Direct naar inhoud
Plan:TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Ede, Klinkenbergerweg 29a
Status:ontwerp
Plantype:bestemmingsplan
IMRO-idn:NL.IMRO.0228.TO2024ARNW0012-0201

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22I Ede, Klinkenbergerweg 29a

 

Versie 20-08-2024

(stedelijk gebied)

 

Pre-ambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een concreet initiatief op de locatie Klinkenbergerweg 29a in Ede.

De gemeente Ede maakt gebruik van de Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) voor het omgevingsplan, omdat de techniek van het DSO en de software nog verder getest moet worden. Met de TAM kunnen concrete initiatieven zonder technische risico's worden gefaciliteerd, omdat daarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande techniek (IMRO). Het gaat uitdrukkelijk om een tijdelijke overgangsperiode, vooralsnog tot 1 januari 2026.

Om te benadrukken dat het TAM-omgevingsplan onderdeel is van de geconsolideerde versie van het Omgevingsplan Ede, is gekozen om de regels van het voorliggende plan te plaatsen in een tijdelijk hoofdstuk 22 met opvolgende lettertoevoeging. Dat sluit goed aan bij de regels die zijn overgeheveld vanuit de rijksoverheid naar de gemeeente met inwerkingtreding van de Omgevingswet (hoofdstuk 22).

Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22l van het 'Omgevingsplan gemeente Ede'. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22l' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22l’ gelezen worden.

 

 
Inhoudsopgave

 

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22I Ede, Klinkenbergerweg 29a

HOOFDSTUK 1 Inleidende bepalingen

ARTIKEL 1 Begripsbepalingen

ARTIKEL 2 Meet- en rekenbepalingen

HOOFDSTUK 2 Integratie Omgevingsplan gemeente Ede

ARTIKEL 3 Toepassingsbereik

HOOFDSTUK 3 Activiteiten en toedeling van functies

ARTIKEL 4 Functie Groen

ARTIKEL 5 Functie Maatschappelijk

ARTIKEL 6 Functie Tuin

ARTIKEL 7 Functie Verkeer

ARTIKEL 8 Functie Wonen

HOOFDSTUK 4 Algemene bepalingen

ARTIKEL 9 Anti-dubbeltelregel

ARTIKEL 10 Uitsluiting niet benoemde activiteiten

ARTIKEL 11 Algemene zorgplicht

ARTIKEL 12 Maatwerkvoorschriften

ARTIKEL 13 Algemene regels met betrekking tot bouwwerken

ARTIKEL 14 Aanvullende beoordelingsregels geluidgevoelig gebouw in geluidaandachtsgebied (met afwegingsruimte)

ARTIKEL 15 Algemene beoordelingsregels bouwwerken en gebruiksactiviteiten (met afwegingsruimte)

ARTIKEL 16 Algemene beoordelingsregels bouwwerken en gebruiksactiviteiten met betrekking tot parkeren

ARTIKEL 17 Algemene aanduidingsregels

ARTIKEL 18 Milieubelastende activiteiten

ARTIKEL 19 Algemene gebruiksregels

ARTIKEL 20 Voorwaardelijke verplichtingen bouwwerken en gebruiksactiviteiten

HOOFDSTUK 5 Overgangsbepalingen

ARTIKEL 21 Overgangsrecht

 

 

 

 

 

 

 

 

 

HOOFDSTUK 1 Inleidende bepalingen

 

 

ARTIKEL 1 Begripsbepalingen

 

1.1 Begrippen Omgevingswet, AMvB's en regelingen

 

Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit TAM- omgevingsplan.

 

1.2 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van hoofdstuk 22l gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:

 

1.3 TAM-omgevingsplan:

'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Ede, Klinkenbergerweg 29a' met identificatienummer NL.IMRO.0228.TO2024ARNW0012-0201 van de gemeente Ede.

 

1.4 Omgevingsplan gemeente Ede:

Het Omgevingsplan van de gemeente Ede zoals bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet.

 

1.5 plan:

'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Ede, Klinkenbergerweg 29a' met identificatienummer NL.IMRO.0228.TO2024ARNW0012-0201 van de gemeente Ede.

 

1.6 aanbouw:

Een aan een hoofdgebouw toegevoegde ruimte met een dak die qua afmetingen en/of visueel opzicht (onder meer voor wat betreft goothoogte, dakhelling en/of dakvorm), ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

 

1.7 aan-huis-verbonden beroep:

De uitoefening van een dienstverlenend beroep aan huis op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen terrein, alsmede een beroep op het terrein van persoonlijke verzorging, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt. Hieronder wordt in ieder geval niet verstaan een (raam)prostitutiebedrijf en/of escortbedrijf.

 

1.8 aanduiding:

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

 

1.9 aanduidingsgrens:

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

 

1.10 achtergevelrooilijn:

 

1.11 afhaalpunt:

Een locatie waar de consument uitsluitend voorafgaand aan het bezoek via internet bestelde goederen kan (betalen,) afhalen of retourneren, waar uitsluitend logistiek en opslag van deze eerder bestelde goederen gedurende een korte periode plaatsvindt, en waarbij geen sprake is van uitstalling ter verkoop en/of overige activiteiten.

 

1.12 agrarisch bedrijf:

Een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, waarbij alleen opslag van door het bedrijf voortgebrachte producten is toegestaan.

 

1.13 agrarische nevenactiviteiten:

Een kleinschalige agrarische activiteit bij een woning gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder begrepen bomen en heesters, en/of het houden van dieren, waarbij opslag van ter plaatse voortgebrachte producten is toegestaan.

 

1.14 antenne:

Een bouwwerk in de vorm van een zend- en/of ontvangstinstallatie voor telecommunicatiedoeleinden.

 

1.15 askophoogte:

de hoogte van het centrisch middelpunt van de molenwieken tot de begane grond van de molen;

 

1.16 atelier:

Een werkplaats, in het bijzonder die van een beeldend kunstenaar. Tevens is het binnen het atelier toegestaan om kunstwerken ten toon te stellen en te verkopen die door de kunstenaar zelf zijn vervaardigd.

 

1.17 bebouwing:

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

1.18 bedrijf:

Een onderneming of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan-huis-verbonden beroepen daaronder niet begrepen. Daarbij wordt als één bedrijf beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele binding hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

 

1.19 bedrijfsgebouw:

Een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.

 

1.20 bedrijfswoning/dienstwoning:

Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk en wenselijk is.

 

1.21 beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte:

De totale vloeroppervlakte van de ruimte binnen een bouwwerk en/of op een terrein die wordt gebruikt voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke.

 

1.22 bestaande situatie:

legaal aanwezige bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;

het legaal gebruik van gronden en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan rechtskracht heeft verkregen.

 

1.23 bijgebouw:

Een gebouw dat in functioneel opzicht ondergeschikt is aan en hoort bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

 

1.24 bouwen:

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats.

 

1.25 bouwgrens:

De grens van een bouwvlak.

 

1.26 bouwlaag:

Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.

 

1.27 bouwmassa:

Een verzameling bij elkaar horende gebouwen bestaande uit een vrijstaand hoofdgebouw, dan wel twee of meer aaneengebouwde hoofdgebouwen inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen.

 

1.28 bouwperceel:

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

 

1.29 bouwperceelsgrens:

De grens van een bouwperceel.

 

1.30 bouwvlak:

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

 

1.31 bouwwerk:

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

 

1.32 carport:

Een dakconstructie vrijstaand zonder wanden, dan wel aan maximaal drie zijden begrensd door de gevels van belendende gebouwen, bedoeld voor de stalling van een motorvoertuig.

 

1.33 culturele voorzieningen:

Het uitoefenen van activiteiten op (sociaal) cultureel en kunstzinnig vlak, waaronder ateliers, galeries, dansscholen, muziekscholen, musea en theaters.

 

1.34 detailhandel:

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

 

1.35 dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling:

Bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische diensten aan derden, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen waaronder zijn begrepen alternatieve geneeswijze, kapperszaken, schoonheidsinstituten, massagesalon, nagelstudio, zonnebankstudio, fotostudio, stomerij, wasserette, videotheek, kleding- en/of schoenenreparatie, belwinkel, internetcafé, en naar aard en uitstraling daarmee gelijk te stellen bedrijven en instellingen, evenwel met uitzondering van prostitutie.

 

1.36 eerste bouwlaag:

De bouwlaag op de begane grond.

 

1.37 erf:

Al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw.

 

1.38 escortbedrijf:

De natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend, zoals escortservices en -bemiddelingsbureaus.

 

1.39 functie:

Doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan.

 

1.40 functiegrens

De grens van een functievlak waarin de functie van de locatie is beschreven.

 

1.41 functievlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

 

1.42 galerie:

Ruimte voor het exposeren en verkopen van kunstwerken.

 

1.43 garagebedrijf:

Een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor verkoop, onderhoud en reparatie van motorvoertuigen, met dien verstande dat de verkoop van motorbrandstoffen is uitgezonderd.

 

1.44 gebouw:

Elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

 

1.45 gestapelde bebouwing:

Bebouwing bestaande uit zich in één hoofdgebouw boven en naast elkaar bevindende zelfstandige woningen en/of bijzondere woonruimten.

 

1.46 geurgevoelig object:

Gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, worden gebruikt.

 

1.47 grondgebonden agrarische bedrijfsvoering:

Een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk niet in gebouwen plaatsvindt, zoals een melkveehouderij, een akkerbouwbedrijf of een biologisch veehouderijbedrijf, waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf.

 

1.48 groothandel:

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan wederverkopers, dan wel aan instellingen of personen tot aanwending in een andere bedrijfsactiviteit.

 

1.49 hoofdfunctie:

Een functie waarvoor het hoofdgebouw of de gronden als zodanig mag respectievelijk mogen worden gebruikt.

 

1.50 hoofdgebouw:

Een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

 

1.51 horeca:

Een bedrijf waar bedrijfsmatig dranken en etenswaren voor consumptie ter plaatse worden verstrekt

(uitgezonderd een maaltijdafhaalcentrum) en/of waar bedrijfsmatig logies wordt verstrekt.

 

1.52 horeca categorie 1:

Een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide snacks, ijs en kleine maaltijden voor consumptie zowel ter plaatse als elders, met daaraan ondergeschikt het verstrekken van overwegend niet-alcoholhoudende dranken, zoals een snackbar, cafetaria, lunchroom, broodjeszaak, ijssalon en koffiehuis.

 

1.53 horeca categorie 2:

Een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren ten behoeve van consumptie ter plaatse, alsmede het daaraan ondergeschikt verstrekken van alcoholhoudende en niet-alcoholhoudende dranken, al dan niet in combinatie met het verstrekken van nachtverblijf en/of van zaalverhuur, zoals een hotel, een restaurant, pannenkoekhuis, eetcafé en pizzeria.

 

1.54 horeca categorie 3:

Een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van overwegend alcoholhoudende dranken voor consumptie ter plaatse, al dan niet in combinatie met kleine etenswaren, zoals een café.

 

1.55 horeca categorie 4:

Een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig bieden van gelegenheid tot dansen dan wel tot het uitoefenen van een kans- en behendigheidsspel al dan niet in combinatie met het verstrekken van alcoholhoudende en niet-alcoholhoudende dranken, zoals een dancing, discotheek/nachtzaak, casino of automatenspeelhal.

 

1.56 hospita(kamer)verhuur:

Verhuur door een particuliere eigenaar van maximaal 2 kamers (aan maximaal 1 persoon per kamer) in de door de eigenaar zelf bewoonde woning.

 

1.57 huisvesting in verband met mantelzorg

Huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning.

 

1.58 onzelfstandig kantoor:

Een onderdeel van een bedrijf, dat andere bedrijfsactiviteiten als inkomstenbron heeft en waarvoor het kantoor uitsluitend een ondersteunende functie heeft.

 

1.59 kantoor- en/of praktijkruimte:

Een ruimte die door aard en indeling kennelijk is bestemd om uitsluitend of in hoofdzaak dienstig te zijn tot het verrichten van administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch of daarmee naar aard gelijk te stellen arbeid, dan wel dat dient voor het uitoefenen van een beroep op medisch, paramedisch of therapeutisch gebied.

 

1.60 karakteristiek pand:

Historisch bouwkundig object dat door de zeggingskracht van zijn architectuur, bijzonderheid van het type, interactie met de omliggende bebouwing of plek in het straatbeeld dan wel landschap in sterke mate bijdraagt aan de aantrekkelijkheid van de omgeving.

 

1.61 kelder:

een geheel ondergronds gelegen ruimte die grotendeels is gesitueerd onder een bijbehorende bovengronds bouwwerk, en waarvan de bovenkant van de vloer zich op ten minste 1,75 m onder peil bevindt;

 

1.62 kunstobject:

Een bouwwerk zonder een specifiek gebruiksdoel ter verfraaiing en verrijking van de directe omgeving waarbij de artistieke waarde van het bouwwerk voorop staat.

 

1.63 lichte bedrijvigheid:

Het op ambachtelijke wijze vervaardigen, herstellen, onderhouden of bewerken van producten en/of diensten in de vorm van bedrijven die voorkomen in categorie A van de van deze regels deel uitmakende Staat van bedrijfsactiviteiten.

 

1.64 maatschappelijke voorzieningen:

Educatieve, (para)medische, sociale, levensbeschouwelijke, religieuze voorzieningen, onderwijs- en kinderopvangvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening.

 

1.65 magneetgevoelig object:

Bouwwerk waarin kinderen langdurig verblijven, waaronder woningen, kinderdagverblijven en onderwijsgebouwen.

 

1.66 mantelzorg:

Intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.

 

1.67 molen:

Inrichting bestemd en geschikt voor het benutten van wind- of waterkracht.

 

1.68 niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering:

Een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk in gebouwen plaatsvindt, en die als zodanig niet afhankelijk is van agrarische gronden als productiemiddel, zoals een intensief veehouderijbedrijf of een intensief kwekerijbedrijf.

 

1.69 onderbouw:

Een gedeelte van een gebouw dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant op minder dan 1,20 m boven peil is gelegen.

 

1.70 ondergeschikte detailhandel:

Beperkte op de eindgebruiker gerichte verkoop van goederen, die functioneel rechtstreeks verband houden met de bedrijfsactiviteiten.

 

1.71 ondergeschikte functie:

Functie waarvoor maximaal 30% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw als zodanig mag worden gebruikt.

 

1.72 ondergeschikte horeca:

Horeca waarvoor maximaal 30% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw als zodanig mag worden gebruikt voor ten hoogste horeca categorie 1.

 

1.73 overig bouwwerk:

Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen gebouw zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

 

1.74 overkapping:

Een dakconstructie zonder wanden, dan wel aan maximaal drie zijden begrensd door de gevels van belendende gebouwen of andere bouwwerken.

 

1.75 plaatsingsplan:

Plan waarin de bestaande antenne-installaties binnen de gemeente alsmede de zoekgebieden voor toekomstige installaties zijn aangegeven.

 

1.76 plangrens:

De aangegeven begrenzing van het TAM-omgevingsplan.

 

1.77 productiegebonden detailhandel:

Beperkte op de eindgebruiker gerichte verkoop van goederen vanuit een bedrijf dat die goederen vervaardigt/produceert, bewerkt en/of toepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie.

 

1.78 prostitutie:

Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten ten behoeve van een ander tegen vergoeding.

 

1.79 publiekverzorgend ambacht en dienstverlening:

Een ambachtelijk c.q. dienstverlenend bedrijf dat zijn goederen en diensten rechtstreeks levert aan de consument, zoals een goudsmid, schoenmaker, kapper en videotheek, alsmede commerciële en medische dienstverlening, met dien verstande dat de detailhandelsfunctie ondergeschikt en gerelateerd is aan het bedrijf.

 

1.80 raamprostitutie:

Een seksinrichting met één of meer ramen van waarachter de prostituee/prostitué tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen.

 

1.81 recreatief medegebruik:

Recreatief medegebruik van gronden, zoals wandelen, fietsen, varen, zwemmen, vissen en daarmee gelijk te stellen activiteiten (met uitzondering van rust- en picknickplaatsen met bijbehorend meubilair), dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit gebruik is toegestaan. Het medegebruik legt geen specifiek beslag op de ruimte, behoudens ruimtebeslag door voet-, fiets- en ruiterpaden en die in hoofdzaak gericht zijn op natuur- en landschapsbeleving.

 

1.82 recreatiewoning:

Een permanent aanwezig gebouw, bestemd om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar gebruikt te worden uitsluitend voor recreatieve doeleinden.

 

1.83 ruimtelijke kwaliteit:

De kwaliteit van de ruimte als bepaald door de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde van die ruimte.

 

1.84 seksinrichting:

Een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

 

1.85 stacaravan:

Een kampeermiddel zonder fundering met een maximale oppervlakte van 55m², inclusief al dan niet vrijstaande bijgebouwen en overkappingen, waarbij onder fundering wordt verstaan, een bouwwerk in de grond als basis voor een, al dan niet tot de constructie daarvan behorend, kampeermiddel.

 

1.86 standplaats:

Een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, ofwel de ruimte die voor de duur van de markt op het marktterrein is aangewezen voor het bedrijven van de markthandel, ofwel de ruimte die is aangewezen voor het plaatsen van een kiosk, waarop of waarbij voorzieningen aanwezig kunnen zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten.

 

1.87 straatprostitutie:

Het in hoofdzaak op de openbare weg door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen dan wel aanlokken.

 

1.88 stedenbouwkundig beeld:

Het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaalde beeld, inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte(n).

 

1.89 terras:

Een buiten een gebouw gelegen gebied behorende bij een horecabedrijf waar zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken worden geschonken en/of etenswaren verstrekt.

 

1.90 uitbouw:

De vergroting van een bestaande ruimte in een hoofdgebouw, die qua afmetingen en/of in visueel opzicht (onder meer wat betreft (goot)hoogte, dakhelling en/of dakvorm), ondergeschikt is aan het

hoofdgebouw.

 

1.91 veldschuur/schuilgelegenheid:

Een overdekte ruimte voor weidedieren dat tot doel heeft het bieden van bescherming tegen weersomstandigheden waarbij (buiten)opslag niet is toegestaan met uitzondering van kleinschalige aan het gebruik gerelateerde opslag (onder andere voerproducten, stroo, hooi en mest);

 

1.92 verkoopvloeroppervlakte (vvo):

De totale oppervlakte van de voor het publiek toegankelijke en zichtbare winkelruimte, inclusief de etalageruimte en de ruimte achter de toonbank.

 

1.93 voorgevellijn:

De lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen alsmede het verlengde daarvan.

 

1.94 voorgevelrooilijn:

De grens van het bouwvlak die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd.

 

1.95 winkel:

Een gebouw dat een ruimte omvat die door zijn indeling kennelijk is bedoeld om te worden gebruikt voor de uitoefening van detailhandel.

 

1.96 woonwagen:

Een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat kan worden verplaatst.

 

1.97 woning:

Een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.

 

1.98 zaalverhuur:

Een inrichting ten behoeve van het al dan niet bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie, waarbij het verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren en/of het verstrekken van drank voor consumptie ter plaatse mogelijk is.

 

1.99 zelfstandig kantoor:

Een voorziening die op zichzelf het bedrijf vormt en gericht is op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek al dan niet rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.

 

1.100 zelfstandige woonruimte:

Woonruimte met een een eigen aparte opgang en voordeur, met eigen voorzieningen waarbij onder andere een keuken, toilet, badkamer, douche, niet met anderen hoeft te worden gedeeld.

 

1.101 zorginstelling:

Een instelling of complex ten behoeve van wonen in combinatie met een zorgfunctie met bijbehorende voorzieningen dan wel zelfstandige wooneenheden met een bijbehorende zorgfunctie.

 

 

ARTIKEL 2 Meet- en rekenbepalingen

 

2.1 Algemeen

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten c.q. gerekend:

 

afstand tot de zijdelingse perceelsgrens:

De kortste afstand van de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk.

 

bebouwd oppervlak van een bouwperceel:

De oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen.

 

bebouwingspercentage:

Het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming.

 

Bovenkant Spoorstaaf (BS):

De hoogte van de bovenkant van de laagste spoorstaaf.

 

breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde:

Overeenkomstig de omtreklijn van de horizontale projectie van alle delen van die bouwwerken.

 

breedte, diepte c.q. lengte van een gebouw:

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren.

 

de dakhelling:

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

 

de goothoogte van een bouwwerk:

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

 

de bouwhoogte van een bouwwerk:

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

 

de inhoud van een bouwwerk:

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

 

oppervlakte van een bouwwerk:

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/ of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

 

de hoogte van een windturbine:

Vanaf het peil tot aan de as van de windturbine.

 

peil:

het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven.

 

 

2.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen buiten beschouwing gelaten, zoals:

 

2.3 Verwijzing naar andere wettelijke regelingen

Waar in dit plan wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op de regelingen zoals die luidden op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan.

 

HOOFDSTUK 2 Integratie Omgevingsplan gemeente Ede

 

 

ARTIKEL 3 Toepassingsbereik

 

3.1 Geometrische afbakening

De regels in dit plan zijn van toepassing op de locatie waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0228.TO2024ARNW0012-0201 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

 

3.2 Integratie Omgevingsplan gemeente Ede

De regels in dit plan zijn integraal onderdeel van de geconsolideerde versie van het 'Omgevingsplan gemeente Ede' zoals dat is gepubliceerd op de landelijke voorziening https://omgevingswet.overheid.nl/home.

 

3.3 Buitenwerkingstelling eerdere besluiten

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locaties in dit plan.

 

3.4 Integratie tijdelijk deel omgevingsplan

 

3.4.1 Integratie bruidsschat

  1. de regels in hoofdstuk 22 (zonder lettertoevoeging) van het 'Omgevingsplan gemeente Ede' zijn van overeenkomstige toepassing op de locaties in dit plan;

  2. als de regels uit hoofdstuk 22 (zonder lettertoevoeging) van het 'Omgevingsplan gemeente Ede' op enig moment een andere plek in de structuur van het 'Omgevingsplan gemeente Ede' krijgen, blijven die regels van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de daarop doorgevoerde wijzigingen.

 

3.4.2 Voorrangsregeling specifieke bepalingen TAM-omgevingsplan

In afwijking van artikel 3.4.1. zijn de bepalingen in de volgende artikelen van het 'Omgevingsplan gemeente Ede' niet van toepassing voor zover het bepaalde in die artikelen in strijd is met regels in dit TAM-omgevingsplan:

 

  1. de bepalingen inzake geluid als bedoeld in paragraaf 22.3.4 van het 'Omgevingsplan gemeente Ede';

  2. de bepalingen inzake geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, bedoeld in de artikelen 22.98 en 22.100 van het Omgevingsplan gemeente Ede, met dien verstande dat het bepaalde in die artikelen uitsluitend niet van toepassing is op de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw of ruimte met een woonfunctie of een bedrijfsfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:

  1. op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven;

  2. in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de dierenverblijven; en

  3. in samenhang met de sloop van dierenverblijven of bedrijfsgebouwen voor functioneel ondersteunende activiteiten.

 

 

HOOFDSTUK 3 Activiteiten en toedeling van functies

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ARTIKEL 4 Functie Groen

 

4.1 Activiteiten met betrekking tot het planologisch gebruik

 

4.1.1 Gebruiksactiviteiten binnen de toegedeelde functie

Op een locatie die op de verbeelding is aangewezen als ‘Groen’ zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  1. groenvoorzieningen;

  2. bermen en beplantingen;

  3. speelvoorzieningen;

  4. kunstobjecten;

  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

  6. voet- en fietspaden;

  7. nutsvoorzieningen;

  8. brandveiligheids- en blusvoorzieningen;

 

4.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken

 

4.2.1 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (gesloten normen)

 

4.2.1.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

 

4.2.1.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  1. De oppervlakte van maximaal één overkapping mag niet meer bedragen dan 20 m² met een maximale goothoogte van 3 m en een maximale bouwhoogte van 6 m.

  2. De bouwhoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 5 m.

  3. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.

 

4.2.2 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (met afwegingsruimte)

 

 

4.2.2.1 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.1.1 en een gebouw toestaan ten behoeve van nutsvoorzieningen met in achtneming van de volgende regels:

  1. De oppervlakte van het gebouw mag niet meer bedragen dan 20 m².

  2. De bouwhoogte van het gebouw mag niet meer bedragen dan 5 m.

 

4.3 Werken en werkzaamheden (anders dan bouwwerken)

 

4.3.1 Omgevingsvergunning

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  1. het aanleggen van verhardingen met een oppervlakte groter dan 5% van de in deze bestemming opgenomen aaneengesloten gronden;

  2. het afgraven, ophogen en egaliseren van gronden wanneer dit een oppervlakte van meer dan 250 m² betreft;

 

4.3.2 Beoordelingsregels

De in artikel 4.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke en/of natuurlijke waarden van de gronden.

 

4.3.3 Uitzonderingen

Het in artikel 4.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  1. het normale onderhoud betreffen;

  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

 

 

 

ARTIKEL 5 Functie Maatschappelijk

 

5.1 Activiteiten met betrekking tot het planologisch gebruik

 

5.1.1 Gebruiksactiviteiten binnen de toegedeelde functie

Op een locatie die op de verbeelding is aangewezen als ‘Maatschappelijk’ zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

 

  1. ter plaatse van de aanduiding 'zorginstelling' is uitsluitend een zorginstelling toegestaan;

 

met daarbij behorende:

  1. voorzieningen voor activiteiten en ontspanning;

  2. terrassen;

  3. laad- en losvoorzieningen;

  4. tuinen, erven en verhardingen;

  5. parkeer- en fietsvoorzieningen;

  6. groenvoorzieningen;

  7. nutsvoorzieningen;

  8. brandveiligheids- en blusvoorzieningen.

 

 

5.1.2 Beoordelingsregels voor gebruiksactiviteiten (met afwegingsruimte)

 

5.1.2.1 Afwijking van de gebruiksregels

In afwijking van het bepaalde in artikel 5.1.1. kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor andere maatschappelijke voorzieningen, met inachtneming van de volgende regels:

  1. Er vindt geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende bouwwerken plaats.

  2. Er vindt geen onevenredige toename van de parkeerdruk alsmede van de verkeersaantrekkende werking plaats.

 

 

5.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken

 

5.2.1 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (gesloten normen)

 

5.2.1.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  1. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd.

  2. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, tenzij anders is aangegeven.

  3. De voorgevel moet worden gesitueerd in de voorgevelrooilijn of op een afstand van niet meer dan 2 m daarachter.

  4. De goothoogte mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven.

  5. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven.

  6. De maximale bouwhoogte mag over een oppervlakte van maximaal 10% van het bouwvlak met maximaal 2 meter worden overschreden ten behoeve van een liftopbouw, installaties voor klimaatbeheersing en vergelijkbare installaties. De onderlinge afstand tussen installatie(s) en dakrand dient minimaal 2 meter te bedragen.

  7. Ter plaatse van de aanduiding 'dakterras' mag tevens een dakterras worden gerealiseerd.

 

5.2.1.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  1. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte voor erf - en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn niet meer mag bedragen dan 1 m.

  2. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.

 

5.2.2 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (met afwegingsruimte)

 

5.2.2.1 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.2.1.1 onder a voor overschrijding van het bouwvlak onder de volgende voorwaarden:

  1. De overschrijding bedraagt maximaal 1 meter.

  2. De overschrijding mag geen nadelige effecten hebben voor omliggende bomen.

  3. Er vindt geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat plaats.

  4. Er vindt geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken plaats.

 

 

 

ARTIKEL 6 Functie Tuin

 

6.1 Activiteiten met betrekking tot het planologisch gebruik

 

6.1.1 Gebruiksactiviteiten binnen de toegedeelde functie

Op een locatie die op de verbeelding is aangewezen als ‘Tuin’ zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  1. tuinen, erven en verhardingen;

  2. groenvoorzieningen;

  3. nutsvoorzieningen;

  4. brandveiligheids- en blusvoorzieningen.

 

6.1.2 Verboden

De gronden gelegen voor de voorgevel van een woning mogen, met uitzondering van bestaande situaties, niet worden gebruikt voor het parkeren of stallen van caravans, voer- en vaartuigen.

 

 

6.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken

 

6.2.1 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (gesloten normen)

 

 

6.2.1.1 Gebouwen

Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Uitzondering hierop is het herbouwen van bestaande aan- en uitbouwen en bijgebouwen onder de voorwaarde dat:

  1. de oppervlakte en de bouwhoogte van het gebouw niet meer mag bedragen dan de bestaande oppervlakte en bouwhoogte, en;

  2. het gebouw op dezelfde plek wordt herbouwd.

 

 

6.2.1.2 bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  1. De bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m.

  2. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde (met uitzondering van overkappingen en/of carports), mag niet meer bedragen dan 3 m.

  3. Het bouwen van overkappingen en/of carports is niet toegestaan. Uitzondering hierop is het herbouwen van bestaande overkappingen en/of carports onder de voorwaarde dat:

  1. de bouwhoogte en oppervlakte niet meer mag bedragen dan de bestaande bouwhoogte en oppervlakte, en;

  2. het gebouw op dezelfde plek wordt herbouwd.

 

 

6.2.2 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (met afwegingsruimte)

 

 

6.2.2.1 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.2.1.1 en 6.2.1.2 voor het bouwen van erkers, luifels en balkons aan de voor- of zijgevel van het hoofdgebouw onder de volgende voorwaarden:

  1. De diepte gemeten vanuit de voorgevel van het hoofdgebouw mag niet meer dan 1,5 m bedragen.

  2. De afstand tot de openbare weg mag niet minder dan 2 m bedragen.

 

 

 

ARTIKEL 7 Functie Verkeer

 

7.1 Activiteiten met betrekking tot het planologisch gebruik

 

7.1.1 Gebruiksactiviteiten binnen de toegedeelde functie

De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. wegen met bijbehorende voorzieningen;

  2. voet- en fietspaden met bijbehorende voorzieningen;

  3. parkeer- en fietsvoorzieningen;

  4. groenvoorzieningen;

  5. speelvoorzieningen;

  6. kunstobjecten;

  7. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

  8. nutsvoorzieningen,

  9. brandveiligheids- en blusvoorzieningen;

 

 

7.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken

 

7.2.1 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (gesloten normen)

 

7.2.1.1 Gebouwen

 

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

 

7.2.1.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  1. De bouwhoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 5 m.

  2. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.

 

7.3 Nadere eisen

  1. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken.

  2. De onder a genoemde nadere eisen mogen slechts worden gesteld ten behoeve van:

  1. de bescherming van de groenstructuur;

  2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

 

 

 

ARTIKEL 8 Functie Wonen

 

8.1 Activiteiten met betrekking tot het planologisch gebruik

 

8.1.1 Gebruiksactiviteiten binnen de toegedeelde functie

De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. wonen in de vorm van een woning;

  2. hospita(kamer)verhuur;

 

met daarbij behorende:

  1. aan-huis-verbonden beroep en lichte bedrijvigheid;

  2. aan- en uitbouwen en bijgebouwen behorende bij de woning;

  3. tuinen, erven en verhardingen;

  4. parkeervoorzieningen;

  5. groenvoorzieningen;

  6. nutsvoorzieningen;

  7. brandveiligheids- en blusvoorzieningen;

  8. in- en uitritten.

 

 

8.1.1.1 Specifieke gebruiksregels

  1. Binnen de functie ‘Wonen’ is de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep en lichte bedrijvigheid toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende regels van toepassing zijn:

  1. De omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 30% van de oppervlakte van de woning tot een maximum van 30 m² of in een bijgebouw tot een maximum van 30 m².

  2. De activiteit wordt uitsluitend uitgeoefend door de bewoner.

  3. Detailhandel is niet toegestaan.

  4. De activiteit mag buiten de woning of het bijbehorend bouwwerk geen nadelige milieueffecten hebben op de omgeving.

 

 

8.1.2 Beoordelingsregels voor gebruiksactiviteiten (met afwegingsruimte)

 

 

8.1.2.1 Toestaan groter oppervlak aan huis verbonden beroep

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8.1.1.1 onder a voor een omvang van de activiteit met niet meer dan 60% van de oppervlakte van de woning tot een maximum van 80 m² of in een bijgebouw tot een maximum van 80 m², mits:

  1. De activiteit een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft en behoudt die met de woonfunctie in overeenstemming is.

  2. Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van parkeerbehoefte veroorzaken.

 

 

8.1.2.2 Toestaan kamergewijze verhuur

Burgemeester en wethouders kunnen door middel van een omgevingsvergunning kamergewijze verhuur in woningen toestaan, mits:

  1. Dit niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat;

  2. er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is voor auto en fiets;

  3. de ruimtelijke kwaliteit niet onevenredig wordt aangetast;

  4. de belangen van omwonenden niet onevenredig worden geschaad.

 

 

8.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken

 

8.2.1 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (gesloten normen)

 

 

8.2.1.1 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:

  1. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd.

  2. Ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' mag uitsluitend één vrijstaande woning worden gebouwd.

  3. Ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' mogen woningen uitsluitend halfvrijstaand of vrijstaand worden gebouwd.

  4. Ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' mogen woningen uitsluitend gestapeld worden gebouwd.

  5. Ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' mogen woningen uitsluitend aaneengesloten worden gebouwd.

  6. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, tenzij anders is aangegeven.

  7. De voorgevel moet worden gesitueerd in de voorgevelrooilijn of op een afstand van niet meer dan 2 m daarachter.

  8. De goothoogte mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven.

  9. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven.

 

8.2.1.2 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen aan/bij de woning gelden de volgende bepalingen:

  1. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen op een afstand van tenminste 3 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd.

  2. Het bebouwingspercentage van het gedeelte van de gronden gelegen achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw mag maximaal 50% bedragen tot een maximum gezamenlijke oppervlakte van 50 m².

  3. Voor zover de oppervlakte van de gronden, gelegen achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw, meer bedraagt dan 200 m² mag de onder b geregelde gezamenlijke oppervlakte worden vermeerderd met 10% van deze overmaat tot in totaal maximaal 90 m².

  4. De maximaal toegestane oppervlakte als genoemd onder b en c betreft de aan- en uitbouwen en bijgebouwen buiten het bouwvlak.

  5. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.

  6. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5 m.

 

8.2.1.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  1. De bouw van een zwembad is niet toegestaan.

  2. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn niet meer dan 1 m mag bedragen.

  3. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.

 

8.2.2 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten (met afwegingsruimte)

 

8.2.2.1 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8.2.1.3 onder a voor de bouw van een onoverdekt zwembad onder de volgende voorwaarden:

  1. De oppervlakte van het zwembad mag niet meer bedragen dan 5% van het bouwperceel met maximum van 50 m².

  2. De hoogte van het zwembad boven peil mag niet meer bedragen dan 0,5 m.

  3. De afstand tot de perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 5 m.

 

 

 

HOOFDSTUK 4 Algemene bepalingen

 

ARTIKEL 9 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van activiteiten waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere activiteiten buiten beschouwing.

 

ARTIKEL 10 Uitsluiting niet benoemde activiteiten

Activiteiten met betrekking tot de fysieke leefomgeving zijn alleen toegestaan voor zover dat is bepaald in dit plan.

 

ARTIKEL 11 Algemene zorgplicht

Degene die een activiteit verricht als bedoeld in dit plan (of nalaat te handelen indien dat noodzakelijk is voor een goede fysieke leefomgeving) en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen, met het oog waarop de regels in dit plan zijn gesteld, is verplicht:

  1. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

  2. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, en

  3. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

 

ARTIKEL 12 Maatwerkvoorschriften

 

  1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit plan worden verbonden, over de regels over activiteiten in dit plan, tenzij anders is bepaald.

  2. Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de regels over activiteiten in dit plan, tenzij anders is bepaald of hoofdstuk 5 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving zich daartegen verzet.

  3. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit plan kan worden verbonden.

  4. Het eerste en tweede lid gelden niet voor zover het stellen van maatwerkvoorschriften is uitgesloten in het Besluit Activiteiten Leefomgeving.

 

ARTIKEL 13 Algemene regels met betrekking tot bouwwerken

 

13.1 Algemene bouwregels

  1. Indien de bestaande bebouwing afwijkt van de in deze regels gegeven voorschriften ten aanzien van:

  1. goot- en bouwhoogten;

  2. oppervlakte;

  3. inhoud;

  4. afdekking van gebouwen;

  5. afstand tot voorgevelbouwgrens;

  6. afstand tot de perceelsgrens;

zijn de bestaande maten, hellingen, dan wel afstanden eveneens toegestaan, onder de

voorwaarde dat herbouw uitsluitend op dezelfde locatie mag plaatsvinden.

  1. In afwijking van het bepaalde in sub a, kan herbouw op een andere locatie plaatsvinden voor zover dit betrekking heeft op de aan- en uitbouwen en bijgebouwenregeling van de bestemming Wonen. Hiervoor kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen aan de situering en afmeting van de betreffende gebouwen.

Deze nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld ten behoeve van:

- het stedenbouwkundig beeld;

- de verkeersveiligheid;

- de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

  1. Voor zover in dit plan goothoogten zijn aangegeven, dienen gebouwen (zoals in onderstaande afbeelding is weergegeven) te worden voorzien van:

  1. een kap, waaronder wordt verstaan een bedekkend bovendeel van een bouwwerk welke bestaat uit minimaal 2 schuine dakvlakken en

  2. waarvan de dakhelling niet minder mag bedragen dan 30º en niet meer mag bedragen dan 60º,

  [image]

(V is toegestaan en X is niet toegestaan).

 

  1. Het bepaalde in artikel 13.1 lid c onder 1 en 2 is niet van toepassing voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen met een maximale bouwhoogte van 3 meter.

  1. Voor ondergronds bouwen gelden de volgende bepalingen:

  1. ondergronds bouwen is toegestaan;

  2. de verticale diepte van ondergronds bouwen mag maximaal 4 m bedragen;

  3. bij het berekenen van het maximaal te bouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen voor zover deze is gelegen buiten de buitenwerkse gevelvlakken van de bijbehorende bovengrondse gebouwen.

 

 

13.2 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen met betrekking tot de plaats, vorm en afmeting van bouwwerken:

  1. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen;

  2. ter bescherming van de monumentale waarde in relatie tot de naaste omgeving;

  3. ter waarborging van de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van de naaste omgeving;

  4. ter waarborging van de verkeersveilighied;

  5. ter waarborging van de ongestoorde ligging van kabels en leidingen.

 

ARTIKEL 14 Aanvullende beoordelingsregels geluidgevoelig gebouw in geluidaandachtsgebied (met afwegingsruimte)

  1. In afwijking van het bepaalde in artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het bouwen van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied, als de geluidbelasting aanvaardbaar is en wordt voldaan aan de navolgende voorwaarden:
    1. er kunnen geen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan;
    2. de overschrijding van de standaardwaarde wordt zoveel mogelijk beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen;
    3. het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  2. Indien sprake is van het bouwen van woonruimte en niet kan worden voldaan aan het bepaalde in het eerste lid, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen als de geluidbelasting aanvaardbaar is en elke afzonderlijke woning beschikt over minimaal een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, als bedoeld in tabel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is berekend.

  3. Indien sprake is van het bouwen van woonruimte en niet kan worden voldaan aan het bepaalde in het eerste en tweede lid, kan het bevoegd gezag een omgevingsverguning verlenen als de geluidbelasting aanvaardbaar is en wordt voldaan aan de navolgende voorwaarden:
    1. elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel; en
    2. zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.

  4. Artikel 5.78u, tweede en vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing op de bepalingen in dit artikel.

 

ARTIKEL 15 Algemene beoordelingsregels bouwwerken en gebruiksactiviteiten (met afwegingsruimte)

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van:

  1. de in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages.

  2. de regels in die zin dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of intensiteit daartoe aanleiding geeft;

  3. de regels en toestaan dat het bouwvlak met maximaal 2 m wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;

  4. de regels voor de bouw van een luifel aan de voorgevel van een hoofdgebouw, geen woning zijnde, mits:

  1. de diepte gemeten vanuit de voorgevel niet meer bedraagt dan 3 m;

  2. de hoogte niet meer bedraagt dan de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw;

  3. er geen bezwaren bestaan vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid.

  1. de regels en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:

  1. de inhoud per gebouwtje niet meer bedraagt dan 60 m3;

  2. de bouwhoogte niet meer dan bedraagt dan 5 m.

  1. de regels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot:

  1. ten behoeve de bouw van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 5 m;

  2. ten behoeve van de bouw van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot maximaal 16 m;

  3. ten behoeve van de bouw van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot 6 m.

  1. het bepaalde ten aanzien van de maximum bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten wordt vergroot, mits:

  1. de maximale oppervlakte van de vergroting niet meer bedraagt dan 10% van het betreffende platte dakvlak of de horizontale projectie van het schuine dakvlak;

  2. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1,25 maal de maximum bouwhoogte van het betreffende gebouw.

  1. de regels en toestaan dat antennes worden gerealiseerd, met dien verstande dat:

  1. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 40 m;

  2. de noodzaak van plaatsing is aangetoond;

  3. is aangetoond dat de plaatsing van een antenne niet mogelijk is op bestaande hoogbouw of een bestaande (hoogspannings)mast;

  4. de locatie in overeenstemming is met het plaatsingsplan, waarbij plaatsing bij voorkeur plaatsvindt op bedrijventerreinen, sportterreinen en/of groene gebieden, dan wel nabij kantoren en bij voorkeur niet in de nabijheid van onderwijsinstellingen;

  5. is aangetoond dat de antenne inpasbaar is gelet op de ruimtelijke, landschappelijke of ecologische kwaliteit van het terrein, in relatie tot de kwaliteit van de aangrenzende gebieden. In de afweging omtrent de verlening van omgevingsvergunning worden in ieder geval de beschermde soorten krachtens de Wet natuurbescherming betrokken, zodanig dat dient te zijn aangetoond dat redelijkerwijs is te verwachten dat een ontheffing op grond van deze wet, indien vereist, zal worden verleend;

  6. de bouwkundige inpasbaarheid van de antenne is aangetoond.

Aan de omgevingsvergunning kunnen voorwaarden gesteld omtrent de kleur en de exacte locatie van de antennemast c.a. en het aanbrengen van afschermende beplanting;

  1. de regels ten aanzien van de situering van het hoofdgebouwen ten opzichte van de voorgevelrooilijn, mits dit niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de stedenbouwkundige opzet van het desbetreffend plangebied.

  2. Er kan worden afgeweken van artikel 13.1 lid c onder 1 en 2 om een gebouw te voorzien van:

  1. één schuin dakvlak en/of andere dakhelling, mits dit niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de stedenbouwkundige opzet van het desbetreffend plangebied of

  2. een plat dak en/of andere dakhelling met dien verstande dat de maximale goothoogte gelijk kan worden gesteld aan de maximale bouwhoogte, mits dit niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de stedenbouwkundige opzet van het desbetreffend plangebied.

  1. Het gebruik van de gronden voor de voorgevel voor het parkeren of stallen van voertuigen.

  2. Ten behoeve van strijdig gebruik van grond, mits de afwijking niet zal leiden tot een onomkeerbare wijziging van de functie. Van dit laatste is in ieder geval sprake bij het toestaan van volgens de functie niet geoorloofd detailhandelsgebruik in gebouwen of op terreinen met andere bedrijfsfuncties of woonfuncties.

 

 

ARTIKEL 16 Algemene beoordelingsregels bouwwerken en gebruiksactiviteiten met betrekking tot parkeren

 

16.1 Parkeren

  1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of het wijzigen van het gebruik van gebouwen en gronden wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de geldende opgave, zoals beschreven in de hoofdstukken 3 tot en met 6 van de Beleidsregel van burgemeester en wethouders 'Nota parkeernormen Ede 2025';

  2. Tot een strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden of bouwwerken waarbij niet in het plangebied bij de ontwikkeling wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de geldende opgave, zoals beschreven in de hoofdstukken 3 tot en met 6 van de Beleidsregel van burgemeester en wethouders 'Nota parkeernormen Ede 2025';

  3. Indien de onder a en b bedoelde (beleids)regel wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met deze wijziging.

 

16.2 Laden en lossen

a. Indien de functie van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het

bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik, in deze behoefte in

voldoende mate zijn voorzien binnen het plangebied overeenkomstig de Beleidsregel van

burgemeester en wethouders 'Nota parkeernormen Ede 2025';

b. Indien de onder a bedoelde (beleids)regel wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met deze

wijziging.

 

16.3 Andere parkeernorm (met afwegingsruimte)

Bij een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 16.1 en artikel 16.2

  1. voor zover op andere wijze in de nodige parkeergelegenheid dan wel laad- of losruimte wordt voorzien;

  2. voor zover door een maatregel geen of minder dan de nodige parkeergelegenheid dan wel laad- of losruimte noodzakelijk is;

  3. voor zover het voldoen aan die regels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.

  4. bij de beoordeling van het bepaalde onder sub a, b en c wordt rekening gehouden met de afwijkingsvoorwaarden, zoals deze zijn neergelegd in de Beleidsregel van burgemeester en wethouders 'Nota parkeernormen Ede 2025'. Indien deze regeling wordt gewijzigd moet rekening worden gehouden met deze wijziging.

 

 

ARTIKEL 17 Algemene aanduidingsregels

 

 

17.1 Monumentale boom

 

17.1.1 Aanduidingsomschrijving

 

Ter plaatse van de aanduiding 'monumentale boom' zijn de gronden, naast de aldaar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van waardevolle bomen. Indien de boom door ziekte of om een andere reden is gekapt en zijn boomwaarde heeft verloren, is deze regeling niet van toepassing.

 

17.1.2 Bouwregels

Ter plaatse van de aanduiding 'monumentale boom' mogen de beoogde werkzaamheden niet plaats vinden binnen de vastgestelde obstakelvrije zone (=zone kroondiameter (eindbeeld) x factor 0,6).

 

17.1.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het in artikel 17.1.2 bepaalde ten behoeve van het verkleinen van de genoemde afstand, mits dit geen wezenlijke negatieve gevolgen heeft voor de boom.

 

 

ARTIKEL 18 Milieubelastende activiteiten

 

18.1 Algemene bepalingen

 

18.1.1 Samenhangende activiteiten

 

In dit artikel 'Milieubelastende activiteiten' wordt voor de regels over geluid en geur als één activiteit met gebruiksruimte beschouwd:

  1. activiteiten als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

  2. als het gaat om andere activiteiten dan bedoeld onder a, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

  1. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

  2. elkaar functioneel ondersteunen.

 

18.2 Geluid door activiteiten

 

18.2.1 Toepassingsbereik

 

1. De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het geluid dat wordt veroorzaakt door milieubelastende activiteiten, anders dan wonen, met uitzondering van het geluid door:

  1. activiteiten die plaatsvinden op een industrieterrein;

  2. activiteiten en evenementen die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte worden verricht;

  3. windturbines en windparken;

  4. civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen;

  5. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg;

  6. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;

  7. de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval en;

 

2. De regels in deze paragraaf zijn niet van toepassing op het geluid:

  1. op een niet-geluidgevoelige gevel;

  2. van een activiteit op ‘geluidgevoelige gebouwen met een functionele binding of voormalige functionele binding’ met die activiteit;

  3. onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee vermengd is.

18.2.2 Waar de waarden gelden

 

1. De waarden in deze paragraaf voor het geluid door een activiteit gelden, tenzij anders bepaald:

  1. op een geluidgevoelig gebouw dat op grond van dit TAM-omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit is toegelaten, anders dan een woonschip of woonwagen:

1°. op de gevel, als het gaat om een geluidgevoelig gebouw; en

2°. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw, tot dat het geluidgevoelige gebouw is gerealiseerd;

  1. op een woonschip of woonwagen, op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen.

 

2. Voor zover er binnen 10 meter vanaf de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht geen geluidgevoelig gebouw is gelegen of toegelaten, gelden de waarden in deze paragraaf voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op een afstand van 10 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht.

 

3. De in het tweede lid bedoelde afstand wordt verruimd tot maximaal 30 meter, voor zover

de locatie grenst aan openbaar gebied en tot zover er geen geluidgevoelige gebouwen zijn

gelegen of toegelaten.

 

4. De in het tweede en derde lid bedoelde afstanden gelden niet als de activiteit binnen een

zone voor geluid is gelegen als bedoeld in artikel 18.2.5.1.

 

 

18.2.3 Geluidwaarden op een geluidgevoelig gebouw

 

1. Bij het verrichten van een activiteit is het geluid op een geluidgevoelig gebouw of ruimte niet meer dan de waarden in onderstaande tabel 18.1:

 

Tabel 18.1:

 

 

07.00-19.00 uur

19.00-23.00 uur

23.00-07.00 uur

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

-

70 dB(A)

70 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

70 dB(A)

65 dB(A)

65 dB(A)

 

2. Bij het verrichten van een activiteit is het geluid op een geluidgevoelig gebouw of ruimte, waarbij de activiteit wordt verricht gelegen in een zone die in het kader van milieuzonering wordt beschouwd als ‘rustige woonwijk of rustig buitengebied' (alle locaties in dit plan), niet meer dan de waarden in onderstaande tabel 18.2:

 

Tabel 18.2:

 

 

07.00-19.00 uur

19.00-23.00 uur

23.00-07.00 uur

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT

45 dB(A)

40 dB(A)

35 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

-

65 dB(A)

65 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

65 dB(A)

60 dB(A)

60 dB(A)

 

 

18.2.4 Maatwerkvoorschriften

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over:

a. activiteiten waarbij, anders dan door laden en lossen, regelmatig maximale geluidniveaus LAmax van meer dan 70 dB(A) in de dagperiode optreden, die tot hinder leiden; en

b. activiteiten waarbij door het laden en lossen regelmatig maximale geluidniveaus LAmax van meer dan 75 dB(A) in de dagperiode optreden, die tot hinder leiden.

 

 

18.2.5 Geluidruimte

 

18.2.5.1 Geluidruimte binnen en buiten een zone

 

  1. Bij het verrichten van een activiteit op een locatie die op de verbeelding is voorzien van een gebiedsaanduiding 'geluidzone -1', 'geluidzone - 2', 'geluidzone - 3' of 'geluidzone - 4' is het geluid niet meer dan de waarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT zoals is bepaald in tabel 18.3 met inachtneming van het bepaalde in artikel 18.2.3.

  2. Voor zover geen geluidszone is opgenomen, zoals bedoeld in sub a, gelden de waarden zoals vermeld in tabel 18.3 voor geluidzone 1 op een afstand van 10 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht, met inachtneming van het bepaalde in artikel 18.2.3.

  3. De onder sub b genoemde afstand van 10 meter wordt verruimd tot maximaal 30 meter, voor zover sprake is van openbaar toegankelijk gebied.

  4. Bij de toepassing van sub a wordt geen rekening gehouden met het effect van bebouwing die aanwezig is in het gebied buiten de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht.

 

Tabel 18.3:

 

Gebiedsaanduiding

Afstand vanaf grens

locatie (m)

07.00-19.00 uur

19.00-23.00 uur

23.00-07.00 uur

Geluidzone - 1

30

45 dB(A)

40 dB(A)

35 dB(A)

Geluidzone - 2

50

45 dB(A)

40 dB(A)

35 dB(A)

Geluidzone - 3

50

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

Geluidzone - 4

50

50 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

 

18.2.5.2 Afwijken van waarden met een omgevingsvergunning

 

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van de waarden, bedoeld in artikel 18.2.5.1.

  2. De omgevingsvergunning bedoeld onder a. kan worden verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag:

  1. onevenredig ingrijpende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de waarden;

  2. andere maatregelen die de geluidbelasting verminderen zo veel mogelijk worden getroffen en

  3. de geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.

  1. Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunningvoorschriften over de waarden, die maximaal 5 dB hoger zijn dan de waarden, bedoeld in de artikel 18.2.5.1, mits dat niet leidt tot een overschrijding van de waarden voor geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in tabel 18.4.

 

Tabel 18.4:

 

 

07.00-19.00 uur

19.00-23.00 uur

23.00-07.00 uur

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

-

45 dB(A)

55 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

-

45 dB(A)

45 dB(A)

 

d. Het bepaalde onder c. is niet van toepassing op aanwezige geluidgevoelige gebouwen, als:

  1. maatregelen aan de gevel om voor dat gebouw te voldoen aan de waarden, bedoeld in tabel 18.4, leiden tot zwaarwegende bezwaren van bouwkundige aard;

  2. de eigenaar weigert mee te werken aan het onderzoek naar het geluid in zijn gebouw door activiteiten en de noodzakelijke geluidwerende maatregelen; of

  3. de eigenaar weigert geluidwerende maatregelen te laten aanbrengen.

 

18.3 Geurhinder door activiteiten verricht binnen een geurzone

 

18.3.1 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op geur die wordt veroorzaakt door milieubelastende activiteiten, anders dan wonen, die wordt verricht binnen een geurzone, met uitzondering van geur door:

  1. activiteiten die plaatsvinden op een industrieterrein;

  2. het exploiteren van zuiveringtechnische werken; en

  3. het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf of andere agrarische activiteiten.

 

18.3.2 NTA 9065

 

Op het bepalen van geur door activiteiten is de Nederlandse technische afspraak NTA9065 van juni 2023 van toepassing.

 

18.3.3 Geurruimte

 

  1. Bij het verrichten van een activiteit binnen een gebiedsaanduiding 'milieuzone - geurzone 1, 2 of 3, waarbij emissies naar de lucht plaatsvinden, bedraagt de geur niet meer dan de waarden zoals aangegeven in onderstaande tabel 18.5 op de aangegeven afstanden vanaf de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht:

 

Tabel 18.5:

 

Gebiedsaanduiding

Afstand vanaf grens

locatie (m)

Als 98 percentiel

Als 99,9 percentiel

Milieuzone - geurzone 1

30

0,5 ouE/m³ of H=-0,5

2 ouE/m³ of 4*H=-0,5

Milieuzone - geurzone 2

50

0,5 ouE/m³ of H=-0,5

2 ouE/m³ of 4*H=-0,5

Milieuzone - geurzone 3

50

1 ouE/m³ of 1*H=-1

4 ouE/m³ of 4*H=-1

 

  1. Als op grond van het eerste lid meer dan één waarde van toepassing is, geldt de voor de betreffende zone geldende waarde voor de gehele activiteit, waarbij de waarde met de grootste afstand telt.

 

18.3.4 Afwijken van waarden met een omgevingsvergunning

 

  1. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de waarden, bedoeld in artikel 18.3.3.

  2. De vergunning onder a. kan worden verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag:

  1. onevenredig ingrijpende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de normen;

  2. als andere maatregelen mogelijk zijn om de geurbelasting zoveel mogelijk te verminderen: die andere maatregelen wel worden getroffen; en

  3. de geurbelasting op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.

 

18.4 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor - afstand tot ruimte-voor-ruimte functie

 

De standaardwaarden zoals bedoeld in artikelen 5.109, eerste en tweede lid, en 5.109a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn niet van toepassing bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand op een locatie gelijk of groter is dan de afstand, bedoeld in tabel 18.6, tot de volgende geurgevoelige gebouwen:

a. een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie of een bedrijfsfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:

  1. op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven;

  2. in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de dierenverblijven; en

  3. in samenhang met de sloop van dierenverblijven of bedrijfsgebouwen voor functioneel ondersteunende activiteiten.

Tabel 18.6:

Afstand tot ruimte-voor-ruimte functie bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

 

Ruimte-voor-ruimte woonfunctie, bedrijfsfunctie

Afstand

Gelegen binnen de bebouwingscontour geur

100 m

Gelegen buiten de bebouwingscontour geur

50 m

 

 

ARTIKEL 19 Algemene gebruiksregels

 

Onder het gebruiken of laten gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het TAM-omgevingsplan wordt in ieder geval verstaan:

  1. het gebruik van bebouwde en onbebouwde gronden ten behoeve van een seksinrichting, een escortbedrijf en/of raam- en straatprostitutie;

  2. het gebruik van bebouwde en onbebouwde gronden ten behoeve van detailhandel;

  3. het gebruik van bebouwde en onbebouwde gronden ten behoeve van een standplaats en/of het (doen) stallen van (een) woonwagen(s), caravan(s), aanhangwagen(s);

  4. het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen bij (bedrijfs)woningen voor bewoning;

  5. het onttrekken van de parkeervoorziening op eigen terrein.

 

 

ARTIKEL 20 Voorwaardelijke verplichtingen bouwwerken en gebruiksactiviteiten

 

20.1 Voorwaardelijke verplichting inrichtingsplan

  1. Het is niet toegestaan de locatie conform de toegedeelde functie te gebruiken indien niet in het eerstvolgende plantseizoen (jaarlijks 1 november tot 15 april) na eerste ingebruikname van de locatie is voorzien in de inrichting van de locatie conform de inrichtingsschetsen in het bouwplan (bijlage 1; definitief VO zorgwoningen Bethanië, project 2126, dd 01-07-2025).

  2. Het verbod onder a. is tevens van toepassing indien de onder a. bedoelde aanplant niet duurzaam in stand wordt gehouden.

 

20.2 Voorwaardelijke verplichting natuurinclusief bouwen

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van hoofdgebouwen wordt slechts verleend indien in de aanvraag wordt aangetoond dat wordt voldaan aan het puntensysteem voor natuurinclusief bouwen van de gemeente Ede zoals dat op het moment van indienen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning van toepassing is. Het maatregelenpakket dient maatregelen voor gebouwbewonende soorten zoals huismus en/of vleermuizen te bevatten.

 

20.3 Voorwaardelijke verplichting aanvulling Natuurtoets

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van hoofdgebouwen wordt slechts verleend indien de uitgevoerde Natuurtoets wordt aangevuld met een onderzoek naar de aanwezigheid van eekhoornnesten.

 

20.4 Voorwaardelijke verplichting vleermuisvriendelijke verlichting

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van hoofdgebouwen wordt slechts verleend indien in de aanvraag wordt aangetoond dat in het plan wordt gewerkt met vleermuisvriendelijke verlichting.

 

 

HOOFDSTUK 5 Overgangsbepalingen

 

ARTIKEL 21 Overgangsrecht

 

21.1 Overgangsrecht bouwwerken

  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

  2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

  1. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%.

  2. Het bepaalde in sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

 

21.2 Overgangsrecht gebruik

  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

  2. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij de afwijking door deze verandering naar aard en omvang wordt verkleind.

  3. Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

  4. Het bepaalde in sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het