direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Glastuinbouwgebied Koekoekspolder 2014
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0166.00991062-VB02

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In de Koekoekspolder is al sinds 1900 tuinbouw aanwezig. In 1981 werd de polder voor het eerst aangewezen als concentratiegebied voor de glastuinbouw. Onder verschillende termen (projectvestigingslocatie, landbouwontwikkelingsgebied) staat deze ambitie nog steeds overeind. Vanaf 2002 heeft de Koekoekspolder gebruik kunnen maken van de Stimuleringsregeling inrichting duurzame glastuinbouwlocaties (Stidug) die beschikbaar is gesteld voor de ontwikkeling van 10 duurzame glastuinbouwlocaties in Nederland. Doel van de Stidug is om - met het oog op de noodzakelijke herstructurering van de bestaande glastuinbouwgebieden in het westen van het land - voldoende hervestigingslocaties voor de glastuinbouw te realiseren.

Het geldende bestemmingsplan voor de Koekoekspolder is vastgesteld in 1982. Dit plan is ouder dan 10 jaar en op basis van de Wet ruimtelijke ordening aan herziening toe. In de loop der jaren zijn voor het geldende plan een groot aantal vrijstellingen en herzieningen gevoerd. Het plan is daardoor niet meer actueel. Bovendien doet het plan geen recht meer aan de moderne bedrijfsvoering in de glastuinbouw én aan het huidige beleid van de gemeente.

1.2 Uitgangspunten en doel

Het geldende bestemmingsplan dateert uit 1982 en biedt al volop ruimte voor glastuinbouw. Voorliggende nieuwe bestemmingsplan speelt in op de huidige eisen van moderne glastuinbouw en geeft - conform de aanwijzing in 2001 als landbouwontwikkelingsgebied voor de glastuinbouw - ruimte voor een optimale invulling als glastuinbouwgebied. Daarbij houdt het plan waar mogelijk rekening met de ligging in het Nationaal Landschap IJsseldelta en de waardevolle kenmerken van dit landschap.

De oppervlakte van het plangebied van dit bestemmingsplan is circa 450 hectare. Momenteel is hiervan circa 110 hectare daadwerkelijk ingevuld met kassen voor de glastuinbouw. Het bestemmingsplan biedt ruimte voor het vergroten van dit oppervlak glastuinbouw tot circa 225 ha. Daarnaast bestaat ruimte voor de ontwikkeling van tuinbouwgerelateerde bedrijvigheid. Dit betreft een oppervlakte van circa 10 hectare. De overige ruimte wordt in beslag genomen door de aanwezige infrastructuur, waterberging, het volkstuinencomplex en groen.

Het bestemmingsplan legt de actuele vergunde situatie vast. Alle in het verleden verleende vrijstellingen, vergunningen en bestemmingsplanherzieningen zijn in dit bestemmingsplan meegenomen. Ook de feitelijke situatie is geïnventariseerd waarbij afwijkingen ten opzichte van het geldende bestemmingsplan, voorzover deze ruimtelijk aanvaardbaar zijn, zijn meegenomen.

Omdat de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt mogelijk negatieve effecten kunnen hebben op nabijgelegen Natura 2000-gebieden (onder andere uiterwaarden IJssel), is naast het bestemmingsplan een milieueffectrapport (MER) opgesteld. Daarbij is ook een passende beoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 uitgevoerd.

1.2.1 Nota van Uitgangspunten

De eerste stap in het bestemmingsplanproces is in 2011 gezet met het opstellen van de 'Nota van Uitgangspunten bestemmingsplan Koekoekspolder'. In deze nota zijn de keuzes met betrekking tot de inhoud van het bestemmingsplan op hoofdlijnen vastgelegd.

Belangrijke input voor de Nota van uitgangspunten is geleverd door twee klankbordgroepen van bewoners en ondernemers uit de Koekoekspolder. Dit om te borgen dat het bestemmingsplan een actueel en breed gedragen plan is.

1.3 Bij dit plan behorende stukken

Het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Koekoekspolder 2014' bestaat uit de volgende stukken:

  • I. deze toelichting;
  • II. de planregels;
  • III. de verbeelding met nummer NL.IMRO.0166.00991062-VB02.

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de gronden en opstallen aangegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van deze toelichting, waarin de aan het plan ten grondslag liggende beleid, onderzoeken en een planbeschrijving zijn opgenomen. Het milieueffectrapport maakt onderdeel uit van de plantoelichting.

1.4 Ligging van het plangebied

De ligging van het plangebied van dit bestemmingsplan Koekoekspolder is weergegeven in figuur 1.1. De polder ligt ten noordoosten van IJsselmuiden en in de noordwesthoek van de Mastenbroekerpolder. Binnen deze polder is de Koekoekspolder een aparte eenheid, ontstaan als droogmakerij. Ten noorden van het plangebied ligt de Kamperzeedijk met daarachter het Ganzendiep en het Kampereiland. Aan de oostzijde van het plangebied ligt de Dijkersteegkade met daarachter de Bisschopswetering en het open gebied van de Mastenbroekerpolder. Aan de westzijde bevindt zich de bebouwing van IJsselmuiden en Grafhorst.

afbeelding "i_NL.IMRO.0166.00991062-VB02_0001.jpg"

Figuur 1.1: begrenzing plangebied op luchtfoto

1.5 Geldende bestemmingsplannen

Voor het plangebied zijn op dit moment ruim 40 bestemmingsplannen en wijzigingsplannen van toepassing. Voor het gehele plangebied geldt op dit moment het bestemmingsplan De Koekoek dat in 1982 door de raad is vastgesteld. Op perceelsniveau is dit plan inmiddels 44 keer gewijzigd, vooral ten behoeve van de vestiging van nieuwe (glas)tuinbouwbedrijven. Al deze geldende plannen binnen het plangebied vervallen bij de inwerkingtreding van het voorliggende bestemmingsplan.

1.6 Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende hoofdstukken:

  • de relevante beleidskaders worden beschreven in hoofdstuk 2;
  • hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het plangebied. De historische ontwikkeling, de belangrijkste karakteristieken en de bestaande ruimtelijke situatie staan daarbij centraal;
  • de uitvoerbaarheidaspecten die gerelateerd zijn aan de gewenste ontwikkelingen komen aan bod in hoofdstuk 4;
  • de juridische planopzet wordt behandeld in hoofdstuk 5. Hierin worden de gewenste planologische mogelijkheden en ontwikkelingen vertaald in een juridisch-planologische regeling. Hiermee vormt dit hoofdstuk een toelichting op de planregels.
  • tot slot komt in hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan aan bod.

Hoofdstuk 2 Beleidskaders

In dit hoofdstuk wordt het beleid samengevat dat relevant is voor de Koekoekspolder. Daarbij gaat het om beleid op Europees, nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau.

2.1 Europees en rijksbeleid

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de volgende documenten: PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta.

In de SVIR schetst het rijk hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer dan voorheen aan provincies en gemeenten overgelaten. Zo bevat het SVIR geen beleid meer met betrekking tot het landschap en de landbouwontwikkelingsgebieden (waaronder het concentratiegebied voor de glastuinbouw De Koekoekspolder). Het rijk richt zich uitsluitend op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het rijk in de SVIR drie nationale doelen geformuleerd:

  • de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat;
  • de bereikbaarheid verbeteren;
  • zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

De provincies en gemeenten krijgen in het SVIR meer bevoegdheden, bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van de groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het rijk beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren.

2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) regelt de juridische doorwerking van nationale belangen op ruimtelijk gebied in de gemeentelijke bestemmingsplannen. In het Barro zijn op dit moment de volgende onderwerpen geregeld:

  • het Project Mainportontwikkeling Rotterdam;
  • militaire terreinen en -objecten;
  • de Wadden;
  • de kust (inclusief primaire kering);
  • de grote rivieren;
  • de Werelderfgoederen.
  • reserveringen uitbreidingen weg en spoor;
  • veiligheid vaarwegen;
  • het netwerk voor elektriciteitsvoorziening;
  • de buitendijkse uitbreidingsruimte in het IJsselmeer;
  • bescherming van de (overige) primaire waterkeringen;
  • reservering voor rivierverruiming Maas;
  • de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Deze onderwerpen zijn in het voorligende bestemmingsplan niet aan de orde. Het Barro c.q. het nationale ruimtelijke rijksbeleid is daarom voor dit bestemmingsplan niet relevant.

2.1.3 Europese Kaderrichtlijn Water (2000)

Duurzaam schoon oppervlaktewater en bescherming van het drinkwater voor de toekomst is belangrijk in Europa. De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is op 22 december 2000 in werking getreden en vraagt aan alle lidstaten om resultaten te boeken met het schoonhouden en schoonmaken van het water in stad en land (chemisch kwaliteitsdoel) en het beschermen en ontwikkelen van natuur (ecologisch kwaliteitsdoel). De afspraken moeten er voor zorgen dat iedere lidstaat ervoor zorgt dat de kwaliteit van het oppervlaktewater en het grondwater in 2015 op orde is. Uitgangspunt is een indeling in stroomgebieden. De gemeente Kampen valt onder het deelstroomgebied Rijn-Oost. In 2009 is het stroomgebiedbeheerplan vastgesteld, waarin de doelen, maatregelen en kosten zijn beschreven om aan het gewenste kwaliteitsniveau voor water te voldoen.

Het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Koekoekspolder 2014' bevat geen ontwikkelingen die afbreuk doen aan deze doelen. Een nadere omschrijving van het aspect water is terug te vinden in paragraaf 3.6.

2.1.4 Natura 2000-gebieden (2003)

Nederland kent 162 Natura 2000-gebieden. Dit Natura 2000 netwerk bestaat uit natuurgebieden die in het verleden zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en/of aangemeld onder de Habitatrichtlijn. De gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben en worden in Nederland beschermd op grond van de Natuurbeschermingswet.

Voor alle Natura 2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd. Als een activiteit mogelijk negatieve effecten heeft op deze doelstellingen, is op grond van de Natuurbeschermingswet hiervoor een vergunning nodig. Een vergunning kan ook nodig zijn voor activiteiten die buiten het beschermde Natura 2000- gebied liggen, maar wel mogelijk van invloed zijn op de instandhoudingsdoelstellingen binnen het gebied (de externe werking).

De Koekoekspolder ligt in de nabijheid van het Natura 2000-gebied Uiterwaarden IJssel. Op grotere afstand liggen de Natura 2000-gebieden Veluwerandmeer, het Zwarte Meer en het Ketelmeer & Vossemeer. Om de effecten van de ontwikkelingen die in het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt te kunnen beoordelen is een passende beoordeling opgesteld. De passende beoordeling maakt onderdeel uit van het planMER, in hoofdstuk 3 wordt hier nader op ingegaan.

2.1.5 Activiteitenbesluit

Op 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit in werking getreden. Met dit besluit zijn diverse agrarische besluiten onder het Activiteitenbesluit gebracht, zoals het Besluit glastuinbouw en Besluit landbouw. Het Activiteitenbesluit bevat voorschriften voor glastuinbouw, open teelt (bijvoorbeeld vollegronds tuinbouwbedrijf), bedekte teelt (bijvoorbeeld witlofkwekerij) en veehouderijen.

Voor glastuinbouwbedrijven gelden eisen ten aanzien van energie (met name ten aanzien van energiebesparing), geluidsniveau (onder meer ten aanzien van laden en lossen), assimilatiebelichting, het lozen van afvalwater en bodem. Voor zowel open als bedekte teelt gelden eisen ten aanzien van bodem, lozen van afvalwater, geur, geluid en energie. Voor veehouderijen gelden eisen ten aanzien van energie, geluid, ammoniak, geur, agrarische lozingen en bodem.

2.2 Provinciaal en regionaal beleid

2.2.1 Omgevingsvisie Overijssel (2009)

Het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving van Overijssel is aangegeven in de Omgevingsvisie Overijssel. Deze is vastgesteld in 2009. In 2013 is de visie gedeeltelijk herzien.

In de Omgevingsvisie Overijssel schetst de provincie haar visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie. Het vizier is daarbij gericht op 2030. De provincie geeft aan welke ambities en doelstellingen van provinciaal belang zijn en hoe de provincie deze wil realiseren.

Koekoekspolder

Duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit vormen de rode draad bij de beleidskeuzes en de ontwikkelingsvisie. Deze worden in de Omgevingsvisie vertaald in beleidsambities en kwaliteitsambities. De Koekoekspolder staat omschreven als een ontwikkelingsgebied voor glastuinbouw waar aandacht is voor waterbeheer, landschap, ruimtelijke kwaliteit en duurzame energie. Voor de ontwikkeling van een toekomstgericht glastuinbouwcluster in de Koekoekspolder is het behoud van een kritische massa van de glastuinbouw in de regio belangrijk. In de Koekoekspolder is die kritische massa aanwezig. Buiten bestaande glastuinbouwlocaties, waaronder de Koekoekspolder, zijn er geen mogelijkheden voor de nieuwe vestiging van glastuinbouwbedrijven.

Voortvloeiend uit de aanwijzing als concentratiegebied voor de glastuinbouw is de vestiging van nieuwe agrarische bouwpercelen in de Koekoekspolder mogelijk. Nieuwvestiging is mogelijk zonder de voorwaarde van saldering (waarbij de vestiging van een nieuw agrarisch bedrijf uitsluitend mogelijk is als elders een agrarisch bedrijf beëindigd wordt).

Uitvoeringsmodel - lagenbenadering

Om de provinciale ambities te bereiken wordt gebruik gemaakt van het uitvoeringsmodel. Deze is weergegeven in onderstaande figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0166.00991062-VB02_0002.jpg"

Figuur 2.1: uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Het uitvoeringsmodel is gebaseerd op de sturingsfilosofie van vitale coalities: met partners een gezamenlijke visie of doel delen en dan ieder in eigen verantwoordelijkheidssfeer in actie komen. Alle uitvoeringsacties zijn te plaatsen in de samenhang van (1) Generieke beleidskeuzes, (2) Ontwikkelings- en beleidsperspectieven en (3) Gebiedskenmerken. De omschreven drie niveaus sturen op basis van een inhoudelijke ontwikkelingsvisie, of, waar en hoe een ruimtelijke ontwikkeling gerealiseerd kan worden:

  • 1. Generieke beleidskeuzes vloeien voort uit keuzes van EU, rijk of provincie. Het zijn keuzes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. Er wordt onder andere gebruik gemaakt van de SER-ladder. Deze komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaande bebouwing en herstructurering worden benut, voordat er uitbreiding kan plaatsvinden. Dit is het geval bij de ontwikkeling in de Koekoekspolder. Het gaat om een bestaand glastuinbouwgebied dat geïntensiveerd wordt.
  • 2. De beleidsambities van de provincie voor dit gebied zijn verwoord in de ontwikkelingsperspectieven. Voor de Koekoekspolder geldt het ontwikkelingsperspectief 'buitengebied accent productie (schoonheid van de moderne landbouw)' en 'glastuinbouw: Koekoekspolder', zie onderstaande figuur. Ook valt het in het Nationaal Landschap IJsseldelta. Binnen dit Nationaal Landschap staat behoud door ontwikkeling centraal. De voortgaande ontwikkeling van het plangebied als glastuinbouwgebied waarbij rekening wordt gehouden met de landschappelijke waarden past bij deze ontwikkelingsperspectieven (zie ook paragraaf 2.2.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.0166.00991062-VB02_0003.jpg"

Figuur 2.2: ontwikkelingsperspectief voor Koekoekspolder

  • 3. Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied kent volgens de Gebiedskenmerkencatalogus de volgende gebiedskenmerken:
  • a. natuurlijke laag: het plangebied maakt deel uit van de 'laagveengebieden in cultuur gebracht'. Het provinciale beleid is gericht op het behoud van het veenpakket met een waterpeil dat niet lager is dan voor graslandgebruik noodzakelijk. De ontwikkeling als glastuinbouwgebied doet geen afbreuk aan het veenpakket en heeft geen invloed op het waterpeil;
  • b. laag van het agrarisch cultuurlandschap: het plangebied valt landschappelijk gezien binnen de laagveenontginningen. Het provinciale beleid is gericht op het zoveel mogelijk behouden van de aanwezige linten als karakteristieke bebouwingsstructuur. Dit is het geval bij de Koekoekspolder (zie verder 3.4);
  • c. stedelijke laag: het plangebied wordt nauwelijks aangeduid in de stedelijke laag. Alleen rondom het zuidelijke deel van de Oudendijk bevindt zich het gebiedskenmerk "bebouwing: bedrijventerrein 1955-nu". Binnen het plangebied Koekoekspolder liggen echter geen bedrijven, anders dan agrarische en glastuinbouwbedrijven. De stedelijke laag wordt daarom als niet van toepassing geacht;
  • d. lust- en leisurelaag: langs de noordelijke grens lopen een fietsroute (Zuiderzeeroute) en wandelroute (Zuiderzeepad). De ambities ten aanzien van glastuinbouw in de Koekoekspolder vormen voor deze laag geen belemmering.

Conclusie voor het plangebied

De ontwikkeling van de Koekoekspolder als glastuinbouwgebied past binnen de Omgevingsvisie Overijssel. Het plan is in overeenstemming met de drie niveaus van het uitvoeringsmodel, (1) Generieke beleidskeuzes, (2) Ontwikkelings- en beleidsperspectieven en (3) Gebiedskenmerken.

2.2.2 Omgevingsverordening (2009)

Het uitvoeringsinstrument dat aan de Omgevingsvisie is gekoppeld is de Omgevingsverordening Overijssel 2009. De regels in deze verordening moeten doorwerking krijgen in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De Koekoekspolder is in de verordening is specifiek aangeduid als ontwikkelingsgebied voor glastuinbouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.0166.00991062-VB02_0004.jpg"

Figuur 2.3: Fragment kaart Omgevingsverordening Overijssel

Daarnaast ligt de Koekoekspolder in het Nationaal landschap IJsseldelta. Voor dit waardevolle landschap is een ontwikkelingsperspectief opgesteld dat onderdeel vormt van de provinciale verordening.

2.2.3 Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap IJsseldelta

Om de aanwezige landschappen te behouden en te 'ontwikkelen met kwaliteit', heeft het rijk in 2004 in de Nota Ruimte twintig landschappen in Nederland aangewezen als Nationaal Landschap. Doel van deze aanwijzing is dat de kwaliteit van het landschap in deze gebieden wordt behouden en versterkt. Met de inwerkingtreding van het SVIR in 2012 is de verantwoordelijkheid voor het beleid van de nationale landschappen overgedragen aan de provincies.

De Koekoekspolder valt binnen de begrenzing van het Nationaal Landschap IJsseldelta. De IJsseldelta heeft deze status te danken aan enkele specifieke landschappelijke kenmerken, de zogenaamde kernkwaliteiten. Dit zijn (volgens de Nota Ruimte):

  • de grote mate van openheid;
  • de oudste rationele, geometrische verkaveling (Polder Mastenbroek);
  • het reliëf in de vorm van huisterpen en kreekruggen.

Voor het nationale landschap is in 2009 een ontwikkelingsperspectief en een uitvoeringsprogramma vastgesteld. De ontwikkelingslijn voor de Koekoekspolder is hierin als volgt omschreven:

  • 1. vestiging van glastuinbouw in de Koekoekspolder overeenkomstig het provinciale beleid en behoud van de kernkwaliteiten van de Mastenbroekerpolder;
  • 2. het tegengaan van lichthinder door de tuinbouwsector;
  • 3. de ontwikkelingsruimte voor de glastuinbouw wordt gevonden binnen De Koekoekspolder zelf;
  • 4. in de overgangszone Koekoekspolder - Mastenbroekerpolder (deze zone ligt buiten het plangebied van dit bestemmingsplan) komt geen uitbreiding van glastuinbouw. Deze overgangszone (circa 100 ha) krijgt een groen karakter, gericht op een goede inpassing in Nationaal Landschap IJsseldelta. Daarin kan tuinbouwgerelateerde bedrijvigheid wel een plek krijgen, evenals waterberging;
  • 5. in het ontwikkelingsperspectief wordt nadrukkelijk de aandacht gevestigd op duurzame energie.
2.2.4 Waterbeheerplan 2010-2015

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Groot Salland, Reest en Wieden, Regge en Dinkel, Rijn en IJssel en Velt en Vecht. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Dit heeft geresulteerd in waterbeheersplannen die op een groot aantal punten overeenkomen. De hoofdthema's zijn: het waarborgen van veiligheid, het watersysteembeheer en het ontwikkelen van de afvalwaterketen. Ook zijn in de waterbeheersplannen de maatregelen voor het uitvoeren van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en Waterbeheer 21e eeuw opgenomen. De waterschappen hebben voor het uitvoeren van de KRW-maatregelen een resultaatsverplichting. De plannen omvatten daarnaast een uitvoeringsprogramma op hoofdlijnen voor de periode tot en met 2015. De waterschappen willen de plannen verder vormgeven en uitvoeren in dialoog en in samenwerking met alle betrokken partijen. De Koekoekspolder en de omgeving daarvan liggen in het beheersgebied van het waterschap Groot Salland.

2.3 Gemeentelijk beleid

2.3.1 Structuurvisie Kampen 2030 (2009)

Op 28 mei 2009 is de Structuurvisie 2030 Kampen vastgesteld door de gemeenteraad. In de visie wordt aangegeven hoe de gemeente verwacht het ruimtelijk beleid te gaan uitvoeren in de komende jaren. De structuurvisie is een richtinggevend document.

De Structuurvisie Kampen spreekt zich uit over de ruimtelijke ontwikkeling van de gehele gemeente. Naast de huidige waarden en beschrijving van knelpunten voor de stad en de omringende landschappen, komen ook gewenste ontwikkelingen en toekomstige kwaliteiten aan bod.

De structuurvisie geeft aan dat landbouw in de economie van Kampen, IJsselmuiden en omgeving een belangrijke rol speelt en dat ook wordt ingezet om dit te versterken. Een belangrijk middel hiervoor is de doorontwikkeling van het glastuinbouwgebied Koekoekspolder. Dit overloopterrein voor glastuinbouw uit de Randstad moet (planologisch gezien) in 2016 geheel ontwikkeld kunnen worden met kassen. In de Structuurvisie worden een aantal pijlers genoemd waaraan in de Koekoek aandacht besteed moet worden zoals: versterking landschappelijke kwaliteit, duurzame energievoorziening en waterberging.

Op de kaart van de Structuurvisie Kampen 2030 (zie figuur 2.2) is de Koekoekspolder aangegeven als glastuinbouwontwikkelingsgebied. De groene lijnen duiden op de gewenste 'bomencarré' rond/door het glastuinbouwgebied. Nader onderzoek heeft echter aangetoond dat dit zeer moeilijk is te realiseren door de ligging van kabels en leidingen. De 'zon' in figuur 2.2 geeft aan dat moet worden ingezet op duurzame energievoorziening.

afbeelding "i_NL.IMRO.0166.00991062-VB02_0005.jpg"

Figuur 2.4: Fragment kaart Structuurvisie Kampen 2030

De Structuurvisie geeft aan dat gezocht moet worden naar een nieuwe ontsluiting van het glastuinbouwgebied. In het kader van de gebiedsvisie dorpsrand IJsselmuiden - Koekoek zijn hiertoe verschillende varianten onderzocht. Uit onderzoek bleek dat met de herinrichting van de Veilingweg een toekomstvaste, verkeersveilige en landschappelijk goed ingepaste ontsluiting kon worden gerealiseerd. De gemeenteraad heeft daarom in 2011 besloten geen rondweg door de polder Mastenbroek aan te leggen, maar over te gaan tot herinrichting van de Veilingweg. Deze herinrichting is inmiddels afgerond.

2.3.2 Ondernemingsplan doorontwikkeling Koekoekspolder

Na de aanwijzing als Landbouwontwikkelingsgebied voor de glastuinbouw in 2001 en het verkrijgen van subsidie vanuit Stidug (stimuleringsregeling inrichting duurzame glastuinbouwgebieden) heeft de Ontwikkelingsmaatschappij Koekoekspolder (OMK) zich ingezet om nieuwe tuinders binnen te halen en bestaande tuinders te faciliteren in hun groei. Naast de gemeente Kampen maakten de LTO-Noord en de Grontmij deel uit van de OMK.

Rond 2006 stagneert de groei van het aantal glastuinbouwbedrijven door knelpunten in de energievoorziening als gevolg van de snelle opkomst van WKK installaties bij de tuinders. Deze stagnatie veroorzaakt het einde van de OMK.

In 2009 heeft het bureau Rijnconsult in opdracht van de gemeente onderzoek gedaan naar het toekomstperspectief van de glastuinbouw in de Koekoekspolder. Rijnconsult concludeert dat er toekomst is voor glastuinbouw in de Koekoekspolder, mits de energiefaciliteiten (terugleverfaciliteiten WKK en realiseren aardwarmtebronnen) en infrastructuur op orde worden gebracht en er gerichte acquisitie plaatsvindt. Als pré voor de verdere ontwikkeling van glastuinbouw noemt Rijnconsult de ontwikkeling van meer agrospecifieke bedrijvigheid in (de nabijheid van) de Koekoekspolder.

Op basis van het onderzoek van Rijnconsult stelt de gemeenteraad in november 2009 een nieuw 'Ondernemingsplan doorontwikkeling Koekoekspolder' vast. Het eindbeeld in dit ondernemingsplan is een duurzaam en modern glastuinbouwgebied. Uitgangspunt voor het ondernemingsplan zijn onder meer de subsidieafspraken met het rijk en de provincie Overijssel. Het plan gaat uit van de uitgifte van 99 ha glastuinbouw en 9 ha agrogerelateerd bedrijventerrein.

In de afgelopen jaren is uitvoering gegeven aan het rapport van Rijnconsult en het nieuwe ondernemingsplan. De energievoorziening in de Koekoek is sterk verbeterd door de aanleg van een nieuw hoogspanningsstation voor de elektriciteitsvoorziening (Hagedoornweg 2) en de eerste aardwarmtebron (Hartogsweg 4). De aanleg van een 2e aardwarmtebron zal waarschijnlijk op korte termijn plaatsvinden. Ook de infrastructuur is verbeterd door de opwaardering van de Veilingweg. Door de herinrichting van de weg is een goede ontsluiting ontstaan voor de bedrijven in de Koekoekspolder.

2.3.3 Landschapsontwikkelingsplan

Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) is op 25 november 2010 vastgesteld door de gemeenteraad. Het LOP is gericht op behoud en versterking van de kenmerkende gebiedswaarden in de verschillende IJsseldeltalandschappen. Uitgangspunt hierbij is de doorontwikkeling van de beeldstructuur in vlakken (polders), lijnen (dijken en wateren) en punten (kernen, woon- en werkgebieden, infrastructuur). Zwakke plekken moeten weer worden verstevigd en samenhang in verscheidenheid aangebracht door middel van beheer, herstel en nieuwe aanleg van landschapselementen.

De ontwikkelingslijn voor de Koekoekspolder is als volgt omschreven:

  • vestiging van glastuinbouw in de Koekoekspolder overeenkomstig de Omgevingsvisie Overijssel en behoud van de kernkwaliteiten van de Mastenbroekerpolder;
  • het tegengaan van lichthinder door de tuinbouwsector;
  • de ontwikkelingsruimte voor de glastuinbouw wordt gevonden binnen De Koekoekspolder zelf;
  • in de overgangszone Koekoekspolder - Mastenbroekerpolder komt geen uitbreiding van glastuinbouw. Deze overgangszone krijgt een groen karakter, gericht op een goede inpassing in Nationaal Landschap IJsseldelta. Daarin kan tuinbouwgerelateerde bedrijvigheid wel een plek krijgen, evenals waterberging;
  • in het Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap IJsseldelta wordt nadrukkelijk de aandacht gevestigd op duurzame energie.

In dit bestemmingsplan wordt, voor zover dit plan hiervoor het juiste instrument is, tegemoet gekomen aan deze ontwikkelingslijn. Het bestemmingsplan biedt het geschikte juridisch-planologische kader voor glastuinbouw en biedt mogelijkheden voor duurzame energie, bijvoorbeeld in de vorm van aardwarmte. Een aantal zaken van deze ontwikkelingslijn zijn niet met dit bestemmingsplan te regelen. De overgangszone met Mastenbroekerpolder ligt immers buiten het plangebied en lichthinder wordt primair via andere wetgeving (Activiteitenbesluit) gereguleerd.

2.3.4 Gebiedsvisie dorpsrand IJsselmuiden - Koekoek

Deze gebiedsvisie (vastgesteld in 2011) zoomt specifiek in op de dorpsrand van IJsselmuiden die - net als de Koekoekspolder - in het Nationaal Landschap IJsseldelta ligt. Centraal in de gebiedsvisie staan de omgevingskwaliteiten in het gebied van de dorpsrand (waarbij ook de Koekoekspolder is meegenomen) en de wijze waarop hierop bij toekomstige ontwikkelingen kan worden voortgebouwd.

Kenmerkend voor de Koekoek is de orthogonale structuur van bedrijvige linten waaraan gewoond en gewerkt wordt. Deels dichtgezet met glas, maar ook nog stukken met weides en kwekerijen. Met de ontwikkeling van de Koekoek als glastuinbouwgebied is veel aandacht nodig voor de linten als kwalitatieve, dragende structuren van de polder. De ambitie is afwisselende linten te ontwikkelen, waaraan het prettig wonen en goed werken is. Ook het realiseren van meer bergingsruimte voor het water is een belangrijke opgave in en rondom de Koekoek. De gebiedsvisie geeft als ruimtelijk kader voor de Koekoekspolder aan:

De linten, de tochten en de Oudendijk krijgen voldoende ruimte om als belangrijke ruimtelijk dragende structuren overeind te blijven. Waarschijnlijk vraagt het overeind houden van de structuren te veel ruimte binnen het glastuinbouwgebied. Dit betekent dat keuzes gemaakt moeten worden. Deze keuzes moeten op schaal van de hele polder plaatsvinden.

Paragraaf 3.4 gaat in op de vertaling van deze beleidsuitgangspunten in het bestemmingsplan.

2.3.5 Bedrijventerreinenvisie 2010 gemeente Kampen

In de 'Bedrijventerreinenvisie 2010 gemeente Kampen' is een kwantitatieve en kwalitatieve onderbouwing van de behoefte aan en programmering van de bedrijventerreinen aangegeven. Voor de periode tot 2020 geldt dat de vraag naar nieuw (droog) bedrijventerrein - na aftrek van het huidige aanbod - circa 32 tot 34 ha is. Om aan deze vraag te kunnen voldoen is in de visie onder meer de ontwikkeling van 7 ha (netto) bedrijventerrein in de Koekoekspolder voorzien, specifiek bestemd voor aan het glastuinbouwgebied gerelateerde bedrijvigheid. In het bestemmingsplan wordt deze ruimte ook geboden.

Hoofdstuk 3 Onderzoek

De resultaten van het milieuonderzoek dat is uitgevoerd ten behoeve van dit bestemmingsplan zijn weergegeven in het planMER (Milieueffectrapport) en de bijbehorende bijlagenrapporten. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de conclusies ten aanzien van de milieuaspecten die van belang zijn voor het bestemmingsplan. Uit het planMER blijkt dat de ontwikkelingen die het bestemmingsplan beoogt vanuit alle onderzochte aspecten aanvaardbaar zijn. Voor een nadere onderbouwing van de conclusie wordt verwezen naar het planMER en de bijbehorende bijlagenrapporten die integraal als bijlage 1 zijn toegevoegd.

3.1 Algemeen

Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht in combinatie met artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht het college van burgemeester en wethouders onderzoek te doen naar de relevante feiten en af te wegen belangen die bij een bestemmingsplanherziening komen kijken. In dit hoofdstuk wordt op deze aspecten ingegaan, voorzover deze voor het plangebied relevant zijn. Het gaat daarbij niet alleen om ruimtelijke zaken, maar ook om de aspecten die samenhangen met het milieu, de archeologie, ecologie, luchtkwaliteit en externe veiligheid.

3.2 Huidige situatie

De Koekoekspolder anno 2013 heeft een omvang van circa 450 hectare. De polder maakt onderdeel uit van de Mastenbroekerpolder en het Nationaal Landschap IJsseldelta. Het aangrenzende gebied ten zuiden en ten oosten van de Koekoekspolder (ook behorende tot de Mastenbroekerpolder) is een open veenweidegebied. Ten noorden van de Koekoekspolder ligt de Kamperzeedijk met daarachter de uiterwaarden van het Ganzendiep dat onderdeel uitmaakt van de Ecologische Hoofdstructuur.

De Koekoekspolder is deels ingericht met kassen, maar er zijn ook nog (onbenutte) stukken met weides. Naast glastuinbouwbedrijven met de bijbehorende bedrijfswoningen is verspreid door het gebied sprake van voormalige bedrijfswoningen en andere bedrijfstypen dan glastuinbouwbedrijven, zoals bedrijven in de witlofteelt en enkele loonbedrijven. Daarnaast zijn een aantal (planologische) burgerwoningen aanwezig. Het gebied is zeer laaggelegen en van oudsher ook zeer nat.

Het gebied kenmerkt zich door voornamelijk middelgrote tot grote glasgroentebedrijven, waarvan het totaal oppervlak aan netto glas circa 110 hectare is (peildatum janauri 2014). De teeltvormen in de glastuinbouw in het gebied zijn als volgt onder te verdelen:

  • 1. 70% groenteteelt (tomaten, paprika's, komkommer, tomaat, aardbeien, etc.), waarvan het overgrote deel onbelicht wordt geteeld);
  • 2. 30% overige teelt (sierteelt, bomenkwekerij in kassen, etc.).

Landschapsstructuur

De Koekoekspolder is van oudsher het laagst gelegen deel van de Mastenbroekerpolder. De Koekoek werd oorspronkelijk verveend waardoor er een grote plas ontstond. Later is de polder weer drooggemalen en ingericht voor landbouw. De Koekoekspolder is een landschap vol contrasten. De polder ligt op een plek waar twee verschillende landschappen elkaar raken: het polderlandschap van de Mastenbroekerpolder en het uiterwaardenlandschap van het Ganzendiep. Het uiterwaardenlandschap is kleinschalig en kenmerkt zich door kromme lijnen en kleinschalige onregelmatige blokverkaveling. Dit landschap contrasteert met het strakke grootschalige ontginningspatroon van het polderlandschap.

De ruimtelijke hoofdstructuur in de Koekoekspolder wordt gevormd door de orthogonale structuur van linten en tochten. De linten waarlangs gewoond en gewerkt wordt, zijn deels dichtgezet met glas. Een afwijkend element in de strakke polder is de Oudendijk. Deze dijk vormde oorspronkelijk de westgrens van de voormalige veenplas. De dijk vormt de oude poldergrens van de Koekoek en kenmerkt zich door het smalle profiel met flauw talud, sloten en enkelzijdige laanbeplanting met aangrenzende erven. De oorspronkelijke dijk is tussen de Tuindersweg en Hartogsweg nog aanwezig. Hier ligt over de dijk een openbare weg. Ten noorden van de Hartogsweg is het oorspronkelijke dijktrace minder herkenbaar en grotendeels in particulier bezit.

Parallel aan de structuurdragers lopen - net buiten het plangebied van dit bestemmingsplan - andere historische lijnen zoals de Trekvaart, de Ringdijk en het Schinkelpad.

Omgeving Koekoekspolder

Om de polder heen is sprake van natte laag gelegen zones welke de overgang vormen naar de hoger gelegen zandrug van IJsselmuiden, de Kamperzeedijk en de Polder Mastenbroek. Deels betreft het een grootschalig veengebied, deels een meer kleinschalig gebied waar het veen ooit afgegraven is.

Groenstructuur

Aan de zuidelijke rand en gedeeltelijk aan de oostelijke rand van de Koekoekspolder is een brede, gesloten beplantingsstrook aanwezig, in breedte variërend van circa 15 tot 20 meter. Deze beplanting vormt een duidelijke grens tussen de Mastenbroekerpolder en de Koekoekspolder en onderstreept de landschappelijke verscheidenheid van deze twee gebieden. Aan de noordzijde waar de Koekoekspolder aan de Kamperzeedijk grenst, wordt de rand gevormd door een zone met meerdere groenelementen. Deze zone vormt de overgang tussen de uiterwaarden aan de buitendijkse kant van de Kamperzeedijk en de strakke lijnen van de Koekoekspolder. In de zone langs de dijk (die buiten het plangebied van dit bestemmingsplan ligt) bevinden zich verschillende kleine beplantingselementen, kolken en natte weidevelden.

In de Koekoekspolder

Binnen de Koekoekspolder bestaat de beplanting voornamelijk uit erfbeplanting. Deze geeft het gebied een groene uitstraling. De beplanting is gevarieerd en zonder structuur wat in contrast staat met het strakke gridpatroon van wegen en waterlopen. Naast de erfbeplanting is er openbaar groen aanwezig, zoals de populierenbeplanting langs de Hartogsweg en een deel van de Parallelweg. Verder wordt de Oudendijk geleid door beplanting welke voornamelijk bestaat uit essen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0166.00991062-VB02_0006.jpg"

Figuur 3.1 beeld Koekoekspolder met beplanting op erven

3.3 Toekomstige situatie

Het bestemmingsplan biedt ruimte voor de ontwikkeling van in totaal circa 225 hectare netto glastuinbouw. Naast het bestaande oppervlak aan kassen (circa 110 ha) is er circa 115 ha beschikbaar voor de vestiging van nieuwe glastuinbouw en/of de uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven. Daarnaast bestaat ruimte voor de ontwikkeling van circa 10 hectare tuinbouwgerelateerde bedrijvigheid. Om de extra afvoer van water als gevolg van de mogelijke toename aan verhard oppervlak te compenseren is recent de benodigde uitbreiding aan waterberging in het gebied gerealiseerd.

Het oppervlak van 225 hectare netto glas is het maximum dat fysiek in de Koekoekspolder mogelijk is, rekening houdend met de andere functies en terreinen binnen een glastuinbouwbedrijf en met de ruimte die nodig is voor de andere functies (andere bedrijvigheid, wonen, wegen, waterlopen en waterberging, landschappelijke en stedebouwkundige uitgangspunten). De uitbreiding aan glastuinbouw ten opzichte van de huidige situatie is voornamelijk gericht op de teelt van vruchtgroenten zoals komkommer, tomaat en paprika en aardbeien. Echter, er wordt ook ruimte geboden aan andere typen tuinbouw, zoals vollegronds tuinbouw, champignonteelt, witlofteelt en bloemenkwekers.

Aardwarmte

Gebruik van aardwarmte is in Nederland in opmars. De Koekoekspolder heeft voor het gebruik van aardwarmte veel potentie. In samenwerking met provincie en tuinders is gewerkt aan het beschikbaar maken van aardwarmte. Momenteel is één aardwarmtebron gerealiseerd (ter hoogte van Hartogsweg 4) en bestaat zicht op de realisatie van een tweede bron. De mogelijkheid van een derde bron bevindt zich in de onderzoeksfase. Met deze initiatieven zullen tuinders een aanzienlijke hoeveelheid aan energie besparen, wat een aanmerkelijke reductie van de CO2 uitstoot oplevert. In het gebied bestaat ruimte voor maximaal 7 bronnenparen (doubletten). Per doublet kan een reductie van 8.000 ton CO2/jaar worden gerealiseerd. Op dit moment is het nog niet zeker dat de overige 5 bronnen ook gerealiseerd worden.

3.4 Landschappelijke inpassing

Uitgangspunten voor Koekoekspolder

Conform het gemeentelijke beleid geldt als uitgangspunt voor het bestemmingsplan om de landschappelijke waarden in de Koekoekspolder waar redelijkerwijs mogelijk te behouden. Redelijkerwijs omdat het volledig behouden van alle waarden op zekere gespannen voet staat met de aanwijzing van het gebied als concentratiegebied voor de glastuinbouw.

De belangrijkste landschappelijke structuurdragers in de Koekoekspolder vormen de bebouwingslinten, de tochten en de Oudendijk (zie figuur 3.2).

afbeelding "i_NL.IMRO.0166.00991062-VB02_0007.png"

Figuur 3.2: Belangrijkste structuurdragers van de Koekoekspolder

Bebouwingslinten en tochten

Het bestemmingsplan zet in op het behoud van het landschappelijke casco van bebouwingslinten en tochten. Voor het behoud van de bebouwingslinten is het gewenst dat de huidige onbebouwde (groene) erfzones van 20 meter aan weerszijden van de wegen blijven bestaan. Omdat de gebied achter deze onbebouwde zonen al voor een groot deel is ingericht met kassen heeft een uitbreiding van de onbebouwde erfzone landschappelijk weinig meerwaarde. Dit zou bovendien ten koste gaan van een relatief groot oppervlak aan kassen.

Het bestemmingsplan is gericht op behoud van het huidige bebouwingsbeeld waarin – op de meeste percelen - sprake is van een gelaagde opbouw van de bebouwing: onbebouwde erfzone - bedrijfswoningen - kassen. In de toekomst zal door de verdergaande schaalvergroting minder dan voorheen sprake zijn van (nieuwe) agrarische bedrijfswoningen en is een traditionele oriëntatie van de bebouwing ten opzichte van de weg bedrijfseconomisch niet altijd meer wenselijk. In voorkomende gevallen betekent dit dat achter de bebouwingsvrije erfzone van 20 meter direct kassen worden gebouwd.

Ook ten aanzien van de tochten is het bestemmingsplan gericht op bescherming. Daartoe zijn ze positief bestemd. Het bestemmingsplan stelt geen vergaande eisen aan de afstand tussen de tochten en (nieuwe) kassen en bedrijfsgebouwen. Met het oog op het beheer van de watergangen geldt wel een afstandseis van 5 meter (in overleg met het waterschap kan deze afstand verkleind worden tot 2,5 meter). Het aanhouden van een grotere afstandseis zou ten koste gaan van teveel grond voor de glastuinbouw.

Oudendijk

De Oudendijk kenmerkt de oude poldergrens van de Koekoekspolder en heeft daarom cultuurhistorische waarde. Tot aan de kruising met de Hartogsweg loopt over het oude dijktracé een openbare weg. Door het geven van een specifieke aanduiding aan dit deel van de dijk is de bescherming ervan gewaarborgd.

Direct ten noorden van de Hartogsweg is de Oudendijk geen openbare weg, maar fungeert de dijk als (privé) oprit naar het glastuinbouwbedrijf aan de Hartogsweg 4. Dit bedrijf wil richting het westen uitbreiden over de Oudendijk heen. Dit zou betekenen dat dit deel van de Oudendijk verdwijnt. Voor het glastuinbouwbedrijf is deze uitbreidingsrichting bedrijfseconomisch het meest wenselijk: de huidige bedrijfsopbouw en de restcapaciteit van de gerealiseerde voorzieningen voor warmte, CO2, water en aardwarmte zijn gebaseerd op een westelijke uitbreiding met circa 3 ha.

In het MER zijn met het oog op de uitbreidingswensen van het bedrijf twee varianten beoordeeld op de landschappelijke effecten: een variant met uitbreiding van het betrokken glastuinbouwbedrijf waarbij een deel van de Oudendijk verdwijnt en daarnaast een variant met handhaving van het dijkrelict. Het MER concludeert dat de effecten op de landschap- en groenstructuur bij het verdwijnen van het betreffende deel van de Oudendijk als gevolg van de uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf enigszins negatief zijn. Over de gehele Koekoekspolder bezien is de negatieve invloed echter gering. Omdat het herstel van het volledige historische tracé van de Oudendijk ten noorden van de kruising met de Hartogsweg nagenoeg onmogelijk is (de betreffende gronden zijn in particulier bezit en worden doorkruist door een bedrijf aan de Zwagersweg), is de meerwaarde van het behoud van (alleen) dit deel van de Oudendijk ook niet groot. Daar staat tegenover dat de kosten van het aankopen en herstel en de aanleg van een recreatief fietspad van het dijk trace fors zijn. Om deze redenen biedt het bestemmingsplan - conform het 'Ondernemingsplan doorontwikkeling Koekoekspolder' - de ruimte voor een westelijke uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf aan de Hartogsweg 4.

De omgeving van de Koekoekspolder

Uitgangspunt van het bestemmingsplan is ook om te zorgen voor een goede landschappelijke inpassing van het glastuinbouwgebied ten opzichte van het omringende landschap. Primair vindt deze inpassing plaats via de begrenzing van het glastuinbouwgebied c.q. het plangebied: aan de zuid- en oostzijde wordt de grens gevormd door brede bestaande groene zones. Aan de oostrand bestaat deze zone uit een strook met hakhout met daarachter de dijk en het water van de Bisschopswetering. Aan de zuidzijde bestaat de begrenzing uit een dichte singel en een bomenrij met daarachter de Hagendoornweg.

Aan de westzijde loopt het plangebied over in de dorpsrand van IJsselmuiden. Om een goede inpassing naar het kleinschalige uiterwaardenlandschap te borgen zijn op het beoogde bedrijventerrein aan de westzijde van het plangebied de buitenste kavels relatief klein en gelden bovendien eisen aan de maximale bebouwingshoogte (10 meter) en het maximale bebouwingspercentage (75%).

De zones rondom het glastuinbouwgebied maken geen deel uit van dit bestemmingsplan maar zijn opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied en het bestemmingsplan voor de dorpsrand van IJsselmuiden. De zones vormen het overgangslandschap naar de hoger gelegen zandrug van IJsselmuiden, de Kamperzeedijk en Polder Mastenbroek (zie onderstaande figuur).

afbeelding "i_NL.IMRO.0166.00991062-VB02_0008.png"

Figuur 3.3: zones rondom glastuinbouwgebied c.q. overgangslandschap

Bedrijventerrein

In het noordwestelijke deel van het plangebied ligt het beoogde bedrijventerrein voor tuinbouwgerelateerde bedrijvigheid. Het bedrijventerrein ligt aan beide zijden van de Parallelweg (zie blauwe begrenzing in onderstaande figuur).

afbeelding "i_NL.IMRO.0166.00991062-VB02_0009.jpg"

Figuur 3.4: ligging bedrijventerrein (blauwe begrenzing) binnen het totale plangebied (rode begrenzing)

De toegestane bebouwingshoogte op het bedrijventerrein sluit aan bij de bebouwingshoogte in het overige plangebied. Voor het oostelijke deel van het bedrijventerrein is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming te kunnen wijzigen naar Agrarisch - Glastuinbouw.

De landschappelijke inpassing aan de westzijde – langs het Schinkelpad – is geborgd door de kavels aan deze zijde van het terrein relatief klein te houden en eisen te stellen aan de maximale bebouwingshoogte en het maximale bebouwingspercentage (75%). Voor wat betreft de beeldkwaliteit van de bedrijfsbebouwing wordt aangesloten bij de Welstandsnota.

3.5 Milieu

Het uitgangspunt is dat met de realisering van dit bestemmingsplan een goede omgevingssituatie ontstaat. Daarom zijn in het kader van dit plan de (wettelijk) noodzakelijke omgevingstoetsen op het gebied van milieuzonering, geur, bodem, geluid, archeologie, luchtkwaliteit, externe veiligheid, water en ecologie uitgevoerd. Voor een uitgebreide onderbouwing van deze onderzoeken wordt verwezen naar het MER dat onderdeel uitmaakt van deze plantoelichting.

3.5.1 Milieuzonering

Als uitgangspunt geldt dat het bestemmingsplan niet leidt tot milieuoverlast bij milieugevoelige functies in de omgeving. Het plangebied betreft primair een concentratiegebied voor de glastuinbouw. Daarom geldt - om overlast te voorkomen - tussen (nieuwe) bedrijfswoningen en kassen en/of bedrijfsgebouwen (van omliggende bedrijven) slechts een minimale afstandseis van 10 meter. Ook in de toekomst worden glastuinbouwbedrijven zodanig gepositioneerd dat ze ten minste 10 meter vanaf de woning liggen. Het bestemmingsplan biedt geen ruimte voor nieuwe (planologische) woonbestemmingen. Dit kan immers op grond van de milieuwetgeving leiden tot beperkingen voor glastuinbouwbedrijven. Ten aanzien van milieuzonering zijn er wat betreft de tuinbouwbedrijven ook geen belemmeringen voor het plan.

Het bedrijventerrein dat in de noordwestelijke hoek van het plangebied gerealiseerd kan worden, is bestemd voor tuinbouwgerelateerde bedrijven. Hierbij gaat het om schone bedrijvigheid: bedrijven waarvoor een m.e.r.-(beoordelingsplicht) geldt zijn uitgesloten evenals vuurwerkbedrijven en bedrijven die onder het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) vallen. Vanuit het bedrijventerrein zal dan ook geen sprake zijn van overlast naar andere functies en/of beperkingen voor de glastuinbouwontwikkeling.

Wet ammoniak en veehouderij

Het plangebied ligt ruimschoots buiten de 250-meter zone van de Wet ammoniak en veehouderij. In de nabijheid van het plangebied zijn geen als “zeer kwetsbaar” aangemerkte gebieden in gevolge de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) gelegen. Het dichtst bijgelegen zeer kwetsbare gebied bevindt zich binnen de gemeente Oldebroek op een afstand van circa 5 kilometer. Daarnaast is een zeer kwetsbaar gebied gelegen in de gemeente Staphorst op een afstand van circa 8 kilometer. Gelet op deze ruime afstand zijn er vanuit de Wav geen beperkingen voor het bestemmingsplan.

3.5.2 Bodem

Het beleid ten aanzien van de bodemkwaliteit is op nationaal niveau vastgelegd in de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam bodembeheer.

Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Om deze vragen te beantwoorden is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig.

Het uitgangspunt wat betreft de bodem is dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de beoogde functie(s).

Binnen het plangebied is sprake van enkele locaties met verhoogde gehaltes. Daarnaast zijn er enkele locaties die zijn gesaneerd. Er bevinden zich echter geen grootschalige verontreinigingen in het plangebied. Voor de uitvoering van het bestemmingsplan vormt dit aspect dan ook geen belemmeringen.

3.5.3 Geluid

Als gevolg van de doorontwikkeling van glastuinbouw in de Koekoekspolder zullen de transportbewegingen in het gebied toenemen. De ontsluiting in het plangebied vindt uitsluitend plaats op bestaande wegen. In een akoestisch onderzoek is het geluideffect vanwege de verkeerstoename als gevolg van de uitbreiding van het glastuinbouwgebied onderzocht. Het onderzoek geeft inzicht in de geluidsbelasting en daarbij de toename als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

Beschouwd is of de 48 dB contour (inclusief aftrek ex art. 110g Wet geluidhinder (Wgh)) van de afzonderlijke wegen reikt tot aan de geluidgevoelige bestemmingen in de vorm van woningen. Het blijkt dat tengevolge van het wegverkeer op de Oudendijk, de Parallelweg en de Hagedoornweg de geluidbelasting op de woningen hoger is dan 48 dB inclusief aftrek ex art. 110g Wgh. Op bovengenoemde wegen is sprake van een toename in geluidemissie die meer bedraagt dan 1,5 dB. Voor de toename van de geluidsbelasting zijn geen maatregelen nodig. Als toch besloten wordt een weg te reconstrueren is nader onderzoek nodig.

3.5.4 Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. De wet is enerzijds bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

Op grond van de Wet mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de normen (grenswaarden) die aan een aantal verontreinigende stoffen zijn gesteld.

In het kader van het bestemmingsplan is onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit. Het onderzoek richt zich op de concentraties luchtverontreinigende stoffen, waarbij stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) het belangrijkste zijn. Voor een uitgebreide omschrijving van het onderzoek wordt verwezen naar het MER. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat op alle in het onderzoek opgenomen beoordelingspunten wordt voldaan aan de grenswaarden, zoals opgenomen in de Wet luchtkwaliteit. Hieruit valt te concluderen dat vanuit luchtkwaliteit geen beperkingen bestaan voor de ontwikkelingen waarvoor het bestemmingsplan de ruimte biedt.

3.5.5 Externe veiligheid

Volgens het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) dient bij het plannen van risicogevoelige objecten in de omgeving van een risicovolle inrichting en/of transportroute gevaarlijke stoffen op bindende wijze rekening gehouden worden met de mogelijke invloed van die inrichting en/of transportroute. Bij het plaatsvinden van een incident moet worden voorkomen dat binnen een zekere afstand mensen aanwezig zijn in woongebieden of verblijfsgebieden.

Binnen de Koekoekspolder en in de directe omgeving zijn de risicobronnen geïnventariseerd. Op basis van de invloedsgebieden kan geconcludeerd worden dat geen transportroutes en/of inrichtingen van invloed zijn op het plangebied. Wel ligt binnen het plangebied een aardwarmtebron, waarbij tijdens de boorfase en/of exploitatiefase gevaarlijke stoffen (aardgas en/of aardolie) uit de bodem kunnen vrijkomen. Daarnaast geeft het plan Koekoekspolder ruimte voor nieuwe boringen naar aardwarmtebronnen. De locaties hiervan zijn (nog) niet gespecificeerd. Gelet op de mogelijkheid van vrijkomen van gevaarlijke stoffen bij de aardwarmtebronnen is de relevantie ten aanzien van externe veiligheid nader beschouwd.

Bronnen dieper dan 500 meter vallen onder de Mijnbouwwet. Aangezien de bestaande bron op ongeveer 2.000 meter diepte ligt, is de Mijnbouwwet van toepassing. Dit geldt ook voor de nog te realiseren aardwarmtebronnen binnen het gebied. De Mijnbouwwet sluit wat betreft externe veiligheid aan bij de methodiek van het Bevi; de risico's moeten worden beoordeeld op basis van het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). De ligging van het PR en de grootte van het GR moet aan de hand van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) nader worden vastgesteld. Dit vindt veelal plaats op het moment dat op inrichtingsniveau vergunning wordt gevraagd. Uitgangspunt hierbij is dat het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar binnen de inrichtingsgrenzen komt te liggen.

In feite heeft men hier te maken met een tweetal situaties waarbij risico's bestaan:

  • 1. tijdens de boring;
  • 2. tijdens de exploitatie.

De risico's tijdens de boring van de bron worden hoofdzakelijk veroorzaakt door het mogelijk doorboren van olie- en/of gaslagen. Gezien de inmiddels opgedane kennis van de ondergrond ter plekke en secuur vooronderzoek vooraf is de contour zeer beperkt en ligt in de meeste gevallen op de locatie.

De risico's tijdens de exploitatie komen voort uit het mee opboren van gas, olie en dergelijke. De kans bestaat immers dat dit als bijproduct mee komt uit de ondergrond. Hiervoor zijn afhankelijk van de omvang en het soort grondstoffen extra (afvang)installaties noodzakelijk. Een voorbeeld hiervan is een ontgassingsinstallatie. Normaal gesproken is de bijbehorende risicocontour krapper dan tijdens de boring.

Uit het vorenstaande is op te maken dat naar verwachting geen belemmeringen voor het bestemmingsplan bestaan.

3.6 Water

De afgelopen jaren is in samenwerking met het waterschap Groot Salland gezorgd dat de waterhuishouding in de Koekoekspolder op orde is. Hiertoe is onder meer nieuwe waterbergingscapaciteit aangelegd en het rioleringsstelsel aangepast aan de grote te verwachten hoeveelheden lozingen van afvalwater. Een uitgebreide omschrijving van het watersysteem en de genomen maatregelen zijn opgenomen in de planMER. Door de genomen maatregelen is de waterhuishouding in de Koekoekspolder in overeenstemming met de wettelijke eisen.

3.6.1 Watertoets

Bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen moet de watertoets worden toegepast. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het kader van de watertoets is vanaf 1 november 2003 wettelijk verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).

Het beleid van het Waterschap Groot Salland staat beschreven in het Waterbeheersplan 2010-2015, de beleidsnota Leven met Water in Stedelijk Gebied, Strategische Nota Rioleringsbeleid 2007, Visie Beheer en Onderhoud 2050, Beleid beheer en onderhoud stedelijk water 2013-2018 en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Daarnaast is de Keur van het Waterschap Groot Salland een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau is het - met het waterschap opgestelde - gemeentelijk Waterplan en het (verbreed) gemeentelijk Rioleringsplan van belang.

De effecten van de ontwikkeling worden hieronder puntsgewijs toegelicht.

Oppervlaktewaterkwantiteit

De toename van verharding in het plangebied is recent gecompenseerd met extra waterberging. Uit de toetsing blijkt dat voldoende oppervlaktewater is aangebracht om een toename in de wateroverlast te voorkomen. Er wordt zelfs meer oppervlaktewater aangelegd dan nodig is voor de toename van het glasareaal tot 225 ha en de 10 ha bedrijvigheid. Er zijn dan ook geen negatieve gevolgen op dit punt te verwachten.

Oppervlaktewaterkwaliteit

De kwaliteit van het oppervlaktewater in de Koekoekspolder wordt sterk beïnvloed door de zeer grote hoeveelheid kwel in het gebied. Door grote hoeveelheid kwel treedt snel verdunning op van het door glastuinbouwbedrijven geloosde (zoute) brijnwater. Het effect dat het zoute brijnwater op de waterkwaliteit heeft, is door de verdunning door kwel- en regenwater minimaal. Het Waterschap Groot Salland onderschrijft dat het brijnwater op het oppervlaktewater geloosd mag worden. Het is volgens de Keur van het waterschap niet toegestaan zonder vergunning meer dan 100 m³/uur te lozen op oppervlaktewater.

Het effect van de lozing van brijnwater op de oppervlaktewaterkwaliteit is naar verwachting minimaal, ook wanneer het totale volume brijnwater toeneemt door toename in glasareaal.

Grondwater

Het grondwater in de diepere lagen van de Koekoekspolder is deels zoet en deels zout water. Het grensvlak van zoet en zout water ligt naar verwachting circa 200 m beneden maaiveld. In het rapport “Polder de Koekoek, Geohydrologische berekeningen t.b.v. gietwateropslag, KWO en onttrekking voor gietwater” (Grontmij, d.d. 22 mei 2008) zijn prognoses gegeven voor de hoeveelheid zoet grondwater dat door de glastuinbouw onttrokken zal worden. Ook zijn de effecten daarvan op de ligging van het zoet-zout grensvlak beschreven. In een brief onderschrijft het Waterschap de conclusie dat er bij de geprognosticeerde onttrekkingshoeveelheid geen nadelige effecten op de grondwaterstanden of een verschuiving van het zoet-zout grensvlak verwacht worden.

Indien een tuinder grondwater wil onttrekken voor gietwater, dient een vergunningsaanvraag ingediend te worden bij het Waterschap Groot Salland.

Bodemdaling

De deklaag in het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit veen. Veen is zettingsgevoelig materiaal dat bij een peilverlaging onderhevig is aan bodemdaling. Bij de geplande bouw van glasareaal en de aanleg van oppervlaktewater blijft het waterpeil ongewijzigd. Er zijn dan ook geen nadelige effecten te verwachten op bodemdaling.

Riolering

De bestaande bebouwing in het plangebied is aangesloten op het gemeentelijke drukrioleringssysteem. Dit drukrioleringssysteem heeft een beperkte capaciteit, waarop alleen huishoudelijk afvalwater (en spuiwater) mag worden aangesloten. Op het drukrioleringssysteem mag geen drainage of regenwater worden aangesloten, omdat het rioleringssysteem daar niet op berekend is. Het spuiwater van (nieuw te bouwen) kassen dient geloosd te worden op de riolering. Bij nieuw te bouwen kassen zorgt dit voor een toename in volume van deze afvalwaterstroom. Lozing van spuiwater op het oppervlaktewater is echter niet toegestaan volgens het Lozingsbesluit Glastuinbouw. Bij de aanvraag voor de bouw van nieuw glasareaal dient gekeken te worden naar de lozings- en afvoercapaciteit van het rioolstelsel.

Waterkeringen

Binnen het plangebied ligt een beschermingszone van een waterkering die op de Legger van het Waterschap Groot Salland is opgenomen. De functie / stabiliteit van deze waterkering moet te allen tijde worden gegarandeerd. Binnen de Keur van het Waterschap Groot Salland worden eisen gesteld met betrekking tot werkzaamheden binnen de beschermingszone van de waterkering. Voor werkzaamheden binnen de beschermingszone moet een Watervergunning worden aangevraagd bij het Waterschap Groot Salland. De waterkering is op de verbeelding opgenomen als “Waterstaat - Waterkering". De beschermingszone langs de waterkering heeft op de verbeelding een gebiedsaanduiding “vrijwaringszone - dijk”. Bij de locatiekeuze van de te bouwen kassen, dient rekening gehouden te worden met deze beschermingszone.

Watergangen

Binnen het plangebied liggen beschermingszones van hoofdwatergangen en van watergangen van het Waterschap Groot Salland. De functie van deze watergang(en) moet te allen tijde worden gegarandeerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de beschermingszone van deze watergangen zoals in de Keur van het Waterschap Groot Salland beschreven. Met betrekking tot deze watergangen gelden de binnen de Keur van het Waterschap Groot Salland opgenomen gebods- en verbodsbepalingen. Voor werkzaamheden binnen de beschermingszone moet een Watervergunning worden aangevraagd. Ten behoeve van het beheer en onderhoud geldt langs de watergang (vanaf de insteek) een obstakel vrije zone van 5 meter. In de Algemene Regels bij de Keur is echter in artikel 2 lid 4 gesteld dat het is toegestaan kassen aan te brengen tot een afstand van 2,50 m uit de insteek van een hoofdwatergang en 4.00 m uit de insteek van een watergang.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat uit de watertoets geen aspecten naar voren komen die de realisatie van de ontwikkeling in de weg staan. Wel dient bij de bouw rekening gehouden worden met een aantal aspecten.

3.6.2 Overstromingsrisico

Quickscan

Het plangebied ligt in dijkring 10 Mastenbroek en wordt binnen dijkring 10 beschermd door waterkering 105 (zie onderstaande figuur).

afbeelding "i_NL.IMRO.0166.00991062-VB02_0010.jpg"

Figuur 3.5: waterkeringen (Bron: Waterschap Groot Salland)

Dijkring 10 wordt omsloten door de IJssel aan de westzijde, tussen Zwolle en IJsselmuiden, door het Zwarte Meer aan de noordzijde tussen IJsselmuiden en Genemuiden en door het Zwarte Water aan de oostzijde tussen Genemuiden en Zwolle. Omdat het plangebied gelegen is in dijkring 10 is een overstromingsrisicoparagraaf verplicht.

Risico-inventarisatie

Waterkering 105 heeft een door de provincie Overijssel vastgestelde veiligheidsnorm: 1/100 jaar. De vastgestelde maatgevende hoogwaterstand is vastgesteld in 2006: NAP -0,55 m.

Voor de keringen van dijkring 10 is de overschrijdingskans genormeerd op 1/2000e per jaar. In het project Veiligheid Nederland in Kaart wordt de actuele kans op een overstroming per jaar groter dan 1% geschat. Indien de geïdentificeerde zwakke plekken in de dijkring zijn aangepast bedraagt de geschatte overstromingskans 1/400e per jaar (Rijkswaterstaat DWW & Jacobs, 2005). Conform de aanname van het PBL, wordt voor de overstromingsrisicozonering bij een dergelijke overschrijdingskans (norm) uitgegaan van een kleine kans op overstromen (Pieterse e.a., 2009).

Op basis van de provinciale risicokaart wordt de maximale waterdiepte tijdens een overstroming geschat op meer dan 5,0 meter voor de laagste gedeeltes van het plangebied (zie figuur Maximale waterdiepte).

 afbeelding "i_NL.IMRO.0166.00991062-VB02_0011.jpg"

Figuur 3.6: maximale waterdiepte na dijkdoorbraak, dijkring 10 bij IJsselmuiden (Bron: Provincie Overijssel)

Voor dijkring 10 zijn 3 verschillende doorbraakscenario's doorgerekend. Het maatgevende doorbraakscenario voor polder de Koekoek is het scenario met een dijkdoorbraak ter hoogte van IJsselmuiden. De tijd tot het plangebied onder water komt indien een dijk doorbreekt (aankomsttijd) wordt voor een dijkdoorbraak in IJsselmuiden geschat tussen de 6 en 24 uur (zie figuur Tijd tot kaart).

afbeelding "i_NL.IMRO.0166.00991062-VB02_0012.jpg"

Figuur 3.7: tijd tot overstroming na dijkdoorbraak bij IJsselmuiden (Bron: Provincie Overijssel)

Geschiktheidsbeoordeling / maatregelen

Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden die gelegen zijn binnen de dijkringen Mastenbroek en IJsseldelta kunnen alleen voorzien in het realiseren van nieuwe bebouwing binnen deze gebieden als er sprake is van zwaarwegend maatschappelijk belang. De voorwaarde van zwaarwegend maatschappelijk belang wordt niet gesteld ten aanzien van agrarische functies en incidentele woonbebouwing waarvan in het bestemmingsplan sprake is. Het gaat bij dit plan om de realisatie van een modern tuinbouwgebied, wat als zwaarwegend maatschappelijk belang kan worden aangemerkt. Vooralsnog wordt voor dit gebied bij een dreigende overstroming ingezet op vroegtijdige evacuatie. Hoe deze in geval plaatsvinden is onderwerp van het beleid voor risicocommunicatie dat (landelijk) in ontwikkeling is en door de gemeente, samen met waterschap en de Veilligheidsregio IJsselland, ook wordt ontwikkeld.

3.7 Ecologie

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met het aspect ecologie. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming.

3.7.1 Gebiedsbescherming

Bij dit aspect gaat het om de bescherming van natuurgebieden die onder de werking van de Natuurbeschermingswet vallen (de Natura 2000-gebieden ) en daarnaast om gebieden die onderdeel uitmaken van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Binnen het plangebied van het bestemmingsplan is van beide geen sprake. Wel liggen er beschermde Natura 2000-gebieden in de nabijheid van het plangebied, onder meer in de uiterwaarden van de IJssel. In verband met de externe werking bij de bescherming van deze gebieden zijn in het MER de mogelijk negatieve effecten op deze gebieden als gevolg van het bestemmingsplan onderzocht. Het MER concludeert dat hiervan geen sprake zal zijn.

3.7.2 Soortenbescherming

De werkingssfeer van de Flora- en faunawet is niet beperkt tot of gerelateerd aan speciaal aangewezen gebieden, maar geeft soorten overal in Nederland bescherming. Op grond van de Flora- en faunawet gelden algemene verboden tot het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten en het beschadigen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten.

In artikel 75 van de Flora- en faunawet worden de ontheffingsmogelijkheden weergegeven. In principe zijn alle zoogdieren, vogels, amfibieën, reptielen en vissen die in Nederland voorkomen, beschermd. De aanvraag van een ontheffing en de toetsing aan de Flora- en faunawet gebeurt niet in het kader van het bestemmingsplan, maar in de vergunningenfase van een initiatief. Om te beoordelen of dit bestemmingsplan ook uitvoerbaar is, wordt hierop vooruitlopend, wel een verwachting uitgesproken over de eventuele gevolgen voor de beschermde planten- en diersoorten in het plangebied.

In de wet is een differentiatie aangebracht in niveau van bescherming:

  • a. alle soorten, opgenomen in Habitat richtlijn bijlage IV, de Vogelrichtlijn en beschermde soorten van de Rode Lijst zijn beschermd onder het zwaarste regime (soorten van tabel 3);
  • b. soorten met vrijstelling bij een vastgestelde gedragscode (soorten van tabel 2);
  • c. soorten waarvoor een algemene vrijstelling geldt.

Uit het natuuronderzoek blijkt dat in het plangebied algemeen beschermde soorten aanwezig zijn en (mogelijk) een aantal zwaarder beschermde soorten. Hierbij gaat het om vogelsoorten als de huismus, de kerkuil en de steenuil die nestelen in oude bebouwing, om vleermuizen die bomenlanen gebruiken als foerageergebied en gevoelig zijn voor lichtverstoring door kassen, om rugstreeppadden die aanwezig kunnen zijn in waterbergingslocaties en bittervoorns en tot slot om kleine en grote modderkruipers die hun leefgebied hebben in de aanwezige watergangen.

Bij het slopen van oude bebouwing en het verwijderen van nestbomen kunnen beschermde vogels verstoord worden. Het bestemmingsplan is echter niet gericht op het slopen van bebouwing en/of het verwijderen van beplanting. Mocht in de toekomst toch sprake zijn van verstorende werkzaamheden dan dient in het kader van de omgevingsvergunning nader onderzoek plaats te vinden naar de daadwerkelijke aanwezigheid van beschermde vogels. Wanneer dit het geval blijkt te zijn, kan door het nemen van mitigerende maatregelen verstoring in alle gevallen voorkomen worden. Ditzelfde geldt voor werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring van vleermuizen, bittervoorns en rugstreeppadden (het kappen van bomen, het vergraven van watergangen of het verplaatsen van waterbergingslocaties).

Voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan vormt het aspect ecologie geen belemmering.

3.8 Archeologie en cultuurhistorie

3.8.1 Archeologie

In het Europese Verdrag van Malta, ondertekend door een groot aantal EU-landen, waaronder ook Nederland, is de veiligstelling van het (Europese) archeologische erfgoed als doelstelling opgenomen. Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is in 2007 de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Doel van de wet is het beschermen van het archeologische erfgoed. De wet verplicht gemeenten bij het opstellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met de in hun bodem aanwezige archeologische waarden. Bij ruimtelijke ingrepen op locaties met vindplaatsen moeten de aanwezige resten intact blijven. Wanneer verstoring onvermijdelijk is, dient oudheidkundig bodemonderzoek plaats te vinden. De informatie van de bij bodemonderzoek onderzochte resten wordt behouden door middel van documentatie.

De gemeente Kampen heeft archeologiebeleid ontwikkeld waarbij ook de archeologische (verwachtings)waarden in de ondergrond in beeld zijn gebracht op de archeologische verwachtingskaart. Hieruit blijkt dat in de Koekoekspolder - op een klein gebied naast de Oudendijk na - sprake is van een lage archeologische verwachtingswaarde. Dat wil zeggen dat de kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen klein is. Het gebied waar wel sprake is van archeologische verwachtingswaarden heeft in het bestemmingsplan een passende bescherming. Voorafgaande aan bodemingrepen in dit gebied moet archeologisch onderzoek plaatsvinden.

 afbeelding "i_NL.IMRO.0166.00991062-VB02_0013.png"

Figuur 3.8: fragment archeologische waardenkaart gemeente Kampen

3.8.2 Cultuurhistorie

De gemeente Kampen is rijk aan gebouwd erfgoed in de vorm van rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en karakteristieke panden. In het plangebied bevinden zich geen gebouwen die van cultuurhistorische betekenis zijn. Wel wordt hieronder kort ingegaan op de geschiedenis van de polder die op zichzelf van cultuurhistorische waarde is.

De Koekoek is een onderdeel van de polder Mastenbroek, die in 1364 is aangelegd en de eerste Nederlandse polder vormt met een rationele verkaveling. Oorspronkelijk heette de Koekoek het "Middelblok", en behoorde bij IJsselmuiden. De huidige naam dankt het gebied aan een boerderij genaamd "Kouckouck", die daar ooit in de buurt lag. Al voor de inpoldering moet de Koekoek gebruikt zijn voor extensieve veehouderij. De eigenaren van het Middelblok verleenden in 1756 concessie om het gebied te vervenen. Deze activiteit duurde tot de eerste helft van de 19e eeuw en transformeerde de Koekoek tot een grote plas. Op onderstaande afbeelding is het gebied afgebeeld als een onverkavelde eenheid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0166.00991062-VB02_0014.jpg"

Figuur 3.9: de Koekoek omstreeks 1900

Vanaf 1851 werd serieus zaak gemaakt van de drooglegging van de Koekoek, maar overstromingen in 1860 en 1862 vertraagden dit werk. Op de plattegrond van de (toenmalige) gemeente Grafhorst uit 1867 staat de Koekoek aangegeven als: 'Nieuwe Droogmakerij'. Pas vanaf 1906 ondernam men pogingen de polder duurzaam te vrijwaren van wateroverlast. In 1910 is de Koekoek drooggemalen en voor agrarisch gebruik verkaveld. De Koekoek is sindsdien dus feitelijk een polder in een polder. Omstreeks 1956 nam de toenmalige gemeente IJsselmuiden het initiatief om de tuinders uit de kom van het dorp naar de Koekoek te verplaatsen. In 1981 werd het gebied voor het eerst officieel aangewezen als concentratiegebied voor de glastuinbouw. Onder verschillende termen (later ondermeer 'projectvestigingsgebied', thans 'landbouwontwikkelingsgebied') staat deze ambitie nog altijd overeind.

In hoofdstuk 3.4 is reeds ingegaan op de omgang met de aanwezige cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan.

3.9 Verkeer

Het verkeer dat zich in de Koekoekspolder beweegt is hoofdzakelijk bestemmingsverkeer. Er is één route die het (doorgaand) verkeer vanuit de Mastenbroekerpolder naar het centrum van IJsselmuiden ontsluit. Deze route loopt via de Bisschopswetering (buiten het plangebied), de Verkavelingsweg, Tuindersweg en de Koekoeksweg. Langs deze hoofdontsluitingsroute die het gebied in tweeën deelt, ligt grotendeels een vrijliggend fietspad, met uitzondering van het laatste oostelijk deel van de Tuindersweg (vanaf de Middenweg) en de Verkavelingsweg richting de Bisschopsweg.

De Oudendijk en de Parallelweg vormen de toegangswegen voor de Koekoekspolder vanuit het noorden (Kamperzeedijk) en zuiden (Veilingweg). Deze wegen worden ook als hoofdwegen beschouwd, maar zijn niet voorzien van vrijliggende fietsvoorzieningen en vormen een beperkte doorgaande route (noord-zuid) door het gebied.

De Hagedoornweg is gelegen aan de zuidoostelijke rand van het gebied. Het doorgaande verkeer wat afkomstig is van de zuidelijke richting (Veilingweg) richting de Mastenbroekerpolder maakt gebruik van deze weg. De overige wegen in het gebied hebben een duidelijke erfontsluitingsfunctie waar relatief weinig verkeer komt.

De Koekoeksweg en een groot deel van de Tuindersweg liggen binnen de huidige grenzen van de bebouwde kom. Hier geldt een maximum snelheid van 50 km/u. De overige wegen vallen in een zogenaamd 60 km/u gebied. In het gebied is een fietsroute aanwezig die loopt vanaf het kruispunt Oudendijk-Tuindersweg in noordelijke richting tot en met de Hartogsweg.

Om in de toekomstige situatie de ontsluiting van het gebied op een gedegen manier af te kunnen wikkelen heeft herinrichting van de Veilingweg plaatsgevonden. Hiermee is de ontsluiting voldoende geborgd. De nieuwe ontwikkelingen die zich in het gebied voor zullen doen dienen qua parkeergelegenheid in hun eigen behoefte te voorzien. Dit laatste betekent dat hiervoor geen extra maatregelen getroffen hoeven te worden.

Logischerwijs betekent een uitbreiding van de functies, bedrijvigheid en glastuinbouw, in het gebied een verkeerstoename. Uit het MER komt naar voren dat de verkeerstoename dusdanig is dat de bestaande infrastructuur ruim voldoende capaciteit biedt aan de toekomstige verkeersstromen.

3.10 Kabels en leidingen

De aanwezigheid van kabels en leidingen kan ruimtelijke relevant zijn, bijvoorbeeld in het kader van externe veiligheid. Binnen het plangebied loopt zowel een bovengrondse als een ondergrondse hoogspanningsleiding. Beide hoogspanningsleidingen vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid

Conform artikel 3.1.6 van het Bro moet bij het opstellen van een bestemmingsplan onderzoek worden gedaan naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijk uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij het eerste gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een bestemmingsplan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.

4.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan is - overeenkomstig de wettelijke eisen - overleg gevoerd met de betrokken diensten van provincie en waterschap. Daarnaast is in juni 2013 een informatiebijeenkomst gehouden voor bewoners van en ondernemers in het plangebied.

Het bestemmingsplan heeft daarna - overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht (afdeling 3.4) - gedurende zes weken ter inzage gelegen en is toegestuurd aan overleginstanties. Tijdens deze periode is de mogelijkheid geboden voor het indienen van zienswijzen. In Hoofdstuk 6 wordt hier nader op ingegaan.

4.2 Economische uitvoerbaarheid

Doel van de grondexploitatieregeling is het inzichtelijk maken van de financiele haalbaarheid en het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal waardoor er meer sturingsmogelijkheden voor de gemeente zijn. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechterlijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechterlijke weg via overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden.

Voor dit bestemmingsplan geldt dat sprake is van een consoliderend bestemmingsplan. Het (voorheen) geldende bestemmingsplan voor de Koekoekspolder biedt immers al ruimte voor de uitbreiding en nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven.

De gemeente heeft in het verleden - mede na het besluit tot doorontwikkeling in 2009 - fors geinvesteerd in het gebied, met name in de verkeersinfrastructuur en de electriciteitsvoorziening. Deze kosten zijn gemaakt en gedekt uit gemeentelijke middelen, subsidies en de verkoop van gemeentelijke gronden in het gebied.

Aan onderhavig bestemmingsplan zijn derhalve voor de gemeente geen kosten verbonden.

Hoofdstuk 5 Juridische regeling

In dit hoofdstuk worden de planregels van het bestemmingsplan van een nadere toelichting voorzien. Qua vormgeving en planregels is voor zover mogelijk aangesloten bij de SVBP2012 en de binnen de gemeente Kampen gehanteerde bestemmingsplanregels en begripsbepalingen.

5.1 Inleiding

Het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Koekoekspolder 2014' moet voldoen aan de bepalingen uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) die is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. De SVBP2012 heeft met name invloed op de vormgeving van het bestemmingsplan. Zo zijn in het SVBP2012 hoofdgroepen van bestemmingen opgenomen en worden er standaard regels voor de begrippen en de wijze van meten gegeven. In dit hoofdstuk worden de planregels in dit bestemmingsplan nader toegelicht.

De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten:

In hoofdstuk 1 worden in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. In hoofdstuk 2 worden de op de verbeelding (plankaart) aangegeven gedetailleerde bestemmingen en dubbelbestemmingen omschreven en worden per bestemming de bouwregels vermeld. Bij sommige bestemmingen worden ook de afwijkingen van de bouwregels, specifieke gebruiksregels en wijzigingsbevoegdheden omschreven. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels die gelden voor het gehele bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 bevat de overgangs- en slotregels.

5.2 Plansystematiek

5.2.1 Verbeelding

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. De bestemming geeft een beschrijving van de functies waarvoor de grond mag worden gebruikt. Op de verbeelding zijn tevens aanduidingen opgenomen met het oog op het aanwijzen van gebieden waarop een specifieke regeling binnen de regels van toepassing is. Deze aanduidingen krijgen in de regels een juridische betekenis.

5.2.2 Regels

Inleidende regels

Begrippen:

Het opnemen van begripsbepalingen is beperkt tot die begrippen, waarbij sprake is van een (mogelijke) afwijkende betekenis in het algemeen spraakgebruik en/of technische begrippen, waarbij een vereenvoudigde omschrijving de leesbaarheid bevordert. Begrippen die zijn voorgeschreven in de SVBP2012 zijn ook conform de SVBP2012 overgenomen.

Wijze van meten:

Met het oog op het kunnen bepalen van de in de regels aangegeven oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten. Tevens is aangegeven welke onderdelen van gebouwen buiten beschouwing blijven bij het toepassen van de regels. Dit betreft onder meer het in geringe mate mogen overschrijden van bouw- en bestemmingsgrenzen met erkers, luifels en dergelijke. In de SVBP2012 zijn standaarden beschreven waaraan deze regels moeten voldoen. Indien van toepassing worden deze één op één overgenomen.

Bestemmingsregels

Per bestemming zijn, voor zover noodzakelijk, de volgende onderdelen onderscheiden:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen;
  • afwijken van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijken van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • wijzigingsbevoegdheden.

Bestemmingsomschrijving:

De bestemmingsomschrijving omvat een opsomming van de functies/gebruiksmogelijkheden binnen de gegeven bestemming en eventueel daaraan verbonden voorwaarden. Deze opsomming is van wezenlijk belang, aangezien deze de basis vormt voor de overige regels die opgenomen zijn binnen die bestemming. Niet hier genoemd gebruik is strijdig met de bestemming.

Bouwregels:

In de bouwregels zijn objectieve regels gesteld met betrekking tot de plaats en afmetingen van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bij het afwijken van de bouwregels kan onder voorwaarden worden afgeweken van hetgeen is geregeld. Bijvoorbeeld in het toestaan van een grotere hoogte of het uitbreiden van het bouwvlak.

Specifieke gebruiksregels:

In de specifieke gebruiksregels staat in aanvulling op de bestemmingsomschrijving expliciet beschreven wat wel of niet wordt toegestaan. Het gaat dan vaak om functies of activiteiten waarover onduidelijkheid kan bestaan. Ook hier kan onder voorwaarden van af worden geweken.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:

Onder de omgevingsvergunning kunnen voorwaarden worden gesteld ten aanzien van het uitvoeren van werken of werkzaamheden. In het verleden werd wel gesproken van de aanlegvergunning.

Wijzigingsbevoegdheden:

In een enkele bestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Hiermee is het mogelijk middels een afzonderlijk plan de bestemming waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft te wijzigen. De voorwaarden waaronder dit kan plaatsvinden staan in de regels vermeld.

Bestaande situatie:

In de bestemmingsregels, veelal de bouwregels, wordt soms verwezen naar de bestaande situatie. Dit gebeurt om van het plan afwijkende maten, oppervlakten en aantallen niet onder het overgangsrecht te plaatsen. De bestaande situatie is de situatie zoals deze naar voren komt uit de (digitale) gegevens van de GBKN, het kadaster, de luchtfoto's, de kappenkaart en de cyclomedia, aangevuld met het gemeentelijk bouwdossier en fotoarchief, zoals deze bestaan op het moment van het in werking treden van het plan.

Algemene regels

In de Algemene regels zijn regels opgenomen die voor het hele plangebied gelden. Daarom zijn deze in een apart hoofdstuk ondergebracht. In dit bestemmingsplan betreft het de volgende regels:

Overgangs- en slotregels

In de Overgangs- en slotregels zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. De redactie van het overgangsrecht is voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening en dienovereenkomstig overgenomen. De slotregel bevat de titel van het bestemmingsplan. De redactie van de slotregel is voorgeschreven vanuit de SVBP2012 en dienovereenkomstig overgenomen.

5.3 Bestemmingen

In het bestemmingsplan Glastuinbouwgebied Koekoekspolder 2014 komen de volgende bestemmingen voor:

Daarnaast komen de volgende dubbelbestemmingen voor:

Met dubbelbestemmingen worden ruimtelijk relevante belangen veilig gesteld die niet of onvoldoende met de 'onderliggende' bestemmingen kunnen worden gewaarborgd. Daarbij hebben met de dubbelbestemming samenhangende belangen voorrang op de belangen van de onderliggende bestemming, wanneer de enkelbestemming en de dubbelbestemming met elkaar strijden. Het waarborgen van belangen met behulp van een dubbelbestemming leidt tot de opname van bijzondere regels binnen deze bestemming en noopt tot een nadere afweging van belangen.

5.3.1 Agrarisch - Glastuinbouw

De Koekoekspolder is aangewezen als concentratiegebied voor glastuinbouw en ook als zodanig ingericht. In het verlengde hiervan is het bestemmingsplan er op gericht om zoveel mogelijk percelen te behouden voor (hergebruik als) glastuinbouw en zo min mogelijk glastuinbouwbeperkende functies toe te staan. Een groot deel van het plangebied heeft dan ook de bestemming Agrarisch - Glastuinbouw. Binnen deze bestemming bestaat ruimte voor de uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven of de vestiging van nieuwe volwaardige glastuinbouwbedrijven. Ook de vestiging en/of uitbreiding van witlofteeltbedrijven, champignionkwekerijen en vollegrondtuinbouwbedrijven is mogelijk.

In de bouwregels zijn de bouwmogelijkheden opgenomen voor de gronden binnen deze bestemming. De bouw van nieuwe kassen en/of bedrijfsgebouwen is bij recht mogelijk. Hierbij geldt de voorwaarde dat nieuwe bedrijufsgebouwen en/of kassen uitsluitend gebouwd kunnen worden bij volwaardige of reele (glas)tuinbouwbedrijven. In de begripsbepalingen is aangegeven wat onder een volwaardig bedrijf wordt verstaan.

Voor de vestiging van nieuwe glastuinbouwbedrijven (met bedrijfswoning) geldt dat er minimaal 5000 m2 aan kassen moet worden gebouwd. Nieuwvestiging van andersoortige tuinbouwbedrijven (met bedrijfswoning) bijvoorbeeld intensieve kwekerijen (witlofteeltbedrijven) is mogelijk via een binnenplanse afwijkingsregel. Daarbij moet worden aangetoond dat teelt van een (gespecialiseerd) glastuinbouwbedrijf zodanig is dat deze op beperkte schaal bedrijfseconomisch verantwoord en levensvatbaar is. In een dergelijk geval moet een advies overlegd worden van een glastuinbouwdeskundige.

Door het hanteren van de volwaardigheidseis c.q. de ondergrens van 5000 m2 betreffende de omvang van nieuwe glastuinbouwbedrijven wordt voorkomen dat medewerking wordt verleend aan het oprichten van gebouwen en bouwwerken voor niet-bedrijfsmatige activiteiten. Zo blijft het areaal met de bestemming glastuinbouw optimaal beschikbaar voor volwaardige moderne glastuinbouwbedrijven en worden geen nieuwe bedrijfswoningen gebouwd ten behoeve van niet-volwaardige bedrijven.

Binnen de bestemming zijn flexibele bouwregels opgenomen voor de bouw van kassen, bedrijfsgebouwen en overige bouwwerken die de ontwikkeling van moderne glastuinbouwbedrijven faciliteren. Hierbij gaat het onder meer om gebouwen en bouwwerken ten behoeve van de watervoorziening en duurzame energie-installaties.

Bij nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven is ook de bouw van een bedrijfswoning toegestaan. Een tweede bedrijfswoning is uitsluitend mogelijk als indien de bedrijfseconomische noodzaak hiervoor is aangetoond en er sprake is van een oppervlak van minimaal 6 ha glas. Bij volwaardige glastuinbouwbedrijven bestaat ook de mogelijkheid voor detailhandel in eigen of streekeigen producten. Daarbij geldt een maximaal verkoopoppervlak van 40 m2.

Naast flexibele bouwregels zijn in het bestemmingsplan ook enkele bevoegdheden opgenomen die een optimale inrichting van het glastuinbouwgebied kunnen bevorderen. Hierbij gaat het om wijzigingen die het verplaatsen van watergangen en/of waterbergingen mogelijk maken.

Agrarische bedrijfswoningen die in gebruik zijn als burgerwoning

Een aanzienlijk aantal woningen in de Koekoekspolder zijn oorspronkelijk vergund en gebouwd als agrarische bedrijfswoning, maar op dit moment - in strijd met het geldende bestemmingsplan - in gebruik als burgerwoning. Gelet op het grote aantal en de doorgaande schaalvergroting in de glastuinbouw is het reeel te verwachten dat deze woningen in de toekomst nog als bedrijfswoning kunnen worden gebruikt. Het merendeel van de bedrijfsgronden bij deze voormalige bedrijfswoningen is inmiddels verkocht aan nabijgelegen tuinders of aan het waterschap voor waterberging. Voor deze situaties biedt de Wet plattelandswoning de mogelijkheid de betrokken woningen aan te duiden als plattelandswoning (aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voormalige agrarische bedrijfswoning'). De wet regelt dat deze woningen tevens door derden mogen worden bewoond en niet (meer) beschermd worden tegen de milieugevolgen van het bedrijf waartoe de woning voorheen behoorde.

Voorkomen moet worden dat door de aanwijzing als plattelandswoning bijbehorende (voormalige bedrijfs)gronden minder of niet niet meer beschikbaar zijn voor de glastuinbouwfunctie. Daarom is in het bestemmingsplan een zone langs de bestaande bebouwingslinten opgenomen ('wetgevingszone - wijzigingsgebied 2'). Door alleen binnen deze zone plattelandswoningen toe te staan, blijven de grote aaneengesloten zones tussen de bebouwingslinten optimaal beschikbaar voor de glastuinbouw. Via toepassing van een wijziging kunnen binnen deze zone nieuwe plattelandswoningen worden toegekend, mits gegarandeerd is dat de bij deze woningen behorende gronden buiten de zone gebruikt worden ten behoeve van de glastuinbouw en de op deze gronden aanwezige bebouwing is gesloopt dan wel in gebruik is ten behoeve van de glastuinbouw. Het toekenen van een plattelandswoning mag ook geen nadelige (milieu)gevolgen hebben voor omliggende glastuinbouwbedrijven.

Aan de bewoners van de voormalige bedrijfswoningen die (nog) niet aan de voorwaarden voor de toekenning van een plattelandswoning voldoen is een persoonsgebonden overgangsrecht opgenomen (conform artikel 3.2.3 Bro). Het opnemen van het persoonsgebonden overgangsrecht is in deze situaties terecht omdat het - gelet op de aanwijzing als concentratiegebied voor de glastuinbouw - gewenst is dat de agrarische glastuinbouwfunctie van de betreffende gronden behouden blijft. Het persoonsgebonden overgangsrecht doet (in tegenstelling tot het handhaven van de illegale situaties) recht aan de situatie die is ontstaan door het lange tijd niet-handhaven van de gemeente en houdt het rekening met het feit dat er geen zicht is op beëindiging van het gebruik gedurende de planperiode. De belangen van de bewoners van de woningen wordt niet aangetast, in die zin dat het gebruik van de bedrijfswoningen als burgerwoningen onder het voorheen geldende plan niet was toegestaan.

Op de onderstaande kaart is de zone langs de bebouwingslinten aangegeven waarbinnen via toepassing van een wijziging nieuwe plattelandswoningen mogelijk zijn. De oranje percelen zijn de percelen met een voormalige bedrijfswoning die aan de wijzigingsvoorwaarden voldoen. Deze percelen zijn in het bestemmingsplan als plattelandswoning aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0166.00991062-VB02_0015.jpg"

Huisvesting buitenlandse werknemers

De meeste glastuinbouwbedrijven in de Koekoekspolder maken gebruik van buitenlandse seizoensarbeiders. Deze werknemers willen ook in of in de nabijheid van de Koekoekspolder wonen en hun vrije tijd doorbrengen. Illegale verhuur van woningen is ongewenst omdat dit kan leiden tot overbewoning waarbij brandonveilige, overlastgevende en onhygiënische omstandigheden kunnen ontstaan. Dit is onwenselijk voor omwonenden en de werknemers zelf. Huisvesting is primair een zaak van de werkgevers. Mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voor de huisvesting van seizoensarbeiders zijn:

  • huisvesten in de vorm van logeren bij de betreffende glastuinbouwer in zijn of haar agrarische bedrijfswoning;
  • huisvesten in huidige en/of vrijkomende agrarische bedrijfswoningen. Het bestemmingsplan biedt hiervoor via een afwijkingsbevoegdheid de ruimte.

Overige (agrarische) bedrijvigheid

In de Koekoekspolder bevinden zich ook andere bedrijven dan glastuinbouwbedrijven. Voor zover deze bedrijven legaal zijn, zijn ze in het bestemmingsplan positief bestemd. Waar het gaat om de bedrijven voor witlofteelt (intensieve kwekerijen) zijn de uitbreidingsmogelijkheden vergelijkbaar met de glastuinbouwbedrijven. De uitbreidingsmogelijkheden voor de aanwezige grondgebonden agrarische bedrijven, intensieve veehouderijbedrijven en agrarische loonbedrijven zijn beperkt, gelet op de ligging in een glastuinbouwgebied en de mogelijk negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden. Zie voor dit laatste aspect ook het MER.

5.3.2 Bedrijf - Nutsvoorziening

Deze bestemming is bedoeld om de meer grootschalige nutsvoorzieningen in het openbare gebied te bestemmen. Het gaat dan om nutsvoorzieningen die niet vergunningsvrij kunnen worden gebouwd.

5.3.3 Bedrijventerrein

In de noordwesthoek van de Koekoekspolder biedt het bestemmingsplan ruimte voor de ontwikkeling van een bedrijventerrein voor tuinbouwgerelateerde bedrijvigheid met een (bruto) omvang van circa 10 ha. Het gaat daarbij om 'schone' bedrijvigheid. Het bedrijventerrein voorziet in de behoefte aan specifieke bedrijvigheid zoals verwerkers, handelaren en toeleveranciers voor de glastuinbouw. beschreven. Voor zover het bedrijventerrein ten oosten van de Parallelweg ligt (nu nog onbenut) is een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan opgenomen op grond waarvan de bestemming gewijzigd kan worden in glastuinbouwgebied.

Wonen op het bedrijventerrein wordt niet toegestaan. Dit met uitzondering van twee reeds bestaande bedrijfswoningen die positief bestemd zijn. In de overgangszone naar het kleinschalige uiterwaardenlandschap gelden eisen ten aanzien van de maximale bouwhoogte en het bebouwingspercentage. Dit om een goede landschappelijke inpassing te borgen.

5.3.4 Groen

De bestaande groenzones aan de zuid- en zuidwestrand van het plangebied rand hebben de bestemming groen. De planregels zijn gericht op het behoud van deze groenzones.

5.3.5 Recreatie - Volkstuin

Het bestaande volkstuinencomplex valt binnen deze bestemming. Er is één centraal gebouw toegestaan en verder per volkstuin ook een tuinhuisje.

5.3.6 Tuin

De bestemming 'Tuin' wordt gebruikt om de gronden bij de aanwezige burgerwoningen te bestemmen die vanuit stedenbouwkundig oogpunt onbebouwd moeten blijven. Het gaat daarbij om hoek- en voorkantsituaties. Gronden met de bestemming 'Tuin' mogen niet bebouwd worden. Binnen deze bestemming is wel een erkerregeling opgenomen, zodat onder bepaalde voorwaarden een erker aan de voorkant mogelijk is. voor het overige is bouwen hier niet toegestaan, met uitzondering van andere bouwwerken zoals erfafscheidingen.

5.3.7 Verkeer

De bestaande openbare wegen in het plangebied zijn onder deze bestemming gebracht. De planregels zijn gericht op het behoud van de wegen.

5.3.8 Water

De waterbestemming is gegeven aan de tochten. Ook de bij het water behorende kunstwerken en voorzieningen vallen binnen deze bestemming.

5.3.9 Wonen

De bestaande (planologische) burgerwoningen zijn opgenomen in de bestemming 'Wonen - 2'. Binnen deze bestemming zijn grondgebonden woningen toegestaan. De hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak. Het gebied buiten het bouwvlak behoort tot het erf. Op het erf is het mogelijk om bijgebouwen te realiseren. De algemene regel is dat 100 m² aan bijgebouwen kan worden gerealiseerd, mits niet meer dan 50% van het erf wordt bebouwd. Binnen de bestemming is het mogelijk om kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis uit te oefenen. Ook is het middels het afwijken van de regels mogelijk om een Bed & Breakfast aan huis te voeren. Al deze activiteiten zijn enkel in ondergeschikte vorm mogelijk en mogen het woonkarakter niet aantasten.

5.3.10 Leiding / Leiding - Hoogspanning

In de Koekoek is sprake van zowel een ondergrondse als een bovengrondse hoogspanningsleiding. De leidingen zijn op de verbeelding weergegeven door middel van de dubbelbestemmingen 'Leiding' en 'Leiding - Hoogspanningsverbinding'. Uiteraard zijn in het plangebied nog diverse andere leidingen gelegen. Deze leidingen zijn vanwege het meer ondergeschikte karakter c.q. het belang hiervan voor het bestemmingsplan, niet meegenomen.

5.3.11 Waarde - Archeologie - 2

Binnen de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' zijn de aanwezige en te verwachten archeologische waarden beschermd. De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Bepaalde bodemingrepen die (te verwachten) archeologische waarden verstoren zijn enkel mogelijk wanneer archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden.

5.3.12 Waarde - Landschap

Het gehele plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Landschap' gekregen. De bijbehorende regels zijn gericht op het behoud, bescherming en/of herstel en de ontwikkeling van de landschapswaarden van de gronden, zoals deze tot uitdrukking komen in de landschappelijke waarden c.q. structuurdragers van de Koekoekspolder.

5.3.13 Waterstaat - Waterkering

De waterkering is opgenomen in de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Deze bestemming kent een omgevingsvergunningstelsel (voorheen: aanlegvergunningenstelsel) ter bescherming van de waterstaatkundige functie ervan.

Hoofdstuk 6 Inspraak en overleg

6.1 Vooroverleg

Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening wordt geëist dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg wordt gevoerd met die diensten van het rijk en de provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het bestemmingsplan verzonden naar de volgende instanties:

  • Provincie Overijssel
  • Waterschap Groot Salland;
  • LTO-Noord
  • Veiligheidsregio IJsselland;

De opmerkingen van de overlegpartners zijn betrokken bij het opstellen van het ontwerp bestemmingsplan. Zie ook bijlage 2 bij deze plantoelichting.

6.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan is op 17 september 2013 gepubliceerd in het huis-aan-huisblad De Brug en de Staatscourant en heeft vanaf 18 september 2013 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn 53 zienswijzen (30 ontvankelijk en 23 niet-ontvankelijk) ingediend bij de gemeenteraad. De zienswijzen hebben hoofdzakelijk betrekking op de omgang met voormalige agrarische bedrijfswoningen in het bestemmingsplan. De vele zienswijzen vormde de aanleiding om op dit onderdeel speciale informatieaveonden te organiseren voor zowel de indieners van deze zienswijzen als de gemeenteraad. In de 'Antwoordnota zienswijzen bestemmingsplan glastuinbouwgebied Koekoekspolder 2014' zijn vervolgens alle zienswijzen samengevat en van een reactie voorzien. Naar aanleiding van de zienswijzen zijn een aantal wijzigingen in het bestemmingsplan aangebracht. Deze aangeven in de genoemde Antwoordnota.

6.3 Tussenuitspraak Raad van State

Tegen het bestemmingsplan zijn uiteindelijk twee beroepsschriften ingediend. De eigenaar van het perceel Tuindersweg 16 is het niet eens met het feit dat zijn bedrijfswoning niet als zogenaamde plattelandswoning is aangewezen. De eigenaar van het perceel Hagendijk 6 is het niet eens met het feit dat zijn timmerwerkbedrijf niet is gelegaliseerd in het bestemmingsplan.

Op woensdag 11 februari 2014 heeft de Raad van State een tussenuitspraak (zie Bijlage 4) gedaan in de beroepszaak, waarbij zij de raad op twee punten opdracht heeft gegeven om het plan nader te motiveren, dan wel te wijzigen.

6.3.1 Hagendijk 6

Op het perceel Hagendijk 6 moet een persoonsgebonden overgangsrecht voor de burgerbewoning van de bedrijfswoning op het perceel worden opgenomen:

8. Voor zover [appellant sub 1] heeft aangevoerd dat in het plan wel gekozen is om een regeling te treffen voor in het plangebied aanwezige burgerwoningen, heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat [appellant sub 1] niet voldoet aan de voorwaarden voor een plattelandswoning maar dat in met [appellant sub 1] vergelijkbare gevallen gekozen is voor het opnemen van persoonsgebonden overgangsrecht, als bedoeld in artikel 23.3 van de planregels. Ingevolge deze bepaling mag het gebruik van de bedrijfswoning door de in Bijlage 3 genoemde personen ten behoeve van een burgerwoning worden voortgezet, mits de bedrijfswoning vanaf de eerste terinzagelegging van dit plan niet is vervreemd, door erfopvolging is verkregen, is verhuurd c.q. op andere wijze in gebruik is gegeven, met het oogmerk aan een ander de burgerwoning te verschaffen. De raad heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de woning van [appellant sub 1] ten onrechte niet in Bijlage 3 is opgenomen en dat het bestreden besluit in zoverre een gebrek vertoont.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

(...)Voorts dient de raad met inachtneming van overweging 8 het in die overweging geconstateerde gebrek te herstellen.

Het perceel is op de lijst Bijlage 3 Persoonsgebonden overgangsrecht behorende bij artikel 23.3 van de regels opgenomen.

6.3.2 Tuindersweg 16

Voor het perceel Tuindersweg 16 moet nogmaals worden gekeken naar de ligging van de 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 2':

3.8. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de "wetgevingszone - wijzigingsgebied 2" aan weerzijden van de bebouwingslinten ligt en een diepte heeft van 50 meter. De zone is afgestemd op de kadastrale ligging van de achterste perceelgrens van de voormalige bedrijfswoningen die hun bijbehorende gronden reeds verkocht hebben aan de omliggende glastuinbouwbedrijven of het waterschap. In een aantal situaties (langs de Oudendijk en de Tuindersweg) is de diepte van de zone wat groter omdat hier sprake is van gronden die, gelet op hun ligging in het glastuinbouwgebied, redelijkerwijs niet meer in aanmerking komen voor glastuinbouw. Door alleen binnen deze zone plattelandswoningen mogelijk te maken, blijven de grote aaneengesloten zones tussen de bebouwingslinten optimaal beschikbaar voor de glastuinbouwfunctie, aldus de raad.

3.9. Niet in geschil is dat, zoals [appellant sub 2] heeft gesteld, de grens van de "wetgevingszone - wijzigingsgebied 2" die over het perceel van [appellant sub 2] loopt dwars door bestaande bebouwing loopt. Voorts ligt blijkens de verbeelding de grens van de "wetgevingszone - wijzigingsgebied 2" op het naastgelegen perceel [locatie 2] ongeveer 35 meter verder naar achter op het perceel. Onder deze omstandigheden valt naar het oordeel van de Afdeling zonder nadere motivering van de raad niet in zien dat de raad de grens van de "wetgevingszone - wijzigingsgebied 2" op het perceel van [appellant sub 2] in redelijkheid heeft kunnen vaststellen op de wijze waarop hij dat heeft gedaan. Dat, zoals de raad ter zitting heeft gesteld, in andere gevallen de grens ook door bestaande bebouwing loopt, waartegen geen beroep is aangetekend, doet hier niet aan af. Het besluit van 6 maart 2014 is in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd.

(...) De raad dient met inachtneming van overweging 3.9 nader te bezien of hij de gebiedsaanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied 2" op het perceel van [appellant sub 2] wenst te handhaven in de huidige vorm. Indien de raad dit wenst, dan dient hij dit nader te motiveren. Indien de raad dit niet wenst, dan dient hij het plan aan te passen.

Nadere motivering

Algemene uitgangspunten

Gelet op de doorontwikkeling van de Koekoekspolder is het primaire uitgangspunt van het bestemmingsplan het bieden van optimale vestigings- en uitbreidingsmogelijkheden aan de glastuinbouw. Door samenvoeging en/of herverkaveling van de percelen in het gebied kunnen geschikte percelen worden gecreëerd om nieuwvestiging van (glas)tuinbouwbedrijven mogelijk te maken.

Hiernaast wil de gemeente bewoners van bedrijfswoningen onder voorwaarden tegemoet komen met het omzetten van een bedrijfswoning naar een 'voormalige agrarische bedrijfswoning' (oftewel plattelandswoning).

De genoemde 'wetgevingszone – wijzigingsgebied 2' ligt aan weerszijden van de bebouwingslinten en heeft – vanaf de weg gerekend - een diepte van gemiddeld 50 meter. De zone is afgestemd op de (kadastrale) ligging van de achterste perceelsgrens van de voormalige bedrijfswoningen die hun bijbehorende gronden reeds verkocht hebben aan omliggende glastuinbouwbedrijven of het waterschap.

Door alleen binnen deze zone plattelandswoningen mogelijk te maken, blijven de grote aaneengesloten zones tussen de bebouwingslinten optimaal beschikbaar voor de glastuinbouwfunctie.

Verspringingen in wijzigingszone zo veel mogelijk tegengaan

Bij het aanwijzen van de wijzigingszone is gewerkt met een eenduidige diepte en zijn verspringingen zoveel mogelijk vermeden. Doordat kassen in rechte lijnen worden gebouwd, heeft een verspringing als consequentie dat een groter gedeelte van de kas ook moet inspringen. Dit heeft tot gevolg dat voor een aantal percelen bewust gekozen is bedrijfsbebouwing buiten de wijzigingszone te houden.

Bebouwing bij een plattelandswoning

Eén van de voorwaarden voor de toekenning van een plattelandswoning is dat bedrijfsbebouwing buiten de wijzigingszone in gebruik wordt genomen voor glastuinbouw door een ander glastuinbouwbedrijf, dan wel gesloopt wordt. Immers, deze bebouwing mag enkel voor bedrijfsmatige doeleinden gebruikt worden, terwijl het gebruik van de woning en het perceel niet meer bedrijfsmatig is. Sloop heeft ook tot gevolg dat deze bebouwing niet voor andere activiteiten die niet in het tuinbouwgebied passen in gebruik wordt genomen, zoals caravanstalling of opslag van goederen. Op deze wijze wordt verrommeling en oneigen gebruik van het gebied tegengegaan. Dit sluit aan bij het beleid omtrent Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB) dat de gemeente in de rest van het buitengebied voert.

Wanneer eenmaal een aanduiding 'voormalige agrarische bedrijfswoning' is toegewezen, is het mogelijk om binnen deze aanduiding bij de plattelandswoning 100 m2 aan bijbehorende bouwwerken te bouwen. Bestaande bedrijfsbebouwing binnen de wijzigingszone mag op grond van het overgangsrecht blijven staan.

Het beroep

Appellant wijst naar de percelen aan de Tuindersweg 18-22A, waar de zone dieper is. Deze percelen zijn oostelijk gelegen van het perceel Tuindersweg 16. Tussen deze percelen en het perceel Tuindersweg 16 is hiernaast een hoofdwatergang gelegen die het perceel fysiek scheidt van de andere percelen (zie figuur 1).

Inderdaad is op deze percelen gekozen om de zone dieper te leggen. Dat komt omdat achter deze kavels al een herverkaveling heeft plaatsgevonden. Achter Tuindersweg 18-22a heeft het naastgelegen bedrijf (eigendom van J. Van de Belt vastgoed BV) deze gronden aangekocht (medio 2009). Hierom is aangesloten bij de kadastrale grens die door deze verkoop ontstaan is. Nog een keer herverkavelen van deze gronden ligt niet in de rede, waardoor deze grond niet als potentiële tuinbouwgronden zijn aangemerkt.

Er is dus een plausibele reden waarom voor de genoemde percelen een uitzondering is gemaakt. Deze reden is voor het perceel Tuindersweg 16 niet aanwezig. Herverkaveling kan hier nog heel goed plaatsvinden.

Gronden potentieel tuinbouwgebied

Ook vanuit de potentie op herverkaveling is er reden om juist bij de diepte van de zone op de westelijke percelen aan te sluiten. Door de ligging van de hoofdwatergang tussen de percelen Tuindersweg 16 en Tuindersweg 18 heeft een herverkaveling van het perceel Tuindersweg 16 met de percelen aan de westzijde van de watergang vanuit economisch oogpunt (ook gelet op de bestaande eigendomsverhoudingen) de meeste potentie (zie figuur 1). Hoewel bij herverkaveling eventueel ook watergangen verlegd kunnen worden, zal dit gelet op het kostenaspect niet de eerste voorkeur hebben.

Bij al deze westelijke percelen is een diepte van de wijzigingszone van 50 meter aangehouden. Dit maakt het onwenselijk om bij Tuindersweg 16 een grotere diepte aan te houden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0166.00991062-VB02_0016.png"

Figuur 1: eigendomsverhoudingen rondom het perceel Tuindersweg 16.

Conclusie

De gronden van het perceel Tuindersweg 16 zijn zeker van belang als potentieel glastuinbouwgebied. Hierbij heeft een herverkaveling in westelijke richting, mede gelet op de bestaande eigendomsverhoudingen, veruit de meeste potentie. Het gebied van de wijzigingszone is voor al deze westelijke percelen op 50 meter gelegd. Dit is ook reden dat voor het perceel Tuindersweg 16 eveneens voor een diepte van 50 meter is gekozen.

Zelfs bij deze diepte blijft alsnog een groot huisperceel over. Hoewel bij een eventuele toekomstige omzetting van de woning op het perceel Tuindersweg 16 tot voormalige agrarische bedrijfswoning (hierna: plattelandswoning) tot gevolg heeft dat een klein deel aan bebouwing (ca 90 m2) gesloopt moet worden, blijft binnen het gebied dat ten dienste van de plattelandswoning staat nog ca 287 m2 aan bijgebouwen aanwezig. Deze oppervlakte is ruim voldoende om hobbymatige activiteiten bij een plattelandswoning uit te oefenen.