| Plan: | TAM-omgevingsplan hoofdstuk22f Buitengebied Kleine Veerweg 4a |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0193.TAMh22f-0004 |
Het plan betreft het transformeren van een gedeelte van het agrarisch perceel aan de Kleine Veerweg 4a naar een perceel waarop een woonbestemming wordt toegekend. Hierdoor kan de bestaande bedrijfswoning bewoond worden door particulieren die geen binding met het agrarisch bedrijf hebben. Het bestaande agrarische bouwvlak ter plaatse wordt opgeheven. Echter, het overige deel van het perceel, inclusief de bestaande agrarische kapschuur, behoudt wel de agrarische functie, om in dienst van het melkrundveebedrijf aan de Kattenwinkelweg 3 te blijven functioneren.
Het geldende omgevingsplan van rechtswege biedt geen mogelijkheid dit plan te realiseren. Zo laat het omgevingsplan ter plekke alleen een agrarische functie met de daarbij behorende bouwmogelijkheden en een bedrijfswoning toe. Om dit plan mogelijk te maken wordt het omgevingsplan gewijzigd.
Aan deze wijziging omgevingsplan is een traject van planvorming en participatie voorafgegaan. Voor het plan is een Nieuwe Ruimtelijke Initiatieven (NRI) traject doorlopen met als resultaat een NRI-advies van 28 mei 2024. Het bij het verzoek aangeleverde inrichtingsplan vormt de basis voor het wijzigen van het omgevingsplan.
Indicatie wijzigingsgebied Kleine Veerweg 4a
Voorliggend document geeft een motivering van de benodigde wijziging van het omgevingsplan. Het geeft een onderbouwing van het besluit. Het motiveert dat met deze wijziging tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt gekomen.
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 van deze motivering beschrijft de huidige staat van het wijzigingsgebied en de omgeving. Ingegaan wordt op de feitelijke situatie en de bestaande planologische rechten. Hoofdstuk 3 geeft het beoogde eindbeeld van de nieuwe inrichting van het wijzigingsgebied. Een integrale onderbouwing op
hoofdlijnen van de ruimtelijke aanvaardbaarheid en inpassing in de bestaande omgeving. Hoofdstuk 4 geeft aan hoe die nieuwe inrichting zich verhoudt tot de gevoerde participatie. In feite vormt dit hoofdstuk het participatieverslag. Hoofdstuk 5 doet hetzelfde, maar dan tot het relevante generieke omgevingsbeleid van rijk, provincie en de gemeente.
De hoofdstukken zes tot en met negen gaan dieper in op de diverse, bij dit besluit relevante onderdelen van de fysieke leefomgeving. Aan de hand van specifieke normen en kaders wordt per onderdeel een nadere onderbouwing gegeven. Ingegaan wordt op de nieuwe functies, de omgevingskwaliteit, veiligheid en gezondheid en natuur. De motivering wordt afgesloten met een hoofdstuk over de uitvoerbaarheid en een hoofdstuk over juridische zaken, waarin onder meer de te wijzigen planregels worden toegelicht.
Om tot een aanvaardbaar plan te kunnen komen is inzicht nodig in de staat van de fysieke leefomgeving ter plaatse van het plangebied en de omgeving. Naast de feitelijke situatie betreft dit ook de aanwezige (planologische) rechten. Dit hoofdstuk beschrijft die bestaande situatie en rechten. Ingegaan wordt onder andere op de ruimtelijke karakteristiek en identiteit, de waarden binnen het gebied en de aanwezige functies.
2.1. Beschrijving plangebied
Het plangebied betreft de locatie aan de Kleine Veerweg 4a te Zwolle en is gelegen ten zuidwesten van Zwolle. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Zwolle, sectie K, nummers 3509 en 3510.
Luchtfoto planlocatie Kleine Veerweg 4a
Ligging planlocatie in omgeving
Verbeelding kadastrale percelen K3509 en K3510
Bestaande bebouwing: (bedrijfs)woning en de kapschuur
Luchtfoto van de planlocatie (bron: Street Smart by cyclomedia)
Kadastraal perceel K3510 fungeert als onderdeel van de melkrundveehouderij aan de Kattenwinkelweg 3. Hier is een kapschuur aanwezig en een oprit in de vorm van halfverharding. De kapschuur wordt gebruikt voor stalling van (agrarische) machines en werktuigen en opslag van hooi en stro voor het agrarisch bedrijf ter plaatse van de Kattenwinkelweg 3.
Op kadastraal perceel K3509 is een bedrijfswoning met aangebouwd bijbehorend bouwwerk aanwezig.
De melkrundveehouderij vindt zijn oorsprong aan de Schellerdijk 6 te Zwolle. Dit bedrijf moest worden verplaatst in het kader van het programma Ruimte voor de Rivier. Het bedrijf zou verhuizen naar Kleine Veerweg 4a. Hiervoor is het bestemmingsplan gewijzigd en is een vergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfswoning, een kapschuur en een melkrundveestal. De rundveestal is nooit gebouwd. Een milieumelding is akkoord bevonden.
Gedurende het traject heeft de eigenaar van het bedrijf besloten een bestaande melkrundveehouderij aan de Kattenwinkelweg 3 te Zwolle te kopen. Op deze locatie runt hij nu een volwaardige melkrundveehouderij. Hij heeft aangegeven dat hij niet meer een volwaardige melkrundveehouderij op wil richten aan de Kleine Veerweg. Om te voorkomen dat de melkrundveestal nog gebouwd kan worden, wordt dit deel van de vergunning ingetrokken.
De reeds gerealiseerde kapschuur wordt gebruikt ten behoeve van de melkrundveehouderij aan de Kattenwinkelweg 3. De bedrijfswoning ter plaatse van de planlocatie is niet noodzakelijk voor de bedrijfsvoering.
De planlocatie betreft een agrarisch bouwvlak dat kadastraal is gesplitst. De eigenaren van beide percelen zijn gezamenlijk de initiatiefnemers van het plan.
Afbeelding: bestaande erfopzet Kleine Veerweg 4a
De planlocatie ligt tussen de wijk Schellerlanden en de IJssel. In de directe omgeving komen woonfuncties voor, maar ook agrarische functies met bouwvlak. De Kleine Veerweg is geen weg voor doorgaand rijverkeer, maar wordt veelal gebruikt als "blokje om" voor inwoners van de aangrenzende wijken van Zwolle. De dichtstbijzijnde voorzieningen bevinden zich in Zwolle. De planlocatie ligt in een gemengd landelijk gebied. De planlocatie is omgeven door de naastgelegen agrarische percelen met te midden daarvan (bedrijfs)woningen. Ten zuiden en zuid-oostzijde liggen ook woonpercelen.
2.2 Geldende (deel)omgevingsplan
De planologische rechten voor de locatie zijn vastgelegd in het op 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingsplan van rechtswege gemeente Zwolle. Dat omgevingsplan bestaat uit de 'bruidsschat' (meerdere vanuit landelijke wetgeving overgegane regels, vooral over bouwen en milieu), enkele lokale verordeningen en alle geldende bestemmingsplannen.
Zo ook het bestemmingsplan Buitengebied – IJsselzone, Windesheim (vastgesteld op 18 juni 2016), waarin voor de locatie de bestemmingen 'Agrarisch met waarden – Landschap' met bouwvlak, 'Waarde – Archeologie', 'Leiding – Water' zijn opgenomen.
De bestemming 'Agrarisch met waarden – Landschap' laat onder andere toe:
- de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering,
- een paardenhouderij ter plaatse van de aanduiding paardenhouderij';
- het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschapswaarden van de gronden;
- gebouwen ten behoeve van agrarisch bedrijven en bedrijfswoningen. Tevens zijn ondergeschikte opritten, parkeervoorzieningen en paden toegestaan.
Binnen het bouwvlak zijn gebouwen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen toegestaan. De bestaande bedrijfswoning en de kapschuur vallen binnen dit bouwvlak. De toegestane goothoogte voor een bedrijfsgebouw is maximaal 6 meter en de toegestane bouwhoogte is maximaal 10 meter. Voor een bedrijfswoning is maximaal 6 meter goothoogte toegestaan, en de maximale bouwhoogte is 8 meter.
Het gehele plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie'. De gebiedsaanduiding milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied is van toepassing.
Voor de locatie zijn daarnaast bestemmingsplan 'Buitengebied – IJsselzone, Windesheim, herziening 1', bestemmingsplan 'Zwolle, parapluplan parkeren', 'Buitengebied – IJsselzone, Windesheim, herziening 2', 'Zwolle, parapluplan cultuurhistorie, aanvulling', bestemmingsplan 'Zwolle, parapluplan bouw- en cultuurhistorie' van kracht. De laatste twee genoemde hebben overigens geen regels die van toepassing zijn op de locatie.
Uitsnede plankaart deelomgevingsplan Bestemmingsplan Buitengebied – IJsselzone, Windesheim
Met dit wijzigingsbesluit wordt de transformatie van de Kleine Veerweg 4a mogelijk gemaakt. Wijzigen van het omgevingsplan is mogelijk met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Als resultaat wordt zo'n evenwichtige toedeling verwacht, gericht op het in samenhang bereiken van de gestelde doelen in en vanuit de Omgevingswet. Bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.
Rekening moet worden gehouden met de samenhang van de relevante onderdelen van de fysieke leefomgeving en van de rechtstreeks daarbij betrokken belangen. Met aandacht voor de noodzaak van de functie, de geschiktheid van de plek en de (nadelige) gevolgen van de toedeling voor belanghebbenden (waaronder bestaande rechten). Een zorgvuldig afgewogen balans tussen beschermen en ontwikkelen. Gericht op het bereiken van ruimtelijk kwaliteit, met een afgewogen verhouding tussen de gebruikswaarde (het functioneren), de belevingswaarde (de uiterlijke verschijning) en toekomstwaarde (de houdbaarheid in de tijd).
Dit hoofdstuk beschrijft het resultaat van de integrale afweging die is gemaakt en onderbouwd deze. Het geeft in essentie weer dat met het beoogde eindbeeld een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt.
Met dit plan worden agrarische bouwmogelijkheden ingeperkt en de bestaande bedrijfswoning in een reguliere woning omgezet. Daarnaast worden de mogelijkheden voor een volwaardig agrarisch bedrijf op het perceel uitgesloten. Deze ontwikkeling past in een trend waarbij agrariërs zoeken naar oplossingen om al dan niet met hun bedrijvigheid te stoppen. Daarnaast wordt een mogelijkheid geboden om in de huidige woningcrisis leegstand tegengaan.
Het belang van de thans aanwezige landschappelijke- en natuurwaarde wordt geborgd in dit plan. Het plan krijgt een landschappelijke inpassing dat hoort bij de landschappelijke typologie ter plaatse.
Afbeelding: Landschappelijk inpassingsplan Kleine Veerweg 4a
Voorts zorgt het plan voor een vergroting van de gezondheid: een agrarisch bedrijf stoot stoffen uit, dat is dan in aanzienlijk mindere mate aan de orde. Een volwaardig agrarisch bedrijf is in de nieuwe situatie uitgesloten, waardoor er geen sprake is van mogelijke emissies. Ook worden omliggende bedrijven, gelet op de afstand, niet beperkt in hun eventuele uitbreidingsmogelijkheden.
Teneinde dit plan mogelijk te maken is er ook geparticipeerd met de directe omgeving. Een participatiejournaal vormt een onderdeel van dit plan.
Al met al zorgt dit plan voor een ruimtelijke kwaliteitsimpuls. De bestaande woning is toekomstbestendig en middels voorwaardelijke verplichtingen wordt ook geborgd dat de beplanting wordt toegevoegd conform de gemaakte afspraken.
Participatie bij het planvormingstraject geeft in een vroegtijdig stadium meer inzicht in de belangen en wensen van betrokken partijen en meer gelegenheid om deze in dat traject mee te wegen. Dit hoofdstuk bevat de wijze waarop participatie heeft plaatsgevonden, wat de resultaten zijn van de participatie en welke betekenis het voor het plan heeft.
Met wie is geparticipeerd en hoe?
Initiatiefnemer heeft de omwonenden in de straal van 300 m rond het perceel geïnformeerd over zijn plannen met een uitnodiging voor een omgevingsdialoog. In de uitnodiging is een korte toelichting en een afdruk van het landschappelijk inrichtingsplan meegestuurd. Verschillende buurtbewoners hebben gebruik gemaakt van deze mogelijkheid en zijn aanwezig geweest op deze informatieavond. Ook is de buurtvereniging apart op de hoogte gebracht van de ontwikkeling.
Uitkomst
Uit de dialoog met buurtbewoners is gebleken dat de omwonenden in kunnen stemmen met de plannen. Het participatieverslag is als bijlage 1 toegevoegd.
Wat is met de uitkomst gedaan?
Omdat er geen bezwaren uit de omgeving zijn, zijn de aanpassingen niet aan de orde.
Het participatieproces past binnen de uitgangspunten van Hanza!
Vooroverleg
De gemeente wordt geacht bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet rekening te houden met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen en stemt zo nodig met deze andere bestuursorganen af. Ook zijn overige bestuursorganen, in het kader van participatie, benoemd als partij om betrokken te worden bij de voorbereiding van een omgevingsplan.
Het nu voorliggende initiatief is in de vorm van een voorontwerp-wijziging omgevingsplan voor advies voorgelegd aan de Provincie Overijssel, Waterschap en Veiligheidsregio.
Uitgangspunt is in ieder geval voordat een ontwerp-besluit tot wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld het betreffende ruimtelijke initiatief voor een reactie voor te leggen aan een ander bestuursorgaan, voor zover dat initiatief een belang van dat bestuursorgaan kan raken. Aangesloten wordt op de werkwijze van de provincie Overijssel, zoals vastgelegd in de notitie Sturen en samenwerken bij de uitvoering van ruimtelijke initiatieven onder de Omgevingswet. Een optie daarbij is het initiatief voor te leggen aan de regionale Omgevingstafel IJsselland.
De volgende adviezen zijn uitgebracht:
Provincie
Voorliggend plan betreft een plan waarbij KGO niet van toepassing is, wel wordt het ruimtelijk ingepast volgens gebiedskenmerken. Het plan past binnen het provinciaal beleid en hoeft niet inhoudelijk getoetst te worden. Het plan wordt naar aanleiding van dit advies dus niet aangepast.
Waterschap
Middels een digitale watertoets is gebleken dat bij het plan geen waterschapsbelangen spelen. Het waterschap gaat met het plan akkoord.
Veiligheidsregio
In de directe omgeving van deze locatie zijn geen risicobronnen aanwezig. Wel geldt er voor de planlocatie een overstromingsrisico. Dit is voldoende beschreven in de motivering.
Het advies is om toekomstige nieuwe bewoners voor te lichten over het overstromingsrisico en wat gedaan kan worden om de effecten van een overstroming te beperken.
Het wijzigingsbesluit zoals nu voorligt is vormgegeven aan de hand van de gestelde beleidsdoelen in en vanuit de Omgevingswet. Dit hoofdstuk geeft een beschrijving van het relevante generieke omgevingsbeleid van rijk, provincie en gemeente en een toetsing van het wijzigingsbesluit aan die kaders. Een verdieping van relevant sectoraal beleid en regelgeving komt aan de orde in hoofdstuk 6 tot en met 9 van deze motivering op het wijzigingsbesluit.
Omgevingswet (regel)
De Omgevingswet geeft de maatschappelijke doelen van de wet. Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:
Besluit kwaliteit leefomgeving (regel)
Hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels voor het omgevingsplan, voortkomend uit de beleidsdoelen van de Omgevingswet. Met zo'n instructieregel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. De op specifieke onderwerpen gerichte instructieregels komen in hoofdstuk 6 tot en met 9 van deze motivering aan bod.
Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk tot 2050 op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Verschillende ministeries werken aan de uitwerking van diverse beleidsthema's in de vorm van Nationale Programma's.
Opgaven
Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven:
Realiseren opgaven
In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren:
Voor Oost-Nederland is een omgevingsagenda opgesteld, waar Regio Zwolle onderdeel van uit maakt. In de Omgevingsagenda agenderen Rijk en regio de gezamenlijke vraagstukken en de gewenste aanpak daarvan. De Omgevingsagenda biedt een basis voor uitvoeringsafspraken en inzet van programma's en projectbesluiten van Rijk en regio.
Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Het doel is het versnellen van besluitvorming omtrent samenhangende ruimtelijke keuzes en de uitvoering van maatregelen, zodat plannen toekomstbestendig, met ruimtelijke kwaliteit, en in samenhang gerealiseerd kunnen worden.
Regio Zwolle is aangewezen als NOVI-gebied. Belangrijk vraagstuk voor de regio is hoe de opgave voor wonen en werken te combineren met de klimaatopgave en het watersysteem in deze regio. Tot 2040 moeten er 49.000 woningen en 20.000 arbeidsplaatsen in de regio Zwolle worden gerealiseerd. De grootste uitdaging voor de regio zit in het "klimaatadaptief verstedelijken". Door haar ligging in de delta van de IJssel én Vecht is de regio extra kwetsbaar voor klimaatverandering en waterveiligheid.
Er is een actualisatie van de NOVI in voorbereiding. Met de programma's Mooi Nederland en NOVEX wordt ingezet op aanscherping en versnelling van de NOVI. Het streven is de aangescherpte NOVI als nieuwe Nota Ruimte in 2024 vast te stellen als nationaal ruimtelijk beleid.
Toetsing en conclusie
Met dit wijzigingsbesluit wordt transformatie van de Kleine Veerweg 4a mogelijk gemaakt. Met deze wijziging wordt, met in acht neming van de beleidsdoelen zoals verwoord en uitgewerkt in rijksbeleid en -regelgeving, tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gekomen. Deze motivering geeft de onderbouwing hiervan.
Voorliggend plan raakt niet direct doelen die bij de NOVI zijn gesteld. Wel valt het plan binnen de nationale tendens waarin agrarische bedrijven worden opgeheven of ingeperkt en de agrarische percelen transformeren naar een woonfunctie. Voorliggend plan is niet in strijd met het rijksbeleid zoals verwoord in de NOVI.
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel. Onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur komen aan bod. De Omgevingsvisie is op 12 april 2017 vastgesteld en sindsdien een aantal keer geactualiseerd.
De visie bestaat uit drie delen. Deel 1 geeft de opgaven en kansen waar de provincie voor staat. Deze zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's, waaronder woonomgeving, mobiliteit, natuur en veiligheid en gezondheid. Deel 3 bevat een nadere uitwerking van de centrale beleidsambities.
De centrale beleidsambities voor de negen beleidsthema's worden benaderd vanuit de oververkoepelende 'rode draden' duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit, waarvoor thema overstijgende kwaliteitsambities zijn geformuleerd. Dit zijn de leidende principes bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.
De ambities in het kader van duurzaamheid zijn: klimaatbestendigheid, het realiseren van een duurzame energiehuishouding, het sluiten van kringlopen (circulaire economie) en het beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit wordt ingezet op het vergroten van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Het zorgvuldig inpassen van nieuwe initiatieven heeft als doel om de samenhang in en de identiteit van een gebied te versterken en nieuwe kwaliteiten te laten ontstaan. De ambitie van de provincie Overijssel is dat elk project bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving en dat nieuwe initiatieven worden verbonden met bestaande kwaliteiten Daarmee wordt een weloverwogen locatiekeuze en vormgeving en inrichting van initiatieven bevorderd, passend bij de identiteit van de plek.
Ten aanzien van sociale kwaliteit is het koesteren en het gebruik maken van 'noaberschap' de ambitie, evenals het stimuleren van culturele identiteit van de provincie Overijssel, zowel lokaal als regionaal, en het verbinden van lokale kennis met de uitvoering van ruimtelijke opgaven.
Deel 2 van de omgevingsvisie geeft het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel. De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de omgevingsvisie geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. Deze beleidskeuzes geven invulling aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Andere generieke beleidskeuzes betreffen onder andere de reserveringen voor waterveiligheid en begrenzing van Nationale Landschappen en Natura 2000-gebieden. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend.
Ontwikkelingsperspectieven
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent door vertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
De Catalogus Gebiedskenmerken, die per gebiedstype beschrijft welke kwaliteiten behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden, is daarbij een instrument om te sturen op ruimtelijke kwaliteit.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Toetsing aan de Omgevingsvisie Overijssel
Generieke beleidskeuzes
Met het plan wordt bijgedragen aan de invulling van een woningbehoefte aan woningen. Tegelijkertijd blijft een deel van de agrarische bedrijfsvoering gehandhaafd met versterking van landschappelijke kwaliteiten. Het plangebied ligt niet binnen een in de visie en/of verordening aangewezen reserveringsgebied of natuurgebied. Het plan draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit van de omgeving.
Ontwikkelingsperspectieven
Binnen de provinciale omgevingsvisie hebben de gronden het ontwikkelingsperspectief 'Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap'. Dit ontwikkelingsperspectief omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Die ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden. Onder verduurzaming verstaan we hier: realisatie van de waterkwaliteitsdoelen, gezondheid en welzijn van mens en dier, bijdrage aan de energietransitie, natuuropgaven, klimaatbestendigheid en ketenoptimalisatie, en ontwikkelen met aandacht voor – en waar mogelijk in dialoog met – omwonenden. Agrarische ondernemers staan voor de uitdaging om hun – vaak grote – gebouwen en erven zo vorm te geven dat ze passen bij maat en schaal van het landschap en de ruimtelijke en milieukwaliteit versterken.
Regels in de omgevingsverordening die toezien op de uitvoering van dit perspectief is onder andere de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.Volgens de beslisboom in het Handboek dat KGO regels niet van toepassing zijn.
Gebiedskenmerken
Dynamisch landschap: samenhang tussen rivier, uiterwaarden, dijken, oeverwallen, komgronden en natuurlijk relief/rivierduinen. Verspreide bebouwing op rivierduinen. Verkavelingen gebaseerd op richting rivier en hoogteligging.
Open en verkavelde komgronden met weiland, waarin de patronen van de rivier soms nog af te lezen zijn.
Omgevingsverordening Overijssel (regel)
Het beleid uit de Omgevingsvisie heeft doorwerking gekregen in de Omgevingsverordening Overijssel 2024 (vastgesteld 8 november 2023). De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. De nieuwe Omgevingsverordening 2024 voldoet aan de eisen van de Omgevingswet.
Bij het stellen van regels die zich richten op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is volgens de geest van de Omgevingswet in principe afgezien van rechtstreeks werkende regels. In Hoofdstuk 4 van de verordening zijn de instructies voor omgevingsplannen opgenomen. De op specifieke onderwerpen gerichte instructieregels komen in hoofdstuk 6 tot en met 9 van deze motivering aan bod.
Conclusie
Met dit wijzigingsbesluit wordt de transformatie van de Kleine Veerweg 4a mogelijk gemaakt.
Het plan is niet strijdig met de provinciale omgevingsvisie. Er wordt ingezet op behoud en versterking van de landschappelijke- en natuurwaarden middels het toevoegen van gebiedseigen beplanting. De bestaande bedrijfswoning en het kapschuur zijn passend binnen het landschappelijke karakter van de omgeving. Met het plan wordt een uitbreiding van agrarische bedrijfsvoering uitgesloten.
Normstellende gebiedskenmerken, of andere normerende aspecten uit de omgevingsvisie, worden geborgd door het opnemen van specifieke werkingsgebieden en planregels in dit wijzigingsbesluit die de kernkwaliteiten en de waarden van het gebied beschermen en versterken. Hoewel het KGO-beleid niet van toepassing is op dit plan, is hier wel rekening mee gehouden, wat voor een ruimtelijke kwaliteitsslag zorgt.
Met deze wijziging wordt, met in acht neming van de beleidsdoelen zoals verwoord en uitgewerkt in provinciaal beleid en -regelgeving, tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gekomen. Deze motivering geeft de onderbouwing hiervan.
De gemeente Zwolle zet in op een ontwikkeling van stad en buitengebied waarin leefbaarheid, klimaat, duurzaamheid en economie hoog in het vaandel staan. De Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen beschrijft de koers voor de leefomgeving van de gemeente. Het geeft, samen met de gebiedsvisies, de opgaven en ambities voor de toekomst.
Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen
De op 13 september 2021 vastgestelde Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen is een integrale visie waarin een beeld wordt gekenschetst van een kwalitatief hoogwaardige, inclusieve en toekomstbestendige ontwikkeling van de gemeente Zwolle.
De "drager" van de gemeente is het menselijk kapitaal. Centraal hierbij staat de ambitie: Zwolle versterkt en benut het menselijk kapitaal van de stad.
De kwaliteiten op het gebied van landschap, cultuurhistorie en biodiversiteit van de bestaande stad en haar natuurlijke omgeving is een ijzersterk, bestaand "fundament" om op verder te groeien. Centraal staat de ambitie: Zwolle behoudt en versterkt haar ruimtelijke, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten.
De drager en het fundament vormen de structurele verbindingen in het 'Huis van Zwolle' te midden van de andere kernopgaven:
De opgaven voor Zwolle zijn groot, omvangrijk, veelzijdig. We gaan in dit decennium aan de slag met onze stad, met ons buitengebied. We voegen woningen toe en parken. We verbeteren de leefbaarheid en bereikbaarheid voor de Zwollenaar en alle bezoekers van onze gemeente. Ons buitengebied is voor ons van grote waarde, voor landbouw, landschap, natuur en recreatie.
Het werken aan onze stad en ons buitengebied kan niet zonder spelregels. De ruimte om te leven is de belangrijkste waarde. Ruimte om te leven voor mens, plant en dier. Leefbaarheid of kwaliteit van leven staat voorop en is leidend bij iedere ontwikkeling: een gezonde balans tussen welzijn en welvaart. Voor de inrichting van de stad en van het buitengebied zijn de volgende spelregels en principes van toepassing als sturingsfilosofie:
We onderscheiden bij het werken aan onze stad zones. Karakteristieke 'schillen', of ook wel strategische ontwikkelzones, met daarbinnen gebieden die onze stad (deels) transformeren naar een andere functie:
Bij ieder initiatief in de fysieke leefomgeving, groot of klein, staan de doelen uit de Omgevingsvisie centraal. Wat betekent dit. De gebiedsdoelen en ambities en de opgaven in thematische raamwerken zijn leidend. De initiatieven dragen bij aan het bereiken van doelen en lossen opgaven op.
De gebiedsprofielen geven richting aan de toekomstige ontwikkeling van de verschillende gebieden in Zwolle. In de gebiedsprofielen worden de benoemde algemene opgaven, ambities en principes op stedelijk niveau vertaald naar een strategie voor concrete gebieden. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de bestaande kwaliteiten en waarden van het gebied, de huidige fysieke inrichting en specifieke opgaven die spelen in een gebied. De profielen beschrijven een samenhangend toekomstbeeld voor de gebieden.
Met raamwerken zijn de belangrijkste fysieke structuren van Zwolle vastgelegd. Om het goed ondernemen en prettig wonen in Zwolle te borgen werken we aan het behouden, beschermen en ook ontwikkelen van de Zwolse omgevingskwaliteiten. De ontwikkeling van Zwolle gaat hand in het met het behouden en versterken van die raamwerken en dus de fysieke hoofdstructuur van Zwolle.
Toetsing aan de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen
Gemengd landelijk gebied
Binnen de gemeentelijke omgevingsvisie valt het plangebied binnen gemengd landelijk gebied en buurtschappen. Het gemengd landelijk gebied heeft een rol als uitloopgebied voor de inwoners van Zwolle en als gebied waar de band tussen burger en landbouw is te versterken. Daarom biedt de gemeente in het gemengd landelijk gebied ruimte voor een mix aan functies, biologische- en stadslandbouw, verbreding van landbouwbedrijven, recreatie, hoogwaardige verblijfsaccommodaties, landschap, natuur, cultuurhistorie, wonen, klimaatadaptatie en kleinschalige niet agrarische bedrijvigheid en detailhandel passend bij het karakter van het buitengebied (kleinschalig, bijvoorbeeld in de vorm van ter plaatse geproduceerde producten en streekproducten). Ontwikkelingen zijn mogelijk als die passen bij de kenmerken, maat en schaal van het landschap. We willen verdere verrommeling van het gemengd landelijk gebied tegengaan. Uitgangspunt is daarom de ontwikkeling van bestaande erven.
Het plangebied bevindt zich nog in een buurtschap Schelle Oldeneel, waarbij ingezet wordt op het behoud van het kleinschalige karakter van de Zwolse buurtschappen. Het toevoegen van een woning is passend binnen het karakter en de kwaliteiten van een buurtschap.
Landschap
Zeer waardevol landschap: het plangebied valt tevens binnen zeer waardevol landschap. Het toevoegen van bebouwing gebeurt in dit gebied met terughoudendheid. In dit geval wordt er geen bebouwing toegevoegd, maar worden voor de bestaande bouwmogelijkheden en gebruik van de gronden gewijzigd. Het inrichtingsplan voorziet in een nieuwe beplantingsplan: het perceel wordt aangevuld met gebiedseigen flora. Het naleven van dit beplantingsplan wordt gewaarborgd middels een voorwaardelijke verplichting.
Andere (gebieds)profielen uit de omgevingsvisie zijn niet beperkend voor dit plan.
Binnen het plangebied zijn de volgende raamwerken van toepassing:
- Raamwerk stedelijke groenstructuur (Hoofdgroenstructuur);
- Raamwerk cultuurhistorische waarden (Zeer waardevol);
- Raamwerk opwek duurzame energie (Zonnenergie uitgesloten gebied);
- Raamwerk ondergrond (Grondwaterbeschermingsgebied Engelse werk).
Raamwerk stedelijke groenstructuur (Hoofdgroenstructuur)
De koers is dat de hoofdgroenstructuur in de toekomst behouden blijft, of aangevuld, waar nodig, vanwege het belang voor de gemeente als geheel. Er wordt een terughoudend beleid gevoerd met het toevoegen van nieuwe bebouwing binnen de hoofdgroenstructuur.
In dit geval wordt de bestaande situatie planologisch gewijzigd, waarbij het agrarische gebruik en de bouwmogelijkheden ingeperkt worden. Daarbij wordt extra beplanting toegevoegd. Dit versterkt de hoofdgroenstructuur.
Raamwerk cultuurhistorische waarden (Zeer waardevol)
Het Zwolse erfgoed met haar waardevolle gebouwen, structuren, landschappen en archeologische rijkdommen heeft naast de historische en identiteitswaarde een onderscheidende en aantrekkende kracht voor de stad. We richten ons op de instandhouding van en onderzoek naar historisch waardevolle objecten, complexen, stedenbouwkundige en landschappelijke structuren en archeologische waarden. We koesteren het Zwolse erfgoed en zetten het in als één van de leidende en inspirerend principes bij (ruimtelijke) ontwikkelingen.
Het gaat hier om een zeer waardevol gebied waarbij bij (delen) van het plangebied een archeologische verwachtingswaarde van (meer dan) 50% geldt, waardoor het omgevingsplan waarborgen moet bevatten in de vorm van een op te nemen planregel.
Raamwerk opwek duurzame energie (Zonnenergie uitgesloten gebied)
Het gemengd landelijk gebied (behalve het parklandschap Herfte-Wijthmen), het Zwolse natuurlandschap en het agrarisch gebied gelegen in het Nationaal Landschap IJsseldelta is uitgesloten voor de opwek van zonne-energie op maaiveldniveau.
Het plan is niet in strijd met dit raamwerk, omdat het slechts wijzigingsfunctie van de bestaande grondgebruik betreft. In het plan is de opwek duurzame energie ook niet aan de orde.
Raamwerk ondergrond (Grondwaterbeschermingsgebied Engelse werk).
Voor een gezonde stad en leefomgeving is goed en schoon drinkwater van essentieel belang. Bescherming van de gebieden voor drinkwaterwinning en schone grondwatervoorraden is randvoorwaardelijk voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Zwolle. Specifiek is het beschermen van de drinkwaterwinningslocatie 'Het Engelse werk' van belang. Rond het Engelse Werk is daarom een grondwaterbeschermingsgebied aangewezen door de provincie met een boringsvrije zone Engelse Werk en Sallands Diep voor het diepere pakket. Om het diepere grondwater onder de stad te beschermen heeft de gemeente Zwolle daarnaast een maximale boordiepte voor gesloten bodemenergiesystemen ingesteld.
Het plan raakt het grondwaterbeschermingsregime van het raamwerk niet, omdat er sprake is van de functiewijziging van de bestaande bebouwing.
Voor de toekomst is het grondwaterbeschermingsregime van het plangebied gewaarborgd door direct werkende provinciale regels uit de provinciale omgevingsverordening (paragraaf 3.6.3 Omgevingsverordening Overijssel).
Conclusie
Met dit wijzigingsbesluit wordt functiewijziging van de Kleine Veerweg 4a mogelijk gemaakt. Met deze wijziging wordt, met in acht neming van de beleidsdoelen zoals verwoord en uitgewerkt in het generieke gemeentelijk beleid en -regelgeving, tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gekomen. Deze motivering geeft de onderbouwing hiervan.
Hoofdstuk 3 van deze motivering geeft een beschrijving en integrale onderbouwing van het wijzigingsbesluit op hoofdlijnen. Hoofdstuk 4 beschrijft hoe rekening is gehouden met hetgeen wat bij de participatie naar voren is gebracht. En hoofdstuk 5 toetst het wijzigingsbesluit aan de relevante generieke beleidskaders over de fysieke leefomgeving.
In vervolg hierop geven de hoofdstukken 6 tot en met 9 een verdieping op voor dit wijzigingsbesluit relevante specifieke onderwerpen binnen de fysieke leefomgeving. Voor veel van die onderdelen bestaan eigen, specifieke wettelijke instructies, normen en beleidskaders. Dit vraagt een nadere beoordeling en/of onderbouwing van het wijzigingsbesluit op die specifieke instructies, normen en kaders, waar nodig met onderzoek. Hierbij is, voor zover aan de orde, onderzocht wat de effecten zijn van het project op de omgeving.
Deze verdieping kan aanleiding geven in het geldende omgevingsplan regels aan te passen en/of toe te voegen. Waar dat het geval is wordt dit aangegeven.
Hoofdstuk 6 richt zich op de functies binnen het wijzigingsgebied.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij wonen gaat het om instructieregels over duurzame verstedelijking en gebruik van bouwwerken.
Paragraaf 5.1.5.4 van het Bkl geeft aan dat voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden moet worden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en, als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
Paragraaf 5.1.7a van het Bkl geeft aan dat een omgevingsplan dat bouwactiviteiten toelaat waarvoor op grond van artikel 13.11, eerste lid, van de Omgevingswet kosten moeten worden verhaald, regels kan bevatten over de te realiseren categorieën woningen, voor zover het gaat om onder andere sociale huurwoningen, sociale koopwoningen en geliberaliseerde woningen voor middenhuur.
Er is hier geen sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' op basis waarvan paragraaf 5.1.5.4 van het Bkl van toepassing is. Het gaat hier ook niet om een project op basis waarvan regels gesteld moeten worden over categorieën woningen.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2021 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij wonen gaat het om instructieregels over de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking en woningbouw.
Afdeling 4.2 van de verordening geeft instructieregels gericht op concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid. Het omgevingsplan kan woningbouw toelaten als voorzien wordt in een bovenregionale behoefte. Woningbouw in de Groene Omgeving (buitengebied) kan alleen onder voorwaarden, onder andere als aannemelijk is gemaakt dat in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied. Woningbouw kan alleen mogelijk worden gemaakt als aannemelijk is dat deze toekomstbestendig is.
Paragraaf 4.45.1 geeft instructieregels over woningbouw. Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe woningen worden gerealiseerd als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten. Afwijken kan onder de in de verordening genoemde voorwaarden.
Het provinciale omgevingsbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel. Het plan raakt geen belangen vanuit de provinciale omgevingsvisie.
Het gaat hier om het omzetten van een bestaande bedrijfswoning naar een reguliere woning. Er wordt geen afbreuk gedaan aan de gemaakte woonafspraken.
Gemeente
De Woonvisie Ruimte voor Wonen 2017 is vastgesteld door de raad op 8 mei 2017 en geldt als onderlegger voor de Omgevingsvisie. Inzet is dat Zwolle een aantrekkelijke en inclusieve stad blijft waar voor iedereen een plek is om fijn te wonen. Dat vraagt om vernieuwing van de woonopgave, ruimte voor creativiteit en innovatie in bouwtechnologie in relatie tot thema's als duurzaamheid, circulariteit, gezondheid, betaalbaarheid en inclusiviteit.
Uitgangspunt bij elke woonontwikkeling is dat we stedelijke woonkwaliteit toevoegen door ons te ontwikkelen als een sterke groeistad, een vernieuwende woonstad, een solidaire leefstad en een duurzame deltastad. In de ontwikkeling van de woningen streven we naar onderscheidende, stedelijke woonmilieus, en nieuwe vormen van stedelijk (samen) wonen in een mengvorm met andere stedelijke activiteiten zoals uitgaan, spelen, werken, ontmoeten en bewegen. De mens en de biodiversiteit staan centraal.
Tot 2030 willen we 10.000 woningen toevoegen aan onze gemeente. Dat doen we om het huidige woningtekort aan te pakken, waarbij we zien dat de vraag blijft toenemen. Een woningtekort dat velen merken, jong en oud. Studenten, schoolverlaters, starters op de arbeidsmarkt, allemaal groepen die moeilijk aan een woning komen. Dat geldt ook voor de groeiende groep ouderen die langer zelfstandig blijven wonen, en daar wel de passende voorzieningen bij willen. In ons woonbeleid zetten we sterker in op een doelgroepen benadering. We zetten ons in om met name jongeren en kenniswerkers te behouden voor onze stad.
Ruim 60% van de nieuwe woningen wordt gerealiseerd in de bestaande stad met verschillende stedelijke woonmilieus en stedelijke woonvormen. We volgen hiermee ook de landelijke trend dat mensen vaker in of nabij de binnenstad willen wonen. Met meer focus op binnenstedelijk wonen wordt ook een steviger basis gelegd voor stedelijke voorzieningen. Het biedt kansen voor een stedelijke dynamiek gericht op bijvoorbeeld studenten en jong-werkenden en de aanpak van vereenzaming in alle geledingen van de Zwolse samenleving. Ook voor grondgebonden woningen met een tuin blijven we ruimte bieden. Grofweg 40% van de woningen wordt gerealiseerd in de groenstedelijke woonmilieus van Zwolle wat bestaat uit een groot aandeel grondgebonden woningen. Grotendeels komen deze woningen terecht in de gebiedsontwikkelingen Stadshagen en Harculo maar ook kleinschalig op diverse plekken in de bestaande stad en in de kernen bij Wijthmen en Windesheim. Ook bieden we ruimte aan de verandering van bestaande agrarische erven naar wonen.
Op 14 oktober 2019 heeft de raad de Ontwikkelstrategie Wonen 2019-2024 vastgesteld als aanscherping- en uitvoeringsprogramma van de Woonvisie 2017. Daarin is de woningbouwproductie ambitie opgehoogd naar in totaal 10.000 woningen tot 2030. Met gemiddeld 1000 woningen per jaar tot 2030 willen we het woningtekort op alle fronten aanpakken met onderscheidende woonmilieus en een gevarieerd woonaanbod voor iedere inkomenscategorie. Hier gaan we adaptief, flexibel en schaalbaar mee om; “de toekomst is niet voorspelbaar, wel voorstelbaar”.
We bouwen in de prijsverhouding 30-40-30. Dat wil zeggen 30% van het woonprogramma bestaat uit goedkope woningen, 40% is middelduur en 30% duur volgens de 'prijsgrenzen woningbouw Zwolle' dat jaarlijks geïndexeerd wordt.
Minimaal 50% van het woonprogramma is betaalbaar conform het coalitieakkoord Samen voor een waarde(n)volle toekomst' (mei 2022). Dat wil zeggen dat 30% goedkoop opgeleverd moet worden, ten minste twee derde daarvan moet bestaan uit sociale huur. Dit betekent dat in ieder geval 20% van het totaal sociale huur zal moeten zijn. Naast 30% goedkoop is er 20% middelduur 1 vereist voor het halen van de betaalbaarheidseis. De helft hiervan, 10% van het totale programma, dient te bestaan uit middeldure huur 1 conform de verordening middenhuurwoningen. De sociale huurwoningen worden gerealiseerd volgens de uitgangspunten sociale huurwoningen die vastgesteld zijn door het college op 13 december 2022. Indien de middeldure woningen worden verhuurd, worden ze gerealiseerd volgens de uitgangspunten in de verordening middeldure huur. Naast 20% sociale huur en 20% middeldure woningen resteert 10% in het goedkope programma. Dit kan worden ingezet voor huur, koop en/of overige eigendomsvormen zoals wooncoöperaties, mits het maar in het goedkope segment wordt gerealiseerd. In totaal is daarmee 50% van het woningbouwprogramma betaalbaar en conform het coalitieakkoord. 10% van het woonprogramma is bestemd voor maatschappelijke doelgroepen en wonen met zorg.
Ten aanzien van de implementatie van deze uitgangspunten is het volgende afgesproken:
'De maatregelen in deze Betaalbaarheidsagenda zijn direct na besluitvorming van kracht voor de woningbouwontwikkelingen waar nog geen afspraken zijn vastgelegd. Bij lopende woningbouwontwikkelingen waar al een visie voor is vastgesteld en/of overeenkomsten voor zijn gesloten spannen we ons in om met de betrokken partners overeen te komen de maatregelen alsnog van toepassing te verklaren. Het jaar 2022 is een overgangsperiode voor de implementatie van de Betaalbaarheidsagenda op lopende processen'.
De Ontwikkelstrategie is ook een werkwijze hoe we samen onze stad in balans laten groeien en stedelijke woonkwaliteit toevoegen. We werken gebiedsgericht, data gedreven en samen met onze partners op de woningmarkt. Daarvoor zijn samenwerkingsafspraken gemaakt. Onder andere door te werken volgens de Zwolse methode van gebiedsontwikkeling, de basisregels voor een inclusieve stad, en het Zwols pakket van maatregelen. Eind 2021 is aanvullend hierop de Betaalbaarheidsagenda 2022 gevormd waarin we naast beschikbaarheid van betaalbare woningen inzetten op blijvend betaalbare woningen. Dit doen we onder andere door vergroting van het betaalbaar huuraanbod in combinatie met een verordening middeldure huur. De Verordening middenhuurwoningen Zwolle 2022 (regel) is op 13 juni 2022 door de raad vastgesteld. Ook zetten we in op flexwoningen om extra betaalbaar aanbod toe te voegen.
Aanvullend gelden nog de volgende specifieke beleidsregels:
Het plan voorziet in het toekennen van een woonbestemming aan een gedeelte van het agrarische perceel en behouden van de bestaande kapschuur. Er wordt geen nieuwe woning toegevoegd, maar de bestaande bedrijfswoning wordt omgezet in een reguliere woning. Daarmee is het plan in lijn met de kaders die zijn gesteld ten aanzien van het toevoegen van woningen.
Met dit wijzigingsbesluit wordt transformatie aan de Kleine Veerweg 4a mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor wonen.
Er is vanuit het onderwerp wonen geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij verkeer / openbare ruimte gaat het om instructieregels over langzaam verkeerroutes.
Paragraaf 5.1.7 van het Bkl geeft aan dat, voor zover het omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen die aangewezen landelijke fiets- en wandelroutes kunnen doorsnijden, het belang van de instandhouding van deze routes bij het omgevingsplan worden betrokken.
Met dit plan worden geen landelijke fiets- of wandelroutes doorsneden.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij verkeer / openbare ruimte gaat het om instructieregels over mobiliteit.
Paragraaf 4.10.1 van de verordening geeft voor omgevingsplannen die ontwikkelingen mogelijk maken instructieregels over mobiliteit. Gericht op de bundeling van verkeersstromen op de hoofdinfrastructuur waar het belang van een goede en veilige doorstroming voorop wordt gezet. En het behoud van de kwaliteit van de leefomgeving in de overige gebieden, waaraan het mobiliteitsbelang ondergeschikt geacht wordt.
Het provinciale omgevingsbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel. Er is geen sprake van strijd met de instructieregels.
Gemeente
Omgevingsvisie
Door de verdere groei van de Zwolle is het een opgave om op een zorgvuldige wijze om te gaan met de beschikbare buitenruimte. Mobiliteit en bereikbaarheid is een belangrijke drager voor leefbaarheid. "Mens en natuur centraal stellen, voldoende woningen, ruimte om te spelen, bewegen en ontmoeten.”. Meervoudig ruimtegebruik en denken in drie dimensies is het vertrekpunt. Dat betekent enerzijds de hoogte opzoeken. Daarnaast zetten we in op beter passende vormen van mobiliteit en bereikbaarheid met minder ruimtebeslag. We gaan meer aandacht besteden aan de fietser en de voetganger en minder voorrang geven aan de automobilist.
De STOP-methode is in Zwolle leidend bij al onze ontwerp opgaven voor infrastructuur bij de inrichting van de buitenruimte. En we hanteren bij alle ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving de ladder duurzame mobiliteit als uitgangspunt om de juiste keuzes op het gebied van mobiliteit te maken. We beginnen daarbij altijd met de ruimtelijke ordening als middel om ervoor te zorgen dat er bij een nieuw woningbouwproject of andere fysieke ontwikkeling gestreefd wordt naar zo weinig mogelijke groei van het autobezit en gebruik.
De komende decennia verschuift de wijze waarop we ons verplaatsen naar allerlei nieuwe vormen. Daarbij maken we slim gebruik van huidige en nieuwe technologie, data en nieuwe verbondenheid tussen allerlei aanbieders van vervoer. Daarmee geven we nieuwe impuls aan de leefbaarheid in onze stad. Dit betekent dat we dergelijke plekken willen creëren, samen met ondernemers en vervoerders, in de vorm van mobiliteit Hubs. We gaan onderzoeken of we dergelijke mobiliteit Hubs kunnen creëren, onder andere op het knooppunt van de Rembrandtlaan en de Zwartewaterallee.
Om te waarborgen dat beide leidende principes ook daadwerkelijk worden toegepast leggen we bij alle toekomstige fysieke gebiedsontwikkelingen in de stad altijd verplicht een Mobiliteits Programma van Eisen (MPvE) op. Hiermee wordt gewaarborgd dat duurzame mobiliteit integraal bij de gebiedsontwikkeling wordt meegenomen. Het STOMP-principe en de Ladder vormen daarbij het uitgangspunt.
Mobiliteitsbeleid
Het op dit moment vigerende Zwolse mobiliteitsbeleid vloeit voort uit het rijks - en provinciaal beleid en is verwoord in de Mobiliteitsvisie. De Mobiliteitsvisie is door de gemeenteraad vastgesteld op 16 december 2019. In de Mobiliteitsvisie komt naar voren dat de verdere groei van de mobiliteit niet zonder meer opgevangen wordt door de mobiliteitsvraag te faciliteren met nieuwe infrastructuur. En dat de ambitie is voornamelijk te investeren in een bereikbaar en toegankelijk Zwolle, waarbij mobiliteit gaat bijdragen aan andere Zwolse doelstellingen. Van economische groei tot de woningbouwopgave; van klimaat neutrale gemeente tot gezonde en vitale wijken.
De ambitie is dat we ervoor zorgen dat Zwolle ook in de toekomst goed bereikbaar is door fietsen, lopen en reizen met het openbaar vervoer te stimuleren én door het autogebruik beter te spreiden. Alleen met al deze maatregelen kunnen we de knelpunten in het Zwolse verkeer voldoende wegnemen om de verwachte groei van verkeersdeelnemers op te vangen en Zwolle bereikbaar, veilig en leefbaar te houden.
Zwolle heeft een gunstige positie qua ontwikkeling. In de na te streven doelen op het gebied van duurzaamheid, milieu, bereikbaarheid, economische groei, leefbaarheid en dergelijke is het daarom noodzakelijk om prioriteiten te stellen. Zwolle wil de kwaliteiten als bereikbare en gezonde stad vasthouden door, naast de noodzakelijke uitbreiding van de infrastructuur, de samenleving te mobiliseren om de groeiende vraag naar mobiliteit om te buigen in een duurzame richting.
De STOP-methode is in Zwolle leidend bij al onze ontwerpopgaven voor infrastructuur bij de inrichting van de buitenruimte. We gaan eerst uit van Stappen (wandelaars), en vervolgens kijken we naar Trappen (fietsers) dan het OV en tot slot de Personenauto's.
Op 28 maart 2024 is de Regeling Parkeernormen Zwolle vastgesteld. Het beleid van de Gemeente Zwolle is dat de parkeeropgave van een bouwplan of een ontwikkeling primair op eigen terrein van het bouwplan of ontwikkeling gerealiseerd moet worden. Wat de parkeeropgave is, wordt bepaald aan de hand van de parkeerkencijfers CROW. De aan te leggen parkeerplaatsen dienen ook te voldoen aan de eisen uit de Regeling Parkeernormen over maatvoering en bruikbaarheid.
Het plan bestaat uit een relatief kleine functiewijziging. De Kleine Veerweg 4a is een erftoegangsweg in het buitengebied met een maximumsnelheid van 60 km/uur. Bij het plan is geen sprake van een (dusdanig grote) verkeerstoename of een andere wijziging die de mobiliteit onevenredig aantast. Daarnaast maakt Kleine Veerweg voor een deel uit een recreatieve route in het hoofdfietsroutenetwerk van Zwolle. Het plan heeft hier geen invloed op. Voor het parkeren op eigen terrein, zoals voorgeschreven in de Regeling Parkeernormen, is voldoende mogelijkheid.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het plan aan de Kleine Veerweg 4a mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor verkeer/openbare buitenruimte.
Er is vanuit het onderwerp verkeer/openbare ruimte geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
De Omgevingswet biedt de mogelijkheid om in het omgevingsplan regels op te nemen over het uiterlijk van bouwwerken (art. 4.19 Ow). Als de gemeenteraad in het omgevingsplan regels opneemt over het uiterlijk van bouwwerken en de toepassing daarvan uitleg behoeft, stelt de raad beleidsregels vast voor de beoordeling of een bouwwerk aan die regels voldoet. Deze beleidsregels zijn zo veel mogelijk toegesneden op de te onderscheiden bouwwerken.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij stedenbouw en beeldkwaliteit gaat het om instructieregels over ruimtelijke kwaliteit.
Afdeling 4.3 van de verordening geeft instructieregels over het versterken van ruimtelijke kwaliteit door het toepassen van de OF-, WAAR- en HOE-benadering volgens het uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel. Omgevingsplannen dienen een onderbouwing te geven vanuit die benadering, waaruit blijkt dat de nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit.
Het provinciale omgevingsbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel.
Het plan voorziet in het omzetten van de bestaande bedrijfswoning in een reguliere woning en het behouden van de bestaande kapschuur, er worden geen nieuwe bouwmogelijkheden toegevoegd. Voor het ruimtelijke kwaliteit wordt beplanting toegevoegd. Daarom is het plan niet in strijd met het provinciaal omgevingsbeleid.
Gemeente
Omgevingsvisie
Doordat we 10.000 nieuwe woningen willen bouwen voor 2030 in de bestaande stad spreken we van verdichting: op hetzelfde totale oppervlak komen meer woningen. En dus ook meer mensen, meer auto's, fietsen en meer behoefte aan groen en buitenruimte. We worden een stad met een steeds intensiever gebruik. Meer woningen betekent dat er ook meer hogere gebouwen bij komen.
Het voorliggend plan voorziet niet in de bouw van een nieuwe woning.
Beleid stedenbouw en beeldkwaliteit
Op 13 februari 2024 heeft de gemeenteraad de Welstandsnota 2023, versie juli 2023 vastgesteld. Doel van de welstandsnota is het bieden van een toetsingskader voor de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente. De nota geeft gebieds- en objectgerichte welstandscriteria. De welstandsnota beperkt zich daarbij niet tot alleen gebouwen en andere bouwwerken, maar is ook een toetsingskader voor onder andere reclame-uitingen en woonschepen.
Voor de gemeente biedt de nota een toetsingskader voor ingediende bouwinitiatieven, voor de burger biedt de welstandsnota vooraf het kader en de randvoorwaarden voor de ontwikkeling van nieuwe bouwinitiatieven. Met de welstandsnota en de beleidskeuzen die daarin zijn opgenomen, is er een belangrijk instrument voor het gemeentebestuur om te sturen op aspecten van welstand voor de stad, het breedst uit te drukken in het begrip ruimtelijke kwaliteit. Voor de burger biedt de nota vooraf inzicht in de criteria die worden gehanteerd bij de toetsing op welstand.
Op grond van het omgevingsplan van rechtswege (onderdeel bruidsschat) wordt een omgevingsvergunningaanvraag die betrekking heeft op een bouwactiviteit alleen verleend als deze niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de Welstandsnota 2023, versie november 2023.
Het wijzigingsgebied Kleine Veerweg 4a valt in de Welstandsnota onder het buitengebied.
Voor het plan zijn geen specifieke regels van toepassing aangezien het betrekking heeft op een bestaande (bedrijf)woning en bestaande agrarische bebouwing (kapschuur). Het plan is in lijn met de rijks- en provinciale regels met betrekking tot ruimtelijk kwaliteit. Er zijn daarom geen aanvullende criteria over uiterlijk van bouwwerken opgenomen.
Met dit wijzigingsbesluit wordt transformatie aan de Kleine Veerweg 4a mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor stedenbouw en beeldkwaliteit.
Er is vanuit het onderwerp stedenbouw en beeldkwaliteit geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Gemeente
Omgevingsvisie
De in Zwolle aanwezige landschappelijke en natuurwaarden maken deel uit van het fysieke kapitaal van Zwolle, zoals beschreven in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen. De visie wijst onder andere natuurgebieden en landschappen aan als waardevol en zeer waardevol. Kenmerkend voor de stad Zwolle is ook de aanwezigheid van een hoofdgroenstructuur, waar bijvoorbeeld de 'groene longen' van Zwolle onderdeel van uitmaken. Die hoofdgroenstructuur is voor Zwolle zeer waardevol. De stedelijke hoofdgroenstructuur bestaat uit een samenstel van groenelementen die tezamen een betekenis hebben voor de stad als geheel. De hoofdgroenstructuur dient meerdere functies: het draagt ruimtelijk of functioneel bij aan een min of meer aaneengesloten netwerk. Het is op stedelijk niveau in belangrijke mate structuur– en identiteit bepalend, het behoort op stedelijk niveau tot de belangrijkste recreatieve gebruiksruimtes, het begeleidt recreatieve routes, het heeft een belangrijke betekenis voor de stedelijke ecologische structuur en het draagt in belangrijke mate bij aan de leefbaarheid van de stad. De koers is dat de hoofdgroenstructuur in de toekomst behouden blijft, of aangevuld, waar nodig, vanwege het belang voor de gemeente als geheel. Er wordt een terughoudend beleid gevoerd met het toevoegen van nieuwe bebouwing binnen de hoofdgroenstructuur. Naast een stedelijke hoofdgroenstructuur kent Zwolle ook een wijkgroenstructuur. Visie is dat de wijkgroenstructuur in de toekomst in essentie behouden moet worden, vanwege het belang voor een aantrekkelijke en leefbare wijk.
Eén van de geformuleerde topambities is het behouden en beschermen van biodiversiteit en landschap als belangrijke fysieke waarde. Belangrijk is dat de waarden van het fysiek kapitaal op een zorgvuldige wijze wordt meegewogen bij ingrepen in de fysieke leegomgeving. Daarvoor zijn spelregels vastgelegd. Vanuit landschap en natuurwaarden zijn dat:
Uitsnede uit het Groene Kaart: Het wijzigingsgebied ligt in het hoofdgroenstructuur in het buitengebied gelegen buurt Schelle Oldeneel.
Landschapsbeleid
Beleid voor behoud en ontwikkeling van het landschap is vastgelegd in het door de raad vastgestelde Landschapsontwikkelingsplan (LOP) Zwolle, Zwartewaterland en Kampen (2010, deel 1 Visie). Dit beleid is alleen werkzaam voor het buitengebied en het biedt een ontwikkelingskader en inspiratiebron bij het adviseren over ruimtelijke initiatieven in het buitengebied van de gemeente.
Volgens het LOP ligt het plangebied in Gebiedsperspectief D5:
Stroomruggen en dijken (p. 42, 43) - Leefbaar bovenland: Waterlopen, ruggen en oeverwallen als ruggengraat van het gebied met de volgende kenmerken / waarden die behouden en versterkt dienen te worden:
De waarden die op deze gebieden aanwezig zijn, zijn als volgt:
Deze waarden worden middels planregels geborgd voor dit plan.
In het Groen- en Recreatiebeleidsplan '(Be)leefbaar voor iedereen' geeft de visie en de koers op het groen in Zwolle. Dit beleid geeft als leidraad richting in de integrale afweging in gebiedsontwikkelingen. Voor het buitengebied wordt gezocht naar een goede verbinding tussen stad en land. We zoeken naar mogelijkheden om door het hele buitengebied landschapselementen en natuurlijke elementen aan te leggen.
Voorliggend plan is gelegen binnen de hoofdgroenstructuur. Onderdeel van de planvorming is een inrichtingsplan. Het inrichtingsplan is opgenomen als bijlage 2. Met dit inrichtingsplan wordt recht gedaan aan de fysieke landschappelijke waarden die horen bij de hoofdgroenstructuur. De kwaliteitsimpuls is gelegen in het beperken in de bouwmogelijkheden van het agrarisch bedrijf en het planten van bij het gebied passende beplanting.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het plan mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor landschap.
Er is vanuit het onderwerp landschap aanleiding tot het wijzigen van regels van het omgevingsplan van rechtswege, deel uitmakende bestemmingsplan 'Buitengebied - IJsselzone, Windesheim' . Het betreft ten eerste een planregel in de vorm van een voorwaardelijke verplichting inhoudende de plicht het terrein in te richten conform het bij de planregel behorend inrichtingsplan. Ten tweede worden de planregels vervangen met de planregels onder het thema ''Landschap - Landschapswaarden' met werkingsgebied (''overige zone - thema landschap - bescherming landschapswaarden openheid''), die voorzien in het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden van de gronden.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij cultuurhistorie gaat het om instructieregels gericht op het behoud van cultureel erfgoed.
Paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl geeft aan dat in het omgevingsplan rekening dient te worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed worden in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening moet worden gehouden met de in artikel 5.130 Bkl genoemde beginselen. Tevens moet rekening gehouden worden met het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij cultuurhistorie gaat het om instructieregels over het cultureel erfgoed.
Artikel 4.12 van de verordening geeft aan dat in omgevingsplannen rekening gehouden moet worden met de cultuurhistorische waarden die in het gebied aanwezig zijn.
Het provinciale omgevingsbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel. Met dit plan is geen sprake van strijd met de instructieregels.
Gemeente
Omgevingsvisie
De in Zwolle aanwezige cultuurhistorische waarden maken deel uit van het fysieke kapitaal van Zwolle, zoals beschreven in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen. Het Zwolse erfgoed met haar waardevolle gebouwen, structuren, landschappen en archeologische rijkdommen heeft naast de historische en identiteitswaarde een onderscheidende en aantrekkende kracht voor de stad. We richten ons op de instandhouding van en onderzoek naar historisch waardevolle objecten, complexen, stedenbouwkundige en landschappelijke structuren en archeologische waarden. We koesteren het Zwolse erfgoed en zetten het in als één van de leidende en inspirerend principes bij (ruimtelijke) ontwikkelingen.
Belangrijk is dat de waarden van het fysiek kapitaal op een zorgvuldige wijze wordt meegewogen bij ingrepen in de fysieke leegomgeving. Daarvoor zijn spelregels vastgelegd. Vanuit cultuurhistorie zijn dat:
Beleid cultuurhistorie
Het Zwolse beleid zoals verwoord in de vastgestelde beleidsnota voor het Zwols monumenten- en archeologiebeleid (Dynamiek van Oud & Nieuw, 2000) is gericht op de instandhouding van historisch waardevolle objecten, complexen, openbare ruimte en stedenbouwkundige en landschappelijke structuren.
Om op een goede wijze rekening te houden met het cultureel erfgoed zijn de cultuurhistorische waarden binnen de gemeente geïnventariseerd, beschreven en gekwalificeerd. Op basis hiervan is in bestemmingsplannen een beschermende regeling opgenomen voor cultuurhistorisch waardevolle objecten en structuren. Deze maken dus deel uit van het omgevingsplan van rechtswege.
Het plangebied kent geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen of gronden. Het plangebied ligt wel in een zeer waardevol landschap. Het plan betreft gebruikswijziging van de agrarische functie naar regulier wonen. Voor het landschap betekent dat de gronden niet meer bestemd zijn voor de nieuwe ontsierende agrarische bebouwing. De hierboven genoemde instructieregels zijn verder niet van toepassing. Voor specifiek archeologie is een aparte paragraaf (7.4) opgenomen. Voor specifiek landschap is evenwel een aparte paragraaf (7.2) opgenomen.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het plan mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor cultuurhistorie.
Er is vanuit het onderwerp cultuurhistorie geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij archeologie gaat het om instructieregels gericht op het behoud van cultureel erfgoed.
Paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl geeft aan dat in het omgevingsplan rekening dient te worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed worden in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening moet worden gehouden met de in artikel 5.130 Bkl genoemde beginselen.
In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen in een omgevingsplan ook regels worden gesteld over onder andere de eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Uitgangspunt is dat, als in een omgevingsplan regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek, het omgevingsplan bepaalt dat die regels niet van toepassing zijn op activiteiten met een oppervlakte van minder dan 100 m2.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij archeologie gaat het om instructieregels over het cultureel erfgoed.
Artikel 4.12 van de verordening geeft aan dat In omgevingsplannen rekening gehouden moet worden met de cultuurhistorische waarden die in het gebied aanwezig zijn, waaronder archeologische vindplaatsen.
Het provinciale omgevingsbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel.
Gemeente
Omgevingsvisie
De in Zwolle aanwezige cultuurhistorische waarden maken deel uit van het fysieke kapitaal van Zwolle, zoals beschreven in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen. Het Zwolse erfgoed met haar archeologische rijkdommen heeft naast de historische en identiteitswaarde een onderscheidende en aantrekkende kracht voor de stad. We richten ons op de instandhouding van en onderzoek naar archeologische waarden. We koesteren het Zwolse erfgoed en zetten het in als één van de leidende en inspirerend principes bij (ruimtelijke) ontwikkelingen.
Belangrijk is dat de waarden van het fysiek kapitaal op een zorgvuldige wijze wordt meegewogen bij ingrepen in de fysieke leegomgeving. Daarvoor zijn spelregels vastgelegd. Vanuit archeologie is dat:
Beleid archeologie
Het Zwolse beleid zoals verwoord in de vastgestelde beleidsnota voor het Zwols monumenten- en archeologiebeleid (Dynamiek van Oud & Nieuw, 2000) is gericht op de instandhouding van historisch waardevolle objecten, complexen, openbare ruimte en stedenbouwkundige en landschappelijke structuren.
Op 18 augustus 2008 heeft de raad archeologiebeleid vastgesteld. Centraal thema is dat de archeologische waarden waar nodig worden beschermd, zonder dat er meer maatschappelijke lasten in het leven worden geroepen dan noodzakelijk zijn. Het archeologiebeleid Zwolle bevat onder andere de Archeologische Waarderingskaart Zwolle en de Lokale Onderzoeksagenda Archeologie Zwolle (archeologische onderzoeksthema's).
Op basis hiervan is in bestemmingsplannen een beschermende regeling opgenomen. Deze maakt dus deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. De beschermende regels richten zich op activiteiten in gebieden met een archeologische waarde van 50%, 90% en 100%, welke kunnen leiden tot het verstoren van de bodem op een grotere diepte dan 0,5 meter en over een grotere oppervlakte dan 100 m². Belangrijke uitzondering is de historische binnenstad van Zwolle die onder het beschermd stadsgezicht binnen de veste valt. Hier geldt een oppervlaktegrens van 30 m2 en dieptegrens van 0,5 meter beneden het maaiveld. Bij ontgravingen in de binnenstad Zwolle geldt voor elke ontgraving een meldingsplicht.
Voor het gehele wijzigingsgebied geldt de dubbelbestemming ''Waarde - Archeologie". In dit geval hebben de gronden een archeologische verwachtingswaarde die ertoe noopt om een planregel op te nemen ter behoud en bescherming van de archeologische waarden.
De volgende archeologische waardering is voor dit gebied van toepassing:
77: Wijk Schelle Zuid en Oldeneel
Zandhoogtes Oldeneel
Waardering: 50%
''Tussen de grote, langgerekte, parallel aan de IJssel lopende dekzandrug van Ittersumerbroek naar Spoolde en de rivier zelf, ligt nog een aantal kleinere verhogingen, die eveneens parallel aan de rivier lopen. Dit gebied is er een van. Het is waarschijnlijk ook een dekzandrug, waarop later rivierduinvorming heeft plaats gevonden. De bewoning kan teruggaan tot in de prehistorie, maar zeker is bewoning vanaf de 10de-13de eeuw."
Afbeelding: archeologische waardering omgeving Kleine Veerweg 4a
Met het plan wordt transformatie van de bestaande agrarische bedrijfswoning naar een reguliere woonfunctie mogelijk gemaakt. De bestaande agrarische bebouwing in de vorm van kapschuur wordt beperkt met een bouwvlak van maximaal 1.000 m2. Bij eventuele toekomstige ingrepen in het plangebied, die de bodem over een oppervlak van meer dan 100m2 en een diepte van meer dan 0,5m verstoren is archeologisch onderzoek nodig. Dit wordt geborgd met een planregel.
Met dit wijzigingsbesluit wordt transformatie van de Kleine Veerweg 4a mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor archeologie.
Er is vanuit het onderwerp archeologie aanleiding tot het wijzigen van regels van het omgevingsplan van rechtswege, deel uitmakende bestemmingsplan Buitengebied - IJsselzone, Windesheim'. De planregels worden vervangen met de planregels onder het thema 'Erfgoed - gebieden met archeologische (verwachtings)waarde'' voor het wijzigingsgebied.
De fysieke leefomgeving heeft alles in zich om een positieve bijdrage te leveren aan gezondheid. Om dat te bewerkstellingen is in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen gekozen voor een brede benadering die uitgaat van beschermen, bevorderen en faciliteren van een betere gezondheid van bewoners en bezoekers van Zwolle. Er zijn meerdere aspecten die de gezondheid van mensen bepalen. In Zwolle vinden we het belangrijk dat die aspecten van betekenis zijn voor de ontwikkeling van Zwolle: 'Zwolle gezond'.
Gezondheid heeft raakvlakken met meerdere thema's, zoals klimaatadaptatie, biodiversiteit en milieu. We stellen 'Zwolle gezond' centraal als leidend principe voor een toekomstbestendig Zwolle. Hiervandaan zoeken we continu naar win-win situaties. We zetten Zwolle gezond in als handvat voor afwegingen in de fysieke leefomgeving.
Daarbij beschouwt Zwolle milieu als een integraal onderdeel van de fysieke leefomgeving. Milieu is een thema dat van oudsher centraal geregeld is en waarbij in de laatste decennia ook de Europese Unie een grotere rol is gaan spelen. Naast het werken binnen de nationale en Europese kaders op het gebied van milieu krijgen gemeenten ook meer eigen afwegingsruimte om te handelen. Elk gebied is anders, maatwerk en flexibiliteit is daarom nodig. Vanuit dit oogpunt hanteert de gemeente Zwolle onder andere de volgende uitgangspunten:
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij klimaat, energie en circulariteit gaat het om regels over energie en afval.
Afdeling 4.11 van de verordening geeft instructieregels over energie en afval. Het betreft regels gericht op een kwaliteitsimpuls bij zonnevelden, uitsluitingsgebieden voor windturbines, installaties voor onconventioneel gas (schaliegas, steenkoolgas) en opslag van radioactief afval.
Het provinciale omgevingsbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel. Het plan raakt niet de belangen uit het provinciale omgevingsbeleid.
Gemeente
Omgevingsvisie
a. Klimaatadaptie
Kernopgave uit de omgevingsvisie is dat Zwolle in 2050 klimaatbestendig is ingericht en daarmee veilig voor overstromingen en aangepast aan extreem weer. Door het veranderende klimaat is dat een ambitie die impact heeft op de fysieke leefomgeving om ook in de toekomst veilig en beschermt tegen het water te kunnen wonen, ondernemen en recreëren in Zwolle. We benutten en versterken de samenhang in het watersysteem dat bestaat uit verschillende onderdelen.
Ten eerste het hoofdwatersysteem met de hoofdwater-keringen en het regionale watersysteem. Ten tweede de groen- blauwe structuur in de bestaande stad met daarin ruimte voor sponswerking en het tegengaan van hittestress. Onderling zijn de verschillende onderdelen met elkaar verbonden en vormen ze een fysieke onderlegger voor de omgevingsvisie om te komen tot een klimaatbestendig en adaptief Zwolle.
De klimaatadaptatie maatregelen die onderdeel zijn van het streefbeeld groenblauwe structuur hebben als doel om schade te reduceren en meerwaarde te leveren aan een aantrekkelijk en robuust Zwolle nu en in de toekomst. Met klimaatadaptatie maken we voor de uitvoer van maatregelen koppelingen met andere opgaven waar Zwolle voor staat, zoals het vergroten van biodiversiteit, versterken van de omgevingskwaliteit en het verbeteren van de gezondheid van Zwolse inwoners.
b. Energieneutraal
Energietransitie betekent de overgang van stroom en warmte uit fossiele brandstoffen, zoals gas, kernenergie en steenkolen, naar volledig groene energie, zoals energie uit zon, wind, biomassa, de diepe ondergrond en water. De ontwikkeling naar een duurzame energievoorziening. Deze ontwikkeling kent twee sporen. Het eerste is het verminderen van het energieverbruik. Het tweede de opwekking van duurzame energie (wind, zon, aardwarmte, waterkracht). Uitgangspunt is dat bij nieuwbouwontwikkelingen en herontwikkelingen deze minimaal energie neutraal zijn en bij voorkeur 'Nul op de Meter' op gebiedsniveau.
Het landelijke klimaatakkoord is de komende jaren de leidraad voor de energietransitie. Hierin wordt richting gegeven hoe klimaatdoelen te gaan realiseren. Dit vanuit 5 verschillende invalshoeken: Industrie, Landbouw, Elektriciteit, Gebouwde omgeving en Mobiliteit. De energietransitie en de wens van de gemeente Zwolle om in 2040 energieneutraal (Zwolse coalitieakkoord 2022-2026) te zijn heeft impact op Zwolle als geheel en de omliggende regio. De voornaamste raakvlakken richten zich op de duurzame opwek van elektriciteit en warmte, de gebouwde omgeving en mobiliteit. De omgevingsvisie wijst onder andere kansrijke gebieden aan voor zonneparken en windmolens.
c. Circulariteit
Circulariteit betreft de circulaire economie, welke een essentieel onderdeel vormt van de duurzame ontwikkeling van de stad Zwolle. De circulaire economie is een economie waarin de waarde van grondstoffen zoveel mogelijk behouden blijft. Ook is het niet vanzelfsprekend meer dat producten worden aangeschaft en afgedankt, maar bijvoorbeeld worden gedeeld, gehuurd of geleased.
Nederland wil in 2050 een circulaire economie zijn; een economie zonder afval, waarbij alles draait op herbruikbare grondstoffen. We maken de transitie van onze huidige take-make-waste, lineaire economie naar een circulaire. Voor onze eigen bedrijfsvoering en projecten waar we als opdrachtgever betrokken zijn, geldt dat we een voorbeeldfunctie willen vervullen. We willen de stad en de regio inspireren hoe de transitie naar een circulaire economie te maken.
De ambities op het gebied van circulaire gebiedsontwikkeling worden in de omgevingsvisie al deels vertaald naar de ambities op het gebied van mobiliteit, energie, klimaat, water, natuur inclusief bouwen en nieuwe stedelijkheid. Algemeen uitgangspunt voor een circulaire gebiedsontwikkeling zijn vier principes:
Circulair bouwen gaat om beschermen van grondstoffen, het beschermen van het milieu en het behouden van functionaliteit. Daarvoor zetten we de eerste stappen naar een Zwolse aanpak.
Zwolle stelt een Zwolse standaard op voor het circulair bouwen van nieuwbouw, renovatie en de aanleg en beheer van de buitenruimte. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij landelijke keurmerken en regelgeving.
KEC toets
De Omgevingsvisie Mijn Zwolle van Morgen geeft aan dat bij nieuwe initiatieven altijd een KEC-toets wordt opgesteld. KEC staat voor klimaatadaptatie, energietransitie en circulariteit. We vinden het belangrijk dat bij elke ontwikkeling in de fysieke leefomgeving deze drie thema's integraal afgewogen worden.
Voor het plan zijn geen specifieke regels van toepassing aangezien het betrekking heeft op een bestaande (bedrijf)woning en bestaande agrarische bebouwing (kapschuur). Met het wegbestemmen van een deel van de agrarische functie valt de noodzaak in een bedrijfswoning weg. Hierdoor zou de bedrijfswoning gesloopt moeten worden. Het toestaan van de reguliere woonfunctie betekent het benutten van een bestaande woning en het voorkomen van leegstand. Het plan is daarmee in lijn met de rijks- en provinciale regels met betrekking tot klimaat, energie en circulariteit.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het plan mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor klimaat, energie en circulariteit.
Er is vanuit het onderwerp klimaat, energie en circulariteit geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij water gaat het om instructieregels gericht op het beschermen van de waterbelangen.
Paragraaf 5.1.3 , artikel 5.37 Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Deze paragraaf geeft verder specifieke instructieregels over onderdelen van watersystemen in het omgevingsplan, waaronder primaire waterkeringen, grote rivieren en het IJsselmeergebied, waarbij onder andere het rivierbed en reserveringsgebieden worden aangewezen.
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het rivierbed van de grote rivieren, moeten bij het toelaten van activiteiten een aantal waarborgen worden opgenomen, gericht op het beschermen van de waterbelangen.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij water gaat het om instructieregels over het water- en bodemsysteem, grondwaterbeschermingsgebieden en watergebiedsreserveringen.
Afdeling 4.4 van de verordening geeft aan dat In omgevingsplannen alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. In die onderbouwing moet bij een ontwikkeling in het landelijk gebied in ieder geval duidelijk worden gemaakt hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is.
Afdeling 4.8 van de verordening geeft instructieregels over omgevingsplannen, waarin onder andere ruimtelijke ontwikkelingen worden toegestaan, in ter bescherming van het grondwater aangewezen gebieden, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van het grondwater dat wordt gebruikt voor de bereiding van water voor menselijke consumptie. Het kan gaan om waterwingebieden, grondwaterbeschermingszones, intrekgebieden en boringsvrije zones.
Afdeling 4.9 van de verordening geeft instructieregels over aangewezen watergebiedsreserveringen waarin onder andere ruimtelijke ontwikkelingen worden toegestaan. Gericht op het beperken van negatieve gevolgen van overstromingen en wateroverlast in gebieden die een verhoogd risico lopen om onder water te lopen. Het kan gaan om primaire watergebieden, waterbergingsgebeden, overstromingsrisicogebieden, en overstroombaar gebied.
Het provinciale omgevingsbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel. Het plan raakt niet de belangen uit het provinciale omgevingsbeleid.
Waterschap
Het beleid van Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta) is beschreven in het Waterbeheerprogramma 2022-2027, de Kadernotitie Stedelijk Water, beleid inrichting beheer en onderhoud op maat en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Het beleid van het waterschap sluit nauw aan bij de uitgangspunten van WB21.In 2021 is de Kadernotitie Stedelijk Water vastgesteld. Deze notitie beschrijft de voor het waterschap gewenste situatie in bestaand en nieuw stedelijk gebied. Om deze situatie te bereiken heeft het waterschap in 2015 het beheer en onderhoud van deze wateren overgenomen van de gemeente Zwolle. Op watergangen en keringen van Waterschap Drents Overijsselse Delta is de waterschapsverordening van het waterschap Drents Overijsselse Delta van toepassing. In de waterschapsverordening zijn regels gesteld wat wel en niet mag bij o.a. watergangen, waterkeringen, kernzones en bijvoorbeeld lozingen.
Gemeente
Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen geeft als aandachtspunt het belang van het in stand houden van in de omgeving aanwezige waterstaatkundige functies. Paragraaf 8.1 van deze motivering geeft het kader voor water vanuit het perspectief van klimaat.
Beleid water
Gemeente Zwolle heeft haar beleid ten aanzien van afvalwater, grondwater en hemelwater vastgelegd in het Gemeentelijke Riolerings Programma 2022-2026. Hier staan ook ontwerprichtlijnen in beschreven waaraan voldaan moet worden.
De door de raad vastgestelde Hemelwaterverordening 2022 geeft, met het oog op het beperken van wateroverlast en het verminderen van droogteschade, regels over het afvoeren en opvangen van hemelwater bij het bouwen van een bouwwerk en bij het aanleggen of vervangen van verhard oppervlak. Deze verordening maakt deel uit van het omgevingsplan van rechtswege.
Waterstructuur
Het plangebied ligt in het beheersgebied van waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD). In onderstaande afbeelding zijn de op de legger van het waterschap geregistreerde watergangen weergegeven. Voor het plan is het van belang of er rond het plangebied oppervlaktewaterlichamen, ook wel watergangen genoemd, en/of een bergingsgebied aanwezig zijn. Bij watergangen wordt onderscheidt gemaakt in A- en B-oppervlaktewaterlichamen.
In het plangebied bevinden zich watergangen in het beheer van het waterschap. Langs de Kleine Veerweg ligt een watergang in beheer van de gemeente. Het betreft een functiewijziging, er vinden geen werkzaamheden aan of nabij de watergang plaats.
Ten westen van het plangebied bevindt zich Schellerwade.
Huidige waterstructuur (bron: legger Waterschap Drents Overijsselse Delta)
Het plangebied ligt in grondwaterbeschermingsgebied. In dit gebied zijn gronden aangewezen voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening in het waterwingebied.
Omdat het plan niet voorziet in een nieuwbouw, maar het wijzigen van een gedeelte van de agrarische gronden naar een woonfunctie, is hier geen sprake van een nieuwe situatie. Er is geen sprake van nadelige gevolgen voor de grondwaterbeschermingsgebied.
Riolering
In de Kleine Veerweg ligt drukriolering. In de huidige situatie is het afvalwater van de bestaande bedrijfswoning aangesloten op de gemeentelijke drukriolering. Hemelwater mag niet aangesloten worden op drukriolering en moet op eigen terrein verwerkt worden.
Wateroverlast
Om wateroverlast en schade in gebouwen te voorkomen, wordt geadviseerd om een vloerpeil van minimaal 20 cm boven het niveau van het erf te hanteren. Indien van toepassing moet ook aan lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, ventilatieschachten) aandacht worden besteed om wateroverlast te voorkomen (bv. toepassing van waterdichte materialen of drempels). De woning ligt ruim 30 cm boven het omliggende maaiveld.
Overstromingsrisico
Het plan ligt in een overstroombaar gebied. Onder overstroombaar gebied verstaan we gebieden die normaal niet onder water staan, maar kunnen overstromen (tijdelijk onder water staan). Het gaat zowel om uiterwaarden die frequent onder water staan (buitendijks) als om beschermde gebieden achter de dijk (binnendijks). Beide vallen onder het toepassingsbereik van de Europese Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR).
Met behulp van de Klimaateffectatlas (onderstaande figuur) wordt de maximale waterdiepte in het plangebied tijdens een overstroming geschat tussen de 2,0 tot 5,0 meter. De mogelijke waterdiepte kan daarmee worden aangeduid als redelijk diep tot diep.
Uitsnede Klimaateffecteatlas: Maximale waterdiepte plangebied
Uit de Klimaateffectatlas blijkt dat er een kleine kans (van 1 keer in de 1000 jaar) in het plangebied een waterdiepte van 1,5 - 2 m staat als gevolg van overstroming. Een middelgrote kans (van 1 keer in de 100 jaar) geldt voor een waterdiepte van onder 50cm. Er is een bijzonder kleine kans (van 1 keer in de 100.000 jaar) op een waterdiepte van meer dan 2 tot 5 meter.
In het plangebied dient rekening te worden gehouden met mogelijke overstroming(en). Het betreft hierbij ook bewustwording dat bouwen/wonen in risicovolle gebieden bepaalde risico's met zich meebrengt en dat hier adequaat mee omgesprongen dient te worden. Wat betreft maatregelen kan worden gedacht aan: aanvullend ophogen (voor zover mogelijk) van het plangebied, voldoende hoog aanbrengen vloerpeil, verhoogde drempels, zodanige inrichting gebouw dat bij eventuele overstroming schade zoveel mogelijk wordt beperkt (denk aan materiaalgebruik en minder gevoelige ruimten op de begane grond), aansluiting van het plangebied op dichtstbijzijnde weg waardoor bereikbaarheid gewaarborgd blijft en opstellen van een evacuatieplan. Meer informatie is o.a. te vinden op de website www.onswater.nl.
Watertoets
Voor het plan is een watertoets uitgevoerd op de website www.dewatertoets.nl. De conclusie van deze digitale watertoets is dat het plan geen waterschapsbelangen raakt. Het waterschap gaat akkoord met het plan. Het plan betreft alleen een functieverandering van bestaande bebouwing en heeft geen invloed op de waterhuishouding. Er is geen sprake van (grond) wateroverlast in de omgeving van het plan. Er is geen waterschapsbelang.
Met dit wijzigingsbesluit wordt transformatie van Kleine Veerweg 4a mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor water.
Er is vanuit het onderwerp water aanleiding tot het wijzigen van regels aan het omgevingsplan van rechtswege, deel uitmakende bestemmingsplan Buitengebied - IJsselzone, Windesheim. Het betreft grondwaterbeschermingsregels. De instructieregels vanuit Provinciale verordening gelden rechtstreeks op de aangewezen gebieden, waaronder het wijzigingsgebied. Daarom is hier geen aanleiding om apart regels voor op te nemen.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels:
- Regels die in acht moeten worden genomen;
- Regels waar rekening mee moet worden gehouden;
- Regels die moeten worden betrokken bij de wijziging;
Bij bodemkwaliteit gaat het om instructieregels gericht op het beschermen van de gezondheid en het milieu.
Paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl geeft aan dat een omgevingsplan waarden bevat voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Bij het vaststellen van die waarden wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Een omgevingsplan kan per gebied of per gebruiksfunctie verschillende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties bevatten. Het omgevingsplan kan ook hogere waarden bevatten dan de waarden, bedoeld in bijlage IIA. Een omgevingsplan bepaalt tevens dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde alleen is toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij bodemkwaliteit gaat het om instructieregels over het water- en bodemsysteem en bodembescherming..
Afdeling 4.4 van de verordening geeft aan dat In omgevingsplannen alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. In die onderbouwing moet bij een ontwikkeling in het landelijk gebied in ieder geval duidelijk worden gemaakt hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is.
Paragraaf 4.12 van de verordening geeft instructieregels over bodembescherming. Gericht op een zorgvuldige aanpak van bodemverontreinigingen die risico's opleveren voor de mens en leefomgeving; en van bodemverontreiniging in waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones. Het geeft onder andere instructieregels voor gemeenten over activiteiten met mogelijke risico's voor de kwaliteit van het grondwater en in het bijzonder voor de kwaliteit van het grondwater in of nabij waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones.
Het provinciale omgevingsbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel. Het plan is niet in strijd met het provinciale beleid.
Gemeente
Omgevingsvisie
Vaak door historisch gebruik en bedrijfsactiviteiten is op verschillende plekken in Zwolle de bodem verontreinigd geraakt. Daarom hebben we de afgelopen jaren veel van deze verontreinigingen aangepakt door ze te saneren en/ of gebiedsgericht te beheren. Hierdoor zijn eventuele risico's voor mens en dier weggenomen. Nieuwe bodemverontreiniging willen we voorkomen, en als dit toch gebeurt dan moet deze verontreiniging zoveel mogelijk worden beperkt dan wel ongedaan worden gemaakt door de vervuiler. Daarnaast stimuleren we het hergebruik van grond die vrijkomt binnen de stad en geschikt is om elders toe te passen.
Bodembeleid
Op 9 december 2008 heeft de gemeente Zwolle een bodemfunctieklassenkaart vastgesteld, waarop voor de hele gemeente wordt aangegeven welke functie de bodem heeft of welke functie in de toekomst wordt nagestreefd. De functieklassenindeling is gebaseerd op het gebiedsgericht milieubeleid van de gemeente. De volgende functies worden onderscheiden: wonen, industrie, water, landbouw/natuur, buitendijksgebied, AW2000 ('schone grond') en hoofdwegen. Het Bodembeleidsplan (2017) kent in overeenstemming met het gemeentelijk milieubeleid een gebiedsgerichte benadering. Volgens het gemeentelijke Bodembeleidsplan mag de Bodemkwaliteitskaart (2021) als kwaliteitsbewijs worden gebruikt bij het ontwikkelen van een locatie. Een onderzoek is dan niet nodig.
Het plan betreft een gedeeltelijke wijziging van het plangebied van agrarisch naar wonen. Omdat het gebruik bodemgevoeliger wordt, is de planlocatie onderzocht. Een aangeleverd bodemonderzoek is uitgevoerd door Grondvitaal B.V. welke als bijlage 4 bij de motivering is bijgevoegd. Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform NEN 5725.
Op de locatie bevindt zich een bedrijfswoning met een garage en een kapschuur. Uit de informatie die bekend is over de locatie, blijkt dat de schuur hier vanaf 2012 is aanwezig en de woning vanaf 2015 is aanwezig. Daarvoor is de locatie altijd agrarisch gebied geweest. Het onderzoeksgebied betreft op dit moment een agrarisch bedrijf met bijbehorende bedrijfswoning en de onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van maximaal 1.540m². Er hebben voor zover bekend geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsgevonden waardoor een bodemverontreiniging is ontstaan. Voor zover bekend zijn op de locatie geen olietanks of andere verontreinigingsbronnen aanwezig (of aanwezig geweest).
De resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek vormen geen aanleiding voor het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek is de locatie geschikt voor de toekomstige bestemming.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het plan Kleine Veerweg 4a mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor bodemkwaliteit.
Er is vanuit het onderwerp bodemkwaliteit geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij ondergrond gaat het over winlocaties grondstoffen.
Paragraaf 4.11.1 van de verordening geeft instructieregels over winlocaties grondstoffen, gericht op het duurzaam benutten van de ondergrond als bron van grondstoffen waaronder oppervlaktedelfstoffen.
Het provinciale omgevingsbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel. Het plan raakt niet de belangen uit de provinciale beleidregels.
Gemeente
Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen geeft aan dat Zwolle In de komende jaren in de (ondiepe) ondergrond te maken krijgt met een aantal grote ontwikkelingen en opgaven, zoals de klimaatopgave, de energietransitie en de verstedelijkingsopgave.
Met de ondergrond willen we de verdere duurzame ontwikkeling van Zwolle mogelijk maken en de opgaves ondersteunen. De bijdrage van de ondergrond aan duurzame ontwikkeling richt zich op: een gezonde leefomgeving, de energietransitie, klimaatadaptatie en de netwerklaag. De netwerklaag is de ondiepe ondergrond met de kabels en leidingen.
Beleid ondergrond
In juni 2007 heeft de gemeenteraad van Zwolle ingestemd met de Visie op de Ondergrond en besloten de volgende vijf basisprincipes vast te stellen en te gaan toepassen in projecten:
Deze vijf basisprincipes vormen ook het vertrekpunt voor de beleidsmatige invulling voor het omgaan met de ondergrond. Het Bodembeleidsplan levert een bijdrage aan de implementatie van de vijf basisprincipes door:
Bij dit plan wordt niet (diep) in de grond gegraven of vinden er andere werkzaamheden plaats die in strijd zijn met de regels die zien op de ondergrond. Wel bevindt zich in het wijzigingsgebied een hoofdwaterleiding. Hiervoor is een functie Hoofdwaterleidingen met aangewezen gebiedswerking opgenomen.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het plan Kleine Veerweg 4a mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor ondergrond.
Er is vanuit het onderwerp ondergrond aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan. Voor het gebruiken van gronden ter plaatse van de functie 'Leiding – Water' is een planregel opgenomen.
Gemeente
Omgevingsvisie
Zwolle beschouwt in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen milieu als een integraal onderdeel van de fysieke leefomgeving. Milieuruimte is niet fysiek zichtbaar maar van groot belang om de bewoners, werkers en bezoekers van Zwolle te beschermen tegen de nadelige effecten van een groeiende en verdere verstedelijking van de stad van bijvoorbeeld de nadelige effecten op de gezondheid van werklocaties, infrastructuur en energiewinning. Aan de andere kant hebben bijvoorbeeld werklocaties maar ook energiewinning voldoende milieuruimte nodig om optimaal te kunnen functioneren en zich te kunnen ontwikkelen. Het betekent overigens niet dat ontwikkelingen of gebruik door kwetsbare functies binnen de zones uitgesloten worden, er dient wel rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van de milieuruimte (en de bijbehorende belangen).
Met dit plan wordt op een agrarisch perceel binnen het plangebied een 'nieuw' gevoelig object opgericht. Het bestaande gevoelige object verandert van functie met dit plan. Met behulp van de VNG uitgave 'Activiteiten en milieuzonering' dient aangetoond te worden dat:
1. ter plaatse van de functie 'wonen' sprake is van een gezond woon- en leefklimaat;
2. met de realisatie van de woonfunctie omliggende bedrijven niet belemmerd worden in hun bedrijfsvoering.
In de VNG-publicatie 'Activiteiten en milieuzonering' zijn twee omgevingstypen opgenomen voor de omgevingskwaliteit: 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig tot geen verstoring van verkeer. Het omgevingstype 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarisch en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.
Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van Zwolle en is gelegen in een omgeving wat kan worden aangemerkt als gemengd landelijk gebied.
Nu geldt nog een zone 3 (richtafstand van 100 meter) omdat op de locatie sprake is van een vergund agrarisch melkveebedrijf. Met voorliggend plan komt deze afstand te vervallen voor het vergunde melkveebedrijf ter plaatse. Op locatie zal in de beoogde situatie sprake zijn van opslag van agrarische werktuigen en machines. Hiervoor geldt milieucategorie 1-2. De grootste richtafstand bij deze milieucategorie is 30 meter. Hieraan wordt voldaan, de afstand tussen het woonperceel en het bouwvlak van de kapschuur bedraagt circa 41 meter. Daarnaast geldt dat aan de Kleine Veerweg 5a een melkveebedrijf is gevestigd. Hiervoor geldt een richtafstand van 100 meter. Bedrijvigheid vindt daar plaats alleen binnen het bestaande bouwvlak, waarmee de afstand geborgd blijft.
Middels het onderstaand tabel zijn de omliggende bedrijfsactiviteiten (feitelijk en planologisch) in kaart gebracht.
Uit bovenstaande tabel blijkt dat voor geur niet kan worden voldaan aan de richtafstand van 100 meter tot de Kleine Veerweg 5a. In paragraaf 8.9 wordt dit nader toegelicht en uitgewerkt. Hieruit blijkt dat er genoeg afstand zit tussen het gevoelige object (de woning) en het desbetreffende rundveebedrijf. Omgekeerd zorgt de nieuwe woonbestemming niet voor belemmering van de omliggende bedrijven/inrichtingen. Het plan zorgt daarmee niet voor extra hinder voor de omgeving.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het plan Kleine Veerweg 4a mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor milieuzonering.
Er is vanuit het onderwerp milieuzonering aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan. Er is een werkingsgebied van de functie ''Agrarisch - bedrijfsmatige activiteiten' met een planregel opgenomen. Binnen dit werkingsgebied kunnen de gronden worden gebruikt voor inpandig opslag van agrarisch materiaal, agrarische werktuigen en goederen ten behoeve van het agrarisch bedrijf aan de Kattenwinkelweg 3.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij geluid gaat het om instructieregels over geluid door:
gericht op de bescherming van de gezondheid en het milieu.
Paragraaf 5.1.4.2 Bkl geeft instructieregels bij het in een omgevingsplan toelaten van:
Geacht wordt in een omgevingsplan rekening te houden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Een omgevingsplan voorziet erin dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hieraan wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geluidgevoelig gebouw en grenswaarden voor geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen. Een omgevingsplan kan, gelet op de aard of locatie van de activiteit of cumulatie, andere waarden bevatten dan de standaardwaarden. Dit mag niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden.
Een omgevingsplan bepaalt dat in het Bkl benoemde activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken niet worden verricht. Een omgevingsplan bepaalt verder dat de waarden die het omgevingsplan bevat voor geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen of in geluidgevoelige ruimten niet van toepassing zijn op onversterkt menselijk stemgeluid (tenzij muziekgeluid of daarmee vermengd) en hulpdienstvoertuigen. Het Bkl bevat een aantal mogelijkheden tot flexibiliteit, waarmee onder bepaalde omstandigheden en criteria in het omgevingsplan afgeweken kan worden van de standaardwaarde.
Paragraaf 5.1.4.2a Bkl betreft geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Deze is van toepassing op een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan en dat geheel of gedeeltelijk ligt in een geluidaandachtsgebied van:
Er zijn meerdere subparagrafen:
Bij omgevingsplan kunnen omgevingswaarden worden vastgesteld. Bij omgevingsplan worden in ieder geval als omgevingswaarden geluidproductieplafonds vastgesteld rondom industrieterreinen waar in het Bkl bepaalde activiteiten kunnen worden verricht die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. De begrenzing van een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, wordt vastgelegd in het omgevingsplan. En een omgevingsplan bevat regels over activiteiten gericht op het voldoen aan de geluidproductieplafonds.
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door wegen en spoorwegen op bestaande en toegelaten geluidsgevoelige gebouwen. Daarbij wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld. Een omgevingsplan moet erin voorzien dat het geluid door de (spoor)weg op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Een omgevingsplan dat de aanleg of wijziging (zoals gedefinieerd in art. 5.78 j Bkl) van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg toelaat, voorziet erin dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de respectievelijke standaardwaarden. Als zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen kan een omgevingsplan meer geluid dan de grenswaarden toelaten.
Bij het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied moet rekening gehouden worden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Hierbij dient de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld te worden. Een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat voorziet erin dat het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Hieraan wordt voldaan door toepassing te geven aan de standaardwaarden. Een omgevingsplan voorziet erin dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde. Een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, kan onder voorwaarden erin voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de standaardwaarde, mits niet hoger dan de bepaalde grenswaarde. In bepaalde omstandigheden kan een omgevingsplan erin voorzien dat de grenswaarde wordt overschreden (o.a. bij vervangende nieuwbouw, functiewijziging, zwaarwegende belangen).
Een omgevingsplan dat een toename van de verkeersintensiteit veroorzaakt op een (spoor)weg voorziet erin dat het geluid door die (spoor)weg op geluidgevoelige gebouwen niet meer dan 1,5 dB toeneemt als gevolg van die toename van de verkeersintensiteit. Onder voorwaarden kan zo'n omgevingsplan erin voorzien dat het geluid met meer dan 1,5 dB toeneemt, mits niet hoger dan de bepaalde grenswaarde. Zwaarwegende economische of maatschappelijke belangen kunnen aanleiding zijn meer geluid dan de grenswaarde toe te laten.
In een omgevingsplan, dat een wijziging in de geluidoverdracht in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg en industrieterrein toelaat welke gevolgen heeft voor die geluidoverdracht, wordt voor geluidgevoelige gebouwen die als gevolg van die wijziging een significante toename van geluid ondervinden bepaald of geluidbeperkende of -werende maatregelen worden getroffen.
Provincie
Het provinciale omgevingsbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel. Het plan raakt niet de belangen uit de provinciale beleidregels.
Gemeente
Omgevingsvisie
Er zijn functies die geluidshinder veroorzaken, zoals bedrijvigheid en verkeer, en functies die gevoelig zijn voor geluid, zoals wonen, onderwijs en zorg. De Omgevingsvisie Mijn Zwolle van Morgen stelt dat de voortdurende balans tussen het behouden van geluidsruimte voor geluidshinder veroorzakende functies enerzijds en het waarborgen van de leefbaarheid in gebieden met geluidsgevoelige functies anderzijds in de toekomst een belangrijke afweging blijft om bij plan- en beleidsvorming mee te nemen.
Rondom de belangrijkste werkgebieden van Zwolle liggen geluidzones. Deze geluidzones hebben als doel de bewoners te beschermen tegen het geluid van de bedrijven. De bedrijven hebben deze geluidruimte nodig om te werken en geen overlast te veroorzaken naar omwonenden. Deze geluidzones behouden we en worden gerespecteerd bij ruimtelijke ontwikkelingen omdat ze van belang zijn voor de economische ontwikkeling en een gezond leefklimaat.
Geluid speelt een belangrijke rol rondom de infrastructuur, waarbij met name de A28 een belangrijke rol speelt. Ook het verkeer op de ring van Zwolle is een belangrijk aandachtspunt voor de leefgebieden rondom deze infrastructuur. In het invloedgebied van de belangrijkste infrastructuur zal bij nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden worden met geluid om de leefbaarheid in de gebieden en de gezondheid van bewoners te waarborgen.
Beleid Geluid
In de door de gemeenteraad vastgestelde 'Handreiking gebiedsgericht werken aan milieu gemeente Zwolle' (juli 2007) en in de beleidsregel 'Hogere waarden Wet geluidhinder' (9 februari 2007) worden de ambities en de grenswaarden per gebiedstype genoemd.
Na het toekennen van een woonbestemming aan de woning ter plaatse van de Kleine Veerweg 4a wordt deze woning een geluidgevoelig gebouw. In de omgeving is een aantal bedrijven aanwezig. In het plangebied zelf is een kapschuur aanwezig.
Betekenis voor kapschuur in relatie tot reguliere woning
De kapschuur behoudt zijn agrarische functie. De kapschuur zal gebruikt worden voor opslag van agrarische machines, werktuigen en goederen en zal daarmee een beperkte geluidbelasting veroorzaken op de woning. Er wordt geen mogelijkheid geboden om de kapschuur verder uit te breiden.
De woning staat op een afstand van ruim 40 meter van de kapschuur (gemeten vanaf bouwvlakgrens tot perceelsgrens). Hiermee kan voldaan worden aan de richtafstand voor geluid. Daar voor de kapschuur geen uitbreidingsmogelijkheden worden toegestaan zal dit naar de toekomst toe geen belemmering opleveren voor de woning. Er blijft sprake van een evenredige toedeling van functies aan locaties.
Betekenis voor de reguliere woning in relatie tot omliggende bedrijven
Ten noorden van de woning is ter plaatse van de Kleine Veerweg 5a een melkrundveehouderij aanwezig. Dit is het dichtstbijzijnde bedrijf. Binnen een straal van 500 meter zijn geen andere bedrijven aanwezig. Voor deze melkrundveehouderij geldt eveneens deelomgevingsplan 'Buitengebied – IJsselzone, Windesheim'. Om de geluidhinder afkomstig van dit agrarisch bedrijf te beschouwen wordt aangesloten bij de systematiek van de VNG-uitgave 'Activiteiten en milieuzonering' (2024). Op basis van deze systematiek geldt voor de melkrundveehouderij milieucategorie 3.2 (SBI-code 0141, 0142, Fokken en houden van rundvee). De bijbehorende richtafstand voor geluid binnen deze milieucategorie bedraagt 30 meter. De afstand van de melkrundveehouderij tot de gevel van de woning op de planlocatie bedraagt 60 meter. Derhalve is er akoestisch gezien geen belemmering geconstateerd om de voorgenomen reguliere woonbestemming toe te kennen.
De omliggende bedrijven worden door de reguliere woning eveneens niet belemmerd, omdat er voldoende afstand is tussen de gevel van de woning en het dichtsbijzijnde bedrijf. Hiermee is er geen aanleiding voor een akoestisch onderzoek.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het plan aan de Kleine Veerweg 4a mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor geluid.
Er is vanuit het onderwerp geluid geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij luchtkwaliteit gaat het om instructieregels gericht op de kwaliteit van de buitenlucht.
Paragraaf 5.1.4 Bkl geeft onder andere aandachtsgebieden aan waarbinnen omgevingswaarden over stikstofdioxide en fijnstof in acht moeten worden genomen. Onder meer bij het toelaten van activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen.
Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl. Dit is in ieder geval zo bij het toelaten van onder andere gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met:
1. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of
2. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen.
Provincie
Het provinciale omgevingsbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel. Het plan raakt geen belangen uit het provinciale omgevingsbeleid.
Gemeente
Omgevingsvisie
Zwolle wil aldus de Omgevingsvisie, binnen de beïnvloedingssfeer van de gemeente, een significante bijdrage leveren aan de verbetering van de luchtkwaliteit.
Het plan betreft een gedeeltelijke wijziging van het plangebied van agrarisch naar wonen. In dit plan wordt geen toename van de verkeersaantrekkende werking verwacht. Het plangebied maakt ook geen onderdeel uit van de aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof en enkel fijnstof zoals benoemd in artikel 5.51 van het Bkl.
Er worden geen dieren gehouden waardoor de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. Het plan betreft geen milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie van ongewenste stoffen in de buitenlucht. Daarnaast zijn er geen intensieve veehouderijen in een straal van 2 km rondom de planlocatie. Dit zorgt ervoor dat er geen sprake is van cumulatie en luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de reguliere woning. De woning zelf belemmert niet de bedrijfsvoering van de melkrundveehouderij en het aanhouden van de kapschuur voor de agrarische bedrijfsvoering.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het plan Kleine Veerweg 4a mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor luchtkwaliteit.
Er is vanuit het onderwerp luchtkwaliteit geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij trillingen gaat het om instructieregels gericht op het beschermen tegen negatieve effecten door trillingen.
Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl is op hoofdlijnen van toepassing op het toelaten op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan. En op het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Onder andere binnen gebouwen toegelaten woonruimten zijn trillinggevoelig.
Geacht wordt in een omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Een omgevingsplan voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimten en herhaald voorkomende trillingen in trillinggevoelige ruimten. Onder bepaalde omstandigheden en voorwaarden kan het omgevingsplan een hogere grenswaarde bevatten, mits de grenswaarden niet worden overschreden. Lagere waarden zijn ook mogelijk. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan ook meer trilling worden toegestaan dan de grenswaarden.
Provincie
Het provinciale omgevingsbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel. Het plan raakt geen belangen uit het provinciale omgevingsbeleid.
Gemeente
Omgevingsvisie
Trillingen treden op als gevolg van met name spoorvervoer. Deze kunnen in sommige gevallen leiden tot hinder of schade aan gebouwen. Om trillinghinder en –schade te voorkomen houden we rekening met dit aspect bij ontwikkelingen binnen 200 meter van het spoor.
Het plan betreft een gedeeltelijke wijziging van het plangebied van agrarisch naar wonen. Er vinden geen activiteiten plaats, dan wel er zijn geen activiteiten toegestaan die trillingen kunnen veroorzaken.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het plan Kleine Veerweg 4a mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor trillingen.
Er is vanuit het onderwerp trillingen geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij geur gaat het om instructieregels gericht op het beschermen van de gezondheid en het milieu.
Paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen, zoals gebouwen met een woonfunctie. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Activiteiten waarvoor deze regels gelden zijn onder andere het exploiteren van zuiveringtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf en andere agrarische activiteiten.
Een omgevingsplan dat regels bevat op grond van subparagraaf 5.1.4.6.2, 5.1.4.6.3 of 5.1.4.6.4 van het Bkl wijst een of meer bebouwingscontouren geur aan. Zo'n omgevingsplan wijst een bebouwingscontour geur aan rond stedelijk gebied. Stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied of lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen kan binnen de bebouwingscontour worden opgenomen.
Volgens artikel 5.92 Bkl wordt rekening gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat deze aanvaardbaar is. Met deze bepaling is geregeld dat bij de vaststelling van een omgevingsplan in ieder geval rekening wordt gehouden met de geur van activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. Wat aanvaardbaar is, kan afhankelijk zijn van de specifieke plaatselijke situatie en vergt een zorgvuldige belangenafweging van de gemeenteraad.
Provincie
Het provinciale omgevingsbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel. Het plan raakt geen belangen uit het provinciale omgevingsbeleid.
Gemeente
Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Mijn Zwolle van Morgen geeft aan dat het thema geur met name in het landelijk gebied speelt en een aandachtspunt is bij de verdere functiemenging van dit gebied en de verweving tussen stad en land. We zoeken naar de juiste balans tussen bedrijven met geurhinder en bescherming van geurgevoelige functies anderzijds.
In de omgeving van het wijzigingsgebied komen functies voor die geur verspreiden. Met het toekennen van een reguliere woonbestemming aan de voormalige bedrijfswoning ontstaat een geurgevoelig gebouw. Voor omliggende bedrijven betekent dit echter niet dat zij hierdoor belemmerd worden in hun bedrijfsvoering. Op grond van artikel 5.106, sub 1, onder a, Bkl moet worden voldaan aan artikel 5.92 Bkl als toepassing wordt gegeven aan artikel 5.112 Bkl. Voor dergelijke geurgevoelige gebouwen geldt een afstand van 50 m (buiten bebouwde kom) tot landbouwhuisdieren met geuremissiefactor. De Kleine Veerweg 5a is de dichtstbijzijnde locatie waar landbouwhuisdieren worden gehouden. Op deze locatie worden geen dieren gehouden waarvoor een geuremissiefactor geldt, in dit geval moet rekening worden gehouden met vaste afstanden. De afstand van de gevel van de woning op de planlocatie tot de grens van het bouwvlak van de Kleine Veerweg 5a bedraagt ca. 62 meter, hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de vereiste minimale afstand. De omliggende bedrijven worden niet beperkt in hun bedrijfsvoering na het toekennen van een reguliere woonbestemming op de planlocatie. Ook andersom geven de genoemde bedrijven vormen geen belemmering voor het evenredig toedelen van de functie wonen aan de planlocatie.
Gewasbeschermingsmiddelen
Het plangebied ligt voor een groot deel direct aansluitend aan landbouwgronden. In potentie kunnen op die gronden gewassen worden geteeld, waarbij in potentie ook gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kunnen worden. Volgens jurisprudentie geldt er een afstand van 50 meter tussen de locatie waar dergelijke middelen gebruikt kunnen worden tot een woon- of verblijfplaats.
In dit geval ligt de woon- of verblijfplaats voor een deel binnen 50 meter van gronden die benut kunnen worden voor gewassenbescherming. In het kader van gezondheid moet er een afweging plaatsvinden tussen het toelaten van gevoelige functies, zoals woningen, enerzijds, en het respecteren van omliggende functies.
Het plan zal rekening houden met het feit dat 50 meter vanaf de perceelsgrens van de woonfunctie niet gespoten mag worden met gewasbeschermingsmiddelen op gronden in eigendom van initiatiefnemers.
De gronden ten oosten van de planlocatie, zijn niet in eigendom van initiatiefnemer. Derhalve is deze grond al geruime tijd (enkele tientallen jaren) in gebruik als grasland. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van de locatie vindt geen kweek van siergewassen, fruitbomen, vaste planten, bloemen of bloembollen plaats.
In dit plan wordt ervoor gekozen om bij het werkingsgebied van de agrarische functie gebruik van gewasbeschermingsmiddelen uit te sluiten. Binnen deze zone is het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen verboden. Hier is afstemming mee geweest met de rechthebbende van de betreffende grond. Deze persoon is akkoord met het opleggen van deze regel.
Gezien deze omstandigheden kan geconcludeerd worden dat er, voor wat betreft gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden binnen het plangebied.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het plan aan de Kleine Veerweg 4a mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor geur.
Er is vanuit het onderwerp geur aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan. Er worden specifieke regels in het werkingsgebied van de functie Agrarisch opgenomen. Binnen dit werkingsgebied is het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen verboden.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij externe veiligheid gaat het om instructieregels gericht op het waarborgen van de veiligheid.
Artikel 5.2 Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening gehouden dient te worden met: het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening.
Paragraaf 5.1.2 Bkl geeft instructieregels als met een omgevingsplan beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties worden toegestaan. Dit in verband met externe veiligheidsrisico van toegelaten activiteiten in de omgeving, zoals:
De regels hierover zijn ook van toepassing bij op het op een locatie toelaten van bepaalde milieubelastende activiteiten in verband met het externe veiligheidsrisico voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties die zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan.
In een omgevingsplan wordt een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar (bij zeer kwetsbaar en kwetsbaar) danwel moet er rekening mee gehouden worden (bij beperkt kwetsbaar). Daar wordt in ieder geval aan voldaan door inachtneming van de afstanden voor de activiteiten zoals opgenomen in de bijlagen van het Bkl. In bepaalde omstandigheden kan in een omgevingsplan hiervan worden afgeweken.
Brandvoorschriftengebieden en explosievoorschriftengebieden zijn de locaties die in een omgevingsplan kunnen worden aangewezen als op die locaties een brandaandachtsgebied, respectievelijk een explosieaandachtsgebied is toegelaten. In een omgevingsplan worden brandaandachtsgebieden en explosieaandachtsgebieden aangewezen als brandvoorschriftengebied en explosievoorschriftengebied. Onder voorwaarden kan hiervan worden afgezien.
In een omgevingsplan wordt voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties binnen een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied rekening gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. Als een omgevingsplan binnen een aandachtsgebied in het Bkl bepaalde regels opneemt wordt daar in ieder geval aan voldaan.
Een risicogebied externe veiligheid is de locatie die in een omgevingsplan kan worden aangewezen, als binnen het gebied bepaalde activiteiten als bedoeld in bijlage VII van het Bkl worden toegelaten. In een omgevingsplan wordt op de begrenzing van een risicogebied externe veiligheid een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000. Daar wordt in ieder geval aan voldaan door inachtneming van de afstanden voor de activiteiten zoals opgenomen in de bijlagen van het Bkl. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een risicogebied externe veiligheid worden alleen onder voorwaarden beperkt kwetsbare of kwetsbare gebouwen toegelaten. Zeer kwetsbare gebouwen zijn niet toegestaan.
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een belemmeringengebied buisleiding laat het omgevingsplan geen (zeer) kwetsbare gebouwen toe en moet worden gewaarborgd dat de veiligheid van de buisleiding niet wordt geschaad bij het toelaten van bepaalde andere bouwwerken en activiteiten.
In een omgevingsplan wordt voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties bepaalde afstanden in acht genomen. Een omgevingsplan laat binnen een explosieaandachtsgebied vuurwerk geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties toe. Onder voorwaarden kan een omgevingsplan dit alsnog toestaan.
In een omgevingsplan wordt voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties bepaalde afstanden in acht genomen. Een omgevingsplan laat binnen een civiel explosieaandachtsgebied bepaalde gebouwen, locaties en activiteiten niet toe, tenzij de aangegeven uitzonderingen zich voordoen of de genoemde criteria in acht worden genomen. Voor militaire explosieaandachtsgebieden zijn soortgelijke regels van toepassing.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen.
Paragraaf 4.10 van de verordening geeft instructieregels, voor omgevingsplannen die ontwikkelingen mogelijk maken, over externe veiligheid. Gericht op het beperken van negatieve effecten op de woon-, werk- en leefomgeving bij calamiteiten bij transport over wegen van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. En gericht op het kunnen blijven functioneren van essentiële functies en gebouwen in het geval van een crisis, ramp of andere calamiteit.
Het provinciale omgevingsbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel. Het plan raakt geen belangen uit het provinciale omgevingsbeleid.
Gemeente
Omgevingsvisie
Externe veiligheid betreft de risico's als gevolg van het vervoer, de opslag en het werken met gevaarlijke stoffen. In Zwolle zijn met name de hoofdtransportassen door de stad van belang. Het gaat om de A28 en het doorgaande vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn. Bij de ontwikkeling rondom de genoemde assen, bedrijven en activiteiten houden we rekening met de risico's door de functies die daar worden toegestaan door middel van onder andere de afstand en de mogelijkheden voor ontvluchting en bestrijding. De gemeente Zwolle garandeert daarbij de basis-veiligheid voor haar inwoners. Onder basisveiligheid in het kader van externe veiligheid wordt verstaan:
Beleid externe veiligheid
Op 20 januari 2009 heeft het college van B & W het gebiedsgericht beleidskader externe veiligheid vastgesteld. Het gaat om een ruimtelijke uitwerking van het externe veiligheidsbeleid dat aansluit op het gebiedsgerichte milieubeleid. Op basis van kenmerken (fysieke omgeving, hulpverleningsniveau en zelfredzaamheid) die bij een bepaald gebiedstype horen is een beleidsstandpunt bepaald ten aanzien van een mogelijke toename van het groepsrisico.
Tevens is op basis van dezelfde kenmerken van een gebiedstype bepaald of er plaats is voor nieuwe risicobronnen. Een afwijkend gebiedstype vormen de stroomzones. Stroomzones zijn gebieden rondom infrastructuur (spoorlijnen, wegen en waterwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Voor stroomzones, de gebieden binnen de invloedzones van routes gevaarlijke stoffen, is binnen het beleidskader een specifieke afwegingsmethodiek geformuleerd.
Het plan betreft een gedeeltelijke wijziging van het plangebied van agrarisch naar wonen. Op basis van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een risicovolle inrichting in de omgeving op basis waarvan er (extra) regels gesteld moeten worden dan wel een onderbouwing voor het risico aangeleverd moet worden. In het Bkl zijn echter dwingende bepalingen opgenomen die ertoe leiden dat er in het omgevingsplan regels gesteld moeten worden die zien op externe veiligheid (artikel 5.7, eerste lid dan wel artikel 5.10 Bkl).
In het plangebied zijn doorgaans geen plaatsgebonden risicocontouren, geen brand- en explosieaandachtsgebieden aanwezig. Met betrekking tot vervoer van gevaarlijke stoffen, wateroverstroming of buisleiding zijn ook geen risicogebieden in nabijheid aanwezig.
Met dit wijzigingsbesluit wordt Kleine Veerweg 4a mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor externe veiligheid.
Er is vanuit het onderwerp externe veiligheid geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij infrastructuur gaat het om instructieregels gericht op behoud van ruimte voor toekomstige functies en het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen voor nadelige gevolgen.
Paragraaf 5.1.6 van het Bkl geeft reserveringsgebieden aan voor respectievelijk (de uitbreiding of aanleg van) autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen en (de aanleg van) buisleidingen van nationaal belang. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een reserveringsgebied voor de uitbreiding
of aanleg van een autoweg, autosnelweg of hoofdspoorweg, mag het omgevingsplan daar in principe geen bouwactiviteiten toestaan. Voor van toepassing zijnde reserveringsgebieden buisleidingen geldt dat het omgevingsplan geen activiteiten toelaat die een belemmering kunnen vormen voor de aanleg van een buisleiding van nationaal belang. Onder andere bouwactiviteiten en de aanleg van een verharde weg worden als belemmeringen aangemerkt.
Paragraaf 5.1.7 van het Bkl geeft regels gericht op het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten. Voor zover het omgevingsplan van toepassing is op onder andere:
dienen er bepaalde beperkingen aan activiteiten te worden gesteld in het omgevingsplan. Dit om belemmeringen voor de staat en werking te voorkomen.
Als een omgevingsplan van toepassing is op een locatie voor een hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV, bevat het omgevingsplan het tracé van die hoogspanningsverbinding en laat het omgevingsplan het gebruik als hoogspanningsverbinding en de bijbehorende voorzieningen toe.
Afdeling 5.2 van het Bkl geeft instructies voor het omgevingsplan over:
Ter plaatse van het wijzigingsgebied bevinden zich geen (relevante) reserveringsgebieden, beperkingsebieden, belemmeringsgebieden, vrijwaringsgebieden, uitsluitingsgebieden en/of hoogspanningsverbindingen.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het plan aan de Kleine Veerweg 4a mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor infrastructuur.
Er is vanuit het onderwerp infrastructuur geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij de inrichting van de buitenruimte gaat het om instructieregels over de toegankelijkheid van de openbare ruimte.
Paragraaf 5.1.8 stelt dat, als een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, in het omgevingsplan rekening gehouden wordt met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.
Provincie
Het provinciale omgevingsbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel. Het plan raakt geen belangen uit het provinciale omgevingsbeleid.
Gemeente
Omgevingsvisie
De buitenruimte van Zwolle maakt deel uit van het in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen opgenomen raamwerk. De buitenruimte heeft meerdere functies: we verblijven in de buitenruimte, we bewegen en sporten in de buitenruimte en bovenal is de buitenruimte de plek om elkaar te ontmoeten. We vinden het heel belangrijk dat de buitenruimte voor een ieder toegankelijk is. De toegankelijkheid past bij het gebruik van het gebied. Toegankelijkheid nemen we als randvoorwaarde mee bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving. Zo krijgt een inclusief Zwolle echt vorm.
Door het verder verstedelijken gaat de buitenruimte intensiever gebruikt worden. Verstedelijken doen we in Zwolle op een zorgvuldige manier. Daarom stellen we bij de ontwikkeling van transformatiegebieden en herinrichtingsprojecten stadaard een aantal vragen om invulling te geven aan een goed ontwerp van de buitenruimte. Dit op basis van drie elementen die bepalend zijn voor een goed functioneren van die buitenruimte: bescherming, comfort en plezier. Het bieden van bescherming is een randvoorwaarde. Het gaat dan bijvoorbeeld om verkeersveiligheid, sociale veiligheid en bescherming tegen luchtverontreiniging. Zonder deze bescherming ga je niet naar buiten, tenzij het niet anders kan. Daarna is het bieden van comfort belangrijk. Comfort nodigt uit naar buiten te gaan; er is goede bestrating, ook voor rolstoel of wandelwagen. Het fiets- en voetpad is comfortabel en je hoeft niet steeds te stoppen bij verkeerslichten. En er is een bankje om te zitten, kijken, luisteren of gesprekken te voeren. De laatste is dat de buitenruimte kwaliteiten heeft die plezier en buitengeluk geven. Tijdens het fietsen kom je langs plekken en gebouwen waar je van geniet, met een menselijke maat, met veel groen en een fijn klimaat (temperatuur / zon / schaduw / luwte).
Dit plan heeft geen gevolgen voor de inrichting van de (openbare) buitenruimte omdat hier sprake is van een bestaande (bedrijf)woning en bestaande agrarische bebouwing (een kapschuur).
Met dit wijzigingsbesluit wordt het plan aan de Kleine Veerweg 4a mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor inrichting buitenruimte.
Er is vanuit het onderwerp inrichting buitenruimte geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Een plan-milieueffectrapport is een milieueffectrapport (MER) bij een vast te stellen plan. De procedure die hierbij hoort, heet de plan-milieueffectrapportage (m.e.r.).
Er gelden twee eisen voor de plan-mer-plicht.
De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan (art. 16.34, eerste lid Ow). Een (wijziging van het) omgevingsplan is zo'n plan.
De tweede eis is:
Op deze tweede eis geldt echter een uitzondering. Artikel 3, lid 3 smb-richtlijn biedt de mogelijkheid van een plan-mer-beoordeling. Het plan moet dan wel aan voorwaarden voldoen, namelijk kleine gebieden op lokaal niveau of kleine wijzigingen. Als uit de beoordeling blijkt dat er geen significant negatieve gevolgen zijn, en er ook geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn, is een plan-mer niet verplicht.
Deze uitzondering gaat niet op als het omgevingsplan:
Bij een plan-mer-beoordeling toetst het bevoegd gezag of er bij het plan aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten:
Een plan-mer-beoordeling kan aan de orde zijn in twee situaties:
Het bevoegd gezag voor een omgevingsplan beoordeelt of sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Het bevoegd gezag houdt bij het besluit over de beoordeling van de milieueffecten rekening met de criteria van bijlage II bij de smb-richtlijn (art. 16.36 lid 5 Ow). Het bevoegd gezag raadpleegt daarvoor art. 16.36 lid 5 Ow. En het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieu effecten, met de bijbehorende motivering op in het ontwerp van het plan (art. 11.1 Ob). De gemeente is het bevoegd gezag in dit omgevingsplan. Hieronder volgt het resultaat van de toets aan de criteria mer-beoordeling.
Het plan betreft een gedeeltelijke wijziging van het plangebied van agrarisch naar wonen. Het gaat hier om een plan dat kaderstellend is voor projecten die milieueffecten kunnen hebben. Het omzetten van een agrarische functie naar wonen binnen het plangebied staat niet genoemd in bijlage 5 van het Omgevingsbesluit. Het plan is hierdoor niet plan-mer-plichtig. Onder de Omgevingswet geldt voor deze gevallen wel een mer-beoordelingsplicht (zie artikel 16.36, vierde en vijfde lid, Ow).
Dit plan aan de Kleine Veerweg 4a betreft een kleine wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Zwolle. Ten opzichte van het gemeentelijk omgevingsplan als geheel gaat het hier om een klein gebied op lokaal niveau waarvoor de gemeente het bevoegd gezag is. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat voor dit plan volstaan wordt met een plan-mer-beoordeling.
De belangrijkste milieuaspecten voor dit plan zijn door middel van deze motivering en bijbehorende onderzoeken in beeld gebracht. Samen met de andere hoofdstukken van deze toelichting vormt deze paragraaf de zogenaamde plan-mer beoordeling in het kader van artikel 16.36 lid 4 en 5 van de Omgevingswet.
Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die aanzienlijke milieueffecten kent. Belangrijke milieugevolgen worden uitgesloten. De uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit over dit wijzigingsbesluit te kunnen nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage geeft geen verder inzicht op de relevante milieuaspecten.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het plan aan de Kleine Veerweg 4a mogelijk gemaakt. Voor dit plan bestaat geen plan-mer-plicht. Voor dit plan is wel plan-mer-beoordeling nodig.
Uit de mer-beoordeling in de voorliggende motivering blijkt dat aanzienlijke milieueffecten zijn wel uitgesloten en er geen plan-mer nodig is.
Er is vanuit het onderwerp milieueffectrapportage geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Gemeente
Omgevingsvisie
Eén van de geformuleerde topambities is het behouden en beschermen van de aanwezige cultuurhistorie, biodiversiteit en landschap als belangrijke fysieke waarden. Biodiversiteit maakt deel uit van het fysieke kapitaal van Zwolle. Biodiversiteit heeft raakvlakken met diverse thema's uit de visie. Zo draagt het behouden en versterken van biodiversiteit bij aan vitale, solidaire, gezonde en duurzame stadsdelen en een goed ontwikkelde groen- en waterstructuur.
Beleid natuur inclusief en biodiversiteit
Het Groen- en Recreatiebeleidsplan ''(Be)leefbaar Zwolle voor iedereen'' geeft kaders voor het natuurinclusief bouwen. Hiervoor is een Natuurwaardenkaart opgesteld en een puntensysteem ontwikkeld voor het richten van Natuurinclusief bouwen.
Het puntensysteem heeft op dit moment geen normerend karakter. Er is geen wettelijke verplichting voor het bouwen op dit punt. Het perceel wordt wel ingericht met groen en draagt bij aan natuurwaarden.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het plan aan de Kleine Veerweg 4a mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor natuur inclusief en biodiversiteit.
Er is vanuit het onderwerp natuur inclusief en biodiversiteit geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
Gebiedsbescherming
Afdeling 11.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving geeft regels over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden. Dit met het oog op de natuurbescherming. Degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van de natuurbescherming is gelet op artikel 11.6 Bal verplicht:
Deze plicht houdt in ieder geval in dat voorafgaand aan het verrichten van activiteiten onderzoek wordt uitgevoerd op grond van artikel 11.6 lid 2 Bal.
Artikel 16.53c Omgevingswet bepaalt dat voor een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van Natura-2000 gebied, maar significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, een passende beoordeling wordt gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Er zijn uitzonderingen op deze verplichting. Zie paragraaf 8.13 Milieueffectrapportage.
Die beoordeling moet zekerheid geven dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. In dat geval kan vergunningverlening voor de Natura 2000-activiteit plaatsvinden (artikel 8.74b, Besluit kwaliteit leefomgeving). Geeft die beoordeling deze zekerheid niet, dan kan vergunningverlening alleen plaatsvinden als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
Soortenbescherming
Afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving geeft regels over activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild. Dit met het oog op onder andere de natuurbescherming. Degene die activiteiten aangaande flora en fauna verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de natuurbescherming is gelet op artikel 11.27 Bal verplicht:
Deze plicht houdt in ieder geval in dat voorafgaand aan het verrichten van activiteiten onderzoek wordt uitgevoerd op grond van artikel 11.27 lid 2 Bal.
Voor een flora- en fauna-activiteit kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beoordelingsregels voor het verlenen van zo'n vergunning staan in paragraaf 8.6.2 Besluit kwaliteit leefomgeving.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij natuurwaarden en ecologie gaat het om instructieregels over Nationale Landschappen, het Natuurnetwerk Nederland en daarbuiten gelegen bos-en natuurgebieden.
Afdeling 4.7 van de verordening geeft instructieregels gericht op behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap. En gericht op duurzaam ontwikkelen en in stand houden van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Overijssel -het Natuurnetwerk Nederland- met bestaande en potentiële natuurwaarden die van (inter)nationaal belang zijn en het daarmee veiligstellen van ecosystemen en de flora- en faunasoorten die daarvan onderdeel uitmaken.
Paragraaf 4.7.3 van de verordening geeft instructieregels voor bos en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland. Omgevingsplannen die betrekking hebben op deze gebieden moeten blijven voorzien in regels die gericht zijn op behoud, herstel en ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden, waarbij in ieder geval het kappen van houtopstanden niet is toegestaan. Alleen onder voorwaarden kan hiervan worden afgeweken.
Het provinciale omgevingsbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel. Het plan raakt geen belangen uit het provinciale omgevingsbeleid.
Gemeente
Omgevingsvisie
De in Zwolle aanwezige landschappelijke en natuurwaarden maken deel uit van het fysieke kapitaal van Zwolle, zoals beschreven in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen.
Eén van de geformuleerde topambities is het behouden en beschermen van natuur, biodiversiteit en landschap als belangrijke fysieke waarde. Belangrijk is dat de waarden van het fysiek kapitaal op een zorgvuldige wijze wordt meegewogen bij ingrepen in de fysieke leegomgeving. Daarvoor zijn spelregels vastgelegd. Vanuit natuurwaarden zijn dat:
De omgevingsvisie bevat een natuurwaardenkaart, welke onder andere de (zeer) waardevolle gebieden aanwijst.
Groen en recreatiebeleidsplan '(be)leefbaar voor iedereen'
Voldoende ruimte voor groen is een ambitie uit het coalitieakkoord en de omgevingsvisie 'Ons Zwolle voor morgen 2030'. Zwolle groeit in economie, aantal woningen en aantal inwoners. Het uitgangspunt daarbij is dat Zwolle een leefbare en vitale stad blijft. Groen en recreatie hebben daarin een belangrijke functie, onder andere voor gezondheid van inwoners, ruimte voor klimaatadaptatie en biodiversiteit. Bij groei van de stad neemt de druk op de groene functies toe. Het groen in en om de stad moet daarom meegroeien. Het op 10 februari 2025 vastgestelde groen- en recreatiebeleid bevat tien ambities, die de mogelijkheid geven om de identiteit als groene stad te behouden en te versterken. In de tien ambities zijn concrete richtlijnen benoemd. Ambities zijn:
De ambities geven onder andere als streven het ontwerpprincipe 2-22-200 waar mogelijk toe te passen. Dat betekent 2 toekomstbomen per straat, die uit kunnen groeien tot volwassen bomen die een mensenleven meegaan en schaduw en beschutting bieden, 22% bladoppervlak voor schaduw verdeeld over de hele stad en op maximaal 200 meter van elke woning een parkje of plantsoen met bomen en/of struiken. Beleidsvoornemen is groen mee te laten groeien met de stad, concreet gemaakt in de stadsbrede ambitie om voor elke nieuwe woning 75m2 groen toe te voegen in en om de stad.
Eén van de geformuleerde topambities uit de Zwolse omgevingsvisie is het behoud en beschermen van biodiversiteit binnen de stad. Om meer duiding te geven aan de natuurwaarden binnen Zwolle is in samenspraak met natuurorganisaties een natuurwaardenkaart uitgewerkt, deze is online kan raadplegen. De natuurwaardenkaart deelt de gemeente Zwolle op in 33 deelgebieden. Per deelgebied is een factsheet opgesteld met een beschrijving van kenmerkende soorten en specifieke natuurkwaliteiten. Daarnaast zijn kansen beschreven om de natuurwaarden in een deelgebied te vergroten.
Om de biodiversiteit te behouden en te versterken wordt voor ruimtelijke projecten natuurinclusief bouwen en ontwerpen verplicht gesteld. Dit werkt aan de hand van een puntensysteem met een maatregelencatalogus. Deze zijn als bijlage aan het groen- en recreatieplan toegevoegd.
Dit addendum is als leeswijzer toegevoegd aan het Groen en recreatiebeleidsplan '(Be)leefbaar voor iedereen' oktober 2024.
Het Groen en recreatiebeleidsplan geeft ambities en doelstellingen. Deze ambities en doelen worden betrokken bij (ruimtelijke) planvorming, zoals een (wijziging) omgevingsplan of een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit.
Elke uitspraak die in dit beleidsplan en in de bijbehorende bijlagen is opgeschreven, en mogelijk normatief gelezen kan worden, is niet normatief bedoeld.
Met dit beleidsplan ligt er de opgave om te zoeken naar een zo goed mogelijke invulling van de ambities en doelstellingen binnen de (gebieds)ontwikkeling. De gestelde ambities worden in een integrale afweging met alle andere opgaven gewogen. Bij de planvorming voor (gebieds)ontwikkelingen wordt een toelichting over de integrale afweging gevraagd. In deze toelichting wordt aangegeven hoe de integrale afweging is gemaakt en hoe de ambities van het Groen en recreatiebeleidsplan een plek hebben gekregen.
Het onderhavig plan is in lijn met de ambities en doelen van gemeentelijk beleid.
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft 'Rijntakken'. Dit gebied ligt op een afstand van circa 580 meter van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 gebieden weer.
Gebiedsbescherming: stikstof
Er is een AERIUS-berekening aangeleverd. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.
Soortenbescherming: flora, fauna en houtopstanden
Bij ingrepen nabij beschermde natuur geldt een (effect) afstand van 500 meter. Deze ontwikkeling valt niet binnen die grens en geeft geen aanleiding om te verwachten dat er storingseffecten (geluid, licht en trillingen) optreden op Natura 2000-gebieden. Een voortoets Natura 2000 is niet nodig.
De planlocatie ligt niet binnen de begrenzing van het Natuur Netwerk Nederland. Wel ligt het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN direct naast het plangebied (circa 270 meter), aan de achterzijde van het plangebied, zie navolgende afbeelding.
Afbeelding begrenzing NNN en Zone Ondernemen met Natuur en Water (bron planvieuwer Provincie Overijssel)
Dit betekent dat naast dat getoetst moet worden aan de directe effecten ook getoetst moet worden aan de externe effecten als gevolg van licht, geluid en optische verstoring. Echter daar met voorliggend plan geen (intensieve) ruimtelijke ingrepen plaatsvinden, het gebruik van de woning en kapschuur hetzelfde blijft, is een nadere beschouwing daarom niet nodig.
Voor wat betreft beschermde soorten gezien het huidige en toekomstige gebruik van de locatie, is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten niet te verwachten. Daar er geen (intensieve) ruimtelijke ingrepen plaatsvinden, het gebruik van de woning en kapschuur hetzelfde blijft, hoeft er geen verdere toetsing plaats te vinden. Een QuickScan is daarom achterwege gelaten.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het plan aan de Kleine Veerweg 4a mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor natuurwaarden en ecologie.
Er is vanuit het onderwerp natuurwaarden en ecologie geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Economische uitvoerbaarheid
Met deze planmotivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en de toegedachte functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan in het verlengde daarvan aangenomen worden dat realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegedachte functies om financiële redenen op langere termijn niet zullen worden gerealiseerd.
Kostenverhaal
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna "een aangewezen bouwactiviteit").
Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte dan wel, of in combinatie met, een anterieure overeenkomst, cofinanciering, subsidies, gemeentelijk krediet de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit.
In artikel 8.15 van het Omgevingsbesluit worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”.
Met dit omgevingsplan wordt geen aangewezen bouwactiviteit mogelijk gemaakt waarvoor kostenverhaal verplicht is. Er geldt dan ook geen verplichting om kostenverhaalregels op te stellen.
Er is een nadeelcompensatieovereenkomst afgesloten waarin alle verplicht te verhalen kosten worden verhaald.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het plan aan de Kleine Veerweg 4a mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor economische uitvoerbaarheid en kostenverhaal.
Er is vanuit het onderwerp financieel-economische uitvoerbaarheid geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Het omgevingsplan geeft regels gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het tijdelijke omgevingsplan van Zwolle bestaat uit alle (voormalige) bestemmingsplannen, de 'bruidsschat' en enkele lokale verordeningen (Hemelwaterverordening 2023 Zwolle, Geurverordening Wijthmen - deelgebied Het Buyten van Zwolle en hoofdstuk 4 van de Erfgoedverordening Zwolle 2024). Rijk en provincie geven instructieregels over een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ,die bij een wijziging van het omgevingsplan een directe betekenis hebben. Deze instructieregels staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving en de Omgevingsverordening Overijssel 2024.
Daarnaast bestaat ook nog andere wetgeving, met regels over de fysieke leefomgeving. Deze regels kunnen indirect betekenis hebben bij een wijziging van het omgevingsplan. Als op voorhand aannemelijk is dat door deze regels een nieuwe functie binnen een redelijke termijn niet kan worden gerealiseerd, dan komt de uitvoerbaarheid van de wijziging mogelijk in het geding. Reden dan ook om de wijziging van het omgevingsplan hierop te beoordelen.
Het betreft een groot aantal regels. Het merendeel hiervan zal de voorliggende wijziging niet direct raken. De onderwerpen en activiteiten in deze regels hebben geen betekenis bij dit plan, hebben geen invloed op de evenwichtige toedeling bij dit plan danwel volstaan voor het bereiken van die evenwichtige toedeling. Op voorhand is voldoende aannemelijk dat deze de realisatie niet in de weg staan. Het betreft onder andere regels uit:
Voor een aantal regels is er aanleiding voor een verdiepende toets. Zo'n aanleiding bestaat als op voorhand helder is dat de betreffende regelgeving de wijziging direct raakt. Bijvoorbeeld als een wijziging ziet op woningbouw op een plek waar waardevolle bomen staan is er een directe relatie tot de gemeentelijke bomenverordening, welke de uitvoerbaarheid van de woningbouw in de weg kan staan. Of als een flora en fauna activiteit aan de orde is. Die beoordeling vindt plaats bij het betreffende onderwerp in de hoofdstukken 6 tot en met 9.
Planregels moeten toetsbaar en handhaafbaar zijn. Toetsing aan de regels kan preventief. Een bepaalde activiteit wordt dan in het omgevingsplan alleen toegestaan als deze vooraf aan het college van burgemeester en wethouders wordt voorgelegd. Met een vergunningenstelsel kan in het omgevingsplan het college de bevoegdheid gegeven worden om af te wijken van het plan. Dit onder bepaalde in het plan opgenomen beoordelingsregels. Naast een toetsing vooraf kan ook repressief getoetst worden, dus achteraf. Dit is aan de orde als feitelijk in overtreding met de planregels wordt gehandeld. Zo nodig kan handhavend worden opgetreden.
Redenen voor preventief toetsen in de vorm van een vergunningplicht kan onder andere zijn:
Een concrete, objectieve normstelling bij een planregel zou reden kunnen zijn voor uitsluitend een toetsing achteraf.
Algemeen uitgangspunt bij het opstellen van het definitieve Zwolse omgevingsplan is bestaande kaders beleidsarm over te zetten. Op basis daarvan worden de vergunningplichtige activiteiten zoals opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege overgenomen in het definitieve plan.
Met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan is het algemene uitgangspunt gevolgd.
10.3.3 Uitgangspunten omgevingsplan
Voor de agrarische omgevingsplanactiviteiten, in afwijking op het omgevingsplan van rechtswege, zijn voor het wijzigingsgebied specifieke regels opgenomen binnen een werkingsgebied ''overige zone - gewasbeschermingsmiddelen toepassen'. Binnen dit werkingsgebied is het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen verboden.
Omgevingswet
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn alle bestemmingsplannen opgegaan in één gemeentelijk 'omgevingsplan van rechtswege'. Zo ook de voor het voorliggende plangebied relevante bestemmingsplannen 'Buitengebied – IJsselzone, Windesheim, herziening 1', bestemmingsplan 'Zwolle, parapluplan parkeren', 'Buitengebied – IJsselzone, Windesheim, herziening 2', 'Zwolle, parapluplan cultuurhistorie, aanvulling', bestemmingsplan 'Zwolle, parapluplan bouw- en cultuurhistorie'. Het omgevingsplan bestaat verder uit de Bruidsschat en een aantal gemeentelijke verordeningen. De Bruidsschat betreft een aantal regels die van het rijk zijn overgegaan naar de gemeente. Deze regels zijn verhuisd naar het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente. Het gaat onder andere om regels over bouwwerken en over milieubelastende activiteiten.
Dit omgevingsplan van rechtswege kan door de gemeenteraad gewijzigd worden (zie oa art. 2.4 en 22.6 Ow). De voorliggende wijziging beperkt zich tot het 'bestemmingsplandeel' van het omgevingsplan ter plekke van het wijzigingsgebied.
Er is in algemene zin vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geen directe aanleiding bij dit plan de regels in het omgevingsplan van rechtswege uit het deel van de Bruidsschat en de lokale verordeningen te herzien. De onderwerpen en activiteiten in deze regels hebben geen betekenis bij dit plan, hebben geen invloed op de evenwichtige toedeling bij dit plan danwel volstaan voor het bereiken van die evenwichtige toedeling. En op voorhand is voldoende aannemelijk dat deze de realisatie niet in de weg staat.
Wijziging omgevingsplan van rechtswege
Het besluit tot wijziging van het omgevingsplan bestaat uit drie delen. In het eerste deel wordt gemotiveerd om welke redenen het omgevingsplan wordt gewijzigd. De voorliggende motivering betreft dit eerste deel. Het geeft een onderbouwing van het besluit. Het motiveert dat met deze wijziging tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt gekomen.
Het tweede deel van het besluit bestaat uit de regels die deel gaan uitmaken van het omgevingsplan. Hierin wordt aangegeven op welke wijze de regels van het omgevingsplan worden aangepast. Aangegeven wordt welke regels worden toegevoegd, geschrapt, gewijzigd of vervangen door andere regels. Verder wordt, als onderdeel van de regels, door coördinaten vastgelegd voor welke locatie(s) de regels gelden. Dit wordt ook wel het werkingsgebied genoemd.
Deze wijziging van het omgevingsplan past de TAM-IMRO methode toe. Daarmee wordt via de IMRO-standaard het omgevingsplan gewijzigd. Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD methode te gebruiken (artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties).
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de nieuwe gebruiksregels op de locatie 'Kleine Veerweg 4a' en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22f) van het omgevingsplan van de gemeente Zwolle. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening ''Regels op de kaart'' https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op "Regels op de kaart'' https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/ uitgegeven deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22f van het omgevingsplan van de gemeente Zwolle. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22f.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22f' gelezen worden.
Planregels
De planregels van het omgevingsplan van rechtswege worden met dit wijzigingsbesluit gewijzigd. De volgende wijzigingen zijn aangebracht:
Werkingsgebied
Deze wijziging omgevingsplan betreft uitsluitend de locatie 'Kleine Veerweg 4a', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0193.TAMh22f-0004 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
Procedure
De gemeente heeft bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet een omgevingsplan met de regels voor activiteiten voor de leefomgeving. Om dit 'omgevingsplan van rechtswege' te wijzigen, volgt de gemeente een vaste juridische procedure. De procedurebepalingen staan in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht. De van toepassing zijnde openbare voorbereidingsprocedure staat in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.
De procedure is in te delen in 3 procedurestappen:
De gemeente maakt bekend dat ze het omgevingsplan gaat wijzigen en stelt eventueel een milieueffectrapport op. De gemeente geeft in het digitale gemeenteblad kennis van het voornemen om een omgevingsplan te wijzigen (artikel 3:12, Awb). In de kennisgeving staat onder andere hoe de gemeenteraad burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding gaat betrekken. Dit heet participatie (artikelen 16.29, Ow, en 10.2, lid 1, Ob.).
De gemeente geeft kennis van het ontwerp-omgevingsplan. De gemeente plaatst het ontwerpbesluit integraal in het digitale gemeenteblad (artikel 10.3c, Ob) en legt het ontwerp-omgevingsplan en de bijbehorende stukken 6 weken ter inzage (artikel 3:11, Awb). Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen.
Als er tijdens de termijn van 6 weken geen zienswijzen op het ontwerpbesluit zijn gekomen, dan: doet de gemeente hiervan zo spoedig mogelijk mededeling in het elektronische gemeenteblad, en neemt de gemeente het besluit binnen 4 weken nadat de termijn voor zienswijzen is verstreken (artikel 3:18, lid 4, Awb)
De gemeenteraad stelt het omgevingsplan vast. De gemeente maakt het besluit bekend door het te publiceren in het elektronische gemeenteblad. Een wijziging van een omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt. De gemeente kan een later tijdstip van inwerkingtreding in het omgevingsplan opnemen. Tegen het besluit tot het wijzigen van een omgevingsplan kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het omgevingsplan van rechtswege op onderdelen gewijzigd. In de vorige hoofdstukken van deze toelichting is aangegeven op welke onderdelen de planregels worden gewijzigd, wat de aanleiding is voor de wijziging en wat, inhoudelijk, de wijziging betreft.
Deze paragraaf licht de artikelen uit de planregels toe die met dit wijzigingsbesluit wezenlijk zijn gewijzigd en zijn toegevoegd.
Opbouw hoofdstuk 22f
De planregels zijn ondergebracht in hoofdstuk 22f van het omgevingsplan.
Als eerste bevat de regels een pré-ambule. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de Bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van dit plan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22f van het omgevingsplan.
Dit deel van de planregels geeft het toepassingsbereik, de begripsbepalingen en meet- en rekenbepalingen voor deze wijziging van het omgevingsplan.
Deze wijziging van het omgevingsplan vervangt de 'bestemmingsplanregels' uit het (tijdelijke) omgevingsplan van rechtswege. Artikel 1 verklaart deze 'bestemmingsplanregeling' niet van toepassing. Dit artikel duidt ook exact het gebied waar hoofdstuk 22f op van toepassing is.
Hoofdstuk 22f maakt deel uit van het Omgevingsplan Zwolle, wat inhoudt dat ook de regels uit hoofdstuk 22 (Bruidsschat) van toepassing zijn (tenzij specifiek is bepaald dat de regel alleen geldt voor het tijdelijke deel, te herkennen met de zinsnede 'in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet').
Dit artikel maakt duidelijk dat de regels in hoofdstuk 22f voorrang hebben ten opzichte van de de regels in afdeling 22.2 en 22.3, óók ten aanzien van de regels voor vergunningsvrij bouwen.
Hoofdstuk 1 van de Bruidsschat verklaart de begripsbepalingen zoals opgenomen in de bijlagen van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling van toepassing op hoofdstuk 22. Hoofdstuk 22 bevat zelf ook een bijlage met begrippen.
Met artikel 2 worden al deze begrippen ook van toepassing verklaard op hoofdstuk 22f. Als aanvulling daarop geeft dit artikel meerdere begripsbepalingen, die in hoofdzaak de begrippen uit het bestemmingsplandeel van het tijdelijke omgevingsplan vervangen.
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
Dit artikel geeft, als aanvulling op de bepalingen uit hoofdstuk 22, meet- en rekenbepalingen, die in hoofdzaak de bepalingen uit het bestemmingsplandeel van het tijdelijke omgevingsplan vervangen.
Dit deel van de planregels geeft een aantal regels die een algemene werking hebben voor het gehele gebied waar deze wijziging van het omgevingsplan op ziet.
Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod
Met deze wijziging van het omgevingsplan worden functies en activiteiten toegedeeld. Het gaat bijvoorbeeld om wonen en agrarische activiteiten. Vastgelegd wordt welk gebruik per functie wordt toegestaan. Met dit algemene gebruiksverbod wordt geborgd dat gronden en bouwwerken niet anders gebruikt worden dan toegestaan.
Dit artikel vervangt de anti-dubbelteregel, zoals opgenomen in het bestemmingsplannendeel van het tijdelijke omgevingsplan. Doel van de regel is te voorkomen dat, wanneer volgens het omgevingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een perceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Dit deel van de planregels geeft, vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, per locatie de passend geachte functie(s). De onderbouwing en inhoudelijke uitgangspunten voor deze regels staan in hoofdstuk 3 tot en met 9 van deze motivering. Per functie zijn de toegestane gebruiksactiviteiten bepaald.
Een deel van het planperceel krijgt de functie 'agrarisch'. Binnen deze functie is gebruik ten dienste van agrarische activiteiten, met daarbij behorende ondersteunende activiteiten, toegestaan. Er zijn geen gebouwen toegestaan om het open karakter van deze gronden te waarborgen. Dit artikel behelst ook een verbodsbepaling inhoudende dat het niet is toegestaan gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Dit dient ter bescherming van het woon- en leefklimaat van de aanwezige woning.
Artikel 7 Agrarisch - bedrijfsmatige activiteiten
Een deel van het planperceel krijgt de functie 'agrarisch - bedrijfsmatige activiteiten'. Binnen deze functie is gebruik ten dienste van agrarische activiteiten, zoals opslag van agrarisch materiaal, agrarische werktuigen en goederen ten dienste van een agrarisch bedrijf toegestaan.
Een deel van het perceel krijgt de functie ''Hoofdwaterleidingen'. Binnen deze functie is gebruik van de gronden voor het ondergrondse transport van water door een hoofdwaterleiding toegestaan.
Artikel 9 Wonen - Eengezinshuizen
Dit artikel maakt het mogelijk dat een eengezinshuis is toegestaan binnen een op te nemen werkingsgebied op Kleine Veerweg 4a.
Hoofdstuk 4 (Algemene) regels over activiteiten
Dit deel van de planregels geeft algemene regels over activiteiten anders dan gebruiksactiviteiten. Bij deze wijziging omgevingsplan gaat het om bouwactiviteiten en activiteiten gericht op het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden. In beginsel bevatten deze artikelen de grondslag voor een omgevingsvergunningenstelsel. Wat inhoudt dat als eerste een verbod wordt gesteld op het uitvoeren van de activiteit zonder dat een omgevingsvergunning is verleend. Gevolgd door de algemene regels (criteria) waaraan een aanvraag wordt beoordeeld.
Waar vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitsluitend specifieke, op een bepaald onderwerp gerichte beoordelingsregels volstaan, zijn deze ondergebracht bij het betreffende thema in het volgende hoofdstuk 5.
Artikel 22.26 van hoofdstuk 22 geeft aan dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.29 geeft de beoordelingsregels waaraan een (binnenplanse) aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken moeten worden getoetst. Lid 1 sub a geeft aan dat de activiteit niet in strijd mag zijn met de in het omgevingsplan gestelde bouwregels.
Artikel 12 geeft (aanvullende) beoordelingsregels op dit onderdeel. Het bevat regels voor bouwen binnen bouwvlakken, buiten bouwvlakken en overige bouwwerken. Elk met een eigen werkingsgebied.
Binnen het werkingsgebied aangeduid als 'overige zone - regels over bovengronds bouwen - bouwvlak' zijn hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken toegestaan. Binnen de werkingsgebieden zijn normen opgenomen welke de maximale bouwhoogte in meters geeft.
Binnen het werkingsgebied 'overige zone - regels over bovengronds bouwen - bijbehorende bouwwerken' zijn bijbehorende bouwwerken toegestaan.
Binnen het werkingsgebied 'overige zone - regels over bovengronds bouwen - overige bouwwerken' zijn overige bouwwerken, zoals bijvoorbeeld erfafscheidingen en pergola's, toegestaan.
Dit deel van de planregels geeft, vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, regels die zich specifiek richten op het beschermen en/of versterken van bepaalde thema's. Het zijn thema's over bepaalde elementen van de fysieke leefomgeving, met een eigen specifiek oogmerk. De onderbouwing en inhoudelijke uitgangspunten voor deze regels staan in hoofdstuk 3 tot en met 9 van deze motivering.
Artikel 12 Landschap - Landschapswaarden
De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het karakter van landschap en landschapswaarden van de gronden. Voorts zijn de regels gesteld ter behoud, herstel en de ontwikkeling van de kernkwaliteiten behorende bij het aangewezen waardevol landschap ter plaatse.
Artikel 13 Erfgoed - gebieden met archeologische (verwachtings)waarde
Dit artikel behelst regels in het kader van archeologie.
Artikel 14 Mobiliteit- Parkeren
Dit artikel gaat over het parkeren; het aantal benodigde parkeerplaatsen enzovoort.
Artikel 15 Mobiliteit - Laden en Lossen
Dit artikel stelt regels over laden en lossen.
Hoofdstuk 6 Voorwaardelijke verplichtingen
Artikel 16 Voorwaardelijke verplichting - Kleine Veerweg 4a
Dit artikel behelst een voorwaardelijke verplichting om de voorgeschreven maatregelen uit het landschappelijke inrichtingsplan binnen 2 jaar na ingebruikname van de woning te verwezenlijken.
Artikel 17 Instandhoudingsverplichting - Kleine Veerweg 4a
Dit artikel behelst een instandhoudingsplicht.
Artikel 18 Overgangsrecht bouwen en werken
Dit artikel gaat over het overgangsrecht voor bouwen en werken.
Artikel 19 Overgangsrecht gebruik
Dit artikel gaat over het overgangsrecht voor gebruik.
Dit artikel gaat over de titel van dit omgevingsplan.