direct naar inhoud van 7.2 Beleid
Plan: Bestemmingsplan Buitengebied
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0180.5102011001-VS01

7.2 Beleid

7.2.1 Rijk

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De komende jaren zal het aantal vrijkomende gebouwen in het buitengebied blijven stijgen. Tot vrijkomende bebouwing wordt niet alleen de agrarische bebouwing gerekend. Het kan gaan om allerlei soorten bebouwing, zoals zorginstellingen of kazernes die hun oorspronkelijke functie verliezen. In het kader van bundeling van verstedelijking is Nationaal belang 13 van belang: transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen. Vraaggericht programmeren en realiseren van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio's leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en overprogrammering te worden voorkomen. Om beide te bereiken, is een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze ladder is een procesvereiste. Dit houdt in dat bij ruimtelijke besluiten moet worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik.

  • 1. Beoordeling (kwalitatief/kwantitatief) of de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale en intergemeentelijke behoefte voor bedrijventerreinen, kantoren, woningbouwlocaties, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen waarin nog niet elders is voorzien.
  • 2. Indien de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale, intergemeentelijke vraag, beoordelen of deze binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten.
  • 3. Indien herstructurering of transformatie van bestaand stedelijk gebied onvoldoende mogelijkheden biedt om aan de regionale, intergemeentelijke vraag te voldoen, beoordelen betrokken overheden of de ontwikkeling zo kan worden gerealiseerd dat deze passend multimodaal ontsloten is of als zodanig wordt ontwikkeld.
7.2.2 Provincie

Omgevingsvisie

In het nieuwe omgevingsbeleid van de provincie worden geen maten gegeven ten aanzien van de grootte van woningen in het buitengebied. Het is aan de gemeente hieromtrent een afweging en regeling te maken. Wel schrijft de provincie dat de oprichting van nieuwe woningen mogelijk is op VAB-locaties, maar ook op (nieuwe) landgoederen. Bij nieuwe woningen in het buitengebied dient te worden vastgehouden bij het thema zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, de ontwikkelingsperspectieven en de ter plaatse aanwezige gebiedskenmerken.

In het provinciaal beleid werd voor niet-agrarische bedrijven onderscheid gemaakt in 'agrarisch aanverwante bedrijven' en 'niet-agrarische bedrijven'. In de omgevingsvisie is dit onderscheid komen te vervallen. Het is aan de gemeente een passende (ontwikkelings)regeling op te stellen. In de omgevingsverordening wordt aangegeven dat in het bestemmingsplan niet mag worden voorzien in de vestiging van nieuwe weidewinkels. Een weidewinkel is een zelfstandige detailhandelvestiging aan de rand van bestaand bebouwd gebied van steden en dorpen of in de groene omgeving. Onder een weidewinkel wordt niet verstaan detailhandel in de vorm van 'verkoop bij de boer'.

7.2.3 Gemeente

Uitvoeringskader hergebruik Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB)

Door Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel is in februari 2006 het Uitvoeringskader voor hergebruik van Vrijkomende Agrarische Bedrijfsgebouwen (VAB) vastgesteld. Het VAB uitvoeringskader is bedoeld om nieuwe functies in bestaande vrijkomende agrarische bebouwing mogelijk te maken in het landelijk gebied. Voor vrijkomende agrarische bebouwing in het plangebied wordt ook aangesloten bij dit beleid. Het beleid geeft criteria en richtlijnen voor splitsing van boerderijen in afzonderlijke woonheden, functiewijzigingen, sloop, nieuwbouw et cetera.

Nieuwe landgoederen

Nieuwe landgoederen zijn in principe denkbaar aansluitend aan natuurgebied of bos en passen daarmee dus minder goed in prioritaire agrarische gebieden, zoals de agrarische linten uit de kadernota. Een ontwikkeling van een landgoed biedt kansen voor versterking van het landschap en versterking van de identiteit van een plek. Nieuwe landgoederen kunnen daarbij een impuls geven aan natuur en landschap en ook aan de beleefbaarheid hiervan, middels een goede ontsluiting en openstelling. Uitgangspunt van het gemeentelijke beleid is dat een nieuw landgoed minimaal 10 ha groot is, waarop minimaal 3 ha bos/natuur wordt gerealiseerd en welke voor 90% wordt opengesteld, met een woning c.q. landhuis van voldoende omvang. Het realiseren van een landgoed betreft maatwerk, welke op verschillende manieren kan worden ingevuld en waarbij met name de verhouding tussen het toestaan van 'rode' ontwikkelingen als woningbouw in verhouding moet staan met de groene/landschappelijke opgaves die worden gerealiseerd. In onderhavig bestemmingsplan zit daarom geen bestemmingsregeling voor het realiseren van een nieuw landgoed. Aanvragen zullen op hun eigen merites worden beoordeeld en van een maatwerk bestemmingsplan worden voorzien.

Kadernota

In de Kadernota wordt aangegeven dat kleinschalige bedrijvigheid of het bewoond blijven van de woning komt ten goede aan de leefbaarheid van een gebied. In het bestemmingsplan worden beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten als ondergeschikte functie toegestaan in woningen en/of bijgebouwen, in gebouwen van agrarische bedrijven en in bedrijfswoningen van niet-agrarische bedrijven. Deze activiteiten worden uitsluitend toegestaan in bestaande gebouwen. In de regels is hiervoor een passende regeling opgenomen.