direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Schapendijk 9 Arriën
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0175.2025TAMOP0005-VG01

Regels

Preambule

Dit plan beoogt de functie 'intensieve veehouderij' op te heffen. Daarnaast wordt in het plangebied een nieuwe, kleine schuur gerealiseerd. De nieuwe schuur wordt gebouwd op de plaats waar momenteel twee grote schuren staan. Door het slopen van deze twee schuren, is het mogelijk de sloopmeters in te zetten voor de bouw van een woning in de gemeente Staphorst.

Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Ommen. De in deze wijziging van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk 22e van het omgevingsplan van de gemeente Ommen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22e gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22e' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:

1.1 toepassing omgevingsplan

artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing op dit omgevingsplan, tenzij hierna daarvan is afgeweken.

1.2 plan

het omgevingsplan van de gemeente Ommen.

1.3 TAM-omgevingsplan

het TAM-omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Schapendijk 9 Arriën' met identificatienummer NL.IMRO.0175.2025TAMOP0005-VG01 van de gemeente Ommen.

1.4 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het uitvoeren van activiteiten.

1.5 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.6 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouw zijnde.

1.7 bedrijfsgebouw

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.

1.8 bestaande bouwwerken

bouwwerken die aanwezig en toegestaan waren voor het tijdstip dat dit TAM-omgevingsplan rechtskracht heeft verkregen.

1.9 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en kapverdieping.

1.10 bouwwerkperceelgrens

een grens van een bouwwerkperceel.

1.11 gevel

een bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen een dak.

1.12 kaart

de digitale voorstelling van de in dit plan opgenomen digitale ruimtelijke informatie.

1.13 locatie

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waarmee ingevolge de regels bepaalde activiteiten zijn toegelaten.

1.14 locatiegrens

de grens van een locatie.

1.15 openbare nutsvoorzieningen

een voorziening voor elektriciteit, gas, water, telecommunicatie, (gescheiden) inzameling van (huishoudelijke)afvalstoffen, opslag en transport van afvalwater, openbare veiligheid, volksgezondheid en een daarmee gelijk te stellen voorziening van algemeen nut.

1.16 overkapping

bijbehorend bouwwerk in de vorm van een bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overdekking en niet of slechts gedeeltelijk met wanden is omgeven.

1.17 peil
  • 1. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • 2. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het aan het bouwwerk aansluitende afgewerkte terrein;
  • 3. indien in of op het water wordt gebouwd: de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabijgelegen punt waar het water grenst aan het vaste land.
1.18 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.19 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt.

1.20 voorgevelrooilijn

de langs de weg gelegen lijn, welke zoveel mogelijk een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging heeft ten opzichte van de voorgevels van de bestaande hoofdgebouwen op de naastgelegen bouwpercelen.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • a. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld onder c.
  • b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit plan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • c. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie 'TAM-omgevingsplan Schapendijk 9 Arriën', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0175.2025TAMOP0005-VG01.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op artikel 22.24 van het omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

3.1 de afstand tot de zijdelingse perceelgrens

tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.

3.2 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.3 de oppervlakte van een overkapping

tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.

3.4 overschrijding door ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde over het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding ten opzichte van de bouwregels niet meer dan 1 m bedraagt.

3.5 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.6 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.7 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

Artikel 4 Algemeen gebruiks- en bouwverbod

Niet genoemde gebruiks- en bouwactiviteiten en gebruiks- en bouwactiviteiten die in strijd zijn met dit TAM-omgevingsplan zijn niet toegestaan, met uitzondering van bestaande bouwwerken.

Hoofdstuk 2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Artikel 5 Beperkingengebieden

5.1 Intrekgebied - aanwijzing

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - intrekgebied' zijn aangewezen als intrekgebied zoals bedoeld in de provinciale omgevingsverordening Overijssel.

Hoofdstuk 3 Gebruiksactiviteiten

Artikel 6 Gebruiksactiviteiten algemeen

6.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken.

6.2 Gebruiksactiviteiten algemeen - toegestaan

Ondergeschikt aan de ter plaatse toegestane gebruiksactiviteiten is het gebruik van de volgende voorzieningen toegestaan:

  • a. (ontsluitings)wegen;
  • b. in- en uitritten;
  • c. openbare nutsvoorzieningen;
  • d. groenvoorzieningen;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. tijdelijke waterberging; en
  • g. water ten behoeve van wateraanvoer en-afvoer en sierwater.
6.3 Gebruiksactiviteiten algemeen - verbod

Het is verboden om de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:

  • a. het gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de activiteit gerichte gebruik en onderhoud;
  • b. het gebruik van gronden als stallings- en opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de activiteit gerichte gebruik en onderhoud;
  • c. het gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie.

Artikel 7 Agrarisch - Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen - verbod

7.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van de locatie 'Agrarisch - Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen - verbod'.
  • b. Onder gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in artikel wordt verstaan:
    • 1. een mengsel met één of meer werkzame stoffen bestemd om:
      • planten of plantaardige producten te beschermen tegen alle schadelijke organismen of de werking daarvan te voorkomen;
      • levensprocessen van planten te beïnvloeden, voor zover het niet gaat om voedende stoffen;
      • plantaardige producten te bewaren;
      • ongewenste planten te doden; of
      • delen van planten te vernietigen of een ongewenste groei van planten te remmen of te voorkomen.
7.2 Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen - verbod

Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is verboden.

Artikel 8 Agrarisch - Grondgebonden agrarische activiteiten - toegestaan

8.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op agrarische activiteiten ter plaatse van de locatie 'Agrarisch - Grondgebonden agrarische activiteiten - toegestaan'.
  • b. Onder grondgebonden agrarische activiteiten als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. het gebruiken van gronden voor een grondgebonden veehouderij en akker- en vollegrondstuinbouw.
  • c. Onder grondgebonden agrarische activiteiten als bedoeld in dit artikel wordt niet verstaan:
    • 1. sierteelt;
    • 2. bosbouw;
    • 3. het gebruik van onbebouwde gronden voor opslag van goederen met een totale opslaghoogte van meer dan 4 meter.
8.2 Agrarische activiteiten - toegestaan

Grondgebonden agrarische activiteiten zijn toegestaan.

Artikel 9 Wonen - Bedrijfswonen - toegestaan

9.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op bedrijfswonen ter plaatse van de locatie 'Wonen - Bedrijfswonen - toegestaan'.
  • b. Onder bedrijfswonen als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. wonen in een woning, welke zich in of nabij een bedrijfsgebouw bevindt, en welke kennelijk slechts bedoeld is voor het (huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar vanuit bedrijfsoogpunt noodzakelijk is.
  • c. Onder wooneenheid als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld om te wonen.
9.2 Bedrijfswonen - toegestaan
  • a. Bedrijfswonen is toegestaan.
  • b. Het aantal wooneenheden wat mag worden gebruikt ten behoeve van bedrijfswonen bedraagt niet meer dan 1.

Hoofdstuk 4 Bouwactiviteiten

Artikel 10 Algemene regels bouwactiviteiten

10.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van bouwwerken.

10.2 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven, of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 11 Gebouw bouwen - vergunningplicht

11.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van een gebouw ter plaatse van de locatie 'Gebouw bouwen - vergunningplicht'.

11.2 Gebouw bouwen - beoordelingsregels

In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een gebouw, alleen verleend als:

  • a. de goothoogte niet meer bedraagt dan 5,5 meter;
  • b. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 12 meter;
  • c. de totale oppervlakte van gebouwen, niet zijnde bedrijfswoning, niet meer bedraagt dan 1.925 m2.

Artikel 12 Bedrijfswoning bouwen - vergunningplicht

12.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van een bedrijfswoning ter plaatse van de locatie 'Bedrijfswoning bouwen - vergunningplicht'.

12.2 Bedrijfswoning bouwen - beoordelingsregels

In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een bedrijfswoning, alleen verleend als:

  • a. de goothoogte niet meer bedraagt dan 4,5 meter;
  • b. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 10 meter;
  • c. het aantal bedrijfswoningen niet meer bedraagt dan 1;
  • d. de inhoud van de bedrijfswoning inclusief aan- en uitbouwen niet meer bedraagt dan 750 m3;
  • e. in afwijking van het bepaalde onder d is een grotere inhoudsmaat mogelijk als:
    • 1. het een bedrijfswoning betreft die onderdeel uitmaakt van een veel groter karakteristiek hoofdgebouw;
    • 2. de afmetingen van het karakteristieke hoofdgebouw in geen enkel opzicht worden uitgebreid; en
    • 3. het karakter van het karakteristieke hoofdgebouw niet wordt aangetast.
12.3 Bedrijfswoning bouwen - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 13 Bijbehorend bouwwerk bouwen - toegestaan

13.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Bijbehorend bouwwerk bouwen - toegestaan'.

13.2 Aanvulling op artikel 22.27 en artikel 22.36 van het plan

Bij de toepassing van artikel 22.27 en 22.36 van het plan moet ook worden voldaan aan de volgende regels:

  • a. de oppervlakte van een bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk mag niet meer dan 50 m2 bedragen.

Artikel 14 Ander bouwwerk bouwen - vergunningplicht

14.1 Toepassingsbereik
  • a. Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van andere bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Ander bouwwerk bouwen - vergunningplicht', tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 22.27 en artikel 22.36 van het plan.
  • b. Onder ander bouwwerk als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. een bouwwerk, geen gebouw en geen overkapping zijnde.
14.2 Ander bouwwerk bouwen - beoordelingsregels

In aanvulling op artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een ander bouwwerk, alleen verleend als:

  • a. wanneer het een buitenrijbaan betreft:
    • 1. maximaal 1 buitenrijbaan per agrarisch bedrijf;
    • 2. de maximale afmeting van de buitenrijbaan 20 x 40 meter bedraagt;
    • 3. de buitenrijbaan buiten de locatie 'Gebouw bouwen - vergunningplicht' en op een afstand van ten minste 50 meter ten opzichte van gevoelige functies wordt gebouwd;
  • b. wanneer het lichtmasten bij buitenrijbanen betreft:
    • 1. de bouwhoogte niet meer dan 6 meter bedraagt;
    • 2. de lichtmasten buiten de locatie 'Gebouw bouwen - vergunningplicht' en op een afstand van ten minste 50 meter ten opzichte van gevoelige functies worden gebouwd;
  • c. wanneer het een complex van aaneengesloten voorzieningen zoals sleufsilo's, kuilvoerplaten, pot- en containerteelt, foliebassins of mestzakken betreft:
    • 1. de bouwhoogte van een voedersilo niet meer dan 15 meter bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van een sleufsilo niet meer dan 2 meter bedraagt;
    • 3. de bouwhoogte van een overig ander bouwwerk niet meer dan 3 meter bedraagt;
    • 4. de bouwwerken buiten de locatie 'Gebouw bouwen - vergunningplicht' en op een afstand van ten minste 50 meter ten opzichte van gevoelige functies worden gebouwd;
  • d. wanneer het overige andere bouwwerken betreft:
    • 1. de bouwhoogte niet meer dan 3 meter bedraagt.
14.3 Ander bouwwerk bouwen - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

Hoofdstuk 5 Overige activiteiten

Artikel 15 Sloopverplichting

15.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het slopen van het bestaande bedrijfsgebouw zoals is aangeduid in bijlage 1.

15.2 Sloopverplichting

Binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan dient het bestaande bedrijfsgebouw zoals is aangeduid in bijlage 1 te zijn gesloopt.

Artikel 16 Parkeren

16.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op bouwactiviteiten waarbij een parkeerbehoefte wordt verwacht gelet op het beoogde gebruik van dat bouwwerk.

16.2 Parkeren - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan wordt alleen verleend als:

  • a. bij de aanvraag wordt aangetoond dat op het bouwwerk dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk hoort, wordt voorzien in de te verwachten behoefte aan ruimte voor het parkeren voor of het stallen van auto's, motorfietsen, fietsen of andere voertuigen, zoals vastgelegd in de ''Parkeernormennota Ommen''; of
  • b. aangetoond wordt dat het voldoen aan de regels onder a op overwegende bezwaren stuit of op andere redelijke wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien.
  • c. bij toepassing van het bepaalde onder a mag de parkeerruimte niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer;
  • d. bij toepassing van het bepaalde onder a moet de bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's de afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare auto's. Aan deze eis wordt voldaan door vast te houden aan de richtlijnen en maatvoering conform de ''Parkeernormennota Ommen'' of door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s).
16.3 Parkeren - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan kunnen voorschriften worden verbonden, in ieder geval over:

  • a. de instandhouding van parkeergelegenheid.

Artikel 17 Laden en lossen

17.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op bouwactiviteiten waarbij een ruimte voor laden of lossen wordt verwacht gelet op het beoogde gebruik van dat bouwwerk.

17.2 Laden en lossen - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan wordt alleen verleend als:

  • a. bij de aanvraag aangetoond wordt dat op het bouwwerk dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk hoort, wordt voorzien in de te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen; of
  • b. aangetoond wordt dat het voldoen aan de regels onder a op overwegende bezwaren stuit of op andere wijze in de nodige laad-en losruimte wordt voorzien.
17.3 Laden en lossen - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan kunnen voorschriften worden verbonden, in ieder geval over:

  • a. de instandhouding van laad- en losruimte.

Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotregels

Artikel 18 Overgangsrecht

18.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
  • 4. Het overgangsrecht voor bouwwerken zoals bedoeld in artikel 18.1 van dit TAM-omgevingsplan, heeft een geldingstermijn van 10 jaar vanaf de dag van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.
18.2 Overgangsrecht gebruik
  • 1. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
  • 5. Het overgangsrecht voor gebruik zoals bedoeld in artikel 18.2 van dit TAM-omgevingsplan, heeft een geldingstermijn van 10 jaar vanaf de dag van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.