Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Gendringseweg 23 en 25a Aalten
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0197.TAM20240005-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding
 
1.1 Aanleiding
In het gemengd gebied aan de rand van de bebouwde kom van Lintelo, binnen de gemeente Aalten, bestaat het voornemen om het perceel Gendringseweg 23-25a planologisch te herstructureren. Het betreft een bestaand bedrijventerrein met een bedrijfswoning, waarbij beoogd wordt de bedrijfswoning op nummer 25a af te splitsen van het bedrijf op nummer 23 en deze te bestemmen tot een zelfstandige woning. Tegelijkertijd wordt de milieucategorie van het bedrijventerrein verlaagd naar maximaal categorie 2, waarmee intensievere bedrijfsactiviteiten, zoals een koel- en vrieshuis, worden uitgesloten. Hiermee wordt planologisch aangesloten bij het gemeentelijk uitgangspunt om in gemengde gebieden uitsluitend bedrijven tot en met milieucategorie 2 toe te staan.
 
Voor de beoogde wijziging is een wijziging van het omgevingsplan nodig. Binnen de gemeente Aalten wordt daarvoor gewerkt volgens de systematiek van TAM-IMRO.
 
1.2 Ligging planlocatie
De planlocatie is gelegen aan de zuidwestelijke rand van de kern Lintelo binnen de gemeente Aalten, zie figuur 1. De betreffende locatie is kadastraal bekend onder gemeente Aalten, sectie G, nummers 4905, 5134, 5135, 5168, 5169, 5112 en heeft een totale oppervlakte van ca. 7.225 m². Het betreft een bedrijventerrein met meerdere koel- en vriesgebouwen, bijbehorende technische ruimten, kantoorvoorzieningen en een bedrijfswoning met inpandig zwembad.
 
 
De planlocatie wordt aan de noordzijde ontsloten via de Gendringseweg en aan de zuidzijde via de Navisweg. Aan de westzijde grenst de locatie aan een woonperceel; aan de oostzijde ligt agrarisch cultuurlandschap. De afstand tot de dorpskern van Lintelo bedraagt circa 300 meter. In de directe omgeving komen zowel woonfuncties als lichte bedrijfsactiviteiten voor. De afstand van de woning op nummer 25a tot de bedrijfsbebouwing bedraagt circa 27 meter. De overige bebouwing in de omgeving ligt op afstanden variërend van circa 30 tot 100 meter.
 
1.3 Huidig planologisch kader
Voor de planlocatie geldt het op 29 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan ‘Kern Lintelo 2008’. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is dit plan van rechtswege onderdeel geworden van het geldende omgevingsplan.
Binnen dit omgevingsplan gelden voor de locatie de functies ‘Bedrijf’, ‘Tuin’ en ‘Verkeer’. Op basis van artikel 3.1.1 van de planregels zijn de bedrijfsgronden bestemd voor “doeleinden van handel en bedrijf” met bijbehorende erven, terreinen en beplanting. Zie figuur 2. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bedrijven toegestaan tot en met milieucategorie 2, zoals opgenomen in de bij het plan behorende bedrijvenlijst.
 
 
De woning is als bedrijfswoning opgenomen binnen de bestemming ‘Bedrijf’ en maakt op dit moment nog planologisch deel uit van het bedrijf.
Voor het afsplitsen van de bedrijfswoning en het toekennen van een zelfstandige woonbestemming is een buitenplanse procedure nodig. Tegelijkertijd wordt beoogd de milieucategorie van het bedrijfsperceel te verlagen naar maximaal categorie 2, waarbij de vestiging van een koel- en vrieshuis expliciet wordt uitgesloten. Er is gekozen om deze ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken door middel van een wijziging van het omgevingsplan volgens de TAM-IMRO systematie.
 
1.4 Leeswijzer
Een wijziging van het omgevingsplan volgens TAM-IMRO bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. De wijziging van het omgevingsplan gaat vergezeld van een motivering (voorliggend document), waarin de achtergronden van de wijziging zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het omgevingsplan. In de motivering worden de keuzes die bij de wijziging van het omgevingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord.
 
Hoofdstuk 2 van deze toelichting bevat de beschrijving van de huidige situatie van de planlocatie en de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de geldende beleidskaders van de verschillende overheden. In hoofdstuk 4 is een overzicht gegeven van de relevante omgevingsaspecten op de planlocatie en de diverse onderzoeken die zijn uitgevoerd. De juridische planopzet komt aan de orde in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
 
Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plan
 
2.1 Huidige situatie
Op de locatie Gendringseweg 23-25a zijn meerdere bedrijfsgebouwen voor een koel- en vrieshuis aanwezig. Het gaat hierbij om een combinatie van vries- en koelcellen en ongekoelde opslagruimten, waarbij daarnaast sprake is van een kantoor met archiefruimte, een was- en kleedruimte en technische ruimten. De bedrijfswoning bestaat uit het woongedeelte, die via een bijkeuken en berging is verbonden met een inpandig privézwembad. Het privé zwembad bij de woning bevindt zich in het aanpandig gelegen bijgebouw ten zuiden van de woning. Daarbij is het van belang om te vermelden dat de feitelijke verblijfsruimten in de woning zich op grotere afstand van de bedrijfsgebouwen bevinden dan figuur 3 doet vermoeden. Zie figuur 4 voor een tekening met de indeling van de woning, inclusief privé zwembad. Daaruit wordt duidelijk dat feitelijk sprake is van enige afstand tussen bedrijfsgebouwen en verblijfsruimten in de woning. Die afstand bedraagt circa 27 meter. Ten opzichte van de parkeerplaatsen aan de zijde van de Navisweg is ook sprake van een afstand van circa 27 meter tot aan de verblijfsruimten in de woning.
 
 
 
 
 
2.2 Toekomstige situatie
In de toekomstige situatie is voorzien in een wijziging van de functie van de bedrijfswoning op nummer 25a naar een zelfstandige woonbestemming. Deze woning wordt planologisch afgesplitst van het bedrijventerrein op nummer 23. De bestaande ontsluiting van de woning via de Gendringseweg blijft ongewijzigd.
Voor het bedrijfsperceel wordt de bestemming ‘Bedrijf’ gehandhaafd, maar worden de planologische mogelijkheden aangepast: uitsluitend bedrijven tot en met milieucategorie 2 zijn nog toegestaan. De vestiging van een koel- en vrieshuis wordt expliciet uitgesloten.
De bestaande bebouwing blijft in stand; er is geen sprake van uitbreiding of sloop. De fysieke situatie op het erf verandert daarmee niet, maar de planologische scheiding tussen wonen en bedrijvigheid wordt juridisch vastgelegd. 
Hoofdstuk 3 Beleid
 
3.1 Rijksbeleid
 
3.1.1. Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als structuurvisie. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft de landelijke overheid richting aan de grote opgaven, zoals het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050:
Een klimaatbestendige delta, waarbij Nederland beschermd is tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering, waterveiligheid (ook voor de laaggelegen gebieden in het westen) gegarandeerd is en voldoende zoetwater beschikbaar is van goede kwaliteit;
Duurzaam, concurrerend en circulair: een toekomstbestendige en volledig circulaire economie zonder vervuilende manieren van produceren en consumeren, met een uitstekend vestigingsklimaat en een hoge quality of life, met een zo goed mogelijke inpassing van duurzame energie in onze leefomgeving en slimme combinaties van functies zonder de risico's en milieunadelen te vergroten. Een economie die veel maatschappelijke winst oplevert in termen van banen, innovatie en nieuwe bedrijvigheid en exportmogelijkheden;
Kwaliteit van leven in stad en dorp: met een aantrekkelijke woon- en leefomgeving en een goede verbondenheid van stad en land. De ontwikkelingen zijn gericht op kwaliteit, met gecontroleerde en doordachte groei waar dat nodig is, waardoor diversiteit in wonen, een stedelijk netwerk, prettige woonmilieus, met rust en ruimte maar ook vitale en leefbare regio's ontstaan.
Nabijheid en betrouwbare verbindingen: een uitstekende bereikbaarheid wordt met een goede en betrouwbare infrastructuur gegarandeerd, waarbij wordt ingespeeld op locatiekeuzes voor wonen en werken (nabijheid). De infrastructuur is onderdeel van een mobiliteitssysteem dat een meer divers patroon van mobiliteit veilig, robuust en duurzaam afhandelt. Luchthavens blijven belangrijk voor een sterk internationaal netwerk voor de lange afstanden. De uitdaging is om het vliegverkeer net als het goederenvervoer op een zo veilige, efficiënte en duurzame manier vorm te geven.
Veilig en gezond, herkenbaar en natuurlijk: een veilig en gezond leven voor iedereen staat voorop. De leefomgeving nodigt uit om te bewegen, elkaar te ontmoeten en te ontspannen. Daarbij horen een goede milieukwaliteit, robuuste natuur, klimaatbestendigheid en voor iedereen goede toegang tot wonen, werken en voorzieningen.
Het realiseren van een fysieke leefomgeving die dit toekomstperspectief mogelijk maakt, is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle overheden. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten. Deze prioriteiten vormen complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Deze prioriteiten zijn:
Naar een ruimte voor klimaat adaptatie en energietransitie;
Naar een duurzaam economisch groeipotentieel;
Naar sterke en gezonde steden en regio's;
Naar een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied;
 
Deze vier opgaven kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht wanneer er aandacht is voor thema's die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit.
 
Beoordeling initiatief
De NOVI gaat niet concreet in op relatief kleinschalige lokale ontwikkelingen zoals de voorgenomen wijziging die nu voor ligt. In het NOVI zijn geen belemmeringen benoemd ten aanzien van de voorgenomen planontwikkeling. In algemene zin draagt het project bij aan de kwaliteit van de leefbaarheid in het gemengd gebied. Door het uitsluiten van zwaardere bedrijvigheid wordt de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid ter plaatse geborgd.
 
3.1.2 Omgevingswet
 
3.1.2 Omgevingswet
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s):
  1. het Omgevingsbesluit (Ob);
  2. het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
  3. het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
  4. het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
 
In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.
 
Voor de volgende onderwerpen gelden er rijksinstructieregels:
  • De dienstenrichtlijn (art. 5.1a Bkl);
  • Waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl);
  • Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl);
  • Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl);
  • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl);
  • Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (§ 5.1.6 Bkl);
  • Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (§ 5.1.7 Bkl);
  • Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (§ 5.1.8 Bkl).
 
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
  
Beoordeling initiatief
Het voorliggende initiatief is getoetst aan de relevante rijksinstructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), voor zover van toepassing op deze ontwikkeling. Het betreft hier een planologische splitsing van een bedrijfswoning en het beperken van de toegestane milieucategorie van een bestaand bedrijf. Deze ontwikkeling raakt geen rijksbelangen op het gebied van infrastructuur, veiligheid, gezondheid, water, natuur of cultureel erfgoed.
 
Daarom is het niet nodig om aanvullend specifieke instructieregels uit te werken in het omgevingsplan. Er wordt voldaan aan de uitgangspunten van de Omgevingswet. Uit de beoordeling van de omgevingsaspecten in hoofdstuk 4 blijkt dat het initiatief uitvoerbaar is en geen belemmeringen oplevert. Het initiatief past daarmee binnen de doelstellingen, het beleid en de regels van het Rijk.
 
3.1.3. Ladder voor duurzame verstedelijking
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.
 
Beoordeling initiatief
In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak over de Ladder (ABRvS201501297/1/R4). De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. In beginsel is een plan met meer dan 11 woningen een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voor wonen is dus de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Bij dit initiatief worden geen woningen toegevoegd zodat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
 
De Ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing op deze ontwikkeling. Het initiatief is dan ook in overeenstemming met de instructieregels uit het Bkl.
 
3.1.4 Nationale Woon- en Bouwagenda
In de Nationale Woon- en Bouwagenda worden de oorzaken van de wooncrisis, de doelstellingen en de programmatische aanpak voor de komende jaren geschetst. Het doel van de Nationale Woon- en Bouwagenda is het bevorderen van de beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van het woningaanbod in Nederland.
 
De agenda kent drie kerndoelen:
  • Beschikbaarheid: voldoende woningen voor iedereen. De bouw van 900.000 woningen tot en met 2030, met als streven twee derde betaalbaar.
  • Betaalbaarheid: woonlasten sluiten beter aan bij het inkomen. Het aantal huishoudens dat te hoge woonlasten draagt ten opzichte van het inkomen neemt af.
  • Kwaliteit: voldoende woningen voor aandachtsgroepen en ouderen, perspectief voor kwetsbare wijken en duurzame huisvesting bereikbaar voor iedereen.
 
Met de zes onderliggende programma’s van de Nationale Woon- en Bouwagenda wordt invulling gegeven aan het realiseren van de doelstellingen.
 
Beoordeling initiatief
Het initiatief heeft betrekking op het planologisch afsplitsen van een bestaande bedrijfswoning van een bestaand bedrijventerrein. Er worden geen nieuwe woningen toegevoegd en er is geen sprake van uitbreiding van het woningaanbod. Omdat de woning reeds aanwezig en in gebruik is, draagt het initiatief niet bij aan een kwantitatieve toevoeging binnen de woningvoorraad. Er worden geen woningen toegevoegd waardoor een toets aan de woonagenda niet nodig is.
 
3.2 Provinciaal beleid
De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is op 19 december 2018 door Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en in werking getreden op 1 maart 2019. De visie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving in Gelderland.
 
De provincie streeft naar een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit wil de provincie bereiken door de focus te leggen op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Hiervoor zijn zeven ambities benoemd om richting te geven:
  • Energietransitie;
  • Klimaatadaptatie;
  • Circulaire economie;
  • Biodiversiteit;
  • Bereikbaarheid;
  • Vestigingsklimaat;
  • Woon- en leefklimaat.
 
Themakaarten
Bij de visie is een aantal themakaarten aanwezig. Deze hebben betrekking op de volgende hoofdonderwerpen:
  • ruimtelijk beleid;
  • waterbeleid;
  • milieubeleid;
  • natuur- en landschapsbeleid.
 
Daarmee is voor een aantal onderwerpen specifiek beleid vastgelegd.
 
Uitvoering beleid
In het kader van de uitvoering van de visie, zijn ook drie beleidsdocumenten vastgesteld:
  • Regionaal waterprogramma;
  • Handreiking plussenbeleid;
  • Beleidslijn windenergie.
 
Beoordeling initiatief
Het initiatief betreft het planologisch afsplitsen van een bestaande bedrijfswoning en het beperken van de milieuruimte van een bestaand bedrijf. Er worden geen nieuwe functies toegevoegd die leiden tot ruimtelijke uitbreiding of intensivering. Daarmee sluit het initiatief aan bij de uitgangspunten van zorgvuldig ruimtegebruik en het behouden van een gezond en veilig leefklimaat.
 
Voor wat betreft de relevante themakaarten kan het volgende worden opgemerkt:
  • ruimtelijk beleid: geen specifieke aandachtspunten;
  • milieubeleid: de planlocatie is niet gelegen in een stiltegebied of een ander gebied waar beperkingen gelden vanuit het oogpunt van milieu;
  • waterbeleid: de planlocatie is niet gelegen binnen provinciale beschermingszones ter bescherming van grondwater, oppervlaktewater of natte landnatuur;
  • natuur- en landschapsbeleid: de planlocatie is niet gelegen binnen een ecologische verbindingszone, Gelders Natuur Netwerk, Groene Ontwikkelingszone, Natura 2000-gebied, rustgebied voor ganzen, weidevogelgebied of zoekgebied voor nieuwe natuur.
 
De drie in het kader van de uitvoering van de omgevingsvisie vastgestelde beleidsdocumenten zijn niet van directe betekenis voor dit initiatief. Het aspect water komt aan de orde in paragraaf 4.9.
 
3.2.3 Omgevingsverordening provincie Gelderland
De Omgevingsverordening is op 21 december 2022 door de Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en is in werking getreden na invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024 In de verordening staan alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. De verordening is onderdeel van de beleidscyclus van de provincie en één van de instrumenten waarmee wordt gewerkt aan de ambities uit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Die beleidscyclus en daarmee ook de verordening is gericht op zowel het beschermen als het (duurzaam) benutten van de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Telkens wordt er gelet op een goede balans tussen het beschermen en borgen van belangen en het mogelijk maken van ontwikkelingen in een bepaald gebied binnen de provincie. Daarbij worden ook belangrijke waarden als het Gelders Natuurnetwerk en grondwaterbeschermingsgebieden voor de openbare drinkwatervoorziening beschermd.
 
Voor de volgende onderwerpen gelden er provinciale instructieregels:
  • Algemeen (afd. 5.1 Omgevingsverordening);
  • Natuur (afd. 5.2 Omgevingsverordening);
  • Landschap (afd. 5.3 Omgevingsverordening);
  • Erfgoed (afd. 5.4 Omgevingsverordening);
  • Milieu (afd. 5.5 Omgevingsverordening);
  • Provinciale wegen (afd. 5.6 Omgevingsverordening);
  • Ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden en regionale samenwerking (afd. 5.7 Omgevingsverordening).
 
Beoordeling initiatief
De provinciale instructieregels voor natuur, erfgoed, milieu en provinciale wegen zijn niet relevant voor deze ontwikkeling. Er is geen sprake van fysieke uitbreiding, aanleg van infrastructuur of wijziging van gebruik met een potentieel ruimtelijk-ecologische impact. De beoogde functiewijziging vindt plaats binnen bestaand bebouwd gebied en betreft een planologische splitsing van een bedrijfswoning en een beperking van de milieuruimte van het bestaande bedrijf. Verder geldt vanwege de ligging van de planlocatie in de Achterhoek een specifieke instructieregel voor landschap. Bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling moet namelijk rekening worden gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. Aangezien er geen sprake is van fysieke ingrepen in het landschap, en de functie van het erf grotendeels ongewijzigd blijft, is dit initiatief in overeenstemming met de kernkwaliteiten en ontwikkelrichting van het gebied.
 
De planlocatie ligt niet in een gebied met specifiek beschermde waarden waarvoor op grond van de omgevingsverordening regels zijn gesteld, zoals Gelders Natuur Netwerk, Groene Ontwikkelingszone, waterwingebied of drinkwaterreserveringsgebied. Wel is de locatie gelegen binnen de Molenbiotoop. Omdat er feitelijk echter geen ingrepen aan de bebouwing worden uitgevoerd, wordt hier verder niet op ingegaan. Het initiatief heeft geen gevolgen voor de windvang van de molen.
 
Daarnaast schrijft de Omgevingsverordening voor dat bij wijzigingen van het omgevingsplan aandacht moet worden besteed aan klimaatadaptatie. Er is geen toename van verharding of intensiever ruimtegebruik voorzien. Daarmee zijn er geen aanvullende klimaatmaatregelen nodig.
 
3.3 Regionaal beleid
 
3.3.1 Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012
De regionale structuurvisie is een actualisatie van de regionale structuurvisie uit 2004. Er is gekozen voor een actualisatie, omdat er zich een aantal relevante en ingrijpende economische en maatschappelijke ontwikkelingen hebben voorgedaan, zoals:
energietransitie en het inspelen op de gevolgen van de klimaatveranderingen;
bevolkingsverandering, krimp, vergrijzing en ontgroening en
de veranderingen in de landbouw en het landelijk gebied.
 
De visie gaat ervan uit dat deze ontwikkelingen gevolgen kunnen hebben voor de manier waarop er nu gewoond, geleefd en gewerkt wordt in de regio Achterhoek. Ze hebben invloed op de wijze waarop geld verdiend wordt in de regio. Wijzigingen hierin kunnen ruimtelijke consequenties hebben. De geactualiseerde visie wil richting geven aan het regionaal ruimtelijk beleid om de transitieopgaven op juiste wijze te kunnen faciliteren. Dit door belangrijke ruimtelijke thema's te agenderen en hierop afstemming tussen gemeenten te zoeken. Het doel hiervan is om ook in de toekomst te kunnen spreken van een vitale, regionale economie en een zeer prettige omgeving om in te wonen en te recreëren.
 
De visie gaat uit van waardeontwikkeling door het toevoegen van kwaliteit als motor achter ruimtelijke ontwikkelingen. Flexibiliteit is nodig om het kwalitatieve aanbod en vraag goed op elkaar af te kunnen stemmen. De ruimtelijke visie richt zich niet op een ruimtelijk eindbeeld, maar streeft juist flexibiliteit na. Het leidende principe is een omslag 'van sturen naar begeleiden'. Dit om kansen te pakken en tegelijkertijd te werken aan behoud en versterking van ruimtelijke kwaliteit. Met de visie wordt regionale afstemming beoogd in de keuzes in de ruimtelijke ontwikkeling op lokaal niveau. Dit door het benoemen van ruimtelijke speerpunten.
Als regionale speerpunten worden genoemd: bevolkingsdaling, transitie van het platteland en duurzaamheid/energietransitie.
 
Beoordeling initiatief
Het voorliggende initiatief sluit aan bij de uitgangspunten van de Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012, waarin wordt ingezet op het behoud van ruimtelijke kwaliteit, flexibiliteit in functie toedeling en een zorgvuldige afstemming tussen wonen en werken. Door het planologisch afsplitsen van de bestaande bedrijfswoning en het beperken van de milieucategorie van het bedrijf tot categorie 2, wordt een duidelijke functieverdeling gecreëerd die het woon- en leefklimaat versterkt.
 
Er worden geen nieuwe woningen toegevoegd, maar de bestaande woning krijgt een zelfstandige woonbestemming. Tegelijkertijd wordt zwaardere bedrijvigheid uitgesloten, wat de ruimtelijke balans in dit gemengd gebied ten goede komt. Het initiatief draagt daarmee bij aan de kwaliteit en leefbaarheid van de omgeving.
 
3.3.2 Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030
De regionale woonagenda 2023-2030 is geldend vanaf 4 maart 2023 en tot stand gekomen op basis van brede bevraging van stakeholders en is door het bureau Ruimtevolk opgesteld in een nauw overleg met een ruime vertegenwoordiging uit de Thematafel Wonen en Vastgoed(accounthouders) en uit het Ambtelijke overleg wonen regio Achterhoek. Daarnaast is de voortgang en de vaststelling van de woonagenda voortdurend en integraal besproken aan de Thematafel Wonen en Vastgoed. Na vaststelling door de zeven gemeenteraden vormt dit document het kader voor de uitvoering en dient het tevens als uitgangspunt voor de vraag aan de samenleving om ideeën en plannen.
 
In de woonagenda is de woningbehoefte in beeld gebracht op basis van drie belangrijke factoren. Dat zijn de grotere en gewijzigde woonbehoeftes uit de regio zelf, de behoefte aan aanvullende arbeidskrachten en de toenemende trek naar de Achterhoek vanuit andere delen van het land. De woonagenda is gericht op de huisvesting van alle doelgroepen. Daartoe behoren starters op de woningmarkt, ouderen en inwoners behorend tot de bijzondere aandachtsgroepen. Dit vraagt om een passend aanbod aan woningen, waarvan een aanzienlijk deel betaalbaar moet zijn zowel in de koop als in de huur. Naast kwaliteitsaspecten als duurzaam en toekomstbestendig bouwen, geeft de agenda aandacht aan de belangrijke aspecten die spelen in de fysieke leefomgeving zoals een goede leefbare woonomgeving, bereikbaarheid en voorzieningen maar ook klimaatadaptie en een goede ruimtelijke inpassing. De Regionale Woonagenda 2023-2030 anticipeert op de groeiende behoefte aan woningen en het versnellen van de woningbouw en biedt een nieuw kader voor woningbouwplannen.
 
Beoordeling initiatief
De Regionale Woonagenda 2023-2030 is gericht op het vergroten van het woningaanbod voor verschillende doelgroepen en het realiseren van een kwalitatief goede leefomgeving. In dit initiatief wordt geen nieuwe woning toegevoegd, maar een bestaande bedrijfswoning planologisch afgesplitst en bestemd als zelfstandige woning. Waardoor er niet getoetst hoeft te worden aan de Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030.
 
3.3.3 Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek
De Thematafel Wonen en Vastgoed van de regio Achterhoek heeft op 20 juni 2019 een regionaal kader afgestemd en omarmd over de toe te voegen woningbouw in de Achterhoek. Het beleidsdocument “Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek” beschrijft dit regionale kader en is vastgesteld op 26 september 2019 door de gemeenteraad. Naast het regionale kader beschrijft het beleidsdocument de te hanteren werkwijze en het monitoren van nieuwe woningbouwinitiatieven. Het vervangt een deel van hoofdstuk 5 van de Regionale Woonagenda Achterhoek 2015-2025 die in 2015 is vastgesteld.
 
Aanleiding van de ‘Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek’ is het Achterhoeks Woonwensen- en Leefbaarheidsonderzoek 2017 (AWLO), dat laat zien dat er kwalitatieve tekorten en overschotten zijn tussen vraag en aanbod van woningen (mismatch) in de regio Achterhoek.
De groei van het aantal huishoudens in de regio houdt langer aan dan eerder voorzien en dat betekent dat er extra woningen moeten komen boven op het aantal dat in afspraken is vastgelegd in de Regionale Woonagenda Achterhoek 2015-2025. De ‘Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek’ geeft ruimte aan de bouw van extra woningen, maar met prioriteit voor woningen waar behoefte aan is en waarvan een duidelijk tekort in de markt te zien valt. De behoefte bestaat voornamelijk uit woningen voor starters en senioren.
 
Er worden drie kwaliteitscriteria benoemd waaraan woningbouwinitiatieven moeten voldoen:
  • Behoefte is aangetoond: per cluster/kern wordt bepaald welke woningtypes en prijssegmenten nodig zijn.
  • Voorrang voor transformatie van leegstand vastgoed: bouwen op locaties met leegstaand vastgoed gaat voor bouwen op andere locaties binnen de het buitengebied kan het gaan om vrijkomende agrarische bebouwing.
  • Inbreiding gaat voor uitbreiding: op uitleglocaties wordt in principe niet gebouwd. De Ladder voor Duurzame Verstedelijking wordt hier gevolgd.
 
Verder is in het beleidsdocument een 4e (niet kwalitatief) criterium opgenomen, namelijk de realisatietermijn van goedgekeurde plannen om zo actiever te sturen op veranderende marktomstandigheden. Daarnaast wordt het effect van dit beleid in beeld gebracht met een monitor die zowel de kwalitatieve als kwantitatieve effecten laat zien.
 
Beoordeling initiatief
Het initiatief betreft geen toevoeging van nieuwe woningen, maar een planologische afsplitsing van een bestaande bedrijfswoning en een functiewijziging binnen bestaand gebruik. Een toets aan de kwalitatieve eisen voor woningbouw in de Achterhoek is daarom niet nodig.
 
3.4 Gemeentelijk beleid
 
3.4.1 Woonvisie 2021-2026
De woonvisie van de gemeente Aalten voor de periode 2021-2026 is op 23 februari 2021 door de gemeenteraad vastgesteld.
De woonvisie kent de volgende thema’s:
  1. Flexibel invulling geven aan de woningvraag
  2. Op weg naar een duurzame woon- en leefomgeving
  3. Voldoende betaalbare woningen
  4. Aandacht voor wonen met zorg
  5. Leefbare en vitale dorpen
 
Beoordeling initiatief
Door deze ontwikkeling worden er geen woningen toegevoegd aan de woningvoorraad van de gemeente Aalten. Het initiatief voorziet in de planologische afsplitsing van een bestaande bedrijfswoning, zonder toevoeging van nieuwe woningen aan de woningvoorraad van de gemeente Aalten. De fysieke situatie op het perceel blijft ongewijzigd. Een toets aan de woonvisie is daarom niet nodig.
 
3.4.2 Woningbouwstrategie gemeente Aalten 2021 - 2031
De woningbouwstrategie van de gemeente Aalten voor de periode 2021 – 2031 is op 30 november 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. Het biedt inzicht in de woningbouwopgave voor de komende jaren en concrete handvatten.
 
Flexibel inspelen op de woningvraag is een van de vijf programma's uit de vastgestelde woonvisie voor de gemeente Aalten 2021-2026. De strategie geeft een uitwerking hiervan en biedt een kader waarbinnen de gemeente Aalten invulling wil geven aan de woningbouwopgave voor de komende jaren.
 
Beoordeling initiatief
Door deze ontwikkeling worden er geen woningen toegevoegd aan de woningvoorraad van de gemeente Aalten. Het initiatief voorziet in de planologische afsplitsing van een bestaande bedrijfswoning, zonder toevoeging van nieuwe woningen aan de woningvoorraad van de gemeente Aalten. De fysieke situatie op het perceel blijft ongewijzigd. Een toets aan bovengenoemd beleid is daarom niet nodig.
 
3.4.3 Uitnodigingskader woningbouw gemeente Aalten
Het uitnodigingskader woningbouw vervangt het afwegingskader woningbouw dat op 27 november 2019 door de raad van de gemeente Aalten is vastgesteld en gewijzigd is op 23 februari 2021. Aanleiding van het afwegingskader woningbouw destijds waren de regionale kwalitatieve toetsingscriteria woningbouw. Deze zijn in 2019 als addendum bij de toen geldende regionale woonagenda (2015-2025) vastgesteld. Inmiddels is de nieuwe regionale woonagenda 2023-2030) in het voorjaar van 2023 vastgesteld. Met deze nieuwe regionale woonagenda zijn de eerdere regionale toetsingscriteria komen te vervallen en vervangen door een nieuw volkshuisvestelijk kader. Daarnaast de is het afwegingskader woningbouw geëvalueerd en zijn de opgave op de woningmarkt, mede door sturing vanuit het ministerie van BZK via de woondeal, gewijzigd.
 
Voor het toetsen van plannen voor toevoeging van woningen in de kernen is het uitnodigingskader woningbouw opgesteld. Voor woningbouw in het buitengebied geldt het afwegingskader buitengebied. Het Uitnodigingskader woningbouw geeft aan onder welke voorwaarden er ruimte is voor extra woningen in de gemeente Aalten. Levensloopgeschikte, betaalbare woningen voor starters en ouderen in de kernen Aalten, Dinxperlo en Bredevoort hebben voorrang. Er is beperkt ruimte voor extra woningen in de kleine kernen, onder de voorwaarde dat er serieuze belangstelling is vanuit de dorpen.
 
Beoordeling initiatief
Het initiatief maakt geen nieuwe woningen mogelijk. Er is daarom niet getoetst aan het uitnodigingskader woningbouw van de gemeente Aalten.
 
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten
 
4.1 Bodem
Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem.
 
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
 
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang:
  • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.
 
Beoordeling initiatief
In het kader van de planologische wijziging is geen functiewijziging voorzien met een zwaardere gebruiksbelasting van de bodem. Er vindt geen fysieke uitbreiding van bebouwing plaats en de gebruiksfunctie van de gronden blijft beperkt tot bedrijvigheid (max. milieucategorie 2) en wonen. De bedrijfswoning is reeds gerealiseerd en in gebruik. Er zijn geen aanwijzingen dat op de locatie sprake is van bodemverontreiniging die de voorgenomen functie toedeling belemmert.
 
Conclusie
Gezien de aard van het initiatief (functies blijven feitelijk ongewijzigd) en het ontbreken van grootschalige grondroering of bouwwerkzaamheden, wordt het aspect bodem als niet-belemmerend beschouwd. De beoogde ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met de doelstellingen van het bodembeleid onder de Omgevingswet. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan.
 
4.2 Archeologie en cultuurhistorie
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:
  • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • Verplaatsing van beschermde monumenten;
  • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
  • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
 
Door de gemeenten Winterswijk, Aalten en Oost Gelre is gezamenlijk de erfgoednota opgesteld. Het beleven van erfgoed is een van de ambities in deze nota om daarmee het (economisch) rendement te vergroten. Het doel van de nota is het vaststellen van ambities voor de ontwikkeling en instandhouding van het erfgoed, zodat dit:
  • op een goede wijze kan worden doorgegeven aan de volgende generatie;
  • een inspiratiebron en motor kan zijn voor nieuwe ontwikkelingen;
  • een verbinding vormt tussen diverse beleidsterreinen, organisaties en de drie gemeenten;
  • de identiteit onderstreept en versterkt.
 
De erfgoednota maakt momenteel onderdeel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moeten worden getoetst op het voorkomen van archeologische waarden en/ of monumenten binnen het plangebied. Tevens moet worden bepaald of deze eventueel aanwezige waarden worden geschaad door de gewenste ontwikkeling binnen het plangebied.
 
Beoordeling initiatief
De planlocatie ligt binnen een gebied met een hoge archeologische verwachting, zoals vastgelegd in de door de gemeenteraad vastgestelde archeologische waarden- en maatregelenkaart van de gemeente Aalten. Volgens het gemeentelijk beleid geldt in deze categorie dat archeologisch vooronderzoek verplicht is bij ingrepen dieper dan 40 cm onder maaiveld én met een omvang groter dan 500 m².
Het initiatief betreft een planologische functiewijziging van een bestaande bedrijfswoning, zonder uitbreiding van bebouwing of grootschalige bodemingrepen. Er zijn geen werkzaamheden voorzien die deze onderzoeks drempels overschrijden. Daarmee is archeologisch onderzoek op dit moment niet noodzakelijk.
    
Molenbeschermingszone
De planlocatie ligt binnen de molenbeschermingszone van een beschermde molen in de gemeente Aalten. Binnen deze zone gelden beperkingen op het gebied van bouwhoogte en visuele obstakels, om de windvang en landschappelijke waarde van de molen te waarborgen.
Voorliggend plan betreft uitsluitend een functiewijziging van bestaande bebouwing. Er worden geen nieuwe bouwwerken mogelijk gemaakt en er vindt geen wijziging plaats in de massa, hoogte of situering van bestaande gebouwen. Daarmee is de werking van de molenbiotoop niet in het geding.
 
Concluderend
Er is geen onderzoek nodig naar archeologie en cultuurhistorie. Er worden geen archeologische of cultuurhistorische waarden aangetast met de realisatie van dit plan. Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan. Het aspect molenbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan.
 
4.3 Natuur
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die voorheen waren opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden en Natuur Netwerk Nederland (NNN), regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven).
 
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
 
4.3.1 Gebiedsbescherming Natura 2000
Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moet worden bepaald of of een project of plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Voor plannen dient middels een voortoets, eventueel gevolgd door een passende beoordeling, getoetst te worden of het plan mogelijk significant negatieve effecten kan hebben op gevoelige habitattypen die gelegen zijn binnen omliggende Natura 2000-gebieden.
 
Beoordeling initiatief
De planlocatie is gelegen op een afstand van ruim 10 km van het meest nabijgelegen Nederlandse Natura 2000-gebied Korenburgerveen, zie figuur 7. Vanwege de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen de locatie en Natura 2000-gebieden, kunnen negatieve effecten bij voorbaat worden uitgesloten. De ontwikkeling leidt dus niet tot nadelige gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden. Ook leidt de ontwikkeling niet tot vergunningplicht voor de Natura 2000-activiteit.
 
  
Concluderend
Het aspect gebiedsbescherming Natura 2000 vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan.
 
4.3.2. Gebiedsbescherming Gelders Natuurnetwerk/Groene ontwikkelingszone
Gelderland heeft veel natuurgebieden. Samen vormen zij het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De Groene ontwikkelingszone (GO) is het gebied dat tussen en rondom natuurgebieden ligt. Hierin liggen onder andere de ecologische verbindingszones, de verbindende schakels tussen de natuurgebieden. De begrenzing en de regels ter bescherming van het GNN en de Groene ontwikkelingszone zijn opgenomen in de Omgevingsverordening provincie Gelderland.
 
Beoordeling initiatief
De planlocatie is niet gelegen binnen of nabij de begrenzingen van het GNN of de GO, waardoor negatieve effecten hierop zijn uit te sluiten, zie figuur 8. Er is buiten deze zones namelijk geen sprake van externe werking, zoals voor Natura 2000-gebieden wel het geval is.
 
 
Concluderend
Het aspect provinciale gebiedsbescherming (GNN/GO) vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan.
 
4.3.3 Soortenbescherming
In de Omgevingswet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden.
 
Beoordeling initiatief
Het initiatief betreft een planologische wijziging waarbij de bestaande bedrijfswoning op nummer 25a wordt afgesplitst van het bedrijf op nummer 23 en de milieucategorie van het bedrijf wordt beperkt. Er worden geen nieuwe gebouwen gerealiseerd en er zijn geen ingrijpende werkzaamheden aan het terrein voorzien.
Omdat het om een reeds bestaand en grotendeels verhard erf gaat, en er geen sprake is van kap, grootschalige sloop of bodemverstoring, is de kans op aantasting van beschermde soorten of vaste rust- en voortplantingsplaatsen zeer beperkt. De bestaande situatie blijft in fysieke zin behouden, waardoor het effect op aanwezige flora en fauna verwaarloosbaar is.
 
Op grond van de Omgevingswet blijft de algemene zorgplicht van toepassing. Dit betekent dat bij eventuele werkzaamheden (zoals toekomstig onderhoud, terreinbeheer of kleinschalige sloop) zorgvuldig moet worden omgegaan met aanwezige natuurwaarden. Indien bij uitvoering werkzaamheden alsnog beschermde soorten worden aangetroffen, moeten passende maatregelen worden getroffen om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen.
 
Concluderend
Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan. Bij eventuele toekomstige werkzaamheden dient de geldende zorgplicht in acht te worden genomen. Een aanvullend ecologisch onderzoek is op dit moment niet noodzakelijk.
 
4.4 Geluid
Een planlocatie kan bij een geluidsbron zijn gelegen, zoals een drukke weg, spoorweg, industrie of een windturbine. Bekeken moet worden of het plan geen hinder voor de omgeving vormt, en of de omgeving geen hinder vormt voor het plan. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen geluid van activiteiten en geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen (aandachtsgebieden).
 
Geluid van activiteiten
In paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl staan instructieregels over het geluid van activiteiten (bijv. windturbines) op de gevels van geluidgevoelige gebouwen. Op grond van deze instructieregels moet er in het omgevingsplan worden zorggedragen voor een aanvaardbaar geluidsbelasting. Er is in ieder geval sprake van een aanvaardbare geluidsbelasting indien de standaard- en grenswaarden van artikel 5.65 van het Bkl worden opgenomen in het omgevingsplan. Tot het moment waarop de gemeente Aalten een permanent omgevingsplan heeft, gelden in de gemeente Aalten de regels van paragraaf 22.3.4 van het tijdelijk omgevingsplan gemeente Aalten.
 
Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen
In paragraaf 5.1.4.2a Bkl staan instructieregels over het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen. In paragraaf 5.1.4.2a.4 Bkl staan instructieregels voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden. Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). Op grond van artikel 5.78s Bkl moet de geluidsbelasting van een weg op een geluidgevoelig gebouw in een geluidsaandachtgebied aanvaardbaar zijn. De geluidsbelasting is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals deze zijn opgenomen in artikel 5.78t Bkl.
 
Beoordeling initiatief
 
Geluid van activiteiten
De planlocatie ligt in een gemengd gebied met bestaande woonfuncties en bedrijfsactiviteiten. De woning op nummer 25a is reeds aanwezig en in gebruik. Er worden geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen opgericht. De planologische wijziging betreft een afsplitsing van de bedrijfswoning en een beperking van de milieucategorie van het bedrijf tot maximaal categorie 2, waarmee intensieve geluidsproducerende activiteiten worden uitgesloten (zoals een koel- en vrieshuis). Omliggende bedrijven worden daarom niet verder in de mogelijkheden geschaad dan momenteel al het geval zou zijn. Hiermee staat ook vast dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter hoogte van de bestaande woning.
 
Railverkeerslawaai
In de directe omgeving van de planlocatie is geen spoorweg aanwezig. De locatie ligt buiten het geluidaandachtsgebied van spoorlijnen zoals bedoeld in artikel 3.20 Bkl.
 
Verkeerslawaai
De planlocatie bevindt zich binnen een geluidaandachtsgebied. De locatie ligt aan de Gendringseweg en nabij de Navisweg, beide wegen zijn van lokale betekenis. Omdat er geen nieuwe woningen worden toegevoegd en de bestaande woning al beschermd is binnen het omgevingsplan, is geen verdere toetsing aan verkeerslawaai noodzakelijk. De situatie blijft ongewijzigd.
 
  
Industrielawaai
Er is geen sprake van een gezoneerd industrieterrein in de omgeving van de planlocatie. Daarmee ligt de locatie buiten een geluidaandachtsgebied voor industrielawaai.
 
Concluderend
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan.
 
4.5 Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden bijvoorbeeld zogeheten omgevingswaarden voor o.a. de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5).
 
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
 
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden;
Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
 
Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden luchtkwaliteit (zoals de gemeente Aalten) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten.
 
Na de onderbouwing moet een conclusie getrokken worden of het aspect luchtkwaliteit een belemmering voor het plan vormt.
 
Beoordeling initiatief
De gemeente Aalten ligt buiten de aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit. Er is immers geen sprake van de aanleg van auto(snel)wegen of tunnelbuistrajecten. Binnen het initiatief aan de Gendringseweg 23 en 25a worden geen nieuwe woningen toegevoegd en vindt geen functiewijziging plaats die leidt tot een toename van verkeer of intensief gebruik van gemotoriseerd vervoer.
Bovendien wordt de milieuruimte van het bedrijf op nummer 23 juist beperkt, doordat uitsluitend bedrijven tot en met milieucategorie 2 worden toegestaan en een koel- en vrieshuis expliciet wordt uitgesloten. Daarmee leidt het initiatief niet tot een feitelijke verslechtering van de luchtkwaliteit, noch tot overschrijding van grenswaarden of een bijdrage in betekenisvolle mate (NIBM).
 
Concluderend
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan.
 
4.6 Geur
De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen optreedt.
 
In hoofdstuk 5 van het Bkl, is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het plangebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente gelaten of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het plangebied aanvaardbaar te laten zijn.
 
Tot het moment waarop deze regels zijn opgenomen in het permanente omgevingsplan van de gemeente Aalten, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van het tijdelijke omgevingsplan gemeente Aalten.
 
Beoordeling initiatief
De planlocatie ligt in een gebied met een gemengd karakter, waar woningen en agrarische bedrijven in elkaars nabijheid voorkomen. In de directe omgeving bevinden zich enkele veehouderijen. Het voorliggende initiatief voorziet echter niet in de toevoeging van een nieuwe woning, maar in de planologische afsplitsing van een bestaande bedrijfswoning en het verlagen van de milieucategorie van het bedrijf tot maximaal categorie 2.
Omdat het gebouw al feitelijk als woning in gebruik is, wordt geen nieuw geurgevoelig object gecreëerd. Volgens de geldende regelgeving blijft voor voormalige bedrijfswoningen de bestaande vaste afstandsnorm van 50 meter tot het emissiepunt van een veehouderij gelden. Op basis van de ligging van de planlocatie kan aan deze afstand worden voldaan.
 
Concluderend
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan.
 
4.7 Milieubelastende activiteiten
Onder de Omgevingswet is het begrip ‘inrichting’ verdwenen en heeft het begrip ‘milieubelastende activiteit’ zijn intrede gedaan. Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (hierna: mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip want er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip.
 
In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld ‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de Nota van Toelichting van het Bkl blijkt dat daarmee mba’s worden bedoeld.
 
Beoordeling initiatief
Met de wijziging van het omgevingsplan wordt de bestaande bedrijfswoning op nummer 25a planologisch afgesplitst en bestemd als zelfstandige burgerwoning. Daarnaast wordt de milieuruimte van het bedrijf op nummer 23 beperkt tot maximaal milieucategorie 2. Er is geen sprake van uitbreiding van bedrijfsactiviteiten of toevoeging van nieuwe functies met relevante milieubelasting.
Voor de woning op nummer 25a geldt, net als elders binnen de gemeente Aalten, dat aan huis verbonden beroepen of bedrijven in beperkte omvang zijn toegestaan. Daarnaast kunnen via een omgevingsvergunning aan huis verbonden bedrijven en bed & breakfast worden mogelijk gemaakt. Het gaat hierbij om milieubelastende activiteiten met een beperkt ruimtebeslag en een beperkte milieubelasting, die in zijn algemeenheid aanvaardbaar zijn te achten binnen een woonomgeving.
 
Voor bepaalde beroepen en bedrijven aan huis zijn regels gesteld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor andere beroepen en bedrijven aan huis zijn in het tijdelijke deel van het omgevingsplan regels van rechtswege opgenomen (de bruidsschat). Die regels blijven gelden naast het voorliggende omgevingsplan voor deze locatie.
 
Conclusie
De milieubelastende activiteiten die op basis van deze functiewijziging kunnen plaatsvinden, hebben een beperkte ruimtelijke en milieukundige impact en zijn juridisch gereguleerd via het Bal en het omgevingsplan van rechtswege. Er is daarom geen sprake van belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan.
 
4.8 Omgevingsveiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (de aandachtsgebieden).
 
De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (de aandachtsgebieden). Het betreft de volgende activiteiten:
  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
 
Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar (Kaarten | Atlas Leefomgeving). In het plan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt in ieder geval aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor een aanvullende onderbouwing en eventueel extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een plan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
 
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:
  • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
 
Beoordeling initiatief
Op de planlocatie worden geen nieuwe kwetsbare objecten (in de vorm van woningen) mogelijk gemaakt. In de omgeving zijn volgens de risicokaart ook geen risicobronnen aanwezig, waarvan de risicocontouren of de aandachtsgebieden over de bestaande woning ligt. Dat betekent dat risicovolle inrichtingen, basisnetroutes en buisleidingen op voldoende afstand van de planlocatie liggen en geen belemmeringen opleveren, zie figuur 10.
 
 
Concluderend
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan.
 
4.9 Water
Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.
 
Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel. In het waterbeheerplan 2022-2027 van Waterschap Rijn en IJssel laat het Waterschap zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten zij in de samenwerking met haar partners willen leggen.
Het waterbeheerprogramma in het kort:
  • Beheren en onderhouden het grondwater en het water in beken, sloten en riviertjes. De zorg voor schoon water en zuiveren rioolwater. Controleren of iedereen zich aan de regels houdt. Gebiedsinrichting zo uitvoeren dat het beter tegen de klimaatverandering kan.
  • Kijken naar omgeving en hoe deze het beste kan worden ingericht. Uitgaande van dat het gebied beter kan tegen te nat maar ook tegen te droog weer. Hulp aanbieden zodat inwoners, bedrijven en andere overheden beter kunnen omgaan met de gevolgen van extreem weer.
  • Zorgen voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Dijken worden zo onderhouden dat er ruimte is voor meer verschillende soorten planten en dieren.
  • In 2025 wekt het Waterschap alle energie die ze gebruiken zelf op. Ze gebruiken en verspillen zo min mogelijk grondstoffen en stoten veel minder broeikasgassen uit. Hiervoor worden sommige werkwijzen aangepast en wordt gebruik gemaakt van steeds meer nieuwe technieken.
  • Zorgen voor schoon water in beken en sloten, voor mensen en voor dieren en planten. Het rioolwater wordt steeds schoner gemaakt. Sommige plekken worden geschikt gemaakt voor bijzondere planten en dieren. De andere wateren mogen in ieder geval niet viezer worden.
 
Weging van het waterbelang
De weging van het waterbelang is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst op de mate waarin zij rekening houden met het beleid om water meer ruimte te geven. Dit sluit aan bij de Omgevingswet, waarin water een integraal onderdeel is van de fysieke leefomgeving en een samenhangende benadering van ruimtelijke ontwikkelingen vereist is. De wet stelt dat waterveiligheid, wateroverlast en waterkwaliteit expliciet moeten worden meegewogen bij de toekenning van functies aan locaties.
Het doel van de weging is om in een vroeg stadium alle relevante partijen, zoals waterschappen, te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. Dit draagt bij aan de participatieverplichting binnen de Omgevingswet, die vroegtijdige betrokkenheid stimuleert en een preventieve aanpak bevordert. Hierdoor kunnen risico’s zoals wateroverlast, droogte en overstromingen tijdig worden ondervangen en wordt een zorgvuldig ruimtegebruik binnen het omgevingsplan gewaarborgd.
Met behulp van de weging van het waterbelang kan eenvoudig worden bepaald welke wateraspecten relevant zijn. Afhankelijk van de impact van het plan op de waterhuishouding, wordt een passende procedure doorlopen:
  • Geen waterschapsbelang: geen wateradvies van het waterschap nodig.
  • Korte procedure: het plan past binnen de uitgangspunten van het waterschap.
  • Normale procedure: er zijn grote of meerdere wateraspecten van belang.
 
Door deze systematische benadering draagt de weging van het waterbelang bij aan de doelstellingen van de Omgevingswet om een duurzame, veilige en klimaatbestendige leefomgeving te realiseren.
 
Beoordeling initiatief
In de weging van het waterbelang komen in Het wateradvies thema’s en vragen aan de orde waaruit een resultaat volgt. Het resultaat van dit project is dat overleg met het waterschap niet nodig is. Er is geen waterschapsbelang.
  
Concluderend
Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan. De uitkomst van Het Wateradvies bevestigt dat er geen waterschapsbelangen worden geraakt, en ook op basis van de klimaatatlas worden geen bijzonderheden of risico’s op het gebied van waterveiligheid, wateroverlast of verdroging verwacht. Verdere afstemming met het waterschap is niet nodig.
 
4.10 Mobiliteit en parkeren
Bij het initiatief dient rekening gehouden te worden met de verkeersgeneratie en het parkeren. Er moet onderbouwd worden of het aantal verkeerstromen niet onaanvaardbaar gaat toenemen en er moet gekeken worden naar voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
 
Beoordeling initiatief
Verkeer
Er worden geen nieuwe woningen toegevoegd. Zowel de verkeerssituatie en verkeersbewegingen wijzigt niet.
 
Parkeren
Er worden geen nieuwe woningen toegevoegd. Daarnaast is er op eigen erf voldoende ruimte aanwezig om in het parkeren op eigen terrein te voorzien.
 
Concluderend
Mobiliteit en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit gewijzigde omgevingsplan.
 
4.11 Kabels en Leidingen
Planologisch relevante kabels en leidingen hebben een beschermingszone waarbinnen in beginsel geen graaf- en bouwwerkzaamheden plaatsvinden.
 
Beoordeling initiatief
Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels of leidingen aanwezig, zoals hoogspanningsverbindingen, hoofdtransportleidingen voor gas, of andere leidingen met een ruimtelijk beschermingsregime. De voorgenomen ontwikkeling heeft bovendien geen fysiek ingrijpende component. Bij eventuele graafwerkzaamheden is een KLIC-melding verplicht. Via deze wettelijk verplichte procedure ontvangen initiatiefnemers tijdig de benodigde informatie over de ligging van ondergrondse kabels en leidingen, zodat risico’s op schade of gevaarlijke situaties worden voorkomen.
 
Concluderend
Eventuele kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit gewijzigde omgevingsplan. 
 
4.12 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan of project met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage of een m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is in dit verband bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven.
 
De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob).
 
Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan:
  • dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of
  • waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is.
 
In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten.
 
Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd.
 
Beoordeling initiatief
De voorgenomen ontwikkeling betreft een planologische herstructurering: het afsplitsen van een bestaande bedrijfswoning en het verlagen van de milieuruimte van een bestaand bedrijf naar maximaal milieucategorie 2. Er worden geen nieuwe woningen gerealiseerd en er is geen fysieke uitbreiding of functiewijziging met substantiële milieueffecten voorzien.Er hoeft geen milieueffectrapportage te worden opgesteld.
 
Concluderend
Het initiatief heeft geen kenmerken of effecten die aanleiding geven tot een milieueffectrapportage. Het plan valt niet onder de m.e.r.-plichtige activiteiten zoals bedoeld in bijlage V van het Omgevingsbesluit en heeft geen nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Een milieueffectrapportage is derhalve niet nodig voor de wijziging van het omgevingsplan.
 
4.13 Gezondheid
Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Dit belangrijke maatschappelijke doel is o.a. doorvertaald naar een aantal instructieregels in het Bkl die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om ter introductie kort te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de wijziging van het omgevingsplan is meegenomen.
 
Beoordeling initiatief
De toetsing aan de wettelijke milieunormen en de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling zijn in de voorgaande paragrafen per relevant omgevingsaspect aan bod gekomen. Ook bij het voldoen aan wettelijke milieunormen kan echter gezondheidsschade optreden. Belangrijk begrip daarbij is het voorzorgsbeginsel dat voortvloeit uit het artikel 2 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De overheid kan op basis hiervan maatregelen treffen als er gegronde redenen zijn om te vrezen dat activiteiten negatieve gevolgen kunnen hebben, zonder dat er (voldoende) wetenschappelijke gegevens beschikbaar zijn.
Bij voorliggend initiatief worden geen significante gezondheidseffecten verwacht. Er is in de directe omgeving geen sprake van zodanig voor de gezondheid nadelige emissies of omstandigheden, dat hierdoor vanuit het voorzorgsbeginsel of anderszins belemmeringen optreden voor de beoogde ontwikkeling.
 
Concluderend
Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit gewijzigde omgevingsplan.
 
4.14 Duurzaamheid
Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen waarbij duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als: ”een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen" (bijlage 1 van de Ow). Toetsing aan het aspect duurzaamheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op dit thema. De gemeente Aalten werkt op programmatische wijze aan haar duurzaamheidsdoelen binnen zes thema’s, waaronder onder meer duurzaam wonen, klimaatadaptatie, biodiversiteit en duurzame energieopwekking. Voor het kalenderjaar 2025 zijn hiervoor concrete mijlpalen geformuleerd, zoals verduurzaming van gemeentelijk vastgoed, afkoppeling van hemelwater, biodiversiteit maatregelen en uitvoering van buurtplannen in het kader van het Nationaal Isolatie Programma.
 
Beoordeling initiatief
Het voorliggende initiatief betreft het afsplitsen van een bedrijfswoning en het verlagen van de milieucategorie van het bedrijf tot maximaal categorie 2. Er worden géén nieuwe woningen toegevoegd en er is geen sprake van fysieke bouw of sloop die valt onder een gemeentelijk subsidieprogramma of isolatieproject. Ook worden geen extra functies toegevoegd die structurele verduurzamingsmaatregelen vereisen. Het initiatief draagt door functieverandering en beperking van milieubelasting wel in bredere zin bij aan leefomgevingskwaliteit, maar zonder concrete koppeling aan de gemeentelijke duurzaamheids mijlpalen.
 
Concluderend
Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan.
 
  
 
 
Hoofdstuk 5 Juridische planopzet
 
5.1 Algemeen
Het omgevingsplan is opgesteld volgens de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM-IMRO). Deze overgangsregeling maakt het mogelijk om planwijzigingen technisch op te bouwen volgens de systematiek van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, inclusief het gebruik van het IMRO-formaat (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening). Hoewel de website Ruimtelijkeplannen.nl niet langer in gebruik is, blijven de technische standaarden voorlopig toegestaan voor het digitaliseren van wijzigingen van het omgevingsplan.
 
Het omgevingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: motivering, regels, verbeelding, waarbij de planregels en de verbeelding juridisch bindend zijn. De motivering heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. Het geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten, met daarnaast de interpretatie en toepassing van het omgevingsplan. De bijlagen bij de motivering en regels maken onlosmakelijk onderdeel uit van het omgevingsplan.
 
De verbeelding bestaat uit een digitale kaart waarop functies en aanduidingen voor locaties zijn weergegeven.
 
De regels bestaan uit de volgende onderdelen:
  • Hoofdstuk 1: inleidende regels, met de begrippen en wijze van meten en rekenen;
  • Hoofdstuk 2: specifieke regels over functies. De regels bevatten een omschrijving van de functie en regels voor het bouwen, gebruik en waar nodig over milieu;
  • Hoofdstuk 3: algemene regels over functies. Dit zijn de regels die gelden voor alle functies, bijvoorbeeld algemene gebruiksregels, maar ook de aanvraagvereisten voor vergunningen;
  • Hoofdstuk 4: algemene aanduidingsregels, zoals voor de molenbiotoop (‘molenbeschermingszone’), die aanvullende bepalingen bevatten over bouwhoogtes en aanlegregels;
  • Hoofdstuk 5: Regels ter bescherming van specifieke waarden en objecten, zoals archeologische waarden met bijbehorende onderzoeks- en vergunningsverplichtingen;
  • Hoofdstuk 6: Overgangsregels, die bepalen in hoeverre bestaand gebruik en bestaande bouwwerken onder het nieuwe plan mogen worden voortgezet.
  
5.2 Toedelen van functies aan locaties
Hieronder volgt in het kort een beschrijving van de in dit omgevingsplan opgenomen functies.
 
Wonen (artikel 4)
De bestaande woning op Gendringseweg 25a heeft de functie ‘Wonen’ gekregen. De voormalige bedrijfswoning aan de Gendringseweg 25a wordt daarmee planologisch afgesplitst van het bedrijf op nummer 23.
Binnen deze functie zijn ook aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven toegestaan onder voorwaarden, conform de gemeentelijke beleidsruimte voor gemengde gebieden.
Er is geen mogelijkheid tot woningsplitsing of uitbreiding van het aantal woningen opgenomen.
 
Bedrijf (artikel 5)
De gronden ter plaatse van Gendringseweg 23 hebben de functie ‘Bedrijf’. Binnen deze functie is uitsluitend bedrijvigheid toegestaan tot en met milieucategorie 2. Het oprichten van een koel- en vrieshuis is expliciet uitgesloten.
Binnen het bouwvlak zijn bijbehorende bouwwerken, verhardingen en voorzieningen toegestaan, mits passend binnen de vastgestelde milieuzonering. De bestaande bedrijfsmatige functie blijft behouden maar wordt planologisch beperkt tot een aanvaardbaar niveau in een gemengd gebied.
 
Verkeer (artikel 6)
De ontsluitingsroute en verhardingen die benodigd zijn voor de bereikbaarheid van het perceel, inclusief inritten, parkeerruimte en manoeuvreerruimte, zijn opgenomen binnen de functie ‘Verkeer’. Deze functie voorziet in de ruimtelijke borging van infrastructuur ten behoeve van de ontsluiting van zowel de woonfunctie als de bedrijfsfunctie op eigen terrein.
 
5.3 Aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in dit omgevingsplan worden, naast de gegevens als bedoeld in de Regeling omgevingsrecht, in ieder geval de volgende formulieren gebruikt:
  1. bij een aanvraag voor een bouwactiviteit op grond van dit TAM-omgevingsplan: het formulier behorend bij de activiteit ‘Bouwactiviteit (omgevingsplan)’;
  2. bij een aanvraag voor een afwijkingsactiviteit (indien regels van dit omgevingsplan worden overschreden): het formulier behorend bij de activiteit ‘Afwijken van regels in het omgevingsplan’.
 
De aanvraagformulieren zijn beschikbaar via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO), toegankelijk via https://omgevingswet.overheid.nl onder het tabblad Aanvragen.
 
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid van het plan
 
6.1 Economische uitvoerbaarheid
De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op verzoek van initiatiefnemers. De gemeente en de initiatiefnemers hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemers als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking.
 
De economische uitvoerbaarheid van het plan is hiermee voldoende aangetoond.
 
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg met de provincie Gelderland en het Waterschap Rijn en IJssel is niet noodzakelijk geacht, nu er geen sprake is van directe provinciale belangen bij dit plan. Het ontwerp-omgevingsplan wordt wel toegezonden aan zowel het waterschap als aan de provincie.
 
Het ontwerpomgevingsplan wordt conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Hierbij heeft eenieder de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen op het ontwerpplan. Eventuele zienswijzen zullen worden voorzien van een reactie en bij de (al dan niet gewijzigde) vaststelling van het omgevingsplan worden betrokken.
 
Het ontwerpomgevingsplan heeft van 10 december 2025 tot en met 20 janurai 2026 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.
 
Uiteindelijk is het aan de gemeenteraad om het omgevingsplan vast te stellen. Na vaststelling wordt het raadsbesluit bekend gemaakt en ligt het omgevingsplan gedurende 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn hebben belanghebbenden de mogelijkheid om beroep in te dienen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een omgevingsplan treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit is bekendgemaakt, tenzij bij het besluit een later tijdstip is bepaald (Afdeling 16.7. van de Omgevingswet).