direct naar inhoud van Toelichting
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22av Molenstraat 120
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.tam0049-vas1

Toelichting

1 Inleiding

1.1 Aanleiding

HP Beheer BV uit Rijswijk (hierna: initiatiefnemer) is voornemens de gronden aan het adres Molenstraat 120 te Apeldoorn te ontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Op de gronden bevindt zich momenteel een schoolgebouw met oorspronkelijk bouwjaar 1920. De herontwikkeling vindt deels plaats door transformatie van de bestaande bebouwing en deels in nieuwe bebouwing. Het programma bestaat uit 7 appartementen in het voormalig schoolgebouw, 8 rijwoningen langs het noordelijk hof en 10 rijwoningen aan de zuidelijke zijde van het plangebied. Parkeergelegenheid voor auto's en fietsen wordt op het terrein gerealiseerd en daarnaast krijgt het terrein een groene invulling.

Op de locatie geldt het 'Omgevingsplan gemeente Apeldoorn' (in werking vanaf 12 maart 2026). Onderdeel daarvan, opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, is het bestemmingsplan 'Stadsdeel Noord-Oost' (vigerend 9 maart 2011). Het planinitiatief op het betreffende terrein past niet binnen de gebruiks- en bouwregels van het omgevingsplan, daarmee is er sprake van strijdigheid met het omgevingsplan. Het project kan daarom alleen worden gerealiseerd als medewerking wordt verleend aan het afwijken van het bestemmingsplan, en daarmee het (tijdelijk deel) omgevingsplan. Om af te wijken van het planologisch regime dient een wijziging van het omgevingsplan te worden toegepast middels een TAM-IMRO procedure. Onderdeel van deze procedure is onderhavige ETFAL-motivering.

In voorliggende ETFAL-motivering wordt aangetoond dat er met de plannen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL), daarmee wordt voldaan aan de wettelijke eisen zoals gesteld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied, plaatselijk bekend als Molenstraat 120 te Apeldoorn, staat kadastraal bekend als kadastrale gemeente Apeldoorn, sectie M, perceelnummer 7992 en perceelnummer 3380.

Het plangebied is gelegen in wijk Oost te Apeldoorn. De directe omgeving kenmerkt zich door gemengde functies. Ten noorden van het plangebied staan zowel woningen, een woonwagen park en een bedrijf. Ten oosten van het plangebied staan woningen en een bedrijf voor metaalbewerking. Ten zuiden van het plangebied staan woningen en een kavel met een woning en bedrijfsfunctie. Tot slot staan ten westen van het plangebied woningen.

Onderstaande afbeeldingen geven een weergave van de directe omgeving van het plangebied en wijdere omgeving van het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0049-vas1_0001.png"

Figuur 1: ligging van het plangebied (plangebied binnen het rode vak) (bron: pdok)

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0049-vas1_0002.png"

Figuur 2: omgeving van het plangebied (plangebied binnen het rode vak) (bron: pdok)

1.3 Geldend omgevingsplan

Het plangebied is gelegen binnen het omgevingsplan 'Omgevingsplan gemeente Apeldoorn' (hierna: omgevingsplan). Het omgevingsplan bestaat uit een nieuw en tijdelijk deel. Het nieuwe deel van het omgevingsplan is momenteel nog leeg. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de bruidsschatregels en de regels uit de bestaande ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen.

1.3.1 Tijdelijk deel: De Bruidsschat

Van rechtswege opgenomen in het tijdelijk deel is de bruidsschat (hoofdstuk 22 van het omgevingsplan). Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet verhuist een aantal regels van het rijk naar de gemeente door middel van de bruidsschat. De regels uit de bruidsschat zijn automatisch in het tijdelijk deel van het omgevingsplan geland. Hierdoor worden de bruidsschatregels niet meer op rijksniveau geregeld, maar lokaal. De gemeenten dienen vervolgens zelf een afweging te maken hoe zij de onderwerpen uit de bruidsschat willen regelen en wat zij wel en niet over willen nemen in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

Van belang is dat regels moeten voldoen aan artikel 4.2 lid 1 van de Omgevingswet: de regels moeten nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bovendien moeten de regels voldoen aan de instructieregels voor omgevingsplannen die zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De regels uit de bruidsschat zijn beleidsneutraal overgenomen, hierdoor voldoen niet alle bruidsschat regels aan het Bkl. Dat betekent dat de gemeenten in ieder geval die artikelen moeten gaan omzetten of schrappen. Dit geldt onder meer voor de instructieregels voor trillingen van geluid (paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl).

Doorwerking planinitiatief

Indien noodzakelijk wordt in hoofdstuk 3 per omgevingsaspect getoetst aan de bruidsschatregels.

Voorts worden de instructieregels van het Bkl aangehouden, zodat later het verwerken van het TAM-omgevingsplan in het omgevingsplan probleemloos kan worden uitgevoerd.

1.3.2 Tijdelijk deel: Ruimtelijke plannen

Op grond van artikel 22.1 onder a van de Omgevingswet gelden de regels uit voormalige ruimtelijke plannen van rechtswege voor het tijdelijke omgevingsplan na het in werking treden van de Omgevingswet. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de terminologie veranderd. Onder de Omgevingswet spreekt men niet meer van 'bestemmingen' maar 'functies'. Om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de huidige wetgeving wordt in voorliggende goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving waar mogelijk niet meer gesproken over 'bestemmingen' maar 'functies'. Voor een goede leesbaarheid worden de geldende bestemmingen nog wel 'bestemming' genoemd.

Bestemmingsplan 'Stadsdeel Noord-Oost'

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Stadsdeel Noord-Oost'. Het bestemmingsplan is opgenomen in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Apeldoorn. Figuur 3 laat een uitsnede van het bestemmingsplan zien met relevante bestemmingen en aanduidingen. Onderstaand is nader getoetst aan het bestemmingsplan.

Bestemming 'Maatschappelijk' (artikel 2.9)

Voor het gehele perceel geldt de bestemming 'maatschappelijk'. De gronden met bestemming maatschappelijk zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen in de categorieën 1 en 2 (zoals vermeld in de bij het bestemmingplan horende lijst van toegelaten maatschappelijke voorzieningen), tuin en/of erf, speelplaatsen, evenementen en nutsvoorzieningen met de daarbij behorende bouwwerken, waaronder begrepen ten hoogste één dienstwoning, en parkeervoorzieningen. Ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende toegestane bouw- en goothoogtes:

  • a. Maximale bouwhoogte 12 meter, maximale goothoogte 6 meter

Dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie' (artikel 2.25)

De voor 'Waarde – Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de aldaar voorkomende hoofdbestemming, mede bestemd voor gronden met een archeologische verwachtingswaarde. De bestemming archeologie wordt verder toegelicht in paragraaf 4.3.

Lettertekenaanduidingen 'bijzondere boom'

In het plangebied bevinden zich twee aanduidingen (3 bomen) die als bijzondere boom zijn aangewezen. Bijzondere bomen vinden hun voornaamste bescherming in de Algemene plaatselijke Verordening, waarin is bepaald dat het verboden is om zonder vergunning bomen te kappen en dat er geen vergunning tot het kappen van bijzondere bomen wordt afgegeven, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, noodtoestand of andere uitzonderlijke situatie. Met voorliggend planinitiatief blijven de bomen onaangeroerd en zal de aanduiding geen verdere belemmering opleveren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0049-vas1_0003.png"

Figuur 3: uitsnede omgevingsplan 'Stadsdeel Noord-Oost'

Doorwerking plangebied

De gewenste ontwikkeling is in strijd met de enkelbestemming 'Maatschappelijk' (artikel 2.9, lid 1). Het gebruik van de gronden ten behoeve van wonen is niet opgenomen in de gebruiksactiviteiten van de bestemming 'Maatschappelijk'. Ook wordt er niet ten dienste van de bestemming 'Maatschappelijk' gebouwd.

Daarnaast is het planinitiatief eveneens in strijd met de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan doordat het bestaande bouwvlak wordt overschreden (artikel 2.9, lid 2). Dit resulteert in een overschrijding van de vastgestelde bouwmogelijkheden binnen de huidige planologische kaders.

Het planinitiatief is daarmee in strijd met de gebruiks- en bouwactiviteiten behorende bij de bestemming 'Maatschappelijk'.

Bestemmingsplan 'Parapluherziening begeleid wonen digitale plannen'

Daarnaast vigeert het bestemmingsplan 'parapluherziening begeleid wonen digitale plannen'. Met de herziening wordt deze beperking geschrapt, zodat mensen met ambulante begeleiding makkelijker in reguliere woningen kunnen wonen. Het doel is om de integratie van mensen met zorgbehoeften te bevorderen en aan te passen aan de actuele jurisprudentie en beleidsdoelen.

Doorwerking plangebied

De parapluherziening is niet relevant voor onderhavig planinitiatief, aangezien deze herziening specifiek gericht is op de regeling voor begeleid wonen en niet op de transformatie van onderwijsgebouwen naar woonbestemmingen. De herontwikkeling valt buiten het toepassingsgebied van deze herziening, zodoende is het planinitiatief niet strijdig met het bestemmingsplan.

Bestemmingsplan 'Parapluherziening parkeren'

Daarnaast vigeert het bestemmingsplan 'parapluherziening parkeren'. In dit bestemmingsplan wordt geborgd dat voor iedere ruimtelijke ontwikkeling voldoende parkeervoorzieningen worden gerealiseerd.

Doorwerking plangebied

In paragraaf 4.14, verkeer en parkeren, wordt er dieper ingegaan op de parkeernormen. Voor onderhavig plan geldt dat het aspect parkeren geen belemmering zal vormen.

Bestemmingsplan 'TAM-voorbereidingsbesluit voorbeschermingsregels kamerverhuurpanden'

In het bestemmingsplan 'TAM-voorbereidingsbesluit voorbeschermingsregels kamerverhuurpanden' is opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten voor het omzetten en het daarna omgezet houden van een zelfstandige woonruimte in drie of meer onzelfstandige woonruimtes dan wel zelfstandige woonruimte als kamerverhuurpand te exploiteren of te doen exploiteren.

Doorwerking plangebied

Het exploiteren van de gronden ten behoeve van kamerverhuurpanden valt buiten onderhavig project. Het planinitiatief is zodoende niet in strijd met dit bestemmingsplan.

1.4 Planproces

Een TAM-omgevingsplan doorloopt de procedure zoals bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb). Het ontwerp-TAM-omgevingsplan wordt voor advies voorgelegd aan het Rijk, de provincie, het waterschap en andere ketenpartners. De binnengekomen reacties van de ketenpartners worden verwerkt in het TAM-omgevingsplan.

Tijdens de tervisielegging van het ontwerp-TAM-omgevingsplan kan eenieder schriftelijk of mondeling een zienswijze kenbaar maken. De ingediende zienswijzen worden afgewogen in het vast te stellen TAM-omgevingsplan.

Het vastgestelde TAM-omgevingsplan wordt ter inzage gelegd. Gedurende deze terinzagelegging kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1.5 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt de huidige en nieuwe situatie beschreven. In hoofdstuk 3 wordt getoetst of het plan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het planinitiatief wordt getoetst aan de beleidskaders en gestelde instructieregels van het Rijk, de provincie en het gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse milieu- en omgevingsaspecten en onderbouwd op welke manier de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het planinitiatief. Hoofdstuk 6 weergeeft de juridische opzet van het TAM-omgevingsplan. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 een conclusie gegeven.

2 Bestaande en toekomstige situatie

2.1 Bestaande situatie

Het plangebied is gelegen in stadsgedeelte Oost te Apeldoorn. In de huidige situatie bevindt zich in het zuidelijk deel van het perceel een schoolgebouw uit 1920 met een aanbouw uit 1993. In het noordelijk deel van het perceel bevindt zich een verharde parkeerplaats. De rest van het plangebied bestaat voornamelijk uit groen. Onderstaande figuren geven een indruk van de bestaande situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0049-vas1_0004.png"

Figuur 4: plattegrond bestaande situatie (bron: Bureau Kroner architecten)

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0049-vas1_0005.png"

Figuur 5: vooraanzicht plangebied (bron: Google Maps)

2.2 Toekomstige situatie

Het ontwerp heeft drie speerpunten. De eerste is het behoud en hergebruik van het oorspronkelijke schoolgebouw waarin 7 appartementen worden gerealiseerd. Op de tweede plek is behoud van monumentale bomen aan de Molenstraat met ten zuiden daarvan 8 hofwoningen. Ten derde wordt achter het schoolgebouw de aanbouw uit 1993 gesloopt en wordt daarmee plek gecreëerd voor 10 eengezinswoningen in het zuidelijk deel van het plangebied. In totaal worden er 25 woningen gerealiseerd, waarvan 30% middeldure koop categorie 1, 40% middeldure koop categorie 2 en 30% dure koop:

  • 8 hofwoningen, 1 laag + kap;
  • 7 appartementen in het bestaande schoolgebouw;
  • 10 eengezinswoningen, 2 laag + kap.

De twee meest noordelijke hofwoningen krijgen een kaveloppervlak van circa 240 m2 en circa 162 m2, waarvan de tuin een oppervlak van 190 m2 en 110 m2 beslaat. De 6 overige hofwoningen aan de noordelijke zijde krijgen een kaveloppervlak tussen 77 m2 en 97 m2 waarvan de tuin tussen de 27 m2 en de 45 m2 beslaat.

Een van de appartementen in het bestaande schoolgebouw krijgt een oppervlak van 68 m2. De overige appartementen in het schoolgebouw hebben een oppervlak tussen de 50 m2 en 56m2.

De 10 eengezinswoningen in het zuiden van het plangebied krijgen een gevarieerd kaveloppervlak. 4 woningen krijgen een oppervlak van 93 m2, 2 woningen krijgen een oppervlak van 105 m2, 2 woningen krijgen een oppervlak van 114 m2 en 2 woningen krijgen een oppervlak van 119m2 (alle oppervlaktes zijn in GO). De westelijke hoekwoningen krijgt een tuin met een oppervlak van circa 260 m2 en de oostelijke hoekwoning beschikt over een tuin van 160 m2. De tussenliggende woningen hebben een tuin met een oppervlak tussen de 50 m2 en 70 m2. Tot slot beschikken de eengezinswoningen aan de zuidelijke zijde over een berging aan de rand van de tuin die bereikbaar is via een achterpad. Zie ook bijlage 1 voor de volledige verkaveling.

Parkeren wordt op het terrein zelf geregeld. In het plan zijn 38 parkeerplaatsen opgenomen. De parkeervakken krijgen een open bestrating zoals te zien in het inrichtingsplan. Aan weerszijde van het plein aan de noordelijke zijde worden 10 parkeerplaatsen gerealiseerd en aan de rand van het terrein naast het appartementencomplex worden de overige parkeerplaatsen gerealiseerd.

Door het plangebied is een weg gelegen met open bestrating.

Door de grote hoeveelheid bomen in het plangebied zal een aantal bomen gekapt worden. In totaal staan er 92 bomen in of direct naast het plangebied (de bomen op het kavel zuidelijk van de planlocatie zijn ingemeten op verzoek van de eigenaar van het buurkavel uit zorg voor de veiligheid en worden meegenomen in de planvorming. Er blijven 66 bomen behouden, waarvan er 19 worden teruggesnoeid en 2 bomen worden verplant. 2 bomen zijn omgewaaid en 24 bomen moeten worden gekapt. Er worden 24 nieuwe bomen geplaatst. Zie ook bijlage 2 met de bomeninventarisatie ten opzichte van onderhavig planinitiatief.

Onderstaand figuur is een uitsnede van het inrichtingsplan opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0049-vas1_0006.png" Figuur 6: doorsnede toekomstig plangebied (bron: Bureau Kroner architecten)

3 Beleid en regelgeving

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het voor onderhavig planinitiatief relevante ruimtelijke beleid op Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Dit beleidskader vormt de formele basis voor ontwikkelingen in het plangebied is en daarnaast een onderbouwing voor de beleidskeuze die in het plan zijn gemaakt.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Nationale omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. De NOVI moet Nederland voorbereiden op de grote uitdagingen die de komende jaren opgepakt moeten worden. Internationale tot lokale ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering zijn voorbeelden van deze opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Ruimte, zowel boven- als ondergronds, is een schaars goed.

Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking.

De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij de provincies, gemeenten en waterschappen. Inhoudelijke keuzes kunnen in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. De NOVI moet Nederland houvast bieden om keuzes voor de leefomgeving sneller en beter te kunnen maken.

Ingrepen in de leefomgeving kunnen niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. In de NOVI zijn vier landelijke prioriteiten vastgesteld, aan de hand van deze prioriteiten is een toekomstperspectief voor 2050 vastgesteld en brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. De vier prioriteiten zijn:

1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie;

2. Duurzaam economisch groeipotentieel;

3. Sterke en gezonde steden en regio's;

4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Doorwerking plangebied

De beoogde ontwikkeling betreft geen ontwikkeling op rijksniveau. De ontwikkeling valt derhalve buiten de werking en doelstelling van het rijksbeleid. Het rijksbeleid vormt geen belemmering voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling. Gelijktijdig zal de ontwikkeling ook geen rijksbelangen in de weg staan.

3.2.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

Het Besluit kwaliteit leefomgeving stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving is één van de vier Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) die invulling geven aan de Omgevingswet en bieden het juridisch kader voor maatschappelijke opgaven en ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Besluiten die geheel over zijn gegaan naar het Besluit kwaliteit leefomgeving is bijvoorbeeld het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.

Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat ook de regels die het bevoegd gezag hanteert bij het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning, het opnemen van voorschriften in een omgevingsvergunning en het wijzigen van voorschriften of intrekken van een omgevingsvergunning. Waar voorheen dergelijke regels in een groot aantal wetten, AMvB's en ministeriële regelingen verspreid stonden, zijn ze samengebracht in één hoofdstuk.

Voor het TAM-omgevingsplan gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Er mag alleen een vergunning worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Daarnaast gelden de beoordelingsregels uit artikel 8.0b en 8.0e van het Bkl.

In afdeling 5.1 van het Bkl zijn instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties opgenomen zoals:

  • b. Waarborgen van de veiligheid;
  • c. Beschermen van de waterbelangen;
  • d. Beschermen van de gezondheid en van het milieu;
  • e. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed;
  • f. Behoud van ruimte voor toekomstige functies;
  • g. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten;
  • h. Gebruik van bouwwerken;
  • i. Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.

In afdeling 5.2 van het Bkl zijn de instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving opgenomen zoals:

  • j. Voorkomen van belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorwegeninfrastructuur en rijkswegen;
  • k. Lokale spoorwegen binnen vervoerregio's;
  • l. Lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool.

Doorwerking plangebied

In hoofdstuk 4 van voorliggende onderbouwing wordt getoetst aan de instructieregels die in afdeling van 5.1 van het Bkl worden genoemd. Hierbij zal worden gemotiveerd dat met de ontwikkeling van het beoogde planinitiatief sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

3.2.2.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er behoefte aan stedelijke ontwikkeling is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. Hiervoor is de instructieregel Ladder voor duurzame verstedelijking opgesteld (paragraaf 5.1.5.4 van Bkl). Artikel 5.129g bevat regels over zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Voor de volledigheid is artikel 5.129g hieronder opgenomen.

Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand)
1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.
2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met:
a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor:
a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en
b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid.4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling, betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
 

In artikel 5.129g is niet aangegeven bij hoeveel woningen er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Het begrip 'stedelijke ontwikkeling' is nader gespecificeerd in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 23 april 2014. De Afdeling noemt in de uitspraak de uitgangspunten, die zij hanteert voor de beoordeling of een voorziene ontwikkeling voldoende substantieel is om als stedelijke ontwikkeling te kunnen gelden. Op 28 juni 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een overzichtsuitspraak gedaan over de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Bij de realisatie van 11 woningen of minder is er geen sprake van stedelijke ontwikkeling (ECLI:NL:RVS:2015:2921). Indien de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is dient er wel aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties te worden getoetst.

Alhoewel deze jurisprudentie tot stand is gekomen onder de voorgaande wetgeving is er geen reden om aan te nemen dat deze niet toepasbaar is onder de Omgevingswet.

Doorwerking planinitiatief

Onderhavig initiatief bedraagt een ontwikkeling van 25 woningen. Op basis van bestendige jurisprudentie kan vastgesteld worden dat de ontwikkeling wel aangemerkt wordt als stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 5.129 van het Bkl. Het is echter gesteld dat als de woningbouwontwikkeling voorziet in een behoefte en gepland is binnen bestaand stedelijk gebied, dan wordt voldaan aan de ladder. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, en ook de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Onderhavig planinitiatief voorziet in de woningbehoefte van Apeldoorn als beschreven in paragraaf 3.4.2. Doordat het initiatief aansluit bij het Woonprogramma en bijdraagt aan het behalen van de doelstellingen van die programma mag worden gesteld dat het plan voorziet in de behoefte naar woningen. Zodoende voldoet het plan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2.3 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)

In het Besluit activiteiten leefomgeving staan regels van het rijk voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Tevens staat vermeld voor welke activiteiten een meld- of vergunningplicht geldt. Met het inwerking treden van de Omgevingswet wordt het begrip 'inrichting' vervangen door milieubelastende activiteit. Ingevolge de Begripsbepalingen (artikel 1.1 van de Omgevingswet) wordt met een milieubelastende activiteit het volgende bedoeld:

“activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit.”

In hoofdstuk 3 van de Bal is per bedrijfstak aangegeven welke activiteiten als milieubelastend moet worden aangemerkt. Op grond van artikel 5.1 lid 2 is het verboden om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een bij AMvB aangewezen geval. In hoofdstuk 4 en 5 van het Bal staan de inhoudelijke regels die gelden voor de milieubelastende activiteit. Naast de rijksregels kunnen er ook decentrale regels gelden voor milieubelastende activiteiten. Deze kunnen in het omgevingsplan, de omgevingsverordening of de waterschapverordening zijn opgenomen.

  • m. In de Bal worden verder nog regels opgesteld voor de volgende activiteiten:
  • n. Activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk (hoofdstuk 6);
  • o. Activiteiten in de Noordzee (hoofdstuk 7);
  • p. Activiteiten rond rijkswegen (hoofdstuk 8);
  • q. Activiteiten rond spoorwegen (hoofdstuk 9);
  • r. Activiteiten rond luchthavens (hoofdstuk 10);
  • s. Activiteiten die de natuur betreffen (hoofdstuk 11);
  • t. Landinrichtingsactiviteiten (hoofdstuk 12);
  • u. Activiteiten die cultureel erfgoed betreffen (hoofdstuk 13);
  • v. Activiteiten die werelderfgoed betreffen (hoofdstuk 14);
  • w. Gelegenheid bieden tot zwemmen en baden (hoofdstuk 15);
  • x. Grondwateronttrekkingen en ontgrondingen op land en in regionale wateren (hoofdstuk 16);
  • y. Afval van schepen in binnenwateren (hoofdstuk 17).

Doorwerking plangebied

Het planinitiatief betreft geen activiteit zoals genoemd in hoofdstuk 3 van het Bal, derhalve is geen omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit vereist en geldt er ook geen informatie- of meldingsplicht op grond van het Bal.

3.3 Provinciaal en regionaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Het omgevingsbeleid van Gelderland is vormgegeven in de 'Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (vastgesteld 19-12-2018). In dit document zijn de opgaven en kansen waar de provincie Gelderland voor staat vertaald in centrale beleidsambities voor zeven beleidsthema's. Hierbij gaat het om de volgende ambities:

  • z. Energietransitie
    • 1. Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten.
  • aa. Klimaatadaptatie
    • 1. Een op de toekomst toegerust klimaatbeleid.
  • ab. Circulaire economie
    • 1. Een voortvarend en innovatief circulair beleid.
  • ac. Biodiversiteit
    • 1. Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit
  • ad. Bereikbaarheid
    • 1. Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid.
  • ae. Vestigingsklimaat
    • 1. Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat.
  • af. Woon- en leefomgeving
    • 1. Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.

Doorwerking plangebied

De geplande herontwikkeling van het gebied sluit naadloos aan bij de provinciale omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' en ondersteunt de centrale beleidsambities die daarin zijn vastgelegd. Deze ontwikkeling richt zich op het creëren van een divers aanbod van woningen, wat aansluit bij de veranderende woonwensen in Gelderland en draagt zodoende bij aan een inclusieve en toegankelijke woonomgeving.

Bovendien vindt de herontwikkeling plaats binnen bestaand verstedelijkt gebied, wat aansluit bij het provinciale beleid om leegstand te reduceren en de ruimtelijke structuur te versterken. Door de bestaande infrastructuur optimaal te benutten wordt de vitaliteit van de wijk bevordert en blijft het voorzieningenniveau behouden, wat een positieve impact heeft op de leefbaarheid. Met deze ontwikkeling wordt geanticipeerd op de toekomst en wordt bijgedragen aan een duurzaam en divers woonklimaat dat aansluit bij de ambities van provincie Gelderland. Hiermee wordt niet alleen de economische kracht in de regio versterkt, maar ook de kwaliteit verbetert voor alle inwoners.

Geconcludeerd wordt dat het planinitiatief aansluit op de omgevingsvisie Gelderland.

3.3.2 Omgevingsverordening Gelderland

De provincie Gelderland heeft regels opgesteld ten aanzien van het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Deze zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Gelderland (in werking vanaf 24 september, 2025) (hierna: omgevingsverordening). De regels uit de omgevingsverordening Gelderland hebben een directe doorwerking in omgevingsplannen (waaronder ook omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden verstaan).

Doorwerking plangebied

Vanuit de provincie zijn er verscheidende instructieregels opgesteld voor het omgevingsplan omtrent woonlocaties en recreatiewoningen. Op de interactieve kaart van de Omgevingsverordening kan beoordeeld worden welke provinciale visies ter plaatse van het projectgebied gelden. Onderstaand is een uitsnede van de Omgevingsverordening weergegeven. Er gelden een aantal algemene belangen en bepalingen die onderstaand verder uit zijn gewerkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0049-vas1_0007.png"

Figuur 7: doorsnede Omgevingsverordening Gelderland (bron: Omgevingsloket)

Aandachtsgebied windturbines rondom de Veluwe

Artikel 7.16, onder a stelt dat het bevoegd gezag bij een aanvraag voor een windturbine binnen het aandachtsgebied windturbines rondom de Veluwe het daarvoor geldende provinciale winbeleid in acht. Voorliggend planinitiatief ziet niet op de ontwikkeling van een windturbine en ondervindt hier geen belemmering van.

Gelderse streek IJsselvallei

Voor onderhavig planinitiatief gelden de instructieregels uit afdeling 5.3 van de Omgevingsverordening. Artikel 5.38 beschrijft waar nieuwe activiteiten of ontwikkelingen rekening mee moeten houden voor de betreffende streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen. Het plangebied ligt binnen de Gelderse streek 'IJsselvallei'. Het uitgangspunt is dat alle ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan de versterking van de kernkwaliteiten van de Gelderse streken. Daarbij ligt het accent op het buitengebied met de verwachting dat gemeenten zelf de kwaliteiten van hun steden en dorpen beschrijven. Er zijn 12 kernkwaliteiten met daarbij horende ontwikkeldoelen. Deze kwaliteiten hebben geen verband met onderhavig planinitiatief en daarmee geen verdere relevantie. Er wordt daarmee geen afbreuk gedaan aan de gestelde kernkwaliteiten en het heeft geen nadelige gevolgen op de gestelde ontwikkeldoelen in de Omgevingsverordening Gelderland.

Glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied

De gebiedsaanwijzing 'Glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied' stelt regels voor een eenmalige uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf. Voorliggend planinitiatief ziet niet op een desbetreffende ontwikkeling en ondervindt hier geen belemmering van.

Intrekgebied

De gebiedsaanwijzing 'intrekgebied' is opgesteld met het oog op het beschermen van de kwaliteit van het grondwater vanwege de openbare drinkwatervoorziening. Degene die een grondwaterbedreigende activiteit verricht in een intrekgebied, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem of haar kunnen worden gevraagd om deze gevolgen te voorkomen. Voorliggend planinitiatief ziet echter niet op een grondwater bedreigende activiteit als bedoeld in Bijlage 3 van de Omgevingsverordening Gelderland.

Werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland

De in dit artikel opgenomen bepalingen zijn uitsluitend van toepassing op faunabeheer in het buitengebied van de provincie Gelderland. Voor initiatieven in stedelijk gebied die geen betrekking hebben op fauna- of natuurbeheer, zijn deze regels niet van toepassing.

Wateroverlast in het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe: waarde staat in regeltekst

De in dit artikel opgenomen omgevingswaarden met betrekking tot wateroverlast zijn specifiek gericht op het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe en hebben betrekking op de kans op overstroming binnen zowel stedelijk als buitengebied. Deze waarden vormen inspanningsverplichtingen voor het waterschap en zijn bedoeld voor situaties waarin daadwerkelijk sprake is van risico op wateroverlast. Voor stedelijke initiatieven die geen invloed hebben op de waterhuishouding of het overstromingsrisico, zijn deze bepalingen in beginsel niet van toepassing. Toetsing van wateraspecten vindt plaats in paragraaf 4.10.

Waterschap Vallei en Veluwe

Het plangebied ligt binnen de waterschapsgrenzen van waterschap Vallei en Veluwe. Het thema water zal verder op ingegaan worden in respectievelijk paragraaf 4.10.

Landschap


Onder artikel 5.33 van de Omgevingsverordening Gelderland is opgenomen dat als een omgevingsplan een activiteit of ontwikkeling toelaat, deze een beschrijving bevat op welke wijze rekening is gehouden met de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten, in het bijzonder de nationale landschappen. Voorliggend planinitiatief maakt geen onderdeel uit van het nationale landschap. Het plangebied maakt wel onderdeel uit van het landschap Gelderse streken: IJsselvallei. Het plangebied schaadt echter geen kernkwaliteiten van de streek IJsselvallei en staat daarnaast geen ontwikkeldoelen in de weg. Daarmee wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet tot aantasting van de kernkwaliteit leidt. Tot slot is er een mer-aanmeldnotitie geschreven, hieruit blijkt dat onderhavig project geen negatieve gevolgen heeft op de bestaande omgeving.


Klimaatadaptatie


Onder artikel 5.85 stelt de Omgevingsverordening Gelderland verplicht dat voor zover een omgevingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling toelaat, deze een toelichting bevat van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken. Daarbij dient tenminste een beschrijving opgesteld te worden voor waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. In paragraaf 4.10 wordt voorgaand benoemde aspecten verder benaderd. Het plangebied ligt niet in een gebied waar risico op overstromingen zijn, daarnaast is er voldoende ruimte in de grond voor hemelwater en tot slot krijgt het plangebied een groene invulling met halfverharding om hittestress te voorkomen.

De Omgevingsverordening Gelderland vormt geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.

3.3.3 Overige beleidsstukken

Regioarrangement 2023 (Vastgesteld in december 2023)

Het regioarrangement Stedendriehoek 2023 richt zich op het behoud van balans in de regio, met als belangrijkste focus het oplossen van ruimtelijke vraagstukken die spelen tot 2050. De regio omvat acht gemeenten en is een belangrijk knooppunt tussen Gelderland en Overijssel. Het document benadrukt de samenwerking tussen verschillende overheden om uitdagingen zoals verstedelijking, stikstofproblematiek, klimaatverandering en de energietransitie het hoofd te bieden. Er zijn vijf hoofdopgaven geformuleerd, waaronder de verstedelijking in balans, de ontwikkeling van mobiliteitscorridors (A1/A50), het bevaarbaar houden van de IJssel, de transitie van het landelijke gebied, en de bescherming van de Veluwe als natuurgebied en waterreservoir.

Speerpunten van het regioarrangement zijn onder meer het streven naar brede welvaart, zorgvuldig ruimtegebruik en het versterken van de regionale identiteit. De ambitie is om verstedelijking en economische groei te combineren met behoud van natuur en landschap, waarbij ook duurzame landbouw en energieoplossingen centraal staan. Voor de toekomst ligt de focus op het versterken van de samenwerking tussen overheden en het ontwikkelen van integrale gebiedsprogramma's. De regio wil een aantrekkelijke en leefbare omgeving blijven, met aandacht voor klimaatbestendigheid en energiezekerheid.

Een belangrijk onderdeel van het regioarrangement is de verstedelijkingsopgave, waarbij de bouw van nieuwe woningen centraal staat. Tot 2030 is het doel om 24.000 extra woningen te realiseren, met de ambitie om dit aantal tegen 2040 op te schalen naar 40.000. De nadruk ligt op binnenstedelijke verdichting in steden als Apeldoorn, Deventer en Zutphen, waarbij inbreiden voor uitbreiden gaat. Het doel is om de woonopgave slim te combineren met werkgelegenheid, duurzame mobiliteit en klimaatadaptieve maatregelen. De regio streeft ernaar om niet alleen in steden te bouwen, maar ook kernen en dorpen te versterken, zodat de woningvraag na 2030 opgevangen kan worden zonder de leefbaarheid en identiteit van het platteland te verliezen.

Doorwerking planinitiatief

Onderhavig planinitiatief draagt bij aan de versterking van de stedelijke verdichting, met behoud van de bestaande infrastructuur. Door slim gebruik te maken van de beschikbare ruimte wordt er een duurzaam woonmilieu gecreëerd, passend bij de behoeften van de groeiende bevolking. Dit project sluit aan bij de regionale ambitie om binnenstedelijke woningbouw te stimuleren en tegelijkertijd de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit te waarborgen.

Woondeal Regio Stedendriehoek


De Regio Stedendriehoek, bestaande uit onder meer de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe, Heerde, Lochem, Voorst en Zutphen, heeft met de provincie Gelderland en het Rijk afspraken gemaakt over de gezamenlijke woningbouwopgave tot 2030. De regio draagt bij aan de nationale doelstelling om het woningtekort terug te dringen door de realisatie van 17.000 woningen in de Gelderse Stedendriehoek. Gemeente Apeldoorn neemt hierin een groot aandeel: met circa 8.800 woningen realiseert Apeldoorn ruim de helft van de regionale opgave. De woondeal richt zich op het versnellen van de woningbouw, het vergroten van de betaalbaarheid en het streven naar een evenwichtige woningvoorraad, met een doelstelling van 30% sociale huurwoningen


Doorwerking planinitiatief


Het plan levert een bijdrage aan de uitvoering van de Woondeal Regio Stedendriehoek door de toevoeging van 25 nieuwe woningen in de koopsector, waarvan zeven woningen in de categorie middelduur 1, acht levensloopbestendige woningen in de categorie middelduur 2 en tien eengezinswoningen waarvan er twee in middelduur 2 vallen en acht in de categorie duur. In totaal valt daarmee 68% van het aantal woningen in de bereikbare koop en 32% in de vrije sector koop. Hiermee draagt het plan bij aan de regionale en gemeentelijke woningbouwopgave en ondersteunt het de ambitie om te komen tot een evenwichtige en betaalbare woningvoorraad. De levensloopbestendige hof woningen bieden een goede doorstroommogelijkheid voor lokale bewoners terwijl de appartementen in de school een mooie mogelijkheid bieden voor starters en een- en tweepersoons huishoudens. Daarnaast biedt het project grondgebonden eengezinswoningen. Dit diverse aanbod zorgt voor meer doorstroming op de lokale woningmarkt. Zo levert het plan een evenwichtige bijdrage aan de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen van de gemeente Apeldoorn binnen de Woondeal Regio Stedendriehoek. Het plan past zodoende binnen artikel 5.64, lid 1 van de Omgevingsverordening Gelderland.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie 'Woest en aantrekkelijk Apeldoorn'

Op 24 februari 2022 is de Omgevingsvisie Apeldoorn (hierna: omgevingsvisie) door de gemeenteraad vastgesteld. In deze Omgevingsvisie is het beleidskader voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente verwoord. De visie schetst het toekomstbeeld voor Apeldoorn op weg naar 2040.

De visie kent de volgende doelen/speerpunten:

  • Stadmaken, Groei naar 180.000 inwoners met nieuwe woon- en werkgebieden, waarbij bouwen samengaat met vergroenen
  • Aantrekkelijke woonwijken, transformeren van bestaande wijken naar duurzame, kindervriendelijke gebieden met nabijgelegen stadsparken
  • Hoogwaardige werkgebieden, aanleg van nieuwe en verduurzaming van bestaande bedrijventerreinen om groeiende werkgelegenheid te faciliteren
  • Vitale doren en buitengebied, behoud van voorzieningen in dorpen en stimuleren van werkgelegenheid voor een vitale gemeenschap
  • Ruimte voor energieopwekken, ambitie voor energieneutraliteit voor 2050 met duurzame opwekking op eigen grond
  • Versterken fysiek en sociaal fundament, investeren in groene structuren en inclusieve gemeenschappen om de leef kwaliteit te verbeteren.

Daarnaast gaat de omgevingsvisie nog specifieker in op de ambities voor wonen. Onderstaand zijn de ambities uiteengezet.

  • Duurzame verstedelijking, Apeldoorn streeft naar een evenwichtige groei met nieuwe, energie neutrale woningen die de groene identiteit van de stad behouden
  • Variëteit in woningaanbod, de gemeente wil een divers woningenaanbod creëren dat aansluit bij de verschillende behoeften van haar inwoners en zorgt voor doorstroming op de woningmarkt
  • Kwaliteit van de leefomgeving, de focus ligt op het vernieuwen en verduurzamen van bestaande wijken, met aandacht voor sociale cohesie en leefbaarheid
  • Integrale benadering van ontwikkelingen, Apeldoorn bevordert meervoudig ruimtegebruik om een aantrekkelijke en functionele buitenruimte te realiseren
  • Samenwerking en participatie, de gemeente nodigt inwoners en lokale partners uit om samen te werken aan initiatieven die bijdragen aan ambities van de omgevingsvisie

Doorwerking plangebied

Met het beoogde planinitiatief worden 25 nieuwe woningen toegevoegd aan de woningvoorraad, inclusief de transformatie van de school naar appartementen. Daarnaast is in het ontwerp rekening gehouden met een groene invulling van het gebied waardoor de ecologische structuur gewaarborgd blijft. Gelet op de ambities van de gemeente Apeldoorn om duurzame verstedelijking te realiseren en een divers woningaanbod te creëren, sluit het planinitiatief aan bij de doelstellingen van de Omgevingsvisie en draagt het bij aan een inclusieve en leefbare stedelijke omgeving.

3.4.2 Volkshuisvestingskader Apeldoorn

Het Volkshuisvestingskader van Apeldoorn, vastgesteld voor de periode 2023-2030, richt zich op het waarborgen van voldoende, diverse en betaalbare woningen voor huidige en toekomstige inwoners. Het kader speelt in op de groeiende woningvraag door de toename van het aantal huishoudens en de vergrijzing. De ambities zijn onder meer gericht op het bouwen van 8.838 nieuwe woningen tot 2030, met een sterke focus op betaalbare segmenten. Ook is er aandacht voor het verduurzamen van de bestaande woningvoorraad en het inspelen op de zorgbehoeften van ouderen, door levensloopbestendige en geclusterde zorgwoningen toe te voegen. De gemeente wil met deze maatregelen een inclusieve en veerkrachtige stad creëren, waar jong en oud in verschillende woonvormen goed kunnen wonen.

Een ander speerpunt is de versterking van de leefbaarheid in wijken en dorpen. Apeldoorn streeft naar veerkrachtige woongebieden door aandacht te geven aan wijken met sociale problematiek en het beter spreiden van betaalbare woningen over de stad. Daarbij ligt er een focus op het verbeteren van de woonomgeving door groene, toegankelijke openbare ruimtes te creëren die ontmoeting stimuleren. De verduurzaming van de woningvoorraad is ook een belangrijk thema, waarbij klimaatadaptatie en natuurinclusief bouwen een centrale rol spelen.

Doorwerking plangebied

Onderhavig planinitiatief sluit nauw aan bij de ambities van het volkshuisvestingskader. De focus op het behoud van groen in het plangebied is in lijn met de gemeentelijke visie om wijken duurzaam en aantrekkelijk te houden. De toevoeging van nieuwe woningen, evenals het realiseren van parkeervoorzieningen binnen het plangebied, ondersteunt de bredere ambitie om de woningvoorraad te diversifiëren en doorstroom te bevorderen. Dit plan draagt daarmee bij aan zowel de ruimtelijke als de sociale doelen van Apeldoorn voor een leefbare, inclusieve en toekomstbestendige woonomgeving.

3.4.3 Groenplan Apeldoorn

Het Groenplan Apeldoorn is opgesteld om de groene kwaliteiten van de stad te versterken, vooral na bezuinigingen die hebben geleid tot een slechtere staat van het stedelijk groen. Het plan richt zich op het verbeteren van de uitstraling van het groen en het versterken van de basis door verouderde groenvoorzieningen te vervangen. Hierbij worden drie hoofddoelen benadrukt: een vitaal natuurlijk systeem, klimaatadaptatie en gezondheid. Het plan stelt dat groen bijdraagt aan een duurzame en gezonde leefomgeving en essentieel is voor het behoud van de identiteit van Apeldoorn als Buitenstad.

De ambities van Apeldoorn zijn gericht op het verbinden van groene en blauwe elementen, zoals beken, parken en stadsranden, en het verhogen van de natuurwaarde en biodiversiteit. Ook wordt aandacht besteed aan het verminderen van de effecten van klimaatverandering, zoals wateroverlast en hitte. In lijn met de strategische doelen van de stad wordt ingezet op het behoud van een comfortabele leefomgeving, een gezonde economie en een aantrekkelijk toeristisch landschap. Het plan benadrukt dat groen een belangrijk middel is om deze doelen te realiseren, waarbij samenwerking met verschillende belanghebbenden een centrale rol speelt.

Doorwerking plangebied

Onderhavig planinitiatief sluit aan bij de speerpunten van het Groenplan. Door het behoud van het bestaande groen en het realiseren van parkeren binnen het plangebied, blijft de focus op een duurzame en groene leefomgeving behouden. Het behoud van groen is in lijn met de ambities van Apeldoorn om de biodiversiteit te versterken en een gezonde woonomgeving te waarborgen. Deze integratie van groen in het ontwerp draagt bij aan de bredere doelstellingen van klimaatadaptatie en gezondheid, die centraal staan in de visie van Apeldoorn als Buitenstad.

3.4.4 Verkeersvisie 2016-2030

De Verkeersvisie Apeldoorn 2016-2030 richt zich op drie hoofdthema's: Apeldoorn als fietsstad, een efficiënter openbaar vervoerssysteem, en het verbeteren van het gebruik en de veiligheid van de infrastructuur. De gemeente wil de positie van de fiets verder versterken door veilige, snelle fietsroutes te ontwikkelen en meer fietsstallingen te creëren. Daarnaast wil men het openbaar vervoer transformeren van een aanbodgericht systeem naar een vraaggericht systeem dat beter aansluit op de behoeften van de gebruikers, inclusief het gebruik van innovatieve en duurzame technieken. Tot slot legt de visie nadruk op het veiliger maken van de infrastructuur, door onder andere verkeersstromen beter te regelen en technologieën zoals groene golven te implementeren om de doorstroming te verbeteren.

Duurzaamheid en leefbaarheid spelen een centrale rol in deze verkeersvisie. Er is aandacht voor het bevorderen van schone energievormen, zoals elektrisch vervoer, en het verbeteren van de luchtkwaliteit door het terugdringen van fossiele brandstoffen. Apeldoorn wil tevens een balans vinden tussen stedelijke groei en het behoud van groen en leefbare wijken. Innovatie wordt aangemoedigd door de stad te gebruiken als proeftuin voor mobiliteitsoplossingen die bijdragen aan een duurzame stedelijke omgeving.

Doorwerking plangebied

Onderhavig planinitiatief sluit goed aan op de bredere doelstellingen van de verkeersvisie. De herontwikkeling van het plangebied past binnen de ambitie om stedelijke gebieden optimaal te benutten. Door parkeren binnen het plangebied zelf te regelen, wordt verdere druk op de openbare ruimte voorkomen en sluit dit aan op het streven naar een efficiënte infrastructuur. Verkeer en parkeren wordt nader getoetst in paragraaf 4.13.

4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Milieueffectrapportage

Wet- en regelgeving

In het milieueffectrapport (MER) worden de effecten van een project op het milieu beschreven.

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit kan worden afgeleid of een project mer-plichtig is.

In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van MER-plichtige plannen en programma's uit de Bijlage bij het Besluit MER. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER beoordelingsprocedure.

Doorwerking plangebied

Met onderhavig planinitiatief is er sprake van een stedelijke ontwikkeling. Zodoende is er een mer-aanmeldnotitie opgesteld. Voor de volledige aanmeldnotitie wordt verwezen naar bijlage 3. Uit de informatie in deze m.e.r.-beoordelingsnotitie blijkt dat – gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten – geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Er is geen aanleiding voor het doorlopen van een uitgebreidere m.e.r.-procedure in het kader van het project.

4.2 Bodem

Wet- en regelgeving

Paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl bevat instructieregels over het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Tevens is een woonschip of een woonwagen ook aangemerkt als een bodemgevoelig gebouw. Een uitzondering is een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk van ten hoogste 50 m2 dit wordt niet beschouwd als bodemgevoelig gebouw.

Artikel 5.89i van het Bkl bepaalt de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Artikel 5.89ka bepaalt dat er een omgevingsvergunning nodig is voor de bouw van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een toelaatbare waarde. Tevens bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

Doorwerking plangebied

Met de toevoeging van wonen is er sprake van uitbreiding van een bodemgevoelige functie. Zodoende is het van belang om aan te tonen dat er een toelaatbare bodemkwaliteit ter plaatse is. Om aan te tonen dat de bodemkwaliteit in overeenstemming is met de beoogde (bodemgevoelige) functie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige bodemonderzoek is te vinden in bijlage 4 van voorliggend ETFAL-motivering.

Uit het bodemonderzoek blijkt dat in de bovengrond zintuiglijk puinsporen zijn waargenomen. Analytisch zijn verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en/of PCB's vastgesteld. Het gehalte aan lood overschrijdt de tussenwaarde, maar blijft onder de interventiewaarde. Bij indicatieve toetsing aan het Rbk valt de bovengrond in de kwaliteitsklasse 'industrie' en de ondergrond in de klasse 'landbouw/natuur'.

In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan barium en chroom aangetoond, maar deze vormen geen aanleiding voor nader onderzoek. Op basis van de analyseresultaten is de actuele bodemkwaliteit voldoende in beeld gebracht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen nieuwbouw op de locatie.

Geadviseerd wordt om de bij graafwerkzaamheden vrijkomende grond bij voorkeur binnen de locatie te hergebruiken. Indien hergebruik op de locatie niet mogelijk is, kan de grond op basis van dit onderzoek worden afgevoerd naar een grondbank. In dat geval is aanvullende analyse op PFAS noodzakelijk. Voor toepassing van de grond op een andere locatie is een aanvullende AP-04 partijkeuring vereist conform het Besluit bodemkwaliteit (Bbk), tenzij toepassing mogelijk is op basis van een bodemkwaliteitskaart.

Aanvullend mag de grond rondom boring 6 (zie bijlage 3) geen bestemming tuin hebben. Het te hoge gehalte aan lood leidt tot risico in het gebruik van de gronden. Mocht de grond vrijkomen dan mag het alleen worden verwerkt onder woningen en bestrating van de openbare ruimte. Het moest tot slot vastgelegd worden als de grond op een andere plaats in het plangebied wordt gebruikt door middel van een briefrapportage.

Het omgevingsaspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.

4.3 Archeologie en Cultuurhistorie

Wet- en regelgeving

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. De Erfgoedwet is de opvolger van de vervallen Monumentenwet 1988 en andere regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De huidige juridische basis in de Nederlandse wetgeving wordt gevormd door de Erfgoedwet (hoofdstuk 5) en de Omgevingswet. De Omgevingswet en de Erfgoedwet zorgen samen voor een integrale bescherming van het cultureel erfgoed. De Erfgoedwet en Omgevingswet worden daarmee complementair aan elkaar.

De onderdelen van de vervallen Monumentenwet 1988 die van toepassing zijn op de fysieke leefomgeving zijn naar de Omgevingswet overgeheveld. De Omgevingswet is van groot belang voor het cultureel erfgoed, omdat daarin een zorgvuldige omgang met het cultureel erfgoed en de fysieke leefomgeving is geborgd. De grondslag van de Omgevingswet is opgenomen in hoofdstuk 2 van de Omgevingswet. Voorts heeft de bescherming van (archeologische) monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen een belangrijke plek gekregen in de Omgevingswet. De aanwijzing en bescherming van stads- en dorpsgezichten is naar de Omgevingswet overgeheveld (artikel 2.34, lid 4 van de Ow). Het belang van de bescherming van stads- en dorpsgezichten is en blijft hiermee geborgd.

Paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl bevat instructieregels over cultureel erfgoed en werelderfgoed. Artikel 5.130 Bkl ziet op het behoud van cultureel erfgoed en 5.131 Bkl ziet op het behoud van werelderfgoed. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels opgesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Daarnaast zijn in het Bal instructieregels opgenomen aangaande rijksmonumenten (hoofdstuk 13).

Doorwerking plangebied

Archeologie

Conform artikel 2.25 'Waarde – Archeologie', lid 1a is aangetoond dat de gronden geen archeologische waarden bevatten. Om aan te tonen dat er geen tot lage archeologische verwachtingen zijn is er een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Het volledig onderzoek is te vinden in bijlage 5 van voorliggend ETFAL-motivering.

Het bureauonderzoek concludeert dat het plangebied een lage archeologische verwachting heeft door de sterke verstoring van de bovenste bodemlagen. Indien archeologische sporen aanwezig zijn, zullen deze vermoedelijk enkel in zeer diepe lagen voorkomen, zoals sporen van sloten en waterputten. Hoewel pleistocene afzettingen wijzen op historische lagen, zijn deze door verstoring grotendeels onbruikbaar voor archeologisch onderzoek. Voor de nieuwe tijd is de archeologische verwachting ook laag.

Het booronderzoek stelt vast dat de bodem sterk verstoord is tot een diepte van 75 tot 100 cm, met baksteenpuin en zandbrokken in de bovenste lagen. Hierdoor blijken vondstlagen en oppervlakkige archeologische sporen in het dekzand volledig verstoord, wat de archeologische verwachting voor de periodes tot en met de middeleeuwen verder verlaagt. Enkel zeer diepe archeologische sporen, zoals sloten en waterputten, kunnen mogelijk nog bewaard zijn gebleven.

Vervolgonderzoek in het plangebied wordt niet noodzakelijk geacht, aangezien de graafdiepte van de geplande werkzaamheden nauwelijks verder reikt dan de bestaande verstoringslaag. Mocht tijdens de uitvoering toch archeologisch materiaal worden aangetroffen, dan vereist de Erfgoedwet 2024 dat hiervan melding wordt gemaakt bij de gemeente Apeldoorn

Cultuurhistorie

Onderstaand figuur laat zien dat er binnen het plangebied geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig zijn. Het pand heeft geen formele karakteristieke status. De Molenstraat 120 heeft wel cultuurhistorische waarden, en is wél een kandidaat-karakteristiek pand en ligt aan een belangrijke historische land- en uitvalsweg. Met de komst van de Welgelegenbrug in 1955 werd de Molenstraat een primaire oost-westverbinding in de stad. Aan de Molenstraat (en in het verlengde de Deventerstraat) werden villa's voor welgestelden en (half)vrijstaande woningen voor de middenstand gebouwd. Architect G. de Zeeuw was gemeentearchitect en werd later directeur Gemeentewerken en heeft o.a. ook de Rietendakschool aan de Zilverweg ontworpen. Verder zijn er geen beschermde gezichten aanwezig rond het plangebied. De brug ten westen van het plangebied is aangewezen als gemeentelijk monument, maar deze ligt op dermate verre afstand dat op voorhand gesteld kan worden dat voorliggend planinitiatief hier geen afbreuk aan zal doen. In de planvorming wordt uitgegaan van hergebruik van het karakteristieke schoolgebouw, mede vanuit cultuur-historisch oogpunt. Door middel van een zorgvuldige transformatie en restauratie wordt het karakter en de uitstraling van het schoolgebouw behouden, zowel in het interieur als het exterieur.


Derhalve vormt het slopen van de aanbouw in het plangebied geen belemmering.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0049-vas1_0008.png"

Figuur 8: uitsnede Kenniskaart Erfgoed, plangebied binnen rood vak

Erfgoedverordening

Op 29 december 2023 is door de raad van de gemeente Apeldoorn de erfgoedverordening gemeente Apeldoorn 2023 vastgesteld. In aansluiting op de erfgoedwet is in 2016 gekozen voor een brede erfgoedverordening die conform het begrip 'cultureel erfgoed' ziet op zowel onroerend cultureel erfgoed (monumenten en stads- en dorpsgezichten) als roerend cultureel erfgoed (cultuurgoederen). Deze verordening ziet in beginsel niet meer op archeologie.

Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie en cultuurhistorie geen belemmering vormen voor onderhavig planinitiatief.

4.4 Ecologie

Wet- en regelgeving

Op 1 januari 2017 is de (vervallen) Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb is met het zogenoemde aanvullingsspoor natuur opgenomen in de Omgevingswet. Het aanvullingsspoor natuur zorgt voor de integratie van de regelgeving over natuur en flora en fauna in de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl en Bal diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wnb. Het gaat in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.

Gebiedsbescherming

Er zijn gebieden in Nederland die voor flora en fauna van groot belang zijn. Dit zijn de Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-activiteiten zijn activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. De Omgevingswet geeft regels over die activiteiten om de natuur te beschermen. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en flora- en fauna-activiteit. Artikel 8.74b van het Bkl bevat beoordelingsregels voor Natura 2000-activiteit. In artikel 6.15 van de Omgevingsregeling wordt benoemd dat de stikstofdepositie moet worden berekend met AERIUS Calculator.

Soortenbescherming

Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Deze activiteit is vaak het gevolg van een andere activiteit zoals bouwactiviteit. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en flora- en fauna-activiteit. Artikel 8.74j tot en met 8.74n bevat beoordelingsregels voor flora- en fauna-activiteit.

Houtopstanden

Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels geeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). Degene die zo'n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Ook kan een meldingsplicht gelden. Indien de houtopstand (deels) geveld is of op een andere manier verloren gegaan, zoals brand of storm, dan moet herbeplanting plaatsvinden (artikel 11.129, Bal). De herbeplantingsplicht geldt in alle gevallen voor de rechthebbende van de houtopstand. Dus bijvoorbeeld ook als een derde de houtopstand onrechtmatig heeft geveld. Er gelden uitzonderingen op de herbeplantingsplicht. De rijksregels over het (deels) vellen van houtopstanden of herbeplanten gelden niet binnen de bebouwingscontour houtkap. Een gemeente kan zelf bepalen of ze regels in het omgevingsplan wil voor houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap en voor welk doel van de Omgevingswet. Zo kunnen die regels voor natuurbescherming, veiligheid of een ander doel van de Omgevingswet zijn.

Doorwerking plangebied

Onderhavige ontwikkeling voorziet in een ontwikkeling die mogelijke aanwezige flora en fauna kan bedreigen. Het planinitiatief betreft de aanleg van nieuwe woningen. Het projectgebied maakt echter geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Gebiedsbescherming

Gelders Natuurnetwerk (GNN)

Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone, Nationaal landschap, natte landnatuur, Weidevogel- en Ganzenrustgebied behoren. Gronden die tot de Groene ontwikkelingzone behoren liggen op minimaal 2,6 kilometer afstand van het onderzoeksgebied, zie ook onderstaand figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0049-vas1_0009.png"

Figuur 9: uitsnede Gelders Natuurnetwerk, plangebied bij rode pijl

Gronden die tot natte landnatuur, Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied behoren liggen op minimaal 3 kilometer afstand van het onderzoeksgebied. Een direct effect van onderhavige ontwikkeling op het Gelders Natuurnetwerk kan daarom op voorhand uitgesloten worden.

Natura 2000-gebied

Het plangebied bevindt zich op circa 3,1 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, de Veluwe. Gezien de omvang van onderhavig planinitiatief en de afstand tot aan een Natura 2000-gebied is het niet aannemelijk dat het ontwikkelen van het plangebied significante gevolgen op het gebied zal hebben ten gevolge van stikstofdepositie. Echter, formeel gezien is het uitvoeren van een stikstsofdepositie-berekening met de AERIUS-Calculator de enige wijze om negatieve gevolgen door stikstofdepositie uit te sluiten.

Deze berekening is daarom uitgevoerd door Lodewijck Groep voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase (bijlage 6). Uit de berekening volgt dat er geen sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Er wordt daarom gesteld dat er geen negatieve effecten op natura 2000-gebieden worden verwacht.

Soortenbescherming

In november 2024 is door adviesbureau Lycens een Quickscan Flora & Fauna uitgevoerd. In deze motivering worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 7.

Uit het ecologisch onderzoek blijkt dat het plangebied gebruikt wordt door verschillende algemene soorten amfibieën en grondgebonden zoogdieren. Hoewel er geen voortplantingsplaatsen zijn aangetroffen, is het mogelijk dat sommige soorten het gebied gebruiken als rust- of foerageerplek. Om te voorkomen dat dieren tijdens de werkzaamheden worden verstoord of gedood, wordt geadviseerd buiten de kwetsbare periodes te werken en in één richting op te werken zodat dieren kunnen vluchten. Voor algemene soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen; er zijn daarom geen vergunningen nodig.

Voor beschermde planten en ongewervelden zijn tijdens het veldbezoek geen waarnemingen gedaan en wordt het gebied niet als geschikt leefgebied beschouwd. Er zijn daarom geen wettelijke consequenties en nader onderzoek of vergunningverlening is niet nodig.

Voor kleine marterachtigen (zoals bunzing, hermelijn en wezel) en de steenmarter is nader onderzoek noodzakelijk, aangezien zij mogelijk gebruik maken van verblijfplaatsen in het groen of de bebouwing. Om dit vast te stellen dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd volgens de geldende protocollen. Pas op basis van dat onderzoek kan worden bepaald of een ontheffing of vergunning nodig is.

Wat betreft vleermuizen wordt de bebouwing mogelijk gebruikt als verblijfplaats. Omdat dit tijdens het veldbezoek niet met zekerheid kon worden uitgesloten, is aanvullend onderzoek nodig. Het gebied heeft geen essentiële functie als vliegroute of foerageergebied, waardoor er op dat vlak geen aanvullende maatregelen nodig zijn.

Voor vogels geldt dat sommige soorten mogelijk nestelen in gebouwen of beplanting. Nesten zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen, maar omdat er nestgelegenheid aanwezig is, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar het mogelijk voorkomen van huismus en gierzwaluw. Ten behoeve van de algemene broedvogels kunnen werkzaamheden het beste buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, of voorafgegaan worden door een broedvogelscan.

Ten slotte zijn er geen aanwijzingen dat het gebied van belang is voor overige beschermde soorten. De voorgenomen werkzaamheden leiden dan ook niet tot wettelijke consequenties voor overige beschermde soorten en is er geen aanvullend onderzoek of vergunning nodig.

Als aanvulling op de quickscan flora & fauna is het niet toegestaan om vrijgestelde soorten te doden onder de vrijstellingsregeling.

Naar aanleiding van de quickscan flora en fauna is er nader onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de huismus, gierzwaluw, kleine marterachtigen, steenmarter en vleermuizen. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 8.

Binnen het plangebied zijn geen vaste rust- of verblijfplaatsen van de huismus, gierzwaluw, kleine marterachtigen, eekhoorn of vleermuizen aanwezig. Negatieve effecten op lokale populaties huismus, gierzwaluw, wezel, hermelijn, bunzing, eekhoorn of vleermuizen zijn uitgesloten. De ingreep heeft geen overtreding van de omgevingswet als gevolg, voor wat betreft soortenbescherming voor huismus, gierzwaluw, wezel, hermelijn, bunzing, eekhoorn of vleermuizen.

Steenmarter

Met de ontwikkeling verdwijnt de verblijfplaats van de steenmarter. Hiervoor zijn passende maatregelen nodig, die beschreven dienen te worden in een activiteitenplan en/of ecologisch werkprotocol, en er dient een vergunning voor een flora en fauna activiteit voor de steenmarter aangevraagd te worden.

Egel

In de tuin zijn egels aanwezig. Hiervoor het nodig om tijdens de ingreep te werken met een ecologisch werkprotocol. Omdat de egel vrijgesteld is in de provincie Gelderland, is een vergunning voor een flora en fauna activiteit niet noodzakelijk. Maatregelen ter bescherming van de egel dienen echter wel opgenomen te worden in een ecologisch werkprotocol. In dat protocol zullen concrete maatregelen worden opgenomen om het leefgebied van de egel niet aan te tasten, om schuilplekken te creëren en om te borgen dat de egel in zijn winterslaap niet verstoord wordt.

Werkprotocol en flora en fauna activiteit

De initiatiefnemer zal een ecologisch werkprotocol laten opstellen waarin passende maatregelen worden opgenomen ter bescherming van zowel de steenmarter als de egel. Voor de steenmarter, waarvan met de ontwikkeling de verblijfplaats verdwijnt, zullen de benodigde mitigerende maatregelen worden uitgewerkt en zal tevens een vergunning voor een flora- en fauna-activiteit worden aangevraagd. Voor de egel, die in het plangebied voorkomt, worden in het werkprotocol concrete maatregelen opgenomen om het leefgebied te behouden, schuilmogelijkheden te creëren en verstoring tijdens de winterslaap te voorkomen.

Zowel de algemene zorgplicht als de specifieke zorgplicht zijn van toepassing op voorliggend planinitiatief. De algemene zorgplicht, zoals opgenomen in de Omgevingswet, houdt in dat eenieder – dus niet alleen de overheid, maar ook bedrijven en burgers – verantwoordelijk is voor het beschermen van de fysieke leefomgeving. Deze plicht fungeert als een vangnet bij het ontbreken van specifieke regelgeving.

In dit geval geldt daarnaast de specifieke zorgplicht uit artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), omdat de activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor natuurwaarden, in het bijzonder beschermde dier- en plantensoorten. De specifieke zorgplicht bevat een driedelige verplichting in voorkeursvolgorde:

  • 1. De initiatiefnemer moet alle maatregelen nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om nadelige gevolgen te voorkomen (lid 1, onder a);
  • 2. Indien volledige voorkoming niet mogelijk is, moeten de gevolgen zoveel mogelijk worden beperkt of ongedaan gemaakt (lid 1, onder b);
  • 3. Als ook dat niet toereikend is, moet de activiteit achterwege worden gelaten, voor zover dat redelijkerwijs kan worden gevraagd (lid 1, onder c).

Voor flora- en fauna-activiteiten geldt aanvullend op grond van lid 2 van artikel 11.27 dat voorafgaand aan de activiteit wordt nagegaan of er op of nabij de locatie sprake is van (inter)nationaal beschermde soorten of belangrijke leefgebieden. Indien er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van deze soorten of gebieden, moet op basis van objectieve gegevens worden vastgesteld of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Zo niet, dan moet de initiatiefnemer:

  • de aard en omvang van de mogelijke gevolgen in kaart brengen;
  • alle passende preventieve maatregelen treffen om deze gevolgen te voorkomen;
  • monitoren of de maatregelen effect hebben;
  • en, indien nodig, de activiteit staken of aanvullende herstelmaatregelen treffen indien nadelige gevolgen alsnog optreden.

Door deze zorgplichten in acht te nemen, wordt gewaarborgd dat de activiteit binnen de kaders van de Omgevingswet blijft en schade aan natuur en leefomgeving zoveel mogelijk wordt voorkomen of beperkt.

Houtopstanden

Het plangebied is gelegen binnen de bebouwingscontour van houtkap. Regels rond het vellen van bomen staan in de APV (Algemene Plaatselijke Verordening) van Apeldoorn. Artikel 22.299 van het 'Omgevingsplan gemeente Apeldoorn' bepaald dat bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd waaruit de noodzaak van het vellen blijkt, evenals een toelichting op de wijze waarop wordt voorzien in de herplant of compensatie. Deze verplichting geldt ter bescherming van de houtopstanden binnen de bebouwingscontour, in overeenstemming met het beleid van de gemeente Apeldoorn.

Er is door Duifhuizen Boomadviesbureau een bomeninventarisatie uitgevoerd (zie bijlage 9). In deze analyse is in kaart gebracht waar de bomen staan, welke soort boom, de diameter van de boom, de hoogte, de conditie en de bijzonderheden. Deze analyse is meegenomen in de uitwerking van het plangebied. In totaal staan er 92 bomen in of direct naast het plangebied (de bomen op het kavel zuidelijk van de planlocatie zijn ingemeten op verzoek van de eigenaar van de buurkavel uit zorg voor de veiligheid en worden meegenomen in de planvorming). Er blijven 66 bomen behouden, waarvan er 19 worden teruggesnoeid en 2 bomen worden verplant. 2 bomen zijn omgewaaid en 24 bomen moeten worden gekapt. Zie ook bijlage 2 met de bomeninventarisatie ten opzichte van onderhavig planinitiatief. Er worden 24 nieuwe bomen geplaatst om te voldoen aan artikel 22.299 van het Omgevingsplan. Met voorliggend planinitiatief worden evenveel bomen terug geplant als dat er worden gekapt. Hiermee wordt voldaan aan de herbeplantplicht.

Het totaal van bomen wijkt af van het aantal bomen zoals benoemd in de bomen effect analyse (zie bijlage 9) doordat er 2 bomen zijn omgewaaid. 45 bomen blijven behouden, 19 bomen blijven behouden en worden teruggesnoeid, 2 bomen worden verplant en 24 bomen worden gekapt en herplant. Hierdoor blijft het totaal aan bomen binnen het plangebied gelijk aan de huidige situatie. Dit betreft een totaal van 90 bomen.

In het noorden van het plangebied zijn 3 bijzondere bomen aanwezig. Met onderhavig planinitiatief wordt hier geen afbreuk aan gedaan en blijven de bijzondere bomen volledig intact.

Het omgevingsaspect Ecologie vormt geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.

4.5 Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Wet- en regelgeving

Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het geluid op de geluidgevoelige gebouwen beoordeeld worden. Hiertoe zijn in paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl instructieregels opgenomen. De instructieregels hebben tot doel het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Hiervoor zijn in het Bkl eisen gesteld aan het geluid op geluidgevoelige gebouwen in specifieke geluidaandachtsgebieden. Een geluidgevoelig gebouw is een:

  • Gebouw met een woonfunctie;
  • Gebouw met een onderwijsfunctie;
  • Gebouw voor kinderopvang met bedden;
  • Gebouw voor gezondheidszorg met bedden.

Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied gelden de instructieregels uit afdeling 3.5 van het Bkl. Een geluidaandachtsgebied is een gebied langs een weg, spoorweg of rond industrieterrein waar geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen. Met het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied dient er altijd rekening te worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid en het milieu.

Bij het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw in een geluidsaandachtsgebied of het wijzigen of aanleggen van een geluidsbron met een geluidaandachtsgebied moet de geluidbelasting worden getoetst. Geluidwaarden worden uitgedrukt in standaardwaarden en grenswaarden. De standaardwaarden en grenswaarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort en gelden voor een geluidgevoelig gebouw dat langer dan 10 jaar is toegelaten (artikel 5.78, tweede lid, Bkl).

De standaardwaarde is een aanvaardbaar geluidsniveau waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Het uitgangspunt is dat het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde (artikel 5.78t Bkl). Het geluid is dan in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade is klein. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden (artikel 5.78u tot en met 5.78ad Bkl).

Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken. Voor een beperkt aantal gevallen kan er worden afgeweken van grenswaarden uit het Bkl. Dit kan bij zwaarwegende economische of andere zwaarwegende maatschappelijke belangen (artikel 5.78aa lid 1 onder a Bkl).

Ten slotte voor andere gebouwen – dan geluidgevoelig gebouw – of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

Doorwerking plangebied

Geluid van industrieterreinen

Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een industrieterrein en ondervindt daarom geen invloed van geluid afkomstig van dergelijke terreinen. Geluidseffecten van industrieterreinen zijn in dit geval dan ook niet van toepassing op onderhavig planinitiatief. Wel bevindt zich een bedrijf in de nabijheid van het plangebied. De mogelijke geluidseffecten van dit bedrijf worden beoordeeld in respectievelijk paragraaf 4.7.

Geluid van wegen en spoorwegen

Het plangebied ligt binnen het geluidaandachtsgebied van de omliggende gemeentewegen en de spoorlijn Apeldoorn-Deventer. Er is doormiddel van onderzoek getoetst of de geluidssituatie binnen de wettelijke normen en het gemeentelijk geluidbeleid ligt. Onderstaand worden de belangrijkste bevindingen uiteengezet, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 10.

Uit de rekenresultaten is gebleken dat het geluid op het plan ten hoogste 51 dB bedraagt. Hiermee wordt aan de standaardwaarde voor gemeentewegen uit het Bkl voldaan. Voor de spoorwegen is gebleken dat het geluid ten hoogste 52 dB bedraagt. Ook hiermee wordt voldaan aan de standaardwaarde uit het Bkl.

Omdat voldaan wordt aan de standaardwaarde is een aanvullend onderzoek naar maatregelen niet benodigd. Ook hoeft niet getoetst te worden aan de aanvullende eisen uit het Bkl (en het gemeentelijk geluidbeleid) met betrekking tot geluidluwe gevels of het gecumuleerde geluid.

Geconcludeerd wordt dat het geluid van wegen en spoorwegen geen belemmering vormt voor de realisatie van het planinitiatief.

4.6 Luchtkwaliteit

Wet- en regelgeving

In paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl staan instructieregels voor het beschermen van de luchtkwaliteit. De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10) (artikel 5.51 lid 2 tot en met 5 van het Bkl). In de aandachtsgebieden kan niet worden uitgesloten dat lokaal een overschrijding van de rijksomgevingswaarden kan optreden, rekening houdend met de realisatie van eventuele werken en activiteiten in deze gebieden.

Boven genoemde paragraaf heeft betrekking op activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied. In sommige gevallen kunnen activiteiten buiten het aandachtsgebied zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Om deze reden dient een gemeente een initiatief soms te toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies.

Indien een project of activiteit weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging is toetsen aan de omgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) voor luchtkwaliteit niet nodig (artikel 5.52 van het Bkl). In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Dus het 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ìg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties (artikel 5.53 en 5.54 Bkl).

Afdeling 8.5.1.2 van het Bkl bevat specifieke beoordelingsregels over milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. Deze gaan over:

  • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden;
  • ammoniakemissies van veehouderijen;
  • geologische opslag van CO2.

Doorwerking plangebied

Het plangebied bevindt zich niet in een aandachtsgebied zoals bedoeld in artikel 5.51 van het Bkl. Desondanks is voor onderhavig plangebied de luchtkwaliteit ter plaatse getoetst aan de hand van de kaart van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Er is daarbij uitgegaan van de volgende grenswaarden voor stikstofoxide en fijnstof:

Stof   Toetsing van   Grenswaarde  
Stikstofoxide (NO2)   Jaargemiddelde concentratie   40 µg/m3  
  Uurgemiddelde concentratie   Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m3  
Fijnstof (PM10)   Jaargemiddelde concentratie   40 µg/m3  
  24-uurgemiddelde concentratie   Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3  
Fijnstof (PM2,5)   Jaargemiddelde concentratie   25 µg/m3  

Tabel 1: Grenswaarden luchtkwaliteit

Gekeken naar het dichtstbijzijnde meetpunt gelegen aan de Wapenrustlaan te Apeldoorn (300 meter ten zuiden van het plangebied) zijn de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 gelegen onder de grenswaarden. Het aantal PM10 overschrijdingsdagen is daarbij ook minder dan de grens van 35 dagen. Gekeken naar de jaargemiddelde concentratie PM2,5 op dezelfde punten wordt duidelijk dat ook deze onder de grenswaarde van 25 µg/m3 ligt. De luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.

Daarnaast behoort de realisatie van de beoogde ontwikkeling tot de categorie gevallen dat 'niet in betekende mate' bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Om de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 te berekenen, heeft de overheid een tool ontwikkeld. Deze is hieronder ingevuld op basis van de te verwachten verkeersgeneratie. De verwachtte verkeersgeneratie bedraagt 156 verkeersbewegingen per etmaal (zie paragraaf 4.13 voor de berekening). Bij het invullen van deze gegevens kan geconcludeerd worden dat de bijdrage van het extra verkeer ten gevolge van de ontwikkeling niet in betekenende mate is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0049-vas1_0010.png"

Figuur 10: worst-case scenario luchtkwaliteit door verkeersbewegingen

Het aspect luchtkwaliteit zal geen belemmering vormen voor onderhavig planinitiatief.

4.7 Geluid door activiteiten, geur en trillingen

Wet- en regelgeving

Geluid door activiteiten

Paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl bevat instructieregels voor geluid door activiteiten deze regels beschermen geluidgevoelige gebouwen tegen geluid door activiteiten. Het gaat om geluid van alle aan een locatie toe te delen activiteiten behalve het wonen. In de regels van artikel 5.59 is geformuleerd dat er in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Overigens gaat het om het geluid van alle activiteiten samen. In artikel 5.56 van het Bkl zijn standaardwaarden opgenomen die aan de eis van aanvaardbaarheid voldoen. Overigens kan een gemeente gemotiveerd afwijken van de standaardwaarden, mits aan de aanvaarbaarheid eis kan worden voldaan.

Geur

Geurhinder kan bij verschillende bedrijfsmatige activiteiten voorkomen, onder meer bij landbouwactiviteiten, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties en overige milieubelastende activiteiten. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl zijn instructieregels gesteld over activiteiten die geur veroorzaken op geurgevoelige gebouwen. In artikel 5.91 Bkl is bepaald dat de woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie en bijeenkomstfunctie voor kinderopvang als geurgevoelige gebouwen worden aangemerkt. Deze gebouwen moeten in ieder geval beschermd worden tegen geurhinder. De instructieregels moeten zorgen voor een aanvaardbaar geurhinderniveau (artikel 5.92 lid 2 van het Bkl). De gemeente bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt.

Trillingen

Net als geur en geluid kunnen trillingen nadelige invloed hebben op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Trillingen kunnen effect hebben op de gezondheid en het welzijn. Om trillinghinder te voorkomen, zijn er streef-, standaard- en grenswaarden voor trillingen. Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl bevat instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen. Hierin zijn onder meer regels opgesteld die voorzien dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn.

Overigens gaat het om trillingen van alle activiteiten samen. In artikel 5.87 en 5.78a van het Bkl zijn standaardwaarden opgenomen die aan de eis van aanvaardbaarheid voldoen. Overigens kan een gemeente gemotiveerd afwijken van de standaardwaarden (artikel 5.86 lid 2 van het Bkl). Daarnaast heeft de gemeente de mogelijkheid om hogere waarden toe te staan (artikel 5.88 en 5.89 van het Bkl).

In afdeling 8.5 van het Bkl staan beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit. Ten slotte voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal.

Doorwerking plangebied

Activiteiten uitgevoerd door bedrijven kunnen invloed hebben op de fysieke leefomgeving, doordat ze geluid, geur en soms stof produceren. Om deze reden is niet altijd aanvaardbaar om een bedrijf op korte afstand van een woning te plaatsen. Overigens andersom ook niet. Bewoners kunnen namelijk geur- geluid- en trillingenhinder ervaren. Met onderhavige aanvraag wordt geen milieubelastende activiteit gerealiseerd. Wel wordt een woonfunctie gerealiseerd, welk is aangemerkt als milieugevoelige functie. Om deze reden is beoordeeld of aanvaardbaar is dat deze functie wordt gerealiseerd.

Geur

In de nabije omgeving bevinden zich geen functies die mogelijk geurhinder veroorzaken. De beoogde ontwikkeling maakt eveneens geen ontwikkeling mogelijk die geurhinder veroorzaakt. Daarmee vormt het omgevingsaspect geur geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

Geluid door activiteiten

Door de nabijheid van Schipper Metaal en Riphagen Houtbewerking is geluidsonderzoek uitgevoerd. Onderstaand worden de belangrijkste bevindingen uiteengezet, voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 11.

Er is onderzocht of deze overschrijdingen kunnen worden teruggebracht zonder de bedrijfsvoering van beide bedrijven te belemmeren. Een indicatieve berekening toont aan dat hiervoor geluidsafschermingen van aanzienlijke hoogte noodzakelijk zijn: 4,5 meter voor Schipper Metaal en 5,0 meter voor Riphagen Houtbewerking. Deze afschermingen zijn nodig omdat de overschrijdingen ook op verdiepingshoogte optreden. Vanuit landschappelijk en financieel oogpunt zijn dergelijke hoge constructies echter niet wenselijk.

Belangrijk is dat, bij een gemiddelde geluidwering van de gevels van 20 dB(A), binnen de nieuwe woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd blijft wat betreft zowel het maximale geluidsniveau als het (cumulatieve) langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Een dergelijke geluidwering is in nieuwbouwwoningen doorgaans zonder bijzondere voorzieningen goed haalbaar. Daarmee is er, ook ten gevolge van het gecumuleerde geluid, in de woningen sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Op basis hiervan kan worden gekozen voor het hanteren van maatwerkvoorschriften voor Schipper Metaal en Riphagen Houtbewerking. Hiermee kunnen de iets hogere geluidsniveaus worden toegestaan zonder de bedrijven in hun bedrijfsvoering te beperken, terwijl tegelijkertijd in de woningen sprake blijft van een goed woon- en leefklimaat.

Uit onderzoek is gebleken dat de geluidsbelasting als gevolg van de activiteiten van Schipper Metaal en Riphagen Houtbewerking de geldende grenswaarden met respectievelijk 1 dB(A) overschrijdt voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidsniveau. Verder blijkt uit de gecumuleerde rekenresultaten dat het geluid ten hoogste 52 dB(A) bedraagt. Voor het beoordelen van het gecumuleerde geluid is geen toetsingskader beschikbaar. Wel kan het geluid analoog aan het geluid vanwege een gezoneerd industrieterrein beoordeeld worden. Hiermee zou niet aan de voorkeursgrenswaarde maar wel aan de maximaal toelaatbare grenswaarde kunnen worden voldaan.

Ten behoeve van de overschrijding van 'Schipper Metaal' en Riphagen houtbewerking zijn maatwerkvoorschriften vastgesteld door de Omgevingsdienst Veluwe.

Trillingen

Het thema trillingen zal naar verwachting geen belemmering vormen voor de onderhavige ontwikkeling, aangezien het plangebied op circa 300 meter van het spoor bevindt. Volgens de geldende richtlijnen, zoals de SBR-richtlijn 'hinder voor personen in gebouwen 2006' en de handreiking nieuwbouw en spoortrillingen, is een beoordeling van het risico op trillinghinder voornamelijk noodzakelijk binnen een afstand van 100 meter van het spoor. In sommige gevallen wordt het onderzoeksgebied uitgebreid tot 250 meter, afhankelijk van specifieke omstandigheden zoals de bodemopbouw en het treintype. Aangezien het plangebied buiten de 250 meter ligt, is het risico op hinder door trillingen zeer beperkt. Er is daarom geen directe noodzaak voor aanvullende maatregelen of een uitgebreid trillingsonderzoek. Bovendien, op deze afstand, wordt de invloed van trillingen door spoorverkeer doorgaans als verwaarloosbaar beschouwd. Eventuele bron- of overdrachtsmaatregelen, zoals beschreven voor nieuwbouw dicht bij het spoor, zijn hier niet relevant.

4.8 Omgevingsveiligheid

Wet- en regelgeving

Paragraaf 5.1.2 van het Bkl bevat instructieregels over de manier waarop het omgevingsplan externe veiligheid moet waarborgen bij het toedelen van functies aan locaties; de zogeheten omgevingsveiligheid. Gemeenten dienen regels op te nemen in het omgevingsplan om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen vanwege externe veiligheidsrisico's. In de instructieregels van het Bkl wordt onderscheid gemaakt in de kwetsbaarheid van gebouwen en locaties. Hierin wordt uitgegaan van drie niveaus:

  • Zeer kwetsbare gebouwen;
  • Kwetsbare gebouwen en locaties;
  • Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties.

De exacte indeling van de bovengenoemde gebouwen en locaties is te vinden in Bijlage VI van het Bkl. Hieronder vallen ook gebouwen die nog niet aanwezig zijn, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning mogen worden gebouwd (geprojecteerd gebouw). Het staat de gemeente vrij om een gebouw of locatie tot een zwaardere categorie te rekenen.

Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico's. Voor deze activiteiten dienen gemeentes regels op te nemen in het omgevingsplan. De instructieregels hiervoor staan in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De activiteiten welk zijn aangewezen als risicobronnen zijn aangewezen in bijlage VII van het Bkl.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar iemand die onbeschermd en continu op een plek verblijft komt te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Dit kan zijn: blootstelling aan hitte door brand, overdruk door een explosie of een concentratie giftige stoffen in de lucht. Deze kans is groter of gelijk aan 1 op één miljoen, of te wel PR 10-6. Het plaatsgebonden risico is ruimtelijk vertaald naar vaste afstanden tot gebouwen en locaties. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Deze afstanden zijn genoemd in Bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Groepsrisico en aandachtsgebieden

Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de kans dat als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen een groep van tien of meer personen overlijdt (het groepsrisico). Bij een beoordeling van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn een kenmerk van een activiteit met externe veiligheidsrisico's. Het zijn gebieden rond een activiteit met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er zijn een drietal aandachtsgebieden:

  • Een brandaandachtsgebied,
  • Een explosieaandachtsgebied, en
  • Een gifwolkaandachtsgebied.

Deze gebieden en hun begrenzing zijn beschreven in artikel 5.12 Bkl. Voor bepaalde activiteiten kan de omvang van deze gebieden worden afgelezen uit een tabel in Bijlage VII bij het Bkl en in bepaalde gevallen moet de omvang van deze gebieden worden berekend. Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).

Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Doorwerking plangebied

Zoals hierboven is aangeven zijn er drie verschillende niveaus om de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie te bepalen. Hiervoor is gekeken onder meer naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is; de aanwezigheidsduur van personen; en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Gebouwen die als woonfunctie zijn aangemerkt vallen binnen de categorie 'kwetsbare gebouwen en locaties'.

In de nabijheid van het plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig:

  • Op circa 1,1 kilometer ten oosten van het plangebied bevindt zich een tankstation met opslag van brandstoffen, hierdoor is er op ruime afstand een brand- en explosieaandachtsgebied.
  • Aangrenzend en deels overlappend over het plangebied is er een gifwolkaandachtsgebied. Hier wordt onderstaand verder op ingegaan.
  • Gasflessen op naastliggend terrein.

.afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0049-vas1_0011.png"

Figuur 11: doorsnede risicokaart, plangebied ter hoogte van blauwe bol met 'i' (bron: atlasleefomgeving)

Zoals eerder aangegeven, vallen bepaalde gebouwen en locaties binnen verschillende niveaus van kwetsbaarheid, afhankelijk van onder andere het aantal personen, de duur van hun aanwezigheid en hun mogelijkheden om zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident. Het gifwolkaandachtsgebied dat aangrenzend en deels overlappend over het plangebied aanwezig is, vereist speciale aandacht.

Gifwolkaandachtsgebieden worden van rechtswege van kracht zodra er een risicovolle activiteit plaatsvindt waarvoor deze gebieden in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn aangewezen. Conform artikel 5.15 van het Bkl moet in een omgevingsplan rekening worden gehouden met de kans op overlijden van groepen van tien of meer personen als gevolg van een ongewoon voorval, zoals het vrijkomen van giftige stoffen. In tegenstelling tot brand- of explosieaandachtsgebieden is er echter geen verplichting om specifieke voorschriftengebieden vast te stellen voor gifwolkaandachtsgebieden.

De bouwkundige maatregelen gericht op het beschermen van personen tegen de gevolgen van een gifwolk spelen een belangrijke rol. Hoewel er geen aanvullende voorschriften voor een specifiek gebied hoeven te worden vastgesteld, geldt wel de algemene eis dat nieuwbouw voorzien moet zijn van afsluitbare mechanische ventilatie. Dit is essentieel om de zelfredzaamheid van personen in het gebouw te waarborgen, doordat zij binnenshuis kunnen blijven en voldoende bescherming genieten tegen de schadelijke effecten van giftige stoffen in de buitenlucht.

In het geval van het plangebied, dat deels overlapt met een gifwolkaandachtsgebied, is het van belang dat bij nieuwe gebouwen aandacht wordt besteed aan maatregelen die de zelfredzaamheid van de aanwezige personen vergroten. Dit kan bijvoorbeeld door te zorgen voor duidelijke evacuatieplannen, geschikte ventilatiesystemen en maatregelen die de blootstelling aan giftige stoffen minimaliseren.

Uit een controle uit 2020 is gebleken dat er gevaarlijke stoffen worden opgeslagen op het terrein van het metaalverwerkingsbedrijf. Het gaat hierbij om gasflessen die op het terrein zijn opgeslagen (zie bijlage 12). Het planinitiatief voor de bouw van woningen grenst aan een perceel waar een bedrijf gasflessen opslaat. Vanuit het planinitiatief wordt gesteld dat er geen directe invloed is op de veiligheid, mits het bedrijf zich houdt aan de voorschriften van PGS 15. Deze richtlijnen waarborgen dat de opslag van gasflessen veilig gebeurt en geen risico vormt voor de toekomstige bewoners.

De PGS 15 stelt strenge eisen aan de afstand tot gebouwen en de brandwerendheid van gevels, waardoor de kans op branddoorslag of -overslag minimaal is. Wanneer het bedrijf de voorgeschreven afstanden en brandveiligheidseisen naleeft, worden risico's zoals hitteaanstraling of gasophoping effectief voorkomen.

Aangezien de opslag van gasflessen volledig gereguleerd is en het bedrijf verplicht is deze maatregelen in acht te nemen, vormt de nabijheid van de opslag geen belemmering voor het woongebied. Hiermee is de veiligheid van de toekomstige bewoners gewaarborgd.

4.9 Kabels, leidingen en telecommunicatie installaties

Wet- en regelgeving

Onder de grond liggen netwerken van kabels en leidingen voor onder andere nutsvoorzieningen, (tele)communicatie en riolering. Graafwerkzaamheden in de openbare weg voor de aanleg, uitbreiding en of onderhoud van deze werken mogen alleen gebeuren met vergunning en/of instemming van de gemeente. Het wettelijk kader ten aanzien van plaatsing van antennes en zendmasten ten behoeve van mobiele telecommunicatie wordt in de kern gevormd door de Omgevingswet. Antenne-installaties tot vijf meter hoogte zijn in principe bouwvergunningvrij. Antennes voor C2000, het communicatienetwerk voor hulpverleningsdiensten zijn bouwvergunningvrij, ongeacht hun hoogte.

Doorwerking plangebied

Binnen het plangebied bevinden zich geen planologisch belangrijke kabels en leidingen. Mogelijk zijn diverse niet-planologisch relevante leidingen aanwezig zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen en/of drainageleidingen. Deze kabels en leidingen zijn veelal aangelegd langs/in combinatie met aanwezige weginfrastructuur. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient hiermee rekening te worden gehouden. Voor uitvoering van de graafwerkzaamheden zal daarom een Klic-melding gedaan worden.

4.10 Water en klimaatadaptatie

Wet- en regelgeving

Waterwet

De Waterwet gaat grotendeels op in de Omgevingswet. De volgende onderdelen blijven in de Waterwet achter: de regels voor het Deltaprogramma, de Deltacommissaris en het Deltafonds. Er staat ook een aantal financiële bepalingen in de Waterwet.

Nationaal Water Programma 2022-2027

Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is vastgesteld op 18 maart 2022. In het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein. Zo moet Nederland zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Ook moeten we blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook verdient de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening aandacht. Daarnaast hebben diverse functies het water nodig, zoals scheepvaart, landbouw en natuur. In het NWP zijn deze uitdagingen uitgewerkt en is aangegeven hoe hiermee om wordt gegaan.

Besluit kwaliteit leefomgeving

Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Er wordt gesteld dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersystemen. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 tot en met 5.49 van het Bkl rijksregels met betrekking tot:

  • Het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen;
  • Het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied;
  • Het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

De watertoets die was opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening is vervangen door een inhoudelijke instructieregel die is opgenomen in artikel 5.37 van het Bkl. De 'weging van het waterbelang', voorheen bekend als de watertoets, biedt de waterbeheerder de mogelijkheid aandacht te vragen voor waterveiligheid en voor het voorkomen van wateroverlast in het kader van waterrobuust bouwen. De oorspronkelijke watertoets wordt niet langer voorgeschreven. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.

Ten slotte zijn de regels van artikel 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan.

Waterschap Vallei en Veluwe

Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van het waterschap Vallei en Veluwe. Het waterschap is daarmee verantwoordelijk voor het opstellen van regels en leggers die betrekking hebben tot het water. Hierin wordt geregeld op welke wijze men schade aan dijken en oevers dient te voorkomen hoe watertekorten, wateroverlast en watervervuiling voorkomen worden, maar stelt ook regels over waar wel en niet gebouwd mag worden langs of nabij wateren en waterstaatswerken.

Gemeentelijk rioleringsplan

Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) van Apeldoorn beschrijft de aanpak van de gemeentelijke watertaken, waaronder afvalwater, hemelwater en grondwaterbeheer. Het GRP is erop gericht om wateroverlast te voorkomen, droogte tegen te gaan en te zorgen voor een efficiënt rioolstelsel. De gemeente werkt hierbij aan het herstel van het natuurlijke watersysteem door maatregelen zoals het afkoppelen van regenwater en het vergroenen van de stad. Dit draagt niet alleen bij aan een duurzame waterhuishouding, maar ook aan een gezondere leefomgeving.


Het plan heeft als specifieke doelen het beperken van wateroverlast bij hevige neerslag, het voorkomen van verdroging in bepaalde delen van de stad, en het verbeteren van de waterkwaliteit door vermindering van riooloverstortingen. Ook is er aandacht voor klimaatadaptatie, waarbij wordt ingezet op het vasthouden en hergebruiken van regenwater

Doorwerking plangebied

Watertoets

Na het invullen van de watertoets (bijlage 13) blijkt dat er geen waterschapsbelang wordt geraakt.

Watercompensatie

Voor het plangebied geldt de Verordening afvoer hemelwater en grondwater 2023 van de gemeente Apeldoorn, welke per 25 januari 2024 van kracht is. In de omgevingsverordening is een specifieke bergingsplicht opgenomen. Conform artikel 2, lid 5, geldt voor nieuwbouw en grootschalige verbouwprojecten een verplichting om 60 mm hemelwater te bergen over het te realiseren verhard oppervlak.

In de bestaande situatie is er 961 m2 verharding aanwezig door totale bebouwing. In de nieuwe situatie wordt dit een totaal oppervlak van 1737 m2. Dit betreft een toename van 776 m2. Hierdoor ontstaat er een compensatieplicht van 465,6 m3.

Met voorliggend planinitiatief wordt de huidige verharding/bestrating vervangen voor open verharding. Hierdoor ontstaat extra waterberging. Het is wenselijk om de bergingscapaciteit van de open bestrating door te rekenen, zodat de effectiviteit ervan in het totale watersysteem kan worden bepaald.

Riolering

Op basis van het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan (2022-2026) van Apeldoorn is de aanleg van nieuwe riolering voor nieuwbouwprojecten vaak afhankelijk van de staat en capaciteit van de bestaande riolering. Als de bestaande riolering goed functioneert en voldoet aan de eisen, kan aansluiting op het bestaande netwerk voldoende zijn.

Het plan voorziet in een gescheiden rioleringssysteem, waarbij afvalwater en hemelwater afzonderlijk worden afgevoerd. Daarnaast zijn er maatregelen opgenomen om hemelwater efficiënt te verwerken, zoals het gebruik van waterdoorlatende bestrating op parkeerplaatsen. Onderhavig planinitiatief wordt aangesloten op de bestaande riolering.

Klimaatadaptatie

Hemelwateroverlast

Figuur 12 & 13 geven een indicatie van maximale waterdiepte die op een bepaalde plek kan optreden als gevolg van hevige neerslag: buien waarbij 70mm neerslag valt in 2 uur en 140 mm neerslag in 2 uur. Deze buien komen in het huidige klimaat op een bepaalde locatie gemiddeld eens per 100 jaar respectievelijk eens per 1.000 jaar voor. Door klimaatverandering kunnen die kansen aan de eeuw twee keer zo groot. Zijn.

Figuur 12 toont de waterdiepte die optreedt bij een hevige bui van 70 mm in 2 uur. In het noorden van het plangebied varieert de waterdiepte tussen de 5 en 15 cm, wat wijst op een beperkte ophoping van water in dit deel van het gebied. In het zuidelijke deel van het plangebied treedt een iets grotere variatie op, waarbij de waterdiepte schommelt tussen de 5 en 20 cm.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0049-vas1_0012.png"

Figuur 12: doorsnede plangebied, waterdiepte bij hevige bui, 70mm/2 uur (bron: klimaateffectatlas)

Figuur 13 laat de waterdiepte zien bij een hevige regenbui van 140mm per 2 uur. In een groot gedeelte van het zuidelijk deel van plangebied treedt een waterdiepte tussen de 10 en de 30cm op. In het noordelijk en noordwesten treedt een waterdiepte tussen de 5 en 30

Tijdens een hevige regenbui, met een intensiteit van 140 mm in 2 uur, treden er aanzienlijke waterophopingen op binnen het plangebied. In het noorden en noordwesten van het gebied varieert de waterdiepte van 5 tot 30 cm. Deze delen van het plangebied hebben relatief minder last van diepere waterophopingen. In het Zuidelijke deel van het plangebied daarentegen, treedt op het grootste gedeelte van dit gebied een waterdiepte van 20 cm of meer op, wat wijst op een grotere gevoeligheid voor wateroverlast in dit deel van het gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0049-vas1_0013.png"

Figuur 13: uitsnede waterdiepte bij hevige bui 140mm/2 uur (bron: klimaateffectatlas)

De capaciteit van de bodem om water op te nemen, verschilt binnen het plangebied (zie figuur 14, volgende pagina). In het noorden en noordwesten van het gebied is er ruimte voor 250 tot 500 mm water in de grond. Dit betekent dat de bodem hier een relatief gemiddeld waterbergend vermogen heeft, waardoor een groot deel van het regenwater in de grond kan infiltreren. In het zuidelijke deel van het plangebied is er echter aanzienlijk minder ruimte voor water in de bodem; hier varieert de opnamecapaciteit tussen de 100 en 250 mm. Dit geeft aan dat de bodem in het zuiden sneller verzadigd raakt en minder water kan verwerken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0049-vas1_0014.png"

Figuur 14: ruimte voor water in de grond (bron: Atlas Leefomgeving)

Concluderend, wanneer er een hevige regenbui plaatsvindt, zoals een bui van 70 mm in 2 uur, wordt duidelijk hoe de verschillen in wateropnamecapaciteit in het gebied doorwerken. In het noorden en noordwesten, waar meer ruimte in de bodem beschikbaar is, kan een groter deel van het regenwater infiltreren, waardoor de kans op wateroverlast kleiner is. In het zuiden daarentegen, met een beperktere capaciteit van 100-250 mm, raakt de bodem sneller verzadigd. Bij een regenbui van 140 mm per 2 uur, zal in dit deel van het plangebied het water minder snel kunnen wegzakken, wat resulteert in verhoogde kans op wateroverlast en plassen.

In het kader van klimaatveiligheid heeft de VNOG gewezen op mogelijke risico's van wateroverlast bij extreme neerslag. Uit de analyse blijkt dat het noordelijke en noordwestelijke deel van het plangebied een extreme bui goed kan opvangen of laten infiltreren, terwijl in het meest zuidelijke deel - waar binnen het plan uitsluitend een groene invulling is voorzien - lokaal waterstanden tot circa 30 cm kunnen optreden bij een uitzonderlijke bui (circa 140 mm in twee uur). De bodem in het plangebied heeft een infiltratiecapaciteit van circa 250 mm (25 cm). Dit betekent dat bij een extreme neerslaghoeveelheid die theoretisch zou leiden tot 30 cm water op maaiveld, het overgrote deel van het water in de bodem kan infiltreren en slechts circa 5 cm restwater tijdelijk aan het oppervlak zal blijven staan. Omdat pas bij 15 cm waterdiepte sprake is van belemmering voor hulpdiensten, kan worden geconcludeerd dat de kans op daadwerkelijke overlast of ontoegankelijke wegen zeer gering is. Binnen het plan wordt bovendien ingezet op halfverharding en een groene inrichting die de infiltratiecapaciteit verder versterken. Hierdoor wordt regenwater lokaal vastgehouden en vertraagd afgevoerd, waardoor de waterhuishouding robuust is en het plangebied klimaatbestendig en goed bereikbaar voor hulpdiensten blijft, ook bij extreme weersomstandigheden.

Overstromingsrisico

Overstromingsdiepte geeft waardevolle informatie zoals de overstromingskenmerken voor een gebied. De overstromingsdieptekaarten geven aan hoe diep een gebied kan overstromen. De overstromingsdiepte is van grote invloed op de omvang van de schade en het aantal slachtoffers. De maximale overstromingsdiepte geeft inzicht in de overstromingskenmerken van een gebied. Op een locatie zijn vaak verschillende overstromingen mogelijk:

  • Grote kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 10 jaar overstroomt.
  • Middelgrote kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 100 jaar overstroomt
  • Kleine kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 1000 jaar overstroomt
  • Bijzonder kleine kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 100.000 jaar overstroomt.

Voor het plangebied geldt er geen kans dat het plangebied overstroomt. Figuur 15 laat de kaart zien voor een bijzonder kleine kans. Binnen dit scenario is er geen overstromingskans in het plangebied. De verwachting is dat er geen belemmering zal zijn voor de beoogde ontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0049-vas1_0015.png"

Figuur 15: doorsnede plangebied. overstromingsdiepte kleine kans (bron: klimaateffectatlas)

Het omgevingsaspect water en klimaatadaptatie vormt geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.

4.11 Windhinder

Wet- en regelgeving

Windhinder is een aspect van de fysieke leefomgeving (artikel 2.1 Omgevingswet). Hierdoor is het een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Omgevingswet) in het omgevingsplan. Vanuit het rijk zijn voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld derhalve kan de gemeente zelf invulling geven aan de regels in het omgevingsplan.

Voor de beoordeling van het windklimaat geldt de NEN 8100 (2006) norm. De NEN 8100 (2006) is vanuit de wet niet verplicht, maar gemeenten zijn vrij om een beoordelingsregel op te nemen in het omgevingsplan dat een verplichting oplegt om een windonderzoek volgens de NEN 8100 (2006) te laten uitvoeren. In de NEN 8100 (2006) is een beslismodel opgenomen wat aangeeft wanneer een windonderzoek noodzakelijk is:

  • Gebouwen hoger dan 30 meter: windonderzoek is nodig;
  • Beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 meter: specialist beoordeelt of een windonderzoek nodig is;
  • Onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 meter: specialist beoordeelt of een windonderzoek nodig is.

Doorwerking plangebied

Met onderhavig planinitiatief worden geen gebouwen hoger dan 15 meter gerealiseerd. Concluderend het aspect windhinder is niet relevant voor onderhavige aanvraag en kan daarmee buiten beschouwing worden gelaten.

4.12 Beschermen van de gezondheid

Wet- en regelgeving

De grondslag voor het beschermen van de gezondheid is artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet. Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Het artikel benadrukt de samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in plaats van een sectorale. De Omgevingswet is in ieder geval gericht op veiligheid en gezondheid van de mens. Bij veiligheid gaat het om aspecten van fysieke veiligheid zoals externe veiligheid en veiligheid tegen overstromingen. Bij gezondheid van de mens gaat het om aspecten zoals geluid en luchtverontreiniging. Een goede omgevingskwaliteit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap.

Doorwerking plangebied

Veilige en gezonde fysieke leefomgeving

Zoals in de bovenstaande paragrafen is terug te lezen, is er sprake van een aanvaardbaar veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Het project bevindt zich weliswaar in een aandachtsgebied, maar de risico's op gevaar worden als zeer beperkt beschouwd. Alle relevante omgevingsaspecten zijn zorgvuldig getoetst, waarbij is aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve effecten zal hebben op de fysieke leefomgeving. Dit zorgt ervoor dat de veiligheid en gezondheid van de omgeving gewaarborgd blijven en de leefkwaliteit voor omwonenden behouden blijft

Goede omgevingskwaliteit

Het planinitiatief richt zich op de herontwikkeling van een plangebied waar momenteel een oude school met aanbouw staat. De voorgestelde herinrichting biedt ruimte voor kwalitatieve woningen en voorziet daarnaast in een blijvend groene invulling waarbij aandacht wordt besteed aan herbeplanting van houtkap en een klimaat adaptieve inrichting. Hiermee draagt het planinitiatief bij aan een verbetering van de omgevingskwaliteit.

4.13 Verkeer en parkeren

Wet- en regelgeving

Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn.

Op 21 maar 2019 is het Beleidsregel parkeren vastgesteld door de gemeente Apeldoorn deze is opgenomen in de 'Parapluherziening parkeren' (Vastgesteld op 21-03-2019). De gemeente Apeldoorn heeft een parkeerbeleid opgesteld om ervoor te zorgen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen voldoende parkeerruimte beschikbaar is. Dit beleid is erop gericht om parkeerdruk in de omgeving te voorkomen en is opgenomen in bestemmingsplannen. De gemeente hanteert daarbij parkeernormen om te bepalen hoeveel parkeerplaatsen nodig zijn. Dit beleid vormt de basis voor het beoordelen van nieuwe bouwplannen en vergunningen, zodat parkeerproblemen zoveel mogelijk worden beperkt.

Doorwerking plangebied

De hoogte van de parkeernormen worden in de 'Beleidsregels Parkeren 2024' gedifferentieerd naar gebieden. Hierbij is de gebiedstypologie bepalend. In algemene zin geldt dat bij de bepaling van de parkeernormen rekening is gehouden met de autoafhankelijkheid van toekomstige gebruiksgroepen. Er is onderscheid gemaakt tussen drie verschillende gebieden. Onderhavig planinitiatief maakt onderdeel uit van stedelijkheidsgraad 'sterk stedelijk' en gebied 'rest Apeldoorn'. Voor het opstellen van de beleidsregels omtrent parkeren is aansluiting gezocht bij het CROW. Onderstaand is de parkeernorm en fietsparkeernorm berekend.

Autoparkeren

De gemeente Apeldoorn heeft in het parkeerbeleid (Beleidsregels Parkeren 2024) parkeernormen opgenomen voor nieuwe woningen. Onderstaand is de parkeerbehoefte berekend. Voorliggend planinitiatief betreft de herontwikkeling van het voormalig schoolgebouw en de toevoeging van woningen. Uit onderstaande parkeerberekening blijkt een parkeerbehoefte van 37,5 parkeerplaatsen benodigd te zijn. Voorliggend planinitiatief ziet op de realisatie van 38 parkeerplaatsen. Zodoende kan geconcludeerd worden dat het planinitiatief voldoet aan het huidige parkeernormenbeleid van de gemeente Apeldoorn.

Tabel 2, berekening benodigde parkeerplaatsen

Soort woning   Aantal woningen   Parkeernorm (per woning)   Doorwerking parkeerbehoefte   Totaal  
Rijwoning (koop middenduur en duur)   18   1.25   22.5   22.5  
Appartement (koop middenduur)   7   1.25
 
8.75   8.75  
Bezoekers   25   0.25   6.25   6.25  
Totaal         37.5  

Fietsparkeren

De gemeente Apeldoorn heeft de parkeernormen voor fietsen gebaseerd op de CROW-richtlijn 'Kerncijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving heeft een woonfunctie een individuele, afsluitbare bergruimte om fietsen of scootmobielen beschermd tegen weer en wind te kunnen opbergen (Artikel 4.171 Bbl). Als alternatief voor de individuele fietsenbergingen kan ook een gemeenschappelijke fietsenberging worden gerealiseerd.

Voorliggend planinitiatief ziet op de realisatie van 25 woningen. De 10 woningen in het zuidelijke deel krijgen een eigen berging en voldoen daarmee aan de fietsparkeernorm. De overige woningen krijgen een gemeenschappelijke fietsenberging. Voor de appartementen geldt een fietsparkeernorm van 3 wat resulteert in een parkeereis van 21 fietsparkeerplaatsen. Voor de woningen in het noordelijke deel geldt een fietsparkeernorm van 4 wat resulteert in een parkeereis van 32 fietsparkeerplaatsen.

Met voorliggend planinitiatief worden 60 parkeerplaatsen gerealiseerd waarvan 30 in een laag rek en 30 in een hoog rek. Zodoende kan geconcludeerd worden dat het planinitiatief voldoet aan het huidige parkeernormenbeleid van de gemeente Apeldoorn.

Verkeersgeneratie

De Gemeente Apeldoorn beschikt niet over cijfers voor de verkeersgeneratie, derhalve is aansluiting gezocht bij de verkeersgeneratie van de CROW op basis van de kerncijfers uit 'CROW-publicatie 744'. In de kerncijfers wordt gebruik gemaakt van een bandbreedte (minimum-maximum), de Beleidsregels Parkeren 2024 hanteert als uitgangspunt dat in alle zones het gemiddelde van de bandbreedte wordt gehanteerd. Het plangebied wordt gekenmerkt als stedelijkheidsgraad 'Sterk stedelijk' en gebied 'schil centrum'. Onderstaand is de verkeersgeneratie berekend. In de toekomstige situatie is er een toename van 156 verkeersbewegingen. Dit is inclusief het aandeel van bezoekersverkeer bij woningen.

Tabel 3, berekening verkeersgeneratie

Soort woning   Aantal woningen   Verkeersgeneratie (per woning)   Doorwerking plangebied   Doorwerking per werkdag  
Koop (huis, tussen/hoek)   18   6.8   122.4   135.9  
Koop (appartement, <75m2 bvo)   7   4.3   30.1   33.1  
Totaal       152.5   169  

Het plangebied zowel naar het noordwesten als het oosten ontsloten worden. Aan de hand van de CIMLK kaart (Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit) kan berekend worden wat voor bijdrage onderhavig planinitiatief heeft in het huidige verkeersbeeld.

Westelijke richting

Aan de hand van onderstaand figuur wordt duidelijk dat er sprake is van een verkeersintensiteit van 13.656 voertuigen per etmaal aan de noordwestelijke ontsluitingsweg van de Molenstraat. Een toevoeging van 169 voertuigen per etmaal betreft een toename van 1.2%. Dit is een dermate laag percentage waardoor er geconcludeerd kan worden dat het verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0049-vas1_0016.png"

Figuur 16: Verkeersintensiteit Molenstraat, westelijke richting (bron: CIMLK)

Oostelijke richting

Aan de hand van de CIMLK kaart wordt duidelijk dat er sprake is van een verkeersintensiteit van 10.180 voertuigen per etmaal over de oostelijke ontsluitingsweg van de Molenstraat (zie onderstaand figuur). Een toevoeging van gemiddeld 189 voertuigen per etmaal betreft een toename van 1.7%. Dit is een dermate laag percentage waardoor er geconcludeerd kan worden dat het verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld.

 afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0049-vas1_0017.png"

Figuur 17: Verkeersintensiteit Molenstraat, oostelijke richting (bron: CIMLK)

Om deze reden wordt voor het aspect verkeer geen belemmering verwacht.

5 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

5.1.1 Kostenverhaal

Afdeling 13.6 van de Omgevingswet bevat de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan wordt bepaald of kostenverhaal verplicht is en hoe de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. De verplichting tot kostenverhaal geldt voor particuliere grondeigenaren die een bouwplan als bedoeld in artikel 13.11 Omgevingswet en artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit kunnen realiseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de bouw van een of meerdere woningen of een nieuw hoofdgebouw.

Doorwerking plangebied

Onder artikel 8.13 (kostenverhaalplichtige activiteiten) van het omgevingsbesluit is het onderhavige planinitiatief kostenverhaal plichtig.

Het kostenverhaal voor dit project wordt geregeld via een anterieure overeenkomst op basis van de Omgevingswet. In deze overeenkomst worden afspraken gemaakt over de bijdragen van de initiatiefnemer aan voorzieningen zoals infrastructuur, groenvoorzieningen en openbare ruimte. Deze overeenkomst zorgt ervoor dat de ontwikkelaar de noodzakelijke kosten draagt om de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving te behouden en te versterken, zodat deze kosten niet bij de gemeente komen te liggen.

5.1.2 Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie heeft betrekking op vergoeding van schade veroorzaakte door rechtmatige besluiten en handelen van de overheid. Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen:

  • die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten;
  • die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.

De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Schadeoorzaken zijn onder meer: een omgevingsvergunning, een regel in het omgevingsplan met rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven of een maatwerkvoorschrift.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Participatie

In artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit staat de zogenaamde motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie omgevingsplan beschreven:

'Bij de kennisgeving van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen dient te worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken.' (artikel 10.2 lid 1 van het Omgevingsbesluit).

'Bij het vaststellen van een omgevingsplan dient hier verslag van te worden gedaan. Hierbij wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke decentrale participatiebeleid.' (artikel 10.2 lid 2 van het Omgevingsbesluit).

Doorwerking planinitiatief

Voorafgaand aan het initiatief is een paticipatietraject bepaald, deze is te zien in bijlage 14. Het participatietraject rondom het project aan de Molenstraat 120 in Apeldoorn begon met een eerste informatie- en participatiebijeenkomst op 26 augustus 2024 (zie ook bijlage 15). Hierbij werden omwonenden en belanghebbenden geïnformeerd over de nieuwbouw- en transformatieplannen, die ook een wijziging van het bestemmingsplan vereisen. Circa 65 personen namen deel aan de bijeenkomst, waarvan sommigen hun zorgen en suggesties uitten, bijvoorbeeld over bouwhoogte, verkeersveiligheid en parkeerruimte. De organisatoren verzamelden deze reacties via gesprekken, post-its en formulieren, en hebben deze opmerkingen verwerkt in de verdere planontwikkeling. Hoewel er over het algemeen positieve reacties waren, zijn zorgen over verkeersdrukte, bouwhoogte, behoud van groen en bouwoverlast serieus genomen. Op basis van deze input is het plan aangepast. Het beoogde 4-laagse appartementengebouw achter de school is komen te vervallen. In plaats daarvan is gekozen voor het realiseren van tien grondgebonden woningen. Daarnaast is in plaats van tien woningen aan de noordzijde van de kavel gekozen voor acht ruimere levensloopbestendige woningen.


In een tweede participatiebijeenkomst op 8 april 2025 is het aangepaste plan gepresenteerd en zijn opnieuw reacties verzameld (zie ook bijlgae 16). Na het presenteren van het plan zijn de eerste reacties zeer positief. Mensen zijn blij met de kleinere schaal van het plan ten opzichte van het vorige, en met de hoeveelheid parkeerplekken ten opzichte het verkleinde aantal woningen.


Ook zijn bezoekers blij met de opzet die qua stedenbouw en vormentaal volgens hen goed aansluit bij de omgeving. Van omwonenden van het achter-terrein komen veel positieve reacties over de verlaging van de bebouwing achter de school. Ten opzichte van de eerste inloopavond worden er door mensen minder post-its opgeplakt of opmerkingen achtergelaten.

Op 19 januari 2026 is een derde participatiebijeenkomst georganiseerd om de stakeholders te informeren over de stand van zaken en de verder uitgewerkte plannen (zie ook bijlage 17). Deze bijeenkomst vond plaats tijdens de periode waarin het concept omgevingsplan ter visie lag en er zienswijzen konden worden ingediend. De presentatie van de plannen werd positief ontvangen. Met enkele buren zijn nog separate afspraken gemaakt over erfgrenzen.

5.2.2 Advies en instemming

Vooroverleg veiligheid

Het plangebied Molenstraat 120 is getoetst op omgevings-, brand- en klimaatveiligheid. De opslag van gasflessen op het terrein van Schipper Metaal voldoet aan de veiligheidsnormen volgens PGS 15. Voor risicocommunicatie wordt voorzien in handmatig afschakelbare mechanische ventilatie en evacuatie-instructies voor bewoners. De bouw van 25 woningen voldoet aan de eisen van het Bbl, inclusief bluswatervoorziening en bereikbaarheid voor hulpdiensten. Wateroverlast in het zuiden van het plangebied is onderzocht en wordt via maatregelen zoals waterdoorlatende bestrating aangepakt, zodat calamiteitenverkeer toegankelijk blijft. Natuurbrandgevaar speelt geen rol. De planontwikkeling houdt hiermee rekening met alle relevante veiligheidsaspecten.

Vooroverleg provincie

Het vooroverleg met de provincie Gelderland heeft per e-mail plaatsgevonden. De provincie heeft daarbij aangegeven dat het plan nader beschouwd dient te worden in relatie tot de Omgevingsverordening Gelderland, met specifieke aandacht voor de aspecten landschap en klimaatadaptatie, en dat tevens de Woondeal Regio Stedendriehoek (2022-2030) in de beoordeling betrokken dient te worden.
Deze punten zijn in de planuitwerking meegenomen. De aspecten landschap en klimaatadaptatie zijn beschouwd in de betreffende paragrafen van de toelichting. Daarnaast is de Woondeal betrokken; het plan draagt bij aan de regionale woningbouwopgave door de toevoeging van 25 woningen: zeven appartementen in de categorie middelduur 1, acht levensloopbestendige woningen in de categorie middelduur 2 en tien grondgebonden eengezinswoningen waarvan twee in de categorie middelduur 2 en acht in de vrije sector.

5.2.3 Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen

Tegen het TAM-omgevingsplan zijn geen zienswijzen ingediend. Er zijn wel ambtshalve wijzigingen ten opzichte van het ontwerp TAM-omgevingsplan. De ambtshalve wijzigingen betreffen:

 

Toelichting:

• Motivering 4.4 Ecologie

Vanuit de ODV werd geadviseerd om enkele tekstuele aanpassingen door te voeren m.b.t. vleermuizen en boomgebruik. Tevens wordt m.b.t. huismus en gierzwaluw aangegeven dat werkzaamheden het beste buiten het broedseizoen kunnen worden uitgevoerd, of voorafgegaan worden door een broedvogelscan'.

De tekstuele wijzigingen en opmerkingen zijn verwerkt in het aangepaste Nader ecologisch onderzoek Huismus, gierzwaluw, kleine marterachtigen, steenmarter en vleermuizen d.d. 27-03-2026.

In de toelichting was sprake van 24 te kappen bomen terwijl in de BEA staat dat 25 bomen niet behouden kunnen worden. Dit heeft te maken met het feit dat er inmiddels 1 boom is omgevallen door harde wind. Dit is verwerkt in de tekst van het TAM-omgevingsplan,

In de aanvullende beoordeling van het "Nader ecologisch onderzoek Huismus, gierzwaluw, kleine marterachtigen en steenmarter en vleermuizen" door Taharo, november 2025 is gevraagd om nadere toelichting en een aantal aanpassingen in de tekst m.b.t. de steenmarter en de egel.

De opmerkingen en aanbevelingen zijn verwerkt in het aangepaste Nader ecologisch onderzoek Huismus, gierzwaluw, kleine marterachtigen, steenmarter en vleermuizen d.d. 27-03-2026

NB 1: bij de aanvraag van de omgevingsvergunning zal er meteen een vergunning worden aangevraagd voor een flora en fauna activiteit mbt de steenmarter. Tevens zal een ecologisch werkprotocol worden opgesteld. Hier wordt ook een protocol m.b.t. de bomen in meegenomen.

NB 2: In het inrichtingsplan voor de locatie worden twee voorzieningen opgenomen ten behoeve van de steenmarter.

• Motivering 4.7 Geluid door activiteiten, geur en trillingen

Er is een aanvullende tekst opgenomen over cumulatie van geluid van beide bedrijven (activiteiten) die aan de locatie grenzen (Schipper Metaal en Riphagen houtbewerking).

In het betreffende onderzoek staat ook dat er een maatwerkvoorschrift moet worden vastgesteld.

De genoemde maatwerkvoorschriften zijn opgesteld en gepubliceerd door de Omgevingsdienst Veluwe op 13-04-2026. Per 26-5-2026 zijn deze voorschriften onherroepelijk vastgesteld omdat er geen bezwaren zijn gemaakt. In de omschrijving wordt hier nu naar verwezen.

 

Toelichting bijlagen:

• Bijlage 6: AERIUS-rapportage:

In de Aerius-rapportage d.d. 15-10-2025 waren 67 extra vervoersbewegingen toegevoegd (p.13) en dat komt overeen met de berekening, maar er zijn geen voertuigen als MUT/ZUT ingevoerd. Dit is aangepast. De aangepaste AERIUS-rapportage d.d. 11-02-2026 is toegevoegd.

• Bijlage 7: Quickscan Flora & Fauna

Op de Quickscan Flora & Fauna, Lycens, 24 oktober 2025 waren nog opmerkingen geplaatst mbt bijzondere bomen, zorgplichtmaatregelen en de minst kwetsbare periode.

De opmerkingen zijn verwerkt in een aangepaste Quickscan flora&fauna d.d. 8-04-2026 die is toegevoegd als bijlage.

• M.e.r.-beoordeling

De M.e.r.-beoordeling stamde nog uit 26 mei 2025

Er is gevraagd om een actualisering om de conclusie te kunnen trekken dat er geen belangrijke milieugevolgen zullen optreden. Een aangepaste MER-beoordeling d.d. 8-04-2026 is toegevoegd als bijlage. De gevraagde aanpassingen zijn verwerkt.

Regels:

• Geluid – regels en motivering

Artikel 8 van de regels is geschrapt. Deze regeling/dit artikel zou alleen moeten worden opgenomen als er overschrijdingen zijn voor verkeerslawaai of industrielawaai (vanwege een industrieterrein met grote lawaaimakers) en dat is hier niet het geval.

Verbeelding:

In de verbeelding is een correctie doorgevoerd: de dubbelbestemming 'lage agrarische verwachtingswaarde' is vervangen door 'lage archeologische verwachtingswaarde'.

6 Juridische opzet

6.1 Systematiek

Onderhavige wijziging van het omgevingsplan, Hoofdstuk 22av, Molenstraat 120 te Apeldoorn, vormt een wijziging van het omgevingsplan Apeldoorn die tot stand is gekomen gebruikmakend van de TAM-IMRO-techniek. Woningbouw op deze locatie is in strijd met in het tijdelijke deel onderdeel uitmakende bestemmingsplan 'Stadsdeel noord-oost, waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden.

Voorliggende wijziging is op het oog een plan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat voorliggende wijziging van het omgevingsplan met de TAM-IMRO-techniek juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavige TAM-IMRO wijziging van het omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavige wijziging een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22av van het omgevingsplan.

Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen

Deze wijziging maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Apeldoorn. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling van het besluitgebied behorende bij deze wijziging (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling aan de Molenstraat 120 te Apeldoorn. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over de het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij deze wijziging nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen.

Hoofdstuk 2 - functies en activiteiten

Voor onderhavige wijziging is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan Apeldoorn. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. Daar waar mogelijk is voorgesorteerd op het nog op te stellen nieuwe, permanente omgevingsplan voor de gemeente Apeldoorn dat op dit moment nog in ontwikkeling is.

Groen

Het structurele en structurerende groen in het besluitgebied heeft de functie Groen toebedeeld gekregen. Hier zijn de aanleg, versterking en instandhouding van groenvoorzieningen en ter plaatse voorkomende waardevolle beplanting en landschapselementen toegestaan evenals fiets- en voetpaden en een calamiteitenstrook.

Verkeer - Verblijfsgebied

De functie Verkeer - Verblijfsgebied is gegeven aan de gebieden die een verblijfsfunctie hebben. Dit betreft de wegen, straten, voet- en fietspaden, bermen en parkeervoorzieningen in de woongebieden. Ook het niet-structurerende groen is in deze functie ondergebracht.

Wonen

Daar waar de nieuw te bouwen woningen zijn gesitueerd geldt de functie Wonen. Het realiseren van woningen is uitsluitend toegestaan binnen de bouwvlakken, overeenkomstig de daar geldende bouwaanduiding en, indien aanwezig, de maximaal opgenomen te bebouwen oppervlakte aan hoofdgebouw. Er wordt een maximum te bebouwen oppervlakte per bouwvlak opgenomen om ervoor te zorgen dat er niet te grote volumes ontstaan. De opgenomen goot- en bouwhoogte regelen de maximale te bouwen goot- en bouwhoogte van woningen.

Waarde - Bijzondere boom

De bepalingen voor bijzondere bomen zijn opgenomen voor de bomen die door het bevoegd gezag als bijzondere boom zijn aangewezen. Bijzondere bomen vinden hun voornaamste bescherming in de Algemene Plaatselijke Verordening, waarin is bepaald dat het verboden is om zonder vergunning bomen te kappen en dat er geen vergunning tot het kappen van bijzondere bomen wordt afgegeven, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, noodtoestand of andere uitzonderlijke situatie. Dit geheel biedt reeds een aanzienlijke bescherming van de bijzondere bomen. In dit hoofdstuk van het omgevingsplan is een aanvullende regeling opgenomen. De bijzondere bomen zijn met een afzonderlijk werkingsgebied op de plankaart aangegeven. In de regels is bepaald dat, daar waar een werkingsgebied Waarde - bijzondere boom voorkomt, de afstand van bebouwing tot het hart van de boom ten minste 10 meter dient te bedragen; onder voorwaarden kan het bevoegd gezag afwijken van de bouwregels voor het verkleinen van deze afstand tot 5 meter. Ter verdere bescherming van de bomen is een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden binnen een afstand van 5 meter uit het hart van de als monumentale boom aangeduide boom slechts toegestaan indien een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is verleend.

Waarde - Lage archeologische verwachtingswaarde

Gebieden die op de Archeologische Beleidskaart 2024 zijn aangemerkt als gebied met lage trefkans op archeologische resten hebben de functie Waarde - lage archeologische waarde gekregen. Voor deze functie geldt dat bij het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 2.500 m² tevens een archeologisch onderzoeksrapport moet worden ingediend. Als uit dit rapport blijkt dat de archeologische waarden door het oprichten van het bouwwerk zullen worden verstoord kunnen burgemeester en wethouders bepaalde voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen verbinden. Wanneer de archeologische waarde van het terrein al uit andere informatie (bijvoorbeeld uit eerder uitgevoerd onderzoek) bij de gemeente bekend is, is het niet nodig nieuw onderzoek uit te voeren. Voor een aantal werken en werkzaamheden geldt in beide functies een vergunningplicht.

Beoordelingsregels bouwen gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen zijn in artikel 9 en 10 beoordelingsregels opgenomen. Uitgangspunt is dat een hoofdgebouw uitsluitend is toegestaan binnen een bouwvlak, zoals aangegeven op de plankaart. Dit geldt niet voor de specifieke regelingen die zijn opgenomen voor bijbehorende bouwwerken. Verder zijn er maatvoeringen opgenomen in de bouwvlakken, indien noodzakelijk. Het gaat dan bijvoorbeeld om de goot- en bouwhoogten en de maximaal te bebouwen oppervlakten met hoofdgebouwen. Ten aanzien van de bijbehorende bouwwerken zijn de toegestane goot- en bouwhoogte in de regels opgenomen, alsmede de maximale oppervlakte, daar waar nodig.

In artikel 9 en 10 worden algemene beoordelingsregels ten aanzien van het bouwen van een hoofdgebouw, respectievelijk bijbehorend bouwwerk en bouwwerk, geen gebouw zijnde gegeven. Aanvullend hierop zijn per artikel nog functiespecifieke beoordelingsregels opgenomen indien noodzakelijk.

Hoofdstuk 3: Algemene regels

Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit deze wijziging van het omgevingsplan. Hier zijn bijvoorbeeld opgenomen de algemene bouw- en functieregels, alsmede afwijkingsregels en maatwerkvoorschriften, zoals deze voorheen in de bestemmingsplannen golden. Deze zijn ook opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Apeldoorn.

Hoofdstuk 4: Algemene procedureregeling

In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen ten behoeve van maatkwerkvoorschriften.

Hoofdstuk 5: Overgangsrecht

In TAM-omgevingsplannen kan overgangsrecht worden opgenomen. In onderhavig TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22av Molenstraat 120 wordt een bestaande functie wegbestemd, waarvoor een andere functie in de plaats komt. Daarom is overgangsrecht opgenomen, zodat de bestaande functies mogen worden voortgezet zolang de nieuwe ontwikkeling nog niet is gerealiseerd.

Bijlagen bij de regels

Bij dit hoofdstuk zijn in totaal 11 bijlagen opgenomen.11 bijlagen hebben betrekking op de motivering van het wijzigingsbesluit.

Verbeelding

De verbeelding die is opgesteld voor het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22av Molenstraat 120 is opgesteld conform de technische eisen voor bekendmaken en beschikbaar stellen van IMRO2012. Dat betekent dat de verschillende functies in het besluitgebied op de verbeelding als 'enkelbestemming', dan wel 'dubbelbestemming', zijn opgenomen. Maatvoeringsaanduidingen zijn ook als zodanig op de verbeelding opgenomen.

7 Conclusie

Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl.

Uit voorliggend ETFAL-motivering blijkt dat het planinitiatief geen belemmering vormt voor het beleidskader van het rijk, de provincie en de gemeente. Daarnaast is getoetst aan de voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, waarbij is vastgesteld dat de ontwikkeling voldoet aan de geldende omgevingsnormen en richtlijnen. Concluderend kan worden gesteld dat de ontwikkeling op een passende wijze kan worden ingepast binnen de bestaande beleidskaders en geen negatieve impact zal hebben op de leefomgeving mits er een maatwerkvoorschrift wordt gehanteerd voor Schipper metaal en Riphagen houtbewerking.

Bijlage 1: Inpassingsplan;

Bijlage 2: Bomen ten opzichte van het planinitiatief;

Bijlage 3: mer-aanmeldnotitie;

Bijlage 4: Verkennend bodemonderzoek;

Bijlage 5: Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek;

Bijlage 6: AERIUS rapportage;

Bijlage 7: Quickscan Flora & Fauna;

Bijlage 8: Bomeninventarisatie / Bomen Effect Analyse;

Bijlage 9: Geluidsonderzoek van (spoor)wegen;

Bijlage 10: Geluidsonderzoek Schipper Metaal en Riphagen Houtbewerking;

Bijlage 11: Ligging gevaarlijke stoffen opslag;

Bijlage 12: Watertoets.