| Gemeente: | Hardenberg |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Team: | |
| Contact: |
Aan de Elfde Wijk 7 in Rheezerveen is een woonerf aanwezig. Het erf bestaat uit een woonhuis met paardenstallen en omliggende tuin/gronden. In de huidige situatie kent het erf een agrarische functie, welke in 2014 aan het perceel is toegekend vanwege eerdere plannen om een rijhal te realiseren. De rijhal is uiteindelijk echter nooit gerealiseerd. De huidige eigenaar wenst de functie van het perceel weer terug te brengen naar de oorspronkelijke woonfunctie. Hiervoor dient een omgevingsplanwijiging te worden doorlopen. Voorliggend TAM-omgevingsplan maakt deze functiewijziging mogelijk.
Het plangebied is gelegen aan de Elfde Wijk 7, in het buitengebied tussen Dedemsvaart en Rheezerveen, ten zuidwesten van vakantiepark Het Stoetenslagh. De omgeving kenmerkt zich door een combinatie van agrarische bedrijven (met langgerekte verkavelingen), woonpercelen en (verblijfs)recreatiebedrijven.
Figuur 1: Ligging van het plangebied (witte onderbroken cirkel) ten opzichte van Rheezerveen en Dedemsvaart
Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg, welke met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van kracht is geworden. De meest recente versie van het omgevingsplan dateert van juni 2025. Binnen dit omgevingsplan is nog steeds het meest recente bestemmingsplan van toepassing. Dit betreft het bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg, Elfde Wijk 7 te Rheezerveen', welke op 16 september 2014 is vastgesteld. Dit bestemmingsplan is destijds opgesteld om de toentertijd van toepassing zijnde woonbestemming te wijzigen in een agrarische bestemming, ten behoeve van de bouw van een rijhal voor de productiegerichte paardenhouderij. De rijhal is er echter nooit gekomen, en het perceel (in gebruik als woonerf) kent nog steeds een agrarische bestemming.
Op basis van het bestemmingsplan uit 2014 zijn de volgende bestemmingen van kracht:
Daarnaast kent het perceel de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - productiegerichte paardenhouderij'.
Figuur 2: Weergave bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg, Elfde Wijk 7 te Rheezerveen'
Het 'TAM-omgevingsplan Elfde Wijk 7 Rheezerveen' bestaat uit de volgende stukken:
Op de verbeelding zijn de functies van de gronden die onder dit plan vallen weergegeven. In de planregels zijn bepalingen opgenomen die de uitgangspunten van het plan waarborgen. Bij het plan hoort tevens een motivering, waarin de achterliggende overwegingen en uitgangspunten van dit TAM-omgevingsplan worden toegelicht. Deze motivering is informatief van aard en maakt geen onderdeel uit van het juridisch bindende deel van het TAM-omgevingsplan.
In de huidige situatie is het erf aan de Elfde Wijk 7 in gebruik als woonerf met enkele bijgebouwen (hierin zijn vier paardenstallen aanwezig) en een rijbak. Naast het woonerf is een grote tuin aanwezig met vijver. De huidige agrarische bestemming is aan het erf toegekend in 2014 vanwege de voorgenomen bouw van een rijhal. Deze rijhal is echter nooit gerealiseerd, en er is verder niets veranderd ten opzichte van de situatie van vóór 2014.
De huidige eigenaren willen de functie van het perceel weer in overeenstemming brengen met het gebruik al woonerf. In voorliggend plan wordt het plangebied van bestemmingsplan '' Buitengebied Hardenberg, Elfde Wijk 7 te Rheezerveen' uit 2014 als plangrens aangehouden (zie figuur 2). De functiewijziging zelf heeft echter enkel betrekking op het erf en direct aangrenzende perceel met vijver. Dit gedeelte krijgt met voorliggend plan een woonfunctie. De overige gronden behouden de huidige agrarische functie. De functiewijziging betreft uitsluitend een wijziging van de planologische situatie; er vinden geen fysieke wijzigingen plaats.
Figuur 3: Begrenzing van het plangebied
In 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Nederland staat in de komende jaren voor een aantal opgaven van nationaal belang. De NOVI stelt dat grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw Nederland flink zullen veranderen. Deze opgaven moeten benut worden om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden. De NOVI biedt perspectief om de grote opgaven aan te pakken. Hierbij is omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit.
Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. In de NOVI wordt gesproken over een 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI beschrijft enerzijds een toekomstperspectief met ambities en anderzijds de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Deze opgaven zijn het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten. Op deze vier prioriteiten zijn beleidskeuzes gemaakt:
Om de beleidskeuze weloverwogen te maken worden drie afwegingsprincipes, die helpen bij het afwegen en prioriteren van de verschillende belangen en opgaven, gehanteerd namelijk:
In september 2025 is daarnaast de ontwerp-Nota Ruimte aangeboden aan te tweede kamer. De ontwerp-Nota Ruimte is de langetermijnvisie van het Rijk op de ruimtelijke inrichting van Nederland en maakt ruimtelijke keuzes voor 2030 en 2050, met een doorkijk naar 2100.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling
De NOVI heeft geen raakvlakken met een planologische functiewijziging waarbij verder geen fysieke ingrepen plaatsvinden. In de NOVI komen dan ook geen belemmeringen voor ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's); het Omgevingsbesluit (Ob), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit Bouwwerken leefomgeving (Bbl). Deze besluiten bevatten de regels voor het praktisch uitvoeren van de Omgevingswet.
Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
De instructieregels van het Rijk, zoals opgenomen in het Bkl hebben betrekking op:
Aanvullend op bovenstaande bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Hierbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling
In hoofdstukken 4, 5 en 6 van deze motivering wordt ingegaan op de verschillende milieu - en omgevingsaspecten. Hieruit komen geen belemmeringen naar voren. De rijksinstructieregels vormen geen belemmering voor de functiewijziging van agrarisch naar wonen.
De omgevingsvisie is het beleidsinstrument voor provincies om richting te geven aan ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. De visie benoemt de integrale ambitie, centrale opgaven en strategie op thema's als ruimte, natuur, water, landschap, verkeer en cultureel erfgoed. Ook schetst de omgevingsvisie vanuit deze integrale benadering de koers voor het wonen, werken en recreëren in de provincie.
In 2017 is de Omgevingsvisie en -verordening 2017 vastgesteld. De laatste (ontwerp) actualisatie is van 8 november 2023. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet om de belangrijke thema's uit de Omgevingsvisie juridisch te borgen.
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Om de opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities van de provincie waar te maken bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie verschillende niveaus. Aan de hand van deze drie niveaus kan worden bepaald of er een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en of er behoefte aan is, waar het past in de Omgevingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. De volgende niveaus komen aan de orde:
Figuur 4: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)
Generieke beleidskeuzes (Of)
Generieke beleidskeuzes vloeien voort uit keuzes van de EU, het Rijk of de provincie. Deze keuzes kunnen bepalen of ontwikkelingen mogelijk zijn of niet. Het uitvoeringsmodel vraagt bij nieuwe ontwikkelingen dus eerst te kijken naar het niveau van generieke beleidskeuzes. Een aantal beleidskeuzes geldt nagenoeg voor alle ontwikkelingen op alle locaties in Overijssel:
Bovenstaande beleidskeuzes geven invulling aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. Hiermee wordt een nadere invulling aan de Ladder voor duurzame verstedelijking gegeven. In paragraaf 4.3.2 wordt nader getoetst aan bovenstaande principes, aan de hand van de desbetreffende artikelen uit de provinciale omgevingsverordening.
Gebiedsspecifieke beleidskeuzes
Onderstaand worden kort de gebiedsspecifieke beleidskeuzes die van toepassing zijn op het plangebied opgesomd:
Ontwerp-Omgevingsvisie 'Overijssel voor en met elkaar'
Van mei tot juli 2027 heeft de ontwerp-omgevingsvisie 'Overijssel voor en met elkaar' ter inzage gelegen. Hoewel de nieuwe omgevingsvisie nog niet is vastgesteld, en daarmee de bovenstaand beschreven omgevingsvisie nog vigerend is, wordt wel vast aan de ontwerp-omgevingsvisie getoetst.
De nieuwe Omgevingsvisie richt zich op het toekomstbeeld voor Overijssel in 2035, met een doorkijk naar 2050. De komende jaren liggen er forse uitdagingen op het gebied van klimaat, energie, natuur, landbouw, woningbouw, economie en mobiliteit. In de omgevingsvisie schetst de provincie welke ontwikkelingen waar wel of niet kunnen plaatsvinden, en hoe de provincie dit voor elkaar wil krijgen. Daarnaast wil de provincie oog houden voor het bestaande waarden, en deze behouden. Vanwege de variatie in mensen, landschappen, steden en dorpen, verschilt de visie en aanpak per gebied.
In de nieuwe omgevingsivisie heeft de provincie een redeneerlijn neergezet. Niet alle ontwikkelingen kunnen namelijk altijd en overal. Bij het uitwerken van opgaven en het stellen van doelen, zijn er daarom drie vragen van belang: Of? Waar? Hoe?
Bij de 'of' vraag, gaat het om een duiding van de opgave of het initiatief. Past het initiatief binnen de omgevingsvisie en draagt het ook bij aan andere doelen of opgaven? Bij de 'waar' vraag gaat het om een onderbouwde locatiekeuze. Hiervoor heeft de provincie leidende principes en de redenaarlijn opgesteld. Dit biedt kaders bij het maken van een afweging. Bij de 'hoe' vraag gaat het om een beschrijving van het doorlopen proces en de participatie.
Op basis van de ontwerp-omgevingsvisie ligt de locatie aan de Elfde Wijk 7 in Rheezerveen in verschillende gebiedsaanwijzingen: 'dagelijks stedelijk systeem regio Zwolle', 'landbouwgebied met generieke opgaven en kansen', 'voorkeursgebied wind', 'wateraanvoer mogelijk', en 'zandgrond'. Onderstaand wordt aan de meest relevante gebiedsaanwijzing getoetst.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling
De generieke en gebiedsspecifieke beleidskeuzes uit de vigerende omgevingsvisie hebben geen doorwerking op voorliggend plan omdat het niet gaat om een nieuwe (fysieke) ontwikkeling, maar enkel om het planologisch vastleggen van het gebruik als woonperceel. Het plan past binnen de provinciale beleidsdoelstellingen uit de vigerende omgevingsvisie.
Daarnaast is het initiatief in overeenstemming met de ontwerp-omgevingsvisie. Het plan betreft enkel de functiewijziging van agrarisch naar wonen. Gezien er geen sprake is van een agrarisch bedrijf, wordt daarmee een passende functie aan het perceel toegewezen. Het initiatief is dan ook passend binnen de voorgenoemde redeneerlijn als het gaat om de wenselijkheid van het plan en de locatie. Daarnaast heeft er ten behoeve van het plan participatie plaatsgevonden met de directe omwonenden (zie ook Bijlage 3).
In de landbouwgebieden met generieke opgaven en kansen wil de provincie inzetten op het beschermen van de ruimte voor de landbouw. Met voorliggend plan wordt de functie van het perceel aan de Elfde Wijk 7 in overeenstemming gebracht met het gebruik als woonperceel in combinatie met het hobbymatig houden van dieren. De functiewijziging vormt geen belemmering voor in de omgeving aanwezige agrarische bedrijven, gezien voldoende afstand wordt bewaard. Daarmee is het plan ook in overeenstemming met de ontwerp-omgevingsvisie.
De omgevingsverordening van de provincie Overijssel is in 2017 door de Provinciale Staten vastgesteld en is opnieuw in werking getreden na invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024. De meest recente versie dateert van 1 mei 2025. In de verordening staan alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. De verordening is onderdeel van de beleidscyclus van de provincie en één van de instrumenten waarmee wordt gewerkt aan de in de omgevingsvisie geschetste ambities. De omgevingsverordening is erop gericht om door middel van instructieregels en rechtstreeks werkende regels een goede balans te bereiken tussen het beschermen en borgen van belangen en het mogelijk maken van ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. De instructieregels gelden onder meer voor onderwerpen als natuur, landschap, erfgoed, milieu, klimaat, ruimtelijke inrichting of verkeer.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling
De provinciale omgevingsverordening bevat artikelen (op basis van de generieke beleidskeuzes uit de omgevingsvisie) die relevant zijn voor nieuwe ontwikkelingen. Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling zijn geen specifieke artikelen van toepassing. Met de voorgenomen ontwikkeling vinden geen fysieke wijzigingen plaats. Het gaat enkel om het planologisch vastleggen van de feitelijke situatie als woonerf.
De Omgevingsvisie van de gemeente Hardenberg is opgesteld in het kader van de Omgevingswet en vormt de integrale langetermijnvisie voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving richting het jaar 2040. De visie is door de gemeenteraad vastgesteld en geldt als strategisch beleidskader voor ruimtelijke, economische, ecologische en sociale opgaven binnen het grondgebied van Hardenberg.In de visie beschrijft de gemeente haar transformatie van plattelandsgemeente naar een sterk en regionaal georiënteerd streekcentrum, onder de noemer Landstad Hardenberg.
Dit toekomstbeeld rust op vier centrale uitgangspunten:
Daarnaast is in de visie expliciet aandacht voor de verwevenheid van stad en platteland, behoud van landschappelijke kwaliteiten, het faciliteren van functieveranderingen op erven, en het belang van zorgvuldig ruimtegebruik. De visie benoemt dat niet alleen nieuwbouw of uitbreiding, maar ook kleinschalige ontwikkelingen zoals functiewijzigingen bijdragen aan het realiseren van de gemeentelijke doelen, mits passend in de omgeving.
De gemeente Hardenberg richt zich in haar Omgevingsvisie op het behouden en versterken van de bestaande kwaliteiten van het landschap en de leefomgeving. Ook bij functiewijzigingen staat dit uitgangspunt centraal. Ontwikkelingen worden in beginsel mogelijk gemaakt, mits ze niet strijdig zijn met de omgevingskwaliteit en zorgvuldig worden onderbouwd. De visie richt zich daarbij op het bevorderen van zorgvuldig en toekomstbestendig ruimtegebruik, waarbij ontwikkelingen in balans moeten zijn met de kwaliteiten van de omgeving.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling
De voorgenomen ontwikkeling betreft een planologische functiewijziging van agrarisch naar wonen, zonder dat fysieke ingrepen of uitbreidingen plaatsvinden. Het gaat om een aanpassing die de feitelijke situatie juridisch-planologisch verankert, zonder impact op de ruimtelijke kwaliteit of het landschap.Deze ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten van de Omgevingsvisie van de gemeente Hardenberg. De gemeente zet in op het behouden en versterken van de bestaande kwaliteiten van het landschap en de leefomgeving, ook bij functiewijzigingen. Juist kleinschalige, zorgvuldig onderbouwde aanpassingen, zoals de onderhavige functiewijziging, worden in de visie benoemd als passend binnen de beleidsambities, mits deze niet strijdig zijn met de omgevingskwaliteit. De functiewijziging sluit dan ook aan bij het streven naar een evenwichtige inrichting van de fysieke leefomgeving zoals verwoord in de Omgevingsvisie, en levert een bijdrage aan het beleidsdoel van zorgvuldig en toekomstbestendig ruimtegebruik.
In het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg, Elfde Wijk 7 te Rheezerveen', die sinds 1 januari 2024 van rechtswege onderdeel is van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg, is in de functie 'Agrarisch' en wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor een functiewijziging naar 'Wonen'. In artikel 3.5.3 van voorgenoemd bestemmingsplan is opgenomen dat een functiewijziging naar 'Wonen' mogelijk is, wanneer wordt voldaan aan de volgende bepalingen:
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling
Het plan voldoet aan de vereiste dat het bouwvlak wordt verwijderd. Ter plaatse van het huidige erf met bijbehorende tuin, is een woonfunctie opgenomen. Ter plaatse van de naastgelegen agrarische gronden geldt nog steeds een agrarische functie. Gezien de nieuwe systematiek van de gemeente Hardenberg onder de Omgevingswet, betreffen dit de bestemmingen 'Wonen - Wonen in landelijk gebied' en 'Agrarisch - Agrarisch in landelijk gebied'. Ten opzichte van de woning aan de Elfde Wijk 7 wordt voldoende afstand gehouden tot omliggende agrarische bedrijven en gronden. Daarnaast wordt het aantal woningen op het perceel niet uitgebreid. Het gaat enkel om het wijzigen van de functie van de bestaande woning, welke wettelijk reeds beschermd is voor externe milieuinvloeden.
Geluid is voor veel activiteiten in de fysieke leefomgeving een relevant aspect. Sommige activiteiten zijn een bron van geluid, andere activiteiten worden er aan blootgesteld. De regels voor geluid gaan over het beheersen van geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidsgevoelige gebouwen zoals woningen. De regelgeving omtrent geluid waar aan moet worden voldaan is opgenomen in het Bkl, de omgevingsverordening en het omgevingsplan. Daarnaast mogen bedrijven in de omgeving niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering door een nieuwe ontwikkeling en moet er binnen en rond het plangebied sprake blijven van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
De instructieregels uit het Bkl wijzen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.21) en geluidgevoelige ruimten (artikel 3.22) aan. Dit ter bescherming van mensen tegen geluid. Het gaat hierbij om aanwezige, in aanbouw zijnde en geprojecteerde gebouwen. Voor het toelaten van een nieuwe activiteit met een geluidgevoelig gebouw of geluidgevoelige ruimte moet er sprake zijn van een aanvaardbaar geluidsniveau. Anderzijds dient er bij een nieuwe ontwikkeling of activiteit ook sprake te zijn van een aanvaardbaar geluidsniveau in reeds aanwezige geluidgevoelige gebouwen of ruimten en mag een nieuwe woning of andere geluidgevoelige functie reeds aanwezige activiteiten niet al te zeer beperken.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling
De voorgenomen ontwikkeling betreft een planologische functiewijziging van agrarisch naar wonen, waarbij geen fysieke aanpassingen worden doorgevoerd. De woning is reeds aanwezig en wordt reeds als zodanig gebruikt. Er worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten toegevoegd, noch wordt de situering van bestaande functies gewijzigd. Omdat sprake is van een bestaand woonerf zonder fysieke uitbreiding, is er geen sprake van een nieuwe geluidgevoelige functie in de zin van het Bkl. Ook is er geen toename van geluidbelasting op omliggende geluidgevoelige objecten te verwachten. Er zijn vanuit het aspect geluid dan ook geen beperkingen of belemmeringen voor de voorgenomen functiewijziging.
Het is van belang om te weten of de bodemkwaliteit binnen het plangebied past bij de voorgenomen ontwikkeling. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico's opleveren voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt ingegaan op welke wijze er bij de voorgenomen ontwikkelingen rekening wordt gehouden met de bodemkwaliteit.
Het Bkl bevat regels ter bescherming van de gezondheid en het milieu voor het aspect bodem. Deze regels zijn via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl. In het aanvullingsbesluit is bepaald voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen drie basisvormen van bodemgebruik; landbouw/natuur, wonen en industrie.
Het bodembeleid is er op gericht om de gebruikswaarde van de bodem te waarborgen en het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen te faciliteren door in onderlinge samenhang:
Een bodemgevoelig gebouw is in het Bkl omschreven als een gebouw, of een gedeelte daarvan dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn (incl. woonschepen en woonwagens). Een bijbehorende bouwwerk van ten hoogste 50 m2 wordt niet beschouwd als bodemgevoelig gebouw. Daarnaast wijst het Bkl ook bodemgevoelige locaties aan. Dit zijn de locaties waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, onmiddellijk aan een bodemgevoelige locatie grenzende aaneengesloten tuin of terrein (incl. tuinen en terrein grenzend aan locaties voor woonschepen of woonwagens).
In het omgevingsplan stelt de gemeente de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage XIIA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De interventiewaarden voor bodemkwaliteit zijn in Bijlage IIa bij het Besluit activiteiten leefomgeving gegeven.
In september 2025 is door Kruse Groep een verkennend en nader (asbest)bodemonderzoek (conform NEN5740 en NEN5707) uitgevoerd (Bijlage 1). Ter plekke van het voormalig agrarisch erf en het weiland zijn in de boven- en ondergrond en in het grondwater enkele (zeer) lichte verontreinigingen aangetoond. Daarnaast is er op één locatie asbest aangetoond. Aangezien de tussenwaarden (grond) en signaleringsparameters (grondwater) in geen geval worden overschreden,is het uitvoeren van een nader bodemonderzoek niet noodzakelijk.
In de bovengrond (erf) ter plekke van gat 17 is asbest aangetoond. Het gewogen asbestgehalte is hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Het gewogen asbestgehalte wordt bepaald door de grove fractie (stukje golfplaat) en is grotendeels toe te schrijven aan de aanwezigheid van amfibool asbest. Bij het nader asbestonderzoek is in sleuf S1 zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een asbestverontreiniging en dat sanering niet noodzakelijk is.
Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen het toebedelen van een woonfunctie aan de locatie, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.
Om de risico's van luchtverontreiniging voor mens en natuur te beperken, zijn op Europees niveau normen vastgelegd. De Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen in de lucht stellen grenswaarden en streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de buitenlucht beïnvloeden. Deze zijn als rijksomgevingswaarde vastgelegd in paragraaf 2.2.1 van het Bkl. De provincie en de gemeente kunnen lokale omgevingswaarden voor de buitenlucht in de omgevingsverordening en het omgevingsplan opnemen.
In artikel 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn standaardgevallen opgenomen welke niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling
De voorgenomen ontwikkeling betreft een planologische functiewijziging van een perceel van agrarisch naar wonen, zonder fysieke aanpassingen of uitbreiding van de bestaande bebouwing of het gebruik. De woning is reeds aanwezig en wordt reeds als zodanig gebruikt. Er is dan ook geen sprake van nieuwe verkeersbewegingen of een toename van de emissiebronnen. De voorgenomen ontwikkeling leidt derhalve niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit en staat niet in de weg aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. Geurgevoelige gebouwen dienen beschermd te worden tegen geurbelasting van activiteiten in de omgeving. De instructieregels van het Rijk voor het aspect geur zijn opgenomen in het Bkl. De instructieregels van het Rijk gelden voor zuiveringstechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor overige activiteiten stelt de gemeente in het omgevingsplan eigen omgevingswaarden. Artikel 5.91 van het Bkl wijst geurgevoelige gebouwen aan die in ieder geval bescherming genieten. Hierbij gaat het onder meer om woningen of gebouwen met een zorg- of onderwijsfunctie. Voor overige gebouwen of locaties stelt de gemeente in het omgevingsplan eigen normen voor de mate van geurbescherming. Indien er sprake is van milieubelastende activiteiten gelden specifieke beoordelingsregels uit artikel 8.20 Bkl.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling
De voorgenomen ontwikkeling betreft een planologische functiewijziging van het perceel van agrarisch naar wonen. Het betreft een bestaande woning die reeds als zodanig wordt gebruikt. Er worden geen nieuwe geurgevoelige gebouwen toegevoegd en er vindt geen fysieke uitbreiding van het gebruik plaats. In de directe omgeving zijn geen veehouderijen of andere geurbronnen aanwezig die, gelet op afstand en omvang, aanleiding geven tot belemmeringen in de bedrijfsvoering. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen functiewijziging.
Het onderdeel trillingen is niet van toepassing op voorliggend plan. Met dit plan wordt geen activiteit toegestaan die trillingen veroorzaakt. Ook zijn in de directe omgeving geen bronnen aanwezig die structureel trillingen veroorzaken. Gelet op het voorgaande is het aspect trillingen niet relevant voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van dit plan. Het aspect trillingen vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen functiewijziging.
De voorgenomen ontwikkeling betreft een planologische functiewijziging van agrarisch naar wonen, zonder enige fysieke wijziging van bestaande bebouwing of verlichting. Met deze ontwikkeling wordt geen functie toegestaan die tot lichthinder zou kunnen leiden. In de directe omgeving zijn geen lichtintensieve functies aanwezig die aanleiding geven tot aandacht voor het aspect lichthinder. Gelet hierop is het aspect licht niet relevant voor deze ontwikkeling en vormt het geen belemmering voor de planologische functiewijziging.
Een project of activiteit kan mogelijk gevolgen hebben met de waterhuishouding in en rond het plangebied of locatie van de activiteit. De regelgeving hiervoor is vastgelegd in de Waterschapsverordening van het Waterbeheerprogramma van waterschap Rijn en IJssel en eventueel de waterkwaliteitsdoelstellingen van de Kaderrichtlijn water (KRW). Ook gemeentelijk beleid met betrekking tot waterhuishouding en klimaatadaptatie is van belang.
De regels voor het beschermen van de waterbelangen zijn opgenomen in paragaaf 5.1.3 van het Bkl. Artikel 5.37 Bkl stelt dat er rekening dient te worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersysteem en dat, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van het watersysteem (het waterschap) worden betrokken. Daarnaast kan het omgevingsplan ook specifieke regels over onderdelen van het watersysteem bevatten. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt.
Het project heeft enkel betrekking op de planologische functiewijziging van agrarisch naar wonen, zonder dat er fysieke ingrepen plaatsvinden die gevolgen hebben voor het watersysteem.
Op 31 juli 2025 is het online wateradvies doorlopen. Hieruit volgt dat er met de ontwikkeling geen waterschapsbelangen worden geraakt. Waterschap Vechtsromen heeft daarom geen bezwaar tegen het plan. Een uitgebreide toetsing van het watertoetsresultaat door Waterschap Vechtstromen is niet noodzakelijk (zie Bijlage 2 bij deze motivering).
Voorliggend plan heeft geen gevolgen voor het watersysteem en is op dit aspect uitvoerbaar.
Deze paragraaf gaat in op de wijze waarop bij de voorgenomen ontwikkeling de omgevingsveiligheid wordt gewaarborgd. Hierbij gaat het om de risico's die voortkomen uit de opslag, productie, gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Afdeling 5.1.2 van het Bkl bevat de instructieregels voor omgevingsveiligheid. De activiteiten die zijn aangewezen als risicobronnen worden benoemd in bijlage VII van het Bkl. Deze risicobronnen zijn belang voor de regels met betrekking tot aandachtsgebieden en het plaatsgebonden risico. De in bijlage VII benoemde activiteiten zijn:
Artikelen 5.12 t/m 5.15 van het Bkl gaan in op de aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico's. Deze aandachtsgebieden gelden van rechtswege en worden vastgelegd in de digitaal raadpleegbare Register Externe Veiligheid, wat online raadpleegbaar is. Binnen deze aandachtsgebieden moet rekening worden gehouden met het groepsrisico door ter plaatse van het risicogebied geen kwetsbare gebouwen en/of (beperkt) kwetsbare locaties toe te laten. Middels voorschriftgebieden kunnen extra maatregelen worden opgelegd waardoor deze gebouwen en locaties wel toelaatbaar zijn. Deze maatregelen zijn als extra bouweisen vastgelegd in paragraaf 4.2.14 van het Bbl.
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen externe veiligheidsrisico's aanwezig die directe gevolgen hebben voor het plan. Op een afstand van circa 1,0 kilometer zijn enkele opslagtanks voor gas aanwezig. De locatie aan de Elfde Wijk 7 in Rheezerveen is echter gelegen buiten de daarbij behorende aandachtsgebieden of plaatsgebonden risicocontouren.
De functiewijziging vindt plaats binnen een gebied zonder relevante externe veiligheidsrisico’s, waardoor er geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling vanuit het aspect omgevingsveiligheid.
De regels van artikel 5.130 Bkl stellen dat er in het omgevingsplan rekening dient te worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, inclusief bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Het gemeentelijke omgevingsplan bevat derhalve regels over:
Aanvullend kan het omgevingsplan ook regels bevatten die eisen stellen aan archeologisch onderzoek, de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding. Regels voor archeologisch onderzoek zijn niet van toepassing op activiteiten met een oppervlakte minder dan 100 m2, tenzij in het omgevingsplan andere oppervlakten worden vastgesteld.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling
Omdat er bij de voorgenomen functiewijziging geen fysieke ingrepen plaatsvinden en de situatie ter plaatse ongewijzigd blijft, zijn er geen risico’s voor het behoud van cultureel erfgoed of archeologische waarden. Archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en is van toepassing op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling betreft een planologische functiewijziging van agrarisch naar wonen, zonder fysieke uitbreiding of toevoeging van nieuwe woningen. Er is dan ook geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. De Ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing op dit plan.
Het plangebied kent in het bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg, Elfde Wijk 7 te Rheezerveen' uit 2014 de functie 'Agrarisch met waarden - Open veenontginningslandschap'. Op basis van de Landschap Identiteit Kaart (LIK) zijn hieraan verscheidene kenmerken en ontwikkelkansen toegekend. Deze zijn niet gelijk van toepassing op voorliggend plan. De voorgenomen ontwikkeling betreft uitsluitend een planologische functiewijziging van agrarisch naar wonen. Er worden geen fysieke veranderingen aan het erf of het omliggende landschap gerealiseerd. Het bestaande woonhuis, de stallen en de inrichting van het perceel blijven ongewijzigd. De wijziging heeft daarmee geen invloed op het landschap en tast de bestaande landschappelijke waarden in het gebied niet aan. Er is dan ook geen sprake van negatieve effecten op de belevingswaarde of ruimtelijke kwaliteit van het gebied.
De voorgenomen ontwikkeling betreft uitsluitend een planologische functiewijziging, zonder fysieke aanpassingen aan het perceel of de bebouwing. Omdat geen bouwactiviteiten worden gerealiseerd, is toetsing aan welstandscriteria of nadere beoordeling van de ruimtelijke kwaliteit niet aan de orde. De geldende welstandscriteria uit de welstandsnota buitengebied blijven voor deze locatie van toepassing. Daarmee zijn de ruimtelijke kwaliteit en welstand voldoende verzekerd.
De bescherming van natuurwaarden is een integraal onderdeel van de fysieke leefomgeving, zoals bedoeld in de Omgevingswet. Deze bescherming richt zich zowel op aangewezen natuurgebieden als op het behoud van in het wild levende dier- en plantensoorten. In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze in het kader van dit plan rekening is gehouden met de geldende wettelijke verplichtingen en beschermingsregimes op het gebied van natuur.
Het plan voorziet niet in activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken, zoals bouwwerkzaamheden of een toename van verkeer of emissiebronnen. Ook zijn geen fysieke ingrepen voorzien die ruimtelijke effecten hebben op nabijgelegen beschermde natuurgebieden. Gebiedsbescherming is dan ook niet van toepassing en vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Voor het voorliggende plan zijn echter geen bouw-, sloop- of andere fysieke werkzaamheden voorzien die tot aantasting van beschermde soorten of hun leefomgeving kunnen leiden. Er is uitsluitend sprake van een planologische functiewijziging. Het aspect soortenbescherming is daarom niet relevant en vormt geen belemmering voor het plan.
Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan geen negatieve effecten heeft op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Natuurbescherming vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
De locatie is niet gelegen in een beperkingengebied. Dit aspect is daarom niet relevant voor voorliggend plan.
Het plan betreft uitsluitend een planologische functiewijziging zonder enige fysieke ingrepen in de ondergrond. Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd die gevolgen kunnen hebben voor aanwezige kabels of leidingen. Om die reden is het aspect kabels en leidingen niet relevant voor dit plan.
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) toetst of er sprake is van een plan of ontwikkeling met grote milieugevolgen. Bij besluiten die mogelijk grote gevolgen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of de voorgenomen ontwikkeling negatieve milieueffecten heeft ten aanzien van de fysieke leefomgeving. In deze paragraaf wordt hier verder op in gegaan.
Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat samen met hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) de regelgeving over de milieueffectrapportage. Op basis van deze regels is een plan-m.e.r. verplicht voor een plan:
Bijlage V van het Ob bevat een niet-limitatieve lijst met projecten met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Ook voor andere dan in de lijst genoemde projecten kan eventueel een beoordeling nodig zijn om na te gaan of er sprake is van mogelijke aanzienlijke milieueffecten.
Voor kleinere (lokale) ontwikkelingen of kleine wijzigingen bestaat de plan-m.e.r.-beoordeling als opvolger van de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De plan-m.e.r.-beoordeling is verplicht wanneer een ontwikkeling leidt tot mogelijke aanzienlijke milieueffecten en significantie gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. De plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob worden genoemd.
Voor het voorliggend plan is enkel sprake van een planologische functiewijziging zonder fysieke ingrepen. Er worden geen activiteiten mogelijk gemaakt die m.e.r.-plichtig zijn of kunnen leiden tot significante milieugevolgen.
Er is geen sprake van mogelijke significante milieugevolgen, waardoor een mer-beoordeling niet aan de orde is.
Voor het voorliggende plan wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente. In deze overeenkomst is vastgelegd dat eventuele aanspraken op nadeelcompensatie volledig voor rekening van de initiatiefnemer komen. Tevens zijn de gemeentelijke kosten in de overeenkomst opgenomen. Daarmee is het kostenverhaal voor de gemeente volledig en juridisch afdoende verzekerd.
De initiatiefnemer heeft voorafgaand aan de ter inzagelegging van voorliggend plan de omliggende buren op de hoogte gesteld van het plan. Hieruit zijn geen opmerkingen of bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling naar voren gekomen. Zie ook het participatieverslag in Bijlage 3.
Het ontwerp omgevingsplan zal ter kennisgeving naar provincie Overijssel en waterschap Vechtstromen worden verstuurd.
Deze wijziging van het omgevingsplan heeft voor een periode van zes weken als ontwerp ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.
Op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet moet het omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente voorzien in regels die bijdragen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen met betrekking tot de belangrijkste thema’s die bij deze toedeling in acht moeten worden genomen.
Het omgevingsplan dient daarbij onder meer aandacht te besteden aan:
Deze thema’s zijn in de hoofdstukken 3 tot en met 10 afzonderlijk beoordeeld. Uit deze beoordeling blijkt dat bij de voorliggende functiewijziging met alle relevante aspecten rekening is gehouden. Daarmee wordt met dit plan een zorgvuldige en evenwichtige toedeling van functies aan locaties geborgd.