direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Beerzerweg 26 Beerze
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0175.2025TAMOP0004-VG01

Regels

Preambule

Dit plan beoogt een functiewijziging naar wonen mogelijk te maken op de locatie Beerzerweg 26 te Beerze. Daarnaast worden voor deze locatie karakteristieke bouwwerken aangewezen. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Ommen. De in deze wijziging van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk 22d van het omgevingsplan van de gemeente Ommen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22d gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22d' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:

1.1 toepassing omgevingsplan

artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing op dit omgevingsplan, tenzij hierna daarvan is afgeweken.

1.2 plan

het omgevingsplan van de gemeente Ommen.

1.3 TAM-omgevingsplan

het TAM-omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Beerzerweg 26 Beerze' met identificatienummer NL.IMRO.0175.2025TAMOP0004-VG01 van de gemeente Ommen.

1.4 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het uitvoeren van activiteiten.

1.5 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.6 aan huis gebonden beroep

een (para)medisch, juridisch, administratie, therapeutisch, ontwerptechnisch, adviesgevend of daarmee gelijk te stellen dienstverlenend beroep, dat in een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.

1.7 akker- en vollegrondstuinbouw

de teelt van gewassen op open grond.

1.8 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouw zijnde.

1.9 bestaande bouwwerken

bouwwerken die aanwezig en toegestaan waren voor het tijdstip dat dit TAM-omgevingsplan rechtskracht heeft verkregen.

1.10 bijgebouw

een gebouw dat in ruimtelijk, bouwkundig en functioneel opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, zijnde een (bedrijfs)woning.

1.11 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en kapverdieping.

1.12 bouwwerkperceelgrens

een grens van een bouwwerkperceel.

1.13 detailhandelsactiviteiten

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.14 gevel

een bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen een dak.

1.15 horeca-activiteit

een activiteit waarbij hoofdzakelijk dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden versterkt en/of waarin logies wordt verstrekt, zoals bijvoorbeeld een café, restaurant, pension, en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen bedrijf, een en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie.

1.16 kaart

de digitale voorstelling van de in dit plan opgenomen digitale ruimtelijke informatie.

1.17 locatie

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waarmee ingevolge de regels bepaalde activiteiten zijn toegelaten.

1.18 locatiegrens

de grens van een locatie.

1.19 openbare nutsvoorzieningen

een voorziening voor elektriciteit, gas, water, telecommunicatie, (gescheiden) inzameling van (huishoudelijke)afvalstoffen, opslag en transport van afvalwater, openbare veiligheid, volksgezondheid en een daarmee gelijk te stellen voorziening van algemeen nut.

1.20 opsporingsapparatuur

apparatuur zoals metaaldetectoren, grondradar en andere detectieapparatuur die worden gebruikt voor het opsporen van archeologische vondsten en relicten.

1.21 overkapping

bijbehorend bouwwerk in de vorm van een bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overdekking en niet of slechts gedeeltelijk met wanden is omgeven.

1.22 peil
  • 1. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • 2. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het aan het bouwwerk aansluitende afgewerkte terrein;
  • 3. indien in of op het water wordt gebouwd: de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabijgelegen punt waar het water grenst aan het vaste land.
1.23 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.24 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt.

1.25 voorgevelrooilijn

de langs de weg gelegen lijn, welke zoveel mogelijk een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging heeft ten opzichte van de voorgevels van de bestaande hoofdgebouwen op de naastgelegen bouwpercelen.

1.26 vrijstaand hoofdgebouw

een niet-aaneengebouwd hoofdgebouw.

1.27 woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

1.28 wooneenheid

een woning.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • a. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld onder c.
  • b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit plan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • c. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie 'TAM-omgevingsplan Beerzerweg 26 Beerze', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0175.2025TAMOP0004-VG01.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op artikel 22.24 van het omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

3.1 de afstand tot de zijdelingse perceelgrens

tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.

3.2 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.3 de oppervlakte van een overkapping

tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.

3.4 overschrijding door ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde over het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding ten opzichte van de bouwregels niet meer dan 1 m bedraagt.

3.5 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.6 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.7 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

Artikel 4 Algemeen gebruiks- en bouwverbod

Niet genoemde gebruiks- en bouwactiviteiten en gebruiks- en bouwactiviteiten die in strijd zijn met dit TAM-omgevingsplan zijn niet toegestaan, met uitzondering van bestaande bouwwerken.

Hoofdstuk 2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Artikel 5 Archeologisch waardevol gebied - aanwijzing

De locatie 'Archeologisch waardevol gebied' is aangewezen als gebied met een archeologische verwachtingswaarde.

Artikel 6 Beschermd dorpsgezicht en historische buitenplaats - aanwijzing

De locatie 'Beschermd dorpsgezicht en historische buitenplaats' is aangewezen als gebied met een beschermd dorpsgezicht en historische buitenplaats voor het behoud en herstel van de cultuurhistorisch ruimtelijke structuur, het historische bebouwingsbeeld en overige ruimtelijke elementen, zoals omschreven in de betreffende aanwijzingsbesluiten van de beschermde dorpsgezichten van de beschermde dorpsgezichten Beerze en Vilsteren en de historische buitenplaats Vilsteren, zoals opgenomen in respectievelijk bijlage 1, bijlage 2 en bijlage 3 van deze regels.

Artikel 7 Karakteristiek bouwwerk - aanwijzing

De bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Karakteristiek bouwwerk' zijn aangewezen als karakteristiek bouwwerk.

Hoofdstuk 3 Gebruiksactiviteiten

Artikel 8 Gebruiksactiviteiten algemeen - verbod

8.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken.

8.2 Gebruiksactiviteiten algemeen - verbod

Het is verboden om de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:

  • a. het gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de activiteit gerichte gebruik en onderhoud;
  • b. het gebruik van gronden als stallings- en opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de activiteit gerichte gebruik en onderhoud;
  • c. het gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie.

Artikel 9 Agrarisch - Agrarische activiteiten - toegestaan

9.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op agrarische activiteiten ter plaatse van de locatie 'Agrarisch - Agrarische activiteiten - toegestaan'.
  • b. Onder agrarische activiteiten als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. het gebruiken van gronden voor akker- en vollegrondstuinbouw; en
    • 2. extensieve dagrecreatie.
9.2 Agrarische activiteiten - toegestaan

Agrarische activiteiten zijn toegestaan.

Artikel 10 Agrarisch - Extensieve agrarische activiteiten - toegestaan

10.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op extensieve agrarische activiteiten ter plaatse van de locatie 'Agrarisch - Extensieve agrarische activiteiten - toegestaan'.
  • b. Onder extensieve agrarische activiteiten als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. het gebruiken van agrarische gronden gericht op behoud, beheer en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden waarbij enkel wordt bemest met vaste mest; en
    • 2. extensieve dagrecreatie.
10.2 Extensieve agrarische activiteiten - toegestaan

Extensieve agrarische activiteiten zijn toegestaan.

Artikel 11 Agrarisch - Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen - verbod

11.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van de locatie 'Agrarisch - Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen - verbod'.
  • b. Onder gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in artikel wordt verstaan:
    • 1. een mengsel met één of meer werkzame stoffen bestemd om:
      • planten of plantaardige producten te beschermen tegen alle schadelijke organismen of de werking daarvan te voorkomen;
      • levensprocessen van planten te beïnvloeden, voor zover het niet gaat om voedende stoffen;
      • plantaardige producten te bewaren;
      • ongewenste planten te doden; of
      • delen van planten te vernietigen of een ongewenste groei van planten te remmen of te voorkomen.
11.2 Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen - verbod

Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is verboden.

Artikel 12 Wonen - Wonen - toegestaan

12.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op wonen ter plaatse van de locatie 'Wonen - Wonen - toegestaan'.
  • b. Onder wonen als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. het huisvesten van één huishouden in één wooneenheid, met dien verstande dat een huishouden ook mag worden aangevuld met een huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of sociaal-economische redenen.
  • c. Onder huishouden als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. één of meer personen die op hetzelfde adres wonen en een economisch-consumptieve eenheid vormen.
  • d. Onder wooneenheid als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld om te wonen.
  • e. Onder wonen als bedoeld in dit artikel wordt niet verstaan:
    • 1. opslag voor de voorgevel;
    • 2. het bewonen van vrijstaande bijbehorende bouwwerken.
12.2 Wonen - toegestaan
  • a. Wonen is toegestaan als:
    • 1. binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan moet uitvoering zijn gegeven aan het ruimtelijk kwaliteitsplan zoals opgenomen in bijlage 4; en
    • 2. de aangelegde beplanting conform het ruimtelijk kwaliteitsplan zoals opgenomen in bijlage 4 onderhouden en in stand gehouden wordt.
  • b. Het aantal wooneenheden dat mag worden gebruikt voor wonen bedraagt niet meer dan is aangegeven met 'maximum aantal wooneenheden'.

Hoofdstuk 4 Ondergeschikte gebruiksactiviteiten

Artikel 13 Bed & breakfast aan huis - vergunningplicht

13.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van het uitoefenen van een ondergeschikte bed & breakfast aan huis ter plaatse van de locatie 'Bed & breakfast aan huis - vergunningplicht'.
  • b. Onder een ondergeschikte bed & breakfast aan huis wordt verstaan:
    • 1. het tegen betaling aanbieden van toeristisch en kortdurend verblijf en ontbijt.
  • c. Onder een ondergeschikte bed & breakfast aan huis wordt niet verstaan:
    • 1. overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid.
13.2 Bed & breakfast aan huis - vergunningplicht

De uitoefening van een ondergeschikte bed & breakfast aan huis is verboden zonder omgevingsvergunning.

13.3 Bed & breakfast aan huis - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 13.2 wordt alleen verleend als:

  • a. de bed & breakfast aan huis uitsluitend wordt uitgeoefend in het hoofdgebouw;
  • b. de bed & breakfast aan huis beperkt blijft tot maximaal 30% van de gezamenlijke bruto vloeroppervlakte van de woning en de bijgebouwen, tot een maximum van 45m2;
  • c. er geen detailhandelsactiviteit plaatsvindt, behoudens als ondergeschikte activiteit bij en direct verband houdend met de uitoefening van de bed & breakfast aan huis;
  • d. de bed & breakfast aan huis:
    • 1. geen onevenredige hinder oplevert voor de omgeving;
    • 2. geen onevenredige aantasting oplevert voor de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de nabijgelegen gronden;
    • 3. geen onevenredige nadelige invloed heeft op de verkeersafwikkeling en niet leidt tot onaanvaardbare parkeerdruk;
    • 4. geen publieksgericht karakter heeft; en
    • 5. uitsluitend gasten op afspraak ontvangt;
  • e. er een directe relatie bestaat tussen de bed & breakfast aan huis en de (hoofd)gebruiker van de woning;
  • f. gasten van de bed & breakfast aan huis parkeren op het bij de woning behorende eigen terrein.
13.4 Voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13.2 kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 14 Beroepen aan huis - toegestaan

14.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels van dit artikel zijn van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van beroepen aan huis ter plaatse van locatie 'Beroepen aan huis - toegestaan'.
  • b. Onder beroepen aan huis als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. een (para)medisch, juridisch, administratie, therapeutisch, ontwerptechnisch, adviesgevend of daarmee gelijk te stellen dienstverlenend beroep.
14.2 Beroepen aan huis - toegestaan

De uitoefening van een beroep aan huis is toegestaan als:

  • a. het beroep aan huis in een hoofdgebouw of bijgebouw wordt uitgeoefend;
  • b. het beroep aan huis uitsluitend inpandig wordt verricht;
  • c. de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt;
  • d. het beroep aan huis een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is;
  • e. de oppervlakte niet meer dan 30% van de gezamenlijke bruto vloeroppervlakte van de woning en de bijgebouwen bedraagt, tot een maximum van 45 m2;
  • f. er een directe relatie bestaat tussen het beroep aan huis en de (hoofd)gebruiker van de woning;
  • g. er geen detailhandelsactiviteit plaatsvindt, behoudens een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het beroep aan huis;
  • h. het parkeren binnen het erf op eigen terrein plaatsvindt, dan wel in alternatieve ruimte waarin in de nabijheid wordt voorzien.

Artikel 15 Kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis - vergunningplicht

15.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels van dit artikel zijn van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis ter plaatse van locatie 'Kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis - vergunningplicht'.
  • b. Onder kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten die niet vallen onder de vrije beroepen oftewel aan huis gebonden beroepen, maar daarmee gelijk te stellen zijn en gezien de aard, omvang en intensiteit passend zijn binnen de woonfunctie.
15.2 Kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis - vergunningplicht

Kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis zijn verboden zonder omgevingsvergunning.

15.3 Kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 15.2 wordt alleen verleend als:

  • a. de kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit aan huis beperkt blijft tot maximaal 30% van de gezamenlijke bruto vloeroppervlakte van de woning en de bijgebouwen, tot een maximum van 45 m2;
  • b. het een kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit aan huis betreft in categorie 1 zoals is opgenomen in bijlage 5 Staat van bedrijfsactiviteiten;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder b wordt de omgevingsvergunning ook verleend als is aangetoond dat deze activiteit wat betreft geur, stof, geluid, gevaar en wat betreft ruimtelijke uitstraling, omvang en intensiteit met een bedrijf uit categorie 1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten gelijk kan worden gesteld;
  • d. er geen horeca-activiteit plaatsvindt;
  • e. er geen detailhandelsactiviteit plaatsvindt, behoudens als ondergeschikte activiteit bij en direct verband houdend met de uitoefening van de kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit;
  • f. er geen groothandelsactiviteit plaatsvindt;
  • g. er geen reparatiewerkzaamheden voor particulieren van motoren, motorvoertuigen, vaartuigen, caravans, landbouwvoertuigen of bromfietsen plaatsvinden;
  • h. de kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit aan huis:
    • 1. geen onevenredige hinder oplevert voor de omgeving;
    • 2. geen onevenredige afbreuk doet aan het ruimtelijk (woon) karakter van de buurt;
    • 3. geen onevenredige aantasting oplevert voor de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de nabijgelegen gronden;
    • 4. geen onevenredige nadelige invloed heeft op de verkeersafwikkeling en niet leidt tot onaanvaardbare parkeerdruk;
    • 5. geen publieksgericht karakter heeft; en
    • 6. uitsluitend bezoek op afspraak ontvangt;
  • i. het opslaan van goederen of stallen van motorrijtuigen, aanhangwagens en fietsen die verband houden met een kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit aan huis uitsluitend plaatsvindt in gebouwen;
  • j. er een directe relatie bestaat tussen de kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit aan huis en de (hoofd)gebruiker van de woning;
  • k. de kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit aan huis uitsluitend inpandig wordt verricht.
15.4 Kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.2 kunnen voorschriften worden verbonden.

Hoofdstuk 5 Bouwactiviteiten

Artikel 16 Algemene regels bouwactiviteiten

16.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van bouwwerken.

16.2 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven, of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 17 Hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht

17.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van hoofdgebouwen ter plaatse van de locatie 'Hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht'.

17.2 Hoofdgebouw bouwen - beoordelingsregels

In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een hoofdgebouw, alleen verleend als:

  • a. de goothoogte niet meer bedraagt dan 3,5 meter;
  • b. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 7 meter;
  • c. de inhoud niet meer bedraagt dan 750m3.
17.3 Hoofdgebouw bouwen - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 18 Bijbehorend bouwwerk bouwen - toegestaan

18.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Bijbehorend bouwwerk bouwen - toegestaan'.

18.2 Aanvulling op artikel 22.27 en artikel 22.36 van het plan

Bij de toepassing van artikel 22.27 en 22.36 van het plan moet ook worden voldaan aan de volgende regels:

  • a. bijbehorende bouwwerken worden gebouwd ter plaatse van de locatie 'Bijbehorend bouwwerk bouwen - toegestaan'; en
  • b. de oppervlakte van een bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk mag niet meer dan 50 m2 bedragen.

Artikel 19 Bijbehorend bouwwerk bouwen - vergunningplicht

19.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Bijbehorend bouwwerk bouwen - vergunningplicht', tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 18 van dit TAM-omgevingsplan en artikel 22.27 en artikel 22.36 van het plan.

19.2 Bijbehorend bouwwerk bouwen - beoordelingsregels

In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk, alleen verleend als:

  • a. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk niet meer dan 3,5 meter bedraagt;
  • b. de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk niet meer dan 6 meter bedraagt, met dien verstande dat de bouwhoogte minimaal 1 meter lager moet zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder b bedraagt de bouwhoogte van een overkapping niet meer dan 3,5 meter;
  • d. het bijbehorend bouwwerk minimaal 3 meter achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw wordt gebouwd;
  • e. in afwijking van het bepaalde onder d mag een bijbehorend bouwwerk waarvan de bouwhoogte niet meer dan 3 meter bedraagt tevens op een afstand van ten minste 1 meter achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw, dan wel het verlengde daarvan worden gebouwd;
  • f. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per hoofdgebouw niet meer bedraagt dan:
    • 1. 75 m2 voor percelen met een oppervlakte kleiner dan 500 m2;
    • 2. 90 m2 voor percelen met een oppervlakte groter dan 500 m2;'
  • g. het bebouwingspercentage van het bouwperceel niet meer dan 60% bedraagt.
19.3 Bijbehorend bouwwerk bouwen - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 20 Ander bouwwerk bouwen - vergunningplicht

20.1 Toepassingsbereik
  • a. Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van andere bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Ander bouwwerk bouwen - vergunningplicht', tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 22.27 en artikel 22.36 van het plan.
  • b. Onder ander bouwwerk als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. een bouwwerk, geen gebouw en geen overkapping zijnde.
20.2 Ander bouwwerk bouwen - beoordelingsregels

In aanvulling op artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een ander bouwwerk, alleen verleend als:

  • a. de bouwhoogte van een ander bouwwerk niet meer dan 3 meter bedraagt.
20.3 Ander bouwwerk bouwen - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 21 Bouwactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - vergunningplicht

21.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op het bouwen en in stand houden van bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Bouwactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - vergunningplicht' en geldt als aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het plan en artikel 17, artikel 19 en artikel 20 van dit TAM-omgevingsplan.
  • b. De regels in dit artikel zijn niet van toepassing op het bouwen en in stand houden van bouwwerken als:
    • 1. het bouwplan betrekking heeft op wijzing of vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut;
    • 2. het nieuw te bebouwen oppervlak kleiner is dan 2.500 m2 en minder diep steekt dan 0,5 meter.
21.2 Bouwactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - specifieke aanvraagvereisten

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.35 van het plan worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 22.26 van het plan de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een archeologisch onderzoek.
21.3 Bouwactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een bouwwerk in archeologisch waardevol gebied wordt alleen verleend als:

  • a. op basis van een aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie:
    • 1. geen archeologische waarden (meer aanwezig) zijn; of
    • 2. dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.
21.4 Bouwactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - inwinnen advies

Voordat door het college wordt besloten over de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, wint het college schriftelijk advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door de voorgenomen bouwactiviteiten de belangen, in verband met het archeologisch waardevol gebied, niet onevenredig worden geschaad en welke voorschriften dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

21.5 Bouwactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 22 Bouwactiviteiten in beschermd dorpsgezicht en historische buitenplaats - vergunningplicht

22.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op het verbouwen van bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Bouwactiviteiten in beschermd dorpsgezicht en historische buitenplaats - vergunningplicht' en geldt als aanvulling op het bepaalde in artikel 22.26 van het plan en artikel 17, artikel 19 en artikel 20 van dit TAM-omgevingsplan.

22.2 Bouwactiviteiten in beschermd dorpsgezicht en historische buitenplaats - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een bouwwerk in beschermd dorpsgezicht en historische buitenplaats wordt alleen verleend als:

  • a. het bouwwerk in overeenstemming met het karakter van het beschermd dorpsgezicht en de historische buitenplaats wordt gebouwd, zoals beschreven in artikel 6 van dit TAM-omgevingsplan.
22.3 Bouwactiviteiten in beschermd dorpsgezicht en historische buitenplaats - inwinnen advies

Voordat door het college wordt besloten over de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, wint het college schriftelijk advies in bij Het Oversticht omtrent de vraag of door de voorgenomen bouwactiviteiten de belangen, in verband met het behoud en herstel van het karakter van het beschermd dorpsgezicht en de historische buitenplaats, niet onevenredig worden geschaad en welke voorschriften dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

22.4 Bouwactiviteiten in beschermd dorpsgezicht en historische buitenplaats - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

Hoofdstuk 6 Aanlegactiviteiten

Artikel 23 Algemene regels voor aanlegactiviteiten

23.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op aanlegactiviteiten.
  • b. Onder aanlegactiviteiten als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. het uitvoeren van werken of werkzaamheden.
  • c. Onder aanlegactiviteiten als bedoeld in dit artikel wordt niet verstaan:
    • 1. aanlegactiviteiten die gericht zijn op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek.
23.2 Aanlegactiviteiten algemeen - toegestaan
  • a. Aanlegactiviteiten die in overeenstemming zijn met de gebruiksactiviteiten zoals omschreven in dit TAM-omgevingsplan zijn toegestaan, tenzij specifieke regels gelden op grond van hoofdstuk 6van dit TAM-omgevingsplan. In dat geval moet worden voldaan aan de specifieke regels die gelden voor de desbetreffende aanlegactiviteit
  • b. In aanvulling op het bepaalde onder a zijn de volgende werken en werkzaamheden ook toegestaan:
    • 1. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer, gebruik en onderhoud.

Artikel 24 Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - vergunningplicht

24.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten in een archeologisch waardevol gebied ter plaatse van de locatie 'Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - vergunningplicht'.
  • b. Onder aanlegactiviteiten als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. grondwerkzaamheden dieper dan 0,5 meter en met een oppervlakte groter dan 2.500 m2, waartoe worden gerekend:
      • ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het (ver)graven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
    • 2. verlagen van het waterpeil;
    • 3. aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
    • 4. aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
    • 5. werken met opsporingsapparatuur;
  • c. Onder aanlegactiviteiten als bedoeld in dit artikel wordt niet verstaan:
    • 1. het uitvoeren van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen;
    • 2. het uitvoeren van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
24.2 Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning aanlegactiviteiten uit te voeren.

24.3 Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - specifieke aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 24.2 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een archeologisch onderzoek.
24.4 Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 24.2 wordt alleen verleend als:

  • a. op basis van een aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie:
    • 1. geen archeologische waarden (meer aanwezig) zijn; of
    • 2. dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.
24.5 Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - inwinnen advies

Voordat door het college wordt besloten over de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 24.2 van dit TAM-omgevingsplan, wint het college schriftelijk advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteiten de belangen, in verband met het archeologisch waardevol gebied, niet onevenredig worden geschaad en welke voorschriften dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

24.6 Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 24.2 van dit TAM-omgevingsplan kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 25 Aanlegactiviteiten in beschermd dorpsgezicht of historische buitenplaats - vergunningplicht

25.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten in een beschermd dorpsgezicht ter plaatse van de locatie 'Aanlegactiviteiten in beschermd dorpsgezicht of historische buitenplaats - vergunningplicht'.
  • b. Onder aanlegactiviteiten als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend:
      • aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
      • verlagen van de bodem en afgraven van gronden;
      • ophogen en egaliseren van gronden
    • 2. aanleggen en dempen van water;
    • 3. graven, vergraven, dan wel verbreden of dempen van watergangen en poelen;
    • 4. aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
    • 5. bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden;
    • 6. vellen of rooien van bomen, houtsingels of houtwallen.
  • c. Onder aanlegactiviteiten als bedoeld in dit artikel wordt niet verstaan:
    • 1. het uitvoeren van aanlegactiviteiten ter ontwikkeling van de cultuurhistorisch ruimtelijk structuur en overige ruimtelijke kenmerken van het beschermd dorpsgezicht en/of de historische buitenplaats.
    • 2. de aanleg van kavelpaden en in- of uitritten.
25.2 Aanlegactiviteiten in beschermd dorpsgezicht en historische buitenplaats - vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning aanlegactiviteiten in beschermd dorpsgezicht en historische buitenplaats uit te voeren.

25.3 Aanlegactiviteiten in beschermd dorpsgezicht en historische buitenplaats - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 25.2 wordt alleen verleend als:

  • a. door de aanlegactiviteiten, dan wel de gevolgen daarvan geen onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan van de waarden van het beschermd dorpsgezicht en de historische buitenplaats.
25.4 Aanlegactiviteiten in beschermd dorpsgezicht en historische buitenplaats - inwinnen advies

Voordat door het college wordt besloten over de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 25.2 van dit TAM-omgevingsplan, wint het college schriftelijk advies in bij Het Oversticht omtrent de vraag of door de voorgenomen bouwactiviteiten de belangen, in verband met het behoud en herstel van het karakter van het beschermd dorpsgezicht en de historische buitenplaats, niet onevenredig worden geschaad en welke voorschriften dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

25.5 Aanlegactiviteiten in beschermd dorpsgezicht en historische buitenplaats - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 25.2 van dit TAM-omgevingsplan kunnen voorschriften worden verbonden.

Hoofdstuk 7 Activiteiten met betrekking tot karakteristieke bouwwerken

Artikel 26 Activiteiten met betrekking tot karakteristieke bouwwerken - zorgplicht

26.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op activiteiten met betrekking tot onroerende zaken die zijn aangewezen als 'Karakteristiek bouwwerk' ter plaatse van de locatie 'Activiteiten met betrekking tot karakteristieke bouwwerken - zorgplicht'.

26.2 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op:

  • a. het behoud van cultureel erfgoed.
26.3 Activiteiten met betrekking tot karakteristieke bouwwerken - zorgplicht

Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een karakteristiek bouwwerk, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen.

Artikel 27 Verbouwen van karakteristieke bouwwerken - vergunningplicht

27.1 Toepassingsbereik
  • a. Dit artikel is van toepassing op het geheel of gedeeltelijk verbouwen van bouwwerken die zijn aangewezen als 'Karakteristiek bouwwerk' ter plaatse van de locatie 'Verbouwen van karakteristieke bouwwerken - vergunningplicht'.
  • b. Dit artikel is niet van toepassing op activiteiten die:
    • 1. het normale onderhoud en beheer betreffen.
27.2 Oogmerk

De regels van dit artikel zijn gesteld met het oog op:

  • a. het behoud van cultureel erfgoed.
27.3 Verbouwen van karakteristieke bouwwerken - specifieke aanvraagvereisten
  • a. De aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 22.287, artikel 22.291 en artikel 22.292 van het plan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van artikel 22.26 van het plan, als de aanvraag het verbouwen van een karakteristiek bouwwerk betreft.
  • b. In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.35 van het plan worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 22.26 van het plan de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • 1. een restauratieplan.
27.4 Verbouwen van karakteristieke bouwwerken - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan wordt, voor het verbouwen van een karakteristiek bouwwerk, alleen verleend als:

  • a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieke hoofdvorm van de bebouwing;
  • b. uit een deskundigenrapport van Het Oversticht blijkt dat de karakteristieke elementen niet onevenredig worden aangetast; en
  • c. het delen van een gebouw of bijbehorende bouwwerken betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken en door verbouwen geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt.
27.5 Verbouwen van karakteristieke bouwwerken - inwinnen advies

Voordat door het college wordt besloten over de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan wint het college schriftelijk advies in bij Het Oversticht omtrent de vraag of door de voorgenomen activiteit de karakteristieke elementen van het bouwwerk niet onevenredig worden geschaad en welke voorschriften dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

27.6 Verbouwen van karakteristieke bouwwerken - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 28 Sloopactiviteiten bij karakteristieke bouwwerken - vergunningplicht

28.1 Toepassingsbereik
  • a. Dit artikel is van toepassing op het geheel of gedeeltelijk slopen van bouwwerken die zijn aangewezen als 'Karakteristiek bouwwerk' ter plaatse van de locatie 'Sloopactiviteiten bij karakteristieke bouwwerken - vergunningplicht'.
  • b. Dit artikel is niet van toepassing op activiteiten die:
    • 1. het normale onderhoud en beheer betreffen.
28.2 Oogmerk

De regels van dit artikel zijn gesteld met het oog op:

  • a. het behoud van cultureel erfgoed.
28.3 Sloopactiviteiten bij karakteristieke bouwwerken - vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een karakteristiek bouwwerk geheel of gedeeltelijk te slopen.

28.4 Sloopactiviteiten bij karakteristieke bouwwerken - specifieke aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 22.287, artikel 22.290 en artikel 22.294 van het plan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van artikel 28.3 van dit TAM-omgevingsplan.

28.5 Sloopactiviteiten bij karakteristieke bouwwerken - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 28.3 van dit TAM-omgevingsplan wordt alleen verleend als:

  • a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieke hoofdvorm van de bebouwing;
  • b. de karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het gebouw kan worden hersteld;
  • c. de karakteristieke hoofdvorm in redelijkheid niet te handhaven is;
  • d. uit een deskundigenrapport van Het Oversticht blijkt dat de karakteristieke elementen niet onevenredig worden aangetast; en
  • e. het delen van een gebouw of bijbehorende bouwwerken betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken en door sloop daarvan geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt.
28.6 Sloopactiviteiten bij karakteristieke bouwwerken - inwinnen advies

Voordat door het college wordt besloten over de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 28.3 van dit TAM-omgevingsplan wint het college schriftelijk advies in bij Het Oversticht omtrent de vraag of door de voorgenomen sloopactiviteit de karakteristieke elementen van het bouwwerk niet onevenredig worden geschaad en welke voorschriften dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

28.7 Sloopactiviteiten bij karakteristieke bouwwerken - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 28.3 van dit TAM-omgevingsplan kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 29 Activiteiten met betrekking tot karakteristieke bouwwerken - verbod

29.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op activiteiten met betrekking tot onroerende zaken die zijn aangewezen als 'Karakteristiek bouwwerk' ter plaatse van de locatie 'Activiteiten met betrekking tot karakteristieke bouwwerken - verbod'.

29.2 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op:

  • a. het behoud van cultureel erfgoed.
29.3 Activiteiten met betrekking tot karakteristieke bouwwerken - verbod

Het is verboden:

  • a. een karakteristiek bouwwerk te beschadigen of te vernielen; en
  • b. aan karakteristieke bouwwerken onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding van de karakteristieke waarden noodzakelijk is.

Hoofdstuk 8 Overige activiteiten

Artikel 30 Parkeren

30.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op bouwactiviteiten waarbij een parkeerbehoefte wordt verwacht gelet op het beoogde gebruik van dat bouwwerk.

30.2 Parkeren - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan wordt alleen verleend als:

  • a. bij de aanvraag wordt aangetoond dat op het bouwwerk dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk hoort, wordt voorzien in de te verwachten behoefte aan ruimte voor het parkeren voor of het stallen van auto's, motorfietsen, fietsen of andere voertuigen, zoals vastgelegd in de ''Parkeernormennota Ommen''; of
  • b. aangetoond wordt dat het voldoen aan de regels onder a op overwegende bezwaren stuit of op andere redelijke wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien.
  • c. bij toepassing van het bepaalde onder a mag de parkeerruimte niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer;
  • d. bij toepassing van het bepaalde onder a moet de bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's de afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare auto's. Aan deze eis wordt voldaan door vast te houden aan de richtlijnen en maatvoering conform de ''Parkeernormennota Ommen'' of door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s).
30.3 Parkeren - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan kunnen voorschriften worden verbonden, in ieder geval over:

  • a. de instandhouding van parkeergelegenheid.

Artikel 31 Laden en lossen

31.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op bouwactiviteiten waarbij een ruimte voor laden of lossen wordt verwacht gelet op het beoogde gebruik van dat bouwwerk.

31.2 Laden en lossen - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan wordt alleen verleend als:

  • a. bij de aanvraag aangetoond wordt dat op het bouwwerk dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk hoort, wordt voorzien in de te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen; of
  • b. aangetoond wordt dat het voldoen aan de regels onder a op overwegende bezwaren stuit of op andere wijze in de nodige laad-en losruimte wordt voorzien.
31.3 Laden en lossen - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan kunnen voorschriften worden verbonden, in ieder geval over:

  • a. de instandhouding van laad- en losruimte.

Hoofdstuk 9 Overgangs- en slotregels

Artikel 32 Overgangsrecht

32.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
32.2 Overgangsrecht gebruik
  • 1. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
  • 5. Het overgangsrecht voor gebruik zoals bedoeld in artikel 32.2 van dit TAM-omgevingsplan, heeft een geldingstermijn van 10 jaar vanaf de dag van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.