| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k De Klomp, Fermentatiestraat ongenummerd |
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0228.TO2024KLOS0011-0301 |
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22k De Klomp, Fermentatiestraat ongenummerd
Inhoudsopgave
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22k De Klomp, Fermentatiestraat ongenummerd
HOOFDSTUK 1 Inleidende bepalingen
ARTIKEL 2 Meet- en rekenbepalingen
HOOFDSTUK 2 Integratie Omgevingsplan gemeente Ede
HOOFDSTUK 3 Activiteiten en toedeling van functies
ARTIKEL 4 Functie Bedrijventerrein
ARTIKEL 9 Functie Leiding - Gas
HOOFDSTUK 4 Algemene bepalingen
ARTIKEL 10 Anti-dubbeltelregel
ARTIKEL 11 Uitsluiting niet benoemde activiteiten
ARTIKEL 12 Algemene zorgplicht
ARTIKEL 13 Maatwerkvoorschriften
ARTIKEL 14 Algemene regels met betrekking tot bouwwerken
ARTIKEL 15 Algemene beoordelingsregels bouwwerken en gebruiksactiviteiten (met afwegingsruimte)
ARTIKEL 17 Algemene aanduidingsregels
ARTIKEL 18 Milieubelastende activiteiten
ARTIKEL 19 Algemene gebruiksregels
ARTIKEL 20 Voorwaardelijke verplichtingen bouwwerken en gebruiksactiviteiten
HOOFDSTUK 5 Overgangsbepalingen
HOOFDSTUK 1 Inleidende bepalingen
ARTIKEL 1 Begripsbepalingen
1.1 Begrippen Omgevingswet, AMvB's en regelingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit TAM- omgevingsplan.
1.2 Aanvullende begripsbepalingen
Voor de toepassing van hoofdstuk 22k gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:
1.3 TAM-omgevingsplan:
'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k, De Klomp, Fermentatiestraat ongenummerd' met identificatienummer NL.IMRO.0228.TO2024KLOS0011-0201 van de gemeente Ede.
1.4 Omgevingsplan gemeente Ede:
Het Omgevingsplan van de gemeente Ede zoals bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet.
1.5 plan:
'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k, De Klomp, Fermentatiestraat ongenummerd' met identificatienummer NL.IMRO.0228.TO2024KLOS0011-0301 van de gemeente Ede.
1.6 aanbouw:
Een aan een hoofdgebouw toegevoegde ruimte met een dak die qua afmetingen en/of visueel opzicht (onder meer voor wat betreft goothoogte, dakhelling en/of dakvorm), ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
1.7 aan-huis-verbonden beroep:
De uitoefening van een dienstverlenend beroep aan huis op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen terrein, alsmede een beroep op het terrein van persoonlijke verzorging, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt. Hieronder wordt in ieder geval niet verstaan een (raam)prostitutiebedrijf en/of escortbedrijf.
1.8 aanduiding:
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
1.9 aanduidingsgrens:
De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
1.10 achtergevelrooilijn:
De achterste grens van een bouwvlak, gezien vanaf de weg waarop het hoofdgebouw is georiënteerd;
indien er niet sprake is van een achterste grens van een bouwvlak dan wel geen bouwvlak is aangegeven: de denkbeeldige lijn die wordt getrokken langs de achtergevel van het hoofdgebouw - zonder aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen - alsmede het verlengde daarvan.
1.11 afhaalpunt:
Een locatie waar de consument uitsluitend voorafgaand aan het bezoek via internet bestelde goederen kan (betalen,) afhalen of retourneren, waar uitsluitend logistiek en opslag van deze eerder bestelde goederen gedurende een korte periode plaatsvindt, en waarbij geen sprake is van uitstalling ter verkoop en/of overige activiteiten.
1.12 agrarisch bedrijf:
Een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, waarbij alleen opslag van door het bedrijf voortgebrachte producten is toegestaan.
1.13 agrarische nevenactiviteiten:
Een kleinschalige agrarische activiteit bij een woning gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder begrepen bomen en heesters, en/of het houden van dieren, waarbij opslag van ter plaatse voortgebrachte producten is toegestaan.
1.14 antenne:
Een bouwwerk in de vorm van een zend- en/of ontvangstinstallatie voor telecommunicatiedoeleinden.
1.15 askophoogte:
de hoogte van het centrisch middelpunt van de molenwieken tot de begane grond van de molen;
1.16 atelier:
Een werkplaats, in het bijzonder die van een beeldend kunstenaar. Tevens is het binnen het atelier toegestaan om kunstwerken ten toon te stellen en te verkopen die door de kunstenaar zelf zijn vervaardigd.
1.17 bebouwing:
Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
1.18 bedrijf:
Een onderneming of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan-huis-verbonden beroepen daaronder niet begrepen. Daarbij wordt als één bedrijf beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele binding hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.
1.19 bedrijfsgebouw:
Een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.
1.20 bedrijfswoning/dienstwoning:
Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de functie van het gebouw of het terrein noodzakelijk en wenselijk is.
1.21 beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte:
De totale vloeroppervlakte van de ruimte binnen een bouwwerk en/of op een terrein die wordt gebruikt voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke.
1.22 bestaande situatie:
Ten aanzien van bebouwing:
legaal aanwezige bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;
ten aanzien van gebruik:
het legaal gebruik van gronden en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit omgevingsplan rechtskracht heeft verkregen.
1.23 bijgebouw:
Een gebouw dat in functioneel opzicht ondergeschikt is aan en hoort bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.
1.24 bouwen:
Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats.
1.25 bouwgrens:
De grens van een bouwvlak.
1.26 bouwlaag:
Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.
1.27 bouwmassa:
Een verzameling bij elkaar horende gebouwen bestaande uit een vrijstaand hoofdgebouw, dan wel twee of meer aaneengebouwde hoofdgebouwen inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen.
1.28 bouwperceel:
Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
1.29 bouwperceelsgrens:
De grens van een bouwperceel.
1.30 bouwvlak:
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
1.31 bouwwerk:
Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van functie hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.
1.32 carport:
Een dakconstructie vrijstaand zonder wanden, dan wel aan maximaal drie zijden begrensd door de gevels van belendende gebouwen, bedoeld voor de stalling van een motorvoertuig.
1.33 culturele voorzieningen:
Het uitoefenen van activiteiten op (sociaal) cultureel en kunstzinnig vlak, waaronder ateliers, galeries, dansscholen, muziekscholen, musea en theaters.
1.34 detailhandel:
Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
1.35 dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling:
Bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische diensten aan derden, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen waaronder zijn begrepen alternatieve geneeswijze, kapperszaken, schoonheidsinstituten, massagesalon, nagelstudio, zonnebankstudio, fotostudio, stomerij, wasserette, videotheek, kleding- en/of schoenenreparatie, belwinkel, internetcafé, en naar aard en uitstraling daarmee gelijk te stellen bedrijven en instellingen, evenwel met uitzondering van prostitutie.
1.36 eerste bouwlaag:
De bouwlaag op de begane grond.
1.37 erf:
Al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw.
1.38 escortbedrijf:
De natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend, zoals escortservices en -bemiddelingsbureaus.
1.39 functie:
Doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan.
1.40 functiegrens
De grens van een functievlak waarin de functie van de locatie is beschreven.
1.41 functievlak
Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie.
1.42 galerie:
Ruimte voor het exposeren en verkopen van kunstwerken.
1.43 garagebedrijf:
Een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor verkoop, onderhoud en reparatie van motorvoertuigen, met dien verstande dat de verkoop van motorbrandstoffen is uitgezonderd.
1.44 gebouw:
Elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
1.45 gestapelde bebouwing:
Bebouwing bestaande uit zich in één hoofdgebouw boven en naast elkaar bevindende zelfstandige woningen en/of bijzondere woonruimten.
1.46 geurgevoelig object:
Gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, worden gebruikt.
1.47 grondgebonden agrarische bedrijfsvoering:
Een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk niet in gebouwen plaatsvindt, zoals een melkveehouderij, een akkerbouwbedrijf of een biologisch veehouderijbedrijf, waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf.
1.48 groothandel:
Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan wederverkopers, dan wel aan instellingen of personen tot aanwending in een andere bedrijfsactiviteit.
1.49 hoofdfunctie:
Een functie waarvoor het hoofdgebouw of de gronden als zodanig mag respectievelijk mogen worden gebruikt.
1.50 hoofdgebouw:
Een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige functie van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is;
1.51 horeca:
Een bedrijf waar bedrijfsmatig dranken en etenswaren voor consumptie ter plaatse worden verstrekt
(uitgezonderd een maaltijdafhaalcentrum) en/of waar bedrijfsmatig logies wordt verstrekt.
1.52 horeca categorie 1:
Een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide snacks, ijs en kleine maaltijden voor consumptie zowel ter plaatse als elders, met daaraan ondergeschikt het verstrekken van overwegend niet-alcoholhoudende dranken, zoals een snackbar, cafetaria, lunchroom, broodjeszaak, ijssalon en koffiehuis.
1.53 horeca categorie 2:
Een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren ten behoeve van consumptie ter plaatse, alsmede het daaraan ondergeschikt verstrekken van alcoholhoudende en niet-alcoholhoudende dranken, al dan niet in combinatie met het verstrekken van nachtverblijf en/of van zaalverhuur, zoals een hotel, een restaurant, pannenkoekhuis, eetcafé en pizzeria.
1.54 horeca categorie 3:
Een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van overwegend alcoholhoudende dranken voor consumptie ter plaatse, al dan niet in combinatie met kleine etenswaren, zoals een café.
1.55 horeca categorie 4:
Een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig bieden van gelegenheid tot dansen dan wel tot het uitoefenen van een kans- en behendigheidsspel al dan niet in combinatie met het verstrekken van alcoholhoudende en niet-alcoholhoudende dranken, zoals een dancing, discotheek/nachtzaak, casino of automatenspeelhal.
1.56 hospita(kamer)verhuur:
Verhuur door een particuliere eigenaar van maximaal 2 kamers (aan maximaal 1 persoon per kamer) in de door de eigenaar zelf bewoonde woning.
1.57 huisvesting in verband met mantelzorg
Huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning.
1.58 onzelfstandig kantoor:
Een onderdeel van een bedrijf, dat andere bedrijfsactiviteiten als inkomstenbron heeft en waarvoor het kantoor uitsluitend een ondersteunende functie heeft.
1.59 kantoor- en/of praktijkruimte:
Een ruimte die door aard en indeling kennelijk is bestemd om uitsluitend of in hoofdzaak dienstig te zijn tot het verrichten van administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch of daarmee naar aard gelijk te stellen arbeid, dan wel dat dient voor het uitoefenen van een beroep op medisch, paramedisch of therapeutisch gebied.
1.60 karakteristiek pand:
Historisch bouwkundig object dat door de zeggingskracht van zijn architectuur, bijzonderheid van het type, interactie met de omliggende bebouwing of plek in het straatbeeld dan wel landschap in sterke mate bijdraagt aan de aantrekkelijkheid van de omgeving.
1.61 kelder:
een geheel ondergronds gelegen ruimte die grotendeels is gesitueerd onder een bijbehorende bovengronds bouwwerk, en waarvan de bovenkant van de vloer zich op ten minste 1,75 m onder peil bevindt;
1.62 kunstobject:
Een bouwwerk zonder een specifiek gebruiksdoel ter verfraaiing en verrijking van de directe omgeving waarbij de artistieke waarde van het bouwwerk voorop staat.
1.63 lichte bedrijvigheid:
Het op ambachtelijke wijze vervaardigen, herstellen, onderhouden of bewerken van producten en/of diensten in de vorm van bedrijven die voorkomen in categorie A van de van deze regels deel uitmakende Staat van bedrijfsactiviteiten.
1.64 maatschappelijke voorzieningen:
Educatieve, (para)medische, sociale, levensbeschouwelijke, religieuze voorzieningen, onderwijs- en kinderopvangvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening.
1.65 magneetgevoelig object:
Bouwwerk waarin kinderen langdurig verblijven, waaronder woningen, kinderdagverblijven en onderwijsgebouwen.
1.66 mantelzorg:
Intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.
1.67 molen:
Inrichting bestemd en geschikt voor het benutten van wind- of waterkracht.
1.68 niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering:
Een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk in gebouwen plaatsvindt, en die als zodanig niet afhankelijk is van agrarische gronden als productiemiddel, zoals een intensief veehouderijbedrijf of een intensief kwekerijbedrijf.
1.69 onderbouw:
Een gedeelte van een gebouw dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant op minder dan 1,20 m boven peil is gelegen.
1.70 ondergeschikte detailhandel:
Beperkte op de eindgebruiker gerichte verkoop van goederen, die functioneel rechtstreeks verband houden met de bedrijfsactiviteiten.
1.71 ondergeschikte functie:
Functie waarvoor maximaal 30% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw als zodanig mag worden gebruikt.
1.72 ondergeschikte horeca:
Horeca waarvoor maximaal 30% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw als zodanig mag worden gebruikt voor ten hoogste horeca categorie 1.
1.73 overig bouwwerk:
Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen gebouw zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
1.74 overkapping:
Een dakconstructie zonder wanden, dan wel aan maximaal drie zijden begrensd door de gevels van belendende gebouwen of andere bouwwerken.
1.75 plaatsingsplan:
Plan waarin de bestaande antenne-installaties binnen de gemeente alsmede de zoekgebieden voor toekomstige installaties zijn aangegeven.
1.76 plangrens:
De aangegeven begrenzing van het omgevingsplan.
1.77 productiegebonden detailhandel:
Beperkte op de eindgebruiker gerichte verkoop van goederen vanuit een bedrijf dat die goederen vervaardigt/produceert, bewerkt en/of toepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie.
1.78 prostitutie:
Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten ten behoeve van een ander tegen vergoeding.
1.79 publiekverzorgend ambacht en dienstverlening:
Een ambachtelijk c.q. dienstverlenend bedrijf dat zijn goederen en diensten rechtstreeks levert aan de consument, zoals een goudsmid, schoenmaker, kapper en videotheek, alsmede commerciële en medische dienstverlening, met dien verstande dat de detailhandelsfunctie ondergeschikt en gerelateerd is aan het bedrijf.
1.80 raamprostitutie:
Een seksinrichting met één of meer ramen van waarachter de prostituee/prostitué tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen.
1.81 recreatief medegebruik:
Recreatief medegebruik van gronden, zoals wandelen, fietsen, varen, zwemmen, vissen en daarmee gelijk te stellen activiteiten (met uitzondering van rust- en picknickplaatsen met bijbehorend meubilair), dat ondergeschikt is aan de functie van de functie waarbinnen dit gebruik is toegestaan. Het medegebruik legt geen specifiek beslag op de ruimte, behoudens ruimtebeslag door voet-, fiets- en ruiterpaden en die in hoofdzaak gericht zijn op natuur- en landschapsbeleving.
1.82 recreatiewoning:
Een permanent aanwezig gebouw, bestemd om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar gebruikt te worden uitsluitend voor recreatieve doeleinden.
1.83 ruimtelijke kwaliteit:
De kwaliteit van de ruimte als bepaald door de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde van die ruimte.
1.84 seksinrichting:
Een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
1.85 stacaravan:
Een kampeermiddel zonder fundering met een maximale oppervlakte van 55m², inclusief al dan niet vrijstaande bijgebouwen en overkappingen, waarbij onder fundering wordt verstaan, een bouwwerk in de grond als basis voor een, al dan niet tot de constructie daarvan behorend, kampeermiddel.
1.86 standplaats:
Een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, ofwel de ruimte die voor de duur van de markt op het marktterrein is aangewezen voor het bedrijven van de markthandel, ofwel de ruimte die is aangewezen voor het plaatsen van een kiosk, waarop of waarbij voorzieningen aanwezig kunnen zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten.
1.87 straatprostitutie:
Het in hoofdzaak op de openbare weg door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen dan wel aanlokken.
1.88 stedenbouwkundig beeld:
Het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaalde beeld, inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte(n).
1.89 terras:
Een buiten een gebouw gelegen gebied behorende bij een horecabedrijf waar zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken worden geschonken en/of etenswaren verstrekt.
1.90 uitbouw:
De vergroting van een bestaande ruimte in een hoofdgebouw, die qua afmetingen en/of in visueel opzicht (onder meer wat betreft (goot)hoogte, dakhelling en/of dakvorm), ondergeschikt is aan het
hoofdgebouw.
1.91 veldschuur/schuilgelegenheid:
Een overdekte ruimte voor weidedieren dat tot doel heeft het bieden van bescherming tegen weersomstandigheden waarbij (buiten)opslag niet is toegestaan met uitzondering van kleinschalige aan het gebruik gerelateerde opslag (onder andere voerproducten, stroo, hooi en mest);
1.92 verkoopvloeroppervlakte (vvo):
De totale oppervlakte van de voor het publiek toegankelijke en zichtbare winkelruimte, inclusief de etalageruimte en de ruimte achter de toonbank.
1.93 voorgevellijn:
De lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen alsmede het verlengde daarvan.
1.94 voorgevelrooilijn:
De grens van het bouwvlak die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd.
1.95 winkel:
Een gebouw dat een ruimte omvat die door zijn indeling kennelijk is bedoeld om te worden gebruikt voor de uitoefening van detailhandel.
1.96 woonwagen:
Een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat kan worden verplaatst.
1.97 woning:
Een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.
1.98 zaalverhuur:
Een inrichting ten behoeve van het al dan niet bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie, waarbij het verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren en/of het verstrekken van drank voor consumptie ter plaatse mogelijk is.
1.99 zelfstandig kantoor:
Een voorziening die op zichzelf het bedrijf vormt en gericht is op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek al dan niet rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.
1.100 zelfstandige woonruimte:
Woonruimte met een een eigen aparte opgang en voordeur, met eigen voorzieningen waarbij onder andere een keuken, toilet, badkamer, douche, niet met anderen hoeft te worden gedeeld.
1.101 zorginstelling:
Een instelling of complex ten behoeve van wonen in combinatie met een zorgfunctie met bijbehorende voorzieningen dan wel zelfstandige wooneenheden met een bijbehorende zorgfunctie.
ARTIKEL 2 Meet- en rekenbepalingen
2.1 Algemeen
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten c.q. gerekend:
afstand tot de zijdelingse perceelsgrens:
De kortste afstand van de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk.
bebouwd oppervlak van een bouwperceel:
De oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen.
bebouwingspercentage:
Het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de functie of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die functie.
Bovenkant Spoorstaaf (BS):
De hoogte van de bovenkant van de laagste spoorstaaf.
breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde:
Overeenkomstig de omtreklijn van de horizontale projectie van alle delen van die bouwwerken.
breedte, diepte c.q. lengte van een gebouw:
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren.
de dakhelling:
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
de goothoogte van een bouwwerk:
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
de bouwhoogte van een bouwwerk:
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
de inhoud van een bouwwerk:
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
oppervlakte van een bouwwerk:
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/ of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
de hoogte van een windturbine:
Vanaf het peil tot aan de as van de windturbine.
peil:
het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven. Voor dit plan ligt het peil op circa 7,4m+ NAP.
2.2 Ondergeschikte bouwdelen
Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen buiten beschouwing gelaten, zoals:
dakkapellen met een maximale breedte van 50% van de gevelbreedte;
plinten, pilasters, trappen, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1 m.
2.3 Verwijzing naar andere wettelijke regelingen
Waar in dit plan wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op de regelingen zoals die luidden op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan.
HOOFDSTUK 2 Integratie Omgevingsplan gemeente Ede
ARTIKEL 3 Toepassingsbereik
3.1 Geometrische afbakening
De regels in dit plan zijn van toepassing op de locatie waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0228.TO2024KLOS0011-0201 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
3.2 Integratie Omgevingsplan gemeente Ede
De regels in dit plan zijn integraal onderdeel van de geconsolideerde versie van het 'Omgevingsplan gemeente Ede' zoals dat is gepubliceerd op de landelijke voorziening https://omgevingswet.overheid.nl/home.
3.3 Buitenwerkingstelling eerdere besluiten
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locaties in dit plan.
3.4 Integratie tijdelijk deel omgevingsplan
3.4.1 Integratie bruidsschat
de regels in hoofdstuk 22 (zonder lettertoevoeging) van het 'Omgevingsplan gemeente Ede' zijn van overeenkomstige toepassing op de locaties in dit plan;
als de regels uit hoofdstuk 22 (zonder lettertoevoeging) van het 'Omgevingsplan gemeente Ede' op enig moment een andere plek in de structuur van het 'Omgevingsplan gemeente Ede' krijgen, blijven die regels van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de daarop doorgevoerde wijzigingen.
3.4.2 Voorrangsregeling specifieke bepalingen TAM-omgevingsplan
In afwijking van artikel 3.4.1. zijn de bepalingen in de volgende artikelen van het 'Omgevingsplan gemeente Ede' niet van toepassing voor zover het bepaalde in die artikelen in strijd is met regels in dit TAM-omgevingsplan:
de bepalingen inzake geluid als bedoeld in paragraaf 22.3.4 van het 'Omgevingsplan gemeente Ede';
de bepalingen inzake geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, bedoeld in de artikelen 22.98 en 22.100 van het Omgevingsplan gemeente Ede, met dien verstande dat het bepaalde in die artikelen uitsluitend niet van toepassing is op de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw of ruimte met een woonfunctie of een bedrijfsfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:
op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven;
in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de dierenverblijven; en
in samenhang met de sloop van dierenverblijven of bedrijfsgebouwen voor functioneel ondersteunende activiteiten.
HOOFDSTUK 3 Activiteiten en toedeling van functies
ARTIKEL 4 Functie Bedrijventerrein
4.1 Activiteiten met betrekking tot het planologisch gebruik
4.1.1 Gebruiksactiviteiten binnen de toegedeelde functie
Op een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Bedrijventerrein' zijn bedrijven toegestaan die 80% food gerelateerde activiteiten uitvoeren.
met daarbij behorende:
laad- en losvoorzieningen;
wegen, voet- en fietspaden;
nutsvoorzieningen;
parkeer- en fietsvoorzieningen;
tuinen, erven en verhardingen;
groenvoorzieningen;
brandveiligheids- en blusvoorzieningen;
4.1.2 Verboden
Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken op een locatie die op de verbeelding is aangewezen voor 'Bedrijventerrein' is het volgende niet toegestaan:
opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk;
het exploiteren van een IPPC-installatie;
activiteiten met externe veiligheidsrisico's als bedoeld in bijlage VII Besluit kwaliteit leefomgeving;
activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken zijn niet toegestaan (artikel 5.78b Besluit kwaliteit leefomgeving);
activiteiten die worden aangemerkt als m.e.r.-plichtig project zoals bedoeld in bijlage V Omgevingsbesluit;
detailhandel;
zelfstandige kantoren;
zelfstandige horeca.
4.1.3 Aanwijzing vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de hierna aangegeven activiteit(en) te verrichten, tenzij het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verleent voor die activiteit(en) met inachtneming van de beoordelingsregels in artikel 4.1.4:
het gebruiken van een locatie voor een bedrijf dat niet is toegestaan op grond van het bepaalde in artikel 4.1.1.;
onzelfstandige kantoren en ondergeschikte horeca;
opslag buiten de bebouwing.
4.1.4 Beoordelingsregels voor gebruiksactiviteiten (met afwegingsruimte)
4.1.4.1 Vergelijkbare belastende activiteit
In afwijking van artikel 4.1.1 kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het toestaan van bedrijven die naar aard en ruimtelijke impact (verkeersaantrekkende werking, ruimtebeslag, aantal arbeidsplaatsen e.d.) vergelijkbaar zijn met de toegestane bedrijven, met dien verstande dat de afwijking niet leidt tot onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
4.1.4.2 Onzelfstandige kantoren en ondergeschikte horeca
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het toestaan van onzelfstandige kantoren en ondergeschikte horeca, met inachtneming van de volgende bepalingen:
ten hoogste 30% van het bedrijfsvloeroppervlak van een bedrijf mag worden benut voor onzelfstandige kantoren en ondergeschikte horeca behorende bij dit bedrijf, zulks tot een maximum van 1.500 m² dan wel het aantal m² in de bestaande situatie.
4.1.4.3 Toestaan buitenopslag
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor buitenopslag wanneer dit voor het meest doelmatige gebruik van een bedrijf noodzakelijk is onder de voorwaarde dat de buitenopslag landschappelijk is ingepast. Een landschappelijk inpassingsplan dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag.
4.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken
4.2.1 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (gesloten normen)
4.2.1.1 Bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen:
Bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd.
De goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan is aangegeven op de verbeelding.
Het bebouwingspercentage van een kadastraal perceel mag niet meer bedragen dan 80%.
Ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' is een ondergrondse parkeergarage mogelijk tot een bouwdiepte van ten hoogste 10 m.
4.2.1.2 Bedrijfswoningen
Bedrijfswoningen zijn niet toegestaan.
4.2.1.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m;
de bouwhoogte van lichtmasten, reclamemasten en vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 15 meter;
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.
4.2.2 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (met afwegingsruimte)
4.2.2.1 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan ten behoeve van silo's, watertanks of vergelijkbare technische bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.1.3 sub c en een maximale bouwhoogte van 15 meter toestaan, wanneer dit voor de meest doelmatige inrichting van het bedrijf noodzakelijk is en het geen afbreuk doet aan de plaatselijke ruimtelijke kwaliteit.
ARTIKEL 5 Functie Groen
5.1 Activiteiten met betrekking tot het planologisch gebruik
5.1.1 Gebruiksactiviteiten binnen de toegedeelde functie
Op een locatie die op de verbeelding is aangewezen als ‘Groen’ zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:
groenvoorzieningen;
bermen en beplantingen;
speelvoorzieningen;
kunstobjecten;
water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
voet- en fietspaden;
nutsvoorzieningen;
brandveiligheids- en blusvoorzieningen;
toegangswegen ten behoeve van aangrenzende functies;
5.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken
5.2.1 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (gesloten normen)
5.2.1.1 Gebouwen
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
5.2.1.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
Er is maximaal één overkapping toegestaan;
De oppervlakte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 20 m² met een maximale goothoogte van 3 m en een maximale bouwhoogte van 6 m.
De bouwhoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 5 m.
De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
5.2.2 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (met afwegingsruimte)
5.2.2.1
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.2.1.1 en een gebouw toestaan ten behoeve van nutsvoorzieningen met in achtneming van de volgende regels:
De oppervlakte van het gebouw mag niet meer bedragen dan 20 m².
De bouwhoogte van het gebouw mag niet meer bedragen dan 5 m.
5.3 Werken en werkzaamheden (anders dan bouwwerken)
5.3.1 Omgevingsvergunning
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
het aanleggen van verhardingen met een oppervlakte groter dan 5% van de in deze functie opgenomen aaneengesloten gronden;
het afgraven, ophogen en egaliseren van gronden wanneer dit een oppervlakte van meer dan 250 m² betreft;
5.3.2 Beoordelingsregels
De in artikel 5.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke en/of natuurlijke waarden van de gronden.
5.3.3 Uitzonderingen
Het in artikel 5.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
het normale onderhoud betreffen;
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
ARTIKEL 6 Functie Kantoor
6.1 Activiteiten met betrekking tot het planologisch gebruik
6.1.1 Gebruiksactiviteiten binnen de toegedeelde functie
Op een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Kantoor' zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:
zelfstandige kantoren;
campusvoorzieningen;
onzelfstandige horeca.
met daarbij behorende:
tuinen, erven en verhardingen;
parkeer- en fietsvoorzieningen;
ondergrondse en halfverdiepte parkeergarages;
groenvoorzieningen;
nutsvoorzieningen;
brandveiligheids- en blusvoorzieningen.
6.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken
6.2.1 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (gesloten normen)
6.2.1.1 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:
Gebouwen mogen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd;
Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, tenzij anders is aangegeven;
Ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' is uitsluitend een gebouwde parkeergarage toegestaan;
De totale bruto vloeroppervlakte, exclusief de gebouwde parkeervoorzieningen, bedraagt maximaal 25.000 m2;
De bouwhoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven.
In afwijking van sub e mag op maximaal 40% van de oppervlakte van bouwveld 1 de bouwhoogte maximaal 21,5 m bedragen.
In afwijking van sub e mag op maximaal 40% van de oppervlakte van bouwveld 2 de bouwhoogte maximaal 17,5 m bedragen.
In afwijking van sub e mag op maximaal 40% van de oppervlakte van bouwveld 3 de bouwhoogte maximaal 13,5 m bedragen.
6.2.1.2 Ondergeschikte horeca
Ten hoogste 20% van het bedrijfsvloeroppervlak mag worden benut voor ondergeschikte horeca.
6.2.1.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn niet meer mag bedragen dan 1 m.
De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
ARTIKEL 7 Functie Verkeer
7.1 Activiteiten met betrekking tot het planologisch gebruik
7.1.1 Gebruiksactiviteiten binnen de toegedeelde functie
De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
wegen met bijbehorende voorzieningen;
voet- en fietspaden met bijbehorende voorzieningen;
parkeer- en fietsvoorzieningen;
groenvoorzieningen;
speelvoorzieningen;
kunstobjecten;
water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
nutsvoorzieningen,
brandveiligheids- en blusvoorzieningen;
7.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken
7.2.1 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (gesloten normen)
7.2.1.1 Gebouwen
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
7.2.1.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
De bouwhoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 5 m.
De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
ARTIKEL 8 Functie Water
8.1 Activiteiten met betrekking tot het planologisch gebruik
8.1.1 Gebruiksactiviteiten binnen de toegedeelde functie
De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
bermen en taluds;
groenvoorzieningen;
nutsvoorzieningen;
voet- en fietspaden.
8.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken
8.2.1 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (gesloten normen)
8.2.1.1 Gebouwen
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
8.2.1.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.
ARTIKEL 9 Functie Leiding - Gas
9.1 Activiteiten met betrekking tot het planologisch gebruik
9.1.1 Gebruiksactiviteiten binnen de toegedeelde functie
De op de verbeelding voor "Leiding – Gas" aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van ondergrondse hogedruk gastransportleidingen (inclusief voorzieningen) met de daarbij behorende belemmeringenstroken.
9.1.2 Voorrangsregel
De regels van deze dubbelfunctie gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere functie, waarmee deze dubbelfunctie samenvalt.
9.1.3 Specifieke gebruiksregel
Tot een gebruik, strijdig met deze functie, wordt in ieder geval gerekend:
het opslaan van goederen, met uitzondering van het opslaan van goederen ten behoeve van inspectie en onderhoud van de gastransportleiding.
9.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken
9.2.1 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (gesloten normen)
9.2.1.1 Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen:
ten behoeve van deze functie mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 1,5 meter met een maximum oppervlakte van 5 m²;
ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende functies(s) mag- met inachtneming van de voor de betrokken functies(s) geldende (bouw)-regels– uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
9.2.2 Beoordelingsregels voor bouwwerken (met afwegingsruimte)
9.2.2.1 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomendefuncties(s) indien de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen kwetsbare objecten worden toegelaten.
9.3 Werken en werkzaamheden (anders dan bouwwerken)
9.3.1 Omgevingsvergunning
Het is verboden op of in de gronden met de functie Leiding – Gas zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde en/of de volgende werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair;
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen,diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage of anderszins wijzigen van het maaiveld of weghoogte;
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
9.3.2 Beoordelingsregels
De werken en werkzaamheden, zoals bedoeld in artikel 9.3.1, zijn slechts toelaatbaar indien de betreffende werken en/of werkzaamheden de belangen van de leiding niet schaden.
9.3.3 Uitzonderingen
Het in artikel 9.3.1 bepaalde verbod is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden:
die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
die het normale onderhoud ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende functie(s) betreffen;
zijnde graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten;
die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
9.3.4 Advisering over de omgevingsvergunning
Alvorens te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in 9.3.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen werken of werkzaamheden de belangen van de leiding niet worden geschaad en welke voorwaarden gesteld dienen te worden om eventuele schade te voorkomen.
HOOFDSTUK 4 Algemene bepalingen
ARTIKEL 10 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van activiteiten waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere activiteiten buiten beschouwing.
ARTIKEL 11 Uitsluiting niet benoemde activiteiten
Activiteiten met betrekking tot de fysieke leefomgeving zijn alleen toegestaan voor zover dat is bepaald in dit plan.
ARTIKEL 12 Algemene zorgplicht
Degene die een activiteit verricht als bedoeld in dit plan (of nalaat te handelen indien dat noodzakelijk is voor een goede fysieke leefomgeving) en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen, met het oog waarop de regels in dit plan zijn gesteld, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
ARTIKEL 13 Maatwerkvoorschriften
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit plan worden verbonden, over de regels over activiteiten in dit plan, tenzij anders is bepaald.
Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de regels over activiteiten in dit plan, tenzij anders is bepaald of hoofdstuk 5 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving zich daartegen verzet.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit plan kan worden verbonden.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor zover het stellen van maatwerkvoorschriften is uitgesloten in het Besluit Activiteiten Leefomgeving.
ARTIKEL 14 Algemene regels met betrekking tot bouwwerken
14.1 Algemene bouwregels
Indien de bestaande bebouwing afwijkt van de in deze regels gegeven voorschriften ten aanzien van:
goot- en bouwhoogten;
oppervlakte;
inhoud;
afdekking van gebouwen;
afstand tot voorgevelbouwgrens;
afstand tot de perceelsgrens;
zijn de bestaande maten, hellingen, dan wel afstanden eveneens toegestaan, onder de
voorwaarde dat herbouw uitsluitend op dezelfde locatie mag plaatsvinden.
In afwijking van het bepaalde in sub a, kan herbouw op een andere locatie plaatsvinden voor zover dit betrekking heeft op de aan- en uitbouwen en bijgebouwenregeling van de functie Wonen. Hiervoor kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen aan de situering en afmeting van de betreffende gebouwen.
Deze nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld ten behoeve van:
- het stedenbouwkundig beeld;
- de verkeersveiligheid;
- de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Voor zover in dit plan goothoogten zijn aangegeven, dienen gebouwen (zoals in onderstaande afbeelding is weergegeven) te worden voorzien van:
een kap, waaronder wordt verstaan een bedekkend bovendeel van een bouwwerk welke bestaat uit minimaal 2 schuine dakvlakken en
waarvan de dakhelling niet minder mag bedragen dan 30º en niet meer mag bedragen dan 60º,
![i_NL.IMRO.0228.TO2024KLOS0011-0301_400000.jpg [image]](i_NL.IMRO.0228.TO2024KLOS0011-0301_400000.jpg)
(V is toegestaan en X is niet toegestaan).
Het bepaalde in artikel 14.1 lid c onder 1 en 2 is niet van toepassing voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen met een maximale bouwhoogte van 3 meter.
Voor ondergronds bouwen gelden de volgende bepalingen:
ondergronds bouwen is toegestaan;
de verticale diepte van ondergronds bouwen mag maximaal 4 m bedragen tenzij anders bepaald;
bij het berekenen van het maximaal te bouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergronds gebouwen mede in aanmerking genomen voor zover deze is gelegen buiten de buitenwerkse gevelvlakken van de bijbehorende bovengrondse gebouwen.
14.2 Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen met betrekking tot de plaats, vorm en afmeting van bouwwerken:
ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen;
ter bescherming van de monumentale waarde in relatie tot de naaste omgeving;
ter waarborging van de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van de naaste omgeving;
ter waarborging van de verkeersveiligheid;
ter waarborging van de ongestoorde ligging van kabels en leidingen.
ARTIKEL 15 Algemene beoordelingsregels bouwwerken en gebruiksactiviteiten (met afwegingsruimte)
Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van:
de in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages.
de regels in die zin dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of intensiteit daartoe aanleiding geeft;
de regels en toestaan dat het bouwvlak met maximaal 2 m wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
de regels voor de bouw van een luifel van een hoofdgebouw, geen woning zijnde, mits:
de diepte niet meer bedraagt dan 3 m;
de hoogte niet meer bedraagt dan de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw;
er geen bezwaren bestaan vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid.
de regels en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:
de inhoud per gebouwtje niet meer bedraagt dan 60 m3;
de bouwhoogte niet meer dan bedraagt dan 5 m.
de regels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot:
ten behoeve de bouw van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 5 m;
ten behoeve van de bouw van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot maximaal 16 m;
ten behoeve van de bouw van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot 6 m.
het bepaalde ten aanzien van de maximum bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische installaties en ruimten wordt vergroot, mits:
de maximale oppervlakte van de vergroting niet meer bedraagt dan 10% van het betreffende platte dakvlak of de horizontale projectie van het schuine dakvlak;
de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1,25 maal de maximum bouwhoogte van het betreffende gebouw.
de regels en toestaan dat antennes worden gerealiseerd, met dien verstande dat:
de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 40 m;
de noodzaak van plaatsing is aangetoond;
is aangetoond dat de plaatsing van een antenne niet mogelijk is op bestaande hoogbouw of een bestaande (hoogspannings)mast;
de locatie in overeenstemming is met het plaatsingsplan, waarbij plaatsing bij voorkeur plaatsvindt op bedrijventerreinen, sportterreinen en/of groene gebieden, dan wel nabij kantoren en bij voorkeur niet in de nabijheid van onderwijsinstellingen;
is aangetoond dat de antenne inpasbaar is gelet op de ruimtelijke, landschappelijke of ecologische kwaliteit van het terrein, in relatie tot de kwaliteit van de aangrenzende gebieden. In de afweging omtrent de verlening van omgevingsvergunning worden in ieder geval de beschermde soorten krachtens de Wet natuurbescherming betrokken, zodanig dat dient te zijn aangetoond dat redelijkerwijs is te verwachten dat een ontheffing op grond van deze wet, indien vereist, zal worden verleend;
de bouwkundige inpasbaarheid van de antenne is aangetoond.
Aan de omgevingsvergunning kunnen voorwaarden gesteld omtrent de kleur en de exacte locatie van de antennemast c.a. en het aanbrengen van afschermende beplanting;
de regels ten aanzien van de situering van het hoofdgebouwen ten opzichte van de voorgevelrooilijn, mits dit niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de stedenbouwkundige opzet van het desbetreffend plangebied.
Er kan worden afgeweken van artikel 14.1 lid c onder 1 en 2 om een gebouw te voorzien van:
één schuin dakvlak en/of andere dakhelling, mits dit niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de stedenbouwkundige opzet van het desbetreffend plangebied of
een plat dak en/of andere dakhelling met dien verstande dat de maximale goothoogte gelijk kan worden gesteld aan de maximale bouwhoogte, mits dit niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de stedenbouwkundige opzet van het desbetreffend plangebied.
Ten behoeve van strijdig gebruik van grond, mits de afwijking niet zal leiden tot een onomkeerbare wijziging van de functie. Van dit laatste is in ieder geval sprake bij het toestaan van volgens de functie niet geoorloofd detailhandelsgebruik in gebouwen of op terreinen met andere bedrijfsfuncties of woonfuncties.
ARTIKEL 16 Algemene beoordelingsregels bouwwerken en gebruiksactiviteiten met betrekking tot parkeren
16.1 Parkeren
Een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of het wijzigen van het gebruik van gebouwen en gronden wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de geldende opgave, zoals beschreven in de hoofdstukken 3 tot en met 6 van de 'Nota parkeernormen Ede 2025';
Tot een strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden of bouwwerken waarbij niet in het plangebied bij de ontwikkeling wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de geldende opgave, zoals beschreven in de hoofdstukken 3 tot en met 6 van de 'Nota parkeernormen Ede 2025';
Indien de onder a en b bedoelde nota wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met deze wijziging.
16.2 Laden en lossen
a. Indien de functie van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik, in deze behoefte in
voldoende mate zijn voorzien binnen het plangebied overeenkomstig de 'Nota parkeernormen Ede 2025';
b. Indien de onder a bedoelde nota wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met deze
wijziging.
16.3 Andere parkeernorm (met afwegingsruimte)
Bij een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 16.1 en artikel 16.2
voor zover op andere wijze in de nodige parkeergelegenheid dan wel laad- of losruimte wordt voorzien;
voor zover door een maatregel geen of minder dan de nodige parkeergelegenheid dan wel laad- of losruimte noodzakelijk is;
voor zover het voldoen aan die regels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.
bij de beoordeling van het bepaalde onder sub a, b en c wordt rekening gehouden met de afwijkingsvoorwaarden, zoals deze zijn neergelegd in de 'Nota parkeernormen Ede 2025'. Indien deze regeling wordt gewijzigd moet rekening worden gehouden met deze wijziging.
ARTIKEL 17 Algemene aanduidingsregels
17.1 Overige zone-verkeersontsluiting
Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone-verkeersontsluiting' geldt dat voor gemotoriseerd verkeer de ontsluiting van en naar het bedrijventerrein uitsluitend mag plaatsvinden via Rondweg De Klomp.
17.2 Overige zone-stroomgebied water C
Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone-stroomgebied water C' gelden de volgende bepalingen:
de waterbergingscapaciteit mag niet minder bedragen dan 40 mm per m2 verhard oppervlak, met dien verstande dat voldoende waterberging moet zijn gerealiseerd op het moment dat hemelwater van verhard oppervlak afwatert naar een bergingsvoorziening;
de waterberging moet voldoen aan de eisen van de gemeente, zoals vastgelegd in DIBOR;
de waterberging moet voldoen aan het Keur en de algemene regels van het Waterschap, en over de vormgeving moet met het Waterschap worden afgestemd in voorbereiding op de watervergunning.
17.3 Aandachtsgebied geur
17.3.1 Aanduidingsomschrijving
De gronden binnen het aandachtsgebied geur, mogen niet worden gebruikt voor gebouwen waar personen kunnen verblijven.
ARTIKEL 18 Milieubelastende activiteiten
18.1 Algemene bepalingen
18.1.1 Samenhangende activiteiten
In de bepalingen van artikel 18.2, 18.3 en 18.4 worden voor de regels over geluid en geur als één activiteit beschouwd:
activiteiten als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
als het gaat om andere activiteiten dan bedoeld onder a, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:
rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of
elkaar functioneel ondersteunen.
18.2 Geluid door activiteiten
18.2.1 Toepassingsbereik en oogmerken
1. De bepalingen van artikel 18.2, 18.3 en 18.4 zijn van toepassing op het verrichten van aan een locatie toegedeelde activiteiten, met uitzondering van:
activiteiten die plaatsvinden op een industrieterrein;
activiteiten die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte worden verricht;
windturbines en windparken;
civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen;
spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg;
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; en
wonen.
2. De waarden in artikel 18.2.3 en 18.2.4 zijn niet van toepassing op:
het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel;
het geluid van een activiteit op ‘geluidgevoelige gebouwen met een functionele binding of voormalige functionele binding’ met die activiteit; en
onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee vermengd is.
3. De regels in artikel 18.2 worden gesteld met het oog op:
het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat;
het benutten van locaties en bouwwerken;
het waarborgen van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
het realiseren van een akoestisch aanvaardbaar woongebied; en
het bieden en begrenzen van gebruiksruimte voor geluid door activiteiten.
18.2.2 Waar de waarden gelden
1. De waarden in artikel 18.2.3 en 18.2.4 gelden, tenzij anders bepaald:
op een geluidgevoelig gebouw dat op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten, anders dan een woonschip of woonwagen:
1°. op de gevel, als het gaat om een bestaand geluidgevoelig gebouw; en
2°. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw; en
op een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen.
2. Voor zover er binnen 10 meter vanaf de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht geen geluidgevoelig gebouw is gelegen of toegelaten, gelden de waarden uit artikel 18.2.3 voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op een afstand van 10 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht.
3. De in het tweede lid bedoelde afstand wordt verruimd tot maximaal 30 meter, voor zover de locatie grenst aan openbaar gebied en tot zover er geen geluidgevoelige gebouwen zijn gelegen of toegelaten.
4. De in het tweede en derde lid bedoelde afstanden gelden niet als de activiteit binnen een zone voor geluid is gelegen als bedoeld in artikel 18.3.
18.2.3 Geluidwaarden op een geluidgevoelig gebouw
1. Bij het verrichten van een activiteit is het geluid op een geluidgevoelig gebouw of ruimte niet meer dan de waarden in onderstaande tabel 18.2.3a.
Tabel 18.2.3a
|
|
07.00-19.00 uur |
19.00-23.00 uur |
23.00-07.00 uur |
|
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen |
- |
70 dB(A) |
70 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden |
70 dB(A) |
65 dB(A) |
65 dB(A) |
2. Bij het verrichten van een activiteit is het geluid op een geluidgevoelig gebouw, gelegen binnen de locatie ‘rustig woongebied of rustig buitengebied’ niet meer dan de waarden in tabel 18.2.3b:
Tabel 18.2.3b
|
|
07.00-19.00 uur |
19.00-23.00 uur |
23.00-07.00 uur |
|
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
35 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen |
- |
65 dB(A) |
65 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden |
65 dB(A) |
60 dB(A) |
60 dB(A) |
3. Bij het verrichten van een activiteit op een bedrijventerrein is het geluid op een geluidgevoelig gebouw, gelegen op een bedrijventerrein, niet meer dan de waarden in tabel 18.2.3c:
Tabel 18.2.3c
|
|
07.00-19.00 uur |
19.00-23.00 uur |
23.00-07.00 uur |
|
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT |
55 dB(A) |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen |
- |
75 dB(A) |
75 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden |
- |
70 dB(A) |
70 dB(A) |
18.2.4 Maatwerkvoorschriften
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over:
activiteiten waarbij, anders dan door laden en lossen, regelmatig maximale geluidniveaus LAmax van meer dan 70 dB(A) in de dagperiode optreden, die tot hinder leiden; en
activiteiten waarbij door het laden en lossen regelmatig maximale geluidniveaus LAmax van meer dan 75 dB(A) in de dagperiode optreden, die tot hinder leiden.
18.3 Geluid binnen een zone voor geluid
18.3.1 Geluidruimte
1. Bij het verrichten van een activiteit binnen een zone voor geluid is het geluid niet meer dan de waarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT, in tabel 18.3.1a, tenzij in dit artikel anders is bepaald. De waarden gelden op de in de tabel aangegeven afstand van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht, tenzij in dit artikel anders is bepaald.
Tabel 18.3.1a
|
Ligging activiteit |
Afstand |
07.00- 19.00 uur |
19.00- 23.00 uur |
23.00- 07.00 uur |
|
Binnen een zone ‘geluid beperkt’, ‘geluid basis’, ‘geluid verruimd (1)’ of ‘geluid verruimd (2)’ |
50 meter |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
2. Voor een activiteit die geheel of gedeeltelijk binnen de zone ‘geluid beperkt’, 'geluid verruimd (1)' of 'geluid verruimd (2)' is gelegen wordt afgeweken van lid 1, voor zover dat volgt uit de toepassing van tabel 18.3.1b. Voor de in tabel 18.3.1b gegeven situaties gelden daarvoor de in de tabel aangegeven afstanden en waarden.
Tabel 18.3.1b
|
|
Situatie |
Afstand |
07.00- 19.00 uur |
19.00- 23.00 uur |
23.00- 07.00 uur |
|
1 |
Voor zover de in lid 1 bedoelde afstand binnen de zone ‘geluid beperkt’ ligt |
50 meter |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
35 dB(A) |
|
2 |
Voor zover de in lid 1 bedoelde afstand binnen de zone ‘geluid verruimd (1)’ ligt |
100 meter |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
|
3 |
Voor zover in situatie 2 de afstand van 100 meter tot buiten de zone verruimd (1) komt, geldt de afstand tot de grens van de zone verruimd (1) of, als die afstand minder is dan 50 meter, geldt een afstand van 50 meter |
Tot grens zone Verruimd (1) of 50 meter |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
3. Voor een activiteit die geheel buiten de zone ‘geluid beperkt’,'geluid verruimd (1)' of 'geluid verruimd (2)' is gelegen wordt afgeweken van lid 1, voor zover dat volgt uit de toepassing van tabel 18.3.1c. Voor de in tabel 18.3.1c gegeven situaties gelden daarvoor de in de tabel aangegeven afstanden en waarden.
Tabel 18.3.1c
|
|
Situatie |
Afstand |
07.00- 19.00 uur |
19.00- 23.00 uur |
23.00- 07.00 uur |
|
1 |
Voor zover de in lid 1 bedoelde afstand binnen de zone ‘geluid beperkt’ ligt |
30 meter |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
|
2 |
Voor zover in situatie 1 de afstand van 30 meter de zone ‘geluid beperkt’ niet bereikt, geldt voor situatie 1 de afstand tot de zone beperkt |
Tot grens zone beperkt |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
|
3 |
Voor zover de in lid 1 bedoelde afstand binnen de zone ‘geluid verruimd (1)’ ligt |
100 meter |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
|
4 |
Voor zover de in lid 1 bedoelde afstand binnen de zone ‘geluid verruimd (2)’ ligt |
200 meter |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
4. Voor een activiteit die is gelegen binnen een afstand van 50 meter van de grens van rustig woongebied, rustig buitengebied of gemengd gebied met wonen wordt afgeweken van lid 1, 2 en 3, voor zover dat volgt uit de toepassing van tabel 18.3.1d. Voor de in tabel 18.3.1d gegeven situaties gelden daarvoor de in de tabel 18.3.1d aangegeven afstanden en waarden.
Tabel 18.3.1d
|
Situatie |
Afstand |
07.00- 19.00 uur |
19.00- 23.00 uur |
23.00- 07.00 uur |
|
Voor zover de in lid 1 bedoelde afstand binnen rustig woongebied ligt |
Tot grens rustig woongebied |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
35 dB(A) |
|
Voor zover de in lid 1 bedoelde afstand binnen gemengd gebied met wonen ligt |
Tot grens gemengd gebied met wonen |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
5. Bij de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met het effect van bebouwing die aanwezig is in het gebied buiten de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht.
6. De in dit artikel gegeven geluidwaarden gelden op een hoogte van 5, 10 en 30 meter boven het plaatselijk maaiveld. Als voor een activiteit op een andere hoogte een hogere geluidbelasting optreedt, gelden de waarden ook op de voor de activiteit maatgevende rekenhoogte.
7. De in dit artikel gegeven geluidwaarden gelden niet voor situaties die niet representatief zijn voor de activiteit.
18.3.2 Afwijken van waarden met een omgevingsvergunning [onevenredig ingrijpende maatregelen]
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van de waarden, bedoeld in artikel 18.3.1.
2. De vergunning kan worden verleend als:
onevenredig ingrijpende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de waarden;
andere maatregelen die de geluidbelasting verminderen zo veel mogelijk worden getroffen;
de geluidbelasting op gebouwen aanvaardbaar is;
de geluidwaarden maximaal 5 dB hoger zijn dan de waarden in artikel 18.3.1;
de geluidwaarden niet leiden tot een overschrijding van de waarden voor geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen in tabel 18.3.2.
Tabel 18.3.2
|
|
07.00-19.00 uur |
19.00-23.00 uur |
23.00-07.00 uur |
|
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten |
35 dB(A) |
30 dB(A) |
25 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen |
- |
55 dB(A) |
55 dB(A) |
|
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden |
- |
45 dB(A) |
45 dB(A) |
18.4 Geur binnen een zone voor geur
18.4.1 Toepassingsbereik en oogmerken
1. De regels in artikel 18.4.2 zijn van toepassing op het verrichten van aan een locatie toegedeelde activiteiten binnen een zone voor geur, met uitzondering van geur door:
activiteiten die plaatsvinden op een industrieterrein;
activiteiten die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte worden verricht;
het exploiteren van zuiveringtechnische werken;
het houden van landbouwhuisdieren of andere agrarische activiteiten; en
het houden van paarden en pony’s voor het berijden daarvan.
2. De regels in artikel 18.4.2 worden gesteld met het oog op:
het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat;
het benutten van locaties en bouwwerken;
het waarborgen van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
het realiseren van een woongebied met een aanvaardbaar geurhinderniveau;
het bieden en begrenzen van gebruiksruimte voor geur door activiteiten.
18.4.2 Geurruimte
1. Bij het verrichten van een activiteit binnen een zone voor geur is de geur niet meer dan de waarden in tabel 18.4.2a, tenzij in dit artikel anders is bepaald. De waarden gelden op de in de tabel aangegeven afstand van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht, tenzij in dit artikel anders is bepaald.
Tabel 18.4.2a
|
Zone |
Afstand |
Als 98 percentiel |
Als 99,9 percentiel |
|
‘geur basis’, ‘geur verruimd’ |
50 meter |
0,5 ouE/m³ |
2 ouE/m³ |
2. Voor zover dat volgt uit de toepassing van tabel 18.4.2b wordt afgeweken van lid 1. Voor de in tabel 18.4.2b gegeven situaties gelden daarvoor de in de tabel aangegeven afstanden en waarden.
Tabel 18.4.2b
|
|
Situatie |
Afstand |
Als 98 percentiel |
Als 99,9 percentiel |
|
1 |
Voor zover de in lid 1 bedoelde afstand binnen een zone ‘geur verruimd’ ligt |
100 meter |
0,5 ouE/m³ |
2 ouE/m³ |
|
2 |
Voor zover in situatie 1 de afstand van 100 meter tot buiten de zone verruimd komt, geldt de afstand tot de grens van de zone verruimd of, als die afstand minder is dan 50 meter, geldt een afstand van 50 meter |
Tot grens zone verruimd of 50 meter |
0,5 ouE/m³ |
2 ouE/m³ |
3. Voor een activiteit die is gelegen binnen een afstand van 50 meter van de grens van een rustig woongebied, rustig buitengebied of gemengd gebied met wonen wordt afgeweken van lid 1 en 2, voor zover dat volgt uit de toepassing van tabel 18.4.2c. Voor de in tabel 18.4.2c gegeven situatie
gelden daarvoor de in de tabel 18.4.2c aangegeven afstand en waarden.
Tabel 18.4.2c
|
Situatie |
Afstand |
Als 98 percentiel |
Als 99,9 percentiel |
|
Voor zover de in lid 1 bedoelde afstand binnen een woongebied ligt |
Tot grens woongebied |
0,5 ouE/m³ |
2 ouE/m³ |
4. Voor een activiteit die is gelegen binnen een afstand van 50 meter van de grens van een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'kantoor'' wordt afgeweken van lid 1 en 2, voor zover dat volgt uit de toepassing van tabel 18.4.2d. Voor de in tabel 18.4.2d gegeven situatie gelden daarvoor de in de tabel 18.4.2d aangegeven afstand en waarden.
Tabel 18.4.2d
|
Situatie |
Afstand |
Als 98 percentiel |
Als 99,9 percentiel |
|
Voor zover de in lid 1 bedoelde afstand de functie 'kantoor'' ligt. |
Tot de grens van een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'kantoor'' |
1,5 ouE/m³ |
6 ouE/m³ |
5. Bij de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met het effect van bebouwing die aanwezig is in het gebied buiten de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht.
6. De in dit artikel gegeven geurwaarden gelden op een hoogte van 1,5 meter boven het plaatselijk maaiveld. Als voor een activiteit op een andere hoogte een hogere geurbelasting optreedt gelden de waarden ook op de voor de activiteit maatgevende rekenhoogte.
7. De in dit artikel gegeven geurwaarden gelden niet voor situaties die niet representatief zijn voor de activiteit.
18.4.3 Afwijken van waarden met een omgevingsvergunning [onevenredig ingrijpende maatregelen]
1. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de waarden, bedoeld in artikel 19.4.2.
2. De vergunning kan worden verleend als:
onevenredig ingrijpende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de normen;
andere maatregelen die de geurbelasting verminderen zo veel mogelijk worden getroffen;
de geurbelasting op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.
ARTIKEL 19 Algemene gebruiksregels
Onder het gebruiken of laten gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het TAM-omgevingsplan wordt in ieder geval verstaan:
het gebruik van bebouwde en onbebouwde gronden ten behoeve van een seksinrichting, een escortbedrijf en/of raam- en straatprostitutie;
het gebruik van bebouwde en onbebouwde gronden ten behoeve van detailhandel;
het gebruik van bebouwde en onbebouwde gronden ten behoeve van een standplaats en/of het (doen) stallen van (een) woonwagen(s), caravan(s), aanhangwagen(s);
het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen bij (bedrijfs)woningen voor bewoning;
het onttrekken van de parkeervoorziening op eigen terrein.
ARTIKEL 20 Voorwaardelijke verplichtingen bouwwerken en gebruiksactiviteiten
20.1 Voorwaardelijke verplichting inrichtingsplan
Het is niet toegestaan de locatie conform de toegedeelde functie te gebruiken indien niet in het eerstvolgende plantseizoen (jaarlijks 1 november tot 15 april) na eerste ingebruikname van de locatie is voorzien in de inrichting van de locatie conform het inrichtingsplan (bijlage 1).
Het verbod onder a. is tevens van toepassing indien de onder a. bedoelde aanplant niet duurzaam in stand wordt gehouden.
20.2 Voorwaardelijke verplichting natuurinclusief bouwen
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van hoofdgebouwen wordt slechts verleend indien in de aanvraag wordt aangetoond dat wordt voldaan aan het puntensysteem voor natuurinclusief bouwen van de gemeente Ede zoals dat op het moment van indienen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning van toepassing is.
HOOFDSTUK 5 Overgangsbepalingen
ARTIKEL 21 Overgangsrecht
21.1 Overgangsrecht bouwwerken
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%.
Het bepaalde in sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
21.2 Overgangsrecht gebruik
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
Het is verboden het met het TAM-omgevingsplanstrijdige gebruik, bedoeld in sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij de afwijking door deze verandering naar aard en omvang wordt verkleind.
Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Het bepaalde in sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.