direct naar inhoud van MOTIVERING VAN HET WIJZIGINGSBESLUIT
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Dorpstraat 4-6 Beekbergen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.tam0026-vas1

MOTIVERING VAN HET WIJZIGINGSBESLUIT

behorende bij TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Dorpstraat 4-6 Beekbergen

1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op het perceel Dorpstraat 4-6 in Beekbergen bevinden zich een bouwbedrijf en een doe-het-zelfwinkel. Het voornemen is om ter plaatse van de huidige doe-het-zelfwinkel met bovenwoning twee nieuwe geschakelde woningen met kap te bouwen. Hiertoe wordt de bestaande doe-het-zelfwinkel (met bovenwoning) volledig gesloopt. Het achter op het terrein gelegen bestaande gebouw t.b.v. het bouwbedrijf met kantoor, werkplaats en opslag wordt daarnaast verkleind. De totale oppervlakte aan bebouwing neemt af met circa 200 m². Naast de realisatie van twee nieuwe woningen is de initiatiefnemer voornemens een nieuw kantoor te bouwen ten behoeve van het bouwbedrijf. Tot slot zal een deel van de gronden die worden gebruikt ten behoeve van het aanwezige bedrijf planologisch in overeenstemming worden gebracht met de feitelijke situatie. Het totaalplan is niet passend binnen het huidige omgevingsplan Apeldoorn, 'bestemmingsplan Beekbergen en Lieren'. Om de gewenste ontwikkelingen mogelijk maken moet het omgevingsplan Apeldoorn ter plaatse worden aangepast.

Hieronder een overzicht van de plannen van de initiatiefnemer. Twee nieuwe geschakelde woningen aan de voorzijde (geel omcirkeld). Een verkleining van de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen. Het nieuw te realiseren kantoor (rood omcirkeld) en de gronden die worden gebruikt ten behoeve van het bouwbedrijf die planologisch worden ingepast (groen omcirkeld).

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0026-vas1_0001.png"

Afbeelding 1.1 Bouwplan Dorpstraat 4-6, Beekbergen

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0026-vas1_0002.png" Afbeelding 1.2 Aanzichten nieuw te bouwen geschakelde woningen, Dorpstraat 4-6 Beekbergen

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0026-vas1_0003.png"

Afbeelding 1.3 Aanzicht voorgevel nieuwe kantoor, Dorpstraat 4-6 Beekbergen

1.2 Ligging en begrenzing

Het besluitgebied betreft de gronden aan de Dorpstraat 4-6 in Beekbergen, kadastraal bekend gemeente Beekbergen, sectie K, nummer(s) 4274, 4276. Het besluitgebied is gelegen aan de Dorpstraat. De Dorpstraat kenmerkt zich als een straat met verschillende functies. Ten noorden van het besluitgebied zijn met name woonfuncties aanwezig. Tegenover het besluitgebied is een functie aanwezig die 'gemengde activiteiten' toestaat. Ten oosten en westen wisselen woonfuncties (Dorpstraat 2, 6 en 10) en bedrijfsfuncties (Dorpstraat 12, 14 en 16) elkaar af. De achterzijde van het besluitgebied grenst aan de woonfuncties gelegen aan de Hietveldweg. Op onderstaande afbeelding is de begrenzing van het besluitgebied rood omkaderd weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0026-vas1_0004.png"

Afbeelding 1.4 Begrenzing besluitgebied (indicatief rood omlijnd) (bron: eigen bewerking)

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0026-vas1_0005.png"

Afbeelding 1.5 Luchtfoto Dorpstraat 4-6, Beekbergen vanaf de Dorpstraat (besluitgebied indicatief rood omlijnd) (bron: eigen bewerking)

1.3 Geldend omgevingsplan

Het besluitgebied valt binnen het omgevingsplan 'Gemeente Apeldoorn' De regels zijn uitgewerkt in het bestemmingsplan 'Beekbergen en Lieren'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 16 februari 2012. De gronden hebben grotendeels de bestemming 'Bedrijf'. Er rust ook een specifieke aanduiding op het perceel ten behoeve van het bouwbedrijf. Ter plaatse van de bestaande bedrijfswoning is een aanduiding 'bedrijfswoning' opgenomen. Op een deel van de gronden binnen het besluitgebied, kadastraal bekend gemeente Beekbergen, sectie K, nummer 4274 rust de bestemming 'Wonen' met de aanduiding 'erf'. Tot slot rust op de gronden binnen het besluitgebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie middelhoog'. Op onderstaande afbeelding 1.4 is een uitsnede van het bestemmingsplan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0026-vas1_0006.png"

Afbeelding 1.6 Uitsnede geldend planologisch kader , besluitgebied rood omlijnd (indicatief) (bron: eigen bewerking)

Op het besluitgebied is eveneens het bestemmingsplan Parapluherziening begeleid wonen digitale plannen van toepassing, vastgesteld 17 januari 2019. Het bestemmingsplan schrapt de beperkende bepaling van de zogenaamde twee-woningenregeling, die verdergaande extramuralisering in de weg staat.

De overige algemene plannen die over het algemeen het hele gemeentelijke grondgebied betreffen zijn in onderstaand schema weergegeven.

Plannaam   Datum vaststelling  
Parapluherziening parkeren   21 maart 2019  
Omgevingsplan gemeente Apeldoorn   19 september 2025  
TAM-voorbereidingsbesluit voorbereidingsregels kamerverhuurpanden   4 april 2024  
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q kamerverhuur en woningsplitsing   25 september 2025  

1.4 Werkwijze en opzet van de motivering

De motivering van de wijziging van het omgevingsplan voor Dorpstraat 4-6 in Beekbergen is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en toekomstige situatie op de planlocatie. In hoofdstuk 3 wordt het relevante rijksbeleid, de rijksinstructieregels, provinciaal, regionaal en gemeentebeleid behandeld. Tevens wordt ingegaan op het relevante waterschapsbeleid. Hoofdstuk 4 behandeld de aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en het milieu. In hoofdstuk 5 staat het juridisch kader van dit TAM-omgevingsplan beschreven. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de financiële en maatschappelijke haalbaarheid van dit TAM-omgevingsplan uiteengezet.

2 Toetsing aan het beleid

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012. De NOVI is een nieuw instrument uit de Omgevingswet en loopt vooruit op de verwachte inwerkingtreding 1 juni 2022. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang.

Uitgangspunt van de NOVI is dat Nederland staat voor grote en complexe opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal als internationaal spelen. Deze opgaven als klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Daarbij is Omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit.

De NOVI stelt daartoe als aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Op die manier zullen de volgende vier prioriteiten worden aangepakt:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier prioriteiten geldt dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen:

  • 1. De NOVI heeft de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is en een duurzame energievoorziening kent. Daartoe moeten per direct functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem. Verder vraagt dit op lange termijn om ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Daarbij zijn aanpassingen aan de energie-infrastructuur voor opslag en transport van duurzame energie nodig;
  • 2. De ambitie voor de lange termijn van de NOVI op het vlak van de 2e prioriteit is: het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening en het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk, goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven én de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken. De uitdaging is om deze lange termijn-ambitie te bereiken, terwijl we op korte termijn proberen de gevolgen van de COVID-19-pandemie voor de economie zoveel als mogelijk te beperken;
  • 3. Voor wat betreft prioriteit 3 zet de NOVI in op het bouwen aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden. De ambitie is om een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's te realiseren door te werken aan de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. De woningbouwontwikkeling moet plaatsvinden in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd;
  • 4. De stikstofproblematiek raakt zowel het landelijk gebied als diverse economische sectoren zwaar. De waarde van natuur, landschap én de toekomst van de landbouw staan onder druk. Daarbij is verbetering van de biodiversiteit niet alleen een ecologische, maar nadrukkelijk ook een economische uitdaging, die op de korte termijn om een doortastende aanpak vraagt. Houdbare oplossingen vragen echter tijd. Voor de lange termijn neemt de NOVI zich daarom geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied voor, onder meer gericht op kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap. Dit mdraagt bij aan een landelijk gebied waar het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland.

Al deze ambities vragen veel van de leefomgeving. Daarbij moeten onvermijdelijk keuzes worden gemaakt. In de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor deze keuzes. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond: een 'omgevingsinclusieve benadering'. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; en
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden.

2.1.2 Nationaal Water Programma 2022-2027

Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen.

Het Nationaal Water Programma 2022-2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water, dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Er is ook aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.

Binnen het waterdomein staat Nederland de komende jaren voor grote uitdagingen en opgaven. Zo moet Nederland zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, moeten we blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en zorgen voor een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water is het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 ontwikkeld.

Beleids- en beheerdoelen

Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van:

  • klimaatadaptatie;
  • waterveiligheid;
  • zoetwater en waterverdeling;
  • waterkwaliteit en natuur;
  • scheepvaart, en;
  • de functies van de rijkswateren.

Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij kijken we naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende watergebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast laten we de raakvlakken zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht in wat ons nu en in de toekomst te wachten staat.

Wettelijke bijlagen bij het NWP

Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. Deze zijn als wettelijke bijlagen opgenomen.

Op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW) worden elke 6 jaar stroomgebiedbeheerplannen (SGBP’s) opgesteld voor de Nederlandse delen van de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems. Hierin staan de doelen, het waterkwaliteitsbeeld en de maatregelen om de waterkwaliteit verder te verbeteren.

Het Overstromingsrisicobeheerplan (ORBP) beschrijft de doelen en maatregelen van het overstromingsrisicobeheer in Nederland.

Het Programma Noordzee combineert onder meer de opgave voor windenergie op de Noordzee met natuurontwikkeling (vergroten biodiversiteit), duurzame visserij en ruimte voor de scheepvaart. Onder de Kaderrichtlijn Mariene Strategie worden maatregelen genomen om de milieutoestand van de Noordzee te verbeteren.

2.2 Rijksinstructieregels

2.2.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is als instructieregel in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g) opgenomen. Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.

Betekenis voor dit plan

Artikel 5.129g van het Bkl schrijft voor dat, voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met:

  • a. De behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling;
  • b. Als de voorgenomen stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van een stedelijk gebied, aangetoond is dat er geen mogelijkheden zijn voor realisatie van de voorgenomen stedelijke ontwikkeling binnen dat stedelijk gebied of stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van dat stedelijk gebied.

In artikel 5.129g van het Bkl wordt onder lid 1 het relevante begrip 'stedelijke ontwikkeling' en 'bestaand stedelijk gebied' gedefinieerd:

  • Stedelijke ontwikkeling: uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woning-bouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

Conclusie

Alvorens de twee treden van de Ladder voor duurzame verstedelijking uit te werken, dient allereerst de vraag beantwoord te worden of het voorgenomen bouwplan te beschouwen is als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.

Op 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een 'overzichtsuitspraak' gedaan over de Ladder voor duurzame verstedelijking. Blijkens deze uitspraak kan een plan dat voorziet in een ontwikkeling tot 11 woningen niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt.

Dit wijzigingsplan maakt het bouwen van 2 woningen mogelijk, een netto toevoeging van 1 woning. De oppervlakte ten behoeve van het bouwbedrijf neemt af, ondanks de realisatie van een nieuw kantoor. Er wordt geconcludeerd dat daarmee geen sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' en is een nadere uitwerking van de ladder niet nodig.

2.2.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft instructieregels voor omgevingsplannen. Diverse instructieregels hebben betrekking op het waarborgen van verschillende nationale belangen, zoals het Waddengebied, het kustgebied, Rijksvaarwegen, het IJsselmeergebied, de grote rivieren, militaire terreinen en buisleidingen van nationaal belang. In hoofdstuk 4 bij deze motivering wordt ook nog ingegaan op de verschillende van toepassing zijnde rijksinstructieregels.

Betekenis voor dit plan

In voorliggende situatie raakt dit omgevingsplan geen van de nationale belangen die in de instructieregels van het Bkl zijn opgenomen. Een nadere beschouwing van deze instructieregels op dit punt is daarom niet vereist.

2.3 Provinciaal beleid

2.3.1 Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland'

Op 19 december 2018 hebben provinciale staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat over 'Gaaf Gelderland'. 'Gaaf' is een woord met twee betekenissen. 'Gaaf' betekent 'mooi' en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien - heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard. Maar 'Gaaf' verwijst ook naar dat wat 'cool' en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard. Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie.

Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal.

Gezond en veilig is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.

Schoon en welvarend is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.

De visie geeft zeven ambities voor een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland, onder andere op het terrein van economisch vestigingsklimaat en het woon- en leefklimaat. Met vier spelregels of Doe-principes' – DOEN, LATEN, ZELF en SAMEN – geeft de provincie hier werking aan. Tezamen vormen zij het kader waarbinnen de provincie werkt en afwegingen maakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0026-vas1_0007.png"
Afbeelding 2.1 Gelderse Omgevingsvisie


Ambitie klimaatadaptie
Gestreefd wordt naar een op de toekomst toegerust klimaatbeleid waarbij de provincie samen met partners zich goed voorbereidt en toerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar.


Woon- en leefklimaat
Gestreefd wordt naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Ambities vanuit dit streven zijn: Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning. De bestaande bebouwde omgeving wordt optimaal benut met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. De provincie gaat, zo stelt de visie, in gesprek met de Gelderse regio's en maken regionale afspraken over een goede balans tussen de vraag en het aanbod van woningen. Het omvormen van bestaande en leegstaande bebouwing heeft de voorkeur voor de aanleg van nieuwe woonlocaties.

Betekenis voor dit plan

Klimaatbestendig en waterrobuust inrichten is onderdeel van ruimtelijke plannen. Verandering van (gebruik van) een gebied mag geen negatief effect op het (grond)water of de waterafhankelijke natuur hebben.

2.4 Provinciale instructieregels

2.4.1 Omgevingsverordening Gelderland

Provinciale Staten van Gelderland hebben op 24 september 2014 de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Sindsdien is de Omgevingsverordening een aantal keren geactualiseerd en herzien. In deze Omgevingsverordening zijn de provinciale verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening samengevoegd. Voor zover het de provinciale verordening betreft bevat de omgevingsverordening alleen regels die tot de gemeentebesturen zijn gericht en geen rechtstreeks werkende, burgers bindende regels.

De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.

De provincie zet de verordening als juridisch instrument voor het afdwingen van de doorwerking van het provinciaal beleid alleen in voor die onderdelen van het beleid waarvoor algemene regels noodzakelijk zijn om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

Wonen

De verordening bevat de regel dat nieuwe woonlocaties alleen zijn toegestaan wanneer dit past in het door Gedeputeerde Staten (GS) vastgestelde regionale woonagenda. Ten behoeve van de flexibiliteit is het wel mogelijk om van een regionale woonagenda af te wijken, vooruitlopend op de actualisatie van die regionale woonagenda. Als er nog geen regionale woonagenda is vastgesteld of als de bestaande regionale woonagenda niet meer actueel is en niet geschikt meer is als beoordelingskader, zal de provincie totdat een nieuwe regionale woonagenda wordt vastgesteld een wijziging van het omgevingsplan die de bouw van nieuwe woningen mogelijk maken toetsen aan de volgende criteria: er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking, als bedoeld in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving, het plan past binnen de meest recente provinciale visie op het woonbeleid, er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden en de provincie stemt in met de ontwikkeling.

Gelderse streek IJsselvallei

De verordening bevat voorts de regel dat voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek IJsselvallei, bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening wordt gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. In tabel 3.1 zijn de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen voor de streek IJsselvallei opgenomen.

De begrenzing van de streken is op provinciale schaal bepaald. Daarbij zijn waar mogelijk herkenbare grenzen gehanteerd, zoals de loop van rivieren. Dit betekent dat het in de praktijk kan voorkomen dat een locatie op de grens van twee streken meer kenmerken en kwaliteiten heeft van de streek die naastgelegen is dan die van de streek waar de locatie bij is ingedeeld. In die gevallen moeten de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen die op die locatie het meest van toepassing zijn gehanteerd worden en kunnen bij aantasting van de kernkwaliteiten de bijdragen in de lijn liggen van de daarbij behorende aan de ontwikkeldoelen.

Kernkwaliteiten   Ontwikkeldoelen  
1. De rivier de IJssel, als Rijntak sterk meanderend, met een doorgaand karakter en stromend naar het noorden. Met rijkgeschakeerde open en natuurrijke uiterwaarden (Natura 2000), rivierduinen, richels en geulen, als ecologische verbindingszone tussen Rijn en de Randmeren. Variatie aan dijken met weidse vergezichten. In de uiterwaarden karakteristieke beplantingen: stelsel van hagen, houtsingels en knotwilgen.
Relicten van steenfabricage met oude ovens, hoogwatervrije terreinen, droogvelden, kades en smalspoorrelicten.  
Ruimtelijke ontwikkelingen houden rekening met en dragen zo mogelijk bij aan de kernkwaliteiten van de IJsselvallei. Het doorgaande en landschappelijke en parkachtige karakter van de IJssel behouden en versterken. Zorgvuldige versterking van de IJsseldijken, met respect voor en versterking van de ruimtelijke diversiteit en betekenis van de dijk als scenic route. Behouden en ontwikkelen van cultuurhistorische waarden.  
2. Sterke landschappelijke contrasten daar waar de IJssel het stuwwalmassief van de Veluwe nadert, nabij Hattem in het noorden en langs Arnhem-Dieren in het zuiden. Bijzondere zichtlijnen. Inclusief stedelijke waterfronten van Hanzesteden Doesburg en Zutphen.   Bij ruimtelijke ontwikkelingen de landschappelijke contrasten zichtbaar en beleefbaar houden. De historische stadsgezichten zoveel mogelijk intact laten door geen storende elementen te plaatsen. Blijvende aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit van de ontwikkeling van de stedelijke waterfronten en de relaties met de uiterwaarden.  
3. Rivierenlandschap van uiterwaarden, oeverwallen en lagergelegen broekgebieden gecombineerd met het gradiëntrijk flankenlandschap vanaf de Veluwe aan de westkant. Aan de oostkant is de overgang naar het dekzand-landschap van Achterhoek subtiel.   Zoveel mogelijk de landschappelijke gradiënt respecteren, zichtbaar en beleefbaar maken. Streven naar een duurzame en natuurinclusieve vorm van landbouw. Bij inplaatsing van nieuwe functies het kleinschalig landschap versterken.  
4. In de zuidelijke IJsselvallei afwatering via sprengen en beken direct op de rivier. Kleinschalig mozaïeklandschap met grote afwisseling van relatief open tot besloten landschap met talrijke landgoederen, weide en akkerland.   De regionale waterhuishouding als basis voor ruimtelijke ontwikkeling. Herstel van de loop en vorm van sprengenbeken in hun cultuur-historische betekenis en haar zichtbaarheid vergroten.Kleinschaligheid van landschap behouden en versterken door aanleg van groene landschapselementen, passende grondgebruiksvormen, zorgvuldige inpassing van energietransitie en verbetering van recreatieve toegankelijkheid.  
5. In de noordelijke IJsselvallei afwatering eerst via sprengen en beken, opgevangen via een stelsel van zuid-noord gerichte weteringen.   De regionale waterhuishouding als basis voor ruimtelijke ontwikkeling. Herstel van de loop en vorm van sprengenbeken in hun cultuur-historische betekenis en haar zichtbaarheid vergroten. Geldt ook voor stelsel van weteringen.  
6. In de noordelijke IJsselvallei zijn grote open gebieden met noord-zuid gerichte weteringen en fijnmazige, rechthoekige verkaveling. Contrast met de oeverwal aan de oostzijde en de oplopende Veluwe aan de westzijde.   Zoveel mogelijk de karakteristieke verkaveling respecteren. Behoud van de open weidsheid door terughoudendheid te betrachten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Blijvend benutten voor grondgebonden en duurzame veehouderij en mogelijk voor klimaatadaptatie.  
7. Polder Nijbroek: markante veertiende-eeuwse verkavelings- en slotenpatroon (slagenverkaveling).   Zorgvuldig omgaan met deze historische verkaveling. Het vergroten van de historische afleesbaarheid.  
8. Verstedelijking langs de dorpenweg op de oostflank van de Veluwe en in mindere mate op de oeverwallen.
Dorpen (met dorpsfronten) aan de rivier, sterke relatie tussen dorpen en de IJssel.  
De dorpenweg op de flank van de Veluwe is en blijft de ontwikkelings-as, waarbij de versterking van de kruisende groene ruimten (oost-west) van cruciaal belang is voor de landschapskwaliteit. Het koppelen van recreatieve toegankelijkheid aan deze groene wiggen.  
9. Langs de rand van de Veluwe een fraai kleinschalig mozaïeklandschap: afwisseling van beken, smeltwater-ruggen, oude bouwlanden (essen), weiden, uitlopers van bossen, bosschages, landgoederen, buurtschappen en verspreide bebouwing. Inclusief Apeldoorns Kanaal als structurerend element met cultuurhistorische ensembles van sluizen, bruggen en bebouwing.   Het parkachtig mozaïeklandschap met haar fijnmazige variatie behouden en versterken door alleen passende ontwikkelingen toe te laten en terughoudend te zijn ten aanzien van te grote ingrepen. Verbeteren van de recreatieve toegankelijkheid. Apeldoorns Kanaal als cultuur-historisch lijnelement in het landschap beter bewaren en benutten. De landgoederenstructuur op de zuidoostflank onder de naam Gelders Arcadië meer herkenbaar en beleefbaar maken.  
10. In het midden van de IJsselvallei – het groene hart van de stedendriehoek (Apeldoorn, Zutphen en Deventer (OV) – een parkachtig landschap: afwisseling van landgoederen, waterlopen, recreatiegebieden, natuurterreinen, landbouwgebieden, kleine dorpen en infrastructuur.   Voorkomen dat dit middengebied door mogelijk conflicterende, ruimtelijke ontwikkelingen verrommeld door te sturen op ruimtelijke kwaliteit en in te zetten op aantrekkelijke landschaps-bouw. Zorgvuldige ruimtelijke ordening en ruimtelijke kwaliteit van ontwikkelingen langs Rijksinfrastructuur en opheffen barrièrewerking.  
11. Ecologische waarden met name in de Natura 2000 gebieden. Langs de IJssel Natura 2000 gebied Rijntakken met als bijzondere gebieden Hattemerpoort, Wilpse Klei, Ravenswaarden, Cortenoever en Rivierklimaatpark IJsselpoort. En de Natura 2000 gebieden Veluwe met onder andere het Wisselse Veen, en Natura 2000 gebied Landgoederen Brummen met de Empese en Tondense heide en de landgoederen zone. Verder komen ecologische waarden voor in het Soerens beekdal en in andere beken, sprengen en andere watergangen, in landgoederen en in weidevogelgebieden.   Intensief inzetten op het verder aanleggen van ecologische verbindingszones (o.a. vanaf de Veluwe naar de Achterhoek) en behoud en ontwikkeling van weidevogelgebieden. Beschermen van Natura 2000 waarden. Waar mogelijk combineren met klimaatadaptie en recreatieve toegankelijkheid.  
12. IJssellinie: (relicten van) een historische verdedigingslinie uit de jaren 50 van de 20e eeuw.   De IJssellinie behouden en markante onderdelen herstellen en recreatief toegankelijk maken en mogelijk benutten van de voormalige inundatievelden voor klimaatadaptatie.  
13. Markante IJsselhoeven: beeldbepalende boerderijen in de vallei.   Karakteristieke streekarchitectuur behouden, restaureren en ontwikkelen o.a. door nieuwe functies, passend bij de omgeving.  

Tabel 3.1 overzicht kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen IJsselvallei

Glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied

In de verordening zijn ook regels ten aanzien van glastuinbouwbedrijven opgenomen. Er is opgenomen dat er eenmalig een uitbreiding van een glasopstand tot maximaal vijf hectare kan worden toegelaten bij een bestaand glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied. Daarbij dient te worden aangetoond dat de uitbreiding noodzakelijk is voor een doelmatige voortzetting van het bedrijf, verplaatsing naar een glastuinbouwontwikkelingsgebied bedrijfseconomisch niet haalbaar is en deze uitbreiding zich verdraagt met de ter plaatse relevante omgevingskwaliteiten.

Intrekgebied

Op grond van de verordening geldt dat het verboden is in een intrekgebied een mijnbouwwerk aan te leggen en te exploiteren, behalve voor het opsporen of winnen van aardwarmte.

Klimaatadaptatie

De verordening bevat ook bepalingen over klimaatadaptatie. Op grond van de verordening geldt dat in de motivering bij het omgevingsplan een beschrijving dient te worden gegeven van de maatregelen die worden genomen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken.

Beperkingengebied stikstofemissie

Op 16 april 2025 heeft Gedeputeerde Staten van Gelderland een voorbereidingsbesluit genomen ten aanzien van stikstof. Door het genomen voorbereidingsbesluit zijn alle nieuwe activiteiten die stikstof uitstoten in een strook van 500 meter rondom Natura 2000-gebied, voor de komende 1,5 jaar, niet toegestaan. Het gaat om activiteiten waarvoor een natuurvergunning nodig is. Er zijn een aantal uitzonderingen. Het voorbereidingsbesluit is juridisch doorvertaald naar de omgevingsverordening. In de omgevingsverordening is namelijk het beperkingengebied, de strook van 500 meter rondom Natura 2000-gebied, opgenomen.

Betekenis voor dit plan

Wonen

De onderhavige woningbouw binnen het besluitgebied past binnen de afspraken van de vastgestelde regionale woonagenda, zie paragraaf 2.5.1.

Gelderse streek IJsselvallei

Voorliggend plan ligt in het gebied aan de rand van de IJsselvallei (deelgebied 10) in Beekbergen. Het besluitgebied is gelegen in bestaand stedelijk gebied. Gelet op de stedelijke setting van het besluitgebied zijn veel van de landschappelijke kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen niet direct te herleiden van toepassing op deze situatie. Dat neemt niet weg dat in voorliggende situatie binnen de ontwikkeling rekenschap wordt gegeven van de kernkwaliteiten van de IJsselvallei, het aanwezige reliëf in de omgeving van de planlocatie en er wordt ingezet op een vergroening van het besluitgebied met voldoende ruimte voor waterberging. Op die manier wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de kenmerkende kwaliteiten van de IJsselvallei.

Glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied

Er is in voorliggend plan geen sprake van glastuinbouw of de uitbreiding ervan. Derhalve hebben deze regels uit de verordening geen gevolgen voor dit plan.

Intrekgebied

Bij voorliggend plan worden geen mijnbouwwerken gerealiseerd. De regels ten aanzien van een intrekgebied hebben dan ook geen gevolgen voor deze ontwikkeling. Overigens geldt de specifieke zorgplicht als bedoeld in artikel 4.16 van de Omgevingsverordening.

Klimaatadaptatie

In voorliggende situatie wordt de nieuwbouw aardgasloos ontwikkeld en wordt zoveel mogelijk duurzaam materiaal gebruikt. Per saldo neemt de oppervlakte bebouwing af. Er wordt voorzien in (extra) waterbergingsmogelijkheden. Door het nemen van voorgenoemde maatregelen wordt aangenomen dat voldoende rekening wordt gehouden met de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptie.

Beperkingengebied stikstofemissie

Het voorbereidingsbesluit en de daaruitvolgende juridische gevolgen hebben geen invloed op voorliggend plan. Hoewel de achterzijde van het besluitgebied is gelegen in het beperkingengebied, zoals hieronder is te zien, vinden er geen nieuwe activiteiten in dit deel van het besluitgebied plaats. Het voorbereidingsbesluit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0026-vas1_0008.png"

Afbeelding 2.2 Besluitgebied i.r.t. beperkingengebied stikstofemissie

2.5 Regionaal beleid

2.5.1 Woonagenda Cleantech Regio 2018

De 'Woonagenda Cleantech Regio 2018' van de Regio Stedendriehoek (vastgesteld door GS op 11 december 2018) is een uitwerking van de provinciale koers "Ruimte voor goed wonen", waarbij voor de komende 10 jaar afspraken worden vastgelegd hoe om te gaan met sturing op de woningbouwprogrammering en welke thema's regionaal verdere aandacht vragen. Dit betreffen de thema's "sterke steden, dynamische kernen en vitaal platteland". Ook wordt ingegaan op het verduurzamen en klimaatbestendig maken van de woningvoorraad alsmede op wonen en zorg.

De Regio zet in op het behouden en versterken van de woonkwaliteit door toevoeging van de juiste woning, voor de juiste doelgroep, op de juiste plek in de regio, waarbij de volgende speerpunten van toepassing zijn:

  • woningbouw draagt bij aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de bestaande stad, wijk, dorp, kern en buitengebied;
  • woningbouw is behoeftegericht, past bij de lokale vraag van een specifieke doelgroep en levert een strategische (toekomstgerichte) aanvulling op het bestaande woningaanbod;
  • de programmering is flexibel en kan aangepast worden om goed te blijven aansluiten op de speerpunten van ons beleid en actuele marktontwikkelingen.

Voor Apeldoorn wordt aangegeven dat, mede door de hoge instroom, de druk op de markt is toegenomen. De woningbouw in Apeldoorn heeft een hoge vlucht genomen. In dit tempo zijn in 2021/2022 alle huidige bouwplannen gerealiseerd en is er risico op een tekort en verder oplopende prijzen. Ook in de sociale huur is sprake van stijgende wachtlijsten. De groei in Apeldoorn bestaat voor een relatief groot deel uit gezinnen en sluit aan bij de inzet van Apeldoorn als gezinsstad. Apeldoorn zoekt naar nieuwe plekken voor woningbouw binnen de bestaande contouren van de stad. Het programma ligt de komende jaren (mede door de druk van buiten) tegen de bovenkant van de bandbreedte van de prognoses. In de sociale woningbouw is op korte termijn een toevoeging van 500 woningen aan de orde om de wachtlijsten te verkorten.

Naast inzet op het kwalitatief programmeren wordt er gekoerst op een kwantitatief realistisch woningbouwprogramma op basis van actuele Primos woningbehoefteprognoses Het is daarbij de bedoeling om deze regionale woonagenda om de twee jaar te herijken, waarbij wordt bekeken of het op basis van analyse van de woningmarkt en de genoemde woningbehoefteprognoses het wenselijk is om de woonvisie aan te passen.

De Woonagenda Cleantech Regio vervangt de "Kwantitatieve Opgave Wonen 2015-2024" en het "Afsprakenkader kwantitatieve woningbouwprogrammering 2015-2024" van de Regio Stedendriehoek. Na de vaststelling wordt een uitvoeringsagenda opgesteld, waarbij gemeenten jaarlijks presenteren wat de lokale voortgang in de bestaande voorraad is aan de hand van de jaarlijkse monitoringsgegevens.

Betekenis voor dit plan

Apeldoorn heeft na vaststelling van de Woonagenda Cleantech Regio 2018 de Woonagenda Apeldoorn 2018-2021 opgesteld. In 2022 is hieraan een addendum toegevoegd voor de periode 2022-2023.

Op 21 september 2023 is het Volkshuisvestingskader 2023-2027 vastgesteld door de gemeenteraad. Dit beleidsstuk vervangt de Woonagenda en biedt een actueel kader voor het toetsen van woningbouwplannen in de gemeente Apeldoorn. Hiermee heeft Apeldoorn invulling gegeven aan de afspraken die zijn gemaakt bij de vaststelling van de regionale woonagenda.

2.5.2 Waterschapsbeleid

Water is een belangrijk thema in de fysieke leefomgeving. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.


In november 2021 heeft Waterschap Vallei en Veluwe het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) 2022-2027 vastgesteld. In het BOP beschrijft het waterschap de ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, wonen en zuiveren, circulair econome en energietransitie. Het waterschap wil een waardevolle leefomgeving waarborgen. Daarom wordt er ingezet op vijf maatschappelijke thema's:

  • 1. Waardevolle leefomgeving
  • 2. Klimaatverandering
  • 3. Energietransitie
  • 4. Circulaire economie
  • 5. Biodiversiteit


Regelgeving Waterschap
De regelgeving van het waterschap Vallei en Veluwe staan opgenomen in de Waterschapsverordening Waterschap Vallei en Veluwe. De regels in deze verordening zijn, met het oog op de maatschappelijke doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op:

  • het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
  • het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
  • het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; en
  • het beschermen en verbeteren van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk.


In de Waterschapsverordening staan regels over activiteiten in of bij waterstaatswerken, met betrekking tot grondwater en lozingsactiviteiten.


Uitgangspunt omgevingsplan
Bij veranderingen op of rondom het oppervlaktewater en waterkeringen evenals bij de realisatie van voldoende waterberging voor nieuwe ontwikkelingen zijn de regels van de waterschapsverordening van het waterschap van toepassing.

2.6 Gemeentelijk beleid

2.6.1 Omgevingsvisie 'Woest aantrekkelijk Apeldoorn'

Op 24 februari 2022 heeft de gemeenteraad van Apeldoorn de Omgevingsvisie 'Woest aantrekkelijk Apeldoorn' vastgesteld. De Structuurvisie "Apeldoorn biedt ruimte" (vastgesteld op 30 mei 2013) is daarbij ingetrokken.

Een nieuwe Omgevingsvisie is belangrijk, omdat Apeldoorn voor een grote opgave en uitdaging staat: groeien naar een gemeente met meer dan 180.000 inwoners, het versterken van de veelzijdige economie, het ruimte bieden aan de energietransitie en het nog beter en mooier maken van het groen, het sociale leven en het gastheerschap. Met een vastgestelde Omgevingsvisie kan verder gewerkt worden aan de uitwerking van de visie. Dit gebeurt door middel van gebiedsgerichte plannen en het Omgevingsplan. De Omgevingsvisie geeft duidelijkheid over de ruimtelijke koers van de gemeente.

De Omgevingsvisie rust op vier centrale ambities (hoofdopgaven), waarmee Apeldoorn de toekomst tegemoet wil gaan en nóg aantrekkelijker wil worden:

  • 1. 'Stad maken' (het toevoegen van nieuwe woon- en werkmilieus in en aan de stad);
  • 2. 'Vitale dorpen en buitengebied' (ruimte voor wonen en economische vernieuwing waaronder recreatie, grootschalige energieopwekking en transitie van de landbouw);
  • 3. 'Fysiek fundament uitbouwen' (versterking van landschap en natuurwaarden, het groenblauwe casco en belevingswaarden zoals erfgoed), en;
  • 4. 'Sociaal fundament versterken' (gemengde woongebieden met gedifferentieerde en betaalbare woningbouw, aantrekkelijke buitenruimte en nabijheid van voorzieningen in wijken en dorpen).

Onderstaand een nadere toelichting op de beoogde invulling van de vier centrale hoofdopgaven.

Ambities 1 en 2: Stadmaken en Vitale dorpen en buitengebied

Met de invulling van de hoofdopgave Stadmaken gaat Apeldoorn flink ontwikkelen op het gebied van wonen, werken, mobiliteit en omgevingskwaliteit. Zo bouwt Apeldoorn voort op de traditie van groene woonstad en economisch centrum van deze regio en draagt ze stevig bij aan de nationale doelen op het gebied van wonen, werken en duurzame energie. Daarnaast gaat Apeldoorn middels de hoofdopgave Vitaal platteland investeren in het vitaal platteland, in de 12 dorpen en buurtschappen. Dit is als volgt opgebouwd:

Wonen

Voor wonen zijn zowel binnenstedelijke als buitenstedelijke locaties aangewezen. Dit om te voorzien in een groei naar ruim 180.000 inwoners. De gemeente volgt de Ladder voor Duurzame verstedelijking en vult zoveel mogelijk opgaven binnenstedelijk in. Daarbij ligt de focus op sterk verdichten in de bestaande stad, met name in de Binnenstad, de Spoorzone en Kanaalzone Centrum. Buitenstedelijk wordt voorzien in één grote uitbreidingslocatie aan zuidzijde (ten zuiden van de A1).

Uitgegaan wordt van de realisatie van 12.500 woningen, waarvan 8.500 nieuw toe te voegen programma in verschillende financieringscategorieën en woonmilieus (stedelijk, gemengd met werken, rand van de stad, dorpen). Voor de binnenstad wordt voorzien in een transformatie naar Stadspark waarbij veel winkelvastgoed wordt aangewend voor nieuwe woonfuncties. Verdere transformaties naar wonen zijn voorzien in de Kanaalzone Vlijtseweg (Zwitsal en omgeving), Kayersdijk-noord, Sleutelbloemstraat-oost (onderzoek), Jean Monnetpark en Christiaan Geutsweg (onderzoek) en Brouwersmolen (onderzoek).

Omgevingskwaliteit

Ingezet wordt op het verbeteren van de omgevingskwaliteit, met name in de zogenaamde dynamische gebieden, maar ook langs zichtlocaties en infrastructuur.

Mobiliteit

De extra vraag naar mobiliteit in combinatie met de ruimtelijke ambities maakt een goede sturing noodzakelijk. Hiertoe wordt onder meer ingezet op de realisatie van nieuwe transferia aan de toegangswegen van de stad in parkeerhubs aan de centrumrand. De binnenstad wordt autoluw, en veiliger voor langzaam verkeer. Verplaatsing van het busstation naar de zuidzijde van het spoor wordt onderzocht, in combinatie met een stedelijke hub. Dit biedt mogelijk ruimte voor andere ambities van de binnenstad (vergroening, woningbouw). Er wordt voorzien in maatregelen ter verbetering van de doorstroming van verkeer, zowel wat betreft de snelwegen als ook de stadsring en aantakkingen. Er wordt ingezet op een sterk fietsnetwerk en goede wandelroutes.

Economie en recreatie

Er is voorzien in een uitbreiding van 77 hectare aan bedrijventerrein, waarmee tegemoet wordt gekomen aan de aangetoonde behoefte hieraan. De nieuwe bedrijfslocaties bevinden zich ten noorden en oosten van de stad. Aanvullend wordt onderzocht om enkele bedrijfslocaties in de binnenstad de komende 20 jaar te transformeren naar woon-werklocaties ten behoeve van goede binnenstedelijke woningbouwlocaties, eventueel met een gemengd karakter. De bedrijven die daar vertrekken hebben ergens anders ruimte nodig. De uitplaatsingsruimte bedraagt circa 30 hectare en komt boven op de 77 ha uitbreiding waar de behoefte van aangetoond is en wat de gemeente als doel heeft gesteld. De te onderzoeken transformatie betreft de locaties Sleutelbloemstraat en Vlijtseweg, beide gelegen aan het kanaal in noord. In zuid gaat het om de locaties Jean Monnetpark, de Christiaan Geurtsweg en de Brouwersmolen, eerste fase. Een stip op de horizon is de mogelijkheid van een nieuwe voorhalte van het spoor bij Brouwersmolen, onderdeel van een sprinterlijn vanuit Amersfoort, om vooral de Veluwe met openbaar vervoer te ontsluiten. Op wijkniveau wordt ingezet op de transformatie van gedeeltes van het winkelvastgoed naar wijkservicecentra, woon- en werkmilieus gericht op maatschappelijke functies. Verder wordt in Uddel ingezet op het toevoegen van nieuwe bedrijfslocaties voor nieuwe economische functies

De agrarische sector staat voor grote opgaves. Voorzien wordt in de transformatie van de intensieve veehouderijsector met name in Uddel naar duurzame vormen van bedrijvigheid en de geleidelijke transformatie van de overige agrarische sector naar natuur inclusieve landbouw.

Voor het versterken van recreatie wordt het programma Vitale vakantieparken ingezet. Ook wordt bijgedragen aan de Veluweagenda, waaronder de Recreatiezonering Veluwe en wordt ingezet op het versterken van het fiets- en wandelknooppuntennetwerk.

Energie en circulariteit

Voor energie geldt een uiteindelijke doelstelling van energieneutraliteit in 2050. Voor 2030 geldt een tussentijdse doelstelling van 39% energieneutraal. Dit moet mede bereikt worden door de inzet van zonne-energie en windenergie. Uitgegaan wordt van clustering. De concentratie voor zon en wind is voorzien op een drietal zoeklocaties. Allereerst een concentratie van windturbines bij het knooppunt A1 en A50 (ten oosten van de A50), in combinatie met een nieuw aan te leggen park voor zonne-energie. Gedeeltelijk wordt hiermee aangesloten op bestaande initiatieven. Hierdoor ontstaat een concentratie en koppeling tussen zon en wind. De tweede cluster van windturbines is gesitueerd op de Veluwe, eveneens aan de A1, maar meer westelijk gelegen. Voor de zonnevelden is sprake van drie zoeklocaties, waarvan twee alleen voor zon en een gecombineerd met wind. Aan de noordzijde van de stad, bij Beemte Broekland ten oosten van de A50, en ten zuiden van Vaassen zijn zoeklocaties voor zonnevelden voorzien.

Verder wordt bij nieuwe ontwikkelingen energieopwekking gestimuleerd. Vanaf 2025 geldt daarbij voor woningen en bedrijfspanden 'nul op de meter'.

Hiernaast geldt nog dat hergebruik wordt gestimuleerd om de omvang van restafval per persoon/per jaar te verminderen.

Ambities 3 en 4: Uitbouwen fysiek fundament en versterken sociaal fundament

De veelzijdige groei van stad en dorpen vindt plaats via de bodem en het landschap op de overgang van Veluwe en IJsselvallei. De Veluwe biedt - met al z'n groen en water - enorme kansen, die flink worden gemarkeerd. Zo is het uitbouwen van het fysiek fundament de derde hoofdopgave geworden. De fysieke stad is weer de voorwaarde voor een sociaal sterke stad. Daarom is de vierde hoofdopgave: het sociaal fundament versterken. Zo bouwt Apeldoorn aan een inclusieve gemeente. Dit is als volgt opgebouwd:

Natuur en landschap

De groene mal/ het groen- blauwe casco (groen en water) worden verder versterkt. Groen en uitloopgebieden worden vergroot. Er is voorzien in de aanleg van nieuwe (natte) natuur in combinatie met waterberging rond de beekdalen. Er wordt minimaal 175 hectare aan bos toegevoegd. Rond de beekdalen wordt nieuwe (natte) natuur aangelegd in combinatie met waterberging rond de beekdalen.

Natuurinclusief bouwen wordt bevorderd en bij bestaande bouw wordt ingezet op vergroening. Het centrum van Apeldoorn wordt verder vergroend en omgevormd naar stadspark. Ingezet wordt op de bevordering van de biodiversiteit.

Klimaatadaptatie

Voorziene maatregelen gericht op klimaatadaptatie zijn het vasthouden van oppervlaktewater in retentieplassen, als waterreservoir in tijden van droogte en als eerste stap naar een circulair watersysteem, vernatting op de Veluwe ten behoeve van infiltratie van drinkwater en het zo veel mogelijk afkoppelen verhard oppervlak in stedelijk gebied.

In bestaande situaties wordt vergroenen bevorderd en in nieuwe situaties is er de doelstelling van natuurinclusief bouwen. Verdere vergroening van de binnenstad zal bijdragen aan het voorkomen van hittestress.

Milieu en gezondheid

Bij het maken van plannen zal rekening moeten worden gehouden met de aspecten milieu en veiligheid. Geluidbeleid op maat zal hieraan gaan bijdragen.

Daarnaast wordt ingezet op het faciliteren van verblijven in de buitenlucht door voldoende aanbod van groen in nabije leefomgeving en het uitdagen tot meer bewegen, onder meer in een aantrekkelijke buitenruimte.

Inclusiviteit

Op diverse vlakken wordt ingezet op het bevorderen van een inclusieve samenleving. Er zal sprake zijn van variatie in woonmilieus zowel in de verdichtingsopgaven als in de nieuwe uitleg, in verschillende prijsklassen. Ook wordt sporten voor iedereen gestimuleerd, mede door een uitnodigende buitenruimte, en ingezet wordt op het herstructureren/verduurzamen van schoolgebouwen. Op wijkniveau wordt gedacht aan de ontwikkeling van woonzorgzones (gecombineerd met de transformatie van winkelvastgoed).

Op onderstaande afbeelding is weergegeven waar de verschillende ambities hun uitwerking krijgen in de gemeente Apeldoorn:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0026-vas1_0009.png"

Afbeelding 2.3 Uitsnede Omgevingsvisie 'Woest aantrekkelijk Apeldoorn'.

Uitvoering Omgevingsvisie

Gebiedsprofielen

De hoofdopgaven zijn voor een zestal focusgebieden nader beschouwd. Dit betreft de gebieden Binnenstad, Kanaalzone Centrum, Spoorzone centrum, Stadsrand Zuid, Stadsrand noord en Uddel. Aangegeven wordt wat de gewenste ontwikkelrichting is voor deze gebieden en welke vaste waarden hier gelden bij de beoordeling van beoogde ontwikkelingen. De gebiedsprofielen bieden daarmee een verdiepte basis voor de verdere uitwerkingen uitvoering van de Omgevingsvisie.

Afwegingsmatrix

Er is veel nodig om te komen tot planvorming die invulling gaat geven aan de ambities uit de Omgevingsvisie, ook buiten de gebiedsprofielen. Om bij initiatieven duidelijk richting te kunnen geven, is in de Omgevingsvisie een afwegingsmatrix opgenomen. Daarin zijn de globale contouren weergegeven waarbinnen wordt beoordeeld of initiatieven bij de ambities passen. De afwegingsmatrix wordt verder uitgewerkt zodat deze meetbaar en concreet kan worden toegepast.

Onderzoeken

Om te komen tot uitvoering van de ambities uit de Omgevingsvisie is uiteraard nog veel nadere uitwerking noodzakelijk. Ook zal er op verschillende gebieden nog nader onderzoek worden verricht. Ten behoeve van de Omgevingsvisie is een Omgevingseffectrapportage (inclusief een aanvulling daarop) opgesteld. Onder meer de daarin genoemde onderdelen zullen als leidraad dienen voor de te verrichten onderzoeken ten behoeve van de verdere uitwerking van de Omgevingsvisie.

Betekenis voor dit plan

Voorliggend plan zet met name in op ambitie 2 'Vitale dorpen'. Door sloop van de bestaande doe-het-zelfwinkel met bovenwoning en de nieuwbouw van twee geschakelde woningen wordt bijgedragen aan de woningvoorraad van Beekbergen. Door anderzijds het bouwbedrijf op deze locatie te behouden en ruimte te bieden voor een nieuw kantoor kan het bedrijf zich op deze locatie duurzaam doorontwikkelen. Het bedrijf geeft reuring en zorgt voor levendigheid in de kern. Hiermee draagt voorliggend initiatief bij aan de ambitie om te komen tot vitale dorpen. Deze ontwikkeling past hiermee binnen de Omgevingsvisie.

2.6.2 Volkshuisvestingskader 2023-2027

In de Omgevingsvisie Woest aantrekkelijk Apeldoorn en in de Kadernota Maatschappelijke ontwikkeling staat wat de gemeente belangrijk vindt ten aanzien van wonen en de combinatie wonen en zorg. Dit is verder uitgewerkt in een volkshuisvestingskader.

Op 21 september 2023 is het Volkshuisvestingskader 2023-2027, 'Ruim en ontspannen wonen in de hoofdstad van de Veluwe', door de gemeenteraad van Apeldoorn vastgesteld. Dit Volkshuisvestingskader omschrijft, op basis van trends en ontwikkelingen, de gemeentelijke ambities op bovenstaande onderwerpen voor de langere termijn. Het is een kader voor woonprojecten en projecten voor wonen met zorg.

Belangrijke trends en ontwikkelingen zijn:

  • de grote behoefte aan goedkope en betaalbare woningen;
  • demografische ontwikkelingen: de voortgaande vergrijzing en de groeiende behoefte aan zorg;
  • het belang van verduurzaming en CO2 neutraal bouwen;
  • zorgen voor een ongedeelde stad door te werken aan veerkrachtige wijken en dorpen.

Het Volkshuisvestingskader gaat in op vier onderwerpen:

  • 1. Doorbouwen aan een diverse woningvoorraad:
  • Tot en met 2030 worden bijna 9.000 woningen toegevoegd;
  • De nadruk ligt op het toevoegen van goedkope en betaalbare huur- en koopwoningen;
  • Aandacht voor woningen voor alle doelgroepen.

  • 2. Veerkrachtige wijken en dorpen:
  • Apeldoorn streeft naar gemengde wijken en dorpen;
  • Ontmoeten stimuleren
  • Referentienormen voor voorzieningen;
  • Toegankelijkheid van de omgeving verbeteren waar dat kan.

  • 3. Woningvoorraad verduurzamen:
  • Nieuwbouw zoveel mogelijk energieneutraal en natuurinclusief
  • Focus op verduurzaming van de particuliere woningvoorraad
  • De Transitievisie Warmte zet de lijn uit:
    • a. Isoleren, ventileren en besparen (hoofddoel tot 2030)
    • b. Starten met buurtaanpakken (Wijken van de Toekomst)
    • c. Innoveren

  • 4. Wonen met zorg of ondersteuning
  • Tot 2030 sturen op realisatie van 800 woningen geschikt voor senioren
  • Bouwen aan gebieden waar voorzieningen, zorggeschikte woningen en zorg nabij zijn
  • Ruimte voor particuliere initiatieven
  • Meer woningen beschikbaar stellen voor jongeren.

Betekenis voor dit plan

Voorliggend plan voorziet in de realisatie van twee nieuwe woningen in de Dorpstraat in de kern van Beekbergen. Het gaat om twee duurzame woningen, die ten minste voldoen aan de BENG-eisen. Het plan sluit bovendien aan bij de ambitie om te komen tot vitale dorpen door de realisatie van de twee woningen en daarnaast ruimte te bieden aan het bedrijf. De realisatie van twee woningen binnen het besluitgebied draagt bij aan de ambitie om tot en met 2030 9.000 woningen toe te voegen.

2.6.3 Groenbeleid

Het groenbeleid is vastgelegd in de Groene Mal, de Groenstructuurkaart en het Groenplan. Die worden in de navolgende paragrafen besproken. Enkel de Groenstructuurkaart is relevant voor voorliggend plan en zal worden behandeld.

2.6.3.1 Groenstructuurkaart

In april 2017 heeft de gemeenteraad de Groenstructuurkaart vastgesteld. De kaart geeft de belangrijkste groenstructuren van Apeldoorn weer. Apeldoorn koestert haar groene kwaliteit en wil deze beschermen en versterken. De kaart geeft een gebiedsdekkend toetsingskader en uitgangspunt voor onder andere een consequente beoordeling van ruimtelijke plannen op landschappelijke en groene kwaliteit.

De Groenstructuurkaart bestaat uit verschillende elementen:

  • Groenstructuur: Groene Mal;
  • Groenstructuur: Beken & sprengen, weteringen en kanaal;
  • Groenstructuur: doorgaande wegen buitengebied;
  • Groenstructuur: snelwegcorridors en spoorwegen;
  • Wijkgroenstructuur;
  • Boomrijke gebieden.

Op de kaart zijn die gebieden vastgelegd waar behoud van bestaand groen en ontwikkeling van nieuw groen prioriteit heeft. Het groenstructuurplan werkt door in het kapvergunningenbeleid en het uitgiftebeleid voor snippergroen.

Doorwerking in het plan

De voorzijde van het besluitgebied ligt binnen de grenzen die op basis van de Groenstructuurkaart zijn aangewezen als 'doorgaande wegen buitengebied'. In de huidige situatie is er geen groen aanwezig binnen deze aangewezen zone. Met de realisatie van de nieuwe woningen ontstaat ruimte om aan de voorzijde een tuin met groen en grotere groenelementen aan te leggen. De aanleg van grotere groen elementen wordt gestimuleerd.

2.6.4 Verkeer en parkeren
2.6.4.1 Verkeersvisie 2016-2030

Het gemeentelijk verkeersbeleid is vastgelegd in de Verkeersvisie 2016 – 2030 (vastgesteld juli 2016). De Verkeersvisie werkt de ambities voor Apeldoorn uit de structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' uit voor het onderdeel Mobiliteit.

Comfortabele gezinsstad: iedereen kan zich veilig verplaatsen en er is sprake van een bereikbare , leefbare en aantrekkelijke (binnen)stad. De fiets is het primaire vervoermiddel; ook het openbaar vervoer speelt een belangrijke rol in de verplaatsingen.

Toeristisch toplandschap: de attracties, bezienswaardigheden en evenementen zijn ook bij piekdrukte goed bereikbaar. Na een bezoek aan bijvoorbeeld de attractieparken aan de rand van de Veluwe weet men de weg naar de binnenstad te vinden.

Veelzijdige economie: winkels, kantoren en bedrijven zijn goed bereikbaar. Apeldoorn wordt goed ontsloten door de A1 en de A50 en een aantal provinciale wegen. De doorstroming op de hoofdwegen en met name op de Ring is essentieel. De binnenstad moet met alle vervoermiddelen goed toegankelijk blijven. Bij de bedrijventerreinen en werkgebieden kunnen zowel openbaar vervoer als de (e-)fiets naast de auto een steeds belangrijker rol spelen.

Lokale duurzaamheid: er moet een omslag worden gemaakt van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van elektriciteit en waterstof. Hierin spelen vooral marktpartijen en beslissingen op landelijk en Europees niveau een rol. De (e-)fiets kan eveneens aan de doelstellingen van energieneutraliteit en uitstootvrij en daarmee aan een gezonde en schone leefomgeving bijdragen. Op lokaal niveau zet Apeldoorn zich in voor een snelle overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van duurzame energie.

De ambities uit de structuurvisie zijn vertaald in de volgende kernopgaven:

Kernopgave 1: Apeldoorn fietsstad: meer ruimte voor de fiets. Om deze opgave te realiseren wordt het gebruik van de fiets, ook in het voor- en natransport, gestimuleerd; worden de fietsroutes sneller en directer gemaakt en wordt het fietsgebruik veiliger gemaakt.

Kernopgave 2: Transitie van aanbodgericht naar vraaggericht en efficiënt openbaar vervoer. Om deze opgave te realiseren wordt een nieuw OV-netwerk ontwikkeld, wordt duurzaam en innovatief openbaar vervoer geïntroduceerd, worden de OV-knooppunten versterkt en worden nieuwe kansen die ontstaan door recreatie- en evenementenstromen benut.

Kernopgave 3: Beter en veilig gebruik van de infrastructuur. Om deze opgave te realiseren wordt de doorstroming op de hoofdwegen verbeterd, wordt bijgedragen aan de doorstroming op regionale en landelijke hoofdwegen, wordt (dynamische) informatie over parkeergelegenheden en over de drukte op wegen verstrekt, worden de parkeernormen geactualiseerd en wordt het parkeren gebruikersvriendelijker gemaakt.

In de Verkeersvisie worden deze (kern)opgaven vervolgens uitgewerkt in concrete voorgenomen maatregelen.

Doorwerking in het plan

Met het slopen van de bestaande winkel en vervolgens de realisatie van twee nieuwe woningen worden netto geen verkeersbewegingen toegevoegd. Er is zelfs sprake van een daling van het aantal verkeersbewegingen na het verdwijnen van de winkel. De bestaande wegen konden reeds het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de winkel aan. Geconcludeerd kan worden dat de realisatie van twee woningen, met bijbehorende verkeersbewegingen geen onevenredig zware belasting is op bestaande wegen, waardoor een belemmering ontstaat ten aanzien van dit onderdeel voor de gewenste ontwikkeling.

2.6.4.2 Parkeerbeleid

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Beleidsregels Parkeren 2024 (vastgesteld op 13 juni 2024). Met dit beleid wordt beoogt te sturen op leefbaarheid en bereikbaarheid. Het beleid is een sturingselement bij de ontwikkelingen die Apeldoorn de komende jaren te wachten staat. De insteek bij het parkeren is dat parkeeroverlast - zo veel mogelijk - te voorkomen. Uitgangspunt is dat de parkeervraag bij ontwikkelingen niet mag worden afgewenteld naar de openbare weg. Het onderwerp parkeren wordt daarnaast benut in de strategie om Apeldoorn duurzaam en autoluw te ontwikkelen.

De nieuw vastgestelde beleidsregels voor parkeren richten zich enerzijds op het geven van een uitleg over hoe de parkeerregeling in het omgevingsplan zal worden toegepast. In de parkeerregeling die is opgenomen in het omgevingsplan (van rechtswege) wordt naar de ‘Beleidsregel Parkeren’ verwezen. Anderzijds dient deze beleidsregel als een toetsingskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld.

De parkeernormen voor zowel fietsen als auto's zijn vastgelegd in de Beleidsregel Parkeren 2024. De beleidsregel legt vast wat wordt verstaan onder het realiseren van 'voldoende parkeerruimte voor auto en fiets en voor laden en lossen'. Daarnaast wordt in de beleidsregel ingegaan op deelmobiliteit en hoe deelmobiliteit een rol kan spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen. De beleidsregel geeft inzicht in het aantal, de kwaliteit en de plek van de te realiseren parkeerplaatsen. Het bepalen van 'voldoende parkeerruimte' gebeurt bijvoorbeeld door het hanteren van parkeernormen voor fietsen en auto's.

Doorwerking in het plan

Woningen

Op basis van de Beleidsregels Parkeren 2024 geldt dat voor de twee geschakelde woningen de parkeernorm geldt voor vrijstaande woningen. Het gebied waarbinnen de ontwikkeling ligt is aangeduid als 'weinig stedelijk' en valt binnen de categorie 'dorpen'. Op basis hiervan geldt dat per vrijstaande woning 1,5 parkeerplaats gerealiseerd moet worden. Er is voldoende ruimte op eigen terrein bij de nieuw te realiseren woningen om te kunnen voorzien in voldoende parkeergelegenheid.

Nieuw kantoor

De netto oppervlakte aan bedrijfsgebouwen neemt in voorliggend plan af. Bovendien is er een groot buitenterrein aanwezig. Op voorhand kan worden gesteld dat in voldoende mate kan worden voorzien in parkeergelegenheid op eigen terrein.

2.6.5 Water

Het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan 2022-2026 (GWRP) is in 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. In het WRP is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater beschreven. De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering en plannen. Het WRP is uitgewerkt in concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de planperiode.

Speerpunt in het WRP is het herstel van het natuurlijk bodem- en watersysteem, inspelen op de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast door extreme buien en verdroging door langere droge perioden. Effecten van verdroging zijn periodiek lagere grondwaterstanden en lagere beekafvoeren. Deze effecten kunnen worden tegengegaan door de inrichting van de openbare ruimte aan te passen en regenwater van verhardingen niet versneld af te voeren via de riolering, maar af te koppelen en lokaal te infiltreren in de bodem. Bewoners wordt gevraagd zelf actief bij te dragen aan de klimaatopgave door de regenwaterafvoer van hun woningen af te koppelen van het vuilwaterriool en hun tuinen te vergroenen. Door deze afkoppelstrategie langjarig door te zetten ontstaat een klimaatrobuuste omgeving. Door het regenwater meer onderdeel te laten zijn van de openbare ruimte neemt tevens de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit verder toe.

Uitgangspunten plan

  • Bij de weging van het waterbelang worden de effecten op de waterhuishouding in beeld gebracht en getoetst aan het beleid. Ontwikkelingen moeten voldoen aan de uitgangspunten uit het waterbeleid.
  • Afkoppelen / niet aansluiten van regenwater bij nieuwe ontwikkelingen, herinrichtingen en herstructureringen.
  • Ruimtelijke inrichting zodanig aanpassen dat hevige regenval niet leidt tot wateroverlast (verhardingen verminderen, maaiveldmorfologie optimaliseren etc.)
  • Ruimte creëren voor tijdelijke waterberging in de openbare ruimte met name in groenzones.
  • Grondwaterneutraal bouwen.
2.6.6 Archeologie

Het gemeentelijke archeologisch beleid is vervat in de Cultuurhistorische en Archeologische Beleidskaart 2024, vastgesteld door de gemeenteraad op 16 mei 2024. Het beleid kent drie categorieën terreinen met archeologische waarden. Er is vastgesteld dat op deze terreinen archeologische waarden aanwezig zijn of dat het zeer waarschijnlijk is dat deze aanwezig zijn. Daarnaast zijn er drie zones met archeologische verwachtingen. Deze zones geven de dichtheid weer waarop een archeologische vindplaats wordt verwacht. Tot slot zijn er gebieden waar al archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Deze categorie is bij de laatste actualisatie van de beleidskaart toegevoegd als een zevende categorie (categorie 0).

 

De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische verwachting voor het gebied én van de omvang van de graafwerkzaamheden. Daarom is aan de verschillende gebiedscategorieën specifiek beleid gekoppeld. Daarbij gaat het om:

Categorie 0: Gebied waar archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden

Binnen deze gebieden is al archeologisch onderzoek uitgevoerd, en de gemeente beschikt over actuele archeologische en bodemkundige informatie die inzicht geeft in de archeologische (verwachtings-)waarden. Deze informatie is doorgaans relevanter dan de gegevens die de basis vormen voor andere beleidscategorieën, omdat er recentere en specifiekere gegevens beschikbaar zijn. Bij ontwikkelingen in gebieden met beleidscategorie 0 moet naast het selectiebesluit (zie hiervoor de kenniskaart) altijd contact worden opgenomen met de Sectie Archeologie van de Gemeente Apeldoorn.

Categorie 1: Terrein met monumentale archeologische waarden

Het gaat hier om wettelijk beschermde monumenten en door de gemeente op basis van de Monumentenverordening aangewezen gemeentelijke monumenten. Op deze terreinen is het vrijwel zeker dat bij grondwerkzaamheden schade aan de archeologische vindplaats toegebracht wordt. De bescherming van deze terreinen is geregeld in de Erfgoedwet, de Monumentenwet en de Monumentenverordening.

Categorie 2: Terrein met vastgestelde archeologische waarden

Terreinen met vastgestelde archeologische waarden zijn die gebieden waarvan in het verleden is vastgesteld dat er zich een behoudenswaardige archeologische vindplaats bevindt. Bij verstoringen van de bodem groter dan 50 m2 is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.

Categorie 3: Terrein met archeologische waarden

Tot de terreinen met archeologische waarden behoren de enken, dorpskernen en historische locaties. In deze gebieden zijn archeologische waarden aanwezig, maar waar deze precies liggen is niet altijd bekend. Bij bodemingrepen is de kans dan ook zeer aannemelijk dat archeologische waarden worden aangetroffen. In deze gebieden moet bij verstoringen van de bodem groter dan 100 m2 archeologisch onderzoek uitgevoerd worden.

Categorie 4: Zone met (middel)hoge archeologische verwachting

In deze categorie vallen de terreinen die op de archeologische kenniskaart een middelhoge en hoge archeologische verwachting bezitten. In deze gebieden wordt verspreide begraving, bewoning en landgebruik voorafgaande aan de dorpsvorming in de Late Middeleeuwen verwacht. Pas bij grotere bodemingrepen wordt de kans groot dat zo'n vindplaats wordt aangetroffen. Daarom hoeft bij verstoringen van de bodem kleiner dan 500 m2 geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

Categorie 5: Zone met lage archeologische verwachting

In gebieden met een lage archeologische verwachting is de dichtheid van archeologische vindplaatsen naar verwachting laag. Daarom hoeft er in deze gebieden alleen archeologisch onderzoek te worden gedaan als er meer dan 2.500 m2 van de bodem verstoord gaat worden.

Categorie 6: Zone zonde archeologische verwachting

In gebieden waar het bodemarchief door menselijk of natuurlijk toedoen is verdwenen of waar zeker is dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het gaat hier om grote verstoringen van de bodem: wegvlak A1, de spoorlijn ter hoogte van de stuwwal en niet-historisch water. Deze categorie zal in de loop van de tijd groter worden naarmate meer archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Een actueel overzicht van overige gebieden in deze categorie wordt door middel van de archeologische kenniskaart bijgehouden.

Verstoringsdiepte waarvoor onderzoeksplicht geldt

De verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren geldt voor ieder van de genoemde gebiedscategorieën wanneer de totale oppervlakte aan geplande bodemingrepen de betreffende oppervlaktemaat overschrijdt en bij een verstoring dieper dan 35 cm onder het vastgestelde maaiveld.

Een uitzondering op deze diepte wordt gemaakt voor natuurgebieden. Ervaring leert dat archeologische waarden in natuurgebieden relatief dicht aan het oppervlak kunnen liggen. Daarom is in nauurgebieden bij verstoringen van de bodem groter dan 10.000 m2 altijd een archeologisch onderzoek nodig, ongeacht de diepte van de verstoring.

Doorwerking in het plan

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0026-vas1_0010.png"

Afbeelding 2.4 Uitsnede Archeologische beleidskaart 2024 ter hoogte van besluitgebied (geel omlijnd).

Op grond van de Cultuurhistorische en Archeologische beleidskaart 2024 is het besluitgebied grotendeels een terrein met vastgestelde archeologische waarden (categorie 2). In deze gebieden moet bij verstoringen van de bodem groter dan 50 m2 en dieper dan 35 cm -mv archeologisch onderzoek uitgevoerd worden. Een klein deel van het besluitgebied wordt aangemerkt als terrein met archeologische waarden (categorie 3). In paragraaf 3.5 wordt nader ingegaan op de noodzaak tot het uitvoeren van onderzoek.

2.6.7 Cultuurhistorie

De nota 'Fundament Voor Buitengewoon Talent, Apeldoornse Cultuur- en Erfgoednota 2025-2030' is door de gemeenteraad vastgesteld en ingegaan op per 1 januari 2025. In de nota wordt gesteld: “We gaan vormgeven aan nieuwe gebiedsontwikkelingen. Die moeten niet kleurloos zijn, maar een karaktervolle Apeldoornse invulling krijgen. We bouwen voort op de al bestaande kwaliteiten. De geschiedenis van Apeldoorn is uitgangspunt en inspiratiebron bij deze ruimtelijke ontwikkelingen.

Het is daarom belangrijk om erfgoed zo vroeg mogelijk in het planproces mee te nemen. Niet alleen om het aanwezige erfgoed te beschermen en te behouden, maar ook om dit te benutten als uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. Daartoe dient tijdig goed archeologisch, cultuurhistorisch en/of bouwhistorisch onderzoek te worden gedaan, waarmee inzicht ontstaat in de aanwezige erfgoedwaarden. Via het onderzoek wordt kennis vergaard en vastgelegd over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur, en op basis hiervan volgen aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen.

Op 16 mei 2024 heeft de gemeenteraad ingestemd met de actualisatie van de cultuurhistorisch en archeologische beleidskaarten. Hieruit vloeit voort dat bij het opstellen van nieuwe omgevingsplannen, de vigerende cultuurhistorische beleidskaart 2006 (vastgesteld door de gemeenteraad op 16 februari 2006) voor het betreffende plandeel wordt ingetrokken en wordt vervangen door de volgende generieke regel die in het omgevingsplan wordt verwerkt:

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorische onderbouwing verplicht. Afhankelijk van deze onderbouwing kan nader onderzoek worden vereist. Er dient te worden gestreefd naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden. Gebieden met hoge cultuurhistorische waarden krijgen indien relevant een beschermende regeling in het omgevingsplan.

Doorwerking in het plan

Het besluitgebied aan de Dorpstraat 4-6 in Beekbergen ligt in een gebied met een hoge attentiewaarde. Dit betekent dat bij ruimtelijke ontwikkelingen een bureauonderzoek verplicht is. Hieruit volgt het volgende:

Bureauonderzoek

Beekbergen bestond lange tijd uit twee bebouwingsconcentraties: één bij de kerk en één langs het beekdal van de Oude Beek. De eerste bebouwing bij de kerk stond aan de huidige Dorpstraat. Daarna ontstond geleidelijk een radiale structuur met verspreide bebouwing langs de kerkwegen. Deze liepen vanuit de omliggende buurschappen naar Beekbergen, zoals de Kerkweg, de Voorste Kerkweg en de Achterste Kerkweg. Aan de Dorpstraat, die deel uitmaakte van de hoofdverbindingsweg tussen Engeland en Lieren, ontstond bij de kerk een dorpskern met onder andere een smederij, een herberg en een schooltje. Een andere belangrijke route in de structuur van Beekbergen was de Arnhemseweg, een eeuwenoude route van Apeldoorn naar Arnhem. In het gedeelte van de Arnhemseweg tussen de Dorpstraat en de Oude Beek stond verspreide bebouwing, waaronder de voormalige boerderij annex bierbrouwerij en latere herberg De Smittenberg. Dit was een oude pleisterplaats voor reizigers en kooplieden op deze belangrijke handelsroute. Iets ten noordwesten van de dorpskern lag de brink: een trechtervormige uitloper van het heidegebied waar de schapen ’s avonds bijeen werden gedreven. Rond de brink stonden enkele boerderijen. Aan de Oude Beek stond al in de middeleeuwen een watermolen. Later werd de Oude Beek de drijvende kracht voor de papiermolens, van waaruit de papierindustrie zou ontstaan. Aan de zuidzijde van de beek ontwikkelde zich een langgerekt lint van boerderijen aan de Tullekensmolenweg. Deze stonden gunstig op de overgang van de lager gelegen weidegebieden van het beekdal en de hoger gelegen akkers van de enk. Zowel de Oude Beek als de Tullekensmolenweg lopen oostwaarts door in de nederzettingsstructuur van Lieren en Oosterhuizen.

Tot omstreeks de jaren zestig van de twintigste eeuw groeide Beekbergen slechts in beperkte mate. Uitbreiding vond plaats door verdichting langs de bestaande wegen. Eerst rond de brink en niet veel later ook in de Dorpstraat, die uitgroeide tot een langgerekte hoofdstraat waar de lokale middenstand zich vestigde. Ook langs de Arnhemseweg ontstond een vrijwel aaneengesloten lint van bebouwing met talrijke middenstanders. Het gebied tussen de Tullekensmolenweg en de Dorpstraat was nog open, evenals de enk ten zuiden van de Dorpstraat. In de jaren zestig groeide Beekbergen als satelliet van Apeldoorn op planmatige wijze uit tot een relatief groot dorp. Het gebied ten noorden van de Dorpstraat werd complexmatig ontwikkeld en bebouwd met onder meer twee-onder-één-kap en rijtjeswoningen in halfopen blokverkaveling en stempelverkaveling. Aan het einde van de jaren tachtig breidde Beekbergen uit op de enk ten zuiden van de Dorpstraat. Bij deze uitbreiding werd ingespeeld op het bestaande wegenpatroon en de karakteristieke hoogteverschillen. Door de aanleg van nieuwe woongebieden heeft Beekbergen in de tweede helft van de twintigste eeuw een compacte kern gekregen. De wegenstructuur verdichtte weliswaar, maar de historische lijnen bleven gehandhaafd evenals de centrale ligging van de kerk. Ook heeft de Dorpstraat haar betekenis als hoofdstraat behouden.

Het besluitgebied aan de Dorpstraat ligt in het eeuwenoude dorpshart van Beekbergen, nabij de kruising van de Dorpstraat en de Arnhemseweg. Wat hier over is van het historische dorpse karakter zijn de kerk, pastorie met bijbehorende tuin en de vrijstaande dorpswoningen met voortuinen. Dit gebied heeft een sterk dorps karakter en het gebied heeft cultuurhistorische waarde, en dient te worden behouden en indien mogelijk versterkt. Het oude pandje Dorpstraat 4 (zonder latere aanbouw nr. 6) heeft cultuurhistorische waarde als oude woning (vroege 20ste eeuw) met een dorps karakter. De woning is echter niet planologisch beschermd. Het heeft niet de aanduiding 'karakteristiek' en is daarnaast niet aangewezen als (gemeentelijk) monument. De voorgenomen ontwikkeling heeft impact op het bebouwingsbeeld van de Dorpstraat. Het bestaande pand zal verdwijnen en er komt nieuwbouw voor in de plaats. De nieuwbouw vormt een nieuwe bouwmassa en zal bijdragen aan het bestaande diverse karakter van de Dorpstraat qua bouwstijlen en bouwperioden. Hierdoor is de voorgenomen ontwikkeling passend vanuit cultuurhistorisch oogpunt.

3 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

3.1 Stedenbouw

Nieuwe woningen aan de Dorpstraat

De Dorpstraat in Beekbergen kenmerkt zich door een sterk dorpskarakter. Er is bebouwing uit verschillen bouwperioden aanwezig, de oriëntatie van woningen op de weg is divers en er zijn verschillende functies aanweg. Hierdoor is een divers bebouwingsbeeld ontstaan. De nieuw te realiseren woningen, op de plek van de bestaande doe-het-zelf-zaak, worden in dezelfde voorgevelrooilijn gebouwd als de naastgelegen bebouwing. Hiermee ontstaat een eenduidig bebouwingsbeeld. Om te zorgen voor diversiteit en aan te sluiten bij het dorpse karakater wijkt de bouwstijl wel af van de naastgelegen bebouwing. De zijde van de Dorpstraat waaraan de nieuwe woningen worden gebouwd bestaat hoofdzakelijk uit woningen van één bouwlaag met schuine kap, dan wel mansarde kap. De nieuw te realiseren bestaan uit twee bouwlagen met een schuine kap. Dit zorgt voor een onderbreking van het bebouwingsbeeld en draagt bij aan afwissende beeld in de Dorpstraat. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de realisatie van de twee nieuwe woningen stedenbouwkundig aanvaardbaar is.

Nieuwe kantoor

Het nieuw te realiseren kantoor is verder achterop het perceel gelegen. Hierdoor is zowel de ruimtelijke als visuele impact van het nieuwe kantoor op de openbare ruimte beperkt. De bouwhoogte van het nieuw te realiseren kantoor sluit aan bij de bestaande hoogte van de loods. Hiermee wordt een eenduidig beeld gerealiseerd. Daarnaast zal een deel van het bestaande bebouwd oppervlak ten behoeve van het bedrijf worden gesloopt. Hierdoor neemt de netto oppervlakte aan bebouwing ten behoeve van het bedrijf, ondanks de realisatie van het nieuwe kantoor, af. Er wordt geconcludeerd dat de realisatie van het kantoor stedenbouwkundig en ruimtelijk aanvaardbaar is.

3.2 Milieuaspecten

3.2.1 Inleiding

Op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet bevat een omgevingsplan in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de verschillende milieu- en omgevingsaspecten onderbouwd.

3.2.2 Bodem

Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Voor deze ontwikkellocatie is getoetst of de bodemkwaliteit (inclusief grondwater) de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen toelaat. Er is ook getoetst of een eventuele bodemverontreiniging gevolgen heeft voor de financiële uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.

Onderzoeksresultaten

Verkennend bodemonderzoek

In de rapportage met kenmerk 20107 d.d. 23 juni 2020, opgesteld door Boluwa, en opgenomen in bijlage 1 bij deze motivering, zijn de resultaten ten aanzien van het verkennend bodemonderzoek opgenomen. Het verkennend bodemonderzoek heeft tot de volgende resultaten en conclusies geleid. Kortheidshalve zijn enkel de resultaten en de conclusie van het uitgevoerde onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt naar de bijlage verwezen.

Conclusie

In opdracht van Van Tongeren Beheer BV uit Beekbergen heeft Boluwa Eco Systems BV een verkennend bodemonderzoek verricht naar eventuele aanwezigheid van verontreiniging van de grond van de locatie Dorpstraat 4-6 te Beekbergen.

Voor de opzet van het onderzoek is uitgegaan van een onverdachte locatie conform de NEN-5740 norm.

Uitgevoerd zijn in totaal 19 boringen tot een variabele diepte van 0 tot 5,00 m-mv.

Geanalyseerd zijn:

  • 1 grondmengmonster bovengrond [0,06 - 0,50 m];
  • 1 grondmengmonster bovengrond [0,10 - 0,50 m];
  • 1 grondmengmonster bovengrond [0,10 - 0,50 m];
  • 1 grondmengmonster bovengrond [0,15 - 0,60 m];
  • 2 grondmengmonsters ondergrond [0,50 - 2,00 m].

Op basis van de resultaten van het onderzoek kan geconcludeerd worden:

Deellocatie nieuw te bouwen woningen:

In de bovengrond van MM1 en MM2 zijn licht [>achtergrondwaarde] verhoogde gehalten lood aangetoond.

De aangetroffen licht verhoogde gehalten lood zijn op basis van de thans bekende gegevens niet exact te verklaren. In de ondergrond van MM3 zijn geen verhoogde gehalten aangetoond.

Deellocatie bedrijfshal:

In de bovengrond van MM4 zijn geen verhoogde gehalten aangetoond.

In de bovengrond van MM5 zijn licht [>achtergrondwaarde] verhoogde gehalten PCB (som 7) en PAK (10-VROM) aangetoond.

Het aangetroffen licht verhoogde gehalte PCB (som 7) is op basis van de thans bekende gegevens niet exact te verklaren. Het aangetroffen licht verhoogde gehalte PAK (10-VROM) kan te maken hebben met menselijke activiteiten op de locatie. De gemeten gehalten zijn niet ongewoon op plaatsen waar mensen wonen en/of werken.

In de ondergrond van MM6 zijn licht [>achtergrondwaarde] verhoogde gehalten kobalt en zink aangetoond. De aangetroffen licht verhoogde gehalten kobalt en zink zijn op basis van de thans bekende gegevens niet exact te verklaren.

Eindconclusie

Deellocatie nieuw te bouwen woningen:

De resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geven geen milieuhygiënische belemmeringen voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor de nieuw te bouwen woningen en de bestemmingswijziging van het gedeelte van de locatie.

 

Deellocatie bedrijfshal:

De resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geven geen milieuhygiënische belemmeringen voor het voortzetten van de bedrijfsactiviteiten. De nulsituatie is voldoende vastgelegd.

Actualiserend, historisch onderzoek

Het verkennend bodemonderzoek dateert van juni 2020 en diende voor de voorgenomen ontwikkeling geactualiseerd te worden. Hiertoe heeft Boluwa opnieuw bodemonderzoek gedaan. Dit onderzoek is vervat in de rapportage met kenmerk 25123 d.d. 23 mei 2025. Hieronder is enkel de conclusie naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek opgenomen. Het volledige onderzoek is als bijlage 2 opgenomen bij deze motivering.

Conclusie

Op basis van het huidige onderzoek blijkt dat zich voor zover bekend op de locatie geen wijzigingen hebben plaatsgevonden ten opzichte van het voorgaande bodemonderzoek “Verkennend bodemonderzoek Dorpstraat 4-6 te Beekbergen, Boluwa Eco Systems B.V., projectnummer 20107, 02-06-2020”. Op de locatie zijn geen nieuwe potentiële verontreinigingsbronnen aanwezig of hebben zich voor zover bekend niet op de locatie bevonden.

Daarnaast zijn in de nabije omgeving van de locatie geen (nieuwe) gevallen van bodemverontreiniging bekend die mogelijk van invloed zijn op de bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie.

De hypothese wordt gesteld dat er geen reden is om bodemverontreiniging op het perceel te verwachten.

Een (aanvullend) verkennend bodemonderzoek kan daarom achterwege blijven.

3.2.3 Milieuzonering

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geluid van activiteiten (paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl).

Het omgevingsplan moet ervoor zorgen dat het geluid van activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (zoals woningen) aanvaardbaar is. Daartoe moet het omgevingsplan in beginsel hierover regels bevatten. Deze regels staan in het omgevingsplan van Apeldoorn in hoofdstuk 22 (de bruidsschat).

Om na te gaan of het geluid door activiteiten op het projectgebied aanvaardbaar is, is ervoor gekozen om de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering, editie 2009 te raadplegen. Er is in 2019 een nieuwe VNG-brochure uitgekomen, namelijk de brochure Milieuzonering nieuwe stijl. Omdat deze brochure voor bestaande situaties nog weinig concreet is (er is bijvoorbeeld geen bedrijvenlijst met richtafstanden opgenomen) is ervoor gekozen in dit specifieke geval, waarin het gaat om toetsing aan bestaande bedrijvigheid, gebruik te maken van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering, zoals hiervoor genoemd.

Door middel van zogeheten milieuzonering waarborgt men doorgaans dat er voldoende afstand wordt gehouden tussen hinderveroorzakende functies en gevoelige functies. Richtlijnen voor milieuzonering zijn opgenomen in de VNG-brochure zoals genoemd. De richtafstanden die hierin zijn opgenomen, hebben betrekking op geluid, maar ook op geur, stof en gevaar.

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'.

Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype.

Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

Situatie besluitgebied

Het besluitgebied ligt aan de Dorpstraat, in het centrum van Beekbergen. Deze omgeving kan worden aangemerkt als 'gemengd gebied'. Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. In onderstaande tabel staan de uitgangspunten die zijn gehanteerd bij de beoordeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0026-vas1_0011.png"

Inwaartse zonering

Bij inwaartse zonering gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het besluitgebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In dit geval worden de nieuw te realiseren woningen daar waar nu de doe-het-zelfzaak is gevestigd aangemerkt als milieugevoelige functies.

In (de omgeving van) het besluitgebied liggen verscheidene milieubelastende functies. Op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' geldt veelal dat het aspect geluid maatgevend is. In de onderstaande tabel zijn de aanwezige bedrijven weergegeven, waarbij tevens de functie, milieucategorie, richtafstand en de daadwerkelijke afstand tot het plangebied zijn weergegeven. De daadwerkelijke afstand is gemeten van de grens van de functie van het desbetreffende bedrijf tot aan de mogelijke uiterste situering van (vergunningsvrije) bouwwerken behorende bij de gevoelige functie (de nieuwe en bestaande woningen).

Binnen het onderzoeksgebied (50 à 100 meter rond het plangebied) zijn de volgende bedrijven en instellingen gelegen:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0026-vas1_0012.png"

Bouwbedrijf Dorpstraat 4

De afstand tussen de nieuw te realiseren woningen aan de Dorpstraat en het daarachtergelegen bouwbedrijf is onvoldoende. De afstand dient in het kader van milieuzonering 30 meter (-1 stap vanwege gemengd gebied) te bedragen. In werkelijkheid bedraagt de afstand slechts 15 meter. Om te onderzoeken of er desondanks sprake is van een goed woon- en leefklimaat is akoestisch onderzoek naar industrielawaai uitgevoerd. Voor de resultaten en conclusie(s) naar aanleiding van het onderzoek wordt naar paragraaf 3.2.4.2 Industrielawaai verwezen. Hier wordt het akoestisch klimaat als gevolg van het bouwbedrijf op de nieuw te realiseren woningen beschouwd. Hieruit volgt dat er maatregelen nodig zijn om een goed woon- en leefklimaat te creëren. Deze maatregelen in de vorm van schermen (aanleg en instandhouding) zijn via de regels planologisch geborgd in het omgevingsplan in de vorm van een voorwaardelijke verplichting (artikel 14). Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat kan worden voorzien in een goed woon- en leefklimaat.

Externe werking

Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die in strijd is te achten met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of wanneer de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast.

Nieuwe woningen

De functie 'wonen' is niet milieubelastend voor de omgeving. De woningen hebben geen externe werking.

Inpassing perceel BBG, sectie K, nummer 4274

In de huidige situatie heeft het perceel kadastraal bekend gemeente Beekbergen, sectie K, nummer 4274 de functie 'Wonen'. Dit perceel wordt echter al jaren gebruikt ten behoeve van het aanwezige bouwbedrijf. Het perceel wordt hoofdzakelijke gebruikt voor opslag van materieel en materiaal plaats. De activiteiten vinden inpandig in de bestaande loods plaats. Door dit perceel te laten verkleuren naar de functie Bedrijf dient afgewogen te worden of door het gebruik van dit perceel ten behoeve van het bouwbedrijf sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Conclusie

Het plan kan uit oogpunt van bedrijven en milieu zonering aanvaardbaar worden geacht, mits de juiste maatregelen worden getroffen. Het betreft hier concreet een geluidscherm waarvan de aanleg en de instandhouding middels een voorwaardelijk verplichting is vastgelegd in het plan (artikel 14).

3.2.4 Geluid

Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in afdeling 5.1 (§ 5.1.4.2a.4 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden) regels opgenomen voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in het geluidsaandachtsgebieden van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Er moet akoestisch onderzoek verricht worden wanneer geluidgevoelige gebouwen geheel of gedeeltelijk binnen een geluidaandachtsgebied komen te liggen. Er wordt daarbij gewerkt met een standaardwaarde en grenswaarde. Voor rijkswegen en provinciale wegen, gemeente- en waterschapswegen, hoofd- en lokale spoorwegen en industrieterreinen gelden ieder eigen standaard- en grenswaarden volgens het Bkl.

De standaardwaarden hebben als doel geluidhinder te voorkomen en te beperken tot aanvaardbare geluidniveaus. Maar ook voor het aspect geluid geldt dat wordt gekeken naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aanvaardbaarheid van zowel geluidbelasting als geluidhinder is afhankelijk van de planologische context; in een woonwijk worden andere geluidniveaus aangetroffen en verwacht dan in een bruisend stadscentrum. Een overschrijding van de standaardwaarden kan daarmee door het bevoegd gezag acceptabel worden geacht en hoeft geen obstakel te zijn. Wel geldt dat in het Bkl grenswaarden zijn opgenomen waarboven er doorgaans geen aanvaardbaar geluidniveau kan bestaan. Bij een geluidbelasting boven deze grenswaarde is de ontwikkeling niet zonder meer mogelijk.

Overschrijding standaardwaarde

Bij overschrijding van de standaardwaarde dienen in eerste instantie mogelijke (aanvullende) geluidbeperkende maatregelen te worden onderzocht. In de wet wordt een voorkeur uitgesproken voor de volgorde waarin de haalbaarheid van de diverse categorieën maatregelen onderzocht moet worden

  • Bronmaatregelen (bijvoorbeeld stiller wegdek, lagere intensiteit, wijziging vormgeving);
  • Overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld schermen/wallen/afstand tussen weg en bebouwing vergroten).

Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.

Een overschrijding van de standaardwaarde kan in het omgevingsplan worden opgenomen indien:

  • Geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen,
  • De overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt, en
  • Het geluid niet hoger is dan de grenswaarde.

3.2.4.1 Wegverkeerslawaai

Om de akoestische situatie als gevolg van wegverkeer ter plaatse van het besluitgebied inzichtelijk te maken is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek d.d. 28-10-2024, uitgevoerd door Buijvoets Bouw- en Geluidsadvisering, is als bijlage 3 bij deze motivering gevoegd. Hierna zijn verkort de resultaten naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek (waarbij rekening wordt gehouden aan de eisen van de Omgevingswet) te vinden, alsmede de conclusie die hieruit wordt getrokken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0026-vas1_0013.png"

De geluidbelasting t.g.v. de geluidbronsoort provinciale wegen ligt met maximaal 50 dB op de grens van de standaardwaarde van 50 dB. De standaardwaarde wordt niet overschreden.

De geluidbelasting t.g.v. de geluidbronsoort gemeentelijke wegen is met maximaal 56 dB hoger dan de standaardwaarde van 53 dB. De grenswaarde van 70 dB wordt niet overschreden. Afwijken van de standaardwaarde tot de grenswaarde kan alleen indien maatregelen overwegende bezwaren ontmoeten van financiële, stedenbouwkundige, verkeerskundige of landschappelijke aard. De gemeente stelt daarnaast als eis dat, voor het verlenen van een hogere waarde dan 53 dB, de woning tenminste één geluidgevoelige ruimte aan een geluidluwe gevel wordt gesitueerd, tenzij dit stuit op overwegende bezwaren van stedenbouw of volkshuisvesting.

Conclusie maatregelen wegverkeer

De standaardwaarde (voor een gemeentelijke weg) wordt overschreden, de grenswaarde niet. Wanneer een hogere waarde dan de standaardwaarde wordt toegestaan zijn maatregelen aan de gevels noodzakelijk om het binnenniveau LDEN op 33 dB te waarborgen waarbij wordt gerekend met het gezamenlijk geluid (niet-gewogen).

De maatregelen die voor de woningen getroffen dienen te worden aan de bron of in het overgangsgebied om aan de standaardwaarde te voldoen, ontmoeten overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard, zoals is gemotiveerd in het onderzoek. Ter plaatse is immers sprake van een 'situering op een open plaats tussen aanwezige bebouwing die wordt opgevuld'.

De grenswaarde wordt niet overschreden en de woningen hebben een geluidluwe achtergevel. In de regels (artikel 7, Waarde - Gezamelijk geluid) van het plan is het gezamenlijk geluidbelasting per gevelzijde vastgelegd. Daarmee wordt geborgd dat de te realiseren nieuwe woningen kunnen voldoen aan de binnenwaarde van 33 dB en middels de juiste isolatiewaarde van de gevel(s) wordt aangetoond. Om die reden kan worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, en wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

3.2.4.2 Industrielawaai

Om de akoestische situatie als gevolg van het industrielawaai ter plaatse van het besluitgebied inzichtelijk te maken is ook ten aanzien van dit onderdeel akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek d.d. 23-03-2025, uitgevoerd door Buijvoets Bouw- en Geluidsadvisering, is als bijlage 4 bij deze motivering gevoegd. Hierna zijn verkort de resultaten naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek (waarbij rekening wordt gehouden aan de eisen van de Omgevingswet) te vinden, alsmede de conclusie die hieruit wordt getrokken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0026-vas1_0014.png"

Conclusie industrielawaai

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT

Dorpstraat 4 Van Tongeren en Dorpstraat 5

De norm voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT wordt onderschreden zowel t.g.v. Van Tongeren op de Dorpstraat 4 als bij Dorpstraat 5 (voormalig taxibedrijf). Met een 2 m hoge dichte schutting neemt de geluidbelasting op de achtergevels van de geplande woningen (rekenpunt 3 en 4) nog verder af. Door de gunstige inpandige ligging van de werkplaats t.o.v. de geplande woningen is sprake van een verwaarloosbare geluidemissie t.g.v. de werkplaats. Het enige herkenbare geluid bij de achtergevels van de geplande woningen is het rijden van voertuigen en laad/loswerkzaamheden.

Perceel BBG, sectie K, sectie 4274 en een mantelzorgwoning op aangrenzende percelen

Wanneer kavel kadastraal bekend, gemeente Beekbergen, sectie K, nummer 4274 de functie 'Bedrijf' krijgt is een mantelzorgwoning op 2 m uit de erfgrens maatgevend voor de toetsing. In de rekenpunt 6 wordt de richtwaarde ruim overschreden. Met een 3 m hoog scherm vindt geen overschrijding plaats. In de huidige situatie bevindt zich een 3.5 m hoge kapschuur (behorende bij de woning) tegen de zuidelijke erfgrens met Van Tongeren, waardoor het geluid wordt afgeschermd. Wanneer de kapschuur zou worden gesloopt t.b.v. een mantelzorgwoning dient Van Tongeren een 3 m hoog scherm aan te brengen, omdat Van Tongeren moet voldoen aan de standaardwaarden van het Bkl. Bij een gewijzigde bedrijfsvoering kunnen andere maatregelen nodig zijn.

Maximale geluidniveaus LAmax  

Dorpstraat 4 Van Tongeren

Vanwege de korte afstand tussen de in/uitrit en de geplande woningen wordt de richtwaarde van de VNG (70 dBA in de dag) in de rekenpunten 1 t/m 5 ruimschoots overschreden. Wanneer een geluidscherm als dichte schutting (minimaal 10 kg/m2) wordt geplaatst (zie plot in bijlage I van het onderzoek ) kan bij de achtergevels ruim aan de norm VNG richtwaarde voldaan. De voor- en zijgevel van de 1e woning zijn niet af te schermen. De oostgevel bij rekenpunt 3 is te beschouwen als een zgn. “niet geluidgevoelige gevel”. Dit is als beoordelingsregel opgenomen voorde activiteit 'bouwen' opgenomen in voorliggende wijziging van het omgevingsplan.

De voorgevel bij rekenpunt 1 ligt op slechts 6 m uit de as van de Dorpstraat waardoor t.g.v. het verkeer al hoge piekgeluiden optreden tot ±80 dBA. Deze gevel krijgt voldoende geluidwering i.v.m. gevelmaatregelen tegen wegverkeerslawaai. Piekgeluiden t.g.v. van Tongeren (73 dBA) vallen daarbij niet op t.o.v. het heersende verkeer, zijn aanvaardbaar en kunnen buiten beschouwing blijven (stap 3 VNG).

Conform de voorschriften van het Bkl mogen piekgeluiden overdag buiten beschouwing blijven, deze norm wordt dus niet overschreden evenals in de avond/nacht wanneer er geen activiteiten zijn.

Dorpstraat 5

Wanneer in de avond/nacht op het perceel Dorpstraat 5 een voertuig rijdt/portier sluit kan de richtwaarde voor piekgeluiden worden overschreden. Dat zou bij het voormalige taxibedrijf ook het geval zijn geweest bij de bestaande woningen. Piekgeluiden t.g.v. van Dorpstraat 5 vallen daarbij niet op t.o.v. het heersende verkeer, zijn aanvaardbaar en kunnen buiten beschouwing blijven (stap 3 VNG). De standaardwaarden uit het Bkl worden niet overschreden in bij de geplande woningen (punt 1). De geplande woningen vormen geen beperking voor genoemde activiteiten op het perceel Dorpstraat 5.

Bedrijfsbestemming perceel 4274 en een mantelzorgwoning op aangrenzende percelen

In de rekenpunten 5 en 6 wordt de richtwaarde ruim overschreden. Met een 2 m hoog scherm bij rekenpunt 5 en 3 m hoog scherm bij rekenpunt 6 vindt geen overschrijding plaats door piekgeluiden afkomstig van perceel 4274. Het piekgeluid van 72 dBA in punt 5 wordt veroorzaakt door een passerende vrachtwagen op de inrit wat een bestaande activiteit is.

In de huidige situatie bevindt zich een 3,5 m hoge kapschuur tegen de zuidelijke erfgrens met van Tongeren waardoor het geluid wordt afgeschermd. Wanneer de kapschuur zou worden gesloopt t.b.v. een mantelzorgwoning bij rekenpunt 6 dient van Tongeren een 3 m hoog scherm aan te brengen omdat van Tongeren moet voldoen aan de standaardwaarden van het Bkl.

3.2.4.3 Gecumuleerd geluid

In de Omgevingswet wordt gecumuleerd geluid gebruikt in de afweging of een verhoogde geluidsbelasting toelaatbaar is. Dit is de situatie dat de standaardwaarde (nieuwe term voor voorkeursgrenswaarde) wordt overschreden. Het toepassingsgebied is daarbij verbreed, er worden in de cumulatie meer bronnen meegenomen (zie Besluit Kwaliteit Leefomgeving, art. 3.36). Naast geluid vanwege wegverkeer, spoorweg, industrieterrein en luchtvaart wordt nu ook geluid van een windturbine, windpark, buitenschietbaan of militair springterrein meegenomen. Als de situatie erom vraagt kunnen ook andere bronnen worden meegenomen bij de cumulatie. In dit geval is het gezamenlijk geluid LDEN op de voorgevel van de geplande woningen t.g.v. wegverkeerslawaai maximaal 56 dB. Industrielawaai t.g.v. van Tongeren is met 44 dBA (dagperiode) niet significant.

3.2.5 Trilling

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.

Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels vooropstellen.

Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de beleidsregel 'Trillingshinder Spoor' en de handreiking 'Nieuwbouw en Spoortrillingen'. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.

Situatie besluitgebied

Het besluitgebied ligt op meer dan 700 meter afstand van het spoortraject Amersfoort-Deventer. Er zijn geen klachten ten aanzien van trillingen bekend. Gezien de afstand tot het spoortraject is geen aanleiding om onderzoek te doen naar trilling.

Conclusie

Trilling vormt geen belemmering voor het plan.

3.2.6 Luchtkwaliteit

De Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit zijn geïmplementeerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het doel van deze wetgeving is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De wet is primair gericht op het voorkomen van negatieve effecten op de gezondheid van de mens. Daarnaast zijn er voor de stoffen zwaveldioxide en stikstofoxiden ook normen opgenomen ter bescherming van ecosystemen.

Voor het toetsen van ruimtelijke plannen zijn de volgende omgevingswaarden het meest relevant:

  • PM10 (fijnstof);
    • 1. de jaargemiddelde concentratie van 40 µg PM10/m³ mag niet worden overschreden;
    • 2. de 24 uursgemiddelde concentratie van 50 µg PM10/m³ mag niet vaker dan 35 keer per jaar worden overschreden;
  • NO2 (stikstofdioxide);
    • 1. de jaargemiddelde concentratie van 40 µg NO2/m³ mag niet worden overschreden;
    • 2. de uurgemiddelde concentratie van 200 µg NO2/m³ mag niet vaker dan 18 keer per jaar worden overschreden.

Voor de overige stoffen worden in Nederland geen overschrijdingen gerapporteerd.

In de artikelen 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald wanneer activiteiten 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In deze situaties is toetsing aan de omgevingswaarden niet noodzakelijk.

Doorwerking in het plan

De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van twee nieuwe woningen, een nieuw kantoor en het planologisch inpassen van een perceel grond. Deze ontwikkeling past binnen de lijst met categorieën van gevallen die vallen onder NIBM zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl. De voorgenomen ontwikkeling draagt om deze reden niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit blijkt eveneens uit de berekening op basis van de NIBM-tool. Het uitvoeren van een luchtkwaliteitsonderzoek is niet noodzakelijk.

De blootstelling aan luchtverontreiniging is beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. Op basis hiervan vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmering.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het onderhavige plan voldoet aan de voorwaarden conform de vereisten ten aanzien van de luchtkwaliteit.

3.2.7 Gezondheid

De Omgevingswet zet in op het realiseren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Daarmee heeft het thema gezondheid een centrale rol bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Gezondheid is een breed thema waarbij gedacht kan worden aan diverse thema's en aspecten die zich richten op de bescherming van de gezondheid van inwoners. Te denken valt aan aspecten als geluid, geur en luchtkwaliteit. In voorliggende situatie geldt dat uit uitgevoerde onderzoeken volgt dat in en om het besluitgebied in de Dorpstraat een dusdanig milieukwaliteitsniveau heeft dat de gezondheid van toekomstige bewoners niet in het geding komt.

Een ander belangrijk aspect vanuit gezondheid is het bevorderen en stimuleren van de gezondheid van inwoners. Het aspect groen speelt daarbinnen onder meer een belangrijke rol. Zo draagt groen bij aan het realiseren van een positieve mentale gezondheid van mensen, nodigt groen uit tot bewegen en ontmoeten en heeft groen een verkoelende werking. Doordat in voorliggende ontwikkeling zowel fysiek als juridisch-planologisch veel nieuw groen aan het besluitgebied wordt toegevoegd, wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan het stimuleren van de gezondheid.

3.2.8 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid gaat om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Onder omgevingsveiligheid vallen ook de risico's door luchthavens en windturbines. In paragraaf 5.1.2.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de algemene bepalingen met betrekking tot het waarborgen van de veiligheid opgenomen. Hieruit volgt dat in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises, rekening wordt gehouden met het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening. Voor zowel de handelingen met gevaarlijke stoffen bij bedrijven als het transport van gevaarlijke stoffen zijn drie aspecten van belang, het plaatsgebonden risico (PR), aandachtsgebieden en het groepsrisico (GR).

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand, explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 t/m 4.96 Bbl.) Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingshuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan de gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

Overige bepalingen

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:

    • a. Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: paragraaf 5.1.2.3 Bkl;
    • b. Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: paragraaf 5.1.2.4 Bkl;
    • c. Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten: paragraaf 5.1.2.5 Bkl;
    • d. Veiligheid rond luchthavens: paragraaf 5.1.2.6 Bkl.

Onderzoeksresultaten

In de directe omgeving van het het besluitgebied aan de Dorpstraat is de volgende risicobron aanwezig: de provinciale weg N788. Deze weg loopt ten westen van het besluitgebied en ligt op ca. 60 meter van het besluitgebied.

 

De provinciale weg N788 is aangewezen als doorgaande route voor gevaarlijke stoffen. Uit de milieunota externe veiligheid gemeente Apeldoorn blijkt echter dat het vervoer dermate beperkt is dat er geen significante risico's ten aanzien van het aspect externe veiligheid zijn rond deze weg. De provinciale weg heeft geen plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6). Nader onderzoek naar externe veiligheid is hier niet nodig.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor voorliggend plan.

3.2.9 Elektromagnetische velden

In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn regels opgenomen omtrent milieubelastende activiteiten. Het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie bij een groter elektrisch vermogen dan 4kW is een dergelijke milieubelastende activiteit.

Elektromagnetische velden van antennes kunnen het lichaam opwarmen. Dat kan slecht zijn voor de gezondheid en daarom zijn er blootstellingslimieten. Mensen mogen niet worden blootgesteld aan elektromagnetische straling boven de blootstellingslimieten van de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP).

De toelatingsregels van het omgevingsplan borgen dat de blootstellingslimieten niet worden overschreden. Meestal blijkt uit de aanvraag voor een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit dat de blootstellingslimieten niet worden overschreden.

Onderzoeksresultaten

Voorliggende ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van een antenne installatie, waardoor elektromagnetische velden ontstaan. Er zijn bovendien in de omgeving van het besluitgebied geen belemmeringen ten aanzien van elektromagnetische velden voor de gewenste ontwikkeling.

3.2.10 Milieueffectrapportage

Bepaalde activiteiten / ontwikkelingen kunnen aanzienlijke milieueffecten hebben. Als dat het geval is, of als dit niet kan worden uitgesloten, moet er voor een plan, programma of project een milieueffectrapportage (m.e.r) worden opgesteld. Een m.e.r. (soms ook mer) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. Een m.e.r. beschrijft in het milieueffectrapport (MER) de effecten op het milieu van het plan of project en van alternatieven. Milieu is hierbij een breed begrip. Het gaat onder andere om water, bodem, lucht, afval, natuur, gezondheid en archeologisch erfgoed.

De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en Bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob).

Milieueffectrapportage voor plannen en programma's

Onder een plan of programma (als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling)) wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing (zie art. 16.34 Ow).

In artikel 16.36 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag in de volgende gevallen bij de voorbereiding van een (wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven) plan of programma een milieueffectrapport opstelt:

  • 1. als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten zoals bedoeld in artikel 16.43 van de Ow. Dit artikel wijst projecten en besluiten aan waarvoor een m.e.r.(beoordeling) nodig is.; en/of
  • 2. als bij de voorbereiding van dat plan of programma op grond van artikel 16.53c Ow een passende beoordeling voor natuur moet worden gemaakt; en/of
  • 3. als dat plan of programma zoals genoemd onder 1 en 2 het gebruik bepaalt van kleine gebieden op lokaal niveau of als het gaat om kleine wijzigingen van een plan of programma, en als dat plan of programma of de wijzigingen daarvan aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Of sprake is van aanzienlijke milieueffecten moet in dit geval blijken uit een m.e.r.-beoordeling.; en/of
  • 4. als dat plan of programma een kader vormt voor andere projecten dan genoemd onder 1 en 2 en aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Of sprake is van aanzienlijke milieueffecten moet in dit geval blijken uit een m.e.r.-beoordeling.

Aangewezen projecten en besluiten op grond van art 16.43 Ow

In artikel 16.43 van de Omgevingswet is bepaald dat projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt, bij AMvB worden aangewezen. Deze AMvB is het Omgevingsbesluit (Ob). In artikel 11.6 van het Omgevingsbesluit, met verwijzing naar bijlage V bij het Ob, zijn de mer-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten aangewezen.

Kleine gebieden op lokaal niveau

Een beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten van een plan of programma dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden op lokaal niveau (punt 3 hierboven) vindt alleen plaats als:

  • a. voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is; en
  • b. de omvang van dat gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente klein is.

Kleine wijzigingen van een plan of programma

Bij de beoordeling of sprake is van kleine wijzigingen van een plan of programma (punt 4 hierboven) betrekt het bevoegd gezag de context van het plan of programma dat wordt gewijzigd en de mate van waarschijnlijkheid dat de wijzigingen aanzienlijke milieueffecten zullen hebben.

Uitzonderingen op m.e.r.-plicht

Uitzondering (art 16.35 Ow) op de plan-mer-plicht zijn plannen of programma's die:

  • bestemd zijn voor nationale defensie; of
  • noodzakelijk zijn vanwege een noodtoestand; of
  • gaat over de begroting of financiën.

M.e.r.-beoordeling

  • a. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met aanzienlijke milieueffecten. Het bevoegd gezag houdt bij het besluit over de beoordeling van de milieueffecten rekening met de criteria van bijlage II bij de smb-richtlijn. Het bevoegd gezag raadpleegt daarvoor:
    de bestuursorganen en instanties die op grond van een wettelijk voorschrift adviseren over de besluiten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, waarvoor het plan of programma het kader vormt, en
  • b. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of in plaats van de betrokken Minister een door hem aangewezen bestuursorgaan.(art. 16.36 Ow)

Doorwerking in het plan

In bijlage V van het Ob zijn de activiteiten opgenomen die aanleiding kunnen geven voor een MER-beoordeling. Of sprake is van daarin genoemde (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject hangt, volgens vaste jurisprudentie, af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene (wijziging van de) stedelijke ontwikkeling een rol spelen.

De activiteit(en) die met het plan worden mogelijk gemaakt die mogelijk wordt is naar aard en omvang beperkt en vindt plaats in bestaand stedelijk gebied. Er vindt bovendien per saldo geen uitbreiding plaats van bebouwingsoppervlakte en ook in functionele zin is de wijziging beperkt. In zoverre is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Ook op basis van de resultaten van de voor het plan uitgevoerde milieu-onderzoeken bestaat geen aanleiding voor een mer-beoordeling. Daarom is geen m.e.r.-beoordeling nodig.

3.3 Waterhuishouding

3.3.1 Algemeen

Het besluitgebied van de ontwikkeling Dorpstraat 4-6 in Beekbergen ligt binnen bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is circa 0,24 hectare groot. Het plangebied bevindt zich niet binnen enige Keurzone en niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland in de omgevingsvisie heeft aangegeven.

3.3.2 Grondwater

Het gebied ligt ten westen van het Apeldoorns Kanaal en daarmee in de grondwaterfluctuatiezone die (toelichtend) in de Omgevingsvisie Gelderland is vastgelegd. Er zijn in en om het plangebied geen gegevens van peilbuizen in de omgeving beschikbaar van het grondwaterpeil. Op basis van de isohypsenkaart van de provincie Gelderland ligt de GHG in het plangebied tussen NAP+ 26,5 m en NAP+ 27,0 m. Er is in en om het plangebied geen grondwateroverlast bekend.

Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij de ontwikkeling van het plangebied rekening te worden gehouden met voldoende drooglegging en ontwateringsmogelijkheden. Grondwater mag hierbij niet structureel worden afgevoerd. Hierdoor zal het plan grondwaterneutraal worden ontwikkeld.

3.3.3 Oppervlakte water en waterafhankelijke natuur

In en om het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Door dit plan ontstaat geen extra oppervlaktewater. Er zal niet geloosd worden op het oppervlaktewater. Doordat er niet geloosd wordt op oppervlaktewater heeft het plan geen nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Het plan heeft daarmee geen nadelige gevolgen voor het oppervlaktewatersysteem in de omgeving.

In en om het plangebied komt geen waterafhankelijke natuur voor. Het plan heeft derhalve geen nadelige gevolgen voor de waterafhankelijke natuur.

3.3.4 Afvoer van regenwater

In het plangebied en de omgeving daarvan ligt een gemengd rioolstelsel waarmee vuil- en regenwater gezamenlijk worden afgevoerd. De capaciteit van dit riool is voldoende om bij de maatgevende regenbui die eens per 2 jaar optreedt geen water op straat te veroorzaken.

Het gemeentelijk beleid is er op gericht om bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen de afvoer van regenwater niet op de riolering aan te sluiten. In het gemeentelijke beleid is opgenomen dat het regenwater dat afkomstig is van daken en verhardingen in principe in de bodem moet worden geïnfiltreerd door middel van een infiltratievoorziening van voldoende capaciteit op eigen terrein.

Bij het bepalen van de hoeveelheid regenwater dat in het plan dient te worden geborgen, hanteert de gemeente de Beslisboom voor regenwater, welke gebaseerd is op het gecombineerde beleid van gemeente en waterschap.

Het waterschap vereist voor nieuwe ontwikkelingen een bergingscapaciteit van 60 mm in het plangebied, hier mag de infiltratiecapaciteit naar de bodem (gedurende 24 uur) van afgetrokken worden. Deze berging mag zowel in als buiten de infiltratievoorzieningen plaats vinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0026-vas1_0015.png"

Afbeelding 3.1

Bij het bepalen van de voorkeursvolgorde in het omgaan met hemelwater wordt de waterladder van Apeldoorn gehanteerd:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0026-vas1_0016.png"

Afbeelding 3.2

De materialen die in aanraking komen met het regenwater mogen niet uitlogen en dienen volgens Duurzaam Bouwen geselecteerd te zijn. Bij de infiltratie van regenwater mag de bodem niet verontreinigd raken door met het regenwater afgevoerde vervuilende stoffen.

In dit plangebied is het regenwater aangesloten op de riolering. Indien er extra oppervlak wordt aangelegd dan dient het regenwater terplekke te worden vastgehouden en geïnfiltreerd in de ondergrond. Doordat het geen vervuilingsgevoelige oppervlakken betreffen, wordt voorkomen dat het te infiltreren regenwater het grond- en/of oppervlaktewater verontreinigt.

3.3.5 Afvoer van afvalwater

De nieuwe gebouwen dienen te worden voorzien van gescheiden afvoeren voor vuil- en regenwater, zoals op grond van het Bouwbesluit verplicht is. De vuilwaterafvoer van de bebouwing wordt aangesloten op het gemeentelijke gemengde rioolstelsel. Het bestaande rioolstelsel in en om het plangebied heeft voldoende capaciteit voor deze extra vuilwaterafvoer van de nieuwbouw.

3.3.6 Weging van het waterbelang

Het plan omvat minder dan 10 woningen/1.500 m² extra verhard oppervlak. Het plangebied ligt niet in een Keurzone of in een zoekgebied voor waterberging. Het plan betreft geen HEN-water (inclusief beschermingszone), landgoed, weg, spoorlijn, damwand, scherm, ontgronding et cetera. Bovendien zal er niet geloosd gaan worden op het oppervlaktewater. Daarom is dit plan in het kader van de watertoets een postzegelplan als omschreven door Waterschap Vallei en Veluwe. Voor het plan geldt dan ook het standaard wateradvies. Afwijkingen van dit standaard wateradvies zijn gemotiveerd aangegeven. Bij negatieve gevolgen voor het watersysteem is aangegeven hoe deze gemitigeerd dan wel gecompenseerd worden.

Om deze redenen is het plegen van overleg met het waterschap achterwege gelaten.

3.4 Flora en Fauna

Soortenbescherming

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid.

Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:

  • 1. er soorten aanwezig zijn;
  • 2. welke soorten dat zijn.

Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.

Gebiedsbescherming

De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies.

Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als 'Natura 2000-activiteit'. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden.

Houtopstanden

Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels heeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). Degene die zo’n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Er kan ook een meldingsplicht gelden. In paragraaf 11.3.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving is beschreven in welke gevallen een meldplicht geldt voor het vellen van een houtopstand en of er een herplantplicht van toepassing is.

Gemeenten dienen op grond van artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving een bebouwingscontour houtkap op te nemen in het omgevingsplan. De algemene regels over het vellen van houtopstanden uit het Bal zijn alleen van toepassing buiten de ‘bebouwingscontour houtkap’, zoals die is opgenomen in het omgevingsplan. Binnen de bebouwingscontour houtkap gelden uitsluitend de in het omgevingsplan gestelde regels over de kap van bomen. Gemeenten bepalen zelf of zij binnen de bebouwingscontour houtkap regels stellen ten aanzien van houtkap.

Onderzoeksresultaten

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling heeft Ecofect een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek, met kenmerk NWO52393 d.d. 25 juli 2024 (bijgewerkt 4 februari 2026), is als bijlage 5 aan deze motivering toegevoegd. Uit het natuurwaardenonderzoek is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden er mogelijk schadelijke handelingen flora & fauna activiteit (soorten) Omgevingswet zullen plaatsvinden. Tevens dient nadere toetsing plaats te vinden of er een vergunningplicht geldt voor Natura 2000-activiteit (stikstof). Hieronder is per onderdeel een samenvatting van de resultaten en het advies naar aanleiding van de resultaten opgenomen.

Soortenbescherming

Flora

Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet.

Vogels 

Mogelijk schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Nader onderzoek huismus en gierzwaluw wordt noodzakelijk geacht.

Huismus

Ecofect heeft nader onderzoek uitgevoerd naar de huismus. Dit onderzoek, met kenmerk NOHM52530 d.d. april/mei 2025 (bijgewerkt 4 februari 2026), is als bijlage 6 toegevoegd aan deze motivering. Uit het nader onderzoek huismus is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden er geen schadelijke handelingen flora en fauna activiteit Omgevingswet zijn. Bij het uitvoeren van de veldbezoeken is er geen nestindicatief gedrag vastgesteld. Er zijn geen waarnemingen gedaan van nest- en verblijfplaatsen.

  • Huismus is niet aanwezig
  • Plangebied is functioneel niet in gebruik als foerageergebied
  • Geen schadelijke effecten functionaliteit leefgebied
  • Geen effect gunstige staat van instandhouding
  • Maatregelen niet noodzakelijk

De conclusie die uit bovenstaane resultaten kan worden getrokken is dat gelet op de uitkomsten van het nader onderzoek naar de huismus geen vergunning nodig is voor eventuele schadelijke handelingen ten aanzien van de flora en fauna-activiteit op basis van de Omgevingswet. Er is geen sprake van schadelijke handelingen flora en fauna-activiteit Omgevingswet.

Gierzwaluw

Ecofect heeft daarnaast nader onderzoek uitgevoerd naar de gierzwaluw. Dit onderzoek, met kenmerk NOGZ52531 d.d. 22-07-2025 (bijgewerkt 4 februari 2026), is als bijlage 7 toegevoegd aan deze motivering. De conclusie uit het nader onderzoek luidt als volgt:

In het voorjaar en de zomer van 2025 is de planlocatie door middel van drie inventarisaties onderzocht op de aanwezigheid van een verblijfplaats van de gierzwaluw conform het kennisdocument gierzwaluw (BIJ12, 2017) en het inventarisatieprotocol NGB (2021) onder gunstige weersomstandigheden.

Op de planlocatie zijn geen nestplaatsen van gierzwaluwen aangetroffen. Er zijn vervolgens maatregelen getroffen om potentiële nestlocaties (voor gierzwaluwen en/of vleermuizen) ontoegankelijk te maken. Het leefgebied wordt als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden niet aangetast. Bij de sloop van de opstallen wordt verbodsbepaling art. 11.37 Bal van Omgevingswet ten aanzien van de gierzwaluw niet overtreden. Vervolgstappen in de vorm van een vergunningaanvraag en het nemen van mitigerende en compenserende maatregelen voor de gierzwaluw zijn niet aan de orde.

Vleermuizen

Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet.

Zoogdieren

Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet.

Overige soorten

Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet.

Specifiek zorgplicht 

Bovenstaande resultaten en onderzoeks-conclusies laten onverlet dat de specifiek zorgplicht als bedoeld in artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), van toepassing blijft.

Gebiedsbescherming

Natura 2000

Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand ten opzichte van Natura 2000-gebieden wordt geen verstoring verwacht. Een voortoets Natura 2000 wordt niet noodzakelijk geacht. Ten aanzien van stikstof wordt er in de sloop-, aanleg- en nieuwe gebruiksfase mogelijk depositie verwacht. Een Aerius (stikstof) berekening wordt daarom noodzakelijk geacht. STERQT ecoc heeft een stikstofberekening voor deze ontwikkeling uitgevoerd De toelichting op deze berekening (d.d. 27 mei 2026) is toegevoegd als bijlage 8 aan deze motivering. De berekeningen zelf (d.d. 26 mei 2026) zijn toegevoegd als bijlage 9 bij deze motivering. Hieronder is verkort de conclusie opgenomen.

Conclusie

Met inachtneming van de uitgangspunten (materieel- en brandstofgebruik met daarbij een percentage toevoeging van AdBlue) zoals hierboven beschreven is er geen toename van stikstofdepositie (>0,00 mol/ha/jaar) op daarvoor gevoelige habitattypen of leefgebieden in Natura 2000-gebieden. Zodoende is geen sprake van negatieve effecten door stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000- gebieden. Stikstofdepositie als het gevolg van het projectplan vormt geen strijdigheid met de Wet natuurbescherming. Ten aanzien van stikstof is het plan daarom uitvoerbaar.

Natuurnetwerk Nederland 

De planlocatie is gelegen buiten de Groene ontwikkelingszone en het Gelders Natuurnetwerk Nederland. Aangezien het plangebied buiten het Natuurnetwerk valt wordt het niet noodzakelijk geacht dat een verdere toetsing, in de vorm van ja, mits toets, aan de orde is.

Houtopstanden

Er worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in de omgevingswet die vallen onder het onderdeel houtopstanden. Er geldt geen herplant- of meldingsplicht.

3.5 Archeologie

Wettelijk kader

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden.

Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het besluitgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Archeologisch onderzoek

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling heeft Laagland Archeologie een verkennend en inventarisend archeologisch veldonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek d.d. juni 2025 is als bijlage 10 bij deze motivering gevoegd. Hierna volgt een samenvatting van het onderzoek. Voor het volledige onderzoek wordt naar de bijlage verwezen.

Samenvatting verkennend en inventariserend archeologisch onderzoek

Laagland Archeologie heeft in juni 2025 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Dorpstraat 4 te Beekbergen. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de nieuwbouw van woningen en een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing met een kantoorblok.

Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003.

Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.

Landschappelijk ligt het plangebied binnen een glooiing van hellingafspoelingen, waarbij het bodemtype waarschijnlijk uit hoge zwarte enkeerdgronden bestaat in grof zand. Het oorspronkelijke bodemtype, voordat het terrein werd ontgonnen bestond heel waarschijnlijk uit holtpodzolgronden die nog onder het plaggendek aanwezig kunnen zijn. In de omgeving van het plangebied zijn waterlopen en een (mogelijk) bronniveau bij de NH kerk aanwezig. Er zijn archeologische resten vanaf het Neolithicum bekend. In de omgeving verhuisden heel waarschijnlijk rond 1000 een aantal nederzettingen vanaf de hogere gronden van bovenop de stuwwal, naar lagere, minder verdrogende gronden aan de helling daarvan. Zoals de landschappelijke zone waarin het plangebied is gelegen. Vanaf de topografische kaart van 1936 zijn meerdere bouwfasen bekend binnen het plangebied. Deze bebouwing kan gepaard gegaan zijn met verstoring.

De archeologische verwachting voor jager-verzamelaars (Laat-Paleolithicum tot Vroeg-Neolithicum)is hoog omdat het plangebied niet ver van een beek en (mogelijk) bronniveau verwijderd is. Verder is de archeologische verwachting hoog voor de perioden Midden-Neolithicum tot Late Middeleeuwen. Omdat op het vroegste kaartmateriaal tot dat van 1936 geen bebouwing binnen het plangebied staat aangegeven is de archeologische verwachting middelhoog voor de Nieuwe Tijd.

Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen. Voornamelijk onder een klinkerverharding en ophoogzand is een humeuze bovengrond

(A-horizont of in een geval verstoorde humeuze bovengrond) de intacte natuurlijke ondergrond bestaande uit fluvioperiglaciale afzettingen (hellingafspoelingsafzettingen) aangetroffen. In boring 5 is onder klinkerverharding, ophoogzand en (waarschijnlijk) afgetopte A-horizont een oude cultuurlaag of spoor aangetroffen met houtskool als archeologische indicator.

Het potentieel archeologische niveau is aangetroffen op 50 à 90 cm -mv (29,35 à 30,59 m +NAP). Dit zal heel waarschijnlijk bij de voorliggende plannen vergraven worden. Zeker als de gangbare bufferzone van 30 cm wordt aangehouden.

Op basis van de onderzoeksresultaten wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems). Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P).1 Hiervoor is een door het bevoegd gezag goed te keuren Programma van Eisen benodigd. De implementatie van dit advies is in handen van de gemeente Apeldoorn, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente.

Proefsleuvenonderzoek

Normaal gesproken dient het proefsleuvenonderzoek, dat volgt op het verkennend en inventariserend onderzoek, uitgevoerd te worden in de fase van het (wijzigen van het) omgevingsplan. Echter, hierop zijn uitzonderingen mogelijk. Eén van die uitzonderingsmogelijkheden is als het proefsleuvenonderzoek niet mogelijk is, omdat er in bebouwing aanwezig ter plaatse. Dit is ook het geval op de locatie Dorpstraat 4-6 in Beekbergen. Het onderzoek wordt verplaatst naar de fase van de omgevingsvergunning. Dit is de fase na de wijziging van het omgevingsplan. Om er zeker van te zijn dat het aanvullende onderzoek in de vorm van het proefsleuvenonderzoek én mogelijk meer onderzoek nadien wordt uitgevoerd wordt een verbodsbepaling opgenomen. Deze verbodsbepaling ziet op een verbod op bodemingrepen. Het verbod wordt opgeheven als er een Programma van Eisen voor proefsleuvenonderzoek is goedgekeurd door het bevoegd gezag, het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd en de conclusie kan worden getrokken, op basis van een selectiebesluit, dat de grond kan worden vrijgegeven voor bodemingrepen. Hiermee is het proefsleuvenonderzoek juridisch goed verankerd en het onderdeel archeologie op een adequate wijze geregeld.

Conclusie

Het onderdeel archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.6 Cultuurhistorie

Wettelijk kader

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het besluitgebied gelegen werelderfgoed.

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over:

  • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • verplaatsing van beschermde monumenten;
  • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • aantasting van de omgeving van een beschermend monument;
  • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen;
  • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Cultuurhistorische analyse

Op basis van cultuurhistorische waardenkaart, zoals beschreven in 2.6.7, is vastgesteld dat het gebied een hoge attentiewaarde kent. In deze paragraaf is reeds ingegaan op de cultuurhistorische waarden in en rondom het besluitgebied en op welke wijze de ontwikkeling cultuurhistorisch goed wordt ingepast.

Monumenten

Monumenten zijn elementen met een hoge cultuurhistorische waarde die op grond van de Omgevingswet, of gedurende de overgangsfase (tot 2031) door gemeenten op basis van de erfgoedverordening, als monument zijn aangewezen. In het besluitgebied bevinden zich geen monumenten en kandidaat-monumenten.

Karakteristieke of beeldbepalende panden

Karakteristieke of beeldbepalende panden hebben geen monumentenstatus maar zijn door hun cultuurhistorische en ruimtelijke waarde van groot belang voor het karakteristieke beeld van hun omgeving. Die waarden komen onder andere tot uitdrukking in de gebiedseigen typologie, markante ligging, bijdrage aan het typische beeld en/of de bijzondere vorm en functie. In het besluitgebied bevinden zicht geen karakteristieke of beeldbepalende panden.

Conclusie

In het besluitgebieden zijn geen monumenten, kandidaat-monumenten of karakteristieke of beeldbepalende panden aanwezig. In paragraaf 2.6.7 is reeds ingegaan op de aanwezige cultuurhistorische waarden in en rondom het besluitgebied.

3.7 Ontplofbare oorlogsresten

De mogelijkheid van de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (OO) in de ondergrond hout in Nederland over het algemeen verband met de Tweede Wereldoorlog (1939-1945). Handelingen die hebben geleid tot het achterblijven van OO in de Nederlandse bodem houden over het algemeen verband met het afwerpen van bommen, beschietingen vanuit de lucht/vanaf het water/op het land, het neerstorten van vliegtuigen, grondgevechten tijdens de begin- en eindfase van de oorlog, het dumpen van munitie en het verdedigen van gebieden met mijnenvelden, stellingen enzovoort. Ongeveer 10% van de afgeworpen en verschoten munitie ontplofte niet en bleef als OO achter.

Betekenis voor het plan

Op basis van de beschikbare informatie is de locatie aan de Dorpstraat 4-6 in Beekbergen niet verdacht op de aanwezigheid van OO.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'ontplofbare oorlogsresten' geen problemen oplevert voor de gewenste ontwikkelingen binnen het besluitgebied.

3.8 Duurzaamheid

3.8.1 Programma Energietransitie 2023-2030

In het Klimaatakkoord (2019) staat hoe Nederland deze overstap wil maken. Het is de bedoeling dat ons land in 2050 ‘energieneutraal’ is. Dat betekent: dat we net zoveel duurzame energie opwekken als we gebruiken. We werken daar op allerlei manieren aan. Als land, maar ook als provincie, regio en gemeente. We proberen alle plannen op elkaar te laten aansluiten. Want samen gaat het sneller. Net als heel Nederland wil Apeldoorn in 2050 evenveel duurzame energie opwekken als we gebruiken. Om daar te komen, maken we eerst plannen tot 2030. Dit zijn de hoofdlijnen:

  • 1. Besparen, besparen, besparen; hoe minder energie je hoeft op te wekken, hoe beter.
  • 2. Zonnepanelen op gebouwen; we kunnen nog veel elektriciteit opwekken met zonnepanelen. Het liefst in de gebouwde omgeving.
  • 3. Opwekken op allerlei plekken; we proberen elke geschikte plek te gebruiken voor het opwekken van energie. Niet alleen daken, maar ook gevels, carports en geluidsschermen.
  • 4. Duurzame stroom dicht bij huis; het is handig om elektriciteit zo dicht mogelijk bij de gebruiker op te wekken, dan kunnen we vraag en aanbod makkelijk aan elkaar koppelen.
  • 5. Duurzame warmte uit de buurt; op plekken waar warmte wordt gevraagd winnen we deze ook zoveel mogelijk. Dat betekent liever geen omweg via elektriciteit of gas gebruiken om warmte mee te maken.
  • 6. Eén energiesysteem; we werken toe naar een energiesysteem waar vraag en aanbod bijeen worden gebracht en elketriciteit ook kan worden opgeslagen.

De Omgevingswet geeft ons de mogelijkheid om onze duurzaamheidswensen en -doelen goede juridische grond te geven. Dit geldt ook voor het onderwerp energie. De Omgevingswet geeft duidelijke richtlijnen en regels mee aan burgers en bedrijven, zodat zij goed weten waar ze aan toe zijn. Daarnaast geeft de Omgevingswet ons de kans om de regels beter te handhaven. Dit helpt om onze doelen te behalen. De Omgevingswet gaat ons op de volgende manier helpenop het gebied van energie:

Voor nieuwbouw

  • In het omgevingsplan nemen we op dat gebouwen met een industriefunctie verplicht zijn hun dak te benutten voor het opwekken van hernieuwbare energie. We kunnen niet eisen dat bedrijven meer opwekken dan ze zelf nodig hebben.
  • In het omgevingsplan leggen we de nul-op-de-meter-eis vast voor nieuwbouw.
  • In het omgevingsplan sturen we op besparing of opwek van energie via de bebouwingsregels en de positionering van het bouwvlak.

Voor bestaande bouw

  • In omgevingsvergunningen nemen we maatwerkvoorschriften op waarbij we eisen dat gebouwen hun daken moeten gebruiken voor de opwek van hernieuwbare energie. We kunnen niet eisen dat bedrijven meer opwekken dan ze zelf nodig hebben.
  • De hybride warmtepomp is vanaf 2026 standaard voor het verwarmen van woningen. Huiseigenaren zijn verplicht om vanaf 2026 bij vervanging van de cv-ketel over te stappen op een hybride warmtepomp. Of op een ander duurzaam alternatief, zoals aansluiting op het warmtenet.

Doorwerking in het plan

De nieuw te realiseren woningen zullen allen aardgasvrij worden. Dit betekent dat voor deze woningen gezocht moet worden naar een alternatief om deze woningen te verwarmen. Hierbij valt te denken aan het plaatsen van een warmtepomp. De woningen zullen moeten voldoen aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) (voorheen het Bouwbesluit 2012). In het Bbl is opgenomen dat nieuwbouwwoningen moeten voldoen aan de Beng-eisen. Beng staat voor Bijna Energieneutrale Gebouw. Hoewel Apeldoorn in haar beleid heeft opgenomen dat voor nieuwbouw geldt dat woningen moeten voldoen aan de nul-op-de-meter-eis kan dit juridisch niet worden afgedwongen. Het Rijk heeft bepaald dat het Bbl een uitputtende werking heeft en gemeenten geen strengere eisen aan (nieuwbouw)woningen mogen stellen.

Waar mogelijk worden daken geschikt gemaakt voor de plaatsing van zonnepanelen en voor de bestaande bebouwing zal worden gezocht naar manieren om deze bebouwing te verduurzamen. Hierbij valt te denken aan isolatie en het vervangen van beglazing. Hiermee is de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming met het gemeentelijk beleid op het gebied van duurzaamheid.

3.9 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels.

In Hoofdstuk 2 en Hoofdstuk 3 is aangegeven dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de planlocatie. In deze paragraaf worden de conclusies uit de genoemde hoofdstukken beschreven.

Eindconclusies

  • 1. Beleid

De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de sloop van de bestaande doe-het-zelfwinkel en de realisatie van twee nieuwe woningen, alsmede een nieuw kantoor ten behoeve van het ter plaatse gevestigde bouwbedrijf. Daarnaast zal een perceel grond planologisch worden ingepast ten behoeve van het bouwdedrijf. De nieuwe functies zijn in overeenstemming met het beleid.

2. Omgevingskwaliteit

Het plan wordt aan de hand van het stedenbouwkundigplan goed ingepast in de omgeving en daarnaast levert bijdrage aan het woningaanbod. Daarnaast zorgt het bieden van ruimte voor het bedrijf duurzame ontwikkelmogelijkheden voor het bedrijf en zorgt het voor reuring en versterking van de lokale economie.

3. Omgevingsaspecten

De effecten van de beoogde ontwikkeling op de omgeving is positief en er treden geen nadelige gevolgen voor het milieu op.

4 Juridisch kader TAM-omgevingsplan

Een TAM-omgevingsplan biedt een alternatieve mogelijkheid om via de IMRO2012-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan te wijzigen, wanneer gemeenten het omgevingsplan nog niet via de nieuwe standaarden kunnen bekendmaken en beschikbaar stellen. Dit moet voorkomen dat planvorming (en in het bijzonder gebiedsontwikkeling) onaanvaardbare vertraging oploopt bij de invoering van de Omgevingswet.

Onderhavig TAM-omgevingsplan, Hoofdstuk 22y Dorpstraat 4-6 Beekbergen, vormt een wijziging van het omgevingsplan Apeldoorn. Woningbouw op deze locatie is in strijd met bestemmingsplan 'Zuidbroek', onderdeel uitmakende van het omgevingsplan van rechtswege, waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden.

Het TAM-omgevingsplan is juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de al geldende regels in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan, de zogenaamde bruidsschat. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22y van het omgevingsplan.

Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen

Dit TAM-omgevingsplan maakt als hoofdstuk 22y onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Apeldoorn. Dat betekent dat in principe alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling van het besluitgebied behorende bij dit TAM-omgevingsplan (tenzij ze daarmee strijdig zijn). In artikel 3 (toepassingsbereik) wordt dit toegelicht. Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor het besluitgebied van.

Hoofdstuk 2 - Functies en activiteiten

Conform de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven binnen het besluitgebied. Beoogd is zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan Apeldoorn. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. Daar waar mogelijk is voorgesorteerd op het nog op te stellen nieuwe, permanente omgevingsplan voor de gemeente Apeldoorn dat op dit moment nog in ontwikkeling is. Hieronder is - indien noodzakelijk - een aanvullende toelichting per functie opgenomen.

Bedrijf

Het ter plaatse functionerende bouwbedrijf heeft de functie Bedrijf gekregen. Dit betreft een bestendiging van de functie die hier voorheen al gold. Naast het bouwbedrijf worden ook bedrijven in milieucategorie 1 toegestaan die zijn opgenomen op de Lijst van toegelatne bedrijfstypen. Dit zijn van nature bedrijven die verenigbaar zijn met de omliggende functies Wonen. Tot slot zijn hier kantoren behorende de bij de verschillende bedrijfstypen toegestaan.

Wonen

Daar waar de nieuw te realiseren twee-onder-een-kapwoning is de functie Wonen gelegd. Op de plankaart is de aanduiding twee-aan daartoe opgenomen. Binnen deze functie is het tevens toegestaan om een beroep en/of bedrijf aan huis uit te oefenen. Verder zijn niet-publieksgerichte bedrijfsactiviteiten, ondergeschikt aan het Wonen, toegestaan. Voor beide zijn specifieke gebruiksregels opgenomen.

Beroeps- en bedrijfsuitoefening aan huis

Bij recht is het gebruik van een deel van de gebouwen binnen de functies Wonen en Woongebied voor beroepsuitoefening en niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis toegestaan. Daarbij worden enige beperkingen gesteld, waaronder aan de daarvoor te gebruiken oppervlakte, om ervoor te zorgen dat het woonkarakter van de woning het beroeps- of bedrijfsmatige gebruik blijft overheersen. Voor de niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis geldt dat alleen bedrijfsactiviteiten die voorkomen op de Lijst van toegelaten bedrijfsactiviteiten aan huis is aansluiting gezocht bij de bedrijven die in de richtafstandenlijst van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (uit 2009) als bedrijven van categorie 1 zijn aangemerkt. Omdat het gaat om activiteiten in een woning op een relatief klein oppervlak is het aantal bedrijfsactiviteiten dat is toegelaten zeer beperkt gehouden.

Beoordelingsregels bouwen gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde

In artikel 8, 9 en 10 worden algemene beoordelingsregels ten aanzien van het bouwen van een hoofdgebouw, respectievelijk bijbehorend bouwwerk en bouwwerken, geen gebouw zijnde gegeven. Aanvullend hierop zijn per artikel nog functiespecifieke beoordelingsregels opgenomen indien noodzakelijk.

Uitgangspunt is dat een gebouw uitsluitend is toegestaan binnen een bouwvlak, zoals aangegeven op de plankaart. Bouwwerken, geen gebouw zijnde zijn buiten het bouwvlak, respectievelijk een aanduiding toegestaan. Verder zijn er maatvoeringen opgenomen in de bouwvlakken, indien noodzakelijk. Het gaat dan bijvoorbeeld om de goot- en bouwhoogten en de maximaal te bebouwen oppervlakten met hoofdgebouwen. Ten aanzien van de bijbehorende bouwwerken zijn de toegestane goot- en bouwhoogte in de regels opgenomen, alsmede de maximale oppervlakte, daar waar nodig. Tot slot wordt verwezen naar de algemene bouwregels.

Bevoegd gezag

Waar in de regels van dit hoofdstuk 22y de bevoegdheid in het leven is geroepen om af te wijken van de regels, is die bevoegdheid toebedeeld aan het bevoegd gezag. Over het algemeen zal dat bevoegd gezag het college van burgemeester en wethouders zijn.

Gezamenlijk geluid

Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat de standaardwaarde (50 dB Lden) voor geluid als gevolg van een wegverkeer op gemeentewegen en het geluid van industrie wordt overschreden. De grenswaarde (60 dB Lden) wordt niet overschreden. Nu de standaardwaarde wordt overschreden moet in voorliggend TAM-omgevingsplan een hogere geluidwaarde dan de standaardwaarde worden opgenomen. Bij de aanvraag omgevingsvergunning ten behoeve van de realisatie van de woningen (en andere geluidsgevoelige gebouwen) zal dan te zijner tijd aan de hogere geluidswaarde, zoals opgenomen in artikel 7, moeten worden getoetst. Een opgenomen hogere waarde heeft als consequentie dat gevels van woningen (en geluidsgevoelige gebouwen in het algemeen) een hogere dichtheid moeten hebben en daarmee voor een geluidsreductie zorgen, zodat in een goed woon- en leefklimaat kan worden voorzien.

Archeologie

De Archeologische beleidskaart kent zeven categorieën gebieden met een verschillende archeologische verwachting. Voor twee van die categorieën bevat het bestemmingsplan geen regeling. De bescherming van terreinen met monumentale archeologische waarden, oftewel de archeologische monumenten, is geregeld in de Erfgoedwet en de gemeentelijke monumentenverordening. Van de zones met geen archeologische verwachting staat vast dat er geen archeologische waarden (meer) zijn. Voor de overige vier categorieën wordt in bestemmingsplannen een beschermende regeling opgenomen.

Gebieden die op de archeologische beleidskaart zijn aangemerkt als Terrein met vastgestelde archeologische waarden hebben de aanduiding 'overige zone – vastgestelde archeologische waarden' gekregen, gebieden die zijn aangemerkt als Terrein met archeologische waarden hebben de aanduiding 'overige zone – archeologische waarden' gekregen. Voor beiden geldt dat bij het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouwwerk waarvoor een bodemingreep wordt gedaan met een oppervlakte van meer dan 50 m2 (vastgestelde archeologische waarden) respectievelijk 100 m2 (specifieke archeologische waarden) en een diepte van 35 cm onder het vastgestelde maaiveld tevens een archeologisch onderzoeksrapport moet worden ingediend. Gebieden die op de archeologische beleidskaart zijn aangemerkt als Zone met (middel)hoge archeologische verwachting hebben de aanduiding 'overige zone – hoge archeologische verwachtingswaarde' gekregen, gebieden die zijn aangemerkt als Zone met lage archeologische verwachting hebben de aanduiding 'overige zone – lage archeologische verwachtingswaarde' gekregen. Hiervoor geldt dat bij het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouwwerk waarvoor een bodemingreep wordt gedaan met een oppervlakte van meer dan 500 m2 (hoge archeologische verwachtingswaarde) respectievelijk 2.500 m2 (lage archeologische verwachtingswaarde) en een diepte van 35 cm onder het vastgestelde maaiveld tevens een archeologisch onderzoeksrapport moet worden ingediend.

Voor een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die mogelijke archeologische waarden in de bodem kunnen verstoren geldt voor alle vier de categorieën dat ze niet mogen worden uitgevoerd tenzij daarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Daarbij gelden dezelfde oppervlakten en diepte als hiervoor genoemd. De vergunning kan alleen worden verleend als uit archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast.

Wanneer de archeologische waarde van het terrein al uit andere informatie (bijvoorbeeld uit eerder uitgevoerd onderzoek) in voldoende mate is vastgesteld, is het niet nodig nieuw onderzoek uit te voeren.

Als uit het archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat de archeologische waarden door het oprichten van het bouwwerk of door het uitvoeren van de werkzaamheden zullen worden verstoord kan het bevoegd gezag bepaalde voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden. Deze voorschriften kunnen bestaan uit het treffen van technische maatregelen of uit het uitvoeren van nader onderzoek; van beide dient verslag aan het bevoegd gezag uitgebracht te worden.

Archeologisch onderzoek kent vele vormen en maten. Voor het archeologische onderzoeksrapport dat bij een vergunningaanvraag moet worden ingediend wordt meestal in eerste instantie een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, eventueel aangevuld met een verkennend booronderzoek. Veelal is na deze fase bekend of vrijgave van het terrein mogelijk is of dat nader (of aanvullend) onderzoek noodzakelijk is. Het nader of aanvullend onderzoek, dat bij wijze van voorschrift aan de omgevingsvergunning verplicht kan worden gesteld, kan bijvoorbeeld bestaan uit een gedetailleerder booronderzoek of het graven van proefsleuven om een vindplaats op te sporen of uit te sluiten. Uiteindelijk kunnen deze vormen van onderzoek erin resulteren dat een behoudenswaardige archeologische vindplaats is aangetroffen. Afhankelijk van de ontwikkeling zal de vindplaats in dat geval ex situ (door een opgraving) of in situ (door inpassing in het plan) behouden moeten worden.

Bepalend voor het al dan niet bestaan van een onderzoeksverplichting zijn steeds de oppervlakte en de diepte van de bodemingreep. Bij de oppervlakte van de bodemingreep gaat het om de daadwerkelijk verstoorde oppervlakte. Als een gebouw op stroken gefundeerd wordt en er geen extra graafwerk plaatsvindt, dan geldt als bodemingreep alleen de oppervlakte van de strokenfundering. Wordt daarentegen ook de grond tussen de stroken dieper dan 35 cm vergraven, dan geldt als bodemingreep de volledige oppervlakte van het gebouw. Wanneer een gebouw wordt onderkelderd, wordt in de regel een flink grotere bouwput gegraven dan de oppervlakte van het gebouw. Daarom geldt als bodemingreep bij een onderkeldering de oppervlakte van de bouwput. Om dit zeker te stellen is in artikel 3 bepaald hoe de oppervlakte van een bodemingreep moet worden gemeten.

In de regels is bepaald dat de diepte van de bodemingreep wordt bepaald vanaf de vastgestelde maaiveldhoogte van het Actueel Hoogtebestand Nederland 2 (AHN2). De AHN2 is een digitale hoogtekaart van Nederland, met voor heel Nederland gedetailleerde en precieze hoogtegegevens die de ligging van het maaiveld met grote nauwkeurigheid weergeeft. Door het hanteren van deze vastgestelde hoogteligging wordt bereikt dat niet alleen bij een eenmalige bodemingreep dieper dan 35 cm onder AHN2-maaiveld er een plicht tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek is, maar dat dat ook het geval is als er in de loop der jaren bij achtereenvolgende activiteiten meer dan 35 cm onder deze vastgestelde maaiveldhoogte gegraven wordt. In de begripsbepalingen is een definitie van het begrip AHN2-maaiveld opgenomen.

Hoofdstuk 3: Algemene regels

In dit hoofdstuk zijn er algemene regels opgenomen die alleen betrekking hebben op dit TAM-omgevingsplan. Hier zijn bijvoorbeeld opgenomen de algemene bouw- en functieregels, alsmede afwijkingsregels en maatwerkvoorschriften, zoals deze voorheen in de bestemmingsplannen golden. Deze zijn ook opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Apeldoorn.

Voorwaardelijke verplichting geluidscherm

Uit het akoestisch onderzoek (industrielawaai) is gebleken dat het geluid als gevolg van het bouwbedrijf niet voldoen aan de wettelijke eisen die hiervoor gelden. Om te kunnen voorzien in een goed woon- en leefklimaat op nieuw te realiseren woning(en), alsmede de bestaande woningen rondom het plangebied, dienen op een drietal locaties geluidschermen gerealiseerd en in stand gehouden te worden. Door het opnemen van de voorwaardelijke verplichting is de realisatie en instandhouding van het geluidscherm op een juridisch adequate wijze geborgd.

Voorwaardelijke verplichting archeologie

Het besluitgebied dient alvorens bodemingrepen plaatsmogen vinden archeologisch nader onderzocht te worden aan de hand van een proefsleuvenonderzoek. Hiertoe zal een Programma van Eisen moeten worden opgesteld en goedgekeurd. Het deel van het besluitgebied dat nader onderzocht dient te worden is beschreven in bijlage 3 van het inventariserend onderzoek. Op dit moment kan archeologisch proefsleuvenonderzoek nog niet plaatsvinden. Op moment van vaststelling van het plan is er nog bebouwing aanwezig op de onderzoekslocatie. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels om bodemingrepen pas plaats te laten vinden als er een goedgekeurd PvE is, het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd en het bevoegd gezag de archeologische waarde in voldoende mate heeft vastgesteld en tot slot een selectiebesluit heeft genomen.

Hoofdstuk 4: Algemene procedureregeling

In TAM-omgevingsplannen kan overgangsrecht worden opgenomen. In onderhavig TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Dorpstraat 4-6 Beekbergen wordt een deel van de bestaande functie wegbestemd, waarvoor een andere functie in de plaats komt. Daarom is overgangsrecht opgenomen, zodat de bestaande functies mogen worden voortgezet zolang de nieuwe ontwikkeling nog niet is gerealiseerd.

Bijlagen

Er zijn 4 bijlagen bij de regels opgenomen die enerzijds uiteenzetten welke bedrijfsfuncties zijn toegestaan en anderzijds zijn gekoppeld aan de beoordelingsregels voor archeologie en parkeren.

Verbeelding

De verbeelding die is opgesteld voor het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Dorpstraat 4-6 Beekbergen is opgesteld conform de technische eisen voor bekendmaken en beschikbaar stellen van IMRO2012. Dat betekent dat de verschillende functies in het besluitgebied op de verbeelding als 'enkelbestemming', dan wel 'dubbelbestemming', zijn opgenomen. Maatvoeringsaanduidingen zijn ook als zodanig op de verbeelding opgenomen.

5 Haalbaarheid

5.1 Financiële haalbaarheid

Afdeling 13.6 van de Omgevingswet gaat in over het kostenverhaal bij activiteiten en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Daarin is bepaald dat het niet is toegestaan om aangewezen bouw- of gebruiksactiviteiten te verrichten zonder het kostenverhaal geregeld te hebben. Het kostenverhaal kan daarbij zowel via privaatrechtelijke weg met een overeenkomst als via publiekrechtelijke weg met regels in het omgevingsplan worden vastgelegd.

Het voorliggende plan wordt volledig gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten op 24 juni 2024 waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het kostenverhaal voor dit plan verzekerd.

5.2 Maatschappelijke haalbaarheid

Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid.

Notitie Participatie en participatieregels onder de Omgevingswet

De gemeenteraad heeft op 23 november 2023 de 'Notitie Participatie en participatieregels onder de Omgevingswet' vastgesteld. Aan de hand van zeven stappen wordt initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen gevraagd invulling te geven aan participatie.

Op 30 april 2024 heeft de initiatiefnemer de plannen voor Dorpstraat 4-6 besproken met de omwonenden. Vervolgens is hiervan een verslag gemaakt en dit verslag is met de gemeente gedeeld. Dit verslag is geaccordeerd door de gemeente. Hiermee is invulling gegeven aan de zeven stappen met betrekking tot participatie, zoals beschreven in de Notitie.

Procedure Ow

Op 10 december 2025 is op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend gemaakt dat het ontwerp van het omgevingsplan heeft vanaf 11 december 2025 gedurende zes weken ter inzage ligt. Er zijn in die termijn geen zienswijzen naar voren gebracht.