| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q Bennekom, Edeseweg 147 (voormalig congreshal) |
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0228.TO2025BENW0005-0301 |
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22q (Bennekom, Edeseweg 147 (voormalig congreshal))
Pre-ambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een concreet initiatief op de locatie Edeseweg 147 te Ede.
De gemeente Ede maakt gebruik van de Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) voor het omgevingsplan, omdat de techniek van het DSO en de software nog verder getest moet worden. Met de TAM kunnen concrete initiatieven zonder technische risico's worden gefaciliteerd, omdat daarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande techniek (IMRO). Het gaat uitdrukkelijk om een tijdelijke overgangsperiode, vooralsnog tot 1 januari 2026.
Om te benadrukken dat het TAM-omgevingsplan onderdeel is van de geconsolideerde versie van het Omgevingsplan Ede, is gekozen om de regels van het voorliggende plan te plaatsen in een tijdelijk hoofdstuk 22 met opvolgende lettertoevoeging. Dat sluit goed aan bij de regels die zijn overgeheveld vanuit de rijksoverheid naar de gemeeente met inwerkingtreding van de Omgevingswet (hoofdstuk 22).
Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22q van het 'Omgevingsplan gemeente Ede'. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22q' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22q’ gelezen worden.
Inhoudsopgave
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22q (Bennekom, Edeseweg 147 (voormalig congreshal))
HOOFDSTUK 1 Inleidende bepalingen
ARTIKEL 2 Meet- en rekenbepalingen
HOOFDSTUK 2 Integratie Omgevingsplan gemeente Ede
HOOFDSTUK 3 Activiteiten en toedeling van functies
ARTIKEL 4 Functie Bedrijf - Nutsvoorziening
ARTIKEL 6 Functie Maatschappelijk
ARTIKEL 10 Functie Waarde - Archeologie
HOOFDSTUK 4 Algemene bepalingen
ARTIKEL 11 Anti-dubbeltelregel
ARTIKEL 12 Uitsluiting niet benoemde activiteiten
ARTIKEL 13 Algemene zorgplicht
ARTIKEL 14 Maatwerkvoorschriften
ARTIKEL 15 Algemene regels met betrekking tot bouwwerken
ARTIKEL 17 Algemene beoordelingsregels bouwwerken en gebruiksactiviteiten (met afwegingsruimte)
ARTIKEL 19 Activiteiten met betrekking tot licht
ARTIKEL 20 Milieubelastende activiteiten
ARTIKEL 21 Algemene aanduidingsregels
ARTIKEL 22 Algemene gebruiksregels
HOOFDSTUK 5 Overgangsbepalingen
HOOFDSTUK 1 Inleidende bepalingen
ARTIKEL 1 Begripsbepalingen
1.1 Begrippen Omgevingswet, AMvB's en regelingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit TAM- omgevingsplan.
1.2 Aanvullende begripsbepalingen
Voor de toepassing van hoofdstuk 22X gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:
1.3 TAM-omgevingsplan:
'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q Bennekom, Edeseweg 147 (voormalig congreshal)' met identificatienummer NL.IMRO.0228.TO2025BENW0005-0201 van de gemeente Ede.
1.4 Omgevingsplan gemeente Ede:
Het Omgevingsplan van de gemeente Ede zoals bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet.
1.5 plan:
'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q Bennekom, Edeseweg 147 (voormalig congreshal)' met identificatienummer NL.IMRO.0228.TO2025BENW0005-0201 van de gemeente Ede.
1.6 aanbouw:
Een aan een hoofdgebouw toegevoegde ruimte met een dak die qua afmetingen en/of visueel opzicht (onder meer voor wat betreft goothoogte, dakhelling en/of dakvorm), ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
1.7 aan-huis-verbonden beroep:
De uitoefening van een dienstverlenend beroep aan huis op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen terrein, alsmede een beroep op het terrein van persoonlijke verzorging, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt. Hieronder wordt in ieder geval niet verstaan een (raam)prostitutiebedrijf
en/of escortbedrijf.
1.8 aanduiding:
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
1.9 aanduidingsgrens:
De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
1.10 achtergevelrooilijn:
De achterste grens van een bouwvlak, gezien vanaf de weg waarop het hoofdgebouw is georiënteerd;
indien er niet sprake is van een achterste grens van een bouwvlak dan wel geen bouwvlak is aangegeven: de denkbeeldige lijn die wordt getrokken langs de achtergevel van het hoofdgebouw - zonder aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen - alsmede het verlengde daarvan.
1.11 antenne:
Een bouwwerk in de vorm van een zend- en/of ontvangstinstallatie voor telecommunicatiedoeleinden.
1.12 atelier:
Een werkplaats, in het bijzonder die van een beeldend kunstenaar. Tevens is het binnen het atelier toegestaan om kunstwerken ten toon te stellen en te verkopen die door de kunstenaar zelf zijn vervaardigd.
1.13 bebouwing:
Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
1.14 beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte:
De totale vloeroppervlakte van de ruimte binnen een bouwwerk en/of op een terrein die wordt gebruikt voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke.
1.15 bestaande situatie:
Ten aanzien van bebouwing:
legaal aanwezige bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;
ten aanzien van gebruik:
het legaal gebruik van gronden en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan rechtskracht heeft verkregen.
1.16 bijgebouw:
Een gebouw dat in functioneel opzicht ondergeschikt is aan en hoort bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.
1.17 bouwen:
Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats.
1.18 bouwgrens:
De grens van een bouwvlak.
1.19 bouwlaag:
Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.
1.20 bouwmassa:
Een verzameling bij elkaar horende gebouwen bestaande uit een vrijstaand hoofdgebouw, dan wel twee of meer aaneengebouwde hoofdgebouwen inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen.
1.21 bouwperceel:
Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
1.22 bouwperceelsgrens:
De grens van een bouwperceel.
1.23 bouwvlak:
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
1.24 bouwwerk:
Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.
1.25 carport:
Een dakconstructie vrijstaand zonder wanden, dan wel aan maximaal drie zijden begrensd door de gevels van belendende gebouwen, bedoeld voor de stalling van een motorvoertuig.
1.26 culturele voorzieningen:
Het uitoefenen van activiteiten op (sociaal) cultureel en kunstzinnig vlak, waaronder ateliers, galeries, dansscholen, muziekscholen, musea en theaters.
1.27 eerste bouwlaag:
De buwlaag op de begane grond.
1.28 erf:
Al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw.
1.29 functie:
Doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan.
1.30 functiegrens
De grens van een functievlak waarin de functie van de locatie is beschreven.
1.31 functievlak
Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
1.32 gebouw:
Elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
1.33 gestapelde bebouwing:
Bebouwing bestaande uit zich in één hoofdgebouw boven en naast elkaar bevindende zelfstandige woningen en/of bijzondere woonruimten.
1.34 geurgevoelig object:
Gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, worden gebruikt.
1.47 grondgebonden agrarische bedrijfsvoering:
Een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk niet in gebouwen plaatsvindt, zoals een melkveehouderij, een akkerbouwbedrijf of een biologisch veehouderijbedrijf, waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf.
1.35 hoofdfunctie:
Een functie waarvoor het hoofdgebouw of de gronden als zodanig mag respectievelijk mogen worden gebruikt.
1.36 hoofdgebouw:
Een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
1.37 hospita(kamer)verhuur:
Verhuur door een particuliere eigenaar van maximaal 2 kamers (aan maximaal 1 persoon per kamer) in de door de eigenaar zelf bewoonde woning.
1.38 huisvesting in verband met mantelzorg
Huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning.
1.39 onzelfstandig kantoor:
Een onderdeel van een bedrijf, dat andere bedrijfsactiviteiten als inkomstenbron heeft en waarvoor het kantoor uitsluitend een ondersteunende functie heeft.
1.40 kantoor- en/of praktijkruimte:
Een ruimte die door aard en indeling kennelijk is bestemd om uitsluitend of in hoofdzaak dienstig te zijn tot het verrichten van administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch of daarmee naar aard gelijk te stellen arbeid, dan wel dat dient voor het uitoefenen van een beroep op medisch, paramedisch of therapeutisch gebied.
1.41 karakteristiek pand:
Historisch bouwkundig object dat door de zeggingskracht van zijn architectuur, bijzonderheid van het type, interactie met de omliggende bebouwing of plek in het straatbeeld dan wel landschap in sterke mate bijdraagt aan de aantrekkelijkheid van de omgeving.
1.42 kelder:
een geheel ondergronds gelegen ruimte die grotendeels is gesitueerd onder een bijbehorende bovengronds bouwwerk, en waarvan de bovenkant van de vloer zich op ten minste 1,75 m onder peil bevindt;
1.43 kunstobject:
Een bouwwerk zonder een specifiek gebruiksdoel ter verfraaiing en verrijking van de directe omgeving waarbij de artistieke waarde van het bouwwerk voorop staat.
1.44 lichte bedrijvigheid:
Het op ambachtelijke wijze vervaardigen, herstellen, onderhouden of bewerken van producten en/of diensten in de vorm van bedrijven die voorkomen in categorie A van de van deze regels deel uitmakende Staat van bedrijfsactiviteiten.
1.45 maatschappelijke voorzieningen:
Educatieve, (para)medische, sociale, levensbeschouwelijke, religieuze voorzieningen, onderwijs- en kinderopvangvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening.
1.46 mantelzorg:
Intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.
1.47 onderbouw:
Een gedeelte van een gebouw dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant op minder dan 1,20 m boven peil is gelegen.
1.48 ondergeschikte detailhandel:
Beperkte op de eindgebruiker gerichte verkoop van goederen, die functioneel rechtstreeks verband houden met de bedrijfsactiviteiten.
1.49 ondergeschikte functie:
Functie waarvoor maximaal 30% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw als zodanig mag worden gebruikt.
1.50 ondergeschikte horeca:
Horeca waarvoor maximaal 30% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw als zodanig mag worden gebruikt voor ten hoogste horeca categorie 1.
1.51 overig bouwwerk:
Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen gebouw zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
1.52 overkapping:
Een dakconstructie zonder wanden, dan wel aan maximaal drie zijden begrensd door de gevels van belendende gebouwen of andere bouwwerken.
1.53 plangrens:
De aangegeven begrenzing van het TAM-omgevingsplan.
1.54 publiekverzorgend ambacht en dienstverlening:
Een ambachtelijk c.q. dienstverlenend bedrijf dat zijn goederen en diensten rechtstreeks levert aan de consument, zoals een goudsmid, schoenmaker, kapper en videotheek, alsmede commerciële en medische dienstverlening, met dien verstande dat de detailhandelsfunctie ondergeschikt en gerelateerd is aan het bedrijf.
1.55 ruimtelijke kwaliteit:
De kwaliteit van de ruimte als bepaald door de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde van die ruimte.
1.56 stedenbouwkundig beeld:
Het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaalde beeld, inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte(n).
1.57 terras:
Een buiten een gebouw gelegen gebied behorende bij een horecabedrijf waar zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken worden geschonken en/of etenswaren verstrekt.
1.58 uitbouw:
De vergroting van een bestaande ruimte in een hoofdgebouw, die qua afmetingen en/of in visueel opzicht (onder meer wat betreft (goot)hoogte, dakhelling en/of dakvorm), ondergeschikt is aan het
hoofdgebouw.
1.59 verkoopvloeroppervlakte (vvo):
De totale oppervlakte van de voor het publiek toegankelijke en zichtbare winkelruimte, inclusief de etalageruimte en de ruimte achter de toonbank.
1.60 voorgevellijn:
De lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen alsmede het verlengde daarvan.
1.61 voorgevelrooilijn:
De grens van het bouwvlak die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd.
1.62 wijkcentrum
Een gebouw dat dienst doet als een sociaal-culturele instelling waar bewoners elkaar ontmoeten en kunnen deelnemen aan activiteiten zoals cursussen, workshops, vergaderingen en bijeenkomsten, waarbij ondergeschikte horeca is toegestaan. Onder wijkcentrum kan daarmee onder andere ook worden verstaan: een jongeren ontmoetingsplek, verenigingsleven en een buurtcentrum.
1.63 woning:
Een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.
1.64 zaalverhuur:
Een inrichting ten behoeve van het al dan niet bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie, waarbij het verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren en/of het verstrekken van drank voor consumptie ter plaatse mogelijk is.
1.65 zelfstandige woonruimte:
Woonruimte met een een eigen aparte opgang en voordeur, met eigen voorzieningen waarbij onder andere een keuken, toilet, badkamer, douche, niet met anderen hoeft te worden gedeeld.
1.66 zorginstelling:
Een instelling of complex ten behoeve van wonen in combinatie met een zorgfunctie met bijbehorende voorzieningen dan wel zelfstandige wooneenheden met een bijbehorende zorgfunctie.
ARTIKEL 2 Meet- en rekenbepalingen
2.1 Algemeen
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten c.q. gerekend:
afstand tot de zijdelingse perceelsgrens:
De kortste afstand van de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk.
bebouwd oppervlak van een bouwperceel:
De oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen.
bebouwingspercentage:
Het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming.
Bovenkant Spoorstaaf (BS):
De hoogte van de bovenkant van de laagste spoorstaaf.
breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde:
Overeenkomstig de omtreklijn van de horizontale projectie van alle delen van die bouwwerken.
breedte, diepte c.q. lengte van een gebouw:
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren.
de dakhelling:
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
de goothoogte van een bouwwerk:
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
de bouwhoogte van een bouwwerk:
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
de inhoud van een bouwwerk:
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
oppervlakte van een bouwwerk:
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/ of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
de hoogte van een windturbine:
Vanaf het peil tot aan de as van de windturbine.
peil:
het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven.
2.2 Ondergeschikte bouwdelen
Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen buiten beschouwing gelaten, zoals:
dakkapellen met een maximale breedte van 50% van de gevelbreedte;
plinten, pilasters, trappen, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1 m.
2.3 Verwijzing naar andere wettelijke regelingen
Waar in dit plan wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op de regelingen zoals die luidden op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan.
HOOFDSTUK 2 Integratie Omgevingsplan gemeente Ede
ARTIKEL 3 Toepassingsbereik
3.1 Geometrische afbakening
De regels in dit plan zijn van toepassing op de locatie waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.[nr]-[versie] zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
3.2 Integratie Omgevingsplan gemeente Ede
De regels in dit plan zijn integraal onderdeel van de geconsolideerde versie van het 'Omgevingsplan gemeente Ede' zoals dat is gepubliceerd op de landelijke voorziening https://omgevingswet.overheid.nl/home.
3.3 Buitenwerkingstelling eerdere besluiten
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locaties in dit plan.
3.4 Integratie tijdelijk deel omgevingsplan
3.4.1 Integratie bruidsschat
de regels in hoofdstuk 22 (zonder lettertoevoeging) van het 'Omgevingsplan gemeente Ede' zijn van overeenkomstige toepassing op de locaties in dit plan;
als de regels uit hoofdstuk 22 (zonder lettertoevoeging) van het 'Omgevingsplan gemeente Ede' op enig moment een andere plek in de structuur van het 'Omgevingsplan gemeente Ede' krijgen, blijven die regels van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de daarop doorgevoerde wijzigingen.
3.4.2 Voorrangsregeling specifieke bepalingen TAM-omgevingsplan
In afwijking van artikel 3.4.1. zijn de bepalingen in de volgende artikelen van het 'Omgevingsplan gemeente Ede' niet van toepassing voor zover het bepaalde in die artikelen in strijd is met regels in dit TAM-omgevingsplan:
de bepalingen inzake geluid als bedoeld in paragraaf 22.3.4 van het 'Omgevingsplan gemeente Ede';
de bepalingen inzake geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, bedoeld in de artikelen 22.98 en 22.100 van het Omgevingsplan gemeente Ede, met dien verstande dat het bepaalde in die artikelen uitsluitend niet van toepassing is op de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw of ruimte met een woonfunctie of een bedrijfsfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:
op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven;
in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de dierenverblijven; en
in samenhang met de sloop van dierenverblijven of bedrijfsgebouwen voor functioneel ondersteunende activiteiten.
HOOFDSTUK 3 Activiteiten en toedeling van functies
ARTIKEL 4 Functie Bedrijf - Nutsvoorziening
4.1 Activiteiten met betrekking tot het planologisch gebruik
4.1.1 Gebruiksactiviteiten binnen de toegedeelde functie
Op een locatie die op de verbeeldig is aangewezen als ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’ zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:
gebouwen ten behoeve van het openbaar nut zoals gebouwen ten behoeve van de energie-, warmte- en telecommunicatievoorziening en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwen;
met daarbij behorende:
verhardingen;
groenvoorzieningen;
brandveiligheids- en blusvoorzieningen;
ter plaatse van de functieaanduiding ‘monumentale boom’, tevens het behoud en de bescherming van monumentale bomen.
4.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken
4.2.1 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (gesloten normen)
4.2.1.1 Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:
Gebouwen mogen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd.
Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, tenzij anders is aangegeven.
De bouwhoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan 5 m.
4.2.1.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde (waaronder erf-en terreinafscheidingen), geldt dat de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
ARTIKEL 5 Functie Groen
5.1 Activiteiten met betrekking tot planologisch gebruik
5.1.1 Gebruiksactiviteiten binnen de toegedeelde functie
Op een locatie die op de verbeelding is aangewezen als ‘Groen’ zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:
groenvoorzieningen;
bermen en beplantingen;
speelvoorzieningen;
kunstobjecten;
water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
voet- en fietspaden;
nutsvoorzieningen;
brandveiligheids- en blusvoorzieningen;
voorzieningen en functies die bij de functie horen zoals kunstwerken en civieltechnische bouwwerken;
ter plaatse van de functieaanduiding ‘monumentale boom’, tevens het behoud en de bescherming van monumentale bomen.
5.2 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten
5.2.1 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (gesloten normen)
5.2.1.1 Gebouwen
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
5.2.1.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
De bouwhoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 5 m.
De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
5.2.2 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (met afwegingsruimte)
5.2.2.1 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.2.1.1 en een gebouw toestaan ten behoeve van nutsvoorzieningen met in achtneming van de volgende regels:
De oppervlakte van het gebouw mag niet meer bedragen dan 20 m².
De bouwhoogte van het gebouw mag niet meer bedragen dan 5 m.
ARTIKEL 6 Functie Maatschappelijk
6.1 Activiteiten met betrekking tot het planologisch gebruik
6.1.1 Gebruiksactiviteiten binnen de toegedeelde functie
Op een locatie die op de verbeelding is aangewezen als ‘Maatschappelijk’ zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:
een wijkcentrum;
b. religieuze voorzieningen;
c. ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - bouwaccent' is een verhoging toegestaan van de kerk.
met daarbij behorende:
d. laad- en losvoorzieningen;
e. tuinen, erven en verhardingen;
f. parkeer- en fietsvoorzieningen;
g. ondergeschikte horeca;
h. groenvoorzieningen;
i. nutsvoorzieningen;
j. brandveiligheids- en blusvoorzieningen.
6.1.2 Specifieke gebruiksregels
Binnen de functie 'Maatschappelijk' geldt dat:
Het niet is toegestaan om milieubelastende activiteiten te verrichten tussen 23:00 en 07:00 uur.
b. In afwijking van artikel 6.1.2, onder a kan het bevoegd gezag maximaal 12 keer per kalenderjaar ontheffing verlenen voor het verrichten van milieubelastende activiteiten in de periode van 23:00 tot 07:00 uur.
6.1.3 Beoordelingsregels voor gebruiksactiviteiten (met afwegingsruimte)
6.1.3.1 Afwijking van de gebruiksregels
In afwijking van het bepaalde in artikel 6.1.1 kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor andere maatschappelijke voorzieningen, met inachtneming van de volgende regels:
Er vindt geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende bouwwerken plaats.
Er vindt geen onevenredige toename van de parkeerdruk alsmede van de verkeersaantrekkende werking plaats.
6.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken
6.2.1 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (gesloten normen)
6.2.1.1 Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:
Gebouwen mogen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd.
Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, tenzij anders is aangegeven.
De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven.
Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt uitsluitend verleend, indien bij de aanvraag een akoestisch rapport is overgelegd waaruit blijkt dat de geluidsbelasting als gevolg van milieubelastende activiteiten waaronder, maar niet beperkt tot, technische installaties op het dak en versterkt muziekgeluid de in artikel artikel 20.2.3, lid 1 opgenomen geluidsnormen niet overschrijdt.
Maatregelen die uit het akoestisch rapport, zoals genoemd in artikel 6.2.1.1, onder d, voortvloeien en noodzakelijk zijn om te voldoen aan de in artikel 20.2.3, lid 1 gestelde geluidsnormen, worden als voorwaardelijke verplichting aan de omgevingsvergunning verbonden.
6.2.1.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte voor erf - en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn niet meer mag bedragen dan 1 m.
De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m, met uitzondering van palen en masten die niet meer dan 6 m mogen bedragen.
Ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - bouwaccent' is een verhoging toegestaan van het gebouw met een maximale bouwhoogte van 14 meter.
ARTIKEL 7 Functie Tuin
7.1 Activiteiten met betrekking tot het planologisch gebruik
7.1.1 Gebruiksactiviteiten binnen de toegedeelde functie
Op een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Tuin' zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:
tuinen, erven en verhardingen;
groenvoorzieningen;
nutsvoorzieningen;
brandveiligheids- en blusvoorzieningen;
ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - geluidscherm' een geluidscherm.
7.1.2 Verboden
De gronden gelegen voor de voorgevel van een woning mogen niet worden gebruikt voor het parkeren of stallen van caravans, voer- en vaartuigen.
7.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken
7.2.1 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (gesloten normen)
7.2.2 Gebouwen
Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
7.2.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
De bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m.
De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde (met uitzondering van overkappingen en/of carports), mag niet meer bedragen dan 3 m.
Het bouwen van overkappingen en/of carports is niet toegestaan.
In afwijking van de regel onder a en b moet de bouwhoogte ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - geluidscherm' 1,8 meter bedragen, met dien verstande dat:
het geluidscherm wordt uitgevoerd met een DLR van ≥ 27 dB(A);
het geluidscherm wordt uitgevoerd met een absorptie van A2 of hoger;
het geluidscherm kierdicht wordt uitgevoerd.
7.3 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (met afwegingsruimte)
7.3.1 Afwijken van de bouwregels
Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7.2.2 en 7.2.3 voor het bouwen van erkers, luifels en balkons aan de voor- of zijgevel van het hoofdgebouw onder de volgende voorwaarden:
De diepte gemeten vanuit de voorgevel van het hoofdgebouw mag niet meer dan 1,7 m bedragen.
b De afstand tot de openbare weg mag niet minder dan 2 m bedragen.
ARTIKEL 8 Functie Verkeer
8.1 Activiteiten met betrekking tot het planologisch gebruik
8.1.1 Gebruiksactiviteiten binnen de toegedeelde functie
Op een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Verkeer' zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:
wegen met bijbehorende voorzieningen;
voet- en fietspaden met bijbehorende voorzieningen;
parkeer- en fietsvoorzieningen;
groenvoorzieningen;
speelvoorzieningen;
kunstobjecten;
water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
nutsvoorzieningen;
brandveiligheids- en blusvoorzieningen;
ter plaatse van de functieaanduiding ‘monumentale boom’, tevens het behoud en de bescherming van monumentale bomen;
ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - bouwaccent' is een verhoging toegestaan van de kerk.
8.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken
8.2.1 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (gesloten normen)
8.2.2 Gebouwen
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
8.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
De bouwhoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 5 m.
De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
Ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - bouwaccent' is een verhoging toegestaan van het gebouw met een maximale bouwhoogte van 14 meter.
8.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken.
De onder a genoemde nadere eisen mogen slechts worden gesteld ten behoeve van:
de bescherming van de groenstructuur;
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
ARTIKEL 9 Functie Wonen
9.1 Activiteiten met betrekking tot het planologisch gebruik
9.1.1 Gebruiksactiviteiten binnen de toegedeelde functie
De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
wonen in de vorm van een woning voor maximaal 142 woningen;
ter plaatse van de functieaanduiding 'zorgwoning' zijn uitsluitend 10 zorgwoningen inclusief aanverwante gezamenlijke ruimtes toegestaan, met dien verstande dat:
het maximum aantal van 142 woningen niet wordt overscheden;
de zorgwoningen uitsluitend op de begane grond komen.
ter plaatse van de functieaanduiding 'religie' zijn uitsluitend op de eerste bouwlaag religieuze voorzieningen toegestaan;
ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - wijkcentrum' is uitsluitend op de eerste bouwlaag een wijkcentrum toegestaan;
ter plaatse van ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding beneden-bovenwoningen' zijn uitsluitend 16 beneden-bovenwoningen toegestaan, met dien verstande dat:
het maximum aantal van 142 woningen niet wordt overscheden.
ter plaatse van de bouwaanduiding 'aaneengebouwd' zijn uitsluitend aaneengebouwde woningen toegestaan;
ter plaatse van de bouwaanduiding 'bijgebouwen' zijn uitsluitend bijgebouwen toegestaan;
ter plaatse van de bouwaanduiding 'gestapeld' zijn uitsluitend gestapelde woningen toegestaan;
ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - niet geluidgevoelige gevel' is een geluidgevoelige gevel toegestaan;
ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding - verhoogde geluidsbelasting' is een verhoogde geluidsbelasting toegestaan;
hospita(kamer)verhuur
met daarbij behorende:
aan-huis-verbonden beroep en lichte bedrijvigheid die naar aard en omvang past in een woonomgeving;
aan- en uitbouwen en bijgebouwen behorende bij de woning;
tuinen, erven en verhardingen;
parkeervoorzieningen;
groenvoorzieningen;
nutsvoorzieningen;
brandveiligheids- en blusvoorzieningen;
in- en uitritten.
9.1.1.1 Specifieke gebruiksregels
Binnen de functie ‘Wonen’ is de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep en lichte bedrijvigheid toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende regels van toepassing zijn:
De omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 30% van de oppervlakte van de woning tot een maximum van 30 m² of in een bijgebouw tot een maximum van 30 m².
De activiteit wordt uitsluitend uitgeoefend door de bewoner.
Detailhandel is niet toegestaan.
De activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woonomgeving.
Gastouderschap danwel kinderopvang niet is toegestaan.
b Voor het gebruiken van bijgebouwen geldt dat een zelfstandige woonruimte niet is toegestaan.
c Voor de zorgwoningen geldt dat huisvesting uitsluitend is toegestaan voor personen met een lichte zorgbehoefte, die in staat zijn om zich in geval van een calamiteit zelfstandig in veiligheid te brengen.
9.1.1.2 Specifieke gebruiksregels woonsegmenten
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
het bieden van voldoende betaalbare woonruimte; en
het bereiken en in stand houden van een gevarieerd aanbod aan woonruimte voor verschillende doelgroepen.
Binnen de functie ‘Wonen’ zijn de volgende woonsegmenten en daarbij horende regels van toepassing:
Ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - woningbouwsegment betaalbaar' moet een eigenaar of zakelijk gerechtigde er voor zorgen dat er minimaal 60% betaalbare woningen beschikbaar zijn, waarvan minimaal 30% sociale huurwoningen, die bestaan uit:
de middenhuur woningen die beschikbaar zijn voor de doelgroep zoals bepaald in artikel 9.1.1.2, lid b, onder 3, 4 en 5 en gedurende een termijn van ten minste 15 jaren voor deze doelgroep beschikbaar blijft, waarbij de termijn wordt gerekend vanaf de datum van eerste ingebruikname.
de sociale koopwoningen laag die beschikbaar zijn voor de doelgroep zoals bepaald in artikel 9.1.1.2, lid b, onder 6 en 7 en gedurende een termijn van 10 jaar voor deze doelgroep beschikbaar blijft, waarbij de termijn wordt gerekend vanaf de datum na eerste ingebruikname. Heruitgifte van een sociale koopwoning laag vindt binnen deze termijn plaats aan de doelgroep zoals bepaald in artikel 9.1.1.2, lid b, onder 6 en 7.
de sociale koopwoningen hoog die beschikbaar zijn voor de doelgroep zoals bepaald in artikel 9.1.1.2, lid b, onder 8, 9 en 10 en gedurende een termijn van 1 jaar voor deze doelgroep beschikbaar blijft, waarbij de termijn wordt gerekend vanaf de datum na eerste ingebruikname.
b Binnen de functie 'Wonen' zijn voor de woonsegmenten de volgende doelgroepen en prijsgrenzen van toepassing:
De doelgroep voor een sociale huurwoning is een huishouden dat op het moment van start van de inschrijfprocedure van de desbetreffende woning een huishoudinkomen heeft dat niet hoger is dan de inkomensgrens sociale huur.
De huurprijsgrens voor een sociale huurwoning bedraagt gedurende de instandhoudingstermijn maximaal de aanvangshuurprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag.
De doelgroep voor een middenhuur woning is een huishouden dat in het jaar voorafgaand aan het moment van de start van de inschrijfprocedure voor de desbetreffende woning een gezamenlijk huishoudinkomen heeft van maximaal € 60.000,- bruto.
De huurprijsgrens voor een middenhuur woning bedraagt bij elke aanvang gedurende de instandhoudingstermijn ten minste het bedrag als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a van de Wet op de huurtoeslag en heeft als bovengrens maximaal € 1.123,13,- (prijspeil 1 januari 2024).
De bovengrens voor een middenhuur woningzoals bedoeld in het tweede lid wordt met ingang van elk kalenderjaar gewijzigd met het percentage waarmee het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, wordt gewijzigd, zoals bepaald in artikel 1 onder c ten tweede van het Besluit Woningbouwimpuls 2020.
De doelgroep voor een sociale koopwoning laag is een huishouden dat in het jaar voorafgaand aan het moment van de start van de inschrijfprocedure voor de desbetreffende woning een gezamenlijk huishoudinkomen heeft van maximaal € 60.000,- bruto.
De koopprijsgrens v.o.n. (Vrij op naam) voor een sociale koopwoning laag bedraagt gedurende de instandhoudingstermijn maximaal € 275.000,- (prijspeil 2024). Deze koopprijs mag met ingang van elk kalenderjaar worden gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex.
De koper van een sociale koopwoning laag dient de sociale koopwoning zelf te gaan bewonen.
De doelgroep voor een sociale koopwoning hoog is een huishouden dat in het jaar voorafgaand aan het moment van de start van de inschrijfprocedure voor de desbetreffende woning een gezamenlijk huishoudinkomen heeft van maximaal € 80.000,- bruto.
De koopprijsgrens v.o.n. (Vrij op naam) voor een sociale koopwoning hoog bedraagt gedurende de instandhoudingstermijn maximaal € 390.000,- (prijspeil 2024). Deze koopprijs wordt elk jaar bij ministeriële regeling geïndexeerd op grond van het Besluit Woningbouwimpuls 2020.
De koper van een sociale koopwoning hoog dient de sociale koopwoning zelf te gaan bewonen.
9.1.2 Beoordelingsregels voor gebruiksactiviteiten (met afwegingsruimte)
9.1.2.1 Toestaan groter oppervlak aan huis verbonden beroep
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 9.1.1.1 onder a voor een omvang van de activiteit met niet meer dan 60% van de oppervlakte van de woning tot een maximum van 80 m² of in een bijgebouw tot een maximum van 80 m², mits:
De activiteit een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft en behoudt die met de woonfunctie in overeenstemming is.
Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van parkeerbehoefte veroorzaken.
Gastouderschap danwel kinderopvang niet is toegestaan.
9.1.2.2 Toestaan kamergewijze verhuur
Burgemeester en wethouders kunnen door middel van een omgevingsvergunning kamergewijze verhuur in woningen toestaan, mits:
Dit niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat;
er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is voor auto en fiets;
de ruimtelijke kwaliteit niet onevenredig wordt aangetast;
de belangen van omwonenden niet onevenredig worden geschaad.
9.1.2.3 Toestaan ander woningsegment ter plaatse van de zorgwoningen
Burgemeester en wethouders kunnen door middel van een omgevingsvergunning een ander woningsegment toestaan ter plaatse van de zorgwoningen, mits:
Dit niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat;
er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is voor auto en fiets;
er is aangetoond dat er geen behoefte meer is voor de zorgwoningen;
de behoefte is aangetoond om een ander woningsegment toe te staan.
9.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken
9.2.1 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (gesloten normen)
9.2.1.1 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:
Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd.
Ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' mogen woningen uitsluitend gestapeld worden gebouwd.
Ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' mogen woningen uitsluitend aaneengesloten worden gebouwd.
Ter plaatse van de aanduiding 'zorgwoningen' mogen uitsluitend zorgwoningen worden gebouwd.
Ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'beneden-bovenwoningen' mogen uitsluitend beneden- bovenwoningen worden gebouwd.
Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, tenzij anders is aangegeven.
De goothoogte mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven.
De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven.
Ter plaatse van de aanduiding 'aantal wooneenheden' is het maximaal aangeduide aantal wooneenheden toegestaan.
Hoofdgebouwen moeten zijn voorzien van mechanische ventilatie.
9.2.1.2 Bouwen geluidgevoelig gebouw - hoger toegestaan geluidniveau
Voor het bouwen van hoofgebouwen gelden voor geluid de volgende bepalingen:
Op locaties die op de verbeelding zijn aangeduid met de 'specifieke bouwaanduiding - verhoogde geluidsbelasting' is het, in afwijking van de standaardwaarden zoals bedoeld in tavel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving, toegestaan een geluidgevoelig gebouw te realiseren, mits wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 16 van dit plan.
De gezamenlijke geluidbelasting op de gevel wordt, wanneer deze boven de standaardwaarde uitkomt, vastgesteld op het niveau dat in bijlage 2 bij de regels is aangegeven. Daarbij is de geluidbelasting afkomstig van alle relevante bronnen, waaronder milieubelastende activiteiten, betrokken.
Enige maatregelen die zijn voortgekomen uit het akoestisch onderzoek, dat als bijlage is toegevoegd bij de toelichting, zijn vastgelegd in bijlage 2 bij de regels.
Daar waar (inpandige) balkons beschikken over een plafond, worden deze plafonds sterk geluidsabsorberend uitgevoerd tenzij anders is aangegeven in bijlage 2 van de regels.
De balkons die in bijlage 2 bij de regels aangeven zijn als ‘6*’ dienen een minimale karakteristieke geluidwering te hebben van 16 dB.
De karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van verblijfsgebieden in het gebouw moet minimaal gelijk zijn aan de aangegeven gezamenlijke geluidbelasting minus 33 dB.
Op locaties die op de verbeelding zijn aangeduid met de 'specifieke bouwaanduiding - niet geluidgevoelige gevel’ is het, in afwijking van de standaardwaarden zoals bedoeld in tabel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving, toegestaan een geluidgevoelig gebouw te realiseren, mits deze gevel niet wordt uitgevoerd wordt met te openen delen, met dien verstande dat dit geldt vanaf de tweede bouwlaag.
De gevels die uitgevoerd moeten worden als niet geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen, zijn vastgelegd in de verbeelding met verduidelijking in bijlage 3 bij de regels.
In afwijking van het genoemde onder f, geldt dat voor alle gevels die zijn aangeduid met de 'specifieke bouwaanduiding - niet geluidgevoelige gevel’ dat de karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van verblijfsgebieden in het gebouw die gescheiden worden met een niet geluidgevoelige gevel, minimaal gelijk moet zijn aan de in bijlage 2 en bijlage 3 van de regels aangegeven gezamenlijke geluidbelasting minus 36 dB.
De geveldelen van het noordelijke woongebouw, getypeerd in de bijlage 2 van de regels als Appartementengebouw A1, A2 en A3 die niet specifiek zijn berekend door middel van een toetspunt, waarbij het aannemelijk mag worden geacht dat de standaardwaarde wordt overschreden vanwege wegverkeerslawaai, worden beschouwd als het dichtstbijzijnde toetspunt.
De geveldelen van de overige gebouwen die niet specifiek zijn berekend door middel van een toetspunt, waarbij het aannemelijk mag worden geacht dat de standaardwaarde wordt overschreden vanwege wegverkeerslawaai, worden beschouwd als het dichtstbijzijnde toetspunt.
In afwijking van het bepaalde onder de leden j en k, kan bij de omgevingsvergunning een maatwerkvoorschrift worden vastgesteld waarin voor de betreffende geveldelen een specifieke berekende geluidbelasting wordt opgenomen.
9.2.1.3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen
Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen aan/bij de woning gelden de volgende bepalingen:
Aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen op een afstand van tenminste 3 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd, met uitzondering van de bouwaanduiding 'bijgebouwen' zoals weergegeven op de verbeelding;
Het bebouwingspercentage van het gedeelte van de gronden gelegen achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw mag maximaal 50% bedragen tot een maximum gezamenlijke oppervlakte van 50 m².
Voor zover de oppervlakte van de gronden, gelegen achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw, meer bedraagt dan 200 m² mag de onder b geregelde gezamenlijke oppervlakte worden vermeerderd met 10% van deze overmaat tot in totaal maximaal 90 m².
De maximaal toegestane oppervlakte als genoemd onder b en c betreft de aan- en uitbouwen en bijgebouwen buiten het bouwvlak.
De goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5 m.
9.2.1.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
De bouw van een zwembad is niet toegestaan.
De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn niet meer dan 1 m mag bedragen.
De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
9.2.2 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (met afwegingsruimte)
9.2.2.1 Afwijken van de bouwregels
Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 9.2.1.4 onder a voor de bouw van een onoverdekt zwembad onder de volgende voorwaarden:
De oppervlakte van het zwembad mag niet meer bedragen dan 5% van het bouwperceel met maximum van 50 m².
De hoogte van het zwembad boven peil mag niet meer bedragen dan 0,5 m.
De afstand tot de perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 5 m.
9.3 Meldingsplicht: inkomenstoets sociale koop
De verkoper van een sociale koopwoning (laag en hoog) doet tien werkdagen voorafgaand aan de verkoop van de sociale koopwoning een melding en toont daarbij aan dat wordt voldaan aan de inkomensgrenzen zoals bedoeld in artikel 9.1.1.2, lid b, onder 6 tot en met 10.
Bij de melding worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
procedurebeschrijving en marketinggegevens van de verkoop waaruit in ieder geval blijkt dat de woningen zijn bedoeld voor specifieke doelgroepen;
een overzicht van de geselecteerde potentiële kopers door de verkoper;
een verklaring van de verkoper dat wordt voldaan aan de inkomensgrens zoals bepaald in artikel 9.1.1.2, lid b, onder 6 tot en met 10;
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt van de potentiële koper:
werkgeversverklaring(en);
loonstrook van maximaal 2 maanden oud;
jaaropgave van het voorgaande jaar;
inkomensverklaring van de belastingdienst (IB60)
een kopie van een geldig legitimatiebewijs.
Op het moment dat de gegevens zoals bedoeld in het derde lid worden gevraagd voor de beoordeling draagt het bevoegd gezag zorg voor een procesbeschrijving in het verwerkingsregister AVG (Algemene Verordening Gegevensbescherming).
9.4 Informatieplicht: zelfbewoning sociale koop
De verkoper van een sociale koopwoning (laag en hoog) informeert het bevoegd gezag binnen vier weken na de juridische levering aan wie de sociale koopwoning is verkocht en stuurt daarbij een kopie van de notariële akte van levering mee.
9.5 Informatieplicht: inkomenstoets en huurprijs sociale huur en middenhuur
Voorafgaand aan de ondertekening van elke huurovereenkomst verklaart de verhuurder, met uitzondering van de woningcorporaties, dat het inkomen van de huurder is getoetst aan het bepaalde in artikel 9.1.1.2, lid b, onder 1 tot en met 5.
De verhuurder bewaart de gegevens waaruit blijkt dat wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 9.1.1.2, lid b, onder 1 tot en met 5 gedurende de instandhoudingstermijn zoals is bepaald in artikel 9.1.1.2, lid a.
De verhuurder, met uitzondering van de woningcorporaties, overlegt gedurende de instandhoudingstermijn jaarlijks een overzicht aan burgemeester en wethouders om aan te tonen dat de huurprijzen in overeenstemming zijn met het bepaalde in artikel 9.1.1.2, lid b, onder 1 tot en met 5.
9.6 Gebodsbepaling
De gebouwen ter plaatse van de functie 'Wonen' mogen uitsluitend in gebruik worden genomen als voldaan is aan het 'Beeldkwaliteitsplan Edeseweg 147', zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels, om de ruimtelijke kwaliteit, een samenhangend stedenbouwkundig en landschappelijk beeld en het puntensysteem van het natuurinclusief bouwen te waarborgen.
ARTIKEL 10 Functie Waarde - Archeologie
10.1 Activiteiten met betrekking tot het planologisch gebruik
10.1.1 Gebruiksactiviteiten binnen de toegedeelde functie
De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn naast voor de overige aangewezen functies mede aangewezen voor de bescherming en de veiligstelling van behoudswaardige archeologische waarden.
10.2 Voorrangsregel
De regels van deze dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere functie, waarmee deze dubbelbestemming samenvalt.
10.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken
10.3.1 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (gesloten normen)
10.3.2 Gebouwen
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
10.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
a Binnen deze functie mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn.
b Bouwwerken ten behoeve van de andere, voor deze gronden aangewezen functies zijn op de in artikel 10.1.1 bedoelde gronden slechts toelaatbaar, indien het betreft:
vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en dat zonder graaf- en/of heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;
een bouwwerk dat (inclusief graafwerkzaamheden) niet dieper dan 40 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
10.4 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (met afwegingsruimte)
10.4.1 Afwijken van de bouwregels
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 10.3.2 en 10.3.3 lid a met inachtneming van de voor deze gronden geldende overige bouwregels.
De omgevingsvergunning als bedoeld in sub a. wordt verleend, indien op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologische deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.
De omgevingsvergunning als bedoeld in sub a. wordt voorts verleend, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden gericht op:
het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
het doen van opgravingen;
begeleiding van de bouwwerkzaamheden door een archeologisch deskundige.
10.5 Werken en werkzaamheden (anders dan bouwwerken)
10.5.1 Omgevingsvergunning
Het is verboden op of in de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' zonder of in
afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen
bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage;
het verlagen of verhogen van het waterpeil;
het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
10.5.2 Toelaatbaarheid
De werken of werkzaamheden, waarvoor het verbod in artikel 10.5.1 geldt, zijn slechts
toelaatbaar, indien op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch
deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden
geschaad of mogelijk schade kan worden voorkomen door aan de vergunning regels te verbinden
gericht op:
het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
het doen van opgravingen;
begeleiding van de aanlegwerkzaamheden door een archeologisch deskundige.
10.5.3 Uitzonderingen
Het verbod, als bedoeld in artikel 10.5.1, is niet van toepassing indien:
de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende (omgevings)vergunning;
de werken reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan;
de werken behoren tot het normale onderhoud, beheer en gebruik van de gronden;
de werken ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
HOOFDSTUK 4 Algemene bepalingen
ARTIKEL 11 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van activiteiten waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere activiteiten buiten beschouwing.
ARTIKEL 12 Uitsluiting niet benoemde activiteiten
Activiteiten met betrekking tot de fysieke leefomgeving zijn alleen toegestaan voor zover dat is bepaald in dit plan.
ARTIKEL 13 Algemene zorgplicht
Degene die een activiteit verricht als bedoeld in dit plan (of nalaat te handelen indien dat noodzakelijk is voor een goede fysieke leefomgeving) en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen, met het oog waarop de regels in dit plan zijn gesteld, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
ARTIKEL 14 Maatwerkvoorschriften
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit plan worden verbonden, over de regels over activiteiten in dit plan, tenzij anders is bepaald.
Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de regels over activiteiten in dit plan, tenzij anders is bepaald of hoofdstuk 5 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving zich daartegen verzet.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit plan kan worden verbonden.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor zover het stellen van maatwerkvoorschriften is uitgesloten in het Besluit Activiteiten Leefomgeving.
ARTIKEL 15 Algemene regels met betrekking tot bouwwerken
15.1 Algemene bouwregels
Indien de bestaande bebouwing afwijkt van de in deze regels gegeven voorschriften ten aanzien van:
goot- en bouwhoogten;
oppervlakte;
inhoud;
afdekking van gebouwen;
afstand tot voorgevelbouwgrens;
afstand tot de perceelsgrens;
zijn de bestaande maten, hellingen, dan wel afstanden eveneens toegestaan, onder de
voorwaarde dat herbouw uitsluitend op dezelfde locatie mag plaatsvinden.
In afwijking van het bepaalde in sub a, kan herbouw op een andere locatie plaatsvinden voor zover dit betrekking heeft op de aan- en uitbouwen en bijgebouwenregeling van de bestemming Wonen. Hiervoor kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen aan de situering en afmeting van de betreffende gebouwen.
Deze nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld ten behoeve van:
- het stedenbouwkundig beeld;
- de verkeersveiligheid;
- de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Voor zover in dit plan goothoogten zijn aangegeven, dienen gebouwen (zoals in onderstaande afbeelding is weergegeven) te worden voorzien van:
een kap, waaronder wordt verstaan een bedekkend bovendeel van een bouwwerk welke bestaat uit minimaal 2 schuine dakvlakken en
waarvan de dakhelling niet minder mag bedragen dan 30º en niet meer mag bedragen dan 60º,
![i_NL.IMRO.0228.TO2025BENW0005-0301_400000.jpg [image]](i_NL.IMRO.0228.TO2025BENW0005-0301_400000.jpg)
(V is toegestaan en X is niet toegestaan).
Het bepaalde in artikel 40.1 lid c onder 1 en 2 is niet van toepassing voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen met een maximale bouwhoogte van 3 meter.
Voor ondergronds bouwen gelden de volgende bepalingen:
ondergronds bouwen is toegestaan;
de verticale diepte van ondergronds bouwen mag maximaal 4 m bedragen;
bij het berekenen van het maximaal te bouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergronds gebouwen mede in aanmerking genomen voor zover deze is gelegen buiten de buitenwerkse gevelvlakken van de bijbehorende bovengrondse gebouwen.
15.2 Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen met betrekking tot de plaats, vorm en afmeting van bouwwerken:
ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen;
ter bescherming van de monumentale waarde in relatie tot de naaste omgeving;
ter waarborging van de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van de naaste omgeving;
ter waarborging van de verkeersveilighied;
ter waarborging van de ongestoorde ligging van kabels en leidingen.
15.3 Gebodsbepaling
De bebouwing dient in overeenstemming te zijn met het 'Beeldkwaliteitsplan Edeseweg 147', zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels, om de ruimtelijke kwaliteit, een samenhangend stedenbouwkundig en landschappelijk beeld en het puntensysteem van het natuurinclusief bouwen te waarborgen.
ARTIKEL 16 Aanvullende beoordelingsregels geluidgevoelig gebouw in geluidaandachtsgebied (met afwegingsruimte)
In afwijking van de standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving, kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het bouwen van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan. Indien aan deze voorwaarden is voldaan, wordt de geluidbelasting op de gevel van het geluidgevoelige gebouw als aanvaardbaar beschouwd:
1. Geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarde te voldoen zijn niet financieel doelmatig of stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard;
2. De overschrijding van de standaardwaarde wordt zoveel mogelijk beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen;
3. De geluidbelasting op de gevel van het geluidgevoelige gebouw is niet hoger dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Indien sprake is van het bouwen van een geluidgevoelig gebouw met een bedgebied, en tevens is voldaan aan het eerste lid, kan een omgevingsvergunning uitsluitend worden verleend indien elke afzonderlijke woning beschikt over ten minste één geluidluwe gevel, waarop de geluidbelasting niet hoger is dan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.78t én tabel 5.65.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 5.78u, tweede en vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de bepalingen van dit artikel.
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt door middel van een gevelweringsrapportage aangetoond dat kan worden voldaan aan de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving ten aanzien van het binnenniveau in de woning.
Het is niet toegestaan om de gevels aangeduid als ‘specifieke bouwaanduiding - niet geluidgevoelige gevel’ te voorzien van te openen delen, anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang.
ARTIKEL 17 Algemene beoordelingsregels bouwwerken en gebruiksactiviteiten (met afwegingsruimte)
Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van:
de in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages.
de regels in die zin dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of intensiteit daartoe aanleiding geeft;
de regels en toestaan dat het bouwvlak met maximaal 2 m wordt overschreden;
de regels voor de bouw van een luifel aan de voorgevel van een hoofdgebouw, geen woning zijnde, mits:
de diepte gemeten vanuit de voorgevel niet meer bedraagt dan 3 m;
de hoogte niet meer bedraagt dan de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw;
er geen bezwaren bestaan vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid.
de regels en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:
de inhoud per gebouwtje niet meer bedraagt dan 60 m3;
de bouwhoogte niet meer dan bedraagt dan 5 m.
de regels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot:
ten behoeve de bouw van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 5 m;
ten behoeve van de bouw van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot maximaal 16 m;
ten behoeve van de bouw van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot 6 m.
het bepaalde ten aanzien van de maximum bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten wordt vergroot, mits:
de maximale oppervlakte van de vergroting niet meer bedraagt dan 10% van het betreffende platte dakvlak of de horizontale projectie van het schuine dakvlak;
de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1,25 maal de maximum bouwhoogte van het betreffende gebouw.
de regels en toestaan dat antennes worden gerealiseerd, met dien verstande dat:
de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 40 m;
de noodzaak van plaatsing is aangetoond;
is aangetoond dat de plaatsing van een antenne niet mogelijk is op bestaande hoogbouw of een bestaande (hoogspannings)mast;
de locatie in overeenstemming is met het plaatsingsplan, waarbij plaatsing bij voorkeur plaatsvindt op bedrijventerreinen, sportterreinen en/of groene gebieden, dan wel nabij kantoren en bij voorkeur niet in de nabijheid van onderwijsinstellingen;
is aangetoond dat de antenne inpasbaar is gelet op de ruimtelijke, landschappelijke of ecologische kwaliteit van het terrein, in relatie tot de kwaliteit van de aangrenzende gebieden. In de afweging omtrent de verlening van omgevingsvergunning worden in ieder geval de beschermde soorten krachtens de Wet natuurbescherming betrokken, zodanig dat dient te zijn aangetoond dat redelijkerwijs is te verwachten dat een ontheffing op grond van deze wet, indien vereist, zal worden verleend;
de bouwkundige inpasbaarheid van de antenne is aangetoond.
Aan de omgevingsvergunning kunnen voorwaarden gesteld omtrent de kleur en de exacte locatie van de antennemast c.a. en het aanbrengen van afschermende beplanting;
de regels ten aanzien van de situering van het hoofdgebouwen ten opzichte van de voorgevelrooilijn, mits dit niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de stedenbouwkundige opzet van het desbetreffend plangebied.
Er kan worden afgeweken van artikel 15.1 lid c onder 1 en 2 om een gebouw te voorzien van:
één schuin dakvlak en/of andere dakhelling, mits dit niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de stedenbouwkundige opzet van het desbetreffend plangebied of
een plat dak en/of andere dakhelling met dien verstande dat de maximale goothoogte gelijk kan worden gesteld aan de maximale bouwhoogte, mits dit niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de stedenbouwkundige opzet van het desbetreffend plangebied.
Het gebruik van de gronden voor de voorgevel voor het parkeren of stallen van voertuigen.
Ten behoeve van strijdig gebruik van grond, mits de afwijking niet zal leiden tot een onomkeerbare wijziging van de functie. Van dit laatste is in ieder geval sprake bij het toestaan van volgens de functie niet geoorloofd detailhandelsgebruik in gebouwen of op terreinen met andere bedrijfsfuncties of woonfuncties.
ARTIKEL 18 Algemene beoordelingsregels bouwwerken en gebruiksactiviteiten met betrekking tot parkeren
18.1 Parkeren
Een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of het wijzigen van het gebruik van gebouwen en gronden wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de geldende opgave, zoals beschreven in de hoofdstukken 3 tot en met 6 van de Beleidsregel van burgemeester en wethouders parkeernormen Ede 2025;
Tot een strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden of bouwwerken waarbij niet in het plangebied bij de ontwikkeling wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de geldende opgave, zoals beschreven in de hoofdstukken 3 tot en met 6 van de Beleidsregel van burgemeester en wethouders parkeernormen Ede 2025;
Indien de onder a en b bedoelde (beleids)regel wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met deze wijziging.
18.2 Laden en lossen
a. Indien de functie van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik, in deze behoefte in
voldoende mate zijn voorzien binnen het plangebied overeenkomstig de Beleidsregel van
burgemeester en wethouders parkeernormen Ede 2025;
b. Indien de onder a bedoelde (beleids)regel wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met deze
wijziging.
18.3 Andere parkeernorm (met afwegingsruimte)
Bij een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 18.1 en artikel 18.2:
voor zover op andere wijze in de nodige parkeergelegenheid dan wel laad- of losruimte wordt voorzien;
voor zover door een maatregel geen of minder dan de nodige parkeergelegenheid dan wel laad- of losruimte noodzakelijk is;
voor zover het voldoen aan die regels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.
bij de beoordeling van het bepaalde onder sub a, b en c wordt rekening gehouden met de afwijkingsvoorwaarden, zoals deze zijn neergelegd in de Beleidsregel van burgemeester en wethouders parkeernormen Ede 2025. Indien deze regeling wordt gewijzigd moet rekening worden gehouden met deze wijziging.
ARTIKEL 19 Activiteiten met betrekking tot licht
Het is niet toegestaan binnen of grenzend aan de functie Groen lichtbronnen aan te brengen of te handhaven die direct of indirect uitstralen in de richting van de ecologische verbinding. Dit betreft in het bijzonder:
straatverlichting en andere permanente verlichtingsobjecten
2 autoverlichting (koplampen) van wegen, paden of parkeerplaatsen die loodrecht of schuin op de oost-westverbinding zijn georienteerd.
Wegen, paden of parkeerplaaten die grenzen aan of de functie Groen doorkruisen, dienen te worden voorzien van afschermende maatregelen en verlichtingsmaatregelen, zoals:
donkere schermen, afrastering of hagen aan de rand van parkeerplaatsen aan de zijde van de ecologische verbinding;
2 gebruik van dimbare verlichting, lage en gerichte lichtarmaturen zonder uitstraling naar boven of naar de zijkant, lichtafscherming, vleermuisvriendelijke verlichting en andere lichtmatregelen.
ARTIKEL 20 Milieubelastende activiteiten
20.1 Algemene bepalingen
20.1.1 Samenhangende activiteiten
In dit artikel 'Milieubelastende activiteiten' wordt voor de regels over geluid en geur als één activiteit met gebruiksruimte beschouwd:
activiteiten als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
als het gaat om andere activiteiten dan bedoeld onder a, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:
rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of
elkaar functioneel ondersteunen.
20.2 Geluid door activiteiten
20.2.1 Toepassingsbereik
1. De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het geluid dat wordt veroorzaakt door milieubelastende activiteiten, anders dan wonen, met uitzondering van het geluid door:
activiteiten die plaatsvinden op een industrieterrein;
activiteiten en evenementen die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte worden verricht;
windturbines en windparken;
civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen;
spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg;
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval en;
2. De regels in deze paragraaf zijn niet van toepassing op het geluid:
op een niet-geluidgevoelige gevel;
van een activiteit op ‘geluidgevoelige gebouwen met een functionele binding of voormalige functionele binding’ met die activiteit;
onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee vermengd is.
20.2.2 Waar de waarden gelden
1. De waarden in deze paragraaf voor het geluid door een activiteit gelden, tenzij anders bepaald:
op een geluidgevoelig gebouw dat op grond van dit TAM-omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit is toegelaten, anders dan een woonschip of woonwagen:
1°. op de gevel, als het gaat om een geluidgevoelig gebouw; en
2°. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw, tot dat het geluidgevoelige gebouw is gerealiseerd;
op een woonschip of woonwagen, op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen.
2. Voor zover er binnen 10 meter vanaf de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht geen geluidgevoelig gebouw is gelegen of toegelaten, gelden de waarden in deze paragraaf voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op een afstand van 10 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht.
3. De in het tweede lid bedoelde afstand wordt verruimd tot maximaal 30 meter, voor zover
de locatie grenst aan openbaar gebied en tot zover er geen geluidgevoelige gebouwen zijn
gelegen of toegelaten.
4. De in het tweede en derde lid bedoelde afstanden gelden niet als de activiteit binnen een
zone voor geluid is gelegen als bedoeld in artikel 20.2.5.
20.2.3 Geluidwaarden op een geluidgevoelig gebouw
1. Bij het verrichten van een activiteit is het geluid op een geluidgevoelig gebouw of ruimte niet meer dan de waarden in onderstaande tabel 1:
Tabel 1:
|
Beschrijving |
07.00-19.00 uur |
19.00-23.00 uur |
23.00-07.00 uur |
|
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen |
- |
70 dB(A) |
70 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden |
70 dB(A) |
65 dB(A) |
65 dB(A) |
2. Bij het verrichten van een activiteit is het geluid op een geluidgevoelig gebouw of ruimte, waarbij de activiteit wordt verricht gelegen in een zone die in het kader van milieuzonering wordt beschouwd als ‘rustige woonwijk of rustig buitengebied', niet meer dan de waarden in onderstaande tabel 2:
Tabel 2:
|
Beschrijving |
07.00-19.00 uur |
19.00-23.00 uur |
23.00-07.00 uur |
|
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
35 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen |
- |
65 dB(A) |
65 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden |
65 dB(A) |
60 dB(A) |
60 dB(A) |
3. Bij het verrichten van een milieubelastende activiteit die in-, of aanpandig is van een geluidgevoelig gebouw is de geluidbelasting binnen geluidgevoelige ruimten niet meer dan de waarden in onderstaande tabel 3:
Tabel 3:
|
Beschrijving |
07:00-19:00 uur |
19:00-23:00 uur |
23:00-07:00 uur |
|
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door activiteiten |
35 dB(A) |
30 dB(A) |
25 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen |
-- |
55 dB(A) |
55 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
45 dB(A) |
20.2.4 Maatwerkvoorschriften
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over:
a. activiteiten waarbij, anders dan door laden en lossen, regelmatig maximale geluidniveaus LAmax van meer dan 70 dB(A) in de dagperiode optreden, die tot hinder leiden; en
b. activiteiten waarbij door het laden en lossen regelmatig maximale geluidniveaus LAmax van meer dan 75 dB(A) in de dagperiode optreden, die tot hinder leiden.
20.2.5 Geluidruimte
20.2.5.1 Geluidruimte binnen en buiten een zone
Bij het verrichten van een activiteit op een locatie die op de verbeelding is voorzien van een gebiedsaanduiding 'geluidzone -1', 'geluidzone - 2', 'geluidzone - 3' of 'geluidzone - 4' is het geluid niet meer dan de waarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT zoals is bepaald in tabel 4 met inachtneming van het bepaalde in artikel 21.2.3.
Voor zover geen geluidszone is opgenomen, zoals bedoeld in sub a, gelden de waarden zoals vermeld in tabel 4 voor geluidzone 1 op een afstand van 10 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht, met inachtneming van het bepaalde in artikel 20.2.3.
De onder sub b genoemde afstand van 10 meter wordt verruimd tot maximaal 30 meter, voor zover sprake is van openbaar toegankelijk gebied.
Bij de toepassing van sub a wordt geen rekening gehouden met het effect van bebouwing die aanwezig is in het gebied buiten de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht.
Tabel 4:
|
Gebiedsaanduiding |
Afstand vanaf grens locatie (m) |
07.00-19.00 uur |
19.00-23.00 uur |
23.00-07.00 uur |
|
Geluidzone - 1 |
30 |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
35 dB(A) |
|
Geluidzone - 2 |
50 |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
35 dB(A) |
|
Geluidzone - 3 |
50 |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
|
Geluidzone - 4 |
50 |
50 dB(A) |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
20.2.5.2 Afwijken van waarden met een omgevingsvergunning
Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van de waarden, bedoeld in artikel 20.2.5.1.
De omgevingsvergunning bedoeld onder a. kan worden verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag:
onevenredig ingrijpende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de waarden;
andere maatregelen die de geluidbelasting verminderen zo veel mogelijk worden getroffen en
de geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.
Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunningvoorschriften over de waarden, die maximaal 5 dB hoger zijn dan de waarden, bedoeld in de artikel 20.2.5.1, mits dat niet leidt tot een overschrijding van de waarden voor geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in tabel 5.
Tabel 5:
|
|
07.00-19.00 uur |
19.00-23.00 uur |
23.00-07.00 uur |
|
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT |
35 dB(A) |
30 dB(A) |
25 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen |
- |
45 dB(A) |
55 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden |
- |
45 dB(A) |
45 dB(A) |
d. Het bepaalde onder c. is niet van toepassing op aanwezige geluidgevoelige gebouwen, als:
maatregelen aan de gevel om voor dat gebouw te voldoen aan de waarden, bedoeld in tabel 4 leiden tot zwaarwegende bezwaren van bouwkundige aard;
de eigenaar weigert mee te werken aan het onderzoek naar het geluid in zijn gebouw door activiteiten en de noodzakelijke geluidwerende maatregelen; of
de eigenaar weigert geluidwerende maatregelen te laten aanbrengen.
ARTIKEL 21 Algemene aanduidingsregels
21.1 Voorschriften Explosieaandachtsgebied
21.1.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding ‘Voorschriftengebied Explosie’ zijn de gronden, naast de andere voor
die gronden aangewezen functies, tevens bestemd voor het beperken van risico’s op letsel
door scherfwerking bij een explosie, door middel van een daartoe geschikte uitvoering van beglazing
voor zeer kwetsbare functies.
21.1.2 Bouwregels
In afwijking van het bepaalde bij de andere aangewezen functies geldt dat ter plaatse van de
aanduiding ‘Voorschriftengebied Explosie’ beglazing aan beide zijden van het gebouw, voor zeer
kwetsbare functies, zodanig moet worden uitgevoerd dat bij een explosie letsel door scherfwerking
wordt voorkomen.
21.1.3 Afwijken van de bouwregels
Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij de andere aangewezen functies teneinde het bouwen van nieuwe kwetsbare danwel zeer kwetsbare gebouwen overeenkomstig de andere
functies toe te staan, mits het glas bij de woningen niet zal versplinteren bij een explosie.
21.2 Monumentale boom
21.2.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de functieaanduiding 'monumentale boom' zijn de gronden, naast de aldaar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van waardevolle bomen. Indien de boom door ziekte of om een andere reden is gekapt en zijn boomwaarde heeft verloren, is deze regeling niet van toepassing.
21.2.2 Bouwregels
Ter plaatse van de aanduiding 'monumentale boom' mogen de beoogde werkzaamheden niet plaats vinden binnen de vastgestelde obstakelvrije zone (=zone kroondiameter (eindbeeld) x factor 0,6).
21.2.3 Afwijken van de bouwregels
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het in artikel 21.2.2 bepaalde ten behoeve van het verkleinen van de genoemde afstand, mits dit geen wezenlijke negatieve gevolgen heeft voor de boom.
ARTIKEL 22 Algemene gebruiksregels
Onder het gebruiken of laten gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het TAM-omgevingsplan wordt in ieder geval verstaan:
het gebruik van bebouwde en onbebouwde gronden ten behoeve van een seksinrichting, een escortbedrijf en/of raam- en straatprostitutie;
het gebruik van bebouwde en onbebouwde gronden ten behoeve van detailhandel;
het gebruik van bebouwde en onbebouwde gronden ten behoeve van een standplaats en/of het (doen) stallen van (een) woonwagen(s), caravan(s), aanhangwagen(s);
het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen bij (bedrijfs)woningen voor bewoning;
het onttrekken van de parkeervoorziening op eigen terrein.
HOOFDSTUK 5 Overgangsbepalingen
ARTIKEL 23 Overgangsrecht
23.1 Overgangsrecht bouwwerken
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%.
Het bepaalde in sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
23.2 Overgangsrecht gebruik
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij de afwijking door deze verandering naar aard en omvang wordt verkleind.
Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Het bepaalde in sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.