direct naar inhoud van 3.2 Fysische geografie
Plan: Buitengebied 2009
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0189.BP2009000002-0002

3.2 Fysische geografie

3.2.1 Geologie en geomorfologie

De geologie en geomorfologie van het plangebied zijn bepalend voor de bodemgesteldheid en de opbouw van het landschap. In het gebied komen zowel afzettingen uit het Pleistoceen als uit het Holoceen aan het oppervlak.

Gedurende de voorlaatste ijstijd zijn door het voorstuwende ijs stuwwallen gevormd. In de gemeente Wierden liggen enkele van deze stuwwallen, hoewel ze in vergelijking met andere stuwwallen in Twente vrij laag zijn. Stuwwallen in het buitengebied liggen tussen Wierden en Daarle, nabij Enter en bij de gebieden De Kolonie en Kromme Akkers. Rond de stuwwallen is keileem afgezet. Grote delen van het landschap zijn later bedekt met een laag dekzand. Hierdoor kreeg het landschap een glooiend en gelijkmatig aanzien. Plaatselijk werden dekzandruggen en -koppen gevormd. In de gemeente komen vooral in het westelijk deel veel dekzandruggen voor, terwijl in het zuidoostelijk deel van de gemeente vrij veel dekzandkoppen liggen.

Tussen de hoger gelegen delen in de gemeente Wierden liggen de lager gelegen komgebieden. Door de lagere ligging betreft het hier met name natte gebieden, dit wordt versterkt doordat er slechts enkele beken zijn om water af te voeren en door het voorkomen van ondoorlatende kleilagen. In de lager gelegen gebieden heeft op beperkte schaal hoogveenvorming plaatsgevonden. Dit is onder meer het geval bij het Wierdense Veld.

3.2.2 Bodem

De landbouw is sterk afhankelijk van de bodemgeschiktheid en ook natuurwaarden hangen vaak samen met de grondsoort. De bodemopbouw in het gebied wordt voor een groot deel bepaald door de ligging van de stuwwallen en het dekzand dat in de gemeente is afgezet. Door mensen die de grond bewerkten is veel materiaal op het dekzand opgebracht, waardoor eerdgronden en podzolgronden zijn ontstaan. Dit zijn de twee meest voorkomende bodemtypen binnen de gemeente. Beide bodemtypen worden in deze paragraaf kort beschreven.

Eerdgronden

Eerdgronden worden gekenmerkt door een humushoudende minerale bovengrond van soms meer dan 50 cm dik. Deze laag is ontstaan door menselijke activiteit. Omdat het moedermateriaal bij de meeste eerdgronden in de gemeente Wierden uit zand bestaat wordt gesproken van enkeerdgronden. Deze zijn ontstaan door geleidelijke ophoging van eenmaal ontgonnen grond met materiaal uit de potstal.

Bij deze voormalige bemestingswijze maakte men gebruik van stalmest gemengd met strooisel en zand. Dit mengsel werd jaarlijks op een beperkte oppervlakte bouwland gebracht, waardoor het land geleidelijk werd opgehoogd. Daardoor zijn op sommige plaatsen in combinatie met de geomorfologische structuur herkenbare bollende akkers (essen of enken genaamd) ontstaan. De grondwaterstand op de eerdgronden is overwegend laag.

Enkeerdgronden zijn verspreid over het gehele buitengebied van Wierden te vinden, onder meer op de dekzandkoppen zoals de essen bij Enter, Wierden en Hoge Hexel. In de nabijheid van de waterlopen komen daarnaast beekeerdgronden voor, dit is onder meer het geval nabij de Regge. De waterlopen met het direct aansluitende gebied worden gekenmerkt door venige beekdalgronden.

Podzolgronden

Polzolgronden liggen vaak op de locaties van de (vroegere) heidevelden, waar vanaf de Late Middeleeuwen plaggen werden gestoken voor de potstallen (voor ophoging van de enkeerdgronden). De bodem heeft zich onder relatief natte omstandigheden ontwikkeld. Deze gronden kennen niet het jarenlange agrarisch gebruik van de enkeerdgronden en zijn vaak pas in een later stadium (vaak na 1900) ontgonnen en als weiland en hooiland in gebruik genomen. Dit is onder meer het geval in het Westerveld en het gebied ten oosten van het Wierdense Veld, deze gronden worden gekenmerkt door de humuspodzolgronden. Bij het Wierdense Veld, dat niet ontgonnen is, zijn de moerige podzolgronden te vinden.

Door verschil in hoogteligging, bodemopbouw en ontwateringstoestand variƫren de grondwaterstanden binnen de podzolgronden sterk.

3.2.3 Waterhuishouding

De waterhuishouding in de gemeente Wierden wordt sterk bepaald door de hoogteverschillen in het landschap en de bodemopbouw. Bij de waterhuishouding kan een onderscheid worden gemaakt in grond- en oppervlaktewater.

Grondwater

De grondwaterstand varieert sterk in de gemeente Wierden. Bepalend voor de stroming van het grondwater zijn de ondergrond, de hoogteligging en de terreinhelling. Door de glooiing in het landschap (afhellend van de Sallandse Heuvelrug) stroomt het grondwater vanuit het oosten, westen en vanuit zuidoosten door de ondergrond naar de Regge.

De bovengrond rond de Bovenregge (bij Enter) bestaat, naast de stuwwal van Enter, grotendeels uit een systeem van laagten met dekzandkopjes, die ten oosten van de Boven-Regge liggen. In de kopjes infiltreert een deel van het regenwater naar de diepere ondergrond. Een ander deel komt in de aanliggende laagten weer aan de oppervlakte (plaatselijke kwel). Daarnaast treedt in het stroomgebied van de Boven-Regge grondwater uit diepe laagten naar buiten. Dit water is afkomstig van de Sallandse Heuvelrug en de Stuwwal van Rijssen en Enter. Belangrijke kwelgebieden bevinden zich in de Zuidermaten/Kartelaarshoek. Ook in de laagten van het Mokkelengoor en de Velnermaten treedt water vanuit de ondergrond aan de oppervlakte. Bijna alle kwel wordt momenteel afgevangen en afgevoerd door sloten, waterlopen en beken.

Oppervlaktewater

Door het buitengebied van de gemeente lopen diverse beken en vele sloten. De belangrijkste waterlopen zijn de Regge, de Eksosche Aa, de Elsgraven, Twickelervaart en de Bornerbroeksche Waterleiding. Daarnaast is kort geleden de Doorbraak gerealiseerd. De aanleg van deze beek heeft plaatsgevonden om het water in Twente meer ruimte te geven, wateroverlast en verdroging te voorkomen en een ecologische verbinding te maken tussen Noordoost-Twente en de Sallandse Heuvelrug. Daarnaast ligt een vrij dicht stelsel van kleinere waterlopen. De aanleg van de ecologische verbindingszone de Elsenerbeek is een onderdeel van de landinrichting Rijssen. De Elsenerbeek verbindt de zuidelijk gelegen (bestaande en nieuwe) natuurgebieden met de noordelijke natuurgebieden. De Elsenerbeek wordt opgenomen in de vorm van een vochtige zone met een vrij meandere, natuurlijk ingerichte waterloop.

Een deel van de bovenlopen van de beken watert nu af op het Twentekanaal, waardoor in de beken in bepaalde perioden te weinig water voeren.