direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22q Buitengebied Zenderseweg 50 Albergen
Status: vastgesteld
Plantype: TAM-Omgevingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0183.TAMBUIZENDERSEW50-VG01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Inleiding en aanduiding plangebied

Voor het perceel aan de Zenderseweg 50 te Albergen is een plan ontwikkeld. Initiatiefnemer is voornemens om de woonfunctie op het perceel te vergroten naar een oppervlakte van 2.000 m² ten behoeve van het bouwen van een nieuwe schuur.

Momenteel zijn de gronden waar de nieuwe schuur beoogd is, bedoeld voor een agrarische functie. Door de woonfunctie te vergroten tot een oppervlakte van 2.000 m², komt de beoogde nieuwe schuur binnen de woonfunctie te staan.

Het vergroten van de woonfunctie kan mogelijk gemaakt worden door middel van het wijzigen van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen. Met een TAM-IMRO omgevingsplan kan het omgevingsplan gewijzigd worden. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.

Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de Zenderseweg 50 te Albergen. Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van de gemeente Tubbergen. In de directe omgeving zijn verschillende functies aanwezig, zoals wonen, agrarisch en horeca. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Tubbergen, sectie H, perceelnummer 4653 en heeft een oppervlakte van 5.336 m². Figuur 1.1 toont de globale ligging van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMBUIZENDERSEW50-VG01_0001.png"

Figuur 1.1: globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Kadastralekaart.com)

Begrenzing plangebied

De begrenzing van het plangebied is globaal in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). Figuur 1.2 toont een luchtfoto van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMBUIZENDERSEW50-VG01_0002.png"

Figuur 1.2: globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Kadastralekaart.com)

1.2 Beoordelingskader en belangenafweging

Beoordelingskader

De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan.

Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.

De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing:

  • de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl;
  • de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening;
  • eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld.

Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen.

Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.

De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.

Belangenafweging

De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.

Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen.

Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden. Zij hebben aangegeven geen bezwaren te hebben op de voorgenomen ontwikkeling. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.

Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.

1.3 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling.

In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan en worden de strijdigheden in beeld gebracht.

Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg, het participatietraject en of een bindend advies van de gemeenteraad benodigd is.

In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten.

In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde.

Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.

Hoofdstuk 2 Toekomstige situatie

2.1 Gewenste ontwikkeling

Initiatiefnemer is voornemens om de woonfunctie op het perceel aan de Zenderseweg 50 te Albergen uit te breiden tot een oppervlakte van 2.000 m². De beoogde uitbreiding is nodig voor het realiseren van een nieuwe schuur met een oppervlakte van 200 m². De bouwhoogte van de nieuwe schuur zal maximaal 8 m bedragen. De bestaande schuren met een gezamenlijke oppervlakte van ca. 150 m² zullen gesloopt worden. In de toekomstige situatie is er sprake van één vrijstaand bijgebouw.

Gelet op de huidige omvang van de woonfunctie is het niet wenselijk om de nieuwe schuur met een oppervlakte van 200 m² in te passen binnen de huidige woonfunctie. De schuur komt in dit geval vanwege de omvang en vorm te dicht op de woning te staan, is er nauwelijks bewegingsruimte en moeten de bestaande bomen aan de noordzijde van het perceel anders gekapt moeten worden. Deze bomen maken tevens onderdeel uit van het 'Casco', waardoor dit niet wenselijk is. Om dit te voorkomen dient de woonfunctie vergroot te worden.

In het geldende omgevingsplan, onderdeel 'Tubbergen Buitengebied 2016' is in artikel 4.7.11 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de woonfunctie vergroot kan worden tot een oppervlakte van 2.000 m². Onder de Omgevingswet kan geen gebruik meer gemaakt worden van een wijzigingsbevoegdheid, maar kan het gezien worden als een binnenplanse afwijking. In dit kader, en het feit dat de nieuwe schuur met een oppervlakte van 200 m² dan op een juiste wijze kan worden ingepast, wordt de woonfunctie vergroot tot een oppervlakte van 2.000 m².

Figuur 2.1 toont de gevelaanzichten van de beoogde schuur en figuur 2.2 toont de plattegronden van de beoogde schuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMBUIZENDERSEW50-VG01_0003.png"

Figuur 2.1: gevelaanzichten beoogde schuur (bron: Bouwbureau Twente)

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMBUIZENDERSEW50-VG01_0004.png"

Figuur 2.2: plattegronden beoogde schuur (bron: Bouwbureau Twente)

2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving

Het erf wordt landschappelijk ingepast. Het landschapsplan is te vinden in Bijlage 1 en op figuur 2.3. De bestaande bomen langs de Zenderseweg en de perceelsgrens blijven behouden. Om het karakter van het erf te versterken wordt een solitaire erfboom aangeplant. Aan de zuidzijde van het perceel wordt de rand van de kamp hersteld door de aanplant van bomen. Hierdoor worden de karakteristieken van het landschap versterkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMBUIZENDERSEW50-VG01_0005.png" Figuur 2.3: Landschapsplan (bron: Ad Fontem)

Hoofdstuk 3 Toetsing aan omgevingsplan

3.1 Omschrijving nieuwe situatie

In de nieuwe planologische situatie wordt de woonfunctie vergroot tot een oppervlakte van 2.000 m² ten behoeve van het bouwen van een nieuwe schuur met een oppervlakte van 200 m². De bouwhoogte van de nieuwe schuur zal maximaal 8 m bedragen. De bestaande schuren met een gezamenlijke oppervlakte van ca. 150 m² zullen gesloopt worden. In de toekomstige situatie is er sprake van één vrijstaand bijgebouw.

Gelet op de huidige omvang van de woonfunctie is het niet wenselijk om de nieuwe schuur met een oppervlakte van 200 m² in te passen. De schuur komt in dit geval te dicht op de woning te staan en de bestaande bomen aan de noordzijde van het perceel zullen anders gekapt moeten worden. Om dit te voorkomen dient de woonfunctie vergroot te worden.

3.2 Toetsing aan het omgevingsplan

Het plangebied maakt onderdeel uit van het zogenoemde omgevingsplan van rechtswege. elke gemeente heeft met de inwerktreding van de Omgvingswet op 1 januari 2024 een omgevingsplan van rechtswege, welke bestaat uit een tijdelijk en nieuw deel. Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit:

  • (ruimtelijke) regels uit verschillende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen;
  • rijksregels over activiteiten (aangeduid als de bruidsschat).

Het omgevingsplan van rechtswege bestaat uit de volgende onderliggende plannen:

  • 'Omgevingsplan gemeente Tubbergen';
  • 'Tubbergen Buitengebied 2016';
  • 'Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan'.

In onderhavig geval zijn met name de plannen 'Tubbergen Buitengebied 2016' en 'Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan' relevant. Figuur 3.1 toont een uitsnede van de plankaart van het geldende planologisch regime, met het plangebied globaal in het rood omkaderd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMBUIZENDERSEW50-VG01_0006.png"

Figuur 3.1: uitsnede geldend planologisch regime, plangebied rood omkaderd (bron: Omgevingsloket, regels op de kaart)

Voor het plangebied gelden de volgende functies en aanduiding(en):

  • 'Agrarisch - 1'
  • 'Wonen'
  • 'Waarde - Archeologie 3'
  • 'Waarde - Archeologie 4'
  • 'vrijwaringszone - radarverstoringsgebied'

'Agrarisch - 1'

De gronden met de functie 'Agrarisch - 1' zijn in hoofdzaak bedoeld voor het agrarisch gebruik. Gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. Er is ter plaatse van het plangebied binnen de functie 'Agrarisch - 1' geen bouwvlak opgenomen.

In artikel 4.7.11 van het plan 'Tubbergen Buitengebied 2016' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee onder de oude wetgeving de functie 'Agrarisch - 1' gewijzigd kon worden in de functie 'Wonen' tot een maximum oppervlakte van 2.000 m². Onder de omgevingswet kan geen gebruik meer worden gemaakt van een wijzigingsbevoegdheid. Echter kan dit nog wel dienen als toetsingskader.

'Wonen'

De functie 'Wonen' zijn in hoofdzaak aangewezen voor woonhuizen en bijbehorende bouwwerken, al dan niet in combinatie met en in ondergeschikte mate ruimte voor, onder andere een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf, mantelzorg of een bed and breakfast.

Binnen het bestemmingsvlak voor de functie 'Wonen' is één woning toegestaan. Voor de vrijstaande bijbehorende bouwwerken geldt een maximale oppervlakte van 100 m². Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de maximale oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken tot ten hoogste 200 m², mits het bouwperceel, eventueel in combinatie met de daaraan grenzende eigendomseenheid vormende gronden een gezamenlijke oppervlakte heeft van ten minste 5.000 m².

'Waarde - Archeologie 3'

De functie 'Waarde - Archeologie 3' is opgenomen voor het behoud van de archeologische waarden. Bij werkzaamheden in de bodem dieper dan 40 cm en over een oppervlakte van 2.500 m² dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

'Waarde - Archeologie 4'

De functie 'Waarde - Archeologie 4' is opgenomen voor het behoud van de archeologische waarden. Bij werkzaamheden in de bodem dieper dan 40 cm en over een oppervlakte van 5.000 m² dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

'vrijwaringszone - radarverstoringsgebied'

De voor 'vrijwaringszone - radarverstoringsgebied' aangeduide gronden zijn mede bedoeld voor het vrijhouden van een goed radarbeeld van het luchtruim. Binnen deze zone mag de bouw- of tiphoogte van bouwwerken ten hoogste 115 m ten opzichte van NAP bedragen.

3.2.1 Strijdigheden met bestemmingsplan 'Tubbergen Buitengebied'

De nieuwe schuur van 200 m² is beoogd op de gronden die voorzien zijn van de functie 'Agrarisch - 1'. Op deze gronden is het realiseren van de schuur momenteel niet toegestaan. Door het vlak voor de functie 'Wonen' te vergroten tot een oppervlakte van 2.000 m², komt de nieuwe schuur binnen de woonfunctie te liggen. Voorheen had dit middels de wijzigingsbevoegdheid, zoals opgenomen in artikel 4.7.11 van het bestemmingsplan 'Tubbergen Buitengebied', mogelijk gemaakt kunnen worden. Echter is dit onder de Omgevingswet niet meer mogelijk, waardoor er afgeweken moet worden van het Omgevingsplan door middel van een TAM-omgevingsplan.

3.2.2 Bruidsschat

De bruidsschat bevatten regels over onderwerpen die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet in nationale regelgeving waren opgenomen (door het Rijk opgestelde regels). Onder de Omgevingswet worden deze door gemeenten geregeld. De bruidsschat maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De bruidsschat bevat regels op het gebied van bouwen, milieubelastende activiteiten en overige activiteiten en is opgenomen in hoofdstuk 22 van de regels van het omgevingsplan. Het grootste gedeelte van deze regels is gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor milieuregels (zoals regels over geurnormen en de afstand tot een geurgevoelig object). Voor dat deel van de regels geldt dat het mogelijk is om van het omgevingsplan af te wijken.

De regels van afdeling 22.2 zijn relevant voor onderhavig initiatief omdat deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken. Met de in dit TAM-omgevingsplan opgestelde regels wordt aan de regels voldaan. De regels van afdeling 22.3 zijn relevant voor zover sprake is van milieubelastende activiteiten. De Omgevingswet definieert een milieubelastende activiteit als: 'een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit'.

De in dit TAM-omgevingsplan mogelijk gemaakte activiteiten betreffen, zover bekend, geen milieubelastende activiteiten. Indien dit wel het geval blijkt te zijn, dan worden de regels van afdeling 22.3 van toepassing. De overige in de bruidsschat opgenomen regels zijn niet relevant voor dit plan.

Hoofdstuk 4 Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adviesrecht

4.1 Visie en beleid voor het plangebied

4.1.1 Nationale omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Toets

Het voorliggende plan maakt het vergroten van de woonfunctie ten behoeve van een nieuwe schuur op het perceel aan de Zenderseweg 50 te Albergen mogelijk. Gelet op de kleinschaligheid van het plan, kan gesteld worden dat er geen rijksbelangen geraakt worden. De NOVI is verder niet van toepassing op dit plan.

4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024

Provinciale Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving.

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

Provinciale Omgevingsverordening

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • generieke beleidskeuzes;
  • ontwikkelingsperspectieven;
  • gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.

Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024.

Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.

Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMBUIZENDERSEW50-VG01_0007.png"

Figuur 4.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijssel)

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

Generieke beleidskeuzes

Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Onder Afdeling 4.2 (Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking) van de Omgevingsverordening 2024 staan de generieke beleidskeuzes opgenomen. Artikel 4.3 stelt voor de provinciale doelstellingen voor ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit, aanvullende eisen op de Ladder voor duurzame verstedelijking en is gericht op de concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid. Met betrekking tot dit project zijn de volgende beleidskeuzes van belang:

Artikel 4.5 zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:

lid 1

  • a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied;
  • b. de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en
  • c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

Toets

In voorliggend geval wordt de woonfunctie ter plaatse van het perceel Zenderseweg 50 te Albergen vergroot tot een oppervlakte van 2.000 m² ten behoeve van een nieuwe schuur met een oppervlakte van 200 m². De bestaande schuren met een oppervlakte van ca. 150 m² worden gesloopt.

Het is niet wenselijk om de nieuwe schuur binnen de huidige woonfunctie in te passen. Aan de noordzijde van het perceel zijn bomen aanwezig die anders gekapt moeten worden. Er kan dan ook gesteld worden dat er in de huidige situatie niet voldoende ruimte is binnen het bestaande woonperceel om de nieuwe schuur te realiseren.

Door middel van een goede landschappelijke inpassing blijven de kenmerken van de Groene Omgeving behouden en worden deze versterkt. In Bijlage 1 is het landschappelijke inpassingsplan te vinden.

Artikel 4.8 ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit

In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.

Toets
Met het voorliggende plan wordt de woonfunctie op het perceel aan de Zenderseweg 50 te Albergen vergroot tot een oppervlakte van 2.000 m². Het vergroten van de woonfunctie is nodig om een nieuwe schuur met een oppervlakte van 200 m² te realiseren. De bestaande schuren/opstallen worden gesloopt. Het plan is landschappelijk ingepast. In Bijlage 1 is het landschappelijke inpassingsplan toegevoegd. Er kan gesteld worden dat er sprake is van het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Daarmee is het plan in lijn met artikel 4.8 van de Omgevingsverordening Overijssel.

Ontwikkelingsperspectieven

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving van belang. In figuur 4.2 is een uitsnede van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMBUIZENDERSEW50-VG01_0008.png"

Figuur 4.2: Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijssel)

Het plangebied staat aangeduid als 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.

Toets

Het voorliggende plan maakt het vergroten van de woonfunctie ten behoeve van een nieuwe schuur mogelijk. De bestaande schuren/opstallen worden gesloopt en hiervoor in de plaats wordt een nieuwe schuur van 200 m² gerealiseerd. Er is reeds een woonfunctie aanwezig op het perceel. Wonen is een passende functie in het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Het beoogde initiatief doet geen afbreuk aan de karakteristieken die horen bij het gebied.

Gebiedskenmerken

Gelet op de ligging van het plangebied in het buitengebied van Tubbergen zijn in dit geval alleen de 'Natuurlijke laag' en de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' van belang.

Natuurlijke laag

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMBUIZENDERSEW50-VG01_0009.png"

Figuur 4.3: Uitsnede Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijsel)

De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken.

Op de planlocatie zijn momenteel geen verschillen tussen hoog en laag en tussen nat en droog (meer) aanwezig. Gelet op de kleinschaligheid van het voorliggende plan, het vergroten van de woonfunctie ten behoeve van de schuur is het niet mogelijk om deze kenmerken in het gebied terug te brengen. Het plan wordt goed landschappelijk ingepast om de kwaliteiten van het gebied zoveel als mogelijk te behouden.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMBUIZENDERSEW50-VG01_0010.png"

Figuur 4.4: Uitsnede Laag van het agrarisch cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijssel)

De grote oppervlakte aan (voormalige) natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap. Hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Aanvankelijk kleinschalig en min of meer individueel door keuterboertjes. De ambitie is de ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden een stevige impuls te geven en soms een transformatie wanneer daar aanleiding toe is. de dragende structuren worden gevormd door landschappelijk raamwerken van lanen, bosstroken en waterlopen, die rechtlijnige ontginningstructuren versterken.

Het voorliggende plan, het vergroten van de woonfunctie ten behoeve van een nieuwe schuur, heeft geen negatieve invloed op de structuren van het landschap. Er worden met het plan geen bosstroken, lanen, waterlopen en rechtlijnige ontginningstructuren geschaad. Door het plan landschappelijk in te passen worden de karakteristieken van het landschap versterkt.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het initiatief in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

4.1.3 Omgevingsvisie Tubbergen

De gemeenteraad van de gemeente Tubbergen heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Tubbergen, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Tubbergen en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn:

  • We doen het samen;
  • We geven het goede voorbeeld;
  • We wentelen niet af op volgende generaties;
  • we combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt.

In het buitengebied van Tubbergen komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. We zien landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging.

Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. Er wordt gestreefd naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dit maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid.

De speerpunten voor het buitengebied zijn:

  • Toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd;
  • goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij we samenwerking zoeken met de landbouw;
  • kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur.

Toets

Voor het plangebied geldt op basis van de waardenkaart van de 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' het kenmerk 'Gericht op beperkte ontwikkeling'. Figuur 4.5 toont een uitsnede van de waardenkaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMBUIZENDERSEW50-VG01_0011.png"

Figuur 4.5: Uitsnede waardenkaart MijnOmgevingsvisie Tubbergen (bron: gemeente Tubbergen)

Voor het gebied aangeduid met het kenmerk 'Gericht op beperkte ontwikkeling' gelden de volgende waarden:

  • afwisseling van openheid en beslotenheid;
  • landschap met historische herkenbare vormen van percelen, wegen en paden en een verspreid bebouwingspatroon;
  • veel variatie in beplanting en grondgebruik;
  • recreatieve belevingswaarde.

Bij ontwikkelingen dient er ingespeeld te worden op:

  • de schaal van het landschap en het afwisselende karakter;
  • behoud van natuurwaarden en cultuurhistorie;
  • versterken van de biodiversiteit;
  • vasthouden van water;
  • bouwwijze en inrichting die in de directe omgeving gebruikelijk is;
  • belevingswaarde gericht op recreatie.

Voor de planlocatie geldt dat er reeds een woonfunctie aanwezig is. Het initiatief bestaat uit het vergroten van de woonfunctie, waardoor er een nieuwe schuur gerealiseerd kan worden. De bestaande schuren/opstallen worden gesloopt.

De gronden die gebruikt worden voor de uitbreiding van de woonfunctie zijn momenteel voorzien van een agrarische functie. Echter worden deze gronden niet gebruikt voor agrarische doeleinden en zullen ook in de toekomst niet gebruikt gaan worden voor agrarische doeleinden.

Het plan wordt landschappelijk ingepast, waardoor de waarden van het gebied zoveel als mogelijk behouden blijven en waar mogelijk worden versterkt. De bestaande bomen langs het perceel blijven behouden. Daarnaast zullen aan de zuidzijde van het perceel nieuwe bomen geplant worden en wordt de rand van de kamp hersteld ten behoeve van de herkenning van het landschap.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het beoogde initiatief in lijn is met 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen'.

4.1.4 Buitengebied met kwaliteit

Het buitengebied kenmerkt zich door een mix van functies als landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en wonen, al deze functies vragen om ruimte. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Al deze functies leggen samen veel druk op ons buitengebied. Daarom wordt ook voor de toepassing van deze beleidsregel het uitgangspunt gehanteerd: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. We streven naar een aantrekkelijk en vitaal buitengebied waar een goede balans is tussen landgebruik, ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en economische activiteiten.

Om dit te kunnen bereiken beschikt de gemeente over diverse beleidsregelingen zoals bijvoorbeeld Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur en het VAB+ beleid. Alle beleidsregelingen hebben de afgelopen jaren op hun eigen wijze een bijdrage geleverd aan een aantrekkelijk en vitaal buitengebied en de doelstellingen van deze regelingen sluiten nog prima aan bij de speerpunten voor het buitengebied zoals geformuleerd in MijnOmgevingsvisie.

Toets

Voor het uitbreiden van een woonperceel met de functie 'Wonen', gelden de volgende voorwaarden:

  • 1. Alleen toegestaan wanneer dit nodig is om extra bebouwing of een betere erfopzet te kunnen realiseren of indien noodzakelijk in verband met een optimale situering van gebouwen voor zonnepanelen op het dak;
  • 2. Alleen toegestaan wanneer er geen reële mogelijkheden zijn om het bestaande woonperceel met gelijkblijvende oppervlakte te verschuiven;
  • 3. Alleen de reëel noodzakelijke uitbreidingsruimte ten behoeve van een goede erfopzet wordt toegestaan.

Met het voorliggende plan wordt de woonfunctie vergroot tot een oppervlakte van 2.000 m².

De beoogde uitbreiding van de woonfunctie is nodig voor het realiseren van een nieuwe schuur met een oppervlakte van 200 m². Binnen de huidige woonfunctie is momenteel niet voldoende ruimte om deze schuur te realiseren. Gelet op de omvang zal deze dan te dicht op de woning komen te staan of zullen er bomen gekapt moeten worden. Met de uitbreiding wordt het plan tevens landschappelijk ingepast.

Conclusie

Gelet op het vorengaande kan gesteld worden dat voldaan wordt aan de voorwaarden, zoals opgenomen in het beleidsdocument 'buitengebied met kwaliteit'.

4.1.5 Cascobeleid 'De casco benadering in Noordoost-Twente'

De gemeente Tubbergen heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap.

Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.

Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn:

  • 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart.
  • 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart.
  • 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie).

Situatie plangebied

Uit de Casco kaart blijkt dat er casco elementen aanwezig zijn op en grenzend aan het perceel, zoals te zien is in figuur 4.7. Casco elementen zijn in beginsel beschermd. In voorliggend plan blijven de bomen aan de noordzijde van het perceel behouden. Daarnaast worden nieuwe bomen toegevoegd binnen het plangebied. Hiermee wordt de ruimtelijke kwaliteit verbeterd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMBUIZENDERSEW50-VG01_0012.png"

Figuur 4.7 Uitsnede Casco kaart, plangebied in zwart globaal omcirkeld (Bron: gemeente Tubbergen)

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'.

4.1.6 Nota omgevingskwaliteit

Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19 Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit.

4.2 Voorbereidingsfase/Verkenningsfase met stakeholders

In de voorfase heeft er tussen de gemeente en initiatief overleg plaatsgevonden. Daarbij heeft de gemeente mondeling aangegeven in principe mee te willen werken aan het plan om de woonbestemming te vergroten ten behoeve van een nieuwe schuur.

4.2.1 Vooroverleg provincie

De provincie Overijssel heeft de 'uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden. Met het voorliggende initiatief wordt de woonfunctie vergroot ten behoeve van een nieuwe schuur. Een dergelijk initiatief wordt niet genoemd in de 'uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023'. Om die reden wordt het plan voorgelegd aan de provincie Overijssel.

4.2.2 Vooroverleg Waterschap Vechtstromen

Op 11 februari 2025 is via www.hetwateradvies.nl de digitale watertoets verricht (zie Bijlage 3). Uit de watertoets is gebleken dat de korte procedure van toepassing is. De procedure in het kader van de voortoets is goed doorlopen. Gelet op de aard en omvang van het plan kan gesteld worden dat er verder geen waterschapsbelangen geschaad worden.

4.2.3 Participatie omgeving

Initiatiefnemer heeft het plan om de woonfunctie te vergroten ten behoeve van een nieuwe schuur voorgelegd aan de directe buren. Zij hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het plan. Daarnaast heeft de initiatiefnemer een akkoord van de grondeigenaren om de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen' op te nemen ter plaatse van de gronden die niet in eigendom van initiatiefnemer zijn.

4.2.4 Zienswijzen

Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen. Dit kan schriftelijk of mondeling.

Het ontwerp-omgevingsplan heeft met ingang van 15 oktober 2025 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit omgevingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.

Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow).

Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen.

Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing:

  • de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 'Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' van het Bkl;
  • de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening;
  • eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.

5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Algemeen

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.

Inhoud en strekking van de instructieregel komen overeen met de laddertoets die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold op basis van artikel 3.1.6 lid 3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Met artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen wijziging beoogd ten opzicht van artikel 3.1.6 lid 2 Bro.

Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven).

Uit artikel 5.129g, eerste lid, Bkl volgt dat de laddertoets in ieder geval van toepassing is op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.

Stedelijke ontwikkeling

Het voorliggende initiatief maakt het vergroten van de woonfunctie ten behoeve van een nieuwe schuur mogelijk. De huidige oppervlakte van de woonfunctie bedraagt ca. 1.190 m². De nieuwe oppervlakte van de woonfunctie bedraagt 2.000 m². Daarmee vindt een vergroting van de woonfunctie van 810 m² plaats. De bestaande schuren/opstallen (ca. 150 m²) worden gesloopt en hiervoor in de plaats wordt een nieuwe (grotere) schuur van 200 m² gerealiseerd.

Volgens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is er in beginsel geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er enkel sprake is van een planologische functiewijziging. In voorliggend geval vindt er een functiewijziging plaats (agrarisch naar wonen), waarmee de woonfunctie vergroot wordt met een oppervlakte van ca. 810 m², tot een oppervlakte van 2.000 m².

Aangezien er ook sprake is van het vergroten van de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken, wordt tevens de volgende uitspraak relevant geacht. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een overzichtuitspraak d.d. 28 juni 2017 de hoofdlijnen van haar jurisprudentie uiteengezet. De Afdeling benadrukt dat een voorziene ontwikkeling voldoende substantieel moet zijn om aangemerkt te kunnen worden als een stedelijke ontwikkeling. Zo geeft de Afdeling aan dat er voor een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m² geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

Aangezien er in onderhavig geval slechts sprake is van een functiewijziging ten behoeve van het vergroten van de woonfunctie, waarbij tevens de bestaande schuren/opstallen gesloopt worden en hiervoor in de plaats een schuur met een grotere oppervlakte wordt terug gebouwd, kan gesteld worden dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is op voorliggende ontwikkeling. Ook wanneer de ladder niet van toepassing is, moet gemotiveerd worden dat de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).

5.2 m.e.r.-beoordeling

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:

  • In kolom 1 staan de projecten opgesomd;
  • In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is;
  • In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt;
  • Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden.

Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor plan / programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.

De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'.

Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:

  • de aard en omvang van de ontwikkeling;
  • de vormgeving en opzet;
  • de schaalgrootte;
  • de ligging;
  • de voorgenomen functie(wijziging), en;
  • de vraag of sprake is van en bestaand of van een te realiseren bouwwerk.

Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken (art. 16.36, lid 3, Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht.

Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Gelet op de kleinschaligheid van het voorliggende initiatief, waarbij de woonfunctie wordt vergroot ten behoeve van een nieuwe schuur, kan gesteld worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject.

Conclusie

Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).

5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren

Algemeen

De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018.

Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling) 

De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)'. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen.

In onderhavig geval wordt de woonfunctie vergroot ten behoeve van een nieuwe schuur. Het vergroten van de woonfunctie en het realiseren van de nieuwe schuur hebben geen invloed op de verkeersgeneratie. De verkeersgeneratie blijft gelijk aan de huidige situatie. In de huidig situatie is er sprake van één vrijstaande woning. Wanneer uitgegaan wordt van de uitgangspunten 'niet stedelijk, buitengebied, koop en huis, vrijstaand' geldt voor de woning een gemiddelde verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per etmaal.

Deze verkeersgeneratie kan opgevangen worden door middel van de bestaande wegenstructuren. De bestaande in-/uitrit die aansluit op de Zenderseweg blijft behouden.

Parkeren

Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader.

Ook voor wat betreft het parkeren veranderd de situatie niet ten opzichte van de huidige situatie. Voor een vrijstaande woning zijn er volgens de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' minimaal 1,8 en maximaal 2,3 parkeerplaatsen nodig. Op het eigen perceel is hier ruim voldoende ruimte voor.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.

5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

5.4.1 Natura 2000-gebieden

Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan.

Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk.

Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:

  • de leefgebieden van vogels;
  • de natuurlijke habitats of habitats van soorten.

De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden.

Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.

Situatie plangebied

In het kader van gebiedsbescherming (en soortenbescherming) is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd, zie Bijlage 2. Voor de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden geldt het volgende.

Het plangebied ligt op minimaal 7,6 kilometer afstand van Nederlands Natura 2000-gebied. De meest nabij gelegen Nederlandse Natura 2000 gebieden zijn Lemselermaten en Springendal & Dal van de Mosbeek. Op de figuur 5.1 wordt de ligging van de Natura 2000 gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMBUIZENDERSEW50-VG01_0013.png"

Figuur 5.1: ligging plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden (bron: Natuurbank Overijssel)

Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten

Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Met uitzondering van het aspect stikstof, kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten worden.

Beoordeling stikstof (ontwikkelfase)

Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aan- en afvoer van bouw- en sloopmaterialen en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied kan een negatief effect op Natura-2000 gebied, als gevolg van de depositie van stikstofoxiden in Natura 2000-gebied, op voorhand uitgesloten worden. Er is geen nader onderzoek in de vorm van een stikstofberekening nodig voor de ontwikkelfase om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied.

Beoordeling stikstof (gebruiksfase)

Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied in de gebruiksfase neemt door uitvoer van de voorgenomen werkzaamheden niet toe ten opzichte van de huidige situatie. Gelet op de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied kan een negatief effect op Natura-2000 gebied, als gevolg van de depositie van stikstofoxiden in Natura 2000-gebied, op voorhand uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening voor de gebruiksfase is niet noodzakelijk.

Conclusie

Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

5.4.2 Natuurnetwerk Nederland

In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.

Situatie plangebied

Het plangebied ligt op minimaal 1,7 kilometer afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) behoren. In figuur 5.2 wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven met de groene arcering. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMBUIZENDERSEW50-VG01_0014.png"

Figuur 5.2: Ligging plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (bron: Natuurbank Overijssel)

De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland.

Conclusie

Het plangebied ligt op 1,7 kilometer afstand van gronden die behoren tot het NNN. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.

5.4.3 Soortenbescherming

In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:

  • Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal);
  • Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal);
  • Andere soorten (artikel 11.54 Bal).

Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.

Situatie plangebied

Uit de quickscan natuurwaarden (zie Bijlage 2) is voor wat betreft de soortenbescherming het volgende gebleken.

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een rust- en voortplantingsplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied.

Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en er nestelen mogelijk vogels in het plangebied. Op het erf nestelen mogelijk de categorie 5 soorten grauwe vliegenvanger, grote lijster, boomkruiper, gekraagde roodstaart en bonte vliegenvanger. Nestplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen activiteiten mogelijk negatief beïnvloed. Voor categorie 5 soorten geldt dat deze alleen beschermd zijn bij ecologisch zwaarwegende redenen. Dit betekent dat de ruimtelijke ingreep geen negatieve invloed mag hebben op de regionale populatie van de soort. Op het erf blijft in de toekomstige situatie voldoende nestgelegenheid voor bovengenoemde soorten beschikbaar.

Door het verwijderen van de nestkast, slopen van de schuren en het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen, mits geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat rust- en/of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantingsplaats en/of rustplaats negatief worden beïnvloed geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van voortplantingsplaats en/of rustplaats'. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt tot uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.

Door het verwijderen van spullen en materialen en het uitvoeren van grondverzet kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën waarvan mogelijk (winter)rustplaats negatief beïnvloed worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingsplaats'. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.

Conclusie

Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg, mits:

  • het verwijderen van de nestkast, het slopen van de schuur en het rooien van beplanting buiten de voortplantingsperiode van vogels plaatsvindt (of broedvogelscan uitvoeren);
  • Geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën worden gedood (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken).

5.5 Luchtkwaliteit

Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.

In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaan over:

  • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden;
  • ammoniakemissies van veehouderijen;
  • geologische opslag van CO2.

Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool.

Situatie plangebied

Het voorliggende plan maakt een uitbreiding van de woonfunctie ten behoeve van een nieuwe schuur mogelijk. Het vergroten van de woonfunctie en het realiseren van de nieuwe schuur heeft geen negatieve invloed op de luchtkwaliteit. Om dit aan te tonen is gebruik gemaakt van de NIBM-tool. Figuur 5.3 toont de berekening met de NIBM-tool.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMBUIZENDERSEW50-VG01_0015.png"

Figuur 5.3: Uitkomst NIBM-tool (bron: Informatiepunt Leefomgeving)

Uit de berekening volgt dat de bijdrage van het verkeer niet in betekenende mate is. Daarbij dient opgemerkt te worden dat er in de huidige situatie ook als sprake is van een verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per etmaal (verkeersgeneratie één vrijstaande woning). Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten.

Conclusie

Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.

5.6 Geluid

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.

Geluid door activiteiten

In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.

Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel.

De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:

  • woningen;
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal);
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMBUIZENDERSEW50-VG01_0016.png"

Figuur 5.4: Standaardwaarden (bron: Art. 5.78T van het BKL)

Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.

Geluidbeleid 

De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Tubbergen' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend.

Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Buitengebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB).

Situatie plangebied, weg- en verkeerslawaai

Het voorliggende plan maakt de uitbreiding van de woonfunctie mogelijk ten behoeve van een nieuwe schuur. Daarnaast is het mogelijk om vergunningsvrij een mantelzorgwoning op het erf te plaatsen. Deze vergunningsvrije mantelzorgwoning kan echter niet dichter op de weg geplaatst worden dan in de huidige situatie ook al mogelijk zou zijn. Om die reden is onderzoek naar wegverkeers- en spoorweglawaai is niet noodzakelijk. Daarnaast is enkel sprake van het vergroten van de woonfunctie ten behoeve van een nieuwe schuur.

Situatie plangebied, industrielawaai

In de nabijheid van het plangebied is geen geluidgezoneerd industrie- of bedrijventerrein aanwezig. Onderzoek naar industrielawaai is niet noodzakelijk. Daarnaast is er enkel sprake van het vergroten van de woonfunctie ten behoeve van een nieuwe schuur.

Situatie plangebied, geluid door belastende activiteiten

Aan de overzijde van de Zenderseweg bevindt zich een perceel met een horecafunctie waar een restaurant gevestigd is. Voor een restaurant geldt milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 m tot geluidgevoelige functies. De afstand tot het plangebied bedraagt ca. 24 m. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Onderzoek naar geluid door belastende activiteiten is niet noodzakelijk. Daarnaast is enkel sprake van het vergroten van de woonfunctie ten behoeve van een nieuwe schuur.

Conclusie

Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid afkomstig van o.a. wegen niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat

5.7 Geur

In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:

  • zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2);
  • het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3);
  • andere agrarische activiteiten.

In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.

Situatie plangebied

Het voorliggende initiatief, waarbij de woonfunctie vergroot wordt ten behoeve van een nieuwe schuur. In het buitengebied geldt een afstand van 50 m tussen agrarische bedrijven waar landbouwhuisdieren gehouden kunnen worden en geurgevoelige functies. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf bevindt zich op een afstand van ca. 170 m van de planlocatie. (Agrarische) bedrijven in de omgeving worden dan ook niet belemmerd vanwege onderhavig plan.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect geur geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.

5.8 Omgevingsveiligheid

Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastendeactiviteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het
  • Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).

Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:

  • beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl;
  • veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;
  • veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl);
  • veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).

Situatie plangebied

Aandachtsgebieden en contouren van het plaatsgebonden risico en groepsrisico worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). De data uit het REV wordt ontsloten via de Atlas Leefomgeving door deze gegevens op een risicokaart te visualiseren. Figuur 5.5 toont een uitsnede van de risicokaart met het woonperceel aan de Zenderseweg 50 te Albergen zwart omcirkeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMBUIZENDERSEW50-VG01_0017.png"

Figuur 5.5: uitsnede risicokaart (bron: Atlas leefomgeving)

Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat een gedeelte van het woonperceel binnen het brandaandachtsgebied van de ten zuiden gelegen gasleiding ligt. Echter wordt er met het voorliggende initiatief geen nieuw kwetsbaar object toegevoegd. Daarnaast heeft het uitbreiden van de woonfunctie en het realiseren van een nieuwe schuur geen invloed op de hoeveelheid personen die gelijktijdig op het perceel aanwezig zijn. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.

5.9 Trilling

In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie.

De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft.

Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.

Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een:

  • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd);
  • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Situatie plangebied

In de nabijheid van het plangebied zijn geen functies te vinden, zoals spoorwegen, die trillingen veroorzaken. Tevens wordt binnen het plangebied geen nieuw trillingsgevoelig gebouw toegevoegd.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect trilling geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

5.10 Archeologie

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:

  • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • Verplaatsing van beschermde monumenten;
  • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
  • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Archeologische resten

Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.

Situatie plangebied

Archeologie

Uit de archeologische en cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Tubbergen blijkt dat er voor een gedeelte van het plangebied een lage en hoge archeologische verwachting geldt.

Het plangebied bevindt zich binnen twee verschillende zones. De eerste zone is de 'diepe erosiedalen met natte, zandige bodems' en ligt op het noordelijke gedeelte van het plangebied. Voor deze gronden geldt dat er archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij plangebieden groter dan 5.000 m² en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm.

Het meest zuidelijke gedeelte is voorzien van de zone 'stuwwalhellingen met droge zandige en/of grindrijke bodems'. Hiervoor geldt dat bij plangebieden groter dan 2.500 m² en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Figuur 5.6 toont een uitsnede van de archeologische waardenkaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMBUIZENDERSEW50-VG01_0018.png"

Figuur 5.6: uitsnede archeologische beleidskaart (bron: gemeente Tubbergen)

Het voorliggende plan maakt een uitbreiding van de woonfunctie tot een oppervlakte van 2.000 m² ten behoeve van een nieuwe schuur mogelijk. De nieuwe schuur heeft een oppervlakte van 200 m². De bovengenoemde oppervlakten worden niet overschreden, waardoor archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.

Cultuurhistorie

Het plangebied bevat geen rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Ook overige cultuurhistorische elementen zijn niet (meer) aanwezig binnen en in de directe omgeving van het plangebied.

Conclusie

Uit het vorenstaande blijkt dat er geen archeologische en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad met het beoogde initiatief. Geconcludeerd kan worden dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaken voor het beoogde initiatief.

5.11 Bodem

De bodem moet geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.

Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m2.

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

De artikelen 22.29 e.v. BS zijn hier ook van belang.

Situatie plangebied

Het voorliggende plan maakt het vergroten van de woonfunctie ten behoeve van een nieuwe schuur mogelijk. Momenteel zijn de gronden waar de uitbreiding van de woonfunctie en de nieuwe schuur beoogd zijn voorzien van een agrarische functie. Echter worden deze gronden al tijden niet meer gebruikt voor agrarische activiteiten. Daarnaast wordt er geen nieuw gebouw waar personen meer dan 2 uur achtereenvolgend aanwezig zullen zijn. Er is dus geen sprake van een bodemgevoelig gebouw. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek wordt om die reden niet noodzakelijk geacht.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

5.12 Waterbelang

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.

Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot:

  • 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen;
  • 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en
  • 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.

Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn.

Waterparagraaf

Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.

Het waterschap Vechtstromen zorgt voor het water in uw omgeving. Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element' draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering.

In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema's.

Klimaatrobuust gebied

Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.

Veilig gebied

Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Onze ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. We voeren ons beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.

Circulaire Economie en Energietransitie

Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen we in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren.

Gezonde leefomgeving

Als waterschap zorgen we voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Wij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Ons doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.

De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met gemeenten, provincies, inwoners en bedrijven. Om de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen tijdig en goed in beeld te krijgen en mee te kunnen wegen, gebruiken we de (digitale) watertoets.

Relevante wateraspecten:

Wateroverlast

Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het verhard oppervlak toe met ca. 50 m² (bebouwing). Daarnaast is het mogelijk om ook bestaand verhard oppervlak af te koppelen van het rioolstelsel zodat de kans op wateroverlast door toekomstige regenbuien wordt verminderd. Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden - bergen – afvoeren behandeld. In onderhavig geval is het niet nodig om extra voorzieningen te realiseren, waarmee hemelwater opgevangen kan worden. Rond de planlocatie zijn voornamelijk agrarische gronden aanwezig en is er voldoende mogelijkheid voor het hemelwater om te infiltreren in de bodem, danwel afgevoerd te worden via bestaande greppels.

Waterkwaliteit

Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden.

Riolering en Afvalwaterketen

Een toename van het afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Onderhavig plan heeft geen invloed op de hoeveelheid afvalwater. Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de gemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie kunnen de toename van afvalwater verwerken zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. Het hemelwater wordt net als in de huidige situatie niet aangesloten op het rioolstelsel en zal ter plaatse infiltreren/geborgen worden.

Grondwaterbeheer

De ontwikkeling leidt niet tot wijziging van de grondwaterstand. Er wordt niet gebouwd in een gebied met een hoge grondwaterstand of kwel. Er zijn geen maatregelen nodig ten behoeve van het grondwater.

Recreatie

Gelet op de aard en omvang van onderhavig plan is recreatie niet relevant.

Conclusie

Op 11 februari 2025 is via www.hetwateradvies.nl de digitale watertoets verricht (zie Bijlage 3). Uit de watertoets is gebleken dat de korte procedure van toepassing is. De procedure in het kader van de voortoets is goed doorlopen. Gelet op de aard en omvang van het plan kan gesteld worden dat er verder geen waterschapsbelangen geschaad worden.

5.13 Spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen

Om gewassen te beschermen, worden (chemische) bestrijdingsmiddelen gebruikt. Deze middelen worden door middel van spuitbomen aangebracht op gewassen en een deel hiervan kan verwaaien naar de naastliggende omgeving. Dit wordt ook wel drift genoemd.

Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de openlucht worden geteeld in de buurt van gevoelige functies, zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die hierin worden genoemd zijn gerelateerd aan het oppervlakte water. Het Besluit activiteiten leefomgeving is daarom evenmin bruikbaar.

De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State doet met enige regelmaat uitspraak over zogenoemde spuitvrije zones. De rechtspraak over spuitvrije zones ziet op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en agrarische bedrijvigheid. Uit deze rechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen 'niet onredelijk wordt geacht'. Deze afstand mag wel worden verkleind, maar dan moet de overheid dit wel goed motiveren aan de hand een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Echter, het gebruik van reken modellen is volgens de rechtspraak nog weinig succesvol.

In eerste instantie betroffen de uitspraken van de Afdeling kwesties over hoogstamteelt. De spuithoogte bij deze teelt is hoger dan bij andere teelten. De grotere hoogte van spuiten leidt tot een ruimere verspreiding van het middel door de lucht naar de omgeving. Deze drift is mede afhankelijk van de windrichting en windkracht. Uit recente rechtspraak volgt dat het niet alleen gaat om gewasbescherming bij hoogstamteelt, maar om agrarische bedrijvigheid waarbij agrarische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.

Situatie plangebied

Het voorliggende plan maakt het vergroten van de woonfunctie ten behoeve van het realiseren van een nieuwe schuur mogelijk. Rond de woonfunctie zijn agrarische gronden aanwezig. Om te voorkomen dat op deze gronden gewasbeschermingsmiddelen gebruikt mogen worden, wordt een spuitvrije zone opgenomen. Omdat de woonfunctie aan de noordzijde niet wordt vergroot, is het opnemen van een spuitvrije zone hier niet noodzakelijk.

Conclusie

Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is niet toegelaten binnen een zone van 50 meter bij gevoelige functies. In de regels is dat tot uitdrukking gebracht door op de plankaart de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - boom- en sierteelt'. De functieaanduiding komt op 50 m aan de west- en zuidzijde van de woonfunctie te liggen. Binnen deze functieaanduiding mogen de gronden niet gebruikt worden ten behoeve van sierteelt, boomteelt, houtteelt of overige opgaande teeltvormen.

Hoofdstuk 6 Financiële haalbaarheid

De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente.

De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer.

Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over:

  • nadeelcompensatie.

Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het wijzigen van het omgevingsplan. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld.

Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.

Hoofdstuk 7 Toelichting planregels

7.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is.

Met het plan ‘TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22q Buitengebied Zenderseweg 50 Albergen’ wordt de woonfunctie vergroot ten behoeve van een nieuwe schuur. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.

7.2 Opzet regels

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.

Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO.

Werkingsgebied

De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Zenderseweg 50 Albergen, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0183.TAMBUIZENDERSEW50- zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In hoofdstuk 1 van deze ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.

7.2.1 Preambule

In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.

7.2.2 Inleidende bepalingen

Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit:

  • Artikel 1 Begripsbepalingen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen.
  • Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen: Dit artikel geeft de wijze van meten weer.
  • Artikel 3 Toepassingsbereik: Dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan.
7.2.3 Functies en activiteiten

In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan.

7.2.4 Algemene regels voor activiteiten

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels voor activiteiten. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

  • Anti-dubbeltelbepalingen;
  • Planologische gebruiksactiviteiten: in dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze regels gaan uit van het principe dat gebruik uitsluitend is toegestaan in overeenstemming de ter plekke toegestane functies. Dit artikel bevat algemeen geldende bepalingen ten aanzien van strijdig en toegestaan gebruik volgens de in het omgevingsplan toegekende functies.
  • Regels parkeren: dit artikel bevat bepalingen over parkeren;
  • Overige regels.
7.2.5 Nadere toelichting op de regels

Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een ‘ja, mits’-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden).

Toelichting op de regels

'Agrarisch - 1'

De functie 'Agrarisch - 1' is opgenomen ten behoeve van het agrarisch gebruik van de gronden. Daarnaast is deze functie onder andere opgenomen voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke waarden en doeleinden van agrarisch natuurbeheer. Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. In onderhavig geval is geen bouwvlak opgenomen.

'Wonen - Wonen in het buitengebied'

De gronden met de functie 'Wonen - Wonen in het buitengebied' mogen worden gebruikt voor woonhuizen en bebehorende bouwwerken. Dit mag in combinatie met een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf, dan wel een vrij beroep, mantelzorg en een bed and breakfast.

Daarnaast zijn onder andere kleinschalige duurzame energiewinning, wegen en paden, water, tuinen, erven en terreinen en paardrijbakken toegestaan.

Per bestemmingsvlak mag één hoofdgebouw met één woning worden gebouwd. De gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag maximaal 200 m² bedragen.

'Waarde - Archeologie 3'

De gronden binnen de gebiedsaanwijzing 'Waarde - Archeologie 3' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, aangewezen voor het behoud van de archeologische waarden. Voor bouwwerken waarbij grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,40 m onder het maaiveld nodig zijn, dient aangetoond te worden dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

'Waarde - Archeologie 4'

De gronden binnen de gebiedsaanwijzing 'Waarde - Archeologie 4' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, aangewezen voor het behoud van de archeologische waarden. Voor bouwwerken waarbij grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 5.000 m² en dieper dan 0,40 m onder het maaiveld nodig zijn, dient aangetoond te worden dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

'Overige zone - vrijwaringszone - radarverstoringsgebied'

De voor 'Overige zone - vrijwaringszone - radarverstoringsgebied' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor het vrijhouden van een goed radarbeeld van het luchtruim.