Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM- omgevingsplan Hoorzik 15 - Hoofdstuk 22c
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0263.TAMOP22c-VG01

Regels

Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Hoorzik 15, Kerkdriel en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22c) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Maasdriel. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit plan) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22c van het omgevingsplan van de gemeente Maasdriel. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22c' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22c' gelezen worden.
1 Inleidende bepalingen
 
Artikel 1 Toepassingsbereik
1.1 Omgevingsplan Maasdriel
Dit plan wijzigt het omgevingsplan Maasdriel in die zin dat na hoofdstuk 22 een hoofdstuk 22c wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan.
 
1.2 Tijdelijk omgevingsplan - Wro-besluiten
  1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4.
  2. Het eerste lid geldt niet voor het bestemmingsplan 'Parapluherziening verkamering woningen 2020' met identificatienummer 'NL.IMRO.0263.BP1207-VG01'.
  3. Het eerste lid geldt niet voor het bestemmingsplan ‘Parapluherziening parkeren 2022’ met identificatienummer ‘NL.IMRO.0263.BP1217-VG01’.
1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van de regels van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit plan.
 
1.4 Verwijzing naar verbeelding
De regels in dit plan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c standaard VAB-initiatief, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0263.TAMOP22c-VG01.
 
Artikel 2 Begripsbepaling
 
2.1 Van toepassing verklaring
  1. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit plan;
  2. Het eerste lid geldt niet voor het begrip Bijbehorende bouwwerk uit het Besluit bouwwerken leefomgeving;
  3. Het eerste lid geldt niet voor het begrip Wooneenheid uit het Besluit bouwwerken leefomgeving.
2.2 Aanvullende begrippen
In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit plan de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.24 gehanteerd.
 
2.3 Plan
Het TAM- omgevingsplan Hoorzik 15 - Hoofdstuk 22c met identificatienummer NL.IMRO.0263.TAMOP22c-VG01 van de gemeente Maasdriel bestaande uit:
  1. de geometrisch bepaalde planobjecten zoals vervat in het GMLbestand met identificatienummer NL.IMRO.0263.TAMOP22c-VG01; 
  2. de in dit plan opgenomen regels, en;
  3. de daarbij behorende bijlagen.
2.4 Aan huis verbonden (bedrijfs)activiteiten
Het verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke - geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen - bedrijvigheid welke zijn opgenomen in categorie 1 en 2 van Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten, waarvan de aard, omvang en uitstraling zodanig zijn, dat de activiteit in de (bedrijfs)woning en/of de daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie ter plaatse, kan worden uitgeoefend. Detailhandel, niet zijnde ondergeschikte detailhandel, behoort niet tot een aan huis verbonden (bedrijfs)activiteit.
 
2.5 Aan huis verbonden beroepen
Het in een (bedrijfs)woning met bijbehorende gebouwen beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerp-technisch of hiermee gelijk te stellen gebied, zulks met behoud van de woonfunctie als hoofdfunctie van de betreffende woning.
 
2.6 Achtergevel
Een van de openbare weg en/of fiets- en voetpad afgekeerde gevel van een hoofdmassa.
 
2.7 Bebouwing
Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
 
2.8 Bed & breakfast
Een kleinschalige overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een primair toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt, waarbij de bed & breakfast ondergeschikt is aan de hoofdfunctie, met dien verstande dat:
  1. ondergeschikt zakelijk verblijf ook is toegestaan mits
    1. maximaal één persoon per kamer is toegestaan;
    2. zakelijk verblijf alleen kan plaatsvinden op doordeweekse dagen.
2.9 Bestaand
  1. ten aanzien van bebouwing:
    bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan legaal aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een verleende omgevingsvergunning;
  2. ten aanzien van gebruik:
    het legale gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan.
2.10 Bijbehorend bouwwerk
Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde bouwperceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of bouwwerk, geen gebouw zijnde dat zowel ruimtelijk als functioneel ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Daarbij geldt dat een overkapping geen bijbehorend bouwwerk betreft.
 
2.11 Bouwen
Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
 
2.12 Bouwwerk
Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
 
2.13 Functie
Het gebruiksdoel dat een onderdeel van de fysieke leefomgeving op een bepaalde locatie heeft.
 
2.14 Gebouw
Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
2.15 Gebruik
De wijze waarop gronden en bouwwerken worden gebruikt, waarbij het kan gaan om functies en gebruiksactiviteiten.
 
2.16 Hoofdgebouw
Gebouw, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
 
2.17 Locatievlak
Een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een functie.
 
2.18 Overkapping
Een voor mensen toegankelijke, overdekte en met maximaal 1 wand - die al dan niet deel uitmaken van de constructie - omsloten ruimte.
 
2.19 Paardenbak
Een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein met een andere ondergrond dan gras, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony's en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen.
 
2.20 Peil
  • Voor gebouwen grenzend aan een weg, de kruin van de weg ter plaatse van het gebouw;
  • Voor dijkwoningen: de bestaande gemiddelde hoogte van het maaiveld op het punt waar deze grenst aan de gevel die is gericht naar de weg;
  • In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein;
  • Indien in of op het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterpeil ter plaatse.
 
2.21 Voorgevel
Een naar de openbare weg en/of fiets- en voetpad en/of groenvoorziening toegekeerde gevel of gevels van een hoofdmassa.
 
2.22 Voorgevelrooilijn
Denkbeeldige lijn getrokken langs de voorgevel van een gebouw en het verlengde daarvan.
 
2.23 Wonen
Het huisvesten van een huishouding in een woning/wooneenheid.
 
2.24 Woning
Een (gedeelte van een) gebouw dat uitsluitend mag worden gebruikt voor de huisvesting van één huishouden.
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
 
3.1 Meetbepalingen
In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24, gelden de volgende meetbepalingen:
 
3.2 goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, uitgezonderd dakkapellen;
 
3.3 inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
 
3.4 bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 
3.5 oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein;
 
3.6 dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
 
3.7 bebouwingspercentage
een in de regels aangegeven percentage van de gronden, nader bepaald in de regels, dat ten hoogste mag worden bebouwd.
 
2 Specifieke regels over functies
Artikel 4 Wonen
4.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0263.TAMOP22c-VG01 is aangewezen als 'Wonen - Buitengebied'.
 
4.2 Functieomschrijving
Een locatie die is aangewezen als Wonen - Buitengebied heeft de volgende functies:
  1. wonen;
  2. aan huis verbonden beroepen, overeenkomstig het bepaalde in 4.4.1;
  3. een paardenbak, overeenkomstig het bepaalde in 4.4.2;  
  4. waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden van water, bergen, aan- en afvoeren van water en natuurvriendelijke oeverzones langs watergangen;
  5. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van water - beschermingszone' de beschermingszone behorende bij de aangrenzende primaire watergang; 
  6. ontsluiting van percelen;
een en ander met de bijbehorende voorzieningen
  1. tuinen;
  2. erven;
  3. paden, groen- en parkeervoorzieningen.
4.3 Gebruiksactiviteit - Verboden
 
4.3.1 Algemeen
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 4.2 genoemde functies van de gronden.
 
4.3.2 Specifiek
  1. Het is in ieder geval verboden om vrijstaande bijbehorende bouwwerken te gebruiken voor (zelfstandige) bewoning;
  2. het is verboden om ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - waterberging' langdurig te verblijven. Deze gronden mogen uitsluitend worden gebruikt als waterbergingsvoorziening of voor beplanting. Gebruik voor langdurig menselijk verblijf is niet toegestaan.
4.4 Gebruiksactiviteit - Nadere regels
 
4.4.1 Aan huis verbonden beroep
Het is alleen toegestaan ruimten binnen de woning, met inbegrip van aan- en uitbouwen en bijgebouwen te gebruiken voor een aan huis verbonden beroep als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1.  voor de uitoefening van de activiteit wordt maximaal 30 m² vloeroppervlak gebruikt;
  2. de aan-huis-verbonden-beroepsactiviteit wordt alleen door de bewoner van de woning uitgeoefend.
4.4.2 Paardenbak
  1. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een paardenbak is toegestaan;
  2. de grens van het locatievlak 'Wonen - Buitengebied' mag met 10 m worden overschreden ter plaatse van een aansluitend locatievlak 'Agrarisch' of 'Agrarisch met waarden', mits minimaal 75% van de paardenbak gelegen is binnen het locatievlak 'Wonen - Buitengebied'.
4.5 Gebruiksactiviteit - Aan-huis-verbonden bedrijf
 
4.5.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken voor een aan-huis-verbonden-bedrijf.
 
4.5.2 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit aan-huis-verbonden-bedrijf wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. de woonfunctie blijft als overwegende functie gehandhaafd;
  2. het gebruik levert geen onevenredige hinder op voor het woon- en leefmilieu en doet geen afbreuk aan het karakter van de buurt;
  3. het bedrijf wordt door de bewoner geëxploiteerd;
  4. het gebruik heeft geen nadelige invloed op de afwikkeling van het verkeer en leidt niet tot onevenredige parkeerdruk;
  5. parkeren vindt plaats op eigen terrein;
  6. detailhandel of handel is alleen toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van de aan huis-verbonden bedrijfsactiviteit;
  7. voor de uitoefening van de activiteit wordt maximaal 30 m² vloeroppervlak gebruikt.
4.6 Gebruiksactiviteit - Recreatieve activiteiten
4.6.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken voor recreatieve activiteiten zoals het verstrekken van logies en ontbijtvoorzieningen (bed & breakfast), horeca-activiteiten (theetuin en soortgelijke activiteiten), exposities, verhuur van fietsen, huifkarren.
 
4.6.2 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit recreatieve activiteiten wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. de woonfunctie blijft in overwegende mate behouden;    
  2. de activiteit dient plaats te vinden binnen de bestaande gebouwen dan wel binnen het locatievlak 'Wonen - Buitengebied' als het buitenactiviteiten betreffen;
  3. de activiteit gebruikt maximaal 30% van het vloeroppervlak van de op het perceel aanwezige bebouwing tot een maximum van 150 m²;
  4. als het betreft logies, zijn maximaal 5 appartementen toegestaan;
  5. er is geen sprake van onevenredige aantasting van de bestaande landschappelijke waarden;        
  6. het gebruik leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;
  7. het gebruik heeft geen nadelige invloed op de afwikkeling van het verkeer en/of leiden tot onevenredige parkeerdruk;
  8. parkeren vindt plaats op eigen terrein.
4.7 Omgevingsplanactiviteit - Bouwwerken - Algemeen
 
4.7.1 Functionele relatie
Bouwwerken zijn alleen toegestaan als zij ten dienste staan van de functies genoemd in 4.2.
 
4.7.2 Toegestane bouwwerken
Op de gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:
  1. hoofdgebouwen;
  2. bijbehorende bouwwerken;
  3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
met die verstande dat het verboden is te bouwen op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van water - beschermingszone' en 'specifieke vorm van wonen - waterberging'.
 
4.8 Omgevingsplanactiviteit - Bouwwerken - Hoofdgebouwen
4.8.1 Beoordelingsregels hoofdgebouwen
De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. hoofdgebouwen worden uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd;
  2. per bouwvlak is één hoofdgebouw toegestaan:
  3. de goothoogte van hoofdgebouwen is maximaal 6,5 m, of maximaal de aangegeven goothoogte ter plaatse van het locatievlak 'maximum goothoogte (m)';
  4. de bouwhoogte van hoofdgebouwen is maximaal 11 m, of maximaal de aangegeven bouwhoogte ter plaatse van het locatievlak 'maximum bouwhoogte (m)';
  5. de inhoud van een hoofdgebouw is maximaal 750 m³, of maximaal de aangegeven inhoud ter plaatse van het locatievlak 'maximum inhoud (m³)'.
4.9 Omgevingsplanactiviteit - Bouwwerken - Bijbehorende bouwwerken
 
4.9.1 Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken
De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend worden opgericht op minimaal 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw, met dien verstande dat carports daarvan zijn uitgezonderd;
  2. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag per woning maximaal 100 m2 bedragen, met een maximum bebouwingspercentage van 50% van het bouwperceel achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw, met dien verstande dat:
    1. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 3,5 m bedragen, met dien verstande dat de goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken de hoogte van de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,25 cm mag bedragen;    
    2. de bouwhoogte mag niet meer dan 6,5 m bedragen;
  3. voor het bouwen van aangebouwde bijbehorende bouwwerken gelden voorts de volgende regels:
    1. de maximale diepte aan de achtergevel van het hoofdgebouw mag maximaal 5,5 m bedragen;
    2. de maximale breedte aan de zijgevel van het hoofdgebouw mag maximaal 5 m bedragen;
    3. het plaatsen van hekwerken op aangebouwde bijbehorende bouwwerken is toegestaan, indien en voor zover het hekwerk als een afscheiding geldt voor een dakterras en indien het hekwerk niet hoger is dan 1 m;
  4. de bouwhoogte van overkappingen mag niet meer dan 3 m bedragen;
  5. de afstand van bijbehorende bouwwerken tot de zijdelingse bouwperceelgrens bedraagt minimaal 1 m bij vrijstaande woningen.
4.10 Omgevingsplanactiviteit - Bouwwerken - Geen gebouw zijnde
 
4.10.1 Algemeen
In aanvulling op artikel 22.27 en 22.36 omgevingsplan Maasdriel en artikel 2.29 Besluit bouwwerken leefomgeving geldt het verbod van artikel 22.26 omgevingsplan Maasdriel niet voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. de bouwhoogte van pergola's en overkappingen mag niet meer dan 3 m bedragen; 
  2. de oppervlakte van paardenbakken mag niet meer dan 1.200 m2 bedragen;
  3. zwembaden mogen achter (het verlengde van) de achtergevel van het hoofdgebouw gebouwd, waarbij de bouwhoogte niet meer dan 1,2 m mag bedragen;
4.11 Omgevingsplanactiviteiten - Bouwwerken - Ondergronds bouwen
 
4.11.1 Algemeen
Onder gebouwen mag ondergronds worden gebouwd indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. ondergrondse gebouwen gelegen buiten de buitenzijde van de gevels van de bovengrondse gebouwen zijn niet toegestaan;
  2. de diepte van de ondergrondse bebouwing mag niet meer bedragen dan 3,5 m onder peil;      
  3. onder buitendijks gelegen gebouwen mag niet onder peil worden gebouwd, met dien verstande dat het funderen van een gebouw onder peil wel is toegestaan; 
  4. onder plaatsgebonden kampeermiddelen (inclusief de daarbij behorende bergingen) mag niet onder peil worden gebouwd;  
  5. de toegang tot de ondergrondse gebouwen van buitenaf is toegestaan, mits deze toegang niet zichtbaar is vanaf de openbare weg.
4.12 Omgevingsplanactiviteit - woningsplitsing
4.12.1 Beoordelingsregels woningsplitsing
De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit woningsplitsing wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. het hoofdgebouw is gelegen ter plaatse van het locatievlak 'cultuurhistorische waarden';
  2. het splitsen van het hoofdgebouw noodzakelijk is voor het herstel of de verbetering van de te beschermen architectonische of cultuurhistorische waarden;
  3. het hoofdgebouw in maximaal 2 woningen splitst;
  4. de inhoud van het hoofdgebouw niet wordt vergroot, en;
  5. iedere woning een inhoud heeft van minimaal 350 m²;
  6. per woning is één vrijstaand bijbehorend bouwwerk toegestaan van maximaal 50 m²;
  7. de woningsplitsing leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkeling van de omliggende agrarische percelen voortvloeiend uit de milieuwetgeving;
  8. de te realiseren woning dient te passen binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma;
  9. de gemeentelijke adviescommissie voor monumenten is gehoord.
3 Algemene regels over functies
Artikel 5 Toepassingsbereik
De regels in dit hoofdstuk gelden in aanvulling op en indien dit nader is bepaald in afwijking van de regels in Hoofdstuk 2.
 
Artikel 6 Aanvraagvereisten
  1. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan Maasdriel, zijn ook van toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat:
    1. het bepaalde in artikel 22.284 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor werken of werkzaamheden in dit plan, en;
    2. het bepaalde in 22.286 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een gebruiksactiviteit of bouwactiviteit in dit plan.
  2. In aanvulling op het eerste lid worden bij de aanvraag omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de beoordelingsregels die verbonden zijn aan de omgevingsvergunning.
Artikel 7 Specifieke beoordelingsregels bouwen
 
7.1 Algemeen
Bij de beoordeling van het bepaalde ten aanzien van het bouwen in Hoofdstuk 2 van dit plan worden buiten beschouwing gelaten:
  1. plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden voor ventilatiekanalen, liftopbouwen en schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, overbouwingen, bloemenkozijnen, balkons, galerijen en luifels, erkers mits de bouwgrens, waaraan de voorgevel gelegen is, met niet meer dan 1,5 m overschrijden;
  2. ondergrondse funderingen en ondergrondse bouwwerken, voor zover deze de bouwgrens met niet meer dan 1 m overschrijden;     
  3. goten en ondergrondse afvoerleidingen en inrichtingen voor de verzameling van water en rioolstoffen.
Artikel 8 Algemene gebruiksactiviteiten
 
8.1 Verboden gebruik gronden
Het is in ieder geval verboden om de gronden te gebruiken ten behoeve van:
  1. als opslag-, stort-, lozings- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen of producten, behoudens voor zover dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  2. als terrein voor het al dan niet voor de verkoop opslaan of opstellen van ongebruikte en/of gebruikte, dan wel geheel of gedeeltelijk uit gebruikte onderdelen samengestelde machines, voer-, vaar- of vliegtuigen c.q. onderdelen daarvan, die bruikbaar en niet aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken zijn, behoudens voor zover het betreft parkeren of voor zover dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  3. als opslagplaats van hout en/of aannemersmaterialen, behoudens voor zover dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond of ten behoeve van bouw of andere tijdelijke werkzaamheden;
  4. voor het (doen) uitoefenen van straatprostitutie;
  5. voor het plaatsen van reclame-uitingen.
8.2 Verboden gebruik gebouwen
Het is in ieder geval verboden om bouwwerken te gebruiken ten behoeve van:
  1. het verkopen of ten verkoop aanbieden van goederen;
  2. permanente bewoning van niet voor bewoning bestemde gebouwen of ruimten, zoals kampeermiddelen; 
  3. het (doen) exploiteren van een seksinrichting.
Artikel 9 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
 
Artikel 10 Maatwerkvoorschrift - maaiveld - peilhoogte
Met een maatwerkvoorschrift kunnen nadere eisen worden gesteld ten aanzien van de hoogte van het maaiveld en peilhoogte indien dit voor een goede inrichting en afwatering van de gronden en aangrenzende percelen noodzakelijk is.
 
Artikel 11 Voorwaardelijke verplichtingen
11.1 Waterberging
Onderstaande regels betreft de herziening dan wel aanvulling van de regels inzake waterbergingen.
 
11.1.1 Voorwaardelijke verplichting waterbergingen
  1. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen staat vast dat wordt voorzien in een waterberging. De compensatienorm voor de hemelwatervoorziening is minimaal 43,6 mm/m² (T=10+10%) voor alle te handhaven bestaande en nieuwe verharde oppervlakten binnen het plangebied. De inhoud van de waterberging en de omvang van de andere maatregelen worden vastgesteld met toepassing van het “Hemelwaterbeleid gemeente Maasdriel” behorende als bijlage C bij het Water- en Rioleringsplan Bommelerwaard 2022-2026 of diens rechtopvolger;
  2. Als de onder lid a bedoelde (beleids)regelingen worden gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.
11.1.2 Uitzondering
  1. Artikel 11.1.1 is niet van toepassing op bouwplannen waarover voor inwerkingtreding van dit bestemmingsplan privaatrechtelijke afspraken over waterbergingen tussen de initiatiefnemer en de gemeente zijn gemaakt.
  2. Artikel 11.1.1 is niet van toepassing op bouwplannen met een nieuw verhard oppervlak kleiner dan 50 m².
  3. Op de waterbergingsopgave zoals berekend wordt conform artikel 11.1.1 kan beschikbare bestaande waterberging in een hemelwatervoorziening voor bestaand verhard oppervlak, indien aantoonbaar, in mindering worden gebracht.
11.1.3 Afwijkende eisen
Het bevoegd gezag kan bij de omgevingsvergunning afwijkende eisen stellen ten aanzien van de waterberging, zoals bedoeld in artikel 11.1.1 indien dit, gelet op de feitelijke omstandigheden, noodzakelijk is. De initiatiefnemer stelt hiervoor, in overleg met de gemeente, een motivering en berekening op.
 
11.2 Peilen
Onderstaande regels betreft de herziening van de regels inzake peilen.
 
11.2.1 Voorwaardelijke verplichting peilen
  1. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen staat vast dat wordt voldaan aan het bouwpeil en het vloerpeil. De omvang van het bouwpeil en het vloerpeil worden vastgesteld met toepassing van het Water- en Rioleringsplan Bommelerwaard 2022-2026.
    • Het bouwpeil ligt op de minimale hoogte van het peil op bouwplanniveau.
    • Het vloerpeil van de woning ligt minimaal 30 cm boven het hoogste punt van de weg of verharding als er geen rijbaan ligt of alleen een voetpad. Het vloerpeil dient in samenspraak met gemeente met gemeente bepaald te worden.
  2. Als de onder lid a bedoelde (beleids)regelingen worden gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.
11.2.2 Uitzondering
Artikel 11.2.1 is niet van toepassing op bouwplannen waarover voor inwerkingtreding van dit bestemmingsplan privaatrechtelijke afspraken over peilen tussen de initiatiefnemer en de gemeente zijn gemaakt.
 
11.2.3 Afwijkende eisen
Het bevoegd gezag kan bij de omgevingsvergunning afwijkende eisen stellen ten aanzien van de peilen, zoals bedoeld in artikel 11.2.1 indien dit, gelet op de feitelijke omstandigheden, noodzakelijk is. De initiatiefnemer stelt hiervoor, in overleg met de gemeente, een motivering en berekening op.
 
11.3 Erfinrichtingsplan
 
11.3.1 Voorwaardelijke verplichting erfinrichtingsplan
  1. binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van onderhavig TAM-omgevingsplan dient het erfinrichtingsplan zoals in opgenomen in bijlage 3 te zijn aangelegd.
  2. het gebruiken en (doen) laten gebruiken van de voor 'Wonen - Buitengebied' aangewezen gronden is alleen toegestaan wanneer het erfinrichtingsplan zoals opgenomen in bijlage 3 wordt beheerd en duurzaam in stand wordt gehouden.
11.4 Sloop bedrijfsgebouwen
11.4.1 Voorwaardelijke verplichting sloop bedrijfsgebouwen
  1. Het gebruiken van de voor 'Wonen - Buitengebied ' aangewezen gronden is alleen toegestaan indien de voormalige bedrijfsgebouwen, zoals aangegeven op bijlage 2, volledig zijn gesloopt.
  2. De in lid 1 bedoelde sloop dient uiterlijk binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan te zijn voltooid.
  3. Het is niet toegestaan de gronden te gebruiken overeenkomstig de bestemming zolang niet is voldaan aan de in lid 1 en lid 2 opgenomen verplichting.
4 Thematische regels ter bescherming van waarden en objecten
Artikel 12 Waarde - Archeologie 3
12.1 Voorrangsregeling
De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3 van dit plan.
 
12.2 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0263.TAMOP22c-VG01 is aangewezen als Waarde - Archeologie 3.
 
12.3 Toedeling van functies aan locaties
Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologie 3 heeft als functie het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.
 
12.4 Omgevingsplanactiviteit - Bouwen
12.4.1 Aanvullende beoordelingsregels
  1. De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als naar oordeel van het bevoegd gezag:
    1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
    2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
    3. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad.
  2. Voordat het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de archeologische deskundige.
12.4.2 Aanvullende aanvraagvereisten
  1. bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een deskundig archeologisch rapport overgelegd waarin:
    1. de archeologische waarden van de gronden in voldoende mate zijn vastgesteld, en;
    2.  in voldoende mate is aangegeven hoe de archeologische waarden worden beschermd en behouden.
  2. Een deskundige rapport is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
12.4.3 Aanvullende vergunningsvoorschriften
Het bevoegd gezag kan, in het belang van bescherming en behoud van de archeologische waarden, één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waaronder archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties;
  4. nadere eisen aan de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden.
12.4.4 Advies archeoloog
Het bepaalde in 12.4 geldt niet bij:
  1. een verstoringsoppervlakte tot maximaal 500 m² en een verstoringsdiepte tot maximaal 30 cm onder het bestaande maaiveld, of;
  2. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken waarbij de bestaande fundering wordt gebruikt en de oppervlakte niet vergroot.
12.5 Omgevingsplanactiviteit voor werken en/of werkzaamheden
12.5.1 Vergunningsplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken en/of werkzaamheden te verrichten:
  1. grondwerken, waartoe in ieder geval worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, ophogen en ook het vergraven, wegruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  2. het verlagen en verhogen van het waterpeil, waaronder het tot stand brengen of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  3. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard, waarbij stobben worden verwijderd;
  4. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  5. het aanleggen en verwijderen van verhardingen voor wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen;
  6. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen.
12.5.2 Uitzondering vergunningsplicht
Het verbod van 12.5.1 geldt niet voor werken en/of werkzaamheden die:
  1. een verstoringsoppervlakte hebben van maximaal 500m² en een verstoringsdiepte van maximaal 30 cm onder het bestaande maaiveld;
  2. het normale beheer of onderhoud betreffen;
  3. onderdeel uitmaken van een archeologisch onderzoek of daarop gericht zijn;
  4. de archeologische waarden niet onevenredig kunnen schaden, hetgeen met archeologisch onderzoek is aangetoond en het bevoegd gezag heeft ingestemd;
  5. worden uitgevoerd op en in gronden waarvan met archeologisch onderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn en het bevoegd gezag heeft ingestemd;
  6. betreffen het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen of ontgronden is vereist;
  7. mogen worden uitgevoerd krachtens een al verleende omgevingsvergunning;
  8. al in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.
12.5.3 Beoordelingsregels
  1. De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit werken en werkzaamheden wordt alleen verleend als:
    1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
    2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
    3. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad.
  2. Voordat het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid winnen zij schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige over de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden moeten worden gesteld.
12.5.4 Aanvullende aanvraagvereisten
  1. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een deskundig archeologisch rapport overgelegd waarin:
    1. de archeologische waarden van de gronden in voldoende mate zijn vastgesteld, en;
    2. in voldoende mate is aangegeven hoe de archeologische waarden worden beschermd en behouden.
  2. Een deskundige rapport is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
12.5.5 Voorschriften
Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Artikel 13 Waarde - Archeologie 6
13.1 Voorrangsregeling
De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3 van dit plan.
 
13.2 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0263.TAMOP22c-VG01 is aangewezen als Waarde - Archeologie 6.
 
13.3 Toedeling van functies aan locaties
Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologie 6 heeft als functie het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.
 
13.4 Omgevingsplanactiviteit - Bouwen
13.4.1 Aanvullende beoordelingsregel
  1. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende functie(s) dient de aanvrager van een omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 5.000 m² en dieper dan 30 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld én waarin in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
  2. Voor het oprichten van bouwwerken en andere werken binnen bouwvlakken in de functie 'Wonen' geldt geen onderzoeksplicht naar archeologische waarden. Indien het bouwvlak overeenkomt met het locatievlak, geldt voor het gehele locatievlak geen onderzoeksplicht.
  3. Geen onderzoeksplicht geldt in het geval van vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
  4. Voor zover op basis van ander documentatiemateriaal onmiskenbaar vaststaat dat archeologische waarden niet zijn te verwachten, kan met instemming van het bevoegd gezag (veelal de gemeente) onderzoek achterwege blijven en vormt archeologie geen belemmering. Bij anders documentatiemateriaal kan bijvoorbeeld het gaan om onderzoek dat al heeft plaatsgevonden en waaruit bleek dat er geen archeologische waarden aanwezig waren of dat toereikende maatregelen genomen konden worden om aanwezige waarden in de bodem te behouden.
13.4.2 Aanvullende aanvraagvereisten
Het in 13.4.1 genoemde rapport hoeft niet overlegd te worden indien de genoemde omgevingsvergunning de bouw van een kas betreft waarbij, mits vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij een ter zake deskundige:
  1. de daadwerkelijke bodemingreep dieper dan 30 cm minder dan 10% van de oppervlakte van de te realiseren kas bedraagt;
  2. en voorts de daadwerkelijke bodemingreep dieper dan 30 cm niet meer dan 5.000 m² betreft.
13.4.3 Aanvullende vergunningsvoorschriften
Indien uit het in 13.4.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
13.4.4 Verbod
Indien uit het in 13.4.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in 13.4.3 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan kan de vergunning worden geweigerd.
 
13.5 Omgevingsplanactiviteit voor werken en/of werkzaamheden
13.5.1 Vergunningsplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken en/of werkzaamheden te verrichten
  1. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 5.000 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 centimeter;
  2. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 5.000 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 centimeter;
  3. het verlagen of het verhogen van het waterpeil;
  4. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 5.000 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 centimeter;
  5. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bos zijn bestemd, zulks indien de oppervlakte 5.000 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 centimeter;
  6. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 5.000 m² of meer bedraagt en de bodem op een grotere diepte dan 30 cm wordt verstoord;
  7. het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 5.000 m² of meer bedraagt en de bodem op een grotere diepte dan 30 cm wordt verstoord;
  8. het scheuren van grasland, zulks indien de oppervlakte 5.000 m² of meer bedraagt en de bodem op een grotere diepte dan 30 cm wordt verstoord;
  9. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 centimeter; waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen, zulks indien de oppervlakte 5.000 m² of meer bedraagt.
13.5.2 Uitzondering vergunningsplicht
  1. Het verbod van 13.5.1 geldt niet voor werken en/of werkzaamheden die:
    1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen;
    2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
  2. Voor zover op basis van ander documentatiemateriaal onmiskenbaar vaststaat dat archeologische waarden niet zijn te verwachten (bijvoorbeeld als al onderzoek heeft plaatsgevonden, waaruit bleek dat er geen archeologische waarden aanwezig waren of dat toereikende maatregelen genomen konden worden om aanwezige waarden in de bodem te behouden), kan met instemming van het bevoegd gezag (veelal de gemeente) onderzoek achterwege blijven en bestaan vanuit de archeologie geen belemmeringen.
13.5.3 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheden op grond van het (tijdelijke) Omgevingsplan Maasdriel kan slechts worden verleend, indien door de in 13.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden.
 
13.5.4 Aanvullende aanvraagvereisten
Voor zover de in 13.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de vergunning worden verleend, indien aan de vergunning één van de volgende voorschriften wordt verbonden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
13.5.5 Voorschriften
De omgevingsvergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin:
  1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en
  2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
5 Overgangsregels
Artikel 14 Overgangsrecht
14.1 Overgangsrecht bouwwerken
14.1.1 Algemeen
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergoot:
  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
14.1.2 Afwijken bij omgevingsvergunning
Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 14.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 14.1.1 met maximaal 10%.
 
14.1.3 Uitzondering
Het bepaalde in 14.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
 
14.2 Overgangsrecht gebruik
14.2.1 Algemeen
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
 
14.2.2 Strijdig gebruik
Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in 14.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  
14.2.3 Onderbroken gebruik
Indien het gebruik, bedoeld in 14.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
 
14.2.4 Uitzondering
Het bepaalde in 14.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit artikel, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.