 cm boven het oorspronkelijke terrein;
  3. in vlak terrein, voor zover dat oorspronkelijk lager ligt dan de kruin van de weg: ten hoogste 15 cm boven de kruin van de weg.
 
2 Specifieke regels over functies
 
Artikel 4 Bedrijf
 
4.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met
identificatienummer NL.IMRO.0263 TAMOP22i-VG01 is aangewezen voor Bedrijf.
 
4.2 Toedeling van functies aan locatie
Een locatie die is aangewezen als 'Bedrijf’ heeft de volgende functies:
 
  1. bedrijven in categorie 1 of 2 als genoemd in de Staat van bedrijfsactiviteiten gemengd gebied (zie bijlage 1 bij voorliggend plan);
  2. detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit uitsluitend in producten die ter plaatse worden vervaardigd, be- of verwerkt;
  3. ondersteunende horeca in de vorm van het tegen betaling schenken van alcoholvrije dranken toegestaan als ondersteunende activiteit bij ambachtelijke bedrijven;
 
met de daarbij bijbehorende ondergeschikte voorzieningen
  1. tuinen, erven en groenvoorzieningen;
  2. ontsluitingen, parkeervoorzieningen en overige verhardingen;
  3. watergangen, waterretentie, waterzuivering en -infiltratie.
 
4.3 Gebruiksactiviteit - verboden
4.3.1 Algemeen
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 4.2 genoemde functies van de gronden.
 
4.3.2 Specifiek
Het is in ieder geval verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken voor;
  1. detailhandel anders dan benoemd in artikel 4.2 onder b;
  2. het stallen van kampeermiddelen
  3. risicovolle milieubelastende activiteiten
  4. bewoning.
 
4.4 Gebruiksactiviteit – nadere regels
4.4.1 Gebruiksactiviteit – vergelijkbare bedrijfsactiviteiten
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 4.3.2 onder a teneinde bedrijven toe te staan die naar aard en milieubelasting vergelijkbaar zijn met de toegestane bedrijven, mits geen onevenredige aantasting zal plaatsvinden van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en het woon- en leefklimaat.
 
4.4.2 Gebruiksactiviteit – afwijkende bedrijfsactiviteiten
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 4.3.2 onder a teneinde bedrijven toe te staan uit een hogere categorie van de Staat van Inrichtingen (zie Staat van Inrichtingen), mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. er vindt geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden plaats;
  2. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het woon- en leefmilieu;
  3. bedrijven uit maximaal categorie 3 zijn toegestaan.
 
Hiertoe wordt door het bevoegd gezag advies ingewonnen bij een door het bevoegd gezag aan te wijzen onafhankelijke deskundige op het gebied van milieu.
 
4.5 Omgevingsplanactiviteit – Bouwwerken - Algemeen
4.5.1 Functionele relatie
Bouwwerken zijn alleen toegestaan als zij ten dienste staan van de functies genoemd in 4.2.
 
4.5.2. Toegestane bouwwerken
Op en in de gronden als bedoeld in artikel 4 lid 1 mogen uitsluitend de volgende bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de functie:
  1. hoofdgebouwen, uitsluitend binnen het bouwvlak;
  2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
4.5.3 Ondergronds bouwen
  1. Ondergrondse bouwwerken zijn toegestaan binnen de contouren van bovengronds gelegen hoofdgebouw;
  2. De bouwdiepte van ondergrondse bouwwerk mag niet meer bedragen dan 3,00 m onder peil.
 
4.6. Omgevingsplanactiviteit – Bouwwerken - Hoofdgebouwen
4.6.1 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit Bouwwerken voor het bouwen van hoofdgebouwen wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. Het totale bruto vloeroppervlak van de hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan 3556 m2;
  2. een hoofdgebouw bestaat uit maximaal het aantal bedrijfsunits zoals met de aanduiding ‘maximum aantal bedrijven’ is aangegeven in het bouwvlak;
  3. een hoofdgebouw bestaat uit minimaal het aantal bedrijfsunits zoals met de aanduiding ‘minimum aantal bedrijven’ is aangegeven in het bouwvlak;
  4. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd binnen het bouwvlak;
  5. de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven.
 
4.7 Voorwaardelijke verplichting – landschappelijke inpassing
Tot een met dit plan strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruiken en het in gebruik laten nemen van de gronden en bouwwerken voor bedrijfsactiviteiten als de landschappelijke inpassing, inclusief watercompensatie die daar deel van uitmaakt, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze regels, niet is gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
 
4.8 Maatwerkvoorschriften – omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift nadere eisen stellen met betrekking tot de situering en maatvoering van bebouwing, indien en voor zover dit noodzakelijk is:
  1. om de ruimtelijke samenhang met de overige bebouwing veilig te stellen;
  2. om een milieuhygiënisch verantwoorde situering te bevorderen;
  3. om een onevenredige inbreuk op het aanwezige woon- en leefmilieu te voorkomen;
  4. om een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende terreinen te voorkomen.
 
Artikel 5 Groen
 
5.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met
identificatienummer NL.IMRO.0263 TAMOP22i-VG01 is aangewezen voor Groen.
 
5.2 Toedeling van functies aan locatie
Een locatie die is aangewezen als 'Groen’ heeft de volgende functies:
 
  1. groenvoorzieningen;
  2. voet- en fietspaden;
  3. kunstwerken;
  4. parkeervoorzieningen in half verharding;
  5. nutsvoorzieningen, waaronder begrepen leidingen en bijbehorende voorzieningen, (ondergrondse) afvalcontainers en informatiezuilen;
  6. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
 
5.3 Gebruiksactiviteit - verboden
5.3.1 Algemeen
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 5.2 genoemde functies van de gronden.
 
5.3.2 Specifiek
Het is in ieder geval verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken voor;
  1. het stallen van kampeermiddelen.
 
5.4 Omgevingsplanactiviteit – Bouwwerken - Algemeen
5.4.1 Functionele relatie
Bouwwerken zijn alleen toegestaan als zij ten dienste staan van de functies genoemd in 5.2
 
5.4.2. Toegestane bouwwerken
Op en in de gronden als bedoeld in artikel 5 lid 1 mogen uitsluitend de volgende bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de functie:
  1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
5.5 Omgevingsplanactiviteit - Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
5.5.1 Beoordelingsregel - vergunningplicht
De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken geen gebouwen zijnde wordt alleen verleend als:
  1. voor licht- en andere masten: de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 8 m;
  2. voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 4 m.
  
5.6 Voorwaardelijke verplichting – landschappelijke inpassing
Tot een met dit plan strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruiken en het in gebruik laten nemen van de gronden en bouwwerken voor bedrijfsactiviteiten als de landschappelijke inpassing, inclusief watercompensatie die daar deel van uitmaakt, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze regels, niet is gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
 
5.7 Omgevingsplanactiviteit – Werken en werkzaamheden
5.6.1 Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken en/of werkzaamheden te verrichten:
  1. het (ver)graven, verruimen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten;
  2. het dempen, verkleinen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten.
 
5.6.2 Uitzonderingen vergunningplicht
Het verbod van 5.6.1 geldt niet voor werken en/of werkzaamheden:
  1. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit artikel een omgevingsvergunning is verleend;
  2. die ten tijde van het van kracht worden van dit artikel in uitvoering waren;
  3. die betreffen het normale beheer en onderhoud;
  4. die noodzakelijk zijn voor het realiseren van waterbergende voorzieningen.
 
5.6.3 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als er geen onevenredige gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten zijn.
 
Artikel 6 Water
 
6.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met
identificatienummer NL.IMRO.0263 TAMOP22i-VG01 is aangewezen voor Water.
 
6.2 Toedeling van functies aan locatie
Een locatie die is aangewezen als 'Water’ heeft de volgende functies:
 
  1. watergangen en waterretentievoorzieningen;
  2. nutsvoorzieningen, waaronder begrepen leidingen en bijbehorende voorzieningen;
  3. oevers, bermen en groen;
  4. paden en beschoeiingen.
 
6.3 Gebruiksactiviteit - verboden
6.3.1 Algemeen
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 6.2 genoemde functies van de gronden.
 
6.4 Omgevingsplanactiviteit – Bouwwerken - Algemeen
6.4.1 Functionele relatie
Bouwwerken zijn alleen toegestaan als zij ten dienste staan van de functies genoemd in 6.2
 
6.4.2. Toegestane bouwwerken
Op en in de gronden als bedoeld in artikel 6 lid 1 mogen uitsluitend de volgende bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de functie:
  1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
6.5 Omgevingsplanactiviteit - Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
6.5.1 Beoordelingsregel – vergunningplicht
De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken geen gebouwen zijnde wordt alleen verleend als:
  1. voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 4 m.
 
3 Algemene regels over functies
Artikel 7 Toepassingsbereik
 
De regels in dit hoofdstuk gelden in aanvulling op en indien dit nader is bepaald in afwijking van de regels in hoofdstuk 2.
 
Artikel 8 Aanvraagvereisten
 
  1. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat:
    1. het bepaalde in artikel 22.284 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor werken en werkzaamheden in dit plan; en
    2. het bepaalde in 22.286 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een gebruiksactiviteit of een bouwactiviteit in dit plan.
  2. In aanvulling op het bepaalde onder 1 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de aan de omgevingsvergunning verbonden beoordelingsregels
 
Artikel 9 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 10 Algemene bouwregels
 
10.1 Algemeen
Bij de beoordeling van het bepaalde ten aanzien van het bouwen in Hoofdstuk 2 van dit plan worden buiten beschouwing gelaten:
  1. plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden voor ventilatiekanalen, liftopbouwen en schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, overbouwingen, bloemenkozijnen, balkons, galerijen en luifels, erkers mits de bouwgrens, waaraan de voorgevel gelegen is, met niet meer dan 1,5 m overschrijden;
  2. ondergrondse funderingen en ondergrondse bouwwerken, voor zover deze de bouwgrens met niet meer dan 1 m overschrijden;
  3. goten en ondergrondse afvoerleidingen en inrichtingen voor de verzameling van water en rioolstoffen.
 
Artikel 11 Algemene gebruiksregels
 
11.1 Verboden gebruik gronden en opstallen
Het is in ieder geval verboden om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
 
  1. Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven functie en de daarop betrekking hebbende regels voor gebruiksactiviteiten.
  2. Het is in ieder geval verboden om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
    1. een seksinrichting;
    2. zelfstandige bewoning, waar het betreft vrijstaande bijgebouwen;
    3. het huisvesten van tijdelijke werknemers,
    4. het uitoefenen van een bed & breakfast;
    5. het uitoefenen van een kinderdagverblijf;
    6. als opslag-, stort- en of lozingsplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken goederen, grond, stoffen en materialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is ten behoeve van de functies die zijn toegestaan.
  3. In afwijking van lid a kan alleen een omgevingsvergunning worden verleend voor de gebruiksactiviteiten opgenomen in het artikel Omgevingsplanactiviteiten – algemeen (artikel 14) en indien voldaan wordt aan de beoordelingsregels zoals opgenomen in dat artikel.
 
Artikel 12 Maatwerkvoorschrift
 
Met een maatwerkvoorschrift kunnen nadere eisen worden gesteld ten aanzien van de hoogte van het maaiveld en peilhoogte als dit voor een goede inrichting en afwatering van de gronden en aangrenzende percelen noodzakelijk is.
Artikel 13 Omgevingsplanactiviteit – bouwwerken – openbare voorziening
 
13.1.1 Beoordelingsregels
Het omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt, in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 2 van dit plan, alleen verleend:
  1. voor het oprichten van een gebouw ten behoeve van een openbare nutsvoorziening, het openbaar vervoer of het weg- en railverkeer, mits de bebouwde oppervlakte niet meer dan 25 m² en de hoogte niet meer dan 5 m bedraagt.
 
Artikel 14 Omgevingsplanactiviteit – algemeen
 
14.1 Omgevingsplanactiviteit Gebruiksactiviteit - Evenementen
14.1.1 Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken voor evenementen.
 
14.1.2 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
  1. het evenement duurt maximaal 7 dagen, inclusief opbouwen, inrichten, afbreken en opruimen;
  2. er mogen niet meer dan 5 evenementen per jaar plaatsvinden;
  3. er vindt geen horeca ter plaatse plaats, anders dan ondergeschikt en inherent aan het toegestane evenement;
  4. er vindt geen detailhandel ter plaatse plaats, anders dan ondergeschikt en inherent aan het toegestane evenement, met uitzondering van vlooien- en/of rommelmarkten;
  5. er treden geen onomkeerbare gevolgen voor het landschap op;
  6. de belangen van de betreffende bestemmingen worden niet onevenredig aangetast;
  7. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  8. belangen van derden worden niet onevenredig geschaad;
  9. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van in de omgeving aanwezige architectonische, cultuurhistorische of natuurwaarden;
  10. de belangen van in de nabijheid gelegen functies verzetten zich niet tegen het gebruik van de betreffende bestemmingen voor het evenement.
 
Artikel 15 Waterhuishouding
 
Ten behoeve van het voorzien in voldoende waterberging gelden de volgende regels:
  1. Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt slechts verleend nadat afdoende is verzekerd dat wordt voorzien in voldoende waterberging;
  2. Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden waarop de onder a. bedoelde omgevingsvergunning betrekking heeft, is slechts toegestaan wanneer voldoende waterberging in stand wordt gehouden;
  3. Onder voldoende waterberging als genoemd onder a. en b. wordt verstaan dat wordt voldaan aan het hemelwaterbeleid genoemd in het vigerende Water- en Rioleringsplan (WRP) van de gemeente Maasdriel.
 
4 Thematische regels ter bescherming van waarden en objecten
Artikel 16 Waarde Archeologie
 
16.1 Voorrangsbepaling
De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3 van dit plan.
 
16.2 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0263.TAMOP22i-VG01 is aangewezen als 'Waarde - Archeologie'.
 
16.3 Toedeling van functies aan locaties
Een locatie die is aangewezen als Waarde – Archeologie heeft als functie het gronden zijn primair bestemd voor instandhouding behoud en bescherming van de archeologische oudheidkundig waardenvolle elementen en terreinen van de gronden.
 
16.4 Omgevingsplanactiviteit - bouwwerken
16.4.1 Aanvullende beoordelingsregels
  1. De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als naar oordeel van het bevoegd gezag:
    1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
    2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
    3. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad.
  2. Voordat het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 winnen zij schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige.
 
16.4.2 Aanvullende aanvraagvereisten
  1. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een deskundig archeologisch rapport overgelegd waarin:
    1. de archeologische waarden van de gronden in voldoende mate zijn vastgesteld, en;
    2. in voldoende mate is aangegeven hoe de archeologische waarden worden beschermd en behouden.
  2. Een deskundige rapport is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
 
16.4.3 Aanvullende vergunningvoorschriften
Het bevoegd gezag kan, in het belang van bescherming en behoud van de archeologische waarden,
één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de activiteit die leidt tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties;
  4. nadere eisen aan de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden.
 
16.5 Omgevingsplanactiviteit –werken en werkzaamheden
16.5.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder een omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:
  1. grondwerken, waartoe in ieder geval worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, ophogen en ook het vergraven, wegruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  2. het verlagen en verhogen van het waterpeil, waaronder het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  3. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard, waarbij stobben worden verwijderd;
  4. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  5. het aanleggen en verwijderen van verhardingen ten behoeve van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen;
  6. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
 
16.5.2 Uitzondering vergunningplicht
Het verbod van 16.5.1 geldt niet voor werken en werkzaamheden die:
  1. het normale beheer en onderhoud betreffen;
  2. onderdeel uitmaken van een archeologisch onderzoek of daarop gericht zijn;
  3. de archeologische waarden niet onevenredig kunnen schaden, hetgeen met archeologisch onderzoek is aangetoond en het bevoegd gezag heeft ingestemd;
  4. worden uitgevoerd op en in gronden waarvan met archeologisch onderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn en het bevoegd gezag heeft ingestemd;
  5. betreffen het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen of ontgronden is vereist;
  6. mogen worden uitgevoerd krachtens een al verleende omgevingsvergunning;
  7. al in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
 
16.5.3 Beoordelingsregels
  1. De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit werken en werkzaamheden wordt alleen verleend als:
    1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
    2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
    3. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad.
  2. Voordat het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 winnen zij schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige over de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
  
16.5.4 Aanvraagvereisten
  1. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een deskundig archeologisch rapport overgelegd waarin:
    1. de archeologische waarden van de gronden in voldoende mate zijn vastgesteld, en;
    2. in voldoende mate is aangegeven hoe de archeologische waarden worden beschermd en behouden.
  2. Een deskundige rapport is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
 
16.5.5 Voorschriften
Het bevoegd gezag kan, in het belang van bescherming en behoud van de archeologische waarden,
één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de activiteit die leidt tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties;
  4. nadere eisen aan de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden.
 
Artikel 17 Waterstaat - Waterlopen
 
17.1 Voorrangsbepaling
De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3 van dit plan.
 
17.2 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0263.TAMOPHgstg54mmzd is aangewezen als Waterstaat – Waterlopen.
 
17.3 Toedeling van functies aan locaties
Een locatie die is aangewezen als Waterstaat – Waterlopen heeft de functie:
  1. watergang;
  2. onderhoudsstrook van 4m breed aan weerszijden van de watergang.
 
17.4 Omgevingsplanactiviteit – bouwwerken
17.4.1 Aanvullende beoordelingsregels
  1. De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als naar oordeel van het bevoegd gezag de watergang in voldoende mate wordt beschermd;
  2. Voordat het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 winnen zij schriftelijk advies in bij de beheerder van de watergang.
  
17.4.2 Uitzondering
Het bepaalde in artikel 17.4.1 geldt niet voor bouwwerken met een maximale hoogte van 1m en ten dienste staan van de functies genoemd in 17.3.
 
5 Overgangsrecht
Artikel 18 Overgangsrecht
 
18.1 Overgangsrecht bouwwerken
18.1.1. Algemeen
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
 
18.1.2 Afwijking bij omgevingsvergunning
Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 18.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 18.1.1 met maximaal 10 %.
 
18.1.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken
Het bepaalde in 16.1.1. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
 
18.2 Overgangsrecht gebruik
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
 
18.2.1 Algemeen
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
 
18.2.2 Strijdig gebruik
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 18.2.1 te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
 
18.2.3 Onderbroken gebruik
Indien het gebruik, bedoeld in artikel 18, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
 
18.2.4 Uitzondering
Het bepaalde in 18.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.