Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Radewijkerweg 9 en Noord-Oosterweg 25 Radewijk
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0160.0000TAM0036-VG01

Regels

 
Dit plan beoogt een woonfunctie mogelijk te maken op de locatie Radewijkerweg 7 & 9 te Radewijk en het perceel naast de Noord-Oosterweg 25 te Radewijk (Hardenberg). Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg. Technisch is het dat niet, maar dat hoeft ook nog niet. Juridisch moeten de hoofdstukken van dit plan worden gelezen als paragrafen van hoofdstuk 22aj van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg. Dus:
  • hoofdstuk 1 (Algemene bepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22aj, paragraaf 1;
  • hoofdstuk 2 (Functies en andere gebiedsaanwijzingen) moet worden gelezen als hoofdstuk, paragraaf 2;
  • hoofdstuk 3 (Algemene regels ten aanzien van activiteiten) moet worden gelezen als hoofdstuk 22aj, paragraaf 3;
  • hoofdstuk 4 (Procesregels) moet worden gelezen als hoofdstuk 22aj, paragraaf 4;
  • hoofdstuk 5 (Overgangsrecht en slotbepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22aj, paragraaf 5.
  • bijlage 1 moet worden gelezen als bijlage Z.22aj.1 (begripsbepalingen).
  • bijlage 2 moet worden gelezen als bijlage Z.22aj.2 (lijst toegestane kleinschalige bedrijfsactiviteiten).
  • bijlage 3 moet worden gelezen als bijlage Z.22aj.3 (ruimtelijk kwaliteitsplan Radewijkerweg 7 & 9)
  • Bijlage 4 moet worden gelezen als bijlage Z.22aj. 4 (ruimtelijk kwaliteitsplan perceel naast Noord-Oosterweg naast 25)
 
1 Algemene bepalingen
Artikel 1 Begripsbepaling
 
  1. De begripsbepalingen in Bijlage 1 bij dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing voor dit TAM-omgevingsplan.
  2. De begripsbepalingen in de volgende bijlagen zijn van toepassing voor dit TAM-omgevingsplan, tenzij in Bijlage 1 bij dit TAM-omgevingsplan daarvan is afgeweken:
    • bijlage bij de Omgevingswet;
    • bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving;
    • bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
    • bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
    • bijlage I bij het Omgevingsbesluit;
    • bijlage I bij de Omgevingsregeling.
 
Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen
 
  1. Voor dit TAM-omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:
    1. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
    2. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen worden hierbij buiten beschouwing gelaten;
    3. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
    4. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
    5. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Ruimten, zoals kelders en kruip- en soortgelijke ruimten, onder de onderzijde van de begane grondvloer - en tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren - worden niet meegerekend bij de inhoud van een bouwwerk, tenzij:
      • de onderzijde van de begane grondvloer op meer dan 0,3 meter boven peil is gelegen, of;
      • de kelder aan de buitenzijde een directe toegang heeft.
    6. In bestaande situaties wordt een kelder waarvan de onderzijde van de begane grondvloer op meer dan 0,3 meter boven peil is gelegen of de kelder aan de buitenzijde een directe toegang heeft, niet meegerekend bij de inhoud van een bouwwerk. Bij recreatiewoningen wordt de inhoud van een kelder onder de recreatiewoning wel meegeteld bij de inhoud van de woning;
    7. het bebouwingspercentage: een aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;
    8. de bruto vloeroppervlakte: de oppervlakte van een ruimte of van een groep van ruimten gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen;
    9. de verkoopvloeroppervlakte: de vloeroppervlakte van alle voor mensen toegankelijke ruimten binnen een gebouw voor detailhandel, onder welke ruimten niet zijn begrepen opslag-, personeels-, sanitaire en andere dienstruimten, garderobes en keukens;
    10. de ashoogte van een windturbine:
      • turbines met een horizontale as: vanaf het middelpunt van de as van de wieken tot aan het aansluitende afgewerkte terrein;
      • turbines met een verticale as: vanaf de rotor tot aan het aansluitende afgewerkte terrein;
    11. de tiphoogte van een windturbine:
      • turbines met een horizontale as: de ashoogte van een windturbine plus de straal van de rotorcirkel;
      • turbines met een verticale as: de ashoogte van een windturbine plus het deel van de rotorbladen dat daarbovenuit steekt;
    12. de rotordiameter van een windturbine: deze wordt bepaald door het maximale bereik van de rotordiameter, gemeten loodrecht op de as;
    13. wijziging van een (spoor)weg: daaronder wordt bij een weg verstaan:
      • het verplaatsen van een of meer rijstroken met meer dan 2 meter;
      • het verhogen of verlagen van de rijstroken met meer dan 1 meter;
      • een toename van het aantal rijstroken, niet zijnde voorsorteerstroken en in- en uitvoegstroken;
      • het vervangen van een wegdek door een minder stil wegdek; of,
      • het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de weg; en bij een spoorweg:
      • het verhogen van de maximumrijsnelheid;
      • het vervangen van spoormaterieel door minder stil spoormaterieel; of,
      • het verhogen van de treinintensiteit.
    14. waar waarden gelden:
      • op een gevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen:
        • op de gevel als het gaat om een gevoelig gebouw; en,
        • op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen gevoelig gebouw;
      • op de begrenzing van een locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen als het gaat om een woonschip of woonwagen; en
      • in een gevoelige ruimte, als het gaat om een gevoelige ruimte.
    15. de waarden voor geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen of in geluidgevoelige ruimten zijn niet van toepassing op:
      • het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; en,
      • onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd.
  2. Bij de toepassing van het bepaalde over het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de grens van de locatie of de rooilijn met niet meer dan 1 meter wordt overschreden.
 
Artikel 3 Toepassingsbereik
 
  1. Het oude planologische regime is niet van toepassing op de locatie bedoeld in het derde lid. Onder het oude planologische regime wordt verstaan de besluiten bedoeld in artikel 4.6, lid 1 onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m van de Invoeringswet Omgevingswet die deel uitmaken van het omgevingsplan.
  2. De regels in afdeling 22.2 (activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen) met uitzondering van de artikelen 22.36 tot en met 22.39, en de regels in afdeling 22.3 (milieubelastende activiteiten) zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  3. De regels van dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locaties Radewijkerweg 7 en 9 te Radewijk en het perceel naast Noord-Oosterweg 25 te Radewijk zoals dat is begrensd in het GML-bestand NL.IMRO.0160.0000TAM0036-VG01, zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
Artikel 4 Doelen
 
  1. Dit omgevingsplan is met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op het uitoefenen van de bevoegdheden en taken van de gemeente Hardenberg als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en andere regels die met het oog daarop nodig zijn als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet.
  2. De gemeente Hardenberg staat voor een nieuwe periode van groei waarin we ons ontwikkelen tot landstad Hardenberg. Daarbij staan vier uitgangspunten centraal:
    1. De groei vasthouden en doortrekken, een stabiele bevolkingsgroei is daarbij een voorwaarde.
    2. Kwaliteiten toevoegen wordt belangrijker: we streven naar brede welvaart en een aantrekkelijke omgeving om te wonen, te werken of te ondernemen.
    3. Ruimte als troefkaart: daarmee onderscheiden we ons, in Hardenberg krijg je veel voor weinig.
    4. Bereikbaarheid en samenwerking als randvoorwaarden: we zijn een regionaal economisch en vervoersknooppunt voor noordoost-Nederland. Met de as Zwolle-Hardenberg als basis voor samenwerking en bereikbaarheid.
  3. De ontwikkeling naar landstad Hardenberg vindt plaats op basis van de volgende kenmerken:
    1. een grote verscheidenheid in het landelijk gebied;
    2. aantrekkelijk wonen;
    3. een vitale economie; en,
    4. samenbouwen aan een duurzame toekomst.
  4. Voor de 'kwetsbare landschappen' gelden de volgende specifieke doelstellingen:
    1. landschappelijk: het behouden en versterken van de gebiedseigen kenmerken en kwaliteiten van het ‘Besloten heideontginningslandschap’ zoals deze per (deel)gebied zijn beschreven in de tabellen van de Landschap Identiteit Kaarten (LIK's); en,
    2. functioneel: het bieden van ruimte aan nieuwe functies van het ‘Besloten heideontginningslandschap' zoals vastgelegd in de gemeentelijke ontwikkelingsvisie.
  5. Met het oog op het bereiken van deze doelstellingen kent het deelgebied de volgende functies met daaraan gestelde regels ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties:
    1. wonen in het Besloten heideontginningslandschap;
    2. agrarisch bedrijf in het Besloten heideontginningslandschap.
 
2 Functies en andere gebiedsaanwijzingen
Artikel 5 Wonen – Besloten heideontginningslandschap
 
5.1 Oogmerk
De regels over de functie 'Wonen – Besloten Heideontginningslandschap' in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
  1. het doelmatig gebruik van de bestaande woningen en het waarborgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; en,
  2. het behouden en verder ontwikkelen van het karakter van het kwetsbare landschap en het bouwen aan de ruimtelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van het landelijke wonen.
 
5.2 Toegestane gebruiksactiviteiten
5.2.1 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten
  1. De volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: wonen door één huishouden in een woning.
  2. In aanvulling op het eerste lid zijn de volgende ondergeschikte activiteiten aan het wonen toegestaan:
    1. statische opslag in gebouwen;
    2. het hobbymatig houden van landbouwhuisdieren;
    3. het exploiteren van kleinschalige bedrijfsactiviteiten onder de voorwaarden in artikel 5.2.2;
    4. het exploiteren van boerderijkamers onder de voorwaarden in artikel 5.2.3, ter plaatse van de aanduiding ‘creatief erf’;
    5. een uitkijktoren uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘uitkijktoren’;
    6. een uitkijk-container ter plaatse van de aanduiding ‘uitkijk-container’;
    7. ondergeschikte horeca, ter plaatse van de aanduiding ‘creatief erf’;
    8. een technische ruimte ter plaatse van de aanduiding ‘technische ruimte’;
    9. tuinen en erven.
 
5.2.2 Algemene regels kleinschalige bedrijfsactiviteiten
Voor het exploiteren van kleinschalige bedrijfsactiviteiten gelden de volgende voorwaarden:
  1. de exploitatie van de bedrijven zoals vermeld op de Lijst van toegestane kleinschalige bedrijfsactiviteiten in Bijlage 2 zijn in ieder geval toegestaan en ook de bedrijven die gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving daarmee gelijkwaardig zijn;
  2. de activiteit dient in hoofdzaak inpandig te worden verricht, met uitzondering van de activiteit ter plaatse van de aanduiding ‘creatief erf’;
  3. de gezamenlijke vloeroppervlakte (inpandig) aan kleinschalige bedrijfsactiviteiten mag niet meer bedragen dan 100 m², eventueel vermeerderd met een vloeroppervlakte voor een bed & breakfast van niet meer dan 100 m²;
  4. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – kleinschalig bedrijf’ mag de gezamenlijke vloeroppervlakte aan kleinschalige bedrijfsactiviteiten niet meer bedragen dan 925 m2 zoals vastgelegd in het ruimtelijk kwaliteitsplan in bijlage 3 bij de regels bij vaststelling van dit plan, eventueel vermeerderd met een vloeroppervlakte voor een bed & breakfast van niet meer dan 100 m2;
  5. degene die de activiteit uitoefent, dient ook de gebruiker te zijn van de woning of één van de woningen ter plaatse;
  6. er mag geen opslag van goederen in de openlucht plaatsvinden;
  7. er is voorzien in voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen als bedoeld in Artikel 6; en,
  8. niet toegestaan als kleinschalige bedrijfsactiviteit zijn:
    1. andere horeca-activiteiten dan bed & breakfast, horeca is uitsluitend toegestaan in de vorm van een bed & breakfast in de woning en/of één bijbehorend bouwwerk, alsmede ondergeschikte horeca.
    2. detailhandel, tenzij het ondergeschikte verkoop betreft, in direct verband met de kleinschalige bedrijfsactiviteit; en,
    3. kinderopvang.
 
5.2.3 Algemene regels boerderijkamers
Voor het exploiteren van boerderijkamers ter plaatse van de aanduiding ‘creatief erf’ gelden de volgende voorwaarden:
  1. de boerderijkamers mogen alleen worden gevestigd in een voormalige boerderij of in het kantoorgebouw;
  2. de gezamenlijke vloeroppervlakte van de boerderijkamers mag niet meer bedragen dan 100 m2;
  3. het aantal slaapplaatsen mag niet meer bedragen dan 15; en,
  4. er is voorzien in voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen als bedoeld in Artikel 6.
 
5.3 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
5.3.1 Aanwijzing vergunningplichtige afwijkende gebruiksactiviteiten
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten uit te voeren:
  1. kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis met - in afwijking van artikel 5.2.2 lid c en f - een groter vloeroppervlakte dan 100 m² en/of met opslag van goederen in de openlucht
  2. kleinschalige bedrijfsactiviteiten met – in afwijking van artikel 5.2.2 lid d - een groter vloeroppervlakte dan de 925 m2 zoals vastgelegd in het ruimtelijk kwaliteitsplan in bijlage 3 bij de regels bij vaststelling van dit plan en/of met opslag van goederen in de openlucht;
  3. koffie- en theeschenkerij, met uitzondering van ondergeschikte horeca ter plaatse van de aanduiding ‘creatief erf’;
  4. eenvoudige dagrecreatie; en,
  5. internetwinkels, al dan niet in combinatie met de opslag van goederen;
  6. het vergroten van het aantal huishoudens door woningsplitsing mits sprake is van een bestaande inwoningssituatie en voldoende ruimtelijke kwaliteit. Daarvan is sprake als de woningsplitsing wordt gerealiseerd in overeenstemming met de "Kaderstellende beleidsnotitie woningsplitsing bij inwoning" (datum vaststelling college 23 januari 2018) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s).
 
5.3.2 Beoordelingsregels afwijkmogelijkheden algemeen (nadere beoordelingsruimte)
De omgevingsvergunning wordt verleend indien de gebruiksactiviteit voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1. degene die de activiteit uitoefent, dient ook de gebruiker te zijn van de woning, uitgezonderd de activiteit als bedoeld in 5.3.1 onder f;
  2. de activiteit moet passen binnen de aard, schaal en het beeld van het perceel en de omgeving;
  3. de activiteit is ondergeschikt aan de woonfunctie;
  4. de activiteit mag geen onevenredige hinder opleveren voor de omgeving en vanuit milieuoogpunt toelaatbaar zijn;
  5. de activiteit mag de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de nabijgelegen gronden niet aantasten;
  6. een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met de kleinschalige bedrijfsactiviteit is toegestaan;
  7. de activiteit mag geen onevenredige nadelige invloed hebben op de afwikkeling van het verkeer en er moet sprake zijn van voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen als bedoeld in Artikel 6; en,
  8. het gebruik doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken als bedoeld in artikel Artikel 4 en 5.1.
 
5.4 Verboden gebruiksactiviteiten
5.4.1 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten
Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 5.2 en 5.3 is verboden. In ieder geval omvat het verbod:
  1. het gebruik van gronden en bouwwerken in combinatie met bedrijfsdoeleinden - anders dan kleinschalige bedrijfsactiviteiten - voor:
    1. horeca, met uitzondering van ondergeschikte horeca ter plaatse van de aanduiding ‘creatief erf’;
    2. detailhandel, met uitzondering van internetwinkels en een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met de kleinschalige bedrijfsactiviteit;
    3. activiteiten gericht op verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf;
    4. groothandel;
    5. reparatiewerkzaamheden voor particulieren van motorvoertuigen, vaartuigen of caravans.
  2. wonen in een zorgwoning door niet hulpbehoevenden of professionele hulpverleners die zorg- of hulpverlenen aan ter plaatse wonende hulpbehoevenden;
  3. opslag voor de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw; en,
  4. het anders dan hobbymatig houden van landbouwhuisdieren.
 
5.5 Toegestane ruimtelijke bouwactiviteiten
5.5.1 Aanwijzing toegestane ruimtelijke bouwactiviteiten
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in artikel 5.2 mits deze in overeenstemming is met Artikel 8.
 
5.6 Vergunningplichtige ruimtelijke bouwactiviteiten
5.6.1 Aanwijzing vergunningplichtige ruimtelijke bouwactiviteiten
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gebouwen te (ver)bouwen en bouwwerken te realiseren en deze in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in 5.2, anders dan de vergunningvrije bouwactiviteiten bedoeld in artikel 5.5.1.
 
5.6.2 Specifieke aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt, in aanvulling op de algemene indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.2, een tekening verstrekt waarop de volgende afstanden zijn aangegeven:
  1. de afstand tot het dichtstbijzijnde agrarische bouwvlak indien deze afstand minder dan 200 meter bedraagt; en,
  2. de afstand tot de functie recreatie indien deze afstand minder dan 50 meter bedraagt.
 
5.6.3 Vaste beoordelingsregels voor het bouwen
De omgevingsvergunning wordt verleend indien het (ver)bouwen van een gebouw of het realiseren van bouwwerk, geen gebouw zijnde, voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1. per bestemmingsvlak is maximaal 1 grondgebonden woning toegestaan, dan wel het bestaande aantal woningen;
  2. een woning mag uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwvlak, indien een bouwvlak aanwezig is.
  3. de inhoud van een woning mag niet meer bedragen dan 750 m3;
  4. de inhoud van een woning ter plaatse van de aanduiding ‘creatief erf’ bedraagt maximaal 750 m³, tenzij de bestaande inhoud reeds groter is; in dat geval is de bestaande inhoud toegestaan;
  5. de gezamenlijke oppervlakte van de bij de woning behorende bijbehorende bouwwerken bedraagt niet meer dan 150 m²;
  6. ter plaatse van de aanduiding ‘creatief erf’ bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van de bij de woning behorende bijbehorende bouwwerken niet meer dan de 1.105 m2 zoals vastgelegd in het ruimtelijk kwaliteitsplan in bijlage 3 bij de regels bij vaststelling van dit plan;
  7. bij (ver)bouw van een woning mogen de gevels niet gesitueerd worden op een afstand van minder dan 50 meter van de functie recreatie;
  8. voor de goothoogte, bouwhoogte en dakhelling van bouwwerken gelden de maatvoeringsbepalingen zoals in de tabel aangegeven;
Bouwwerken  
Maximale goothoogte  
Maximale bouwhoogte  
Minimale dakhelling  
Hoofdgebouw (1)  
3,5 meter  
10 meter  
30º  
Hoofdgebouw (2)
3,5 meter
10 meter
30º
Bijbehorende bouwwerken (3) 
3 meter  
6 meter  
18º  
Overkappingen  
 
3,5 meter  
 
Uitkijktoren ter plaatse van de aanduiding ‘uitkijktoren’
 
10 meter
 
Technische ruimte ter plaatse van de aanduiding ‘technische ruimte’
 
3 meter
 
Erf- en perceelsafscheidingen op ten minste 1 meter achter de voorgevelrooilijn  
 
2 meter  
 
Overige erf- en perceelsafscheidingen  
 
1 meter  
 
Overige andere bouwwerken  
 
10 meter  
 
(1) met dien verstande dat een hoofdgebouw voor maximaal 30 m2 van een kleinere dakhelling mag worden voorzien;
(2) met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘creatief erf’ een hoofdgebouw voor maximaal 50 m2 van een kleinere dakhelling mag worden voorzien;
(3) met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘creatief erf’ een bijbehorend bouwwerk voor maximaal 50 m2 van een kleinere dakhelling mag worden voorzien.
 
en,
  1. het bepaalde over bijbehorende bouwwerken is niet van toepassing op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk indien deze voldoet aan het bepaalde over hoofdgebouwen;
  2. een bouwwerk dat afwijkt van het bepaalde onder c, e en g en op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het TAM-omgevingsplan aanwezig is of gebouwd kan worden krachtens een vergunning voor bouwen, is toegestaan en mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, geheel of gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd.
 
5.6.4 Algemene beoordelingsregels afwijkmogelijkheden (nadere beoordelingsruimte)
  1. Voor bouwactiviteiten die niet in overeenstemming zijn met de in artikel 5.6.3 genoemde beoordelingsregels, gelden de volgende afwijkingsmogelijkheden:
    1. het in afwijking van artikel 5.6.3 onder b vergroten van de inhoud van de woning tot maximaal 1.000 m3 ;
    2. het in afwijking van artikel 5.6.3 onder f verkleinen van de minimale afstanden, mits een voldoende woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden en de bedrijfsvoering van omliggende (agrarische) bedrijven of recreatiefuncties hierdoor niet wordt belemmerd;
    3. het in afwijking van artikel 5.6.3 onder g verhogen van de toegestane goot- en/of bouwhoogte van het hoofdgebouw
    4. het in afwijking van artikel 5.6.3 onder g verlagen van de dakhelling van het hoofdgebouw of het toestaan van een plat dak;
    5. het in afwijking van artikel 5.6.3 onder g verhogen van de toegestane goot- en/of bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat de bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk ondergeschikt dient te blijven aan de bouwhoogte van het hoofdgebouw, of de goothoogte van het bijbehorend bouwwerk ondergeschikt blijft aan de goothoogte van het hoofdgebouw;
    6. het in afwijking van artikel 5.6.3 onder g verhogen van de toegestane bouwhoogte tot 3 meter voor erf- en terreinafscheidingen en 15 meter voor overige andere bouwwerken;
    7. het in afwijking van artikel 5.6.3 onder h verhogen van de toegestane bouwhoogte ter plaatse van de specifieke aanduiding – afwijkende maatvoering tot een maximale goothoogte van 3,5 meter, een bouwhoogte van 10 m en de mogelijkheid om een verdieping te realiseren.
  2. De volgende beoordelingsregels zijn daarbij van toepassing:
    1. het (ver)bouwplan leidt niet tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden;
    2. ten gevolge van het (ver)bouwplan is er ter plaatse van de (nieuwe) gevoelige ruimten sprake van een aanvaardbaar het woon- en leefklimaat;
    3. het (ver)bouwen van hoofdgebouwen is passend in het straat- en bebouwingsbeeld;
    4. het (ver)bouwen van hoofdgebouwen doet geen afbreuk aan de verkeersveiligheid;
    5. het bouwplan voorziet in voldoende parkeervoorzieningen. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen als bedoeld in Artikel 6;
    6. de inpassing op het erf en in het landschap vindt op zorgvuldige wijze plaats en wordt in stand gehouden, aan de hand van een ruimtelijk kwaliteitsplan dat in overeenstemming is met de toepasselijke gemeentelijke landschapsidentiteitskaart die geldt ten tijde van het verrichten van de bouwactiviteit; en,
    7. het bouwen doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken als bedoeld in de Artikel 4 en 5.1;
    8. bij het afwijken volgens artikel 5.6.4 onder g is de noodzaak voor een doelmatige bedrijfsvoering voldoende aangetoond.
 
5.6.5 Beoordelingsregels afwijkmogelijkheden windturbines (nadere beoordelingsruimte)
Voor windturbines die niet in overeenstemming zijn met de in artikel 5.6.3 en 5.6.4 genoemde beoordelingsregels, gelden de volgende afwijkingsmogelijkheden:
  1. windturbines zijn toegestaan in het besloten heideontginningslandschap. Voor dit landschapstype zijn er nadere beoordelingsregels van toepassing.
  2. In afwijking van de vaste beoordelingsregels zoals opgenomen in artikel 5.6.3 en 5.6.4 wordt de omgevingsvergunning ook verleend indien windturbines binnen het deelgebied ‘besloten heideontginningslandschap’ voldoen aan de volgende voorwaarden:
    1. De tiphoogte van de windturbine bedraagt niet meer dan 25 meter;
    2. Bij de inpassing van een windturbine op het erf en in het landschap dient op zorgvuldige wijze plaats te vinden en in stand te worden gehouden.
 
5.6.6 Instandhoudings- en voorwaardelijke verplichtingen
  1. Er dient uiterlijk binnen 12 maanden na het onherroepelijk worden van de woonfunctie op de locatie Radewijkerweg 9 sprake te zijn van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door de sloop van landschapsontsierende gebouwen conform het ruimtelijk kwaliteitsplan zoals opgenomen in Bijlage 3 bij de regels dat in overeenstemming is met de beleidsregels ‘Erven met kwaliteit’, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 28 januari 2020 of later door de raad vast te stellen vervangende beleidsregel(s).
  2. Er dient uiterlijk binnen 18 maanden na het onherroepelijk worden van de woonfunctie op de locatie Radewijkerweg 9 op zorgvuldige wijze inpassing op het erf en in het landschap plaats te vinden en in stand te worden gehouden, conform het ruimtelijk kwaliteitsplan zoals opgenomen in Bijlage 3 bij de regels dat in overeenstemming is met de toepasselijke gemeentelijke landschapsidentiteitskaart die geldt ten tijde van het uitvoeren van de maatregelen.
  3. Er dient uiterlijk binnen 18 maanden na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor het hoofdgebouw op de locatie Noord-Oosterweg 25 op zorgvuldige wijze inpassing op het erf en in het landschap plaats te vinden en in stand te worden gehouden, conform het ruimtelijk kwaliteitsplan zoals opgenomen in Bijlage 4 bij de regels dat in overeenstemming is met de toepasselijke gemeentelijke landschapsidentiteitskaart die geldt ten tijde van het uitvoeren van de maatregelen.
  4. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 2 en 3 indien in plaats van de landschapsmaatregelen zoals opgenomen in het ruimtelijk kwaliteitsplan andere landschapsmaatregelen worden getroffen, met dien verstande dat:
    1. de landschapsmaatregelen minimaal gelijk zijn aan de in het ruimtelijk kwaliteitsplan opgenomen landschapsmaatregelen en voorzien in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden;
    2. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden.
 
 
3 Algemene regels ten aanzien van activiteiten
Artikel 6 Parkeeractiviteiten
 
6.1 Parkeergelegenheid
  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van de parkeerbehoefte tot gevolg heeft.
  2. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw aan te leggen parkeergelegenheid; en,
    2. een parkeerbalans en toelichting hierop.
  3. De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing:
    1. er dient op eigen terrein in voldoende mate in parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, motorfietsen, fietsen of andere voertuigen te worden voorzien en standgehouden op of onder het gebouw, en/of op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw of terrein behoort. Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid indien wordt voldaan aan de "Parkeernormennota Hardenberg" (datum vaststelling raad 17 juli 2018) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s); en,
    2. de parkeergelegenheid dient qua maatvoering passend te zijn, gelet op het gebruik van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer. Er is sprake van een passende maatvoering indien deze is afgestemd op gangbare auto's, zoals opgenomen in de richtlijnen en maatvoering in de "Parkeernormennota Hardenberg" (datum vaststelling raad 17 juli 2018) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s); of,
    3. er kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en b:
      • indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit; en,
      • als wordt voorzien in een parkeergelegenheid die gelet op de parkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is, bijvoorbeeld in de vorm van alternatieve parkeerruimte in de nabijheid, daarbij rekening houdend met de reeds bestaande bebouwing ter plaatse en de mogelijkheid van dubbelgebruik.
  4. Er kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden ten aanzien van het realiseren en in standhouden van de parkeergelegenheid.
 
6.2 Laden en lossen
  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van het laden of lossen van goederen tot gevolg heeft.
  2. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw te realiseren laad- en losruimte; en,
    2. een beschrijving van de (aantallen) vervoersbewegingen.
  3. De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing:
    1. er dient aan, in of onder dat gebouw, of op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort in voldoende mate te zijn voorzien in laad- en losruimte; of
    2. er kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a:
      • indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit; en,
      • als wordt voorzien in een laad- en losruimte die gelet op de verkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is.
  4. Er kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden ten aanzien van het realiseren en in standhouden van de laad- en losruimte.
 
Artikel 7 Planologische gebruiksactiviteiten
 
7.1 Aanwijzing toegestane mantelzorg / extra huishouden
Het is toegestaan mantelzorg te bieden in een (bedrijfs)woning of het huishouden aan te vullen met een huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen.
 
7.2 (Pre)mantelzorg
  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten uit te voeren:
    1. voor zover niet vergunningvrij is toegestaan: het bieden van mantelzorg danwel het huisvesten van een extra huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij de bedrijfswoning;
    2. het tijdelijk bieden van pré-mantelzorg in een (bedrijfs)woning vooruitlopend op de verlening van mantelzorg.
  2. De omgevingsvergunning voor mantelzorg of een extra huishouden in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk van een bedrijfswoning wordt verleend indien de gebruiksactiviteit voldoet aan de volgende voorwaarden:
    1. het gebruik leidt niet tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
    2. het gebruik moet passen binnen de aard, schaal en het beeld van het perceel en de omgeving;
    3. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; en,
    4. het gebruik doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken voor het betreffende gebied en de betreffende functie.
  3. De omgevingsvergunning voor pré-mantelzorg wordt verleend als het bieden van pré-mantelzorg plaatsvindt in overeenstemming met de "Beleidsregel pré-mantelzorgwoningen gemeente Hardenberg" (datum vaststelling college 3 oktober 2023) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s).
 
7.3 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten
  1. Gebruiksactiviteiten die in strijd zijn met het karakter en het oogmerk van de aan locaties toegedeelde functies in Hoofdstuk 2 zijn verboden, een en ander behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functiegerichte gebruik van de gronden en bouwwerken.
  2. Het verbod in het eerste lid omvat in ieder geval het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) en aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (mer-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, tenzij er een locatie 'mer-activiteiten toegestaan' is opgenomen.
  3. Gebruiksactiviteiten die op grond dit hoofdstuk niet zijn toegestaan - rechtstreeks danwel na melding of middels een omgevingsvergunning - zijn verboden.
  4. Het gebruik als seksinrichting is verboden.
 
Artikel 8 Ruimtelijke bouwactiviteiten
 
8.1 Bestaande maatvoering toegestaan
  1. Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken meer bedragen dan op grond van dit artikel danwel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toegestaan worden aangehouden en in stand gehouden.
  2. In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, minder bedragen dan op grond van dit artikel danwel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toegestaan worden aangehouden en in stand gehouden.
 
8.2 Anti-dubbeltelregel
  1. Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
  2. Bouwwerken die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een vergroting van het oorspronkelijke bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of het gebruik daarvan, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
 
8.3 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten
  1. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken mits het in overeenstemming is met:
    1. artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; of,
    2. elders in het omgevingsplan algemeen vastgelegde vergunningvrije bouwactiviteiten (artikel 22.27 of diens opvolger), de toegedeelde functie én de vaste beoordelingsregels van dit omgevingsplan die op die locatie van toepassing zijn.
  2. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning bouwwerken te realiseren en in stand te houden ten behoeve van:
    1. nutsvoorzieningen;
    2. voorzieningen voor verkeer, parkeren en verblijf;
    3. groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen;
    4. waterhuishoudkundige voorzieningen.
  3. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een mechanische voorziening of technische installatie inclusief bijbehorende onderdelen zoals een omkasting (voor bijvoorbeeld luchtverversing, warmte- en/of koudeopwekking en elektriciteitsopwekkingssystemen) op de grond in het achtererfgebied te realiseren en in stand te houden, met uitzondering van windturbines.
  4. Voor de bouwwerken als bedoeld in het tweede en derde lid gelden de volgende voorwaarden:
    1. de bouwwerken behoren bij de toegedeelde functie;
    2. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter; en,
    3. de oppervlakte bedraagt maximaal 15 m2.
 
8.4 Aanwijzing vergunningplichtige bouwactiviteiten
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan:
  1. de bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 8.4 (toegestane bouwactiviteiten); en
  2. de toegestane bouwactiviteiten, als bedoeld in Hoofdstuk 2.
 
8.5 Vaste beoordelingsregels openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen
  1. De volgende vaste beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken voor openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen:
    1. de oppervlakte bedraagt per gebouw of bouwwerk niet meer dan 50 m²;
    2. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan 5 meter;
    3. de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 meter;
    4. de bouwhoogte van verlichtingsarmaturen bedraagt niet meer dan 12 meter; en,
    5. de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 10 meter.
  2. Voor een sport- of speeltoestel dat niet in overeenstemming is met het eerste lid, geldt de mogelijkheid tot het verhogen van de toegestane bouwhoogte, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
    1. niet hoger dan 4 meter; en,
    2. uitsluitend functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.
  3. Er kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, het bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid maatwerk- of vergunningvoorschriften worden gesteld aan de locatie en de bouwhoogte van gebouwen voor openbare nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsdoeleinden, indien deze meer dan 2,5 m bedraagt.
 
8.6 Algemene beoordelingsregels afwijkmogelijkheden voor bouwactiviteiten (nadere beoordelingsruimte)
  1. Voor bouwactiviteiten die niet in overeenstemming zijn met de regels voor bouwactiviteiten in hoofdstuk 2, gelden de volgende afwijkingsmogelijkheden:
    1. het afwijken tot niet meer dan 10% van de maten, afmetingen en percentages als opgenomen in hoofdstuk 2;
    2. het in geringe mate aanpassen van het beloop of het profiel van de wegen of de aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
    3. het afwijken van functie- of bebouwingsgrenzen, indien noodzakelijk ter aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein, of uit oogpunt van doelmatig gebruik van gronden en bebouwing, mits die afwijkingen ten opzichte van wat is aangegeven niet meer dan 5 m bedragen;
    4. het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits niet hoger dan 3 meter en de oppervlakte niet meer dan 50 m² bedraagt;
    5. het bouwen van een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 meter, onder andere onder de specifieke voorwaarden zoals opgenomen in lid 4 en 6; en,
    6. voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde bouwwerken voor:
      • ecologische voorzieningen, zoals uitkijkpunten en observatiehutten;
      • eenvoudige dagrecreatieve voorzieningen, zoals schuilgelegenheden, rustpunten en informatieborden,
    7. waarvan de oppervlakte niet meer dan 25 m2 en de bouwhoogte niet meer dan 12 meter mag bedragen.
  2. De volgende beoordelingsregels zijn daarbij van toepassing: er ontstaat geen onevenredige aantasting van:
    1. de functie- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of bouwwerken;
    2. de verkeersveiligheid;
    3. de parkeervoorzieningen;
    4. het bebouwingsbeeld;
    5. het landschap.
  3. Er kunnen met het oog op landschappelijke inpassing voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden om de inpassing op het erf en in het landschap op zorgvuldige wijze plaats te laten vinden en in stand te houden, aan de hand van een ruimtelijk kwaliteitsplan dat in overeenstemming is met de toepasselijke gemeentelijke landschapsidentiteitskaart die geldt ten tijde van het verrichten van de bouwactiviteit.
  4. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een antenne-installatie voor radiozendamateurs voor de toetsing aan dit omgevingsplan worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. diploma radiozendamateur;
    2. de door of namens de overheid verleende zendvergunning; en,
    3. een motivering ten aanzien van het doel en de wijze van uitvoering van de antenne-installatie, waaruit blijkt dat de antenne-installatie geen onaanzienlijke inbreuk op hun woon- en leefomgeving veroorzaakt.
 
8.7 Verboden bouwactiviteiten
Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken:
  1. met een andere functie en anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in Hoofdstuk 2;
  2. anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in dit artikel.
 
Artikel 9 Verrichten van werken en werkzaamheden
 
9.1 Aanwijzing toegestane aanlegactiviteiten
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten en de aan te leggen werken in stand te houden en te gebruiken, mits deze behoren bij de toegedeelde functie:
  1. nutsvoorzieningen;
  2. infrastructurele voorzieningen (waaronder parkeervoorzieningen);
  3. verblijfsvoorzieningen;
  4. groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen;
  5. landschapselementen en het water zoals in weergegeven in het ruimtelijk kwaliteitsplan uit bijlage 3 bij de regels; en,
  6. vaar- en waterhuishoudkundige voorzieningen.
 
4 Procesregels
Artikel 10 Algemene bepalingen
 
10.1 Rangorde
  1. De regels in dit plan gaan voor op het omgevingsplan dat van rechtswege is ontstaan.
 
10.2 Algemene indienings- en aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een melding op grond van dit plan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. de gegevens en bescheiden, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit 'TAM-omgevingsplan Radewijkerweg 9 en Noord-Oosterweg 25 Radewijk;
  2. de aanduiding (aard en omvang) van de activiteit of activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd c.q. de melding wordt ingediend;
  3. naam, adres, e-mailadres (voor zover beschikbaar), en woonplaats van de melder of aanvrager en diens eventuele gemachtigde;
  4. de verwachte datum van het begin van de activiteit ingeval van een melding;
  5. een situatietekening of kaart met een schaal van tenminste 1:1.000 voorzien van een noordpijl waarop de ligging, indeling en uitvoering van de activiteit op de locatie ten opzichte van de omgeving is aangegeven;
  6. gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventuele benodigde beoordeling op grond van dit plan.
 
10.3 Advies
  1. Het bevoegd gezag vraagt advies aan de stadsbouwmeester over de welstandsaspecten van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten;
  2. De stadsbouwmeester baseert zijn/haar welstandsadvies op de criteria uit de vastgestelde beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Voorzover de regels aan ruimtelijke bouwactiviteiten met betrekking tot de voorgeschreven maximale goothoogte en maximale bouwhoogte en de plaatsing op het bouwperceel ruimte bieden voor verschillende mogelijkheden van het realiseren van gebouwen, is deze ruimte tevens bedoeld voor het kunnen stellen van voorwaarden op basis van deze welstandscriteria (voor zover die binnen het betreffende gebied van toepassing zijn) mits:
    1. de vermindering van de goot- en bouwhoogte niet meer bedraagt dan 15% van de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte; en,
    2. de binnen de regels te realiseren oppervlakte niet wordt verminderd.
 
10.4 Algemene beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning
  1. Voor een activiteit waarvoor overeenkomstig de daarop toepasselijke beoordelingsregels, als bedoeld in Hoofdstuk 2, geen omgevingsvergunning kan worden verleend, of die niet overeenkomstig de voor de activiteit geldende algemene regels in deze hoofdstukken kan worden uitgevoerd, kan een omgevingsvergunning worden verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
    1. er zijn geen geschikte alternatieven en het doorgang vinden van de activiteit is noodzakelijk met het oog op een van de daarop toepasselijke doelen en/of oogmerken; en,
    2. het met weigering van de omgevingsvergunning of handhaving van de algemene regel, als bedoeld in de aanhef, te dienen belang is onevenredig in verhouding tot het doel en/of oogmerk van de activiteit.
  2. Bij de toepassing van het eerste lid, worden de rechtstreeks bij de activiteit betrokken omgevingsdoelen en/of –oogmerken afgewogen, af voor zover niet uit een instructieregel, dit omgevingsplan of de aard van de betrokken activiteit een beperking voortvloeit.
 
10.5 Algemene weigeringsgronden omgevingsvergunning
Een omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
  1. het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit;
  2. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften;
  3. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; en,
  4. de gemeentelijke doelstellingen als opgenomen in Artikel 4.
 
10.6 Algemene bevoegdheid stellen maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften
  1. Er kunnen met het oog op de belangen zoals genoemd in dit omgevingsplan maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in Hoofdstuk 2.
  2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk tenzij anders is bepaald.
  3. Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu.
  4. Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
  5. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden.
  6. Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist.
 
10.7 Gelijkwaardigheid
  1. Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning in plaats van een maatwerkregel of een vergunningvoorschrift als bedoeld in 10.6, een gelijkwaardige maatregel te treffen.
  2. Met de gelijkwaardige maatregel wordt ten minste hetzelfde resultaat bereikt als met de voorgeschreven maatregel of het vergunningvoorschrift is beoogd.
 
10.8 Normadressaat
  1. Aan de hoofdstukken 1, 4 en 5 die algemeen geldende bepalingen bevatten, wordt door eenieder – waaronder de gemeente - voldaan.
  2. Aan het Hoofdstuk 2 dat gaat over de verschillende gebiedsaanwijzingen wordt voldaan door de eigenaar van de locatie en/of degene die uit anderen hoofde bevoegd is over de locatie te beschikken. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de locatie.
  3. Aan Hoofdstuk 3 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht en/of laat verrichten. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
 
5 Overgangsrecht- en slotbepalingen
Artikel 11 Overgangsrecht
 
11.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Radewijkerweg 9 en Noord-Oosterweg 25 Radewijk’ aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit 'TAM-omgevingsplan Radewijkerweg 9 en Noord-Oosterweg 25 Radewijk' mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Radewijkerweg 9 en Noord-Oosterweg 25 Radewijk ' maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
 
11.2 Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
  1. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie (of andere gebiedsaanwijzing) als bedoeld in Hoofdstuk 2 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Radewijkerweg 9 en Noord-Oosterweg 25 Radewijk' en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met dit 'TAM-omgevingsplan Radewijkerweg 9 en Noord-Oosterweg 25 Radewijk ' strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit 'TAM-omgevingsplan Radewijkerweg 9 en Noord-Oosterweg 25 Radewijk ' strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Radewijkerweg 9 en Noord-Oosterweg 25 Radewijk’ voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan van rechtswege voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
 
11.3 Overgangsrecht overig activiteiten
  1. Een ontheffing of vergunning voor een activiteit die op grond van dit 'TAM-omgevingsplan Radewijkerweg 9 en Noord-Oosterweg 25 Radewijk':
    1. vergunningplichtig is, geldt als een omgevingsvergunning voor die activiteit;
    2. meldingsplichtig is, geldt als een melding voor die activiteit.
  2. Een melding of een informatieplicht voor een activiteit die op grond van dit 'TAM-omgevingsplan Radewijkerweg 9 en Noord-Oosterweg 25 Radewijk’ meldingsplichtig is, geldt als een melding voor die activiteit.
  3. Een voorschrift uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een activiteit die op grond van dit 'TAM-omgevingsplan Radewijkerweg 9 en Noord-Oosterweg 25 Radewijk’ niet vergunningplichtig is, geldt als een maatwerkvoorschrift voor zover het mogelijk is op grond van dit omgevingsplan over die activiteit maatwerkvoorschriften te stellen.
  4. Op activiteiten die op het moment van de inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Radewijkerweg 9 en Noord-Oosterweg 25 Radewijk’ krachtens de tot dan geldende wetgeving en voorschriften plaatsvinden, zijn de bepalingen van de hoofdstukken 1 en 3 t/m 5 van dit omgevingsplan rechtstreeks van toepassing.