direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan 'Hoofdstuk 22a, spuitzonering De Ploen-Noord, Duiven'
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0226.BP22058-VS01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Dit TAM-omgevingsplan voorziet in de planologische basis voor het opnemen van een spuitvrije zone met een breedte van 50 meter gemeten uit de grens van het bestemmingsplan ''De Ploen-Noord, Duiven'' opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege ''Omgevingsplan gemeente Duiven''.

Het opnemen van de spuitvrije zone heeft als doel het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in deze zone uit te sluiten, ter bescherming van de ingebruikname van gevoelige functies (woningen en/of andere functies) binnen het aangrenzende woningbouwgebied. Dit woningbouwgebied is onlangs vastgesteld bij vaststelling van het bestemmingsplan ''De Ploen-Noord, Duiven''.

Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan leiden tot blootstelling van omwonenden via drift, neerslag van residuen in tuinen en op woningen, en via huisstof en lucht. Dit kan gezondheidsrisico's met zich meebrengen. Daarbij gaat het om acute effecten en mogelijke chronische effecten op de gezondheid. Vanuit de gezondheidsraad wordt onder meer geadviseerd om de blootstelling van chemische gewasbeschermingsmiddelen te verminderen

Het opnemen van een spuitvrije zone van 50 meter vanaf de de woon- en tuinbestemmingen van het ontwerp bestemmingsplan ''Ploen-Noord, Duiven'' wordt in de jurisprudentie als 'aanvaardbaar' aangemerkt. Kleinere afstanden zijn juridisch onzeker en bieden mogelijk onvoldoende bescherming.

In het ''Omgevingsplan gemeente Duiven'' (met van rechtswege vigerende bestemmingsplan ''Duiven-Noord'') is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de genoemde agrarische percelen niet uitgesloten. Om te voorzien in een actueel juridisch-planologisch kader, waarmee middels een spuitvrije zone van 50 meter het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op het genoemde perceel wordt uitgesloten, is de voorliggende wijziging van het omgevingsplan opgesteld.

Met een wijziging van het omgevingsplan wil de gemeente het spuitverbod 'naar buiten toe' laten werken: een verbod opnemen buiten de contouren van het besluitgebied van 'De Ploen-Noord'.


Een wijziging van een omgevingsplan moet worden opgesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in relatie tot gezondheid (een veilige en gezonde leefomgeving) is onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies. Anderzijds mogen nabijgelegen (agrarische) bedrijven niet onevenredig in de bedrijfsvoering en planologische ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Dit rapport bevat de motivering voor de wijziging van het omgevingsplan.

Voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) moeten alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij een wijziging van het omgevingsplan aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze worden afgewogen. Bij de afweging van ETFAL moet specifiek rekening gehouden worden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Daarnaast mag het besluit tot wijziging van het omgevingsplan niet in strijd zijn met de instructie(regels) van het Rijk en de provincie. Enerzijds moet er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen/gevoelige functie. Anderzijds moet worden voorkomen dat als gevolg van een planologische ontwikkeling een onevenredige beperking plaatsvindt van de bedrijfsvoering van nabijgelegen bedrijven. De raad moet uiteindelijk bepalen wat zij vanuit het oogpunt van ETFAL wel en niet aanvaardbaar vinden.

1.2 Ligging besluitgebied

Het besluitgebied ligt aan de noordzijde van de kern Duiven, op een deel van de percelen grenzend aan de nog te realiseren woonlocatie 'De Ploen-Noord, Duiven'. Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0226.BP22058-VS01_0001.jpg"

TOPOGRAFISCHE SITUATIE

Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend omgevingsplan ingetekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.0226.BP22058-VS01_0002.jpg"

KADASTRALE SITUATIE

De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Duiven, nummers F607 (gedeeltelijk), A2010 (gedeeltelijk), A2746 (gedeeltelijk), A2747 (gedeeltelijk) en A2748 (gedeeltelijk).

1.3 Leeswijzer

Deze motivering bij de TAM-omgevingsplanwijziging bestaat uit 7 hoofdstukken. Na dit eerste inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 nader ingegaan op de planbeschrijving en de specifieke onderdelen die worden gewijzigd in het omgevingsplan. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 de relevante (milieu)thema's nader toegelicht. In hoofdstuk 4 wordt het beleidskader ten behoeve van de spuitzonering beschreven. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. In hoofdstuk 6 een integrale afweging gegeven ten aanzien van de vraag of sprake is van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (ETFAL). In hoofdstuk 7 wordt de juridische planvorm beschreven.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige (juridisch-planologische) situatie

2.1.1 Bestemmingsplan De Ploen-Noord, Duiven (vastgesteld 7 oktober 2025)

In het vastgestelde bestemmingsplan ''De Ploen-Noord, Duiven'' is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor spuitzones binnen het woningbouw ontwikkelingsgebied. Artikel 11.4 stelt hierin het volgende:

''Het gebruiken van de gronden gelegen binnen de aanduiding 'overige zone -spuitzone' voor gevoelige functies voor gewasbeschermingsmiddelen is niet toegestaan. Het strijdig gebruik wordt pas opgeheven indien een aanvaardbaar verblijfsklimaat is gegarandeerd voor de desbetreffende gevoelige functies voor gewasbeschermingsmiddelen. Van een aanvaardbaar verblijfsklimaat is sprake indien op basis van een planologisch besluit het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen op agrarische percelen in een zone van 50 meter rond de gevoelige functies voor gewasbeschermingsmiddelen is uitgesloten en er ten tijde van het verlenen van een omgevingsvergunning geen chemische gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast.''

2.1.2 Bestemmingsplan Duiven-Noord (vastgesteld 1 november 2010)

In een zone van 50 meter rondom het plangebied van 'De Ploen-Noord' liggen gronden waar op basis van het bestemmingsplan ''Duiven-Noord'' de bestemming 'Agrarisch' geldt. Op basis van de gebruiksregels bij deze bestemming is het telen van gewassen in de openlucht toegestaan. En bij reguliere teelt van gewassen kunnen bepaalde chemische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0226.BP22058-VS01_0003.jpg"

UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN

2.1.3 TAM voorbereidingsbesluit "Spuitzones Duiven" (vastgesteld op 9 september 2025)

Burgemeester en wethouders van de gemeente Duiven hebben op 9 september 2025 een TAM-voorbeidingsbesluit genomen voor drie locaties in Duiven: gronden grenzend aan het plangebied 'Ploen Noord', plangebied 'Plakse Weide' en plangebied 'Biezenkampen'. Het voorbereidingsbesluit is in werking getreden op 18 september 2025.

Op grond van artikel 4.14 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad voor een locatie een voorbereidingsbesluit nemen. De gemeenteraad kan deze bevoegdheid delegeren aan het college van burgemeester en wethouders. De gemeenteraad van Duiven heeft op 12 november 2024 deze bevoegdheid gedelegeerd aan het college. Een voorbereidingsbesluit bevat regels, de zogenoemde voorbeschermingsregels. Dat zijn regels die activiteiten moeten voorkomen die in het omgevingsplan nu nog zijn toegestaan, maar die met de in voorbereiding zijnde wijziging van het omgevingsplan niet meer of alleen onder voorwaarden zijn toegestaan. Het besluit is digitaal ontsloten met gebruik van de Tijdelijke Alternatieve Maatregel via IMRO (TAM). Met toepassing van de TAM kan het voorbereidingsbesluit via dezelfde wijze ontsloten worden als vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

De gemeente Duiven streeft naar een goede balans tussen wonen en agrarische bedrijfsvoering waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties waarmee een goede kwaliteit van de fysieke leefomgeving wordt bereikt. Met een voorbereidingsbesluit voorkomt de gemeente snel dat er intensiveringen van ontwikkelingen plaatsvinden in het werkingsgebied die de gezondheid van (toekomstige) omwonenden kunnen schaden.

Het college heeft daarom besloten om een voorbereidingsbesluit te nemen voor de gronden die als besluitgebied zijn vastgelegd in het gml-bestand NL.IMRO.0226.TAMVBSPTZN-VS01. Hierbij zijn voorbeschermingsregels opgenomen in het besluit, die bepalen dat het binnen het werkingsgebied van het voorbereidingsbesluit verboden is gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken in de open lucht, en het bestaand gebruik te wijzigen naar een andere vorm van agrarisch grondgebruik waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt in de open lucht. Het voorbereidingsbesluit stelt ook de regels van de onderliggende bestemmingsplannen, voor zover die in strijd zijn met de genoemde voorbeschermingsregels, buiten toepassing. In het geval van de Ploen-Noord gaat het om het bestemmingsplan "Duiven-Noord".

Het college heeft in het besluit ook verklaard dat er wijzigingen op het omgevingsplan worden voorbereid voor de desbetreffende locaties. Voor de locatie bij de Ploen-Noord is dit opgenomen in de vastgestelde bestemmingsplanwijziging.

2.2 Juridische kaders

2.2.1 Juridisch kader ten aanzien van het onderwerp 'spuitzonering'

Bij het telen van gewassen in de openlucht worden regelmatig meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen toegepast. Gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt voor het beschermen van planten en gewassen, bijvoorbeeld door het bestrijden van schimmels, insecten en onkruid.

Bij het bespuiten van gewassen met gewasbeschermingsmiddelen ontstaat er spuitnevel, ook wel drift genoemd. Afhankelijk van de spuitmethode en de windkracht kunnen de gewasbeschermingsmiddelen zich ook verspreiden over de omgeving. Zo kan de spuitnevel neerslaan op woningen en tuinen van omwonenden van een agrarisch bedrijf, waardoor zij ook in bepaalde mate in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen. Of de nevel kan bijvoorbeeld in de sloot waaien tijdens het spuiten, waardoor oppervlaktewater vervuild raakt. Hiervan kunnen mensen, planten en dieren schadelijke effecten ondervinden. Onderstaande afbeelding geeft dit weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0226.BP22058-VS01_0004.png"

MANIER WAAROP GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN BIJ OMWONENDEN TERECHT KUNNEN KOMEN

De regels over de toelating van gewasbeschermingsmiddelen staan in Verordening (EG) 1107/2009. In deze Verordening staat onder andere dat lidstaten op basis van het voorzorgsbeginsel maatregelen kunnen treffen als er onzekerheid bestaat over de risico's voor mens, dier of milieu (artikel 1, lid 4, Verordening (EG) 1107/2009). De regels uit de Europese verordeningen EG 1107/2009 en EG 528/2012 zijn omgezet in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb). De Wgb bevat regels over de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en gebruiksvoorschriften.

In de Wgb is geen grondslag opgenomen voor gemeenten om regels te stellen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. De grondslag voor het stellen van regels over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door gemeente volgt uit de Omgevingswet. Daarbij is van belang dat de Omgevingswet niet van toepassing is op onderwerpen met betrekking tot de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan die bij of krachtens een andere wet uitputtend zijn geregeld. De Wgb is niet uitputtend bedoeld. Dit blijkt onder meer uit het feit dat het Rijk regels heeft gesteld over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in het Besluit activiteiten leefomgeving.

De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor deze fysieke leefomgeving. Daaronder worden ook de gevolgen voor de mens begrepen (art.1.2, lid 1, Omgevingswet). Een van de maatschappelijke doelen van de wet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit (art. 1.3 aanhef en onder a, van de Omgevingswet). In het omgevingsplan kunnen met het oog op deze doelen regels worden gesteld over activiteiten die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving (art. 4.1, Omgevingswet). Het omgevingsplan moet in ieder geval de regels bevatten die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, ETFAL (art. 4.2, Ow).

Vanwege het belang van een ETFAL moet het omgevingsplan voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In dat kader moet een afweging worden gemaakt tussen het zoveel mogelijk beperken van de risico's voor de gezondheid van omwonenden en het voorkomen dat het betreffende agrarische bedrijf dusdanig wordt beperkt in zijn bedrijfsvoering. Daarbij moet bovendien rekening worden gehouden met de beginselen van milieubeleid (artikel 2.4, Ow), waaronder het voorzorgsbeginsel. Dit beginsel houdt in dat, als er aanwijzingen zijn dat een activiteit ernstige of onomkeerbare schade aan de gezondheid of het milieu kan veroorzaken, het bevoegd gezag maatregelen moet treffen.

Gemeenten hebben bovendien een taak bij het beschermen van kwetsbare groepen tegen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. De Richtlijn duurzaam gebruik pesticiden (2009/128/EG) verplicht landen om kwetsbare groepen te beschermen tegen schade door chemische gewasbeschermingsmiddelen (art. 12 lid 1, onder a). Kwetsbare groepen zijn: zwangere vrouwen, vrouwen die borstvoeding geven, ongeboren kinderen, zuigelingen, kinderen en ouderen, alsmede werknemers en bewoners die gedurende langere tijd blootstaan aan hoge doses pesticiden (art. 3, punt 14 van Verordening (EG) 1107/2009). De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van deze bepaling heeft het Rijk bij gemeenten gelegd. Volgens het Rijk kunnen gemeenten, aanvullend op de risicobeoordeling van middelen, "in nieuw op te stellen bestemmingsplannen [Wet ruimtelijke ordening, red.] regels opstellen die bijdragen aan het verminderen van het risico op blootstelling' (Bron: Geactualiseerd Nederlands actieplan duurzaam gebruik gewasbeschermingsmiddelen 2022 t/m 2025, p. 19.).

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in diverse uitspraken geoordeeld dat bij het toelaten van gevoelige functies, zoals woningen inclusief tuinen, nabij agrarische percelen rekening moet worden gehouden met de risico's van gewasbeschermingsmiddelen. De uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 22 juli 2025 (ECLI:NL:GHSHE:2025:2043) is voor gemeenten in het bijzonder van belang. Het Hof gaat hier uitgebreid in op de hiaten in de risicobeoordeling en de link met de ziekte van Parkinson en ontwikkelingsstoornissen bij kinderen:

"Er is in dit geval namelijk sprake van een situatie waarin gedurende de toelatingsprocedure voor de te gebruiken gewasbeschermingsmiddelen geen onderzoek is verricht naar risico's op neurodegeneratieve ziektes die op latere leeftijd optreden, zoals de ziekte van Parkinson en risico's op ontwikkelingsstoornissen voor jonge en ongeboren kinderen. De te gebruiken middelen leveren echter wel een potentieel gevaar op voor het ontstaan van deze aandoeningen''

Verder concludeert het Hof dat artikel 12(a) van de Richtlijn duurzaam gebruik pesticiden, die vraagt om bescherming van kwetsbare groepen tegen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen, in Nederland niet volledig is geïmplementeerd (overweging 3.43). De uitvoering van artikel 12(a) van deze richtlijn is een taak is die door het Rijk bij gemeenten is gelegd (Geactualiseerd Nederlands actieplan duurzaam gebruik gewasbeschermingsmiddelen 2022 t/m 2025, p. 19.)

Er gelden op dit moment nog geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden. Uit jurisprudentie blijkt echter dat de Raad van State een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische percelen waar (chemische) gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt, als uitgangspunt hanteert. Dat komt er op neer dat -wanneer deze richtafstand in acht wordt genomen -dit in ieder geval voldoende is om (voor wat betreft dit aspect) te spreken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

2.3 Toekomstige situatie

2.3.1 Algemeen

Het beoogde doel van deze TAM-omgevingsplanwijziging is om een nadere invulling te geven aan artikel 11.4 in het geldende bestemmingsplan ''De Ploen-Noord, Duiven'' uit 2025, om zo de woningen ter plaatse van 'De Ploen-Noord' te kunnen vergunnen en bouwen en daarnaast een gezonde leefomgeving te waarborgen.

Voor wat betreft de wijzigingen ten opzichte van de bestemming 'Agrarisch' uit het bestemmingsplan ''Duiven-Noord'', is met een voorrangsregel bepaald dat de nieuwe regels -op de aangewezen gronden in dit besluitgebied - vóór gaan op dit onderliggende bestemmingplan. De bestemming 'Agrarisch' blijft voor het overige, als onderdeel van het omgevingsplan van rechtswege, gewoon gelden. Voorts komt het erop neer dat het gebruik voor chemische gewasbeschermingsmiddelen binnen de aangewezen zone in de agrarische bestemming niet meer mogelijk is.

2.3.2 Planregeling ten aanzien van het onderwerp 'spuitzonering'

In het vastgestelde bestemmingsplan ''De Ploen-Noord, Duiven'' is de woonbestemming direct grenzend aan of op korte afstand van de agrarische bestemming opgenomen. Om toch aan de afstand van 50 meter te voldoen -het uitgangspunt uit de jurisprudentie -is in het bestemmingsplan een inwaartse 50 m-zone ingetekend: vanaf de agrarische bestemming het plangebied in. Deze zone heeft de aanduiding 'overige zone - spuitzone'. In deze inwaartse zone kan pas toepassing worden gegeven aan de gebruiks- en bouwmogelijkheden als op basis van een planologisch besluit het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen op agrarische percelen in een zone van 50 meter rond de gevoelige functies is uitgesloten.

In de voorliggende TAM-omgevingsplanwijziging wordt de 50 m-zone uitwaarts c.q. 'aan de andere kant' vastgelegd, namelijk ter plaatse van de agrarische gronden. In deze uitwaartse zone wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij het telen van gewassen in de openlucht uitgesloten. Het verbod is niet van toepassing op Skal-gecertificeerde teelten, tenzij daarbij paraffineolien worden gebruikt. Hiermee worden de gebruiksmogelijkheden van de agrarische bestemming (op basis van het bestemmingsplan ''Duiven-Noord'') in het betreffende werkingsgebied beperkt. Zo kan alsnog toepassing worden gegeven aan de gebruiks- en bouwmogelijkheden aan de 50 m-zone aan de binnenzijde van 'De Ploen-Noord' (inwaartse zone).

Bij dit verbod is het in het gemeentelijke omgevingsplan in artikelen 23.1 en 23.3 opgenomen overgangsrecht, dat bepaalt dat legaal gebruik op grond van het voorgaande planologisch regime mag worden voortgezet, expliciet uitgesloten. Het is immers de bedoeling dat de mogelijkheden voor het gebruiken van chemische gewasbeschermingsmiddelen direct na vaststelling van deze TAM-omgevingsplanwijziging worden weggenomen, zodat de woningbouwontwikkeling op een gezonde wijze kan plaatsvinden.

Het rapport "Nadeelcompensatierisicoanalyse Spuitzonering De Ploen-Noord (gemeente Duiven)" van Aelmans (2025) geeft de inhoudelijke motivering voor het intekenen van de uitwaartse 50 m-zone c.q. spuitvrije zone, en gaat daarbij ook in op de resterende gebruiksmogelijkheden van de betreffende agrarische percelen. Hierop wordt in paragraaf 3.2 verder ingegaan, het volledige rapport is terug te vinden in bijlage 1 bij deze motivering.

Hoofdstuk 3 Thema's fysieke leefomgeving

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect.

Bij een plan moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met aspecten uit de omgeving die een negatieve invloed kunnen hebben op het plangebied. Dit geldt omgekeerd ook voor de uitwerking die het project heeft op zijn omgeving. De beoogde planontwikkeling heeft echter enkel betrekking op het planologisch – juridisch vastleggen van een spuitvrije zone. Bij deze planologische procedure spelen de gebruikelijke milieuaspecten bodem, geluid, geur, milieuzonering, luchtkwaliteit en externe veiligheid geen rol. Vandaar dat enkel wordt ingegaan op de aspecten gezondheid en spuitzones.

3.2 Spuitzonering

3.2.1 Huidige gebruiksmogelijkheden gewasbeschermingsmiddelen

Bij een ruimtelijke ontwikkeling van nieuwe gevoelige functies - in dit geval woningen - nabij landbouwgronden, is het van belang om te weten wat de maximale gebruiksmogelijkheden van de agrarische percelen zijn op basis van het omgevingsplan. Op basis van de bestemming 'Agrarisch' in het bestemmingsplan ''Duiven-Noord'' zijn er geen belemmeringen om op de agrarische percelen gewassen te telen in de openlucht en daarbij gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. lmmers, binnen de bestemming 'Agrarisch' is het gebruik van gronden voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf rechtstreeks toegestaan. Er zijn daarbij geen specifieke gebruiks- of verbodsbepalingen opgenomen inzake het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de maximaal planologische mogelijkheden op de relevante percelen, op basis van het bestemmingsplan ''Duiven-Noord''.

Perceel   m²   Spuitvrije zone (m²) en aandeel (%)   Bestemming   Gebuik gewaspercelen o.b.v. Boer en Bunder  
F 607   170.920 m²   13.277 m² (8%)   agrarisch   2020: Tarwe
2021: Maïs
2022: Tarwe
2023: Maïs
2024: Gerst
2025: Maïs  
A 2010   17.125 m²   4.597 m² (27%)   agrarisch   2020-2021: Graszaad
2022: Maïs
2023: Gerst
2024: Maïs
2025: Tarwe  
A 2746   3.772 m²   1.476 m² (39%)   agrarisch   geen gewassen, particulier eigendom  
A 2747   3.775 m²   1.988 m² (53%)   agrarisch   geen gewassen, particulier eigendom  
A 2748   3.772 m²   3.368 (89%)   agrarisch   geen gewassen, particulier eigendom  

3.2.2 Andere beperkende omstandigheden

Op basis van de regels in paragraaf 4.64 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) gelden wel al beperkende regels voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ten aanzien van oppervlaktewaterlichamen. Het oogmerk hierbij is het voorkómen of beperken van verontreinigen van een oppervlaktewaterlichaam en het beschermend van de gezondheid. De regels uit het Bal hebben een rechtstreekse werking. Met andere woorden: hier moet sowieso (door de teler) aan worden voldaan. Wanneer gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast bij de teelt van gewassen, moet door de teler langs het oppervlaktewater al een teeltvrije/spuitvrije zone worden aangehouden. Deze zone varieert van 50 cm tot 5 meter en is afhankelijk van het type gewas en spuittechniek.

Verder is al een aantal bestaande woningen aanwezig in de nabijheid van de agrarische percelen, waardoor op basis van de zorgplicht al een bepaalde afstand aangehouden zou moeten worden. Deze zorgplicht is echter algemeen geformuleerd en er is geen generieke of landelijke regelgeving die die afstand verder inkleedt.

3.2.3 Impact van de beperkingen in het algemeen

In rapport 'Het perspectief van biologische landbouw' wordt ten aanzien van de gewasopbrengsten bij biologisch akkerbouw opgemerkt dat het niet kunnen gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen, naast dat het gebruik van kunstmest is uitgesloten, de grootste invloed heeft op de verminderde opbrengst van de oogst. Het rapport meldt dat voor de biologische granen en aardappelen er een opbrengstverschil is van -20 tot -40% bij biologische landbouw (ten opzichte van de conventionele landbouw).

Dit betekent dat het opleggen van een 'spuitvrije zone' op de agrarische gronden een substantiële impact heeft op de bedrijfsmogelijkheden van de agrariër.

3.2.4 Impact per perceel
3.2.4.1 Perceel A 2748

Dit perceel is in eigendom bij een particulier grondeigenaar, wonende in de directe omgeving van het betreffende perceel. Het perceel heeft een grootte van 00.37.72 ha. De (nieuw) te vestigen spuitvrije zone beslaat circa 3.368 m², zijnde circa 89% van dit perceel, waarop geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt zouden mogen worden. Op basis van de bij opname ter plaatse geconstateerde gebruikssituatie en inrichting van het perceel wordt geconcludeerd dat het perceel niet agrarisch geëxploiteerd wordt en dat er sprake is van een hobbymatig gebruik (paardenweide) of althans dat geen sprake is van een zodanig gebruik dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aan de orde is/noodzakelijk is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0226.BP22058-VS01_0005.png"

Hoewel het voorgaande niet per definitie de conclusie rechtvaardigt dat het niet mogen gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen geen nadelen met zich meebrengt is ondergetekende van mening dat het gebruik niet zodanig wordt beperkt dat dit een negatieve invloed heeft op de waarde c.q. de exploitatiemogelijkheden. Hiervoor kan aansluiting worden gezocht bij de jurisprudentie:

afbeelding "i_NL.IMRO.0226.BP22058-VS01_0006.png"


Daarbij komt voorts nog dat de ligging van deze grond: direct grenzend aan de bestaande bebouwing van de eerdere uitbreiding van Duiven en ten zuiden van de nog nieuw te realiseren uitbreiding van De Ploen – Noord maakt dat de hoogste waarde van dit perceel niet wordt bepaald door markt voor puur agrarische gronden maar dat waarde passend bij Highest and Best Use (HABU) van het perceel wordt bepaald door een toekomstige aanwending als woningbouwgrond c.a., welke niet beïnvloed wordt door de vraag of er wel of geen gewasbeschermingsmiddelen op het perceel worden ingezet.

Dat er sinds jaar en dag een ontwikkeling in het verschiet wordt gezien, zoals bevestigd in de hiervoor genoemde omgevingsvisie blijkt eens te meer uit het feit dat al in 2003 ter zake van dit perceel een koop- voor overeenkomst tot koop is ingeschreven in het kadaster.

3.2.4.2 Perceel A 2747

Ten aanzien van dit perceel gelden exact dezelfde overwegingen als ten aanzien van voorgaand perceel. Het perceel heeft een grootte van 00.37.75 ha. De (nieuw) te vestigen spuitvrije zone beslaat circa 1.988 m², zijnde circa 53% van dit perceel, waarop geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt zouden mogen worden. Het perceel wordt niet agrarisch geëxploiteerd, er is sprake is van een hobbymatig gebruik, of althans niet van een zodanig gebruik dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aan de orde is. Voorts is ook dit perceel 'warm' gelegen waardoor de voor de bepaling van waarde niet aan de agrarisch grondmarkt maar aan de markt voor ruwe bouwgronden dient te worden gerefereerd, welke geen effecten ondervindt van het niet kunnen gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0226.BP22058-VS01_0007.png"

3.2.4.3 Perceel A 2746

Zie voorgaande percelen. Het perceel heeft een grootte van 00.37.75 ha. De (nieuw) te vestigen spuitvrije zone beslaat circa 1.476 m², zijnde circa 39% van dit perceel, waarop geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt zouden mogen worden. Het perceel wordt eveneens niet agrarisch geëxploiteerd, er sprake is van een hobbymatig gebruik, of althans niet van een zodanig gebruik dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aan de orde is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0226.BP22058-VS01_0008.png"

3.2.4.4 Perceel A 2010 en Perceel F 607

Deze percelen zijn in eigendom van 3 particuliere personen die de grond naar alle waarschijnlijkheid op regulier basis verpachten aan de eigenaar/exploitant van het aanliggende agrarische bedrijf aan de Hogeweg. Betreffende pachter wordt immers al genoemd in een 2003 gesloten overeenkomst waarbij de betreffende gronden t.b.v. woningbouwontwikkeling tegen een nader te bepalen prijs (afhankelijk van het aantal woningen) zijn verkocht aan een (naar het zich laat aanzien) ontwikkelaar.

A 2010

afbeelding "i_NL.IMRO.0226.BP22058-VS01_0009.png"

De betreffende grond is de in afgelopen jaren benut voor de in onderstaande afbeelding weergegeven teelten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0226.BP22058-VS01_0010.png"

A 607

afbeelding "i_NL.IMRO.0226.BP22058-VS01_0011.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0226.BP22058-VS01_0012.png"

Het perceel A 2010 heeft een grootte van 01.71.25 ha. De (nieuw) te vestigen spuitvrije zone beslaat circa 4.597 m², zijnde circa 27% van dit perceel, waarop geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt zouden mogen worden. Vanwege de vorm, de ligging ten zuiden van een sloot en het feit dat een substantieel deel (27%) van het perceel geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt, is de vraag gerechtvaardigd of het nog efficiënt is om op dit perceel twee verschillende teelten toe te passen. Eén teelt waarbij wel gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kunnen worden en een andere teelt waarbij dat niet nodig is.


Feitelijke uitkomst zal naar verwachting zijn dat de gehele oppervlakte van perceel A 2010 niet meer geschikt is voor een reguliere/conventionele agrarische exploitatie en dat eventuele verminderde gewasopbrengsten voor het gehele perceel van toepassing zullen zijn en doorwerken in de agrarische waarde.


Voor perceel A 607 ligt dit anders. Dit perceel heeft een grootte van 17.09.20 ha. De (nieuw) te vestigen spuitvrije zone beslaat circa 13.277 m², zijnde circa 8% van dit perceel, waarop geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt zouden mogen worden. In principe zou het voor dit perceel gezien de omvang en vorm praktisch gezien mogelijk moeten zijn e.e.a zo in te richten dat twee verschillende teelten toegepast kunnen worden.


Voor beide percelen komt echter ook de vraag op of de agrarische waarde voor dit perceel de waarde is die hieraan dient te worden toegekend indien wordt uitgegaan van het Highest And Best Use (HABU) principe. Immers de ligging van deze grond: direct grenzend aan de bestaande bebouwing van de eerdere uitbreidingen van Duiven maakt dat de hoogste waarde van dit perceel niet wordt bepaald door markt voor puur agrarische gronden maar dat waarde passend bij de Highest and Best Use (HABU) van het perceel wordt bepaald door een toekomstige aanwending als woningbouwgrond. Deze waarde wordt niet beïnvloed wordt door de vraag of er wel of geen gewasbeschermingsmiddelen op het perceel kunnen worden ingezet. Dat er sinds jaar en dag een ontwikkeling in het verschiet wordt gezien. Dit wordt bevestigd in de hiervoor genoemde omgevingsvisie en blijkt eens te meer uit het feit dat al in 2003 ter zake van deze percelen een zogenaamde 'koop- voorovereenkomst tot koop zie Wet voorkeursrecht gemeenten' is ingeschreven in het kadaster, waaruit blijkt dat eigenaren de grond zoals hiervoor al aangegeven aan een 'ontwikkelaar' hebben verkocht.


Inkomensschade

Het voorgaande betekent echter niet per definitie dat er gedurende de jaren dat er geen sprake is van een ontwikkeling, geen inkomensschade voor bijvoorbeeld de pachter aan de orde kan zijn.


Hoewel de jurisprudentie hier niet heel eenduidig over is, is er in deze - vanuit de 'worst-case' gedachte - vanuit gegaan dat de pachter (gezien het regulier/langlopende karakter) aanspraak zou kunnen maken op nadeelcompensatie (voor huurder van woningen is dit bijvoorbeeld niet het geval).


Om tot een benadering te komen van de impact die het niet gebruiken van gewasbestrijdingsmiddelen heeft op de teeltopbrengsten is onder meer relevant het rapport 'Het perspectief van biologische landbouw'. Hierin wordt onder meer ingegaan op het aspect bestrijdingsmiddelen en wel als volgt:

''Om ziekten en plagen tegen te gaan maakt de biologische akkerbouw in eerste instantie gebruik van een ruime vruchtwisseling en mechanische teeltmaatregelen (schoffelen, wieden). Voor onkruidbestrijding mogen geen chemisch-synthetische bestrijdingsmiddelen worden ingezet''

Biologisch telen van gewassen gaat verder dan het uitsluiten van chemisch-synthetische gewasbeschermingsmiddelen. Zo wordt bijvoorbeeld ook het gebruik van kunstmest uitgesloten. Het niet mogen spuiten met chemische gewasbeschermingsmiddelen heeft een grotere negatieve invloed op de gewasopbrengst dan het niet mogen gebruiken van kunstmest. In voornoemd rapport wordt ten aanzien van de gewasopbrengsten bij biologisch akkerbouw opgemerkt dat bijvoorbeeld voor de biologische granen en aardappelen er een opbrengst verschil is van 20 tot 40%. Zoals hiervoor aangegeven is het grootste aandeel daarvan toe te schrijven aan het niet kunnen gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen. Zie onderstaande tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0226.BP22058-VS01_0013.png"

Dit gelet op voorgaande informatie ten aanzien van de verminderde opbrengsten (worst-case 25 tot 30% voor tarwe). Bij een saldo per ha van circa € 1.300 levert een vermindering van de opbrengst met 27% een daling op naar € 949,- per ha. Dit betekent een inkomensschade van € 300,- tot € 400,- per ha per jaar. Uitgaande van het totale oppervlakte van A 2010 ((1.71.25 ha) en de belaste zone op A 607 (1.32.77 ha) komt dit neer op een inkomensschade van maximaal 3.04.02 ha x € 400,- = € 1.216,08.


De vraag die vervolgens opkomt is of dit bedrag het normaal maatschappelijk risico overschrijdt. Voor vermogensschade wordt zoals eerder aangegeven een NMR van 3% reëel geacht, voor inkomensschade zijn er echter geen vaste percentage aan de orde. In de rechtspraktijk worden percentages van 8 tot 13% van het bedrijfsresultaat als redelijk gangbaar bestempeld.


Indien we het hiervoor aangehouden saldo van € 1.300,- per ha als uitgangspunt nemen over de circa 18,8 ha die de betreffende pachter ter plaatse in exploitatie heeft dan zou dit op jaarbasis een resultaat opleveren van € 24.440,-. Dit leidt tot de conclusie dat de verminderde opbrengstpotentie van circa € 1.216,- op jaarbasis circa. 5% van het totaal bedraagt, hetgeen ruim binnen de marges is van wat gangbaar is om als NMR te hanteren.

Hoofdstuk 4 Beleidskader ten aanzien van het onderwerp 'spuitzonering'

4.1 Europese wetgeving

4.1.1 Europese verordening voor bestrijdingsmiddelen & Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

In de Europese verordening voor bestrijdingsmiddelen worden regels gesteld voor de toelating en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de Europese Unie. De Europese verordening voor bestrijdingsmiddelen werkt rechtstreeks door in het Nederlandse rechtsstelsel. In aanvulling op de verordening zijn in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) regels gesteld over de toelating en gebruiksvoorschriften van bestrijdingsmiddelen in Nederland. In de wet is de rol van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) vastgesteld. Het Ctgb beoordeelt volgens internationale afspraken en wetgeving of gewasbeschermingsmiddelen en biociden veilig zijn, en neemt namens Nederland deel aan de Europese beoordeling van de werkzame stoffen. Op basis van de beoordeling besluit het Ctgb of het middel in Nederland verkocht mag worden of niet. Bestrijdingsmiddelen worden dus pas toegelaten na een risicobeoordeling op zowel Europees als nationaal niveau. De Wgb stelt eisen aan de toelating en onder welke voorwaarden het middel mag worden gebruikt. Dit doet echter niets af aan het feit dat in een omgevingsplan aanvullende ruimtelijke beperkingen moeten worden gesteld om hinder en gezondheidsrisico's te beperken.

Hiaten in risicobeoordeling

Ondanks dat er per bestrijdingsmiddel een risicobeoordeling wordt uitgevoerd, wordt er in toenemende mate door de wetenschap gewaarschuwd over gezondheidsschade als gevolg van deze middelen. Dit komt onder andere doordat de risicobeoordeling een aantal grote hiaten bevat. Zo worden bestrijdingsmiddelen in de meeste gevallen niet beoordeeld op neurotoxiciteit en neurodegeneratieve gevolgen. Het Ctgb erkent dit hiaat. Daarnaast wordt in de toelatingsbeoordeling alleen gekeken naar individuele stoffen en niet naar combinaties van bestrijdingsmiddelen (zogenaamde cocktails). Het is mogelijk dat cocktails van bestrijdingsmiddelen veel giftiger zijn dan de individuele stoffen. Ook worden niet alle blootstellingsroutes meegenomen in de risicobeoordeling, bijvoorbeeld blootstelling via huisstof.

Analyse

Het opnemen van een spuitvrije zone van 50 meter vanaf de plangrens van het bestemmingsplan ''Ploen-Noord, Duiven'' wordt in de jurisprudentie als 'aanvaardbaar' aangemerkt.

 

Conclusie

Het opnemen van de beoogde spuitzone is in lijn met de Europese verordening en de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

4.2 Rijksbeleid en instructieregels

4.2.1 Nationale Omgevingsvisie

het kader van de Omgevingswet heeft de rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. In de NOVI wordt een toekomstbeeld geschetst van een Nederland:

  • dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water;
  • met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap;
  • waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland;
  • met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast;
  • waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten;
  • dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren;
  • waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water;
  • dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.

Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. In totaal zijn er 21 nationale belangen geformuleerd. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeemverantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voorbeelden hiervan zijn het:

  • bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving;
  • waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving;
  • zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte;
  • waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem;
  • zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten;
  • waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit);
  • waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoet water;
  • verbeteren en beschermen van biodiversiteit;
  • behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.

Analyse

Met het opnemen van de beoogde spuitzone van 50 meter zijn met name de algemene belangen, zoals het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, van belang. Verder geldt dat sprake is van een lokale aangelegenheid, waarbij geen specifieke nationale belangen, zoals genoemd in de NOVI, in het geding zijn.

Conclusie

Het opnemen van de beoogde spuitzone is in lijn met de algemene beleidskaders zoals opgenomen in de NOVI.

4.2.2 Instructieregels Rijk (AMvB's)

De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's):

  • 1. het Omgevingsbesluit (Ob);
  • 2. het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
  • 3. het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
  • 4. het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Voor de volgende onderwerpen gelden er rijksinstructieregels:

  • Waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl);
  • Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl);
  • Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl);
  • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl);
  • Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (§ 5.1.6 Bkl);
  • Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (§ 5.1.7 Bkl);
  • Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (§ 5.1.8 Bkl).

Analyse

Ten aanzien van het opnemen van de beoogde spuitzone van 50 meter wordt in deze motivering slechts getoetst aan de volgende instructieregel uit het Bkl:

''Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl)''

Dit wordt nader toegelicht in hoofdstuk 3. Hieruit volgt dat voldaan wordt aan de instructieregels opgenomen in het Bkl.

Conclusie

Het plan geeft invulling aan de instructieregels zoals opgenomen in het Bkl.

4.3 Provinciaal en regionaal beleid

4.3.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Provinciale Staten hebben op woensdag 19 december 2018 ingestemd met de nieuwe 'Omgevingsvisie Gaaf Gelderland'. De kern van deze Omgevingsvisie is dat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland voorop staat. Om dit te behouden en te bereiken worden in de omgevingsvisie drie uitgangspunten centraal gesteld: een Duurzaam, Economisch krachtig en een Verbonden Gelderland.

Duurzaam

Gelderland beschikt over talrijke initiatieven en kansrijke aanknopingspunten op het terrein van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit. Gelderland maakt ruimte voor forse schaalsprongen ten behoeve van een duurzame omgeving, samenleving en economie.

Daarbij wil de provincie het volgende bereiken:

  • Energietransitie: In 2050 is Gelderland energieneutraal. Dat wil de provincie bereiken door grootschalig besparen, opwekken uit duurzame energiebronnen en innoveren. Als tussendoel wordt ingezet op 49% CO2 reductie in 2030.
  • Klimaatadaptatie: In 2050 is Gelderland ingericht op het veranderde klimaat.
  • Circulaire economie: In 2050 is Gelderland een afvalloze provincie. Met als tussenstap 50% reductie van het gebruik van grondstoffen in 2030. Afval bestaat niet meer; er zijn alleen nog grondstoffen die blijvend hun waarde behouden.
  • Biodiversiteit: Vanaf 2019 denkt en werkt Gelderland natuur-inclusief. Biodiversiteit gaat verder dan de bekende natuurgebieden. Ook daarbuiten, in woonwijken, op werklocaties en bij infrastructuur wordt van biodiversiteit een kernkwaliteit gemaakt.

Een krachtige economie

De 'oude' economie van ongelimiteerde groei verandert in een economie die in balans is met haar sociale, ecologische en ruimtelijke omgeving. Nieuwe verdienmodellen en nieuwe technologieën doen hun intrede. De maakindustrie beleeft in Nederland een her- en opwaardering. Vestigingsklimaat, arbeidsmarkt, vakmanschap en kennisinfrastructuur worden steeds belangrijker.

De woningmarkt in Nederland kampt enerzijds met schaarste en anderzijds met krimp. Daarnaast is er een grote opgave om bestaande bouw te verduurzamen. Gelderland heeft sterke troeven voor een internationaal onderscheidende en uiterst potentiële positie – clustering van economische activiteit, maakindustrie, logistieke kracht, sociaal ondernemen, natuur, kennis en onderwijs, ruimte, cultuur en sport en een strategische ligging.

Op woongebied heeft Gelderland eveneens een uitzonderlijke positie. Door zowel te investeren in een bruisende en levendige stad als in een vitaal platteland ontstaat een symbiose waarbij beide elkaar versterken. Hierdoor gaat van Gelderland aantrekkingskracht uit. De Gelderse economie is krachtig. Deze situatie is niet vanzelfsprekend. Duurzame werkgelegenheid en bedrijvigheid zijn cruciaal voor de economische kracht van de Gelderse regio's. Daarnaast vraagt een goed vestigingsklimaat om hoogwaardige culturele voorzieningen. Daarbij wil de provincie het volgende bereiken:

  • Het uitnutten van de strategische ligging van Gelderland. De Gelderse economie kan zich verder ontwikkelen binnen de natuur- en landschapswaarden en deze dragen duurzaam bij.
  • Het positioneren van Gelderland als hét vestigingsgebied voor de nieuwe generatie ondernemers. Ondernemers die duurzaam ondernemen in balans met de sociale, ecologische en ruimtelijke omgeving hoog in het vaandel hebben;
  • Een sociaal evenwichtig vestigingsklimaat in Gelderland. Het versterken van de positie van Gelderland op het gebied van food, health en energy en andere topsectoren en stimuleren kleinschalig ondernemerschap en innovatie, ook met oog voor ontwikkeling van lokale arbeidsmarkten.
  • Het verduurzamen van de bestaande gebouwde woonomgeving. Dit is noodzakelijk om steden toekomstbestendig en economisch aantrekkelijk te maken. De provincie zoekt actief naar interessante transformaties, zoals de functiemenging op bedrijventerreinen en het omzetten van kantoren naar woningen.

Blijvend verbonden

Het is van belang dat mensen andere mensen kunnen ontmoeten. Dat geldt voor mensen in steden, wijken en voor het platteland. Of het nu gaat om werk of sociale contacten, de samenleving moet voor flexibele netwerken zorgen die voor iedereen open staan en beschikbaar zijn. Naast traditionele voorzieningen als auto en OV doen nieuwe spelers en technologieën op het gebied van verbindingen en netwerken hun intrede, zoals smart mobility, zelfrijdende auto's en deelauto's. Ook het belang van snelle en betrouwbare data-uitwisseling neemt toe en is hier onderdeel van. De ontwikkelingen volgen elkaar snel op en zijn soms onstuimig. Het is van belang dat de relatief goede bereikbaarheid een toekomstvaste waarde voor Gelderland is. Systemen moeten meebewegen met nieuwe ontwikkelingen en deze ook faciliteren. Mobiliteit moet verder verduurzaamd worden.

Daarbij wil de provincie het volgende bereiken:

  • Een optimale bereikbaarheid van Gelderland door onderlinge aansluiting van vervoersmogelijkheden en verplaatsingen te faciliteren. In 2050 dient de mobiliteit in Gelderland volledig duurzaam te zijn in termen van energie, klimaat, circulair en biodiversiteit.
  • Het creëren van slimme en duurzame oplossingen voor het verbinden van mensen, goederen en data. Daaronder wordt ook begrepen het beter benutten van bestaande infrastructuur en gedragsverandering. De opties tussen weg, rail en water worden zorgvuldig en duurzaam afgewogen.
  • Het stimuleren en faciliteren van nieuwe vormen van vervoer en verplaatsing. Dit kan bijvoorbeeld door autonoom rijden.

Analyse
In het voorliggend plan wordt enkel een spuitvrije zone van 50 meter opgenomen. Het toevoegen van de gebiedsaanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' zorgt voor een verbetering van het woon- en leefklimaat van het omliggende gebied en draagt bij aan de 'grote' provinciale hoofdopgaven om een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te creëren.

Conclusie

Het opnemen van de beoogde spuitzone is in lijn met de algemene beleidskaders zoals opgenomen in de 'Omgevingsvisie Gaaf Gelderland'.

4.3.2 Omgevingsverordening Gelderland

De regels in de Omgevingsverordening (geconsolideerd 1 februari 2022) vormen het sluitstuk op de Omgevingsvisie. De provincie zet de Omgevingsverordening als juridisch instrument in om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen op die onderdelen waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen te waarborgen of om te voldoen aan wettelijke verplichtingen. De regels uit de verordening zijn kaderstellend voor gemeenten bij het opstellen van bestemmingsplannen. Daarnaast worden de gebieden waarbinnen bepaalde regels gelden in de Omgevingsverordening concreet begrensd. De verordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland.

Analyse

Ter plaatse van het plangebied gelden de volgende gebiedsaanwijzigingen:

  • aandachtgebied windturbines rondom Veluwe;
  • Gelderse streek Liemers;
  • glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied;
  • werkgebied van de faunabeheereenheid Gelderland

In het voorliggend plan wordt een spuitvrije zone van 50 meter opgenomen. Het toevoegen van de gebiedsaanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' is niet relevant voor de geldende gebiedsaanwijzingen ter plaatse van het plangebied.

Conclusie

Het opnemen van de beoogde spuitzone is in lijn met de algemene beleidskaders zoals vastgelegd in de 'Omgevingsverordening Gelderland'.

4.4 Gemeentelijk beleid

4.4.1 Omgevingsvisie Duiven

Op 15 februari 2022 heeft de gemeenteraad de 'Omgevingsvisie Duiven' vastgesteld. Deze visie vervangt de 'Structuurvisie Duiven 2015'. In de omgevingsvisie staat dat de gemeente streeft naar het behouden en versterken van een gezonde, veilige, vitale, duurzame, leefbare en aantrekkelijke leefomgeving voor nu én voor de toekomst. Om dit te bereiken heeft de gemeente de omgevingsvisie opgesteld als stip op de horizon voor de fysieke leefomgeving van Duiven, Groessen en Loo in 2040.

Duiven is een gemeente met een dorps karakter en een goed ontwikkelde sociale samenhang, waar ruimte is voor fijn wonen en prettig werken in een dynamische regio. Duurzaamheid, een landschappelijk, agrarisch en groen karakter en veel ruimte voor natuur en milieu maken Duiven tot een unieke gemeente. Er is ruimte voor recreatie én voor circulair ondernemen vanwege de ligging langs een netwerk van spoor-, water- en wegverbindingen.

Analyse

In de omgevingsvisie wordt aandacht geschonken aan de lokale woonvraag en bovenlokale vraag uit de regionale woningmarkt Arnhem, waar Duiven onderdeel van uitmaakt, die leidt tot de vraag naar nieuwe woonlocaties, ook in Duiven.

In de eerste plaats streeft de gemeente naar inbreiding. Gelet op de grote behoefte aan woningen is inzetten op alleen inbreidingslocaties niet voldoende. Naast het benutten van de inbreidingslocaties vindt de gemeente het daarom noodzakelijk om op korte termijn woningen op uitbreidingslocaties te bouwen. Op 1 juni 2021 zijn daarom de locaties 'Plakse Weide' en 'Ploen-Noord' door de gemeenteraad aangewezen als uitbreidingslocaties voor woningbouw op de korte termijn. De 'Ploen-Noord' is op de 'basiskaart wonen' uit de omgevingsvisie dan ook opgenomen als 'uitbreidingslocatie woningbouw'. Het plan past zodoende binnen de ambities en uitgangspunten uit de omgevingsvisie.

In het voorliggend plan wordt een spuitvrije zone van 50 meter opgenomen. Het opnemen van een spuitvrije zone draagt bij aan de gezondheid van de inwoners en aan het verbeteren van het woon- en leefklimaat in de omgeving.

Conclusie

De beoogde ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals opgenomen in de 'Omgevingsvisie Duiven'.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De realisatie van maximaal 130 nieuwe woningen ter plaatse van de Ploen-Noord voorziet in een maatschappelijke behoefte, namelijk de vraag naar nieuwe woningen in Duiven en het creëren van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De beoogde woningbouwontwikkeling was in het vastgestelde bestemmingsplan al voorzien. De voorliggende TAM-omgevingsplanwijziging regelt:

  • in het 'aan de andere kant' regelen van de spuitvrije zone, waarbij er door het opleggen van de spuitvrije zone redelijkerwijs alleen nog maar teelten mogelijk zijn waar geen chemische gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Gezien de beperkte omvang van de percelen en de beperkte gevolgen voor de grondeigenaren van deze regeling, wordt dit als aanvaardbaar beoordeeld.

In hoofdstuk 6 van deze motivering wordt nader ingegaan op de belangenafweging die hierbij aan de orde is. Geconcludeerd kan worden dat sprake is van een aanvaardbare situatie.

5.2 Financiële uitvoerbaarheid

Het verhalen van kosten is aan de orde indien de wijziging van het omgevingsplan een nieuwe (gebieds-) ontwikkeling mogelijk maakt met daarin kostenverhaalplichtige activiteiten. Die activiteiten zijn aangegeven in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. In dat geval dient het kostenverhaal te worden verzekerd, ofwel via regels over kostenverhaal in het omgevingsplan, ofwel anderszins (bijvoorbeeld via een anterieure overeenkomst).

In het geval van de voorliggende TAM-omgevingsplanwijziging worden geen kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals bedoeld in artikel 8.13 Omgevingsbesluit mogelijk gemaakt. Het verhalen van kosten is dan ook niet aan de orde.

In het rapport van Aelmans, bijgevoegd als bijlage 1, zijn inschattingen gegeven van de eventuele bedragen inzake de inkomens-en/of vermogensschade. Dit betreft een absolute worst-case inschatting en dit zal in de praktijk nog nader onderzocht moeten worden als dat aan de orde komt, waarbij onder meer het normaal maatschappelijk risico meegenomen wordt. De kosten hiervan komen voor rekening en risico van de initiatiefnemer.

5.3 Participatie en overleg

Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van het wijzigen/afwijken van het omgevingsplan. Dit komt omdat een omgevingsplan niet alleen invloed heeft op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. In het kader van de ontwikkeling van de naastgelegen woningbouwlocatie 'De Ploen-Noord' is een uitgebreide omgevingsdialoog doorlopen. Ten behoeve van het realiseren van deze woonlocatie is een uitgebreide omgevingsdialoog doorlopen met onder meer alle direct omwonenden van het plangebied. Dit geldt daarmee ook voor alle perceeleigenaren op wiens percelen het voorliggende TAM-Omgevingsplan toeziet.

Om te voorkomen dat de nieuw te bouwen woningen niet worden beschermd door het ontbreken van een planologische regeling om eventueel nadelige effecten van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de naastgelegen woonwijk te voorkomen is in overleg met de gemeente Duiven gekozen de nieuw te bouwen woningen te beschermen middels een uitwaartse zone (door het opstellen van een daarop gericht plan). Deze wijziging heeft verder geen ruimtelijke of functionele gevolgen voor de directe omgeving. De perceeleigenaren zijn de belangrijkste belanghebbenden op dit specifieke onderdeel en zijn individueel geïnformeerd. Er is geen bredere algemene omgevingsdialoog georganiseerd.

5.4 Procedure

5.4.1 Vooraankondiging

Volgens artikel 16.29 van de Omgevingswet is op 5 november 2025 een vooraankondiging van het wijzigingen van het TAM-omgevingsplan gedaan.

5.4.2 Overlegpartners

Het ontwerp TAM-omgevingsplan is voorafgaand aan de officiële terinzagelegging voorgelegd aan de overlegpartners. Hieronder volgt een overzicht van de ingekomen reacties van de vooroverlegpartners.

Waterschap

Het voorgenomen TAM-IMRO plan heeft weinig tot nihil invloed op de wateraspecten waarvoor het waterschap aan de lat staat. Derhalve zijn er geen inhoudelijke opmerkingen op het ontwerp TAM-omgevingsplan.

Provincie

Vanuit onze omgevingsverordening hebben wij geen instructieregels (provinciaal belang), die hierop van toepassing zijn. Dit plan hoeft daarom ook niet aan ons als provincie voorgelegd te worden voor advies.

GGD

Het creëren van afstand tussen landbouwgrond en woningen leidt tot een lagere blootstelling van omwonenden aan bestrijdingsmiddelen. Gezondheidskundig is het wetenschappelijk vooralsnog niet mogelijk aan te geven wat een veilige afstand is. De GGD adviseert daarom in nieuwe situaties een zo groot mogelijk afstand aan te houden tussen landbouwgrond en kwetsbare bestemmingen zoals woningen. In jurisprudentie wordt veelal een minimale afstand van 50 meter aangehouden, al is deze niet gezondheidskundig onderbouwd.

VGGM

Vanuit de brandweer hebben wij geen inhoudelijk advies voor deze zaak.

5.4.3 Terinzagelegging ontwerp

Het college van B&W heeft op 16 december 2025 het besluit genomen het ontwerp TAM-omgevingsplan in procedure te brengen. Dit ontwerpbesluit is bijgevoegd als bijlage 2.

Het ontwerp-wijzigingsbesluit en de daarbij behorende stukken hebben gedurende een periode van zes weken (25 december 2025 tot en met 4 februari 2026) ter inzage gelegen (artikel 3:11, Awb). Binnen deze termijn heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijze in te brengen (zowel schriftelijk als mondeling). In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

5.4.4 Vaststelling en beroep

De gemeenteraad van de gemeente Duiven heeft op 21 april 2026 het TAM-omgevingsplan ongewijzigd vastgesteld.

Na besluitvorming door de raad wordt het vastgestelde TAM-omgevingsplan opnieuw voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze periode kan tegen het plan beroep worden ingesteld bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Hoofdstuk 6 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

6.1 Kader

Voor de wijziging van het omgevingsplan geldt dat de regels erin moeten voorzien dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Dit volgt uit artikel 4.2, lid 2, van de Omgevingswet. Dit vereiste is in feite een voortzetting van het criterium van een goede ruimtelijke ordening uit de Wet ruimtelijke ordening, maar dan in de bredere strekking van de fysieke leefomgeving. Het zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt in het omgevingsplan bereikt door activiteiten onderling evenwichtig over locaties te reguleren. Afdeling 5.1 van het Bkl bevat instructieregels over verschillende (milieu)aspecten voor het omgevingsplan, met het oog op ETFAL.

6.2 Afweging

6.2.1 Spuitzonering

Bij opleggen van een spuitvrije zone op agrarische gronden spelen de volgende belangen waartussen een afweging moet worden gemaakt:

  • a. het belang van woningbouwontwikkeling gezien de woningbouwopgave en het belang van toekomstige bewoners bij een gezonde en veilige leefomgeving; en
  • b. het belang van de teler om landbouwgronden maximaal te kunnen benutten voor het telen van gewassen met het oog op het behalen van maximale gewasopbrengsten, en het belang van de grondeigenaar (in meeste gevallen is dit ook de teler, maar niet altijd) ten aanzien van beperkte gebruiksmogelijkheden en eventuele waardedaling van de grond;

Het woningbouwbelang in Duiven en het belang van de gezondheid van bewoners in 'De Ploen-Noord', waarbij de resultaten van steeds meer onderzoeken wijzen op een verband tussen het gebruiken van chemische gewasbeschermingsmiddelen op korte afstand van locaties waar mensen langdurig (kunnen) verblijven en ernstige impact op de gezondheid; prevaleert boven het landbouwbelang en het belang van agrarisch gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de omliggende percelen waar voor een deel een spuitvrije zone wordt gesitueerd. Dit vanwege de beperkte omvang van de percelen en de beperkte gevolgen voor de grondeigenaren van deze regeling.

Daarbij komt dat met het stellen van deze regels, de gemeente Duiven invulling geeft aan de 'Richtlijn duurzaam gebruik pesticiden', waarin EU-lidstaten worden verplicht om kwetsbare groepen te beschermen tegen schade door gewasbeschermingsmiddelen. Een recente uitspraak in 's-Hertogenbosch onderstreept dit, zoals nader is toegelicht in paragraaf 2.2.1 van deze motivering.

Hoofdstuk 7 Juridische planvorm

7.1 Algemeen

Het voorliggende TAM-omgevingsplan bestaat uit de regels, verbeelding en deze motivering. De verbeelding en regels dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.

7.2 Verbeelding

Op de verbeelding hebben de gronden vanuit het van rechtswege geldende omgevingsplan binnen het plangebied een functie gekregen. Binnen een functie kunnen nadere aanduidingen zijn opgenomen. De juridische betekenis hiervan is beschreven in de regels. Bepaalde gegevens hebben geen juridische betekenis. Deze zijn uitsluitend op de verbeelding opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid, zoals kadastrale en topografische gegevens.

7.3 Planregels

Hoofdstuk 1 bevat onder meer de begripsbepalingen, het toepassingsbereik, de meet- en rekenbepalingen, de aanvraagvereisten en een algemeen gebruiksverbod. In hoofdstuk 2 zijn de regels opgenomen behorende bij de functies en activiteiten die op de verbeelding aan de gronden zijn toegekend.