direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Varsenerweg 5a Ommen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0175.2025TAMOP0001-VG01

Regels

Preambule

Dit plan beoogt drie woningbouwkavels te realiseren ten noordwesten van de bestaande bedrijfswoning aan de Varsenerweg 5a in Ommen. Daarnaast worden de huidige bedrijfswoningen aan de Varsenerweg 5a en de Larinkmars 2 omgezet naar reguliere woningen. Het bijgebouw ten zuiden van de bestaande bedrijfswoning aan de Varsenerweg 5a blijft behouden. Dit bijgebouw is bedoeld voor het onderhoud van het omliggende land en het houden van maximaal 150 schapen. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Ommen. De in deze wijziging van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk 22b van het omgevingsplan van de gemeente Ommen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22b gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22b' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:

1.1 toepassing omgevingsplan

artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing op dit omgevingsplan, tenzij hierna daarvan is afgeweken.

1.2 plan

het omgevingsplan gemeente Ommen.

1.3 TAM-omgevingsplan

het TAM-omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Varsenerweg 5a Ommen' met identificatienummer NL.IMRO.0175.2025TAMOP0001-VG01 van de gemeente Ommen.

1.4 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het uitvoeren van activiteiten.

1.5 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.6 akker- en vollegrondstuinbouw

de teelt van gewassen op open grond.

1.7 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouw zijnde.

1.8 bestaande bouwwerken

bouwwerken die aanwezig en toegestaan waren voor het tijdstip dat dit TAM-omgevingsplan rechtskracht heeft verkregen.

1.9 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en kapverdieping.

1.10 bouwwerkperceelgrens

een grens van een bouwwerkperceel.

1.11 detailhandelsactiviteiten

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.12 gevel

een bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen een dak.

1.13 grondgebonden veehouderij

het houden van melk- en ander vee waarbij de veehouderij geheel of in overwegende

mate afhankelijk is van de bij het bedrijf behorende agrarische grond als productiemiddel, waaronder tevens wordt verstaan een paardenfokkerij.

1.14 horeca-activiteit

een activiteit waarbij hoofdzakelijk dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden versterkt en/of waarin logies wordt verstrekt, zoals bijvoorbeeld een café, restaurant, pension, en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen bedrijf, een en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie.

1.15 kaart

de digitale voorstelling van de in dit plan opgenomen digitale ruimtelijke informatie.

1.16 locatie

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waarmee ingevolge de regels bepaalde activiteiten zijn toegelaten.

1.17 locatiegrens

de grens van een locatie.

1.18 openbare nutsvoorzieningen

een voorziening voor elektriciteit, gas, water, telecommunicatie, (gescheiden) inzameling van (huishoudelijke)afvalstoffen, opslag en transport van afvalwater, openbare veiligheid, volksgezondheid en een daarmee gelijk te stellen voorziening van algemeen nut.

1.19 opsporingsapparatuur

apparatuur zoals metaaldetectoren, grondradar en andere detectieapparatuur die worden gebruikt voor het opsporen van archeologische vondsten en relicten.

1.20 overkapping

bijbehorend bouwwerk in de vorm van een bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overdekking en niet of slechts gedeeltelijk met wanden is omgeven.

1.21 paardenfokkerij

het houden van paarden ten behoeve van de fokkerij waarbij het africhten van en de

handel in paarden in ondergeschikte mate plaatsvindt, waaronder niet wordt

verstaan een paardenstalling en manege.

1.22 peil
  • 1. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • 2. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het aan het bouwwerk aansluitende afgewerkte terrein;
  • 3. indien in of op het water wordt gebouwd: de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabijgelegen punt waar het water grenst aan het vaste land.
1.23 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.24 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt.

1.25 voorgevelrooilijn

de langs de weg gelegen lijn, welke zoveel mogelijk een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging heeft ten opzichte van de voorgevels van de bestaande hoofdgebouwen op de naastgelegen bouwpercelen.

1.26 vrijstaand hoofdgebouw

een niet-aaneengebouwd hoofdgebouw.

1.27 woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • a. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie 'TAM-omgevingsplan Varsenerweg 5a Ommen', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0175.2025TAMOP0001-VG01.
  • b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit plan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • c. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie 'Integrale wijziging omgevingsplan'.
  • d. Ter plaatse van de locatie 'Voorrangsregels van toepassing' blijven de besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet van toepassing, waarbij:
    • 1. artikel 1, artikel 2, artikel 10 en artikel 15 van dit TAM-omgevingsplan als aanvulling gelden op de ter plaatse geldende besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

3.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing ter plaatse van de locatie 'Meet- en rekenbepalingen' en gelden als aanvulling op het bepaalde in artikel 22.24 van het plan.

3.2 Meet- en rekenbepalingen

Voor dit TAM-omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

3.3 de afstand tot de zijdelingse perceelgrens

tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.

3.4 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.5 de oppervlakte van een overkapping

tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.

3.6 overschrijding door ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde over het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding ten opzichte van de bouwregels niet meer dan 1 m bedraagt.

3.7 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.8 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.9 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

Artikel 4 Algemeen gebruiks- en bouwverbod

4.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing ter plaatse van de locatie 'Algemeen gebruiks- en bouwverbod'.

4.2 Algemeen gebruiks- en bouwverbod

Niet genoemde gebruiks- en bouwactiviteiten en gebruiks- en bouwactiviteiten die in strijd zijn met dit TAM-omgevingsplan zijn niet toegestaan, met uitzondering van bestaande bouwwerken.

Hoofdstuk 2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Artikel 5 Archeologisch monument - aanwijzing

De locatie 'Archeologisch monument' is aangewezen als archeologisch monument.

Artikel 6 Archeologisch waardevol gebied - aanwijzing

De locatie 'Archeologisch waardevol gebied' is aangewezen als gebied met een archeologische verwachtingswaarde.

Artikel 7 Belemmeringengebied buisleiding - aanwijzing

De locatie 'Belemmeringengebied buisleiding' is aangewezen als belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 5.18 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 8 Beperkingengebied ondergrondse hoogspanningsverbinding - aanwijzing

De locatie 'Beperkingengebied ondergrondse hoogspanningsverbinding' is aangewezen als beperkingengebied ondergrondse hoogspanningsverbinding.

Artikel 9 Integrale wijziging omgevingsplan - aanwijzing

De locatie 'Integrale wijziging omgevingsplan' is aangewezen als gebied waarbinnen de besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet niet van toepassing zijn.

Artikel 10 Voorrangsregels van toepassing - aanwijzing

De locatie 'Voorrangsregels van toepassing' is aangewezen als gebied waarbinnen de regels van dit TAM-omgevingsplan gelden als voorrangsregels in aanvulling op of in afwijking van de besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet.

Artikel 11 Waterstaat - Waterstaatkundige functie - aanwijzing

De locatie 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie' is aangewezen als zone bestemd voor de waterhuishouding, waaronder begrepen de wateraanvoer en -afvoer, de waterberging alsmede dijken, kaden, dijksloten en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering.

Hoofdstuk 3 Gebruiksactiviteiten

Artikel 12 Gebruiksactiviteiten algemeen - verbod

12.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Gebruiksactiviteiten algemeen - verbod'.

12.2 Gebruiksactiviteiten algemeen - verbod

Het is verboden om de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:

  • a. het gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de activiteit gerichte gebruik en onderhoud;
  • b. het gebruik van gronden als stallings- en opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de activiteit gerichte gebruik en onderhoud;
  • c. het gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie.

Artikel 13 Agrarisch - Agrarische activiteiten - toegestaan

13.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op agrarische activiteiten ter plaatse van de locatie 'Agrarisch - Agrarische activiteiten - toegestaan'.
  • b. Onder agrarische activiteiten als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. het gebruiken van gronden voor akker- en vollegrondstuinbouw;
    • 2. het gebruiken van gronden voor een grondgebonden veehouderij;
    • 3. behoud en bescherming van landschapswaarden.
  • c. Onder agrarische activiteiten als bedoeld in dit artikel wordt niet verstaan:
    • 1. sierteelt;
    • 2. bosbouw;
    • 3. houtteelt;
    • 4. glastuinbouw;
    • 5. opslag van goederen met een totale opslaghoogte van meer dan 4 meter.
13.2 Agrarische activiteiten - toegestaan

Agrarische activiteiten zijn toegestaan.

Artikel 14 Agrarisch - Boomgaardactiviteiten - toegestaan

14.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op boomgaardactiviteiten ter plaatse van de locatie 'Agrarisch - Boomgaardactiviteiten - toegestaan'.
  • b. Onder boomgaardactiviteiten als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. het gebruiken van gronden als boomgaard.
14.2 Boomgaardactiviteiten - toegestaan

Boomgaardactiviteiten zijn toegestaan.

Artikel 15 Agrarisch - Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen - verbod

15.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van de locatie 'Agrarisch - Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen - verbod'.
  • b. Onder gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in artikel wordt verstaan:
    • 1. een mengsel met één of meer werkzame stoffen bestemd om:
      • planten of plantaardige producten te beschermen tegen alle schadelijke organismen of de werking daarvan te voorkomen;
      • levensprocessen van planten te beïnvloeden, voor zover het niet gaat om voedende stoffen;
      • plantaardige producten te bewaren;
      • ongewenste planten te doden; of
      • delen van planten te vernietigen of een ongewenste groei van planten te remmen of te voorkomen.
15.2 Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen - verbod

Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is verboden.

Artikel 16 Agrarisch - Hobbymatig agrarisch gebruik - toegestaan

16.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels van dit artikel zijn van toepassing op hobbymatig agrarisch gebruik ter plaatse van de locatie 'Agrarisch - Hobbymatig agrarisch gebruik - toegestaan'.
  • b. Onder hobbymatig agrarisch gebruik als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. het gebruik van grond ten behoeve van agrarische activiteiten in een omvang die niet als bedrijfsmatig kan worden beschouwd.
16.2 Hobbymatig agrarisch gebruik - toegestaan

Hobbymatig agrarisch gebruik is toegestaan.

Artikel 17 Agrarisch - Hobbymatig houden van dieren - toegestaan

17.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels van dit artikel zijn van toepassing op het hobbymatig houden van dieren ter plaatse van de locatie 'Agrarisch – Hobbymatig houden van dieren – toegestaan'.
  • b. Onder hobbymatig houden van dieren als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. het hobbymatig houden en stallen van dieren, waaronder in elk geval schapen en paarden.
  • c. Onder hobbymatig houden van dieren als bedoeld in dit artikel wordt niet verstaan:
    • 1. het houden van landbouwhuisdieren als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
17.2 Hobbymatig houden van dieren - toegestaan
  • a. Het hobbymatig houden van dieren is toegestaan als de milieubelasting vanwege ammoniak, geur en fijnstof niet groter is dan de milieubelasting equivalent aan het hobbymatig houden van maximaal 150 schapen.
  • b. Bij de beoordeling van de milieubelasting als bedoeld onder a wordt uitgegaan van de emissiefactor per diersoort, conform de geldende emissiefactoren zoals opgenomen in bijlage V bij de Omgevingsregeling.
  • c. Wanneer andere dieren dan schapen hobbymatig worden gehouden, wordt de milieubelasting vanwege ammoniak, geur en fijnstof berekend op basis van emissie-equivalenten, waarbij 1 schaap als referentie-eenheid geldt.

Artikel 18 Groen - Activiteiten binnen groen - toegestaan

18.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op activiteiten ter plaatse van de locatie 'Groen - Activiteiten binnen groen - toegestaan'.

18.2 Activiteiten binnen groen - toegestaan

De volgende activiteiten zijn toegestaan:

  • a. het in gebruik nemen en in stand houden van:
    • 1. beplantingen;
    • 2. groenvoorzieningen;
    • 3. water en waterretentievoorzieningen;
    • 4. speelvoorzieningen;
    • 5. fiets- en voetpaden;
    • 6. uitritten;
    • 7. parkeervoorzieningen;
    • 8. waterhuishoudkundige voorzieningen.

Artikel 19 Natuur - Activiteiten binnen natuur - toegestaan

19.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op activiteiten ter plaatse van de locatie 'Natuur - Activiteiten binnen natuur - toegestaan'.

19.2 Activiteiten binnen natuur - toegestaan

De volgende activiteiten zijn toegestaan:

  • a. het in gebruik nemen en in stand houden van:
    • 1. bossen;
    • 2. onverharde voet- en fietspaden;
    • 3. tijdelijke waterberging;
    • 4. extensieve dagrecreatie;
  • b. activiteiten gericht op behoud, bescherming, beheer en ontwikkeling van actuele en potentiële natuur- en landschapswaarden.

Artikel 20 Wonen - Wonen - toegestaan

20.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op wonen ter plaatse van de locatie 'Wonen - Wonen - toegestaan'.
  • b. Onder wonen als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. het huisvesten van één huishouden in één wooneenheid, met dien verstande dat een huishouden ook mag worden aangevuld met een huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of sociaal-economische redenen.
  • c. Onder huishouden als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. één of meer personen die op hetzelfde adres wonen en een economisch-consumptieve eenheid vormen.
  • d. Onder wooneenheid als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld om te wonen.
  • e. Onder wonen als bedoeld in dit artikel wordt niet verstaan:
    • 1. opslag voor de voorgevel.
20.2 Wonen - toegestaan
  • a. Wonen is toegestaan als binnen twee jaar na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan de landschappelijke inpassing als bedoeld in bijlage 1 is aangelegd en in stand wordt gehouden.
  • b. Het aantal wooneenheden dat mag worden gebruikt ten behoeve van wonen bedraagt niet meer dan 5 wooneenheden.

Hoofdstuk 4 Ondergeschikte gebruiksactiviteiten

Artikel 21 Bed & breakfast aan huis - vergunningplicht

21.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van het uitoefenen van een ondergeschikte bed & breakfast aan huis ter plaatse van de locatie 'Bed & breakfast aan huis - vergunningplicht'.
  • b. Onder een ondergeschikte bed & breakfast aan huis wordt verstaan:
    • 1. het tegen betaling aanbieden van toeristisch en kortdurend verblijf en ontbijt in een omvang die ondergeschikt is aan de woonfunctie.
  • c. Onder een ondergeschikte bed & breakfast aan huis wordt niet verstaan:
    • 1. overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid; en
    • 2. buitenopslag ten behoeve van de activiteit.
21.2 Bed & breakfast aan huis - vergunningplicht

De uitoefening van een ondergeschikte bed & breakfast aan huis is verboden zonder omgevingsvergunning.

21.3 Bed & breakfast aan huis - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 21.2 wordt alleen verleend als:

  • a. de bed & breakfast aan huis uitsluitend wordt uitgeoefend in het hoofdgebouw;
  • b. er een directe relatie bestaat tussen de bed & breakfast aan huis en de (hoofd)gebruiker van de woning;
  • c. gasten van de bed & breakfast aan huis parkeren op het bij de woning behorende eigen terrein.
21.4 Voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.2 kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 22 Kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis - vergunningplicht

22.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels van dit artikel zijn van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van ondergeschikte kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis ter plaatse van locatie 'Kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis - vergunningplicht'.
  • b. Onder ondergeschikte kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten die niet vallen onder de vrije beroepen oftewel aan huis gebonden beroepen, maar daarmee gelijk te stellen zijn en waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
22.2 Kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis - vergunningplicht

Ondergeschikte kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis zijn verboden zonder omgevingsvergunning.

22.3 Kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 22.2 wordt alleen verleend als:

  • a. de kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit aan huis beperkt blijft tot maximaal 100 m2 en in de woning wordt verricht;
  • b. het een kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit aan huis betreft in categorie 1 of categorie 2 zoals is opgenomen in bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder b wordt de omgevingsvergunning ook verleend als is aangetoond dat deze activiteit wat betreft geur, stof, geluid, gevaar en wat betreft ruimtelijke uitstraling, omvang en intensiteit met een bedrijf uit categorie 1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten gelijk kan worden gesteld;
  • d. er geen horeca-activiteit plaatsvindt;
  • e. er geen detailhandelsactiviteit plaatsvindt, behoudens als ondergeschikte activiteit bij en direct verband houdend met de uitoefening van de kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit;
  • f. er geen groothandelsactiviteit plaatsvindt;
  • g. er geen reparatiewerkzaamheden voor particulieren van motoren, motorvoertuigen, vaartuigen, caravans, landbouwvoertuigen of bromfietsen plaatsvinden;
  • h. de kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit aan huis:
    • 1. geen onevenredige hinder oplevert voor de omgeving;
    • 2. geen onevenredige afbreuk doet aan het ruimtelijk (woon) karakter van de buurt;
    • 3. geen onevenredige aantasting oplevert voor de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de nabijgelegen gronden;
    • 4. geen onevenredige nadelige invloed heeft op de verkeersafwikkeling en niet leidt tot onaanvaardbare parkeerdruk;
    • 5. geen publieksgericht karakter heeft; en
    • 6. uitsluitend bezoek op afspraak ontvangt;
  • i. het opslaan van goederen of stallen van motorrijtuigen, aanhangwagens en fietsen die verband houden met een kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit aan huis uitsluitend plaatsvindt in gebouwen;
  • j. er een directe relatie bestaat tussen de kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit aan huis en de (hoofd)gebruiker van de woning;
  • k. parkeren ten behoeve van de activiteit op eigen terrein plaatsvindt.
22.4 Kleinschalige beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten aan huis - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.2 kunnen voorschriften worden verbonden.

Hoofdstuk 5 Bouwactiviteiten

Artikel 23 Algemene regels voor bouwactiviteiten

23.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op het bouwen van bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Algemene regels voor bouwactiviteiten'.

23.2 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven, of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 24 Hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht

24.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van hoofdgebouwen ter plaatse van de locatie 'Hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht'.

24.2 Hoofdgebouw bouwen - beoordelingsregels

In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een hoofdgebouw, alleen verleend als:

  • a. de goothoogte niet meer bedraagt dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)';
  • b. de bouwhoogte niet minder bedraagt dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'minimum bouwhoogte (m)';
  • c. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)';
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - hoofdwoning' wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. er is sprake van een eenvoudige en duidelijk herkenbare hoofdvorm;
    • 2. er is sprake van een traditionele uitstraling met een baksteengevel en pannen- en rietendak;
    • 3. er is sprake van een duidelijke voorzijde naar de Varsenerweg;
    • 4. er is geen sprake van een bijzonder contraset tussen de voor-, zij- of achtergevel;
    • 5. de dakhelling van de kap ligt tussen de 40 en 60 graden;
    • 6. er is sprake van een traditionele kap in de vorm van een schilddak of zadeldak;
    • 7. dakoverstekken zijn beperkt;
    • 8. wanneer een pannendak wordt toegepast, dan is een dakgoot of bakgoot verplicht;
    • 9. de compositie van de gevels en het dak is sober in opzet en heeft een sobere uitstraling;
    • 10. de gevel bestaat uit samenhangende gevelvlakken;
    • 11. er worden natuurlijke kleuren gebruikt, zonder felle tinten;
    • 12. er worden geen glimmende materialen toegepast;
    • 13. materialen passen qua oppervlaktestructuur goed in de omgeving;
    • 14. het materiaalgebruik is in hoofdzaak traditioneel en bestaat voor de gevels uit baksteen, waarbij in ondergeschikte mate hout mag worden toegepast voor maximaal 30% aan maximaal 2 gevels;
    • 15. dakbedekking bestaat uit pannen of riet;
    • 16. gevelopeningen hebben een traditionele profilering (iets terugliggend);
    • 17. kozijnen zijn traditioneel wit of antraciet;
    • 18. zonnepanelen zijn als onderdeel van het dak meeontworpen:
      • bij toepassing van donkergrijze of zwarte pannen kunnen de zonnepanelen op het dak zelf;
      • bij toepassing van rode pannen of riet moeten de zonnepanelen worden geplaatst op een bijbehorend bouwwerk
      • bij bedekking van een gedeelte van het dak moet met zorg zijn gekeken naar een fraaie en evenwichtige verdeling op het dak;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - schuurwoning' wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. het hoofdgebouw heeft een eenvoudige en duidelijk herkenbare hoofdvorm en staat gestrooid op het gezamelijk erf;
    • 2. de gevels die gericht zijn op de openbare ruimte zijn voorzien van kleinere gevel openingen, waarbij een duidelijk contrast ontstaat met de overige gevels;
    • 3. minimaal één gevel is open van karakter en wordt met grote ramen of glazen puien uitgevoerd;
    • 4. de buitenruimte is (deels) geïntegreerd in het hoofdvolume;
    • 5. de dakhelling van de kap ligt tussen de 30 en 45 graden;
    • 6. er is sprake van een zadeldak;
    • 7. de nokrichting ligt in de lengte van het hoofdgebouw;
    • 8. dakoverstekken zijn uitgesproken: ze zijn minimaal als ze geen extra functie hebben maar juist uitgesproken als de buitenruimte geïntegreerd wordt in het volume;
    • 9. grote dakoverstekken mogen niet ten kosten gaan van de heldere hoofdvorm en moeten samen met het bijgebouw één familie vormen;
    • 10. de compositie van de gevels en het dak is sober in opzet en heeft een robuuste uitstraling;
    • 11. de gevel bestaat uit samenhangende gevelvlakken;
    • 12. er worden natuurlijke, donkere kleuren gebruikt, zonder felle tinten;
    • 13. er worden geen glimmende materialen toegepast;
    • 14. materialen passen qua oppervlaktestructuur goed in de omgeving;
    • 15. het materiaalgebruik is in hoofdzaak traditioneel en bestaat voor de gevels uit baksteen of hout;
    • 16. dakbedekking bestaat uit pannen of zink;
    • 17. wanneer pannen worden toegepast zijn de pannen mat, donker en ingetogen qua kleur in antraciet of zwarte tinten;
    • 18. gevelopeningen hebben een traditionele profilering (iets terugliggend);
    • 19. zonnepanelen zijn als onderdeel van het dak meeontworpen:
      • bij bedekking van een gedeelte van het dak moet met zorg zijn gekeken naar een fraaie en evenwichtige verdeling op het dak;
  • f. de inhoud niet meer bedraagt dan 750 m3;
  • g. het hoofdgebouw vrijstaand wordt gebouwd, ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand';
  • h. per hoofdgebouw minimaal drie natuurinclusieve voorzieningen worden aangebracht, waarbij kan worden gekozen uit de volgende opties:
    • 1. mussennestkasten op een hoogte van minimaal 2 meter en niet aan de zuidgevel;
    • 2. een vogelvide onder de onderste rij schuine dakpannen;
    • 3. nestgelegenheid voor gierzwaluwen op een hoogte van minimaal vier meter, met vrije aanvliegroute en niet aan de zuidgevel;
    • 4. nestgelegenheid voor huiszwaluwen of spreeuwen; of
    • 5. inbouwkasten voor vleermuizen op een hoogte van minimaal 4 meter waarbij de kasten niet verlicht worden.
24.3 Hoofdgebouw bouwen - inwinnen advies

Voordat door het college wordt besloten over de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan wint het college schriftelijk advies in bij de adviescommissie Omgevingskwaliteit over de vraag of het bouwplan in overeenstemming is te achten met de beoordelingsregels inzake beeldkwaliteit.

24.4 Hoofdgebouw bouwen - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 25 Bijbehorend bouwwerk bouwen - toegestaan

25.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Bijbehorend bouwwerk bouwen - toegestaan'.

25.2 Aanvulling op artikel 22.27 en artikel 22.36 van het plan

Bij de toepassing van artikel 22.27 en 22.36 van het plan moet ook worden voldaan aan de volgende regels:

  • a. het bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd ter plaatse van de locatie 'Bijbehorend bouwwerk bouwen - toegestaan'; en
  • b. de oppervlakte van een bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk mag niet meer dan 50 m2 bedragen.

Artikel 26 Bijbehorend bouwwerk bouwen - vergunningplicht

26.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Bijbehorend bouwwerk bouwen - vergunningplicht', tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 25 van dit TAM-omgevingsplan en artikel 22.27 en artikel 22.36 van het plan.

26.2 Bijbehorend bouwwerk bouwen - beoordelingsregels

In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk, alleen verleend als:

  • a. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk niet meer dan 3 meter bedraagt;
  • b. de bouwhoogte van bijbehorend bouwwerk niet meer dan 6 meter bedraagt;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder b bedraagt de bouwhoogte van een overkapping niet meer dan 3 meter;
  • d. een overkapping niet wordt afgedekt met een plat dak;
  • e. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per hoofdgebouw niet meer bedraagt dan 150 m2.
26.3 Bijbehorend bouwwerk bouwen - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 27 Ander bouwwerk bouwen - vergunningplicht

27.1 Toepassingsbereik
  • a. Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van andere bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Ander bouwwerk bouwen - vergunningplicht', tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 22.27 en artikel 22.36 van het plan.
  • b. Onder ander bouwwerk als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. een bouwwerk, geen gebouw en geen overkapping zijnde.
27.2 Ander bouwwerk bouwen - beoordelingsregels

In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een ander bouwwerk, alleen verleend als:

  • a. de bouwhoogte van een vleermuisvoorziening niet meer dan 6 meter bedraagt en wordt gebouw binnen de locatie 'Groen - Activiteiten binnen groen - toegestaan';
  • b. de bouwhoogte van een overig ander bouwwerk niet meer dan 3 meter bedraagt.
27.3 Ander bouwwerk bouwen - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 28 Ander bouwwerk in belemmeringengebied buisleiding bouwen - vergunningplicht

28.1 Toepassingsbereik
  • a. Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van andere bouwwerken in een belemmeringengebied buisleiding ter plaatse van de locatie 'Ander bouwwerk in belemmeringengebied buisleiding - vergunningplicht', tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 22.27 en artikel 22.36 van het plan.
  • b. Onder ander bouwwerk als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. een bouwwerk, geen gebouw en geen overkapping zijnde.
28.2 Ander bouwwerk in belemmeringengebied buisleiding bouwen - beoordelingsregels

In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een ander bouwwerk in een belemmeringengebied buisleiding, alleen verleend als:

  • a. het ander bouwwerk ten dienste van de buisleiding wordt gebouwd;
  • b. de belangen van de buisleiding niet onevenredig worden geschaad; en
  • c. de bouwhoogte van een ander bouwwerk niet meer dan 3 meter bedraagt.
28.3 Ander bouwwerk in belemmeringengebied buisleiding bouwen - inwinnen advies

Voordat door het college wordt besloten over de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan wint het college, wanneer toepassing wordt gegeven aan artikel 28.2 sub b van dit TAM-omgevingsplan, schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen bouwactiviteit de belangen, in verband met het belemmeringengebied buisleiding, niet onevenredig worden geschaad en welke voorschriften dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

28.4 Ander bouwwerk in belemmeringengebied buisleiding bouwen - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 29 Bouwactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - vergunningplicht

29.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op het bouwen en in stand houden van bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Bouwactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - vergunningplicht' en geldt als aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het plan en de artikelen 24, 25, 26, 27 en 28 van dit TAM-omgevingsplan.
  • b. De regels in dit artikel zijn niet van toepassing op het bouwen en in stand houden van bouwwerken als:
    • 1. het bouwplan betrekking heeft op wijzing of vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut;
    • 2. het nieuw te bebouwen oppervlak kleiner is dan 2.500 m2 en minder diep steekt dan 0,5 meter.
29.2 Bouwactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - specifieke aanvraagvereisten

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.25 van het plan worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 22.26 van het plan de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een archeologisch onderzoek.
29.3 Bouwactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een bouwwerk in archeologisch waardevol gebied wordt alleen verleend als:

  • a. op basis van een aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie:
    • 1. geen archeologische waarden (meer aanwezig) zijn; of
    • 2. dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.
29.4 Bouwactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - inwinnen advies

Voordat door het college wordt besloten over de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, wint het college schriftelijk advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door de voorgenomen bouwactiviteiten de belangen, in verband met het archeologisch waardevol gebied, niet onevenredig worden geschaad en welke voorschriften dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

29.5 Bouwactiviteiten in een archeologisch waardevol gebied - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 30 Bouwactiviteiten in waterstaatkundige functie - vergunningplicht

30.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op het bouwen en in stand houden van bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Bouwactiviteiten in waterstaatkundige functie - vergunningplicht' en geldt als aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het plan en de artikelen 24, 25, 26, 27 en 28 van dit TAM-omgevingsplan.

30.2 Bouwactiviteiten in waterstaatkundige functie - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een bouwwerk in een waterstaatkundige functie, wordt alleen verleend als:

  • a. het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a wordt de omgevingsvergunning ook verleend als het waterstaatsbelang en het belang van de waterkering niet onevenredig wordt geschaad.
30.3 Bouwactiviteiten in waterstaatkundige functie - inwinnen advies

Voordat door het college wordt besloten over de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan wint het college, wanneer toepassing wordt gegeven aan artikel 30.2 sub b van dit TAM-omgevingsplan, schriftelijk advies in bij waterschap Drents Overijsselse Delta omtrent de vraag of door de voorgenomen bouwactiviteit de belangen, in verband met de waterstaatkundige functie, niet onevenredig worden geschaad en welke voorschriften dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

Artikel 31 Bouwactiviteiten in beperkingengebied ondergrondse hoogspanningsverbinding - vergunningplicht

31.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op het bouwen en in stand houden van bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Bouwactiviteiten in beperkingengebied ondergrondse hoogspanningsverbinding - vergunningplicht' en geldt als aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het plan en de artikelen 24, 25, 26, 27 en 28 van dit TAM-omgevingsplan.

31.2 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op:

  • a. het behouden en het creëren van ruimte voor bestaande en toekomstige activiteiten van de landelijk netbeheerder;
  • b. bescherming van de ondergrondse hoogspanningsverbinding tegen activiteiten in de nabijheid daarvan;
  • c. waarborgen van de omgevingskwaliteit in de nabijheid van de ondergrondse hoogspanningsverbinding.
31.3 Bouwactiviteiten in beperkingengebied ondergrondse hoogspanningsverbinding - beoordelingsregels

In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een bouwwerk in een beperkingengebied ondergrondse hoogspanningsverbinding, alleen verleend als:

    • a. het bouwwerk ten dienste van de ondergrondse hoogspanningsverbinding wordt gebouwd;
    • b. de bouwhoogte niet meer dan 2 meter bedraagt;
    • c. in afwijking van het bepaalde onder a en b wordt de omgevingsvergunning ook verleend als het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid, de hoogte niet wordt vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, met dien verstande dat:
      • de activiteit geen onevenredige negatieve gevolgen mag hebben voor het veilig, betrouwbaar en
        duurzaam functioneren van de ondergrondse hoogspanningsverbinding;
      • de activiteit geen negatieve gevolgen mag hebben voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de ondergrondse hoogspanningsverbinding.
31.4 Bouwactiviteiten in beperkingengebied ondergrondse hoogspanningsverbinding - inwinnen advies

Voordat door het college wordt besloten over de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan wint het college, wanneer toepassing wordt gegeven aan artikel 31.3 sub c van dit TAM-omgevingsplan, schriftelijk advies in bij de netbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen bouwactiviteit de belangen, in verband met de ondergrondse hoogspanningsverbinding, niet onevenredig worden geschaad.

Hoofdstuk 6 Aanlegactiviteiten

Artikel 32 Algemene regels voor aanlegactiviteiten

32.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op aanlegactiviteiten ter plaatse van de locatie 'Algemene regels voor aanlegactiviteiten'.
  • b. Onder aanlegactiviteiten als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. het uitvoeren van werken of werkzaamheden.
  • c. Onder aanlegactiviteiten als bedoeld in dit artikel wordt niet verstaan:
    • 1. aanlegactiviteiten die gericht zijn op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek.
32.2 Aanlegactiviteiten algemeen - toegestaan
  • a. Aanlegactiviteiten zijn in beginsel zonder meer toegestaan, tenzij specifieke regels gelden op grond van hoofdstuk 6. In dat geval moet worden voldaan aan de specifieke regels die gelden voor de desbetreffende aanlegactiviteit.
  • b. In aanvulling op het bepaalde onder a zijn de volgende werken en werkzaamheden ook toegestaan:
    • 1. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer, gebruik en onderhoud.

Artikel 33 Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - vergunningplicht

33.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten in een archeologisch waardevol gebied ter plaatse van de locatie 'Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - vergunningplicht'.
  • b. Onder aanlegactiviteiten als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. grondwerkzaamheden dieper dan 0,5 meter en met een oppervlakte groter dan 2.500 m2, waartoe worden gerekend:
      • ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het (ver)graven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
    • 2. verlagen van het waterpeil;
    • 3. aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
    • 4. aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
    • 5. werken met opsporingsapparatuur;
  • c. Onder aanlegactiviteiten als bedoeld in dit artikel wordt niet verstaan:
    • 1. het uitvoeren van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen;
    • 2. het uitvoeren van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
33.2 Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning aanlegactiviteiten uit te voeren.

33.3 Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 33.2 wordt alleen verleend als:

  • a. op basis van een aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie:
    • 1. geen archeologische waarden (meer aanwezig) zijn; of
    • 2. dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.
33.4 Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - specifieke aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 33.2 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een archeologisch onderzoek.
33.5 Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - inwinnen advies

Voordat door het college wordt besloten over de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 33.2 van dit TAM-omgevingsplan, wint het college schriftelijk advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteiten de belangen, in verband met het archeologisch waardevol gebied, niet onevenredig worden geschaad en welke voorschriften dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

33.6 Aanlegactiviteiten in archeologisch waardevol gebied - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 33.2 van dit TAM-omgevingsplan kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 34 Aanlegactiviteiten in belemmeringengebied buisleiding - vergunningplicht

34.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels van dit artikel zijn van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten in een belemmeringengebied buisleiding ter plaatse van de locatie 'Aanlegactiviteiten in belemmeringengebied buisleiding - vergunningplicht'.
  • b. Onder aanlegactiviteiten in het belemmeringengebied buisleiding als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. het aanbrengen van hoogopgaande en/of diepwortelende beplanting;
    • 2. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
    • 3. het verrichten van grondroeractiviteiten (zoals het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage) anders dan normaal spit- en ploegwerk;
    • 4. diepploegen;
    • 5. het aanbrengen van gesloten verhardingen;
    • 6. het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen;
    • 7. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen;
    • 8. het plaatsen van onroerende objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair;
    • 9. het indrijven van voorwerpen in de bodem.
34.2 Aanlegactiviteiten in belemmeringengebied buisleiding - vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning aanlegactiviteiten in de belemmeringengebied buisleiding uit te voeren.

34.3 Aanlegactiviteiten in belemmeringengebied buisleiding - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 34.2 wordt alleen verleend als:

  • a. de belangen van de buisleiding niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.
34.4 Aanlegactiviteiten in belemmeringenzone buisleiding - inwinnen advies

Voordat door het college wordt besloten over de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 34.2, wint het college schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteiten de belangen in verband met de leiding niet onevenredig worden geschaad en welke voorschriften dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

34.5 Aanlegactiviteiten in belemmeringenzone buisleiding - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 34.2 kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 35 Aanlegactiviteiten in beperkingengebied ondergrondse hoogspanningsverbinding - vergunningplicht

35.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels van dit artikel zijn van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten in een beperkingengebied ondergrondse hoogspanningsverbinding ter plaatse van de locatie 'Aanlegactiviteiten in beperkingengebied ondergrondse hoogspanningsverbinding - vergunningplicht'.
  • b. Onder aanlegactiviteiten in het beperkingengebied ondergrondse hoogspanningsverbinding als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
    • 2. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
    • 3. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en aanleggen van drainage;
    • 4. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van watergangen;
    • 5. het aanbrengen van oppervlakteverharding;
    • 6. het aanleggen van zonnepanelen, en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
    • 7. het opslaan van goederen, (brandbare)stoffen en/of materialen;
    • 8. het aanleggen van kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
    • 9. het aanbrengen of rooien van diepwortelende beplanting.
35.2 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op:

  • a. het behouden en het creëren van ruimte voor bestaande en toekomstige activiteiten van de landelijk netbeheerder;
  • b. bescherming van de ondergrondse hoogspanningsverbinding tegen activiteiten in de nabijheid daarvan;
  • c. waarborgen van de omgevingskwaliteit in de nabijheid van de ondergrondse hoogspanningsverbinding.
35.3 Aanlegactiviteiten in beperkingengebied ondergrondse hoogspanningsverbinding - vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning aanlegactiviteiten uit te voeren.

35.4 Aanlegactiviteiten in beperkingengebied ondergrondse hoogspanningsverbinding - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 35.3 van dit TAM-omgevingsplan wordt alleen verleend als:

  • a. de activiteit geen onevenredige negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de ondergrondse hoogspanningsverbinding;
  • b. de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de ondergrondse hoogspanningsverbinding.
35.5 Aanlegactiviteiten in beperkingengebied ondergrondse hoogspanningsverbinding - inwinnen advies

Voordat door het college wordt besloten over de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 35.3 van dit TAM-omgevingsplan wint het college schriftelijk advies in bij de netbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteit de belangen, in verband met de ondergrondse hoogspanningsverbinding, niet onevenredig worden geschaad.

Artikel 36 Aanlegactiviteiten in rivierenlandschap - vergunningplicht

36.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels van dit artikel zijn van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten in rivierenlandschap ter plaatse van de locatie 'Aanlegactiviteiten in rivierenlandschap - vergunningplicht'.
  • b. Onder aanlegactiviteiten in rivierenlandschap als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. ontginnen, ophogen, afgraven, bodemverhogen, egaliseren;
    • 2. het uitvoeren van grondwerkzaamheden dieper dan 50 cm bij wijze van woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en afgraven dan wel ten behoeve van ontginningen;
    • 3. aanbrengen opgaande beplanting;
    • 4. verwijderen opgaande beplanting, vellen/rooien houtopstanden;
    • 5. aanleg verharde wandel- of fietspaden en overige verhardingen > 50 m²
    • 6. aanbrengen van boven- of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verbandhoudende constructies, installaties of apparatuur;
  • c. Onder aanlegactiviteiten in rivierenlandschap als bedoeld in dit artikel wordt niet verstaan:
    • 1. dempen, graven, afdammen, vergroten of herprofileren van sloten of ander oppervlaktewater;
    • 2. aanbrengen van erfbeplanting;
    • 3. aanleggen van kavelpaden;
    • 4. aanleggen van drainage;
    • 5. aanleggen van nutsvoorzieningen;
    • 6. aanlegactiviteiten die worden uitgevoerd ter ontwikeling van landschaps- en natuurwaarden.
36.2 Aanlegactiviteiten in rivierenlandschap - vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning aanlegactiviteiten in rivierenlandschap uit te voeren.

36.3 Aanlegactiviteiten in rivierenlandschap - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 36.2 wordt alleen verleend als wordt aangetoond dat de betrokken waarden niet onevenredig worden geschaad, gelet op:

  • a. het belang dat met de ingreep is gediend;
  • b. de belangen van landschap, natuur en cultuurhistorie die tot uitdrukking zijn gebracht;
  • c. het waterhuishoudkundig belang (kwantitatief en kwalitatief), met het oog op de waterhuishoudkundige doelstellingen.

Hoofdstuk 7 Overige activiteiten

Artikel 37 Parkeren

37.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op bouwactiviteiten waarbij een parkeerbehoefte wordt verwacht gelet op het beoogde gebruik van dat bouwwerk ter plaatse van de locatie 'Regels voor parkeren'.

37.2 Parkeren - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan wordt alleen verleend als:

  • a. bij de aanvraag wordt aangetoond dat op het bouwwerk dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk hoort, wordt voorzien in de te verwachten behoefte aan ruimte voor het parkeren voor of het stallen van auto's, motorfietsen, fietsen of andere voertuigen, zoals vastgelegd in de ''Parkeernormennota Ommen''; of
  • b. aangetoond wordt dat het voldoen aan de regels onder a op overwegende bezwaren stuit of op andere redelijke wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien.
  • c. bij toepassing van het bepaalde onder a mag de parkeerruimte niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer;
  • d. bij toepassing van het bepaalde onder a moet de bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's de afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare auto's. Aan deze eis wordt voldaan door vast te houden aan de richtlijnen en maatvoering conform de ''Parkeernormennota Ommen'' of door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s).
37.3 Parkeren - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan kunnen voorschriften worden verbonden, in ieder geval over:

  • a. de instandhouding van parkeergelegenheid.

Artikel 38 Laden en lossen

38.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op bouwactiviteiten waarbij een ruimte voor laden of lossen wordt verwacht gelet op het beoogde gebruik van dat bouwwerk ter plaatse van de locatie 'Regels voor laden en lossen'.

38.2 Laden en lossen - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan wordt alleen verleend als:

  • a. bij de aanvraag aangetoond wordt dat op het bouwwerk dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk hoort, wordt voorzien in de te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen; of
  • b. aangetoond wordt dat het voldoen aan de regels onder a op overwegende bezwaren stuit of op andere wijze in de nodige laad-en losruimte wordt voorzien.
38.3 Laden en lossen - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan kunnen voorschriften worden verbonden, in ieder geval over:

  • a. de instandhouding van laad- en losruimte.

Hoofdstuk 8 Overgangs- en slotregels

Artikel 39 Overgangsrecht

39.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing ter plaatse van de locatie 'Overgangsrecht'.

39.2 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
39.3 Overgangsrecht gebruik
  • 1. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
  • 5. Het overgangsrecht voor gebruik zoals bedoeld in artikel 39.3 van dit TAM-omgevingsplan, heeft een geldingstermijn van 10 jaar vanaf de dag van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.