direct naar inhoud van 3.3 Ecologie
Plan: Stationsomgeving Hanzelijn
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0166.00991005-OH01

3.3 Ecologie

Quickscan natuurtoets

Ecogroen advies heeft verschillende onderzoeken uitgevoerd naar flora en fauna in het plangebied (zie Bijlage 9 Ecologisch onderzoek). Zo is in december 2007 en in juni 2008 een quickscan natuurtoets uitgevoerd. In beide onderzoeken zijn de consequenties van de beoogde ruimtelijke ingreep op de aanwezige natuurwaarden getoetst aan de Flora- en faunawet en vigerend gebiedsgericht natuurbeleid. Het onderzoek is gebaseerd op een drietal veldbezoeken - uitgevoerd op 21 en 23 november 2007 en 29 januari 2008 - en een inventarisatie van bekende verspreidingsgegevens uit diverse bronnen.

Daarna is in november 2010 een rapportage door Ecogroen uitgebracht (op verzoek van de gemeente) over een hernieuwd ecologisch onderzoek. Doel van dit onderzoek is het actualiseren van de verouderde gegevens en van de rapportages uit 2008. Hiervoor zijn voor de soortgroepen vleermuizen en broedvogels met jaarrond beschermde nesten veldonderzoeken uitgevoerd.

De resultaten van de eerdere onderzoeken zijn voor een aantal soort(groep)en (zoals de hoogdynamische soortgroep vleermuizen) verouderd en dienen daarom geactualiseerd te worden. Daarnaast is het beleid ten aanzien van een aantal soorten gewijzigd. Zo is er sinds augustus 2009 een nieuwe lijst van broedvogels met jaarrond beschermde nesten en is een protocol voor het uitvoeren van vleermuisonderzoek opgesteld. Zie ook Bijlage 10 Actualisatie ecologisch onderzoek.

Op basis van de ligging en aard van de ruimtelijke ingreep wordt ingeschat dat de beoogde plannen geen negatieve effecten hebben op de in de omgeving aanwezige Natura 2000-gebieden, Beschermde natuurmonumenten of EHS.

Het plangebied is gelegen in een groot gebied dat is aangemerkt als ganzengebied. De toetsende instantie (provincie Overijssel) heeft hierover aangegeven dat het verlies aan ganzengebied ter plaatse van de planlocatie ondergeschikt is aan de algehele ontwikkeling in relatie tot de Hanzelijn.

Uit het ecologische onderzoek komen de volgende zaken naar voren:

  • De laag beschermde plantensoorten Zwanenbloem, Gewone vogelmelk en Gewone dotterbloem zijn aangetroffen en/ of te verwachten. Zwaarder beschermde soorten zijn niet aangetroffen en worden niet verwacht, omdat geschikt biotoop daarvoor ontbreekt;
  • In het te slopen woonhuis is een tijdelijke verblijfplaats van één Gewone dwergvleermuis vastgesteld. De voorgenomen plannen hebben geen nadelige gevolgen op vaste verblijfplaatsen en foerageergebied van vleermuizen. Om schade aan vliegroutes met zekerheid te voorkomen is het van belang de aan te brengen verlichting langs de oostzijde van het plangebied af te stemmen op de vliegroute van vleermuizen;
  • Verspreid in het gebied zijn vaste verblijfplaatsen van enkele algemeen voorkomende, laag beschermde zoogdiersoorten aangetoond of te verwachten. In het plangebied ontbreekt geschikt biotoop van de strikt beschermde Waterspitsmuis. Ook andere zwaarder beschermde soorten (zoals Steenmarter) worden niet verwacht;
  • In het plangebied is broedgebied aanwezig voor algemene broedvogels. Het gebied heeft naar verwachting een geringe betekenis voor weidevogels. Er zijn geen aanwijzingen dat broedvogels met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden;
  • Laag beschermde amfibieën als Kleine watersalamander, Meerkikker, Bastaardkikker, Bruine kikker en Gewone pad zijn voortplantend en overwinterend aanwezig;
  • De middelhoog beschermde Kleine modderkruiper komt voor in het plangebied evenals de strikt beschermde soorten Grote modderkruiper en Bittervoorn;
  • Er zijn geen reptielen of beschermde ongewervelden en weekdieren aangetoond of te verwachten.

Ontheffing en vervolgstappen

  • Voor de aanwezige Bittervoorn, Grote modderkruiper en Kleine modderkruiper is het noodzakelijk een ontheffing aan te vragen. Voor de strikt beschermde Grote modderkruiper is het noodzakelijk nieuw leefgebied in of in de nabijheid van het plangebied te creëren. Het wordt aangeraden om in overleg met een ter zake deskundige, eventueel in overleg met de toetsende instantie DLG, te bespreken wat in deze situatie de mogelijkheden zijn;
  • Voor het verwijderen van de aangetroffen tijdelijk verblijfplaats van één exemplaar Gewone dwergvleermuis hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Voorwaarde is wel dat voorafgaand aan de sloop is vastgesteld dat vleermuizen afwezig zijn;
  • Indien de bebouwing vóór circa half maart 2011 gesloopt wordt, kan dit - vanuit het oogpunt van vleermuizen - zonder nadere voorwaarden plaatsvinden. Indien sloop na half maart 2011 wordt uitgevoerd, is het van belang rekening te houden met de mogelijk (her)vestiging van vleermuizen in de toekomst;
  • Werkzaamheden die broedbiotopen van aanwezige vogels verstoren of beschadigen dienen te allen tijde te worden voorkomen. Dit is voor de meeste soorten mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten in de periode voor circa half maart en na eind juli. Overigens wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, maar is het van belang of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Houtduif kan namelijk tot half november broeden;
  • Voor de in het plangebied (mogelijk) voorkomende laag beschermde plantensoorten, amfibieën en grondgebonden zoogdieren geldt in deze situatie automatisch vrijstelling van artikel 75 van de Flora- en faunawet, waardoor verbodsbepalingen niet worden overtreden.
  • Binnen het gebied wordt een nieuw netwerk aan water en groen aangelegd, waardoor de in het gebied voorkomende diersoorten zich wederom kunnen verspreiden.
  • Er worden voor zowel de Grote als de Kleine modderkruiper biotopen gemaakt. De ontheffingsaanvraag voor de modderkruiper is inmiddels in gang gezet.

Voor de in het plangebied voorkomende laag beschermde zoogdieren en amfibieën wordt als belangrijkste mitigerende maatregel fasering in tijd genoemd. Schade is – indien de planning van activiteiten dit toelaat - te minimaliseren door het verwijderen van

vegetatie zoveel mogelijk uit te voeren in de periode september - oktober. Dit is buiten de voortplantingsperiode van veel dieren, dus buiten de periode waarin dieren extra kwetsbaar zijn.

Vleermuisonderzoek

Alle vleermuizen zijn opgenomen in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn en tabel 3 van de Flora- en faunawet en daardoor strikt beschermd.

Vaste verblijfplaatsen

Verblijfplaatsen bevinden zich in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in bomen, huizen, kelders et cetera. Tijdens het dagbezoek in de winter van 2007-2008 zijn in de te slopen woning aan de Venedijk- Noord geschikte invliegopeningen voor vleermuizen aangetroffen onder de dakpannen die op de muren liggen. Deze geschikte invliegopeningen in combinatie met de aanwezige ruimtes in onder andere de spouwmuur, betekenen dat hier potentiële vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn. De overige bebouwing (louter schuren behorende tot hetzelfde erf) herbergen geen potentiële vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen. Uit de visuele inspectie tijdens het dagbezoek in de winter 2007/2008 is verder gebleken dat zich in de aanwezige (grote) populieren langs de rand van het plangebied mogelijk ook vaste verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden. Tijdens de nachtelijke vleermuisbezoeken in 2008 zijn geen vaste verblijfplaatsen aangetroffen. Tijdens de nachtelijke vleermuisonderzoeken in 2010 is één verblijfplaats van een vleermuis aangetroffen. Op 16 juni werd namelijk een uitvliegende Gewone dwergvleermuis waargenomen vanuit het woonhuis. Aangezien tijdens de vervolgbezoeken geen uit- of invliegers meer zijn aangetroffen en ook geen baltsactiviteit is waargenomen, wordt gesteld dat het een tijdelijke verblijfplaats van een solitaire Gewone dwergvleermuis betreft. Dergelijke verblijfplaatsen zijn in veel gebouwen aan te treffen en worden slechts incidenteel gebruikt door solitaire dieren. Voor het verwijderen van dergelijke verblijfplaatsen hoeft dan ook geen ontheffing te worden aangevraagd, mits voorafgaand aan de sloop is vastgesteld dat vleermuizen afwezig zijn. Aangezien in het najaar van 2010 geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen, is het niet aannemelijk dat aankomende winterperiode (2010/ 2011) overwinterende vleermuizen aanwezig zijn in het pand.

Ontzien vleermuizen

Gezien het mobiele karakter van vleermuizen4 is vleermuizenonderzoek juridisch gezien slechts voor een bepaalde periode rechtsgeldig. Het Ministerie van LNV geeft te kennen dat er geen richtlijnen zijn voor hoe lang de resultaten van een vleermuizenonderzoek ‘houdbaar’ zijn. Over het algemeen wordt een periode van maximaal twee jaar aangehouden. Gezien de mogelijke (her)vestiging van vleermuizen in de toekomst dient de volgende strategie aangehouden te worden:

  • Sloop vóór half maart 2011:

Sloopwerkzaamheden die vóór half maart 2011 worden uitgevoerd, kunnen - vanuit het oogpunt van vleermuizen - zonder nadere voorwaarden plaatsvinden.

  • Sloop in periode half maart 2011 t/m half maart 2013:
  • 1. Indien de sloopwerkzaamheden uitgevoerd worden in de periode half maart 2011 tot en met half maart 2013, dient rekening gehouden te worden met de mogelijke (her)vestiging van vleermuizen;
  • 2. Om schade aan vleermuizen met zekerheid te voorkomen, dient in de actieve periode van vleermuizen – half maart t/m begin november – ongeveer een week voorafgaand aan de geplande sloop een controlebezoek uitgevoerd te worden om na te gaan of vleermuizen, door bijvoorbeeld (her)kolonisatie, aanwezig zijn;
  • 3. Het wordt aangeraden, indien de planning het toelaat, niet te slopen in de meest kwetsbare perioden van vleermuizen: de voortplantingsperiode (begin mei – half juli) en de overwinteringsperiode (begin november - half maart).
  • Sloop na half maart 2013:

Indien de sloop – voor circa half maart 2013 – niet haalbaar is, is een volledig actualiserend vleermuizenonderzoek in het seizoen voorafgaand aan de sloop noodzakelijk.

Vliegroutes

Van veel vleermuissoorten is bekend dat zij gedurende lange tijd gebruik kunnen maken van dezelfde structuren voor de oriëntatie en daarlangs van hun verblijfplaats naar de foerageergebieden trekken. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag van vleermuizen vormen bepaalde lijnvormige structuren (bijvoorbeeld rijen woningen, singels en watergangen) een belangrijk onderdeel van een vliegroute. Wanneer alternatieve structuren ontbreken zijn dergelijke structuren ‘onmisbaar’ en zodoende beschermd. Alleen langs de oostzijde van het plangebied (Venedijk- Noord) is een opgaande, lijnvormige structuur aanwezig. Gedurende een avondbezoek in de zomer van 2007 is gericht vleermuizenonderzoek uitgevoerd waarbij langs de Venedijk- Noord een vliegroute van Gewone dwergvleermuis is aangetroffen (Heinen et al. 2007). Deze soort kwam vanuit noordelijke richting aanvliegen en gebruikte de bomenrij langs de Venedijk- Noord als oriënterend element. Tijdens de nachtelijke onderzoeken in 2008 en 2010 is geen vliegroute van vleermuizen aangetoond. Inmiddels zijn enkele populieren verwijderd. Echter aan één zijde van de Venedijk- Noord blijft een bomenrij gehandhaafd, zodat ook in de toekomst de bomenrij als oriënterend element kan fungeren.Om schade aan vleermuizen te voorkomen is het raadzaam om spaarzaam om te gaan met de aan te brengen verlichting in de nabijheid van deze in 2007 aanwezige vliegroute. Een type verlichting dat niet naar de omgeving verstrooid maar lokaal de grond verlicht - bijvoorbeeld zogenaamde ‘marterverlichting’ – heeft de voorkeur. Op deze wijze zal de bomenrij ook na de herinrichting haar functie houden als geschikte vliegroute en zullen de inrichtingsplannen niet tot schade aan de migratiemogelijkheden van vleermuizen leiden.

Foerageergebieden

Foerageergebied van vleermuizen geniet binnen de Flora- en faunawetgeving geen juridische bescherming, tenzij het onmisbaar is voor het voortbestaan van een populatie. Binnen het plangebied zijn Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger in lage dichtheden foeragerend waargenomen. Van onmisbaar foerageergebied is echter geen sprake. Bovendien zal het plangebied naar verwachting ook na de voorgenomen ontwikkeling geschikt blijven als foerageergebied voor genoemde soorten.