direct naar inhoud van Artikel 23 Algemene aanduidingsregels
Plan: Bestemmingsplan Klarendal - Sint Marten 2012
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0202.735-0301

Artikel 23 Algemene aanduidingsregels

23.1 Waardevolle boom

Ter plaatse van de aanduiding 'Waardevolle boom' zijn de gronden, naast de aldaar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van monumentale en waardevolle bomen.

23.1.1 Bouwregel

Ter plaatse van de aanduiding 'waardevolle boom' mag niet worden gebouwd, dien verstande dat reeds bestaande bebouwing op moment van vaststelling mag worden gehandhaafd.

23.1.2 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in lid 23.1.1 bepaalde ten behoeve van het verkleinen van de genoemde afstand tot ten minste 5 meter uit het hart van de boom, mits dit geen wezenlijke negatieve gevolgen heeft voor de boom.

23.1.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het kappen van de boom;
  • b. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • c. de aanleg van leidingen;
  • d. het egaliseren, ophogen, verharden en afgraven van gronden binnen 5 meter uit het hart van een waardevolle boom.
23.1.4 Uitzonderingen omgevingsvergunningsplicht

De in lid 23.1.3 vervatte verboden gelden niet voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden:

  • a. die van geringe omvang zijn, dan wel het normale onderhoud en beheer betreffen;
  • b. welke op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, in uitvoering zijn.
23.1.5 Toelaatbaarheid werken en werkzaamheden

Werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 23.1.3 zijn slechts toelaatbaar, indien door die werken en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, de waarde of functie van de in lid 23.1 bedoelde gronden, die het plan beoogt te beschermen, niet onevenredig wordt of kan worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarde of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.