| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Buitengebied Agelerweg 45 Reutum |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0183.TAMBUIAGELERWEG45-VG01 |
Aan de Agelerweg 45 te Reutum is sprake van een woonerf met een schuur als bijbehorend bouwwerk. In het verleden was dit gebied een heide landschap, deze is rond 1934 ontgonnen en in gebruik genomen als weide. Vanaf 1955 is een deel in gebruik genomen als woonerf. Sinds 2011 staat er een nieuwe woning met bijbehorend bouwwerk, dit is tot op heden het geval.
Het gaat om gemeente Tubbergen, sectie Q, perceelnummer 2042 en 2043. Deze is weergegeven op afbeelding 1.
Afbeelding 1: Luchtfoto met kadastrale percelen, planlocatie in rood (bron: kadastralekaart)
De wens van de initiatiefnemer is om een bestaand bijbehorend bouwwerk te slopen en een groter bijbehorend bouwwerk terug te bouwen voor een gebruik als carport en bergingsruimte. De beoogde herbouw van de schuur valt een deel buiten de huidige functie 'Wonen'.
Daarmee past het plan niet binnen de regels van het huidig planologisch kader. Met behulp van voorliggend plan is een aanpassing van het planologisch kader noodzakelijk. Voorliggend kader verschaft een goed juridisch en ruimtelijk kader voor de genoemde ontwikkeling.
Beoordelingskader
De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan.
Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.
De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld.
Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen.
Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.
De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.
Belangenafweging
De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.
Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze worden afgewogen.
Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Voor de provincie Overijssel geldt dat het initiatief onder een categorie valt waarvoor geen vooroverleg noodzakelijk is. Het waterschap Vechstromen is geinformeerd door middel van de watertoets en akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.
Zienswijzen
Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan heeft voor periode van zes weken ter inzage gelegen. Het was voor eenieder mogelijk om tegen het ontwerpbesluit een zienswijze in te dienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Conclusie belangenafweging
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.
Het "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Buitengebied Agelerweg 45 Reutum" bestaat uit de volgende stukken:
De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de functies van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze functies zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan wordt daarnaast vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft weliswaar geen juridisch bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de omschrijving, motivering en verantwoording van het omgevingsplan.
Op de locatie Agelerweg 45 te Reutum is sprake van een bestaand woonerf met een woning en een bijbehorend bouwwerk. De initiatiefnemer wil het huidige bijbehorend bouwwerk slopen en groter herbouwen om het te gebruiken als carport en berging. Volgens het omgevingsplan is het vergroten van de schuuroppervlakte qua beoordelingsregels wel mogelijk. Het huidig woonvlak moet echter verruimd worden om het gebouw op de beoogde locatie te kunnen realiseren.
Onderstaand is een weergave van de toekomstige erfsituatie zichtbaar.
Afbeelding 3: situatietekening gewenste situatie (N+L Landschapsontwerpers)
De nieuwe erfsituatie wordt ingepast door het gebouw op een passende wijze in het bestaande erfensemble te situeren. Een schets van de beoogde schuur is in de volgende afbeelding zichtbaar.
Afbeelding 4: aanzicht nieuwe schuur vanaf de weg (westgevel) en achterkant (oostgevel) (bron: initiatiefnemer)
De betreffende schuur heeft een afmeting van 13 m bij 10 m en een maximale hoogte van 8,5 meter. Omliggend aan het erf zijn reeds groenstructuren in de vorm van hagen aanwezig. Deze worden met de schuur mee naar de buitenzijde van de erfsituatie verplaatst.
Zoals in de aanleiding aangegeven passen de plannen van initiatiefnemer niet binnen het huidig planologisch kader. De schuur wordt gesloopt en teruggebouwd, met deze herbouw valt het gebouw over de grens van de woonfunctie. Om deze reden is een wijziging van het omgevingsplan gewenst.
Het geldend planologisch kader ter plaatse is 'Tubbergen Buitengebied 2016' en het plan 'Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan'.
Binnen dit bestemmingsplan is het erf voorzien van de bestemming 'Wonen' en 'Waarde – Archeologie 4'. Tevens zijn de aanduidingen 'overige zone – geen boom- en sierteelt toegestaan', 'reconstructiewetzone – extensiveringsgebied' en 'vrijwaringszone – radarverstoringsgebied' van toepassing. Deze bevatten enkele regels die niet relevant zijn voor de omvang van de ontwikkeling.
De schuur is beoogd op gronden die deels niet zijn voorzien van een woonfunctie en momenteel een functie 'Agrarisch - 2' kennen. Het planvoornemen om ter plaatse een gebouw te realiseren buiten het woonvlak is op basis van de huidige planregels niet toegestaan.
Afbeelding 5: uitsnede verbeelding vanuit het omgevingsplan van rechtswege (ruimtelijkeplannen.nl)
De bruidsschat bevatten regels over onderwerpen die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet in nationale regelgeving waren opgenomen (door het Rijk opgestelde regels). Onder de
Omgevingswet worden deze door gemeenten geregeld. De bruidsschat maakt onderdeel uit van het
tijdelijke deel van het omgevingsplan. De bruidsschat bevat regels op het gebied van bouwen,
milieubelastende activiteiten en overige activiteiten en is opgenomen in hoofdstuk 22 van de regels van
het omgevingsplan. Het grootste gedeelte van deze regels is gericht op een evenwichtige toedeling van
functies aan locaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor milieuregels (zoals regels over geurnormen en de
afstand tot een geurgevoelig object). Voor dat deel van de regels geldt dat het mogelijk is om van het
omgevingsplan af te wijken.
De regels van afdeling 22.2 zijn relevant voor onderhavig initiatief omdat deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken. Met de in dit TAM-omgevingsplan opgestelde regels wordt aan de regels voldaan. De regels van afdeling 22.3 zijn relevant voor zover sprake is van milieubelastende activiteiten. Zodoende zijn de regels niet relevant.
Er zijn geen gemeentelijke verordeningen die van belang zijn voor dit plan.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Beoordeling van het plan:
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een sloop en herbouw van een schuur in het buitengebied van de gemeente Tubbergen. De kleine omvang van de ontwikkeling behoeft slechts op kleine schaal een functiewijziging van agrarisch naar wonen en zeer beperkte fysieke wijziging. De kenmerken en identiteit van het gebied blijven derhalve behouden, er wordt geen afbreuk gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit. Geconcludeerd kan worden dat er vanuit de NOVI geen belemmeringen zijn.
De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.
Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal:
Doorwerking plan:
In voorliggende geval zijn in het kader van de generieke beleidskeuzes de volgende artikelen relevant:
Onderstaand worden de beleidskeuzes benoemd en beoordeeld op welke wijze in het plan hiermee rekening is gehouden.
Artikel 4.5: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (lid 2)
lid 2
Omgevingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt:
In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip "groene omgeving" nader gedefinieerd als: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip "bestaand bebouwd gebied" nader gedefinieerd als: de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van het omgevingsplan van rechtswege voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht.
Beoordeling van het plan:
Voorliggend plan voorziet in de bouwmogelijkheden voor een te herbouwen schuur op het woonerf ten behoeve van berging. Hiermee is er sprake van beperkte toegenomen ruimtebeslag, aangezien de herbouwde schuur iets groter zal worden. Aangezien het betreffende gebouw hoort bij de woning en functioneel is voor deze woning, wordt het onredelijk geacht om elders in de het buitengebied bestaande bebouwing te benutten voor het benoemde gebruik als carport en berging. Tevens worden de benodigde gebruiken (carport en berging) in hetzelfde gebouw toegepast, waardoor er sprake is van optimale benutting van mogelijkheden voor combinatie van functies op dit erf.
Daarnaast komt de schuur op nagenoeg dezelfde plek terug, op deze manier heeft het de minste impact op het aanwezige landschap. Bovendien worden meerdere functies gecombineerd in het gebouw. Er is hiermee sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik passend binnen dit artikel van de omgevingsverordening. Geconcludeerd wordt dat de in dit plan besloten ontwikkeling voldoet aan dit artikel van de Omgevingsverordening.
Artikel 4.9: onderbouwing ruimtelijke kwaliteit
Lid 1
Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin:
Beoordeling van het plan:
Zoals blijkt uit de beschrijving in hoofdstuk 2 in combinatie met de verantwoording in dit hoofdstuk wordt het erf landschappelijk ingepast conform de ter plaatse geldende gebiedskenmerken (zie verderop in deze paragraaf). Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit plan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met dit artikel.
Artikel 4.13: Klimaatrobuust water- en bodemsysteem
Beoordeling van het plan:
De ontwikkeling is van kleine omvang, waardoor de invloed op de bodem en water zeer beperkt zal zijn. Bovendien wordt er nieuwe beplanting gerealiseerd, dit zorgt voor een hogere capaciteit van het groen om het water op te vangen en vast te houden. Daarmee levert het - op zeer lokaal niveau - een bijdrage aan klimaatadaptatie. Hiermee kan gesteld worden dat de ontwikkeling voldoet aan artikel 4.13.
Artikel 4.55: Nationaal landschap Noordoost-Twente
Lid 1
Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen het Nationaal Landschap Noordoost-Twente als die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap.
Lid 2
De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn:
Lid 3
Het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat rekening is gehouden met het Ontwikkelperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente en met bijlage IX van deze verordening (Nader uitgewerkte kernkwaliteiten Nationaal Landschap Noordoost-Twente) waarin de kernkwaliteiten nader zijn uitgewerkt.
Beoordeling van het plan:
De plannen van de eigenaren doen geen afbreuk aan de kernkwaliteiten van het Nationaal landschap Noordoost-Twente. Er wordt voldaan aan de randvoorwaarden voor ruimtelijke kwaliteit, daarmee worden ook investeringen verricht in (het behoud van) de ruimtelijke kwaliteit bij de inpassing van het bijbehorend bouwwerk. Hiermee wordt een versterking bewerkstelligd van de kernkwaliteiten.
Ontwikkelingsperspectieven (waar)
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst. Voor het voorliggende plan is het volgende ontwikkelingsperspectief voor de locatie van toepassing.
Afbeelding 6: kaart ontwikkelingsperspectieven, planlocatie rood aangekruist(provincie Overijssel)
Het plangebied valt gedeeltelijk onder ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap', en gedeeltelijk onder 'Zone ondernemen met Natuur en Water buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN)'. Zoals eerder genoemd is het slechts een kleine verandering dat geen impact heeft op het landschapsbeeld.
De ontwikkeling doet geen afbreuk aan het landschap Noordoost Twente door een goede landschappelijke inpassing van de plannen. Bovendien worden omliggende functies niet geschaad in de mogelijkheden. Met inachtneming hiervan voldoet het plan aan de toegekende ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken (hoe)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke -inpassing, infrastructuur,- milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend.
De provincie onderscheidt de volgende vier lagen:
Natuurlijke laag
De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. Zoals grote delen van Overijssel bestond ook het plangebied uit dekzandvlakten en beekdalen met beperkte reliëfverschillen. In de jaren zijn de hoogteverschillen onder andere door zandverstuivingen, het ontginnen van de heidecomplexen en de ontwikkeling in de landbouw nagenoeg verdwenen. Het plangebied ligt in het gebied dat wordt aangeduid als 'Dekzandvlakte en ruggen'. De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/ nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. De dekzandvlaktes worden dan ook afgewisseld met beekdalen, die in dit geval iets ten noorden van het plangebied liggen.
Dekzandvlakten en ruggen krijgen een beschermende regeling, gericht op instandhouding van de hoofdlijnen het huidige reliëf. In dit geval is de fysieke impact van de ontwikkeling zeer klein, waardoor het geen afbreuk doet aan de landschapswaarden.
Afbeelding 7: uitsnede kaart natuurlijke laag, plangebied met rood aangeduid (bron: provincie Overijssel)
Laag van agrarisch cultuurlandschap
Geconstateerd wordt dat het plangebied in 'Jong heide- en broekontginningslangschap' ligt. De grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren, dus werden de heiden in cultuur gebracht. Eerst begon deze ontginning kleinschalig en privaat, later werd het planmatig en grootschalig aangepakt. De broekontginningen (natte gebieden) hadden een vergelijkbare ontwikkeling. In dit geval gaat het om een heideontginning, gezien de locatie hoger is gelegen. Vanaf 1750 zijn er delen bebost voor houtproductie en jacht. Dit heeft geresulteerd in grote en kleinere landbouwontginningslandschappen en in landschappen van grote boscomplexen en (nooit ontgonnen) heidevelden. Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld, wegen zijn lanen met lange rechtstanden. Vaak zijn het 'inbreidings'landschappen met en rommelige driehoekstructuren als resultaat. In dit cultuurlandschap wordt er gestuurd op behoud en versterken van de openheid en lineaire structuren.
De plannen voldoen aan deze karakteristieken, gezien de omvang zeer beperkt is (de openheid blijft) en de groene hagen als lijnstructuren worden mee verplaatst met de nieuwe afmeting van de schuur.
Afbeelding 8: uitsnede kaart laag van cultuurlandschap, plangebied met rood aangeduid (bron: provincie Overijssel)
Laag van de beleving
Het plangebied ligt in het kenmerk donkerte. Uitgangspunt binnen dit gebied is dat bij ontwikkelingen geen onevenredige lichtvervuiling gaat plaatsvinden. Het voorliggend plan voorziet in een herbouwde schuur waarbij geen onnodige lichtbronnen worden toegevoegd, enkel vervangen. Als gevolg hiervan treedt geen extra lichtvervuiling op. Ten zuidoosten van het perceel ligt historische infrastructuur, hier worden geen wijzigingen aan gebracht en dus geen afbreuk aan gedaan.
Afbeelding 9: uitsnede kaart laag van de beleving (bron: provincie Overijssel)
De stedelijke laag heeft op de planlocatie geen specifieke kenmerken en blijft daarom verder buiten beschouwing.
Beoordeling van de plannen:
Met de toetsing aan genoemde lagen van de provincie Overijssel kan gesteld worden dat de voorgenomen plannen geen afbreuk doen aan de landschappelijke waarden. Hiermee is het plan volledig in overeenstemming met het provinciaal ruimtelijk beleid en regelgeving uit de Omgevingsverordening en Omgevingsvisie Overijssel.
De gemeenteraad van de gemeente Tubbergen heeft in 2021 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving voor het grondgebied van de gemeente Tubbergen, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Tubbergen en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld.
De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. Die vier principes zijn:
Buitengebied in balans
De gemeente Tubbergen wil een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Tubbergen is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden.
In het buitengebied van Tubbergen komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Tubbergen streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht.
Daarbij wordt gewerkt aan speerpunten. Voor het 'Buitengebied in balans' zijn dat:
Beoordeling van de plannen:
Op grond van MijnOmgevingsvisie Tubbergen valt het plangebied onder lagere landschapswaarde, gereicht op ontwikkeling. Dit is weergegeven op onderstaande afbeelding. Deze landschappen zijn in de afgelopen 80 tot 100 jaar veel veranderd is en waar de lagere landschapswaarde ruimte voor ontwikkeling biedt. Dit zijn bijvoorbeeld de heide- of veenontginningen met een hoge dynamiek.
Afbeelding 10: Kaart Omgevingsvisie Tubbergen, plangebied aangepijld met paars (bron: Regels op de kaart)
Voor het plan aan de Agelerweg 45 geldt dat het een kleinschalige ontwikkeling betreft (vergroten van het woonvlak voor het herbouwen van een schuur). De wijziging wordt landschappelijk goed ingepast. Er is een zeer beperkte fysieke wijziging, gezien de hagen worden mee verplaatst met de ontwikkeling. De ontwikkeling past in de lagere landschappelijke waarde en daarmee in de omgevingsvisie van Tubbergen.
Door de gemeente Tubbergen het ruimtelijk beleid buitengebied 'Buitengebied met kwaliteit' vastgesteld. Het buitengebied kenmerkt zich door een mix van functies als landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en wonen, al deze functies vragen om ruimte. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom wordt voor de toepassing van deze beleidsregel het uitgangspunt gehanteerd: de goede functies op de goede plek.
Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. De volgende onderdelen van dit beleid zijn van belang:
Algemene randvoorwaarden
Voor elke ontwikkeling in het buitengebied gelden bepaalde algemene randvoorwaarden waar aan voldaan moet worden. Dit betreffen bijvoorbeeld randvoorwaarden die zijn opgesteld met het oog op 'een goede ruimtelijke ordening' of een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' ingeval de Omgevingswet inwerking is getreden. Deze randvoorwaarden zijn hieronder opgenomen.
3.3 Uitbreiden woonperceel
Voor het uitbreiden van een woonperceel met de functie 'Wonen', gelden de volgende voorwaarden:
Beoordeling van de plannen:
Algemene voorwaarden
Aan de algemene voorwaarden wordt voldaan. De herbouw van de schuur doet geen afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteit, gezien de fysieke kenmerken passen binnen de landschappelijke uitgangspunten voor het gebied. De wijziging is van kleine omvang en zal daarom zeer beperkte invloed hebben op het landschappelijke beeld. De verplaatsing van de bestaande heg draagt bij aan behoud van de ruimtelijke kwaliteit.
Daarnaast heeft de ontwikkeling geen relevante toename van de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie tot gevolg en is geen sprake van een onevenredige afbreuk aan de in de omgeving aanwezige functies en waarden, zoals blijkt uit hoofdstuk 5 van deze toelichting.
Specifieke voorwaarden uitbreiden woonperceel
Zoals eerder aangegeven is de beoogde locatie de meest optimale voor de bouw van de nieuwe schuur op het erf Agelerweg 45. Het vervangt daarbij de oude schuur en maakt een vergroting aan bijbehorend bouwwerk (binnen geldende beoordelingsregels) mogelijk. Het plan heeft een beperkte wijziging is in fysieke kenmerken als gevolg. Een verschuiving richting de woning is onwenselijk, omdat in dat geval de bebouwing veel te kort op de woning wordt gesitueerd. Daarom is gekozen/beoogd om een beperkte vergroting van de woonfunctie te realiseren. Een bestaande groenstructuur (haag) wordt hiervoor opgeschoven, waardoor in feite ook een vergroting van de tuin wordt bewerkstelligd. De linieare structuur is wenselijk om een passend landschapsbeeld te behouden.
Andere locaties binnen het huidig erf doen afbreuk aan de landschappelijke opzet. In dat geval zal de hele erfopzet en bestrating moeten wijzigen, en dat is ook onwenselijk in economisch en functioneel opzicht.
Er is gekozen om niet voor verplaatsing/verschuiving van de woonfunctie te gaan. Zowel aan de Agelerweg als aan de Oude Bornsedijk heeft het erf een ontsluiting, waardoor het weghalen van de woonfunctie aan deze zijden ongewenst is. Aan de zuidzijde van het erf loopt bestaande erfverharding voor de ontsluiting van de woning/tuin aan deze zijde, ook aldaar is daarom het weghalen van woonvlak ongewenst. Een beperkte vergroting is daarmee noodzakelijk en aanvaardbaar geacht voor de ontwikkeling.
In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld.
Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.
Casco-benadering in de praktijk
De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het 'kleinschalige groene karakter' van het landschap in totaliteit.
De regels van de casco-benadering gelden niet voor:
Voor bovenstaande elementen en het beheer van casco elementen geldt het reguliere beleid van elke afzonderlijke gemeente. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel.
| Landschapstype | Opmerking |
| Elementen die tot het casco behoren | Mogen in principe niet verplaatst worden |
| Elementen die niet tot het casco behoren | Mogen verplaatst worden, als aan de regels van de casco-benadering wordt voldaan |
| Te compenseren elementen | Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen |
Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties:
In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de casco-kaart opgenomen, waarin de diverse casco elementen te zien zijn aan de Agelerweg 45 in Reutum. De lijn die met een knik door het huis loopt is hierin niet correct, aangezien hier geen groenstructuren aanwezig zijn. Met de plannen is er geen wijziging betreft de casco structuren.
|
| Afbeelding 11: uitsnede Casco-kaart, locatie in geel (bron: provincie Overijssel) |
Beoordeling van de plannen:
De planlocatie Agelerweg 45 wordt aan de zuidkant omgeven door casco-elementen. Op de gewenste locatie voor de schuur (noordoostzijde erf) zijn er geen aanwezige casco-lijnen. De lijn aan de noordkant van het erf is niet correct en wordt daarom niet meegenomen met de toetsing. Geconcludeerd wordt dat met de uitvoering van het Ruimtelijk kwaliteitsplan volledig wordt voldaan aan de doelstellingen van het Casco-beleid.
Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19 Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit.
De nota omgevingskwaliteit is bedoeld om te kunnen beoordelen of bouwplannen voldoen aan redelijke eisen van welstand. Op grond van de kwaliteitsniveaus wordt de beoordeling ambtelijk of door de stadsbouwmeester uitgevoerd. De beoordeling vindt plaats aan de hand van de tekst in de nota omgevingskwaliteit.
De stadsbouwmeester geeft in een geschreven advies aan of een bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Een positief advies is over het algemeen beknot en kan op verzoek nader gemotiveerd worden. Een negatief advies is voorzien van een motivering.
Beoordeling van het plan:
Het bouwvplan zal bij de aanvraag omgevingsverguning voor het bouwen worden getoetst voor welstand. Op voorhand worden geen belemmeringen gezien op dit vlak. De impressies voor het bijbehorend bouwwerk laten een vormgegeven gebouw in landelijke stijl zien en conform hoogten die mogelijk zijn binnen het huidig omgevingsplan.
In de voorfase is er sprake geweest van een vooroverleg met een gemeentelijke medewerker, waarna er goedkeuring is gegeven om een planwijzging in te dienen voor het bouwplan.
De provincie Overijssel heeft de 'uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden.
(Wijziging) omgevingsplannen en buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA’s) waarvoor geen vooroverleg met provincie nodig is:
Beoordeling van het plan:
Het plan valt onder punt 1 sub b waardoor nader vooroverleg met de provincie op voorhand niet noodzakelijk is. Bij publicatie van het TAM-omgevingsplan zal een kennisgeving aan de provincie Overijssel worden gestuurd.
Op 10 februari 2025 is de digitale watertoets voor de planlocatie uitgevoerd. De korte procedure van het waterschap Vechtstromen is hierbij van toepassing verklaard, waarbij geadviseerd is om de standaard uitgangspunten te hanteren bij het uitwerken van de waterparagraaf. Dit in paragraaf 5.12 nader uitgewerkt.
De gemeenteraad heeft het beleid ‘Inwonersparticipatie’ vastgesteld en daarin is een ‘Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie’ opgenomen. Beschrijving van de wijze van participatie, de keuze waarom voor deze wijze van participatie is gekozen en wat het resultaat hiervan is:
De initiatiefnemers hebben de betrokken buren bezocht, het plan uitgelegd en om reactie gevraagd, het volledige verslag is bijgevoegd als Bijlage 3.
In totaal zijn ze bij drie adressen geweest. De buren hebben allen aangegeven dat het hun uitzicht niet verandert of belemmert Ten aanzien van deze positieve reacties zijn er geen verdere aanpassingen ingebracht.
Daarnaast hebben de familieleden wonend op nr. 45a geen bezwaar tegen de herbouw c.q. uitbreiding van de schuur.
Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow).
Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.
De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579.
De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Stedelijke ontwikkeling
Wat betreft de "Ladder voor duurzame verstedelijking" wordt opgemerkt dat toetsing noodzakelijk is bij "nieuwe stedelijke ontwikkelingen". De voorgenomen ontwikkeling betreft een functiewijziging. Gelet op de omvang van deze functiewijzing (van agrarisch naar wonen met een oppervlakte van 500 m2) is deze naar aard en omvang niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Deze ontwikkeling is, gelet op de definitie, niet aan te merken als een 'stedelijke ontwikkeling'.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toepassing van de ladder is niet vereist.
Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen:
De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project.
In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen:
De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn:
In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten:
Beoordeling van de plannen:
De voorgenomen activiteit voor het vergroten van de bestaande woonfunctie voor het realiseren van een groter bijbehorend bouwwerk (ter vervanging van een bestaande bijbehorend bouwwerk) staat niet als zodanig benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er ook geen noodzaak tot een m.e.r.-beoordeling.
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid moet vervolgens worden beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden aangetoond dat de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties.
Het parkeren moet worden getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018.
Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling)
Het plangebied is in de bestaande situatie ontsloten op de Agelerweg en de Oude Bornsedijk. Het perceel heeft op deze wegen elk één ontsluiting. De verkeersontsluiting blijft in de toekomstige situatie hetzelfde en het nieuw bouwen van een bijbehorend bouwwerk geeft geen structurele extra verkeersbewegingen op de Agelerweg en de Oude Bornsedijk.
Het plan leidt niet tot een verhoging van de verkeersintensiteit aangezien geen sprake is van verdere wijzigingen van het gebruik van het woonerf.
Parkeren
Het voornemen ziet toe op het herbouwen van een schuur als bijbehorend bouwwerk van een woning. Zoals beschreven dient de ontwikkeling om berging te realiseren voor de woning. Aangezien er sprake is van een beperkte functiewijziging van agrarisch naar wonen, verandert de parkeerbehoefte niet. Bovendien is er in deze schuur een extra parkeerplaats binnen gerealiseerd. Tevens is het plangebied (c.q. het erf Agelerweg 45) van voldoende omvang om in de overige eigen parkeerbehoefte te kunnen voorzien.
Conclusie
Het voornemen zorgt niet voor onaanvaardbare gevolgen voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren.
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan.
Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk.
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:
De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden.
Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.
Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000
Het plangebied ligt op 2,08 kilometer afstand van een Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is het gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek. Dit is een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor overbelasting door stikstof. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de blauwe cirkel aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de gele kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl).
Effectbeoordeling
Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten
Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden.
Beoordeling stikstof (ontwikkelfase)
Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de afvoer van sloopmateriaal, de aanvoer van bouwmaterialen en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de afstand tot Natura-2000 gebied kan een negatief effect op Natura-2000 gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Er is geen stikstofberekening nodig om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000- gebied.
Beoordeling stikstof (gebruiksfase)
Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied neemt, als gevolg van het bouwen van een grotere schuur op-een bestaand woonerf, niet toe ten opzichte van de huidige situatie. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied, kan voor de gebruiksfase een negatief effect op Natura 2000 gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Er is geen stikstofberekening nodig om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000- gebied.
Conclusie
Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.
Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied ligt niet in gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Ligging van Natuurnetwerk Nederland (NNN) in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de blauwe cirkel aangeduid. Gronden die tot de Natuurnetwerk Natuurnetwerk behoren worden met de groene kleur aangeduid. (bron: atlasleefomgeving.nl/kaarten).
Toetsing aan provinciaal beleid
Het plangebied valt niet binnen het Natuurnetwerk Nederland, het voorgenomen initiatief hoeft niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking).
In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:
Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.
Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen:
Op 3 maart 2025 is de NDFF geraadpleegd en is er gekeken of er waarnemingen van beschermde planten en dieren in of nabij het plangebied gerapporteerd staan in de databank. In het zoekgebied van NDFF staan 38 waarnemingen gerapporteerd over een periode van 5 jaar (2020-2025). Binnen het plangebied zijn enkele waarnemingen gedaan van o.a. boerenzwaluw, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, grote gele kwikstaart, huiszwaluw, ijsvogel, middelste bonte specht en een ransuil. Enkele rode lijst soorten die gerapporteerd staan zijn o.a. konijn en Limnephilus. De overige waarnemingen betreffen niet beschermde soorten of hebben geen betrekking op het plangebied, daarom worden deze soorten buiten beschouwing gelaten tijdens deze studie. Op onderstaande afbeelding wordt het zoekgebied in de NDFF weergegeven.
Met de zwarte lijn wordt het zoekgebied in de NDFF weergegeven, met de gele omkadering het plangebied en met de groene stippen de locatie van de opgenomen waarnemingen. Er zijn in de periode 2020-2025 – 38 flora- en faunawaarnemingen in het plangebied en de directe omgeving opgenomen (bron: ndff-ecogrid.nl).
In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 4 maart 2025 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28).
Als resultaat van het veldonderzoek is er alleen voor de vogelsoorten een te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet:
Het plangebied behoort mogelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Er zijn tijdens het veldbezoek geen (oude) nesten aangetroffen. Onder de dakpannen is vogelschroot bevestigd, waardoor bijvoorbeeld huismussen zich niet onder de dakpannen kunnen vestigen (zie foto bijlage). De directe omgeving van het plangebied is gecontroleerd op jaarrond beschermde nesten van kraaiachtigen, roofvogels en uilen. In de winter zijn deze nesten goed zichtbaar, maar ze zijn niet aangetroffen. Eveneens zijn er op het terrein geen schijtsporen, braakballen en prooiresten van roofvogels en uilen aangetroffen. Vogels gebruiken het plangebied mogelijk als foerageergebied en de beukenhaag wordt mogelijk als nestelplaats benut door winterkoning, roodborst, heggemus en merel. Het agrarisch cultuurland wordt door het intensieve beheer en de ligging vlak naast het erf niet als geschikte nestelplaats voor weidevogels beschouwd.
Door het uitvoeren van voorgenomen werkzaamheden is het niet uit te sluiten dat er een vogelsoort gedood of verstoord zal worden. De beukenhaag wordt namelijk verwijderd en verlegd als gevolg van het uitbreiden van het bouwvlak. De voorgenomen activiteit heeft geen effect op foerageergebied, aangezien er een soortgelijk gebouw gerealiseerd wordt en de beukenhaag wordt verplant.
De wettelijke consequentie die hieruit voortkomt is: 'het verwijderen van de beukenhaag buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren)'.
De voorgenomen activiteiten worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling 'het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist of er dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de voortplantings- of rustplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.
Het plangebied behoort niet tot Natura 2000-gebied en valt niet binnen het Natuurnetwerk Nederland, het voorgenomen initiatief hoeft niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, voor zowel de ontwikkel als de gebruiksfase op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten kunnen ook worden uitgesloten
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels. Het plangebied wordt door vleermuizen en grondgebonden zoogdieren uitsluitend als foerageergebied benut en wordt niet als functioneel leefgebied voor amfibieën beschouwd.
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Het verwijderen van de beukenhaag dient daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om dit te doen is augustus-februari. Voorgenomen activiteiten mogen juridisch beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet nest uit te kunnen sluiten.
Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te voeren in het kader van de Omgevingswet.
Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.
In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaan over:
Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool.
Beoordeling van de plannen:
Het voornemen ziet toe op het vergroten van de woonfunctie voor het realiseren c.q. vergroot herbouwen van een bijbehorend bouwwerk. Gezien de minimale omvang van de ontwikkeling is er geen toename in de verkeersgeneratie ter plaatse, zijn er geen veranderingen conform luchtkwaliteit. De ontwikkeling valt binnen een standaardgeval van NIBM en gesteld kan worden dat de grens niet wordt overschreden.
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
Geluid door activiteiten
In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.
Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel.
De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:
verzorgingstehuizen,
psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.
Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:
Afbeelding 12: Standaardwaarden (Bron: art. 5.78t van het Bkl)
Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.
Geluidbeleid
De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Tubbergen' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend.
Beoordeling van de plannen:
Geluid van door activiteiten
De beoogde ontwikkeling van de sloop en herbouw van de schuur levert uiteindelijk niet meer geluid op, gezien de functie niet verandert. De omgeving zal dus geen geluidshinder ervaren van de voorgenomen ontwikkeling.
Op korte afstand van het woonerf zit een garagebedrijf en een loon- en grondverzetsbedrijf. Op de afbeelding is de omliggende bedrijvighed zichtbaar (paarse vlakken). Het loon- en grondverzetbedrijf ligt op meer dan 100 meter afstand. Bovendien neemt de afstand van het bedrijf naar de woonfunctie niet af als gevolg van de ontwikkeling. Er is dus geen sprake van hinder vanuit het bedrijf.
Het autobedrijf zit op ongeveer 80 meter afstand. Deze geeft met geluid een prioriteitswaarde van 1, deze komt overeen met de richtafstand van 30 meter. De 80 meter is hiermee ruim boven deze benodigde benoemde afstand, dus de betreffende bedrijvigheid zorgt niet voor onevenredige geluidshinder. Andersom worden de bedrijven niet gehinderd in de bedrijfsvoering.
Aan de zuidzijde is tevens een agrarisch bedrijf aanwezig. Aangezien de uitbreiding van het woonvlak niet resulteert in een kortere afstand tot het agrarische bedrijf, is er geen verandering wat betreft mogelijke geluidshinder van dit bedrijf.
Afbeelding 12: toegekende functies van omliggende percelen, plangebied in rood aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
In voorliggend geval zijn de aspecten railverkeers,- wegverkeers-, en industrielawaai niet van belang, want er wordt geen nieuw geluidsgevoelig object mogelijk gemaakt dat bescherming geniet voor weg of railverkeer. Voor wat betreft het aspect industrielawaai wordt opgemerkt dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van een industrieterrein met geluidproductieplafond (gpp) en hier ook niet nabij is gelegen.
Geluidbeleid gemeente Tubbergen
Verschillende geluidbronnen hebben andere niveau. Dit heeft te maken met het feit dat het geluid van verschillende bronnen als verschillend wordt ervaren. Het geluid van een trein wordt bijvoorbeeld als minder hinderlijk ervaren als dat van auto's.
Het betreffende plangebied valt in het buitengebied van de gemeente Tubbergen. Hiervoor gelden de geluidsklasses zoals in onderstaande tabel is weergegeven.
Afbeelding 13: Ambitietabel geluid, typering van toepassing met paars omkaderd (bron: Gemeente Tubbergen)
Onderstaande afbeelding geeft de decibelniveaus weer per geluidsbelasting.
Afbeelding 14: Vertaling geluidniveaus naar geluidsklassen (bron: Gemeente Tubbergen)
De voorgenomen ontwikkeling valt binnen de benoemde grenzen en voldoet daarmee aan het geluidsbeleid van de gemeente Tubbergen.
Conclusie
Geluidhinder vormt in voorliggend geval geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan vanuit zowel de initiatiefnemer zelf als van andere bedrijven op de initiatiefnemer.
In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:
In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.
Beoordeling van de plannen:
Voor de bouw van de schuur wordt een uitbreiding van de woonfunctie op de planlocatie beoogd. Deze uitbreiding zal plaatsvinden aan de noord- en oostzijde van het huidig woonvlak. De dichtstbijzijnde agrarische bedrijvigheid ligt op 64 meter ten zuiden van de planlocatie. Aan deze zijde worden geen wijzigen aan het woonvlak beoogd, waardoor er geen wijzigingen optreden voor wat betreft de onderlinge afstand. Voor het overige liggen agrarische bedrijfspercelen op minimaal 220 meter en liggen in tussengelegen gebied diverse andere woningen. De nieuwe ontwikkeling vormt dan ook geen hinder voor de omliggende erven en bedrijven.
Zoals eerder behandeld ligt een loonbedrijf op minstens 50 meter van de planlocatie, De positiewaarde van loonbedrijven van geur is 1, wat een indicatieve benodigde afstand geeft van 30 meter. Daarnaast geldt op basis van artikel 5.125 Bkl een afstand van 50 meter en die wordt eveneens gehaald.
Gelet op het vorenstaande wordt gesteld dat voorliggend plan niet voorziet in een onevenredige aantasting van de mogelijkheden voor omliggende bedrijven. Andersom geldt dat een woonfunctie geen geurbelastende activiteit betreft. Er zijn geen belemmeringen voor het plan als het gaat om het aspect geur.
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
Beoordeling van de plannen:
Onderstaand volgt de uitsnede uit de risicokaart waarop de locatie Agelerweg 45 is te zien ten opzichte van de meest nabijgelegen risicobron. Het betreft een leiding van de Gasunie met een uitwendige diameter van 212 mm en een maximale werkdruk van 40 bar. Voor een dergelijke buisleiding geldt een belemmeringsstrook van 5 m. De buisleiding is circa 47 m van het plangebied gelegen, waardoor ruimschoots aan deze afstand voldaan wordt. Voor wat betreft het groepsrisco valt de locatie wel binnen de 100%-letaliteitscontour van de buisleiding. Zie onderstaand een afbeelding van de risicokaart.
Afbeelding 15: uitsnede risicokaart ter plaatse van Agelerweg 45 (bron: Atlas Leefomgeving)
Als gevolg van de ligging binnen deze 100%-letaliteitsgrens geldt een verantwoordingsplicht voor de gevolgen op het groepsriscio. In onderhavig plan is er sprake van het toevoegen van extra oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken. Deze vergroting van de oppervlakte brengt geen extra aanwezigheid van mensen met zich mee. De populatie en/of persoonsdichtheid (en daarmee het groepsrisco) ter plaatse neemt zodoende niet toe. Er is geen sprake van een verhoogd groepsrisco als gevolg van het plan.
Een en ander brengt met zich mee dat de planvorming in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie.
De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft.
Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.
Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een:
Beoordeling van de plannen:
Als gevolg van de plannen is het aspect trillingshinder niet van belang. Er wordt geen gevoelig object opgericht en andersom zorgen omliggende functies/activiteiten niet voor trillingen. Het aspect vormt geen belemmering voor het aantonen van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:
Archeologische resten
Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.
Situatie plangebied
Archeologie
De planlocatie aan de Agelerweg 45 is zichtbaar op de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Tubbergen, zie onderstaande afbeelding. De locatie ligt in het kenmerk 'beekdalen en overige laagten' en 'dekzandhoogten en – ruggen'. Tevens is de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 4' van toepassing op de planlocatie.
Afbeelding 16: uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart, locatie met zwart omcirkeld (gem. Tubbergen)
Archeologisch onderzoek is binnen deze gebieden noodzakelijk in plangebieden groter dan 5000 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 5000 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. De betreffende ontwikkeling ten behoeve van de schuur blijft ruim beneden de 5000 m2 aan bodemingrepen, waardoor archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.
Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. Het plangebied is van hoge waarde betreft ruilverkavelingen. Tevens loopt er een lijn weergegeven als historische infrastructuur. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt er geen verandering gebracht in de historische infrastructuur, en er wordt geen afbreuk gedaan aan de waarde als ruilverkaveling. De ontwikkeling is namelijk van kleine omvang, waardoor het geen verdere impact heeft op het landschap. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.
Afbeelding 15: Uitsnede van de locatie van de cultuurhistorische waardenkaart van Overijssel, planlocatie met rood omcirkeld (Bron: provincie Overijssel)
Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.
Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.
Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Beoordeling van de plannen
In dit geval gaat het om een beperkte verruiming van het functievlak voor wonen aan de Agelerweg 45 in Reutum. Het te realiseren bijbehorend bouwwerk op de locatie is beoogd als carport en stallingsruimte voor onder andere materieel voor onderhoud van het woonerf. Het betreft daarmee in dit geval geen verblijfsfunctie. Volgens artikel 5.89 onder g (eerste lid) van het Bkl behoort een gebouw tot een verblijfsfunctie wanneer er elke dag personen minstens 2 uur aaneengesloten aanwezig zijn. Dit is niet het geval.
Bovendien geldt dat het overgrote deel van de gronden waar de schuur beoogd is, reeds een woonfunctie hebben. De gronden waarop de (beperkte) uitbreiding beoogd is, betrefft grasland direct aansluitend aan het bestaand bijgebouw. Deze grond is onbebouwd en kent geen historische bekende activiteiten anders dan agrarische cultuurgrond. Het laten uitvoeren van bodemonderzoek is derhalve niet noodzakelijk geacht.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen
5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn.
Beoordeling van de plannen:
Als gevolg van de plannen wordt er een oppervlakte van circa 100 m2 aan extra verharding aangelegd. In de huidige situatie wordt hemelwater op het erf geleidelijk geïnfiltreerd of loopt vertraagd weg naar de in de omgeving aanwezige sloten. Dit blijft ook in de toekomstige situatie het geval.
Omliggend aan het erf zijn voldoende eigen gronden aanwezig die agrarisch in gebruik (en daarmee onbebouwd) zijn. Hemelwater heeft voldoende ruimte om te infiltreren of af te voeren. Het plan heeft geen onevenredige gevolgen voor de waterhuishouding in dit gebied.
Tevens is er een watertoets uitgevoerd, de korte procedure is in dit geval van toepassing. Hieruit blijkt dat de ruimtelijke relevante wateraspecten van dit plan gering en/of tijdelijk van aard zijn. Waterschap Vechtstromen heeft geen bezwaar tegen dit plan.
Om gewassen te beschermen, worden (chemische) bestrijdingsmiddelen gebruikt. Deze middelen worden door middel van spuitbomen aangebracht op gewassen en een deel hiervan kan verwaaien naar de naastliggende omgeving. Dit wordt ook wel drift genoemd.
Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de openlucht worden geteeld in de buurt van gevoelige functies, zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die hierin worden genoemd zijn gerelateerd aan het oppervlakte water. Het Besluit activiteiten leefomgeving is daarom evenmin bruikbaar.
De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State doet met enige regelmaat uitspraak over zogenoemde spuitvrije zones. De rechtspraak over spuitvrije zones ziet op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en agrarische bedrijvigheid. Uit deze rechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen 'niet onredelijk wordt geacht'. Deze afstand mag wel worden verkleind, maar dan moet de overheid dit wel goed motiveren aan de hand een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Echter, het gebruik van reken modellen is volgens de rechtspraak nog weinig succesvol.
In eerste instantie betroffen de uitspraken van de Afdeling kwesties over hoogstamteelt. De spuithoogte bij deze teelt is hoger dan bij andere teelten. De grotere hoogte van spuiten leidt tot een ruimere verspreiding van het middel door de lucht naar de omgeving. Deze drift is mede afhankelijk van de windrichting en windkracht. Uit recente rechtspraak volgt dat het niet alleen gaat om gewasbescherming bij hoogstamteelt, maar om agrarische bedrijvigheid waarbij agrarische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.
Situatie plangebied
In onderhavig plan vindt een kleine uitbreiding van de woonfunctie plaats voor het realiseren van een bijbehorend bouwwerk. Voor de woning op de planlocatie zijn geen wijzigingen beoogd. Het bijbehorend bouwwerk gaat dienst vervullen als een carport voor de auto's en stalling en opslag.
De direct omliggende gronden zijn als agrarisch aangewezen maar kennen geen hoogwaardige agrarische betekenis. Er is sprake van agrarische grond tussen de aanwezige woonfuncties (nummer 43 en 45) en een reststuk ten oosten van de nummer 45. Het betreft een kleinschalig gebied met veel hoeken waar lastig gespoten kan worden. Derhalve wordt het aspect gewasbeschermingsmiddelen niet als belemmering gezien en wordt het opleggen van een spuitzone niet noodzakelijk geacht.
Conclusie
Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de directe omgeving van de planlocatie wordt niet als reële mogelijkheid gezien. Bovendien wijzigt het gevoelige object op de locatie niet in de onderhavige plannen. Het aspect staat daarom de evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet in de weg.
De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente.
De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer.
Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over:
Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het wijzigen van het omgevingsplan. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld.
Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na deze datum worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Agelerweg 45 in Reutum waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0183.TAMBUIAGELERWEG45-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. de planlocatie opgenomen.
Preambule
De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS
In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de geldende begrippen voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen
Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.24 al meetbepalingen. In dit artikel zijn alleen meet- en rekenbepalingen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
In de toepassingsbereikbepaling wordt in het eerste lid bepaald dat de ruimtelijke plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op de locatie waarvoor het TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld.
In het tweede lid is bepaald dat de regels uit de Bruidsschat niet van toepassing zijn, als deze regels in strijd zijn met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan.
In het derde lid worden de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding.
HOOFDSTUK 2 FUNCTIES EN ACTIVITEITEN
- Artikel 4: Wonen - wonen in buitengebied
De locatie aan de Agelerweg is conform bestaande situatie voorzien van een woonfunctie. De planregels komen vanuit het omgevingsplan van rechtswege het plan voorziet en zijn op enkele punten gespecificeerd op de planvorming.
De functies:
- Artikel 5 Waarde - Archeologie 4
- Artikel 6 Overige zone - Geen boom- en sierteelt toegestaan
- Artikel 7 Overige zone - reconstructiewetzone - extensiveringsgebied
- Artikel 8 Overige zone - vrijwaringszone radarverstoringsgebied
zijn overgenomen uit het omgevingsplan van rechtswege. De betreffende functies vallen binnen het plangebied vanwege het overnemen van functies en gebiedsaanwijzingen uit het huidige omgevingsplan. De regels zijn daarbij qua uitgangspunten niet gewijzigd. De wijziging voorziet enkel in een aanpassing van de verbeelding c.q. plankaart.
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS
In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.
Artikel 10 Algemene ruimtelijke bouwregels
In dit artikel zijn regels voor bouwactiviteiten opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied.
Artikel 11 Planologische gebruiksactiviteiten
In dit artikel zijn regels voor functies opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied. In het omgevingsplan geldt dat als er geen regels voor een activiteit zijn opgenomen, deze activiteit zonder meer mag worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan gelden. Het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het TAM-IMRO omgevingsplan moet nadrukkelijk vergunningplichtig worden gemaakt of verboden. In dit geval is gekozen voor een algemeen gebruiksverbod. Aanvullend gelden enkele specifieke gebruiksverboden.
In artikel 11 zijn regels voor parkeren opgenomen, waarbij als uitgangspunt geldt dat op eigen erf in voldoende mate is voorzien in de benodigde parkeerruimte.
Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.5.2 al aanvraagvereisten. Deze zijn van overeenkomstige toepassing verklaart op een omgevingsvergunning die voortkomen uit dit TAM-IMRO omgevingsplan.
HOOFDSTUK 4 OVERGANGSREGELS
In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken, functioneel gebruik en overige activiteiten.