direct naar inhoud van Regels

Kernen Heumen, Overasselt, Nederasselt en Molenhoek

Status: Vastgesteld
Idn: NL.IMRO.0252.GHbpkernenHONMh-VA01

Artikel 4 Bedrijf

 

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 (Staat van bedrijfsactiviteiten) onder de milieucategorieën 1 en 2, met uitzondering van:

  1. geluidzoneringsplichtige inrichtingen;

  2. risicovolle inrichtingen, inclusief propaantanks;

  1. ter plaatse van de aanduiding:

  1. 'specifieke vorm van bedrijf - molen' uitsluitend een molenbedrijf;

  2. 'specifieke vorm van bedrijf - smederij' uitsluitend een smederij;

  3. 'kantoor' uitsluitend een kantoor;

  4. 'nutsvoorziening' uitsluitend een nutsvoorziening;

  5. ‘verkooppunt motorbrandstoffen met lpg’ uitsluitend een verkooppunt voor motorbrandstoffen met vulpunt lpg;

  6. 'detailhandel' tevens detailhandel;

  7. 'specifieke vorm van maatschappelijk - hondenpension' uitsluitend een hondenpension;

  8. 'specifieke vorm van bedrijf - loonwerkersbedrijf' tevens een loonwerkersbedrijf;

  9. 'specifieke vorm van bedrijf - fotostudio' uitsluitend een fotostudio;

  10. 'specifieke vorm van bedrijf - gasontvangststation' uitsluitend een gasontvangststation;

  1. productiegebonden detailhandel, met uitzondering van detailhandel in voedings- en genotmiddelen;

  2. bedrijfswoningen, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van bedrijf - molen' en 'nutsvoorziening', al dan niet in combinatie met de uitoefening van een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten, bed & breakfast en/of kamerverhuur;

  3. opslag en uitstalling;

met bijbehorende bebouwing, wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.

 

alsmede voor:

  1. de instandhouding en bescherming van de ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’ en ‘specifieke bouwaanduiding - rijksmonument’ aangegeven bebouwing.

 

4.2 Bouwregels

 

4.2.1 Hoofdgebouwen en bedrijfswoningen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen en bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen:

  1. Hoofgebouwen en bedrijfswoningen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.

  2. De afstand van een hoofdgebouw en bedrijfswoning tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 2,5 m.

  3. De goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is aangegeven.

  4. Het aantal bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan 1 per bedrijf, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - tweede bedrijfswoning' een tweede bedrijfswoning is toegestaan.

  5. De bouwhoogte van nutsvoorzieningen mag niet meer bedragen dan 4 m.

 

4.2.2 Bijgebouwen bij bedrijfswoningen

Bij een bedrijfswoning mogen bijgebouwen worden gebouwd, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. Bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.

  2. De maximale gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 50 m².

  3. De goothoogte van bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 3 m.

  4. De bouwhoogte van bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 5 m.

  5. Bijgebouwen dienen minimaal 3 m achter de voorgevel van de hoofdgebouwen en/of het verlengde daarvan te worden gebouwd.

 

4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen:

  1. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd.

  2. De bouwhoogte van palen en masten mag niet meer bedragen dan 6 m.

  3. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag maximaal bedragen:

  1. 1 m voor zover het gronden betreft, gelegen voor de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde hiervan;

  2. 2 m voor zover het gronden betreft, gelegen achter de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde hiervan;

een en ander met dien verstande dat bij hoeksituaties de hoogte van erfafscheidingen op het naar de weg gekeerde zijerf tot een afstand van 3 m achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw niet meer dan 1 m mag bedragen.

 

4.3 Nadere eisen

  1. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing.

  2. De onder a genoemde nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van de bebouwing en hun omgeving ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’ en/of de omgeving van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - rijksmonument’.

 

4.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van:

  1. het bepaalde in lid 4.2.1 onder b ten behoeve van het bouwen van hoofdgebouwen tot in de perceelsgrens, met dien verstande dat de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden geschaad.

  2. het bepaalde in lid 4.2.3 onder c ten behoeve van het oprichten van naar de openbare weg gekeerde erf- en terreinafscheidingen tot een hoogte van maximaal 2 m, mits:

  1. dit uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is;

  2. dit uit oogpunt van verkeersveiligheid aanvaardbaar is;

  3. de belangen van derden niet onevenredig worden aangetast.

 

4.5 Specifieke gebruiksregels

 

4.5.1 Aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten, bed & breakfast en kamerverhuur

Bedrijfswoningen kunnen worden gebruikt ten behoeve van een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteit, bed & breakfast en kamerverhuur mits:

  1. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft waarbij:

  1. de woning moet blijven voldoen aan het Bouwbesluit en de bouwverordening;

  2. maximaal 40% van de vloeroppervlakte en de voor de woonfunctie bestemde bijgebouwen mogen worden gebruikt voor een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteit, bed & breakfast en kamerverhuur met een maximum van 50m²;

  3. het aantal te verhuren kamers niet meer mag bedragen dan 3;

  1. er geen detailhandel wordt uitgeoefend behoudens een beperkte verkoop in het klein van ter plaatse vervaardigde producten en direct in verband met de aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteit;

  2. het gebruik geen ernstige hinder voor het woonmilieu oplevert en geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de omgeving;

  3. er geen onevenredige verstoring plaatsvindt in de voorzieningenstructuur van de wijk of de kern;

  4. het gebruik geen nadelige invloed heeft op de verkeersafwikkeling en de parkeerbalans;

  5. er geen etalages, vitrines en lichtreclames zijn;

  6. er geen activiteiten plaatsvinden die vergunningplichtig of meldingsplichtig zijn krachtens de Wet milieubeheer.

  7. er geen bedrijfsmateriaal buiten op het perceel opgeslagen wordt;

  8. er gelijktijdig niet meer dan twee medewerkers aanwezig zijn.

 

4.6 Afwijken van de gebruiksregels

 

4.6.1 Staat van bedrijfsactiviteiten

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 4.1 onder a ten behoeve van bedrijven welke niet voorkomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat:

  1. deze bedrijven naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de toegelaten milieucategorieën 1 en 2;

  2. het betreffende bedrijf ook overigens geen blijvende onevenredige afbreuk mag doen aan het heersende woon- en leefmilieu.

 

4.6.2 Risicovolle inrichtingen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 4.1 onder a ten behoeve van de vestiging van een risicovolle inrichting, met dien verstande dat:

  1. verantwoord wordt dat de plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar vanwege de inrichting binnen de eigen perceelsgrens ligt;

  2. rekening wordt gehouden met de toepasselijke grenswaarden voor het risico en de risico-afstanden ten aanzien van kwetsbare objecten;

  3. de toepasselijke richtwaarden voor het risico en de risico-afstanden ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten in acht worden genomen;

  4. in geval het groepsrisico binnen de contour toeneemt, ook als bij stijging de oriënterende waarde niet wordt overschreden, kan een specifieke motivatie gewenst zijn. In voorkomend geval zal verzoeker advies inwinnen bij de gemeentelijke brandweer. In dit advies van de brandweer worden in ieder geval de volgende criteria beoordeeld:

  1. zelfredzaamheid;

  2. bestrijdbaarheid;

  3. alternatieve ruimtelijke plannen;

  4. risicoreductie.

Neemt het groepsrisico niet toe, dan hoeft er geen motivatie aangeleverd te worden.

  1. rekening wordt gehouden met het beleid ten aanzien van externe veiligheid van de gemeente Heumen.

 

4.6.3 Kangoeroewoning

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 4.1 teneinde bij een bedrijfswoning een kangoeroewoning toe te staan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  1. er is sprake van een in omvang ondergeschikte één of tweepersoonswoning die een in- dan wel aangebouwd deel uitmaakt van een grotere woning;

  2. het geheel van oorspronkelijke woning en kangoeroewoning past binnen de maatvoering, zoals die is opgenomen in de bouwregels voor woningen dan wel hoofdgebouwen;

  3. de kangoeroewoning beslaat maximaal 1/3 deel van de oppervlakte en inhoud van het geheeld van oospronkelijke woning en kangoeroewoning;

  4. er bestaat een open verbinding tussen de oospronkelijke woning en kangoeroewoning;

  5. de kangoeroewoning heeft geen eigen voordeur;

  6. de kangoeroewoning krijgt geen eigen huisnummer;

  7. het woon- en leefmilieu van de omgeving mag niet onevenredig worden aangetast;

  8. de verkeersveiligheid mag niet in het geding komen;

  9. de stedenbouwkundige/ruimtelijke structuur/samenhang van de omgeving mag niet onevenredig worden aangetast;

  10. er moet voorzien worden in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;

  11. aanwezige waarden van monumentale gebouwen en of beeldbepalende gebouwen mogen niet onevenredig worden aangetast.

 

4.6.4 Mantelzorg

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 4.1 teneinde bij een bedrijfswoning een woonunit toe te staan of voor het bewonen van een bijgebouw, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  1. deze woonruimte is noodzakelijk vanuit een oogpunt van mantelzorg, aangetoond middels een zorgindicatie, afgegeven door een daartoe deskundig adviseur.

  2. er is sprake van een tijdelijke situatie;

  3. de woonruimte vormt een ruimtelijke eenheid met de hoofdwoning;

  4. de woonruimte wordt binnen de bestaande bebouwingsmogelijkheden gerealiseerd, met dien verstande dat de oppervlakte van de afhankelijke woonruimte maximaal 50 m2 bedraagt;

  5. belangen van derden worden niet onevenredig geschaad;

  6. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig wordt aangetast;

  7. de stedenbouwkundige/ruimtelijke structuur en samenhang van de omgeving worden niet aangetast;

  8. aanwezige waarden van monumentale of beeldbepalende gebouwen worden niet onevenredig aangetast;

  9. tijdelijke woonunits moeten zoveel mogelijk uit het zicht worden geplaatst.

  10. er blijft voldoende parkeergelegenheid gehandhaafd danwel de parkeergelegenheid verminderd niet verder indien deze al ontoereikend is.

Zodra de noodzaak van mantelzorg is komen te vervallen, moet de woonunit verwijderd worden en het bijgebouw overeenkomstig de bestemming worden gebruikt.