direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0175.2025TAMOP0006-VG01

Regels

Preambule

Dit plan beoogt de functie 'maatschappelijk' op te heffen op de locatie Prinses Julianastraat 8 te Ommen. Op de plaats waar nu een multifunctioneel gebouw staat, wordt een appartementencomplex met 30 wooneenheden en een gemeenschappelijke ruimte gebouwd.

Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Ommen. De in deze wijziging van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk 22f van het omgevingsplan van de gemeente Ommen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22f gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22f' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:

1.1 toepassing omgevingsplan

artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij hierna daarvan is afgeweken.

1.2 plan

het omgevingsplan van de gemeente Ommen.

1.3 TAM-omgevingsplan

het TAM-omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen' met identificatienummer NL.IMRO.0175.2025TAMOP0006-VG01 van de gemeente Ommen.

1.4 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het uitvoeren van activiteiten.

1.5 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.6 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.7 bedrijf

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis gebonden beroepen daaaronder niet begrepen.

1.8 bestaande bouwwerken

bouwwerken die aanwezig en toegestaan waren voor het tijdstip dat dit TAM-omgevingsplan rechtskracht heeft verkregen.

1.9 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en kapverdieping.

1.10 bouwwerkperceelgrens

een grens van een bouwwerkperceel.

1.11 bruto vloeroppervlakte

de oppervlakte van een ruimte of van een groep van ruimten gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen, één en ander zoals omschreven in NEN 2580.

1.12 detailhandelsactiviteiten

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.13 gevel

een bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen een dak.

1.14 kaart

de digitale voorstelling van de in dit plan opgenomen digitale ruimtelijke informatie.

1.15 locatie

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waarmee ingevolge de regels bepaalde activiteiten zijn toegelaten.

1.16 locatiegrens

de grens van een locatie.

1.17 molenbiotoop

de beschermingszone van een molen, waarbinnen regels gelden ten aanzien van bebouwing en beplanting.

1.18 openbare nutsvoorzieningen

een voorziening voor elektriciteit, gas, water, telecommunicatie, (gescheiden) inzameling van (huishoudelijke)afvalstoffen, opslag en transport van afvalwater, openbare veiligheid, volksgezondheid en een daarmee gelijk te stellen voorziening van algemeen nut.

1.19 overkapping

bijbehorend bouwwerk in de vorm van een bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overdekking en niet of slechts gedeeltelijk met wanden is omgeven.

1.20 peil
  • 1. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • 2. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het aan het bouwwerk aansluitende afgewerkte terrein.
1.21 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.22 rooilijn
  • 1. de als zodanig vanwege burgemeester en wethouders in het terrein langs de wegzijde of voetpad aan te geven lijn welke:
    • a. bij het ontbreken van bestaande bebouwing zoveel mogelijk op een gelijkmatige afstand evenwijdig aan de as van de weg of het voetpad is gelegen; de daarbij aan te houden gelijkmatige afstand wordt gemeten uit de kant van de weg en ten minste 3 m bedraagt, tenzij in het plan anders is aangegeven.
    • b. bij bestaande bebouwing zoveel mogelijk aansluit aan de ligging van de naar de weg gekeerde gevels van die bebouwing, tenzij in het plan anders aangegeven.
1.23 seksinrichting

een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang als zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar

1.24 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt.

1.25 woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • a. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld onder c.
  • b. De regels in afdeling 22.2 en afdeling 22.3 van het plan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan.
  • c. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie 'TAM-omgevingsplan Prinses Julianastraat 8 Ommen', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0175.2025TAMOP0006-VG01.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op artikel 22.24 van het plan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

3.1 de afstand tot de zijdelingse perceelgrens

tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.

3.2 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.3 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.4 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.5 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.6 overschrijding door ondergeschikte bouwdelen

bij de toepassing van het bepaalde over het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding ten opzichte van de bouwregels niet meer dan 1 m bedraagt.

Artikel 4 Algemeen gebruiks- en bouwverbod

Niet genoemde gebruiks- en bouwactiviteiten en gebruiks- en bouwactiviteiten die in strijd zijn met dit TAM-omgevingsplan zijn niet toegestaan.

Hoofdstuk 2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Artikel 5 Beperkingengebieden

5.1 vrijwaringszone - molenbiotoop

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' zijn aangewezen als vrijwaringszone voor de bescherming van de functie van de molen als werktuig en zijn waarde als landschapsbepalend element.

Hoofdstuk 3 Gebruiksactiviteiten

Artikel 6 Algemene regels voor gebruiksactiviteiten

6.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken.

6.2 Gebruiksactiviteiten algemeen - toegestaan

Ondergeschikt aan de ter plaatse toegestane gebruiksactiviteiten is het gebruik van de volgende voorzieningen toegestaan:

  • a. (ontsluitings)wegen;
  • b. in- en uitritten;
  • c. openbare nutsvoorzieningen;
  • d. groenvoorzieningen;
  • e. parkeervoorzieningen; en
  • f. water, waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen.
6.3 Gebruiksactiviteiten algemeen - verbod

Het is verboden om de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:

  • a. het gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de activiteit gerichte gebruik en onderhoud;
  • b. het gebruik van gronden als stallings- en opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de activiteit gerichte gebruik en onderhoud;
  • c. het gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie.

Artikel 7 Verkeer - Activiteiten binnen verkeer - toegestaan

7.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op activiteiten ter plaatse van de locatie 'Verkeer - Activiteiten binnen verkeer - toegestaan'.

7.2 Activiteiten binnen verkeer - toegestaan

De volgende activiteiten zijn toegestaan:

  • a. het in gebruik nemen en in stand houden van:
    • 1. wegen en wandel- en fietspaden;
    • 2. parkeervoorzieningen;
    • 3. groenvoorzieningen;
    • 4. water- en waterhuishoudkundige voorzieningen;
    • 5. openbare nutsvoorzieningen.

Artikel 8 Wonen - Wonen - toegestaan

8.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op wonen ter plaatse van de locatie 'Wonen - Wonen - toegestaan'.
  • b. Onder wonen als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. het huisvesten van één huishouden in één wooneenheid, met dien verstande dat een huishouden ook mag worden aangevuld met een huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of sociaal-economische redenen;
    • 2. het gebruiken van een gemeenschappelijke ruimte binnen een woongebouw.
  • c. Onder huishouden als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. één of meer personen die op hetzelfde adres wonen en een economisch-consumptieve eenheid vormen.
  • d. Onder wooneenheid als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld om te wonen.
  • e. Onder wonen als bedoeld in dit artikel wordt niet verstaan:
    • 1. opslag voor de voorgevel.
8.2 Wonen - toegestaan
  • a. Wonen is toegestaan.
  • b. Het aantal wooneenheden dat mag worden gebruikt ten behoeve van wonen bedraagt niet meer dan 30 wooneenheden.

Hoofdstuk 4 Ondergeschikte gebruiksactiviteiten

Artikel 9 Beroepen aan huis - toegestaan

9.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels van dit artikel zijn van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van beroepen aan huis ter plaatse van locatie 'Beroepen aan huis - toegestaan'.
  • b. Onder beroepen aan huis als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. een (para)medisch, juridisch, administratie, therapeutisch, ontwerptechnisch, adviesgevend of daarmee gelijk te stellen dienstverlenend beroep.
9.2 Beroepen aan huis - toegestaan

De uitoefening van een beroep aan huis is toegestaan als:

  • a. het beroep aan huis in een hoofdgebouw of bijgebouw wordt uitgeoefend;
  • b. het beroep aan huis uitsluitend inpandig wordt verricht;
  • c. de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt;
  • d. het beroep aan huis een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is;
  • e. de oppervlakte niet meer dan 30% van de gezamenlijke bruto vloeroppervlakte van de woning en de bijgebouwen bedraagt, tot een maximum van 45 m2;
  • f. er een directe relatie bestaat tussen het beroep aan huis en de (hoofd)gebruiker van de woning;
  • g. er geen detailhandelsactiviteit plaatsvindt, behoudens een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het beroep aan huis;
  • h. het parkeren binnen het erf op eigen terrein plaatsvindt, dan wel in alternatieve ruimte waarin in de nabijheid wordt voorzien.

Artikel 10 Kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis - vergunningplicht

10.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels van dit artikel zijn van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis ter plaatse van locatie 'Kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis - vergunningplicht'.
  • b. Onder kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten die niet vallen onder de vrije beroepen oftewel aan huis gebonden beroepen, maar daarmee gelijk te stellen zijn en gezien de aard, omvang en intensiteit passend zijn binnen de woonfunctie.
10.2 Kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis - vergunningplicht

Kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis zijn verboden zonder omgevingsvergunning.

10.3 Kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 10.2 wordt alleen verleend als:

  • a. de kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit aan huis beperkt blijft tot maximaal 30% van de gezamenlijke bruto vloeroppervlakte van de woning en de bijgebouwen, tot een maximum van 45 m2;
  • b. het een kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit aan huis betreft in categorie 1 zoals is opgenomen in bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder b wordt de omgevingsvergunning ook verleend als is aangetoond dat deze activiteit wat betreft geur, stof, geluid, gevaar en wat betreft ruimtelijke uitstraling, omvang en intensiteit met een bedrijf uit categorie 1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten gelijk kan worden gesteld;
  • d. er geen horeca-activiteit plaatsvindt;
  • e. er geen detailhandelsactiviteit plaatsvindt, behoudens als ondergeschikte activiteit bij en direct verband houdend met de uitoefening van de kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit;
  • f. er geen groothandelsactiviteit plaatsvindt;
  • g. er geen reparatiewerkzaamheden voor particulieren van motoren, motorvoertuigen, vaartuigen, caravans, landbouwvoertuigen of bromfietsen plaatsvinden;
  • h. de kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit aan huis:
    • 1. geen onevenredige hinder oplevert voor de omgeving;
    • 2. geen onevenredige afbreuk doet aan het ruimtelijk (woon)karakter van de buurt;
    • 3. geen onevenredige aantasting oplevert voor de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de nabijgelegen gronden;
    • 4. geen onevenredige nadelige invloed heeft op de verkeersafwikkeling en niet leidt tot onaanvaardbare parkeerdruk;
    • 5. geen publieksgericht karakter heeft; en
    • 6. uitsluitend bezoek op afspraak ontvangt;
  • i. het opslaan van goederen of stallen van motorrijtuigen, aanhangwagens en fietsen die verband houden met een kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit aan huis uitsluitend plaatsvindt in gebouwen;
  • j. er een directe relatie bestaat tussen de kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit aan huis en de (hoofd)gebruiker van de woning;
  • k. de kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit aan huis uitsluitend inpandig wordt verricht.
10.4 Kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.2 kunnen voorschriften worden verbonden.

Hoofdstuk 5 Bouwactiviteiten

Artikel 11 Algemene regels bouwactiviteiten

11.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van bouwwerken.

11.2 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven, of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12 Gebouw bouwen - vergunningplicht

12.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van een gebouw ter plaatse van de locatie 'Gebouw bouwen - vergunningplicht'.

12.2 Gebouw bouwen - beoordelingsregels

In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een gebouw, alleen verleend als:

  • a. het gebouw gestapeld wordt gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld';
  • b. de goothoogte niet meer bedraagt dan 6,5 m, met dien verstande dat de goothoogte meer mag bedragen ter plaatse van de aanduiding 'plat dak';
  • c. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)';
  • d. de dakhelling niet meer bedraagt dan 3° ter plaatse van de aanduiding 'plat dak';
  • e. het gebouw zich oriënteert op de weg.
  • f. in afwijking van het bepaalde onder a t/m e mogen bergingen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen', met dien verstande dat:
    • 1. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 m;
    • 2. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 6 m2 per berging;
12.3 Gebouw bouwen - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 13 Bijbehorend bouwwerk bouwen - verbod

13.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van een bijbehorend bouwwerk ter plaatse van de locatie 'Bijbehorend bouwwerk bouwen - verbod', tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 12.2 sub f van dit TAM-omgevingsplan.

13.2 Bijbehorend bouwwerk bouwen - verbod

In afwijking van artikel 22.27, sub a t/m c en artikel 22.36 van het plan, is het bouwen van een bijbehorend bouwwerk verboden.

Artikel 14 Ander bouwwerk bouwen - vergunningplicht

14.1 Toepassingsbereik
  • a. Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van een ander bouwwerk ter plaatse van de locatie 'Ander bouwwerk bouwen - vergunningplicht'.
  • b. Onder ander bouwwerk als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. een bouwwerk, geen gebouw en geen overkapping zijnde.
14.2 Ander bouwwerk bouwen - beoordelingsregels

In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een ander bouwwerk, alleen verleend als:

  • a. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 meter.
14.3 Ander bouwwerk bouwen - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 15 Bouwactiviteiten in molenbiotoop - vergunningplicht

15.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op het bouwen en in stand houden van bouwwerken ter plaatse van de locatie 'vrijwaringszone - molenbiotoop' en geldt als aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het plan en artikel 12 van dit TAM-omgevingsplan.

15.2 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op:

  • a. de bescherming van de molen.
15.3 Bouwactiviteiten in molenbiotoop - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een bouwwerk in een molenbiotoop, wordt alleen verleend als:

  • a. de bouwhoogte binnen een afstand van 100m van de molen niet meer bedraagt dan de onderste punt van de verticaal staande molenwiek, te weten 3,5 meter;
  • b. de bouwhoogte binnen een afstand van 100 tot 300 m van de molen niet meer bedraagt dan de hoogte berekend met behulp van de volgende formule:
    • 1. H(x)=x/50 + 0,2*12,7 waarin:
      • H(x)= de maximaal toelaatbare hoogte in meters
      • X = de afstand tot de molen in meters
  • c. in afwijking van het bepaalde in a en b kan de omgevingsvergunning ook worden verleend als de belangen van de molen niet onevenredig worden geschaad.
15.4 Bouwactiviteiten in molenbiotoop - inwinnen advies

Voordat door het college wordt besloten over de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan wint het college, wanneer toepassing wordt gegeven aan artikel 15.3 sub c van dit TAM-omgevingsplan, schriftelijk advies in bij Stichting Ommer Molens omtrent de vraag of door de voorgenomen bouwactiviteit de belangen van de molen niet onevenredig worden geschaad.

Hoofdstuk 6 Aanlegactiviteiten

Artikel 16 Algemene regels voor aanlegactiviteiten

16.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op aanlegactiviteiten.
  • b. Onder aanlegactiviteiten als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. het uitvoeren van werken of werkzaamheden.
16.2 Aanlegactiviteiten algemeen - toegestaan
  • a. Aanlegactiviteiten die in overeenstemming zijn met de gebruiksactiviteiten zoals omschreven in dit TAM-omgevingsplan zijn toegestaan, tenzij specifieke regels gelden op grond van hoofdstuk 6 van dit TAM-omgevingsplan. In dat geval moet worden voldaan aan de specifieke regels die gelden voor de desbetreffende aanlegactiviteit.
  • b. In afwijking van de specifieke regels op grond van hoofdstuk 6, is het toegestaan aanlegactiviteiten uit te voeren voor zover de activiteiten het normale onderhoud en beheer betreffen.

Artikel 17 Aanlegactiviteiten in molenbiotoop - vergunningplicht

17.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten in een molenbiotoop ter plaatse van de locatie 'vrijwaringszone - molenbiotoop'.
  • b. Onder aanlegactiviteiten wordt verstaan:
    • 1. het ophogen van gronden; en
    • 2. het beplanten met bomen, heesters en andere hoog opgaande beplanting.
17.2 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op:

  • a. de bescherming van de molen.
17.3 Aanlegactiviteiten in molenbiotoop - vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning aanlegactiviteiten uit te voeren in een molenbiotoop.

17.4 Aanlegactiviteiten in molenbiotoop - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 17.3 wordt alleen verleend als:

  • a. door de activiteit dan wel door de daarvan direct of indirecte te verwachten gevolgen de belangen van de molen niet onevenredig worden geschaad.
17.5 Aanlegactiviteiten in molenbiotoop - inwinnen advies

Voordat door het college wordt besloten over de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 17.3 wint het college schriftelijk advies in bij de Stichting Ommer Molens.

17.6 Aanlegactiviteiten in molenbiotoop - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 17.3 kunnen voorschriften worden verbonden.

Hoofdstuk 7 Milieuaspecten van activiteiten

Artikel 18 Gezamenlijk geluid

18.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op het bouwen van een geluidgevoelig gebouw ter plaatse van de locatie 'Gebouw bouwen - vergunningplicht'.

18.2 Waarde voor het gezamenlijk geluid

De waarde van het gezamenlijk geluid bedraagt niet meer dan 64 dB voor het Lden.

Hoofdstuk 8 Overige activiteiten

Artikel 19 Parkeren

19.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op bouwactiviteiten waarbij een parkeerbehoefte wordt verwacht gelet op het beoogde gebruik van dat bouwwerk.

19.2 Parkeren - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan wordt alleen verleend als:

  • a. bij de aanvraag wordt aangetoond dat op het bouwwerk dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk hoort, wordt voorzien in de te verwachten behoefte aan ruimte voor het parkeren voor of het stallen van auto's, motorfietsen, fietsen of andere voertuigen, zoals vastgelegd in de ''Parkeernormennota Ommen'' of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s); of
  • b. aangetoond wordt dat het voldoen aan de regels onder a op overwegende bezwaren stuit of op andere redelijke wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien.
  • c. bij toepassing van het bepaalde onder a mag de parkeerruimte niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer;
  • d. bij toepassing van het bepaalde onder a moet de bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's de afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare auto's. Aan deze eis wordt voldaan door vast te houden aan de richtlijnen en maatvoering conform de ''Parkeernormennota Ommen'' of door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s).
19.3 Parkeren - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden, in ieder geval over:

  • a. de instandhouding van parkeergelegenheid.

Artikel 20 Laden en lossen

20.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op bouwactiviteiten waarbij een ruimte voor laden of lossen wordt verwacht gelet op het beoogde gebruik van dat bouwwerk.

20.2 Laden en lossen - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan wordt alleen verleend als:

  • a. bij de aanvraag aangetoond wordt dat op het bouwwerk dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk hoort, wordt voorzien in de te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen; of
  • b. aangetoond wordt dat het voldoen aan de regels onder a op overwegende bezwaren stuit of op andere wijze in de nodige laad-en losruimte wordt voorzien.
20.3 Laden en lossen - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden, in ieder geval over:

  • a. de instandhouding van laad- en losruimte.

Hoofdstuk 9 Overgangs- en slotregels

Artikel 21 Overgangsrecht

21.1 Overgangsrecht gebruik
  • 1. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
  • 5. Het overgangsrecht voor gebruik zoals bedoeld in artikel 21.1 van dit TAM-omgevingsplan, heeft een geldingstermijn van 10 jaar vanaf de dag van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.
21.2 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
  • 4. Het overgangsrecht voor bouwwerken zoals bedoeld in artikel 21.2 van dit TAM-omgevingsplan, heeft een geldingstermijn van 10 jaar vanaf de dag van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.