Regels
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Groenestraat - Brinkstraat Lienden en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22h) van het omgevingsplan van de gemeente Buren. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening
www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22h van het omgevingsplan van de gemeente Buren. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22h.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22h.’ gelezen worden.
Artikel 1 Begripsbepalingen
Voor dit omgevingsplan gelden ook de begripsbepalingen uit bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I van het Omgevingsbesluit en bijlage I van de Omgevingsregeling. Aanvullend daarop gelden voor de toepassing van dit deel de volgende begripsbepalingen:
1.1 aan huis verbonden bedrijf:
een bedrijf, gericht op het verlenen van diensten en/of het uitoefenen van (ambachtelijke) bedrijvigheid, met ondergeschikte detailhandel ten dienste van het aan huis verbonden bedrijf, dat uitsluitend door de bewoner(s) van de woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.
1.2 aan huis verbonden beroep:
een (para)medisch, juridisch, administratief, therapeutisch, ontwerptechnisch, kunstzinnig, adviesgevend of daarmee gelijk te stellen dienstverlenend beroep, als ook ondergeschikte detailhandel ten dienste van het dienstverlenend beroep, dat uitsluitend door de bewoner(s) van de woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.
1.3 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee locaties zijn aangeduid, waar volgens de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze locaties.
1.4 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
1.5 aaneengebouwde woning:
een hoofdgebouw onderdeel uitmakend van een bouwmassa, die bestaat uit drie of meer aaneengebouwde hoofdgebouwen.
1.6 ambachtelijk bedrijf:
een bedrijf, gericht op het uitoefenen van een ambacht, zijnde het geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen van goederen en het installeren van goederen.
1.7 archeologisch deskundige:
de regioarcheoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg.
1.8 archeologisch onderzoek:
onderzoek in het kader van de archeologische monumentenzorg verricht door een BRL SIKB 4000 Archeologie gecertificeerde dienst, bedrijf of instelling en minimaal werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).
1.9 archeologische waarde:
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de studie naar in de bodem voorkomende sporen en relicten uit het verleden.
1.10 bebouwingspercentage:
het percentage van de oppervlakte van een bouwperceel, binnen de op de verbeelding aangegeven bouwgrenzen, dat mag worden bebouwd.
1.11 bed en breakfast:
een kleinschalige aan de woonfunctie ondergeschikte accommodatie voor logies met ontbijt bedoeld voor kortstondig, wisselend recreatief of zakelijk verblijf.
1.12 bestaand:
- bij bouwwerken: bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wijziging van het omgevingsplan legaal aanwezig of in uitvoering zijn, dan wel gebouwd kunnen worden volgens een omgevingsvergunning;
- bij gebruik: het legale gebruik van grond en bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wijziging van het omgevingsplan, dan wel toegestaan volgens een omgevingsvergunning.
1.13 bevoegd gezag:
bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.
1.14 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak.
1.15 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Indien twee bouwpercelen met de aanduiding relatie met elkaar zijn verbonden worden deze aangemerkt als één bouwperceel.
1.16 bouwperceelgrens:
de grens van een bouwperceel.
1.17 bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd.
1.18 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee locaties zijn aangeduid, waar volgens de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
1.19 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling voor verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
Een internetwinkel of webwinkel wordt alleen als detailhandel aangemerkt als de mogelijkheid bestaat ter plaatse producten te bekijken en/of af te halen.
1.20 eerste bouwlaag:
de bouwlaag op de begane grond.
1.21 erf:
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover het omgevingsplan van toepassing is, deze die inrichting niet verbiedt.
1.22 gestapelde woning:
een woning in een gebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen bevat, waarbij iedere woning, al dan niet direct vanaf het voetgangersniveau, zelfstandig toegankelijk is.
1.23 nutsvoorzieningen:
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
1.24 peil:
- voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
- in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld.
1.25 perceel:
een aaneengesloten stuk grond met een bepaald doel of eigendom.
1.26 perceelsgrens:
de scheiding tussen percelen, die niet aan éénzelfde eigenaar behoren dan wel niet door éénzelfde gebruiker worden benut.
1.27 permanente bewoning:
het gebruiken van een onderkomen als hoofdverblijf.
1.28 plan:
het omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Lienden, De Brink' met identificatienummer NL.IMRO.0214.TAMLIEDeBrink-OVA1 van de Gemeente Buren met de daarbij behorende geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels.
1.29 seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden en waaronder in elk geval wordt verstaan een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.
1.30 synthetisch-chemische gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddeles
Middelen als bedoeld in artikel 2 van de Verordening (EG) Nr. 1107/2009 van het Europees parlement en de raad van 21 oktober 2009.
1.31 twee-aaneengebouwde woning:
een woning die onderdeel uitmaakt van een blok van twee aaneengebouwde woningen.
1.32 voorgevel:
de naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt.
1.33 voorgevelrooilijn:
de lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen en het verlengde daarvan.
1.34 waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie, en waterkwaliteit. Hierbij kan worden gedacht aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten, et cetera.
1.35 webwinkel:
het hobbymatig of bedrijfsmatig verkopen van goederen of aanbieden van diensten via internet, waarbij deze elders worden bezorgd of geleverd.
1.36 woning:
een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden.
Artikel 2 Toepassingsbereik
2.1
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie als bedoeld in het derde lid.
2.2
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in dit hoofdstuk.
2.3
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Lienden, De Brink, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0214.TAMLIEDeBrink-OVA1.
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit deel in m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 3.1 tot en met 3.9.
3.1 afstand:
de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot (bouw)perceelsgrenzen wordt daar gemeten waar deze afstand het kleinst is.
3.2 bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
3.3 breedte, lengte en diepte van een bouwwerk:
afstand tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of het de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren.
3.4 goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
3.5 inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
3.6 oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
3.7 oppervlakte van een overkapping:
tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.
3.8 peil:
voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst:
- de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
in andere gevallen:
- de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld.
3.9 ondergeschikte bouwdelen:
bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, gevel- en kroonlijsten, regenpijpen, stoeptreden, luifels, balkons en overstekende daken, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- of functiegrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.
Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod
Het is verboden om locaties of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies.
2 Functies en activiteiten
Artikel 5 Agrarisch met waarden - Oeverwalgebied
5.1 Functieomschrijving
- grondgebonden agrarische productie;
- het weiden van dieren;
- bijbehorende voorzieningen, huiserven, gaarden en opslag;
- instandhouding, dan wel herstel en ontwikkeling, van de landschappelijke waarden en de natuurwaarden;
- extensief dagrecreatief medegebruik;
- uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’:
- grondgebonden agrarische bedrijven;
- be- en verwerken van agrarische producten;
- bedrijfswoningen;
Met de daarbij behorende:
- wegen en paden;
- parkeervoorzieningen
- watergangen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen;
- (erf)beplanting;
- tuinen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
- nutsvoorzieningen.
5.2.1 Bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
- bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ worden gebouwd;
- de goothoogte mag niet meer bedragen dan 7 m;
- de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 m.
5.2.2 Bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels:
- bedrijfswoningen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ worden gebouwd;
- voor wat betreft het aantal bedrijfswoningen moet worden voldaan aan het bepaalde in artikel 5.3.1;
- de inhoud mag niet meer bedragen dan 750 m³;
- de goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 m;
- de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 m.
5.2.3 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen gelden de volgende regels:
- bijbehorende bouwwerken worden achter de voorgevel van de bedrijfswoning gebouwd;
- de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 150 m²;
- de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
- de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7 m.
5.2.4 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:
buiten de aanduiding bouwvlak mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 2,5 m, waarbij:
- de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 1 m mag bedragen;
- de bouwhoogte van teeltondersteunende voorzieningen niet meer dan 6 m mag bedragen;
- de oppervlakte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde niet meer dan 10 m² per bouwwerk mag bedragen, met uitzondering van teeltondersteunende voorzieningen;
- ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' mag de bouwhoogte niet meer dan 9 m bedragen, waarbij de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 2 m mag bedragen;
5.3 Specifieke gebruiksregels
5.3.1 Bedrijfswoning
Voor bedrijfswoningen gelden de volgende regels:
- uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is het aangegeven aantal bedrijfswoningen toegestaan;
- de uitoefening van een aan huis verbonden beroep of bedrijf is toegestaan.
5.3.2 Be- en verwerken van agrarische producten
De oppervlakte die wordt gebruikt voor het be- en verwerken van agrarische producten mag niet meer dan 200 m² bedragen.
5.3.3 Productiegebonden detailhandel en detailhandel in streekproducten
De oppervlakte die wordt gebruikt voor productiegebonden detailhanden en detailhandel in streekproducten mag niet meer bedragen dan 50 m².
5.3.4 Strijdig gebruik
- een gebruik als volkstuin;
- een gebruik voor niet-grondgebonden agrarische productie;
- de opslag van mest en kuilvoer buiten een bouwvlak;
- de opslag van goederen en materieel in de openlucht buiten een bouwvlak;
- een gebruik voor de verwerking van agrarische producten, voor zover dit gebruik meer bedraagt dan 200 m²;
- een gebruik voor productiegebonden detailhandel en detailhandel in streekproducten, voor zover dit gebruik meer bedraagt dan 50 m² per agrarisch bedrijf;
- het gebruiken of laten gebruiken van gebouwen voor bewoning, met uitzondering van (bedrijfs)woningen en huisvesting voor mantelzorg;
- de bewoning van een bedrijfswoning uitsluitend door personen die niet werkzaam zijn op het bedrijf, waartoe de bedrijfswoning behoort;
- de plaatsing van kampeermiddelen.
5.4 Afwijken van de gebruiksregels
Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van
artikel 5.3.4 sub g voor tijdelijke huisvesting van arbeidskrachten, als:
- het bedrijf kan aantonen dat het aantal te realiseren logieseenheden is afgestemd op de eigen behoefte aan tijdelijke arbeidskrachten;
- de huisvesting uitsluitend binnen een bouwvlak wordt gerealiseerd;
- het geen huisvesting in stacaravans of andere kampeermiddelen betreft;
- uitsluitend werknemers worden gehuisvest die bij het betreffende agrarisch bedrijf werkzaam zijn;
- de huisvesting uitsluitend is voor werknemers die tijdelijk, dat wil zeggen maximaal negen maanden per jaar, bij het bedrijf werkzaam zijn;
- er geen sprake is van zelfstandige wooneenheden;
- er geen sprake is van permanente bewoning;
- het vloeroppervlak per arbeidskracht minimaal 12,5 m² bedraagt;
- de logieseenheden voldoen aan het Bouwbesluit en de gemeentelijke bouwverordening;
- de huisvesting voldoet aan de eisen gesteld door de Stichting Normering Flexwonen (SNF) of het Agrarisch Keurmerk Flexwonen (AKF) of diens rechtsopvolger(s), aan te tonen door een certificaat;
- een nachtregister wordt bijgehouden waaruit blijkt welke werknemers op het bedrijfsperceel gehuisvest zijn;
- voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid binnen het bouwvlak;
- het gebruik niet leidt tot belemmeringen voor de bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven;
- het woon- en leefmilieu van de omgeving niet onevenredig wordt aangetast;
- in de omgeving aanwezige functies en waarden niet onevenredig worden aangetast.
5.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.5.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
- storten, deponeren of op andere wijze opslaan van grond, puin of afvalmaterialen;
- het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden, voor zover het een werk met een grotere oppervlakte dan 100 m² betreft;
- het dempen, graven, verbreden, verdiepen van waterpartijen, sloten en watergangen;
- het vellen of rooien van houtgewas;
- het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, voor zover het niet betreft wegen en paden ten behoeve van het normale agrarische gebruik.
5.5.2 Uitzonderingen
Het verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden die:
- binnen een bouwvlak plaatsvinden;
- het normale onderhoud betreffen dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de functie;
- het vellen of rooien van fruitbomen betreffen.
5.5.3 Vergunningverlening
Een omgevingsvergunning wordt pas verleend als door de beoogde werken of werkzaamheden de landschappelijke waarden en de natuurwaarden of de mogelijkheden tot herstel of ontwikkeling van deze waarden, niet blijvend onevenredig worden geschaad.
6.1 Functieomschrijving
De als '
Groen' aangewezen locaties hebben de volgende functies:
- groenvoorzieningen;
met daarbij behorende:
- in- en uitritten;
- nutsvoorzieningen;
- speelvoorzieningen;
- voet- en fietspaden;
- watergangen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen.
6.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
- de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 meter;
- de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mag niet meer bedragen dan 4 meter.
6.3 Specifieke gebruiksregels
6.3.1 Omgevingsvergunning parkeervoorzieningen
Een omgevingsvergunning voor de aanleg en het gebruik van gronden voor parkeervoorzieningen wordt verleend als:
- de parkeervoorzieningen uitsluitend bedoeld zijn om de parkeerdruk ter plaatse te ondervangen;
- geen onevenredige belemmering voor de verkeersstromen ter plaatse ontstaat;
- geen onevenredige aantasting van het woon- en leefmilieu ter plaatse ontstaat;
- het parkeren niet doeltreffend op eigen terrein van woningen, of andere functies waar het parkeren bij behoord, gerealiseerd kan worden;
- er geen onevenredige aantasting van een structurele groenvoorziening ontstaat;
- voor zover het verhard oppervlak toeneemt, aangegeven wordt op welke wijze wordt voorzien in compenserende maatregelen voor hemelwaterinfiltratie/-berging.
7.1 Functieomschrijving
De als '
Verkeer' aangewezen locaties hebben de volgende functies:
- wegen, voet- en fietspaden, met bermen;
- straatmeubilair;
- parkeervoorzieningen;
- groenvoorzieningen;
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
- kunstwerken;
- nutsvoorzieningen;
- objecten van beeldende kunst;
- standplaatsen;
- terrassen;
- evenementen.
7.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
- de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 meter.
8.1 Functieomschrijving
De als '
Water' aangewezen locaties hebben de volgende functies:
- waterpartijen, watergangen;
- waterhuishouding en waterhuishoudkundige voorzieningen;
- bruggen;
- aanlegsteigers;
- waterberging;
- oevers en oeverbeschoeiing.
8.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
- de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mag niet meer bedragen dan 12 m.
9.1 Functieomschrijving
De als '
Wonen' aangewezen locaties hebben de volgende functies:
- wonen;
- aan huis verbonden beroep en bedrijf;
met de daarbij behorende:
- groen- en speelvoorzieningen;
- nutsvoorzieningen;
- parkeervoorzieningen;
- tuinen, erven en paden;
- watergangen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen.
9.2 Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:
9.2.1 Woningen
Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels:
- woningen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
- ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' mag de goothoogte niet meer bedragen dan is aangeven;
- ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan is aangeven;
- ter plaatse van de aanduiding ‘vrijstaand’ mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd;
- ter plaatse van de aanduiding ‘twee-aaneen’ mogen uitsluitend twee-aaneengebouwde woningen worden gebouwd;
- ter plaatse van de aanduiding ‘aaneengebouwd’ mogen uitsluitend aaneengebouwde woningen worden gebouwd;
- ter plaatse van de aanduiding ‘gestapeld’ mogen uitsluitend gestapelde woningen worden gebouwd;
- ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ mag het aantal woningen niet meer bedragen dan is aangegeven.
9.2.2 Voorwaardelijke verplichting
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting' wordt een omgevingsvergunning voor een woning alleen verleend als het bouwplan in overeenstemming is met het in bijlage 1 opgenomen beeldkwaliteitsplan waarover de gemeentelijke adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit een advies wordt gevraagd.
9.2.3 Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
- de gezamenlijke oppervlakte van alle bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan:
Totale bouwperceelgrootte | Maximum oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken |
tot 500 m² | 75 m² |
vanaf 500 m² tot 1.500 m² | 100 m² |
| vanaf 1.500 m² | 150 m² |
- het bebouwingspercentage van de gronden gelegen buiten de aanduiding 'bouwvlak' mag niet meer dan 50% bedragen;
- bijbehorende bouwwerken worden ten minste 1 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw gebouwd, tenzij een bestaande ruimte in het hoofdgebouw wordt vergroot, waarvan:
- de breedte niet meer bedraagt dan 75% van de breedte van de voorgevel van het bijbehorende hoofdgebouw;
- de diepte niet meer bedraagt dan 2 meter vanaf de voorgevel van het hoofdgebouw;
- de bouwhoogte niet meer bedraagt dan de hoogte van de begane grondlaag van het hoofdgebouw + 0,25 meter;
- de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m;
- de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
9.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
- de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn mag niet meer bedragen dan 1 m, met uitzondering van toegangspoorten, waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2,5 m;
- de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevellijn mag niet meer bedragen dan 2 m;
- de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 10 meter;
- de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
9.3 Specifieke gebruiksregels
Uitsluitend ter plaatse van de aanduidingen 'vrijstaand' en ‘maximum aantal wooneenheden’ zijn woningen toegestaan en mag ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het aantal niet meer bedragen dan is aangegeven.
9.3.1 Strijdig gebruik
Tot een gebruik strijdig met de functie '
Wonen' wordt in ieder geval gerekend:
- het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning, met uitzondering van een gebruik voor mantelzorg;
- een gebruik van gronden en bouwwerken voor (detail)handel, met uitzondering van ondergeschikte detailhandel bij een aan huis verbonden beroep en/of bedrijf.
9.3.2 Geluidbelasting
- Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - hogere geluidsbelasting 1' bedraagt het gezamenlijke geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen niet meer dan 55 Lden;
- Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - hogere geluidsbelasting 2' bedraagt het gezamenlijke geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen niet meer dan 57 Lden;
- Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - hogere geluidsbelasting 3' bedraagt het gezamenlijke geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen niet meer dan 55 Lden;
- Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - hogere geluidsbelasting 4' bedraagt het gezamenlijke geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen niet meer dan 55 Lden;
Artikel 10 Waarde - Archeologisch Waardevol Gebied 2
10.1 Functieomschrijving
De als '
Waarde - Archeologisch Waardevol Gebied 2' aangewezen locaties zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede beoogd voor het behoud en de bescherming van de op en/of in deze locaties voorkomende en aantoonbaar te verwachten archeologische waarden.
10.2.1 Bouwwerken
Binnen deze functie is voor bouwwerken een omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders nodig, tenzij:
- het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
- het bouwen gepaard gaat met bodemingrepen van niet meer dan 30 cm onder het bestaande maaiveld;
- het nieuw te bouwen oppervlak niet groter is dan 100 vierkante meter;
- op basis van een archeologisch onderzoeksrapport is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
- deze voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn.
10.2.2 Aanvraagvereisten
Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende functies is de aanvrager van een omgevingsvergunning verplicht ten behoeve van in
artikel 10 lid 1 genoemde functie:
- een of meerdere funderingstekeningen te overleggen waaruit blijkt welke omvang (in breedte, diepte, lengte en/of hoogte) de ingrepen en verstoringen zullen hebben; en
- een of meerdere palenplannen te overleggen waaruit blijkt het aantal palen, het type/soort, de omvang/diameter, de lengte, de onderlinge afstand tussen de rijen heipalen en de wijze van aanbrengen opdat de mate van verstoring bepaald kan worden; en
- een archeologisch onderzoeksrapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden, die kunnen worden verstoord, naar schriftelijk advies van een archeologisch deskundige, in voldoende mate zijn vastgesteld.
- uit een schriftelijk advies van een archeologisch deskundige blijkt dat de archeologische waarden van de gronden al afdoende zijn vastgelegd in andere archeologische informatie; of
- uit een schriftelijk advies van een archeologisch deskundige blijkt dat de archeologische waarden niet of niet onevenredig geschaad zullen worden door de bouwwerkzaamheden.
10.2.3 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor het bouwen in of op de onder
artikel 10 lid 1 genoemde functie wordt alleen verleend als:
- uit het bij de aanvraag gevoegde archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of
- uit een schriftelijk advies van de archeologisch deskundige blijkt dat de archeologische waarden niet of niet onevenredig geschaad zullen worden; of
- de archeologische waarden kunnen worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
10.2.4 Vergunningvoorschriften
Het college van burgemeester en wethouders kunnen aan de omgevingsvergunning een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
- de verplichting tot het doen van opgravingen;
- de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
10.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.3.1 Werken en werkzaamheden
Binnen deze functie is voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden een omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders nodig:
- het afgraven, saneren, ontgronden, onderzuigen, verlagen, afplaggen, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
- het aanleggen, verbreden en verwijderen van verhardingen;
- het ophogen van de bodem met meer dan 1 m;
- het graven of vergraven, verruimen, verdiepen of dempen van watergangen en waterpartijen;
- het frezen en scheuren van grasland;
- het aanbrengen van diepwortelende beplantingen waaronder begrepen bos, boomgaard, zacht-fruitopstand, (boom)kwekerij en windsingel;
- het rooien van diepwortelende beplantingen zoals vermeld onder f. waarbij de stobben worden verwijderd;
- het aanleggen van drainage;
- het aanleggen of verwijderen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
- het uitvoeren van heiwerkzaamheden, het aanbrengen van verticale grondkeringen, of het op een of andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
- het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand;
- het verwijderen van bestaande ondergrondse fundamenten, verticale grondkeringen, en het verwijderen en/of uittrekken van funderingspalen;
- het zoeken naar delfstoffen in de vorm van seismisch onderzoek of exploratieonderzoek.
10.3.2 Uitzonderingen
Een omgevingsvergunning als bedoeld in
artikel 10 lid 3.1 is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden indien deze:
- worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 10 lid 2.1 van toepassing is;
- tot een diepte van 30 centimeter onder het bestaande maaiveld gaan;
- geen grotere oppervlakte dan 100 m² betreft;
- reeds legaal in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan;
- worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud;
- worden uitgevoerd in het kader van het normale agrarische gebruik;
- mogen worden uitgevoerd volgens een verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning;
- voor archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
- betrekking hebben op gronden waarvan op basis van namens het college van burgemeester en wethouders getoetst en geaccepteerd archeologisch onderzoeksrapport is aangetoond dat er zich geen archeologische waarden (meer) bevinden.
10.3.3 Aanvraagvereisten
Voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende functies is de aanvrager van een omgevingsvergunning verplicht ten behoeve van in
artikel 10 lid 1 genoemde functie:
- een of meerdere funderingstekeningen te overleggen waaruit blijkt welke omvang (in breedte, diepte, lengte en/of hoogte) de ingrepen en verstoringen zullen hebben; en
- een of meerdere palenplannen te overleggen waaruit blijkt het aantal palen, het type/soort, de omvang/diameter, de lengte, de onderlinge afstand tussen de rijen heipalen en de wijze van aanbrengen opdat de mate van verstoring bepaald kan worden; en
- een archeologisch onderzoeksrapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden, die kunnen worden verstoord, naar schriftelijk advies van een archeologisch deskundige, in voldoende mate zijn vastgesteld.
- uit een schriftelijk advies van een archeologisch deskundige blijkt dat de archeologische waarden van de gronden al afdoende zijn vastgelegd in andere archeologische informatie; of
- uit een schriftelijk advies van een archeologisch deskundige blijkt dat de archeologische waarden niet of niet onevenredig geschaad zullen worden door de bouwwerkzaamheden.
10.3.4 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor uitvoeren van werken en werkzaamheden in of op de onder
artikel 10 lid 1 genoemde functie wordt alleen verleend als:
- uit het bij de aanvraag gevoegde archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of
- uit een schriftelijk advies van de archeologisch deskundige blijkt dat de archeologische waarden niet of niet onevenredig geschaad zullen worden; of
- de archeologische waarden kunnen worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
10.3.5 Vergunningvoorschriften
Het college van burgemeester en wethouders kunnen aan de omgevingsvergunning een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
- de verplichting tot het doen van opgravingen;
- de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
Artikel 11 Waarde - Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 2
11.1 Functieomschrijving
De als '
Waarde - Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 2' aangewezen locaties zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de op en/of in deze locaties voorkomende en aantoonbaar te verwachten archeologische waarden.
11.2.1 Bouwwerken
Binnen deze functie is voor bouwwerken een omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders nodig, tenzij:
- het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
- het bouwen gepaard gaat met bodemingrepen van niet meer dan 30 cm onder het bestaande maaiveld;
- het nieuw te bouwen oppervlak niet groter is dan 500 vierkante meter;
- op basis van een archeologisch onderzoeksrapport is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
- deze voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn.
11.2.2 Aanvraagvereisten
Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende functies is de aanvrager van een omgevingsvergunning verplicht ten behoeve van in
artikel 11 lid 1 genoemde functie:
- een of meerdere funderingstekeningen te overleggen waaruit blijkt welke omvang (in breedte, diepte, lengte en/of hoogte) de ingrepen en verstoringen zullen hebben; en
- een of meerdere palenplannen te overleggen waaruit blijkt het aantal palen, het type/soort, de omvang/diameter, de lengte, de onderlinge afstand tussen de rijen heipalen en de wijze van aanbrengen opdat de mate van verstoring bepaald kan worden; en
- een archeologisch onderzoeksrapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden, die kunnen worden verstoord, naar schriftelijk advies van een archeologisch deskundige, in voldoende mate zijn vastgesteld.
- uit een schriftelijk advies van een archeologisch deskundige blijkt dat de archeologische waarden van de gronden al afdoende zijn vastgelegd in andere archeologische informatie; of
- uit een schriftelijk advies van een archeologisch deskundige blijkt dat de archeologische waarden niet of niet onevenredig geschaad zullen worden door de bouwwerkzaamheden.
11.2.3 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor het bouwen in of op de onder
artikel 11 lid 1 genoemde functie wordt alleen verleend als:
- uit het bij de aanvraag gevoegde archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of
- uit een schriftelijk advies van de archeologisch deskundige blijkt dat de archeologische waarden niet of niet onevenredig geschaad zullen worden; of
- de archeologische waarden kunnen worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
11.2.4 Vergunningvoorschriften
Het college van burgemeester en wethouders kunnen aan de omgevingsvergunning een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
- de verplichting tot het doen van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze die in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid van de Erfgoedwet;
- de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
11.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.3.1 Werken en werkzaamheden
Binnen deze bestemming is voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden een omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders nodig:
- het afgraven, saneren, ontgronden, onderzuigen, verlagen, afplaggen, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
- het aanleggen, verbreden en verwijderen van verhardingen;
- het ophogen van de bodem met meer dan 2 m;
- het graven of vergraven, verruimen, verdiepen of dempen van watergangen en waterpartijen;
- het frezen en scheuren van grasland;
- het aanbrengen van diepwortelende beplantingen waaronder begrepen bos, boomgaard, zacht-fruitopstand, (boom)kwekerij en windsingel;
- het rooien van diepwortelende beplantingen zoals vermeld onder f. waarbij de stobben worden verwijderd;
- het aanleggen van drainage;
- het aanleggen of verwijderen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
- het uitvoeren van heiwerkzaamheden, het aanbrengen van verticale grondkeringen, of het op een of andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
- het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand;
- het verwijderen van bestaande ondergrondse fundamenten, verticale grondkeringen, en het verwijderen en/of uittrekken van funderingspalen;
- het zoeken naar delfstoffen in de vorm van seismisch onderzoek of exploratieonderzoek.
11.3.2 Uitzonderingen
Een omgevingsvergunning als bedoeld in
artikel 11 lid 3.1 is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden indien deze:
- worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 11 lid 2.1 van toepassing is;
- tot een diepte van 30 centimeter onder het bestaande maaiveld gaan;
- geen grotere oppervlakte dan 500 m² betreft;
- reeds legaal in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan;
- worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud;
- worden uitgevoerd in het kader van het normale agrarische gebruik;
- mogen worden uitgevoerd volgens een verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning;
- voor archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
- betrekking hebben op gronden waarvan op basis van namens het college van burgemeester en wethouders getoetst en geaccepteerd archeologisch onderzoeksrapport is aangetoond dat er zich geen archeologische waarden (meer) bevinden;
- voor diepwortelende beplantingen zoals vermeld in artikel 11 lid 4.1 sub f de daadwerkelijke bodemverstoring dieper dan 30 centimeter onder maaiveld, minder dan 20% van de oppervlakte van het betreffende perceel bedraagt.
11.3.3 Aanvraagvereisten
Voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende functies is de aanvrager van een omgevingsvergunning verplicht ten behoeve van in
artikel 11 lid 1 genoemde functie:
- een of meerdere funderingstekeningen te overleggen waaruit blijkt welke omvang (in breedte, diepte, lengte en/of hoogte) de ingrepen en verstoringen zullen hebben; en
- een of meerdere palenplannen te overleggen waaruit blijkt het aantal palen, het type/soort, de omvang/diameter, de lengte, de onderlinge afstand tussen de rijen heipalen en de wijze van aanbrengen opdat de mate van verstoring bepaald kan worden; en
- een archeologisch onderzoeksrapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden, die kunnen worden verstoord, naar schriftelijk advies van een archeologisch deskundige, in voldoende mate zijn vastgesteld.
- uit een schriftelijk advies van een archeologisch deskundige blijkt dat de archeologische waarden van de gronden al afdoende zijn vastgelegd in andere archeologische informatie; of
- uit een schriftelijk advies van een archeologisch deskundige blijkt dat de archeologische waarden niet of niet onevenredig geschaad zullen worden door de bouwwerkzaamheden.
11.3.4 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor uitvoeren van werken en werkzaamheden in of op de onder
artikel 11 lid 1 genoemde functie wordt alleen verleend als:
- uit het bij de aanvraag gevoegde archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of
- uit een schriftelijk advies van de archeologisch deskundige blijkt dat de archeologische waarden niet of niet onevenredig geschaad zullen worden; of
- de archeologische waarden kunnen worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
11.3.5 Vergunningvoorschriften
Het college van burgemeester en wethouders kunnen aan de omgevingsvergunning een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
- de verplichting tot het doen van opgravingen;
- de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
Artikel 12 Waarde - Cultuurhistorie
12.1 Functieomschrijving
De als '
Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen locaties zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden.
12.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
12.2.1 Vergunningplicht
Het is verboden binnen de functie '
Waarde - Cultuurhistorie' zonder een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
- werken en werkzaamheden die direct zijn gericht op het storten, deponeren of op andere wijze opslaan van grond, puin of afvalmaterialen, voor zover deze van elders zijn aangevoerd;
- het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden;
- het vellen, rooien of beschadigen van houtgewas, niet zijnde agrarisch productiebos, productieboomgaard (voor zover geen hoogstamboomgaard), zacht-fruitopstand of (boom)kwekerij en voor zover dit niet betreft de verzorging van de aanwezige houtopstanden;
- het aanplanten van een houtopstand, niet zijnde agrarisch productiebos, productieboomgaard (voor zover geen hoogstamboomgaard), zacht-fruitopstand of (boom)kwekerij;
- het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen en paden, en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
- het graven, verbreden, verdiepen of dempen van waterpartijen en watergangen;
- het wijzigen van de tracés en patronen van de kavelgrenzen, wegen en waterlopen, alsmede van het reliëf.
12.2.2 Uitzonderingen
- werken en werkzaamheden binnen het kader van het normale onderhoud, beheer of herstel van de functies, die het plan aan de gronden toekent;
- werken en werkzaamheden, voor zover daarvoor, op het tijdstip van het van kracht worden van het plan, reeds een vergunning is verleend ingevolge de Ontgrondingenwet;
- werken en werkzaamheden die ten tijde van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren;
- werken en werkzaamheden die zijn bedoeld om de directe gevolgen van calamiteiten of plagen te beperken;
- werken en werkzaamheden ten aanzien waarvan door bevoegd gezag is medegedeeld dat deze, wat aard en omvang betreft, van zodanige ondergeschikte betekenis zijn, dat voor de uitvoering daarvan geen omgevingsvergunning wordt vereist.
12.2.3 Vergunningverlening
Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, wordt pas verleend indien is gebleken dat hierdoor de cultuurhistorische waarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden, of de mogelijkheden tot het herstel van deze waarden, niet blijvend onevenredig worden geschaad.
Artikel 13 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
13.1 Bedrijfswoningen
Bij de beoordeling van een bouwaanvraag voor een bedrijfswoning worden mede in aanmerking genomen bestaande woningen die als bedrijfswoning zijn gebouwd of in gebruik zijn geweest. Ook bedrijfswoningen die ten gevolge van verkoop, verhuur, bedrijfssplitsing of andere transacties niet meer als bedrijfswoning fungeren, worden daartoe gerekend.
Artikel 14 Algemene bouwregels
14.1 Toegelaten bouwwerken met afwijkende maten
Voor een bouwwerk, dat krachtens een omgevingsvergunning op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte- en inhoudsmaten afwijken van de bouwregels van de betreffende functie, geldt dat de bestaande maten, die meer bedragen dan de bouwregels bij de betreffende functie toestaan, als ten hoogste toelaatbaar mogen worden aangehouden.
14.2 Nutsvoorzieningen
Voor het bouwen van nutsvoorzieningen gelden de volgende regels:
- de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 3 m;
- de bebouwde oppervlakte mag per gebouw niet meer bedragen dan 15 m²;
- de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen bij nutsvoorzieningen mag niet meer bedragen dan 2 m.
14.3.1 Algemeen
Ten aanzien van parkeren geldt dat:
- bij de uitoefening van de bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen er voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen aanwezig is of wordt gerealiseerd binnen het plangebied van dit omgevingsplan;
- deze parkeergelegenheid dient in stand gehouden te worden;
- voldoende parkeergelegenheid betekent dat voldaan wordt aan het Parkeerbeleid 2024-2032 zoals vastgesteld door de raad op 2 juli 2024.
14.3.2 Hoofdgebouwen
- Een omgevingsvergunning voor hoofdgebouwen wordt slechts verleend, indien sprake is van voldoende parkeergelegenheid, uitgaande van het Parkeerbeleid 2024-2032.
- Indien het onder a bedoelde beleid wordt gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.
14.3.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning parkeertekort
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor hoofdgebouwen indien niet wordt voldaan de normen uit het Parkeerbeleid 2024-2032 als:
- het voldoen aan het Parkeerbeleid 2024-2032 leidt tot de aanleg en instandhouding van een onevenredig aantal parkeerplaatsen, gerelateerd aan het bestaande én het nieuwe gebruik;
- aangetoond wordt dat met het voorgenomen aantal parkeerplaatsen voldaan kan worden aan de parkeerbehoefte, of;
- aangetoond wordt dat op andere wijze in de parkeerbehoefte kan worden voorzien.
14.4 Grenzen en aanduidingen
Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de regels van het plan, onder voorwaarde dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, voor:
- het afwijken van functiegrenzen in het horizontale vlak, als de afwijking noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein, er geen dringende redenen zijn die zich tegen de afwijking verzetten en de afwijking ten opzichte van hetgeen in het plan is aangegeven niet meer bedraagt dan 2 m;
- het afwijken van bouwgrenzen en overige aanduidingen in het horizontale vlak, niet zijnde bestemmingsgrenzen, als afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de grond en de afwijking ten opzichte van hetgeen in het plan is aangegeven niet meer bedraagt dan 0,5 m;
- het afwijken van de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 m.
Artikel 15 Algemene aanduidingsregels
15.1 Overige zone - middelen vrije zone
15.1.1 Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning binnen de locatie 'overige zone - middelen vrije zone' synthetisch-chemische gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen te gebruiken bij het telen van:
- bol- en siergewassen;
- (zacht) fruit;
- (laan)bomen;
- akkerbouwgewassen.
15.1.2 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en documenten verstrekt:
- de resultaten van een locatie specifiek onderzoek naar de gezondheidsrisico’s ter plaatse van gevoelige functies;
- de gewasbeschermingsmonitor als bedoeld in artikel 26 van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
15.1.3 Beoordeling aanvraag omgevingsvergunning
Een omgevingsvergunning zoals bedoeld onder
artikel 15 lid 1.1 wordt alleen verleend als uit een locatie specifiek onderzoek blijkt dat geen gezondheidsrisico's te verwachten zijn ter plaatse van gevoelige functies als gevolg van het gebruik van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen.
15.2 Vrijwaringszone - molenbiotoop 400 m
15.2.1 Aanduidingsomschrijving
De ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone – molenbiotoop 400 m' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende functies, mede bestemd voor bescherming van een vrije windvang voor de molen en de bescherming van de cultuurhistorische waarde van de molen.
15.2.2 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
In afwijking van het bepaalde bij de andere functies mag op deze gronden niet hoger worden gebouwd dan door middel van onderstaande formule wordt bepaald voor zover deze hoogte minder bedraagt dan is toegestaan bij de andere functies:
H = X/n + c·z
Waarin:
H = de toelaatbare bouwhoogte in meters (gemeten vanaf het peil ter plaatse van de molen);
X = de afstand in meters vanaf het gebouw tot de wieken van de molen; n = 50 (coëfficiënt voor het stedelijk gebied);
n = 50 (coëfficiënt voor het stedelijk gebied);
c = 0,2 (constante in verband met een windreductie van 5%);
z = askophoogte = 20 m.
15.2.3 Afwijken van de bouwregels
Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in
artikel 15 lid 2.2 voor het bouwen van bouwwerken die op grond van het elders in deze regels bepaalde zijn toegestaan, als:
- de windvang niet dusdanig wijzigt dat de betreffende molen onvoldoende kan functioneren of anderszins blijvend onevenredig in zijn waarde wordt geschaad;
- hierover een advies is verkregen van een molendeskundige.
15.2.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden
15.2.4.1 Vergunningplicht
Het is verboden op de gronden met de aanduidingen 'vrijwaringszone - molenbiotoop 400 m' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bomen te planten met een uitgroeihoogte die hoger is dan op grond van het bepaalde in
artikel 15 lid 2.2 toegestaan is.
15.2.4.2 Vergunningverlening
- de windvang niet dusdanig wijzigt dat de betreffende molen onvoldoende kan functioneren of anderszins blijvend onevenredig in zijn waarde wordt geschaad;
- hierover een advies verkregen van een molendeskundige.
Artikel 16 Algemene gebruiksregels
16.1 Strijdig gebruik
Tot een gebruik in strijd met de regels van dit plan wordt in ieder geval gerekend:
- het gebruik van en het in gebruik laten nemen van een nieuwe woning ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting', zonder de aanleg en instandhouding van de landschaps- en andere maatregelen conform het in bijlage 1 opgenomen beeldkwaliteitsplan;
- gebruik als seksinrichting;
- gebruik als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, anders dan als stort- en/of opslagplaats voor normaal gebruik;
- gebruik van gronden of bouwwerken voor (permanente) bewoning, met uitzondering van de toegelaten woningen en huisvesting voor mantelzorg.
16.2.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning woningen met bijbehorende bouwwerken in te richten en te gebruiken voor bed & breakfast.
16.2.2 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in
artikel 16.2.1 wordt verleend als:
- het een woning betreft, die tevens bewoond blijft;
- de woonfunctie op het perceel als hoofdfunctie in stand blijft;
- maximaal vier bed & breakfast appartementen voor in totaal acht personen worden gerealiseerd;
- de bed & breakfast voorziening niet functioneert als een zelfstandige woning;
- het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige parkeerdruk veroorzaakt;
- het woon- en leefmilieu van de omgeving niet onevenredig wordt aangetast;
- het gebruik niet leidt tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven en functies;
Artikel 17 Overgangsrecht
17.1 Overgangsrecht voor bouwwerken
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
- gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
- na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
- Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%.
- Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
17.2 Overgangsrecht voor gebruik
- Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
- Het is verboden het met het plan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
- Indien het gebruik, bedoeld onder a na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
- Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.