direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Peutweg I
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0203.1247-0002

Toelichting

Hoofdstuk 1 INLEIDING

Op het agrarisch perceel Peutweg 1 en 3 te Barneveld zijn twee volwaardige agrarische bedrijven gevestigd. Op het perceel Peutweg 1 is een geitenbedrijf gevestigd en op het perceel Peutweg 3 is een pluimveebedrijf gevestigd. De eigenaren van dit perceel hebben een verzoek ingediend om het agrarisch bouwvlak te splitsen in twee bouwvlakken overeenkomstig de kadastrale perceelsgrens. De totale oppervlakte van de twee nieuwe bouwvlakken alsook de vorm en grootte van de twee nieuwe bouwvlakken blijft gelijk aan het bestaande bouwvlak.

De uitvoering van dit plan is niet mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan Buitengebied 2012. In het bestemmingsplan Buitengebied 2012 is in artikel 3.7 lid 13 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om aan het verzoek mee te werken. Het plan voldoet aan de daarin opgenomen voorwaarden. Daarom is voorliggende wijziging van het bestemmingsplan opgesteld.

Voorliggend plan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit acht hoofdstukken. Na dit hoofdstuk beschrijft hoofdstuk 2 de bestaande situatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een beschrijving van het plan gegeven. Hoofdstuk 4 gaat vervolgens in op het beleidskader. Het vijfde hoofdstuk gaat in op de randvoorwaarden, waarna in het zesde hoofdstuk de juridische aspecten worden besproken. In hoofdstuk 7 is aandacht voor de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 8 gaat in op de resultaten van de procedure ten behoeve van dit plan.

Hoofdstuk 2 BESTAANDE SITUATIE

2.1 Begrenzing plangebied

Het plangebied betreft de adressen Peutweg 1 en Peutweg 3 te Barneveld. De gronden behorende bij Peutweg 1 zijn kadastraal bekend als gemeente Barneveld, sectie H, nummer 304. De gronden behorende bij Peutweg 3 zijn kadastraal bekend als gemeente Barneveld, sectie H, nummers 281 en 306.

Het plangebied ligt in het buitengebied ten noorden van de kern Barneveld. Ten noorden van het plangebied ligt de spoorlijn Amersfoort-Apeldoorn. Aan de noord-, oost- en zuidzijde grenst het plangebied aan agrarisch gebied. De grens aan de westzijde wordt gevormd door de Rijksweg A30. Zie afbeelding 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1247-0002_0001.png"

Afbeelding 1: ligging van het plangebied

2.2 Geldende bestemmingen

Het plangebied ligt in het bestemmingsplan Buitengebied 2012 (vastgesteld op 28 mei 2013, gedeeltelijk herzien op 25 februari 2014 en op 8 juli 2014) en heeft de bestemming "Agrarisch" met een bouwvlak en de functieaanduiding 'intensieve veehouderij'. Daarnaast geldt de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" met de aanduiding 'middelhoge verwachtingswaarde'. Ook is het plangebied aangeduid met de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied GV', en gedeeltelijk met de gebiedsaanduidingen 'overig - kernrandzone' en 'overig - ecologische hoofdstructuur'.

In artikel 3.7 lid 13 van het bestemmingsplan Buitengebied 2012 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om een bouwvlak te splitsen in twee bouwvlakken. Door toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid kan medewerking worden verleend aan het ingediende verzoek voor de Peutweg 1 en 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1247-0002_0002.png"

Afbeelding 2: huidig bouwvlak conform bestemmingsplan Buitengebied 2012

Hoofdstuk 3 PLANBESCHRIJVING

Op het agrarisch perceel Peutweg 1 en 3 te Barneveld zijn twee volwaardige agrarische bedrijven gevestigd. Op het perceel Peutweg 1 is een geitenbedrijf gevestigd en op het perceel Peutweg 3 is een pluimveebedrijf gevestigd. Op grond van het geldende bestemmingsplan Buitengebied 2012 liggen beide bedrijven binnen één agrarisch bouwvlak. Dit plan voorziet in het splitsen van het bouwvlak in twee bouwvlakken overeenkomstig de kadastrale perceelsgrens.

Middels een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan (artikel 3.7 lid 13 van de regels) is het mogelijk om met toepassing van artikel 3.6 van de Wro het bouwvlak te splitsen in twee bouwvlakken, mits:

  • a. er sprake is van twee volwaardige agrarische bedrijven die gevestigd zijn binnen het betreffende bouwvlak;
  • b. er twee vergunde bedrijfswoningen zijn binnen het betreffende bouwvlak, waarbij ieder afzonderlijk functionerend agrarisch bedrijf over een eigen bedrijfswoning beschikt;
  • c. er voor elk van de bedrijven sprake is van een situatie die vanuit milieuoogpunt volledig aanvaardbaar is, waarbij elk van de bedrijven zelfstandig wordt beoordeeld;
  • d. de twee afzonderlijke bedrijven toekomstbestendig kunnen functioneren binnen het aan hen toegekende bouwvlak zonder dat daarvoor een vergroting van dat bouwvlak noodzakelijk is;
  • e. de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad.

Het voorliggende plan voldoet aan de bovengenoemde voorwaarden.

Op het perceel Peutweg 1 is een geitenbedrijf gevestigd en op het perceel Peutweg 3 is een pluimveebedrijf gevestigd. De bedrijven hebben een NGE van resp. 124,7 NGE en 208 NGE en zijn daarmee volwaardige agrarische bedrijven. De twee volwaardige agrarische bedrijven zijn gevestigd binnen het betreffende bouwvlak en kunnen daarmee toekomstbestendig functioneren binnen het toegekende bouwvlak. Zowel de bedrijfswoning op het perceel Peutweg 1 als op het perceel Peutweg 3 is vergund. Daarmee zijn er twee vergunde bedrijfswoningen aanwezig binnen het bouwvlak.

In de toelichting op de milieuaspecten zoals opgenomen in de randvoorwaarden bij deze toelichting volgt dat er sprake is van een situatie die vanuit milieuoogpunt volledig aanvaardbaar is en dat de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad.

Het plan is ruimtelijk aanvaardbaar. Verder blijft de totale oppervlakte van de twee nieuwe bouwvlakken alsook de vorm en grootte van de twee nieuwe bouwvlakken gelijk aan het bestaande bouwvlak.

Hoofdstuk 4 BELEIDSKADER

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het relevante beleidskader. Het gaat om beleid en beleidsnota's die direct dan wel indirect doorwerken in het bestemmingsplan of invloed hebben op de bestemmingsregelingen. Van deze nota's is hierna per bestuursniveau een beknopte samenvatting gegeven.

4.2 Rijk

4.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In 2012 is de nationale Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze vervangt onder andere de Nota Ruimte.

De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze van invloed zijn op de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is de ministeriële regeling. Op 30 december 2011 zijn het Barro en de Rarro in werking getreden. In Barneveld zijn het Barro en de Rarro van toepassing in verband met de aanwezige militaire terreinen.

Het Rijk heeft drie doelen gekozen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Doorwerking in plangebied

In dit geval is geen sprake van één van deze 13 nationale belangen. De SVIR vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig plan.

4.3 Provincie

4.3.1 Structuurvisie

De Structuurvisie Gelderland (voorheen: Streekplan Gelderland 2005) geeft de beleidskaders op hoofdlijnen voor de ruimtelijke ontwikkeling tot 2015. De provincie wil meer ruimtelijke ontwikkelingen in regionaal verband afstemmen, waardoor de ruimtelijke kwaliteiten worden versterkt en zuinig en zorgvuldig met de ruimte wordt omgegaan. Het Streekplan is op een aantal onderdelen verder uitgewerkt in Streekplanuitwerkingen (EHS, Nationale en waardevolle landschappen en Groei & Krimp).

Op de kaart Ruimtelijke Structuur van het streekplan, is het plangebied gedeeltelijk aangewezen als 'multifunctioneel platteland' en gedeeltelijk als 'EHS verbindingszone'.

Het multifunctionele gebied beslaat het grootste deel van de provincie. Dit gebied omvat de steden, dorpen, buurtschappen buiten de provinciaal ruimtelijke hoofdstructuur, waardevolle landschappen en het multifunctioneel platteland. In het provinciaal planologisch beleid wordt op deze gebieden geen expliciete provinciale sturing gericht.

De 'EHS' verbindingszone maakt onderdeel uit van de ecologische hoofdstructuur. Door de vergroting van natuurgebieden, de ontwikkeling van nieuwe natuurgebieden en de aanleg van ecologische verbindingszones ontstaat het beoogde samenhangende netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurrijke cultuurlandschappen. Hoofddoel van het ruimtelijk beleid voor de EHS is het bijdragen aan een samenhangend netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurrijke cultuurlandschappen door bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige bijzondere ruimtelijke waarden en kenmerken.

Binnen de EHS geldt de 'nee, tenzij'-benadering. Dit houdt in dat bestemmingswijziging niet mogelijk is als daarmee de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant worden aangetast, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Bij bestemmingsplanwijzigingen die leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden van de EHS-natuur moet in hetzelfde bestemmingsplan voorzieningen worden getroffen waarmee de schade zoveel mogelijk wordt beperkt door mitigerende maatregelen.

Doorwerking in plangebied

Het plangebied behoort gedeeltelijk tot een ecologische verbindingszone. Het ligt nabij de rijksweg A30, de spoorlijn Amersfoort-Apeldoorn en industrieterrein Harselaar-west. Het is een verweven gebied. Met de voorgenomen splitsing van het agrarisch bouwvlak zullen de kernkwaliteiten ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Het huidige bouwvlak wordt niet vergroot. Er worden geen landschapselementen verwijderd. Met uitvoering van het beplantingsplan (dat is opgenomen in bijlage 1 van dit plan) worden er juist landschapselementen toegevoegd.

Dit plan brengt geen aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied met zich mee. Het plan is daarmee niet in strijd met de structuurvisie.

4.3.2 Ruimtelijke Verordening Gelderland

In december 2010 is de Ruimtelijke Verordening Gelderland vastgesteld en in juni 2012 heeft een eerste herziening plaatsgevonden. De verordening is gebaseerd op reeds vastgesteld ruimtelijk beleid, zoals het 'Streekplan Gelderland 2005'. De verordening vormt derhalve een beleidsneutrale vertaling van reeds vastgesteld ruimtelijk beleid. Dit betekent dat de verordening geen beleidswijzigingen bevat. Met de ruimtelijke verordening heeft de provincie regels gesteld aan bestemmingsplannen. Hierbij richt de provincie zich op onderwerpen die van provinciaal belang zijn, zoals de (nationale) landschappen, EHS, recreatie, verstedelijking, recreatie, glastuinbouw en water. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale structuurvisie. Gemeenten krijgen op sommige terreinen meer beleidsvrijheid, terwijl ze op andere gebieden te maken krijgen met strikte provinciale richtlijnen.

Het plangebied in voorliggend bestemmingsplan is op de kaarten behorende bij de verordening aangeduid als "nieuwe bebouwing buitengebied" en gedeeltelijk als 'EHS verbindingszone'.

In artikel 2.3 van de regels van de verordening is bepaald dat nieuwe bebouwing die functioneel gebonden is aan het buitengebied, mogelijk is binnen het gebied met de aanduiding 'nieuwe bebouwing buitengebied'.

In artikel 19 van de regels van de verordening is bepaald dat in een gebied gelegen binnen de EHS geen bestemmingen toegestaan worden waardoor de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant worden aangetast. Voor bestemmingen in EHS-gebied met de functies "verweving" en "verbindingszone" kunnen bestemmingen worden toegestaan, mits door deze bestemmingsherzieningen en de op basis daarvan mogelijk gemaakte ontwikkelingen wordt bijgedragen aan de realisering van natuurdoelen, waarbij de kernkwaliteiten zoveel mogelijk worden ontzien. De ingreep en de realisatie van de natuurdoelen moeten gelijktijdig worden gerealiseerd.

Doorwerking in plangebied

In het onderhavige plan gaat het om een splitsing van een bestaand agrarisch bouwvlak, waarbij het bouwvlak niet wordt vergroot. Zoals reeds in paragraaf 4.3.1 is toegelicht, brengt dit plan geen aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied met zich mee. Door het toevoegen van landschapselementen conform het bijgevoegde beplantingsplan, wordt de natuurwaarde ter plaatse juist vergroot.

Het verzoek past daarmee binnen het beleid zoals opgenomen in de verordening.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1247-0002_0003.png"

Afbeelding 3: Ruimtelijke Verordening Gelderland

4.3.3 Reconstructieplan Gelderse Vallei/Utrecht-Oost

De Reconstructiewet concentratiegebieden 2002 schrijft een zonering van de intensieve veehouderij voor. Dit zoneringsbeleid is er op gericht te bereiken dat intensieve veehouderijbedrijven in de toekomst in gebieden gelokaliseerd zijn die goed geschikt zijn voor intensieve veehouderij. Hiermee wordt voor verzuring gevoelige natuur ontlast. De Reconstructiewet concentratiegebieden 2002 geeft aan dat het reconstructieplan een beschrijving moet bevatten van de ruimtelijke indeling van het reconstructiegebied in drie zones. Deze indeling heeft vooral betrekking op het ruimte bieden aan of ontwikkelingsruimte weghalen van intensieve veehouderij. Voor grondgebonden bedrijven (melkveehouderij, schapen, paarden, akkerbouw, tuinbouw) zonder intensieve veehouderijtak stelt het reconstructieplan, conform de Reconstructiewet concentratiegebieden 2002, geen beperkingen aan de ontwikkelingsruimte. Voor deze grondgebonden bedrijven gelden de bepalingen van het op enig moment vigerende ruimtelijke en milieubeleid van gemeente en provincie.

Intensieve veehouderij en zeer kwetsbare natuur gaan moeilijk samen. Bedrijven kunnen zich niet voldoende ontwikkelen en de hoge uitstoot van ammoniak bedreigt de natuur. Het reconstructieplan heeft tot doel veehouderij en kwetsbare natuur ruimtelijk te scheiden. Hiertoe zijn drie zones vastgesteld: extensiveringsgebieden, verwevingsgebieden en landbouwontwikkelingsgebieden.

In het Reconstructieplan Gelderse Vallei/Utrecht-Oost (GVUO), binnen de beleidskaart "Reconstructiezonering Intensieve Veehouderij", is het perceel Peutweg 1-3 gelegen in het zogenaamde verwevingsgebied. In het verwevingsgebied mogen verschillende functies zoals landbouw, wonen en natuur naast elkaar bestaan. Uitbreiding van intensieve veehouderij is mogelijk mits de ruimtelijke kwaliteit of functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten.

Het plan is in overeenstemming met de uitgangspunten van het reconstructiebeleid.

4.4 Gemeente

4.4.1 Structuurvisie Buitengebied Barneveld

De Structuurvisie Buitengebied Barneveld is op 21 september 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. In de Structuurvisie wordt specifiek ingegaan op onderwerpen als landbouw, recreatie en landschap in de periode tot 2020.

Met deze Structuurvisie Buitengebied biedt de gemeente Barneveld ruimte voor economische ontwikkeling in samenhang met behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteiten landschap, natuur, woon- en leefmilieu. Ontwikkelingen in de landbouw en bij recreatieve bedrijven zijn van grote invloed op de omgevingskwaliteiten natuur, landschap en woon- en leefomgeving. Deze omgevingskwaliteiten zijn ook de belangrijkste vestigingsfactoren voor het buitengebied. Initiatieven beoordeelt de gemeente daarom mede op de mate waarin ze bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteit, bijvoorbeeld effecten op lanschap (beeldkwaliteit), woon en leefmilieu, verkeer en natuur. Dit moet leiden tot een landschappelijk fraai buitengebied met goed ingepaste ontwikkelingen. Een buitengebied dat op die manier wordt ingericht is een aangename plek om te werken en te recreeren. De structuurvisie beoogt daarbij ontwikkelingsruimte te bieden aan goede initiatieven en wil een basis zijn voor samenwerking om die te realiseren.

Bovenstaande aanpak geldt voor het hele buitengebied. Daarnaast worden deelgebieden onderscheiden met beleidsaccenten op grond van landschappelijke kenmerken en zones op grond van een specifieke functie (zie bijlage 8 van de Structuurvisie). Per deelgebied en zone is een ontwikkelingsrichting met kwaliteitsbeeld beschreven. Het kwaliteitsbeeld vormt het ruimtelijk toetsingskader. Het stelt eisen die richtinggevend zijn voor ruimtelijke ontwikkeling. De (minimum)eisen zijn kaderstellend voor het bestemmingsplan.

Het deelgebied waarin het plangebied is gelegen is aangeduid als "stedelijke zone". Deze zone is primair bedoeld voor de opvang van woningbouw tussen Barneveld en Voorthuizen. Daarnaast zijn ook andere ontwikkelingen mogelijk mits goed ingepast. Binnen de stedelijke zone is geen uitbreiding van intensieve veehouderij toegestaan.

Doorwerking in plangebied

In het onderhavige plan gaat het om een splitsing van een bestaand agrarisch bouwvlak voor intensieve veehouderij, waarbij het bouwvlak niet wordt vergroot. Het gaat niet om een uitbreiding van intensieve veehouderij. Het verzoek past daarmee binnen het beleid zoals opgenomen in de structuurvisie.

Hoofdstuk 5 RANDVOORWAARDEN

5.1 Bodem

Beoordeeld is of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik.

Het plan voorziet in het splitsen van het agrarisch bouwvlak op het perceel Peutweg 1 en 3 in twee agrarische bouwvlakken overeenkomstig de kadastrale perceelgrens.

Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt plaats op basis van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart (BKK) en het bodembeheerplan (BBP). Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald en voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties. Op basis daarvan zijn er geen risico's te verwachten voor de beoogde bestemming en het gebruik.

Indien door welke omstandigheden dan ook toch bodemverontreiniging wordt geconstateerd, dan kan de gemeente op geen enkele wijze voor de gevolgen daarvan aansprakelijk worden gesteld.

5.2 Cultuurhistorie

Sinds januari 2012 hebben gemeenten op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de opdracht om bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening te houden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is gaat het dus ook gelden voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. Dit betekent dat naast archeologie, ook een beschrijving moet worden gegeven van de historische (steden)bouwkunde en historische geografie. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving.

5.2.1 Archeologie
5.2.1.1 Archeologie middelmatige verwachting

Er moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Voor het maken van een weloverwogen belangenafweging is minimaal een archeologisch bureauonderzoek nodig. Voor de gehele gemeente is een archeologische beleidsadvieskaart opgesteld, welke gezien kan  worden als een beknopt bureauonderzoek. Uit de 'archeologische waarden- en verwachtingskaart' van de gemeente blijkt dat binnen het plangebied middelmatige archeologische verwachting geldt.

De gemeenteraad heeft op 28 september 2010 besloten dat voor deze zone nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 1.000 m² voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm.

Bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", 28 mei 2013, heeft de gemeenteraad besloten om de ondergrens van 1.000 m2 te verhogen naar 1.500 m2 in het geval het gaat om een zone met een middelhoge verwachtingswaarde.

Het project valt echter onder deze vrijstelling zodat geen nader onderzoek noodzakelijk is.

Er worden voorwaarden gesteld voor de omgang met archeologie bij de vergunningverlening (waaronder de omgevingsvergunning voor het bouwen en voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden).

Indien bij de uitvoering van werkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 53 van de Monumentenwet 1988 melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de RCE) verplicht.

5.2.2 Historische (steden)bouwkundige waarden

Bij historische (steden)bouwkundige waarden gaat het om gebouwde elementen met bijzondere betekenis, zoals molens, bruggen, kastelen of hele dorpen en binnensteden.

Bij de bouwkundige monumenten is sprake van rijks- en gemeentelijke monumenten. In het buitengebied van de gemeente Barneveld komen zowel rijksmonumenten (27 monumenten en 13 terreinen met 45 grafheuvels) als gemeentelijke monumenten (59 stuks) voor. Het gaat vooral om boerderijen, schuren en woningen maar ook om Kasteel De Schaffelaar. De monumenten staan op een verzamellijst waarvan wordt opgemerkt dat deze lijst een momentopname is.

In het plangebied zijn geen historische (steden)bouwkundige waarden aanwezig zodat dit geen belemmering vormt voor de uitvoering van het plan.

5.2.3 Historisch-geografische waarden

Historisch geografische waarden verwijzen naar de ontstaanswijze en bijzondere plekken van het cultuurlandschap, zoals polders, kavelstructuren, terpen en het landschap van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, maar ook de Veluwe. Dit betreffen de historische karakteristieken van het landschap. Bijzonder waardevol zijn die elementen die al lange tijd in het gebied aanwezig zijn. Vooral historische patronen zijn in dit kader waardevol. Recente elementen die karakteristiek zijn voor een cultuurhistorische landschapspatroon worden niet als object als waardevol gezien, maar als onderdeel van een cultuurhistorisch ensemble/landschapsbeeld.

In het plangebied zijn geen historisch-geografische waarden aanwezig zodat dit geen belemmering vormt voor de uitvoering van het plan.

5.3 Ecologie

De belangrijkste wetten voor natuurbescherming in Nederland zijn de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Beide wetten zijn een Nederlandse vertaling van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De verplichtingen voor bescherming van natuurgebieden zijn overgenomen door de Natuurbeschermingswet 1998, terwijl de Flora- en faunawet zich richt op de bescherming van planten en dieren.

5.3.1 Natuurbeschermingswet 1998

De Natuurbeschermingswet 1998 regelt de bescherming van natuurgebieden in Nederland. Daarnaast regelt deze wet de aanwijzing van natuurgebieden die van nationaal of internationaal belang zijn: Beschermde Natuurmonumenten en Natura 2000-gebieden. De Natuurbeschermingswet 1998 bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in deze beschermde natuurgebieden. Het onderhavige plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied of een beschermd natuurmonument.

Voor het plan is zowel door de provincie Gelderland als de provincie Utrecht een natuurbeschermingswet- vergunning afgegeven. Het plan is niet in strijd met de Natuurbeschermingswet en de Natuurbeschermingswet vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Beide vergunningen zijn opgenomen in bijlage 2 bij dit plan.

5.3.2 Flora- en faunawet

De Flora- en faunawet beschermt plant- en diersoorten in de beschermde natuurgebieden én daarbuiten. Ongeveer 500 soorten in Nederland vallen onder de bescherming van deze wet. Voor de uitvoering van het plan hoeft er niet te worden gesloopt of gebouwd. Het plan is niet in strijd met de Flora- en Faunawet en vormt derhalve niet geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

5.3.3 Ecologische hoofdstructuur

De natuur in Nederland is behoorlijk versnipperd. Om daar verandering in aan te brengen, leggen het Rijk en de provincies sinds 1990 een samenhangend netwerk van grote en kleine natuurgebieden en natuurrijke cultuurlandschappen aan: de ecologische hoofdstructuur (EHS).

Het doel van de ecologische hoofdstructuur is om te komen tot duurzame populaties van kwetsbare planten en diersoorten. Om de planten- en diersoorten gezond en veerkrachtig te houden, moeten ze in verschillende leefgebieden kunnen voorkomen. Dit is belangrijk voor de voortplanting; het bevordert de genetische variatie binnen een soort. Soorten hebben zo meer overlevingskansen en meer uitwisselingsmogelijkheden.

De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de ecologische hoofdstructuur is geregeld in het Streekplan Gelderland. De begrenzing van de EHS is op 1 juli 2009 door Provinciale Staten gewijzigd. Binnen de EHS geldt de 'nee, tenzij'-benadering. Dit houdt in dat bestemmingswijziging niet mogelijk is, als daarmee de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied worden aangetast. Afwijken van deze regel is alleen mogelijk als het maatschappelijk belang groot is en er geen reële alternatieven zijn.

Toch zijn er in de verschillende onderdelen van de EHS nog wel ontwikkelingen mogelijk, met name in de EHS-verweving en –verbinding, op plaatsen waarvoor geen specifieke natuurdoelen zijn. Deze ontwikkelingen moeten dan wel de kernkwaliteiten van de EHS versterken en bijdragen aan het realiseren van de EHS.

Het onderhavige plangebied is op ca. 1 kilometer afstand gelegen van EHS-natuur. Het plangebied ligt wel gedeeltelijk binnen een ecologische verbindingszone.

Het plangebied ligt nabij de rijksweg A30, de spoorlijn Amersfoort-Apeldoorn en industrieterrein Harselaar-west. Het is een verweven gebied. Met de voorgenomen splitsing van het agrarisch bouwvlak zullen de kernkwaliteiten ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Het huidige bouwvlak wordt niet vergroot. Er worden geen landschapselementen verwijderd. Met uitvoering van het beplantingsplan (dat is opgenomen in bijlage 1 van dit plan) worden er juist landschapselementen toegevoegd.

Het plan brengt geen aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied met zich mee.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1247-0002_0004.png"

Afbeelding 4: ligging in EHS

5.4 Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beheersen van risico's die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen in hun omgeving. De risico's moeten aanvaardbaar zijn. Met het oog daarop heeft de rijksoverheid risiconormen vastgesteld waarmee bedrijven, wegbeheerders en vervoerders, maar ook gemeenten en provincies, rekening dienen te houden. Voor situaties waarbij het ontwikkelingsgebied binnen het invloedsgebied van een risicobron ligt, moet het resultaat van een risicoanalyse getoetst worden aan de gestelde risiconormen.

Op de signaleringskaart van de gemeente Barneveld is te zien dat in de omgeving van het plangebied een aardgastransportleiding is gelegen en er vindt vervoer plaats van gevaarlijke stoffen over de A30. Het plan betreft echter alleen het splitsen van een agrarisch bouwvlak die niet de aanwezigheid van kwetsbare groepen mensen vergroot of mogelijk maakt. Externe Veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan.

5.5 Geluid

Bij het opstellen van een bestemmingsplan dienen de bepalingen van de Wet geluidhinder in acht te worden genomen. Dit betekent onder meer dat wanneer in het bestemmingsplan gronden worden bestemd voor nieuwe woningbouw of andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen, moet worden nagegaan of voor deze gronden een geluidszone van kracht is. Alle wegen met uitzondering van 30 km/h zones en woonerven hebben een zone. De zonebreedte is afhankelijk van de situatie binnen- of buitenstedelijk en het aantal rijstroken. Ook alle spoorwegen hebben een zone met een breedte die afhankelijk is van de bezetting. Binnen een zone moet akoestisch onderzoek worden verricht, waaruit blijkt of aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan. Als deze wordt overschreden kan onder bepaalde voorwaarden - onder andere uit het gemeentelijk geluidbeleid - een hogere waarde / hogere waarden worden vastgesteld.

Het plan voorziet alleen in het splitsen van het agrarisch bouwvlak conform de kadastrale perceelsgrens. Er wordt geen geluidgevoelige bestemming toegevoegd. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Een akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

5.6 Geur

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt.

Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 18 oktober 2008, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied.

Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets.

Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

In de directe omgeving van het plangebied zijn de woningen Peutweg 5, 7 en 6 gelegen. Uit een uitgevoerde geurberekening blijkt dat de geurbelasting onder de, in de Verordening geurhinder en veehouderij voor dit deelgebied opgenomen norm van 14 ou blijft.

Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij moet er een minimale afstand van 25 meter aangehouden worden tussen de aanwezige bedrijfswoningen en de dierenverblijven van naburige veehouderijen. De afstand tussen de bedrijfswoning Peutweg 1 en het dichtsbijgelegen dierenverblijf (schuur C) van Peutweg 3 bedraagt 21 meter. In deze schuur zal een fysieke scheiding worden gemaakt tussen het dierenverblijf en een te realiseren berging (de eerste 4 meter van stal C grenzend aan de zijde van woning Peutweg 1 tot aan het woongedeelte van Peutweg 3 wordt berging) zodat aan de afstand van 25 meter wordt voldaan. Aan de afstand tot het emissiepunt wordt voldaan. Deze bedraagt 50 meter.

De bedrijfswoning Peutweg 3 is op circa 50 meter van de opstallen van het perceel Peutweg 1 gelegen. Hiermee wordt aan de Wet geurhinder en veehouderij voldaan.

Het aspect geur vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

5.7 Ladder voor duurzaamheid

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:

  • 1. voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte;
  • 2. kan binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio in de behoefte worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins;
  • 3. wanneer blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld (m.a.w. zorgen voor optimale inpassing en bereikbaarheid).

Het onderhavige wijzigingsplan betreft geen nieuwe stedelijke ontwikkeling waarop de ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing is. Het plan voorziet in een ontwikkeling in het landelijk gebied, namelijk het splitsen van een agrarisch bedrijfsbestemming. Om deze reden is in deze toelichting geen onderbouwing aan de hand van de ladder voor duurzame verstedelijking noodzakelijk.

5.8 Leidingen

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van onderhavig plan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen straalpaden of laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.

Dit aspect vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

5.9 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, het betreft alleen het splitsen van het agrarisch bouwvlak in twee bouwvlakken overeenkomstig de kadastrale perceelsgrens, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht.

5.10 Milieueffectrapportage

Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen.

De wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden.

Er zijn twee sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan:

  • 1. Plan- en/of besluit m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage;
  • 2. plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied.

De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.

Voor de vraag of een bestemmingplan besluit m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingspichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd.

Als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, geldt dat moet worden beoordeeld of een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Als dat het geval is, geldt alsnog een m.e.r.-plicht.

Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden.

Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk.

In dit geval is de activiteit niet m.e.r.-plichtig want er is voor het plan geen passende beoordeling nodig en de activiteit komt niet voor op de lijst in onderdeel C of D van het Besluit milieueffectrapportage.

5.11 Milieuzonering

Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen.

In de directe omgeving van het plangebied zijn de woningen Peutweg 5, 7 en 6 gelegen alsook de Peutweg 1 voor de Peutweg 3 en de Peutweg 3 voor de Peutweg 1. Uit een uitgevoerde fijnstofberekening blijkt dat de bedrijven onder het aantal overschreidingsdagen van 35 en de norm van 40 mu blijven.

Milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.  

5.12 Natuur en landschap

De waardevolle elementen bevinden zich met name langs de gemeentelijke wegen en de rijksweg A1.

Zeer waardevolle beplantingen op de gronden van verzoekers zijn de laanbomen langs de toegangsweg en de restanten (een aantal bomen) van een boerengeriefhoutbos op het erf.

De opsplitsing van de percelen kan plaatsvinden zonder dat daarvoor (waardevolle) houtopstanden behoeven te worden gekapt. Eventuele compensatie is dan ook niet nodig.

Landschappelijke inpassing

Voor zowel Peutweg 1 als Peutweg 3 is het van belang dat beide bedrijven beter landschappelijk worden ingepast. Initiatiefnemers hebben voor de landschappelijke inpassing dan ook een beplantingsplan laten opstellen en laten uitvoeren. Het beplantingsplan is als bijlage 1 bij dit plan opgenomen.

5.13 Veiligheid

Om een veilige omgeving te creëren of te behouden zijn er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld.

Bereikbaarheid

De bereikbaarheid is voldoende. Er wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in de handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid.

Bluswatervoorziening

De dichtsbijzijnde primaire bluswatervoorziening bevindt zich op een afstand van ca. 130 meter vanaf de bebouwing van de Peutweg 1-3. Dit mag niet meer dan 40 meter zijn. Ook is er in de nabije omgeving (binnen 320 meter) geen secundaire bluswatervoorziening aanwezig. Het huidige niveau van aanwezige bluswatervoorziening is een geaccepteerd niveau. Op dit moment worden er geen nadere eisen voor bluswatervoorziening geeist. Bij een eventuele bouwaanvraag voor een stal of andere bouwwerken zal de afweging opnieuw gemaakt moeten worden of een secundaire voorziening noodzakelijk is.

Dekkingsplan

Er worden eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio's ( 1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio's. In het Besluit zijn de tijdsnormen voor de opkomsttijden vastgelegd. Voor het adres Peutweg 1-3 is de opkomstnorm 8 minuten. Het agrarische bouwvlak is zo gelegen dat de werkelijke opkomsttijd 5,26 minuten bedraagt. De norm wordt niet overschreden.

Het aspect veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

5.14 Verkeer

Het plan betreft het splitsen van het agrarisch bouwvlak in twee bouwvlakken overeenkomstig de kadastrale perceelsgrens. Het plan heeft geen gevolgen voor de parkeervraag, de verkeersveiligheid en de bereikbaarheid en vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

5.15 Water

Om water als één van de principes voor de ruimtelijke ordening verder te ontwikkelen, heeft de Commissie Waterbeheer 21e eeuw doelstellingen geformuleerd om water prominenter in beeld te krijgen. Één van die doelstellingen is het uitvoeren van een 'Watertoets' bij alle ruimtelijke plannen en besluiten. Hiertoe dient de initiatiefnemer van een plan de waterbeheerder vroegtijdig bij de planvorming te betrekken. Het betreft het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel is om te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De resultaten van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder worden verwoord in de waterparagraaf.

Het plan betreft het splitsen van het agrarisch bouwvlak in twee bouwvlakken overeenkomstig de kadastrale perceelsgrens. Er vinden verder geen (bouw)activiteiten plaats, waardoor er een toename aan verhard oppervlak zou ontstaan. Het verzoek heeft geen consequenties voor de waterhuishouding of de riolering. Het aspect water vormt daarom geen belemmeringen voor de uitvoering van dit plan.

Hoofdstuk 6 JURIDISCHE ASPECTEN

6.1 Inleiding

De wet ruimtelijk ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewrkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder gaval moet bestaan. dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het na het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Barneveld. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan.

Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instumentarium voor het regelen van het gebruikt van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

Dit wijzigingsplan is gebaseerd op het moederplan "Buitengebied 2012". Ook de regels van de partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 zijn van toepassing. Die partiële herziening is door de raad op 25 februari 2014 vastgesteld. Ook de tweede partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012, zoals deze door de raad op 8 juli 2014 is vastgesteld, is van toepassing.

Het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2012" kent in artikel 3.7 lid 13 een wijzigingsbevoegdheid waarbij één bouwvlak kan worden gesplitst in twee bouwvlakken. Dit wijzigingsplan voorziet hierin.

De regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" met inbegrip van de wijzigingen en herzieningen daarin zijn overeenkomstig van toepassing.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

Hoofdstuk 1: inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten);

Hoofdstuk 2: bestemmingsregels;

Hoofdstuk 3: algemene regels (zoals de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels);

Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

7.1 Grondexploitatie

Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. Tijdens haar vergadering van 27 april 2010 heeft de gemeenteraad de bevoegdheden tot het al dan niet vaststellen van een exploitatieplan bij een besluit tot wijzigen van het bestemmingsplan gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders.

Het plan bestaat uit het splitsen van het agrarisch bouwvlak op de percelen Peutweg 1 en 3 in twee bouwvlakken overeenkomstig de kadastrale perceelsgrens. Doordat het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderzins verzekerd is, het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is en het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels niet noodzakelijk is, behoeft het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 6.12, tweede lid Wro in dit geval geen exploitatieplan vast te stellen.

De kosten voor het opstellen van het plan worden gedekt door het heffen van leges. Voor de kosten van tegemoetkoming in schade, bedoeld in artikel 6.1 van de Wro (planschade) is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. Er zijn bij dit plan geen andere kosten die in een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst opgenomen moeten worden.

Hoofdstuk 8 OVERLEG EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart (artikel 3.8 Wro).

8.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Gelet op de omvang en de aard van de wijziging van het bestemmingsplan is afgezien van overleg met de verschillende instanties in het kader van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening.

8.2 Zienswijzen

Het ontwerp wijzigingsplan heeft van 31 oktober tot en met 11 december 2014 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken zijn geen reacties ingediend.