direct naar inhoud van Artikel 3 Agrarisch met waarden
Plan: Scholtenhagen-Watermolen
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0158.BP1037-0004

Artikel 3 Agrarisch met waarden

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf, met uitzondering van een boomkwekerij, houtteelt-, sierteelt-, bollenteelt- of fruitteeltbedrijf;
  • b. het weiden van vee en het verbouwen van gewassen anders dan in het kader van de uitoefening van een agrarisch bedrijf, met dien verstande dat volkstuincomplexen niet zijn toegestaan;
  • c. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarde van de gronden, zoals deze tot uitdrukking komt in het reliëf, de kleinschaligheid, de openheid, de beplantingselementen (houtsingels en houtwallen), kwelgebieden, bijzondere graslanden en/of met deze biotopen samenhangende fauna;
  • d. infrastructurele voorzieningen die bestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan;
  • e. extensieve (dag)recreatie;


met daarbijbehorende:

  • f. bouwwerken, geen gebouw zijnde, met dien verstande dat voorzieningen ten behoeve van de opslag van mest, kuilvoerplaten en sleufsilo's niet zijn toegestaan;
  • g. andere-werken;
  • h. groenvoorzieningen;
  • i. waterhuishoudkundige voorzieningen.

3.2 Bouwregels

Op de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

3.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte mag niet meer dan 2,5 m bedragen;
  • b. de gezamelijke oppervlakte van de bouwwerken per bestemmingsvlak niet meer dan 10m² mag bedragen;
  • c. de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen mag niet meer dan 1 m bedragen;

3.2.2 Afwijkende maatvoering

In afwijking van het bepaalde in 3.2.1, geldt dat indien een afwijkende maatvoering aanwezig is op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan, deze maatvoering als maximum respectievelijk minimum mag worden gehanteerd voor dat bouwwerk.

3.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:

  • a. de landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden van het gebied;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de milieusituatie;
  • d. de verkeersveiligheid;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • f. de sociale veiligheid;
  • g. de externe veiligheid.

3.3.1 Procedure

Voor het stellen van nadere eisen geldt de in 24.1 vermelde voorbereidingsprocedure.

3.4 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in 3.1 onder f ten behoeve van het realiseren van kuilvoerplaten en/of sleufsilo's;

3.4.1 Afwegingskader

Bij toepassing van de ontheffingsmogelijkheden vindt een evenredige belangenafweging plaats, waarbij betrokken worden:

  • a. de mate waarin waarden, die het plan beoogt te beschermen, kunnen worden geschaad;
  • b. de mate waarin de belangen van gebruikers en/of eigenaren van de aanliggende gronden worden geschaad;
  • c. de mate waarin de landschappelijke inpasbaarheid is aangetoond;
  • d. de mate waarin de uitvoerbaarheid is aangetoond, waaronder begrepen de milieutechnische, de waterhuishoudkundige, de archeologische, de ecologische en de verkeerstechnische toelaatbaarheid.

3.4.2 Procedure

Voor een besluit tot ontheffing geldt de in 24.1 vermelde voorbereidingsprocedure.

3.5 Specifieke gebruiksregels
3.5.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik in de zin van artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening wordt in ieder geval begrepen het gebruiken of laten gebruiken van gronden en opstallen:

  • a. als standplaats voor kampeermiddelen;
  • b. als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale agrarische bedrijfsvoering;
  • c. voor doeleinden van handel en/of andere dan agrarische bedrijfsdoeleinden.

3.6 Aanlegvergunning
3.6.1 Verbod
  • a. Het is verboden op of in de tot de bestemming behorende gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden, geen normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden zijnde, uit te voeren:
    • 1. het verharden van wegen, voetpaden, fietspaden, ruiterpaden en/of parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 100 m² met uitzondering van het aanleggen en verharden van wegen ter directe ontsluiting van agrarische percelen, het aanleggen en verharden van kavel- en koepaden en het aanbrengen van kuilvoerplaten en sleufsilo's;
    • 2. het verwijderen of beschadigen van bomen en andere houtopstanden;
    • 3. het graven, vergraven, verbreden, verdiepen of dempen van watergangen, sloten, vijvers en poelen;
    • 4. het egaliseren van gronden;
    • 5. het afgraven en ophogen van gronden;
    • 6. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
    • 7. het verrichten van exploratieboringen en seismologisch onderzoek;
    • 8. het aanleggen van drainagewerken.
  • b. Het bepaalde in sub a is niet van toepassing indien het werken en/of werkzaamheden betreft:
    • 1. die in uitvoering zijn op het tijdstip van het rechtskracht worden van het plan dan wel mogen worden uitgevoerd ter realisering van een verleende bouwvergunning;
    • 2. waarvoor een vergunning is vereist krachtens de Natuurbeschermingswet;
    • 3. die worden uitgevoerd krachtens een in het kader van de Natuurbeschermingswet vastgesteld beheersplan.
  • c. De werken en/of werkzaamheden als bedoeld in sub a zijn slechts toelaatbaar indien door die werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan, hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen, de landschappelijke waarden en/of aangrenzende natuurlijke waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

3.6.2 Afwegingskader

Uitvoering van de genoemde werken en/of werkzaamheden is in strijd met de bestemming, indien daardoor dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen een onevenredige aantasting van de waarden van deze gronden kan plaatsvinden.