direct naar inhoud van Motivering wijzigingsbesluit
Plan: TAM-omgevingsplan H22N Nieuwedijk tussen nrs. 80 en 104
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0153.TAMH22N-0003

Motivering wijzigingsbesluit

Hoofdstuk 1 Inleiding en planbeschrijving

1.1 Aanleiding en locatie wijziging omgevingsplan

Er is een aanvraag om wijziging van het omgevingsplan ingediend om de bouw van drie vrijstaande woningen mogelijk te maken op een kavel aan de Nieuwedijk, aan de noordwestelijke rand van het dorp Lonneker. De beoogde ontwikkeling past niet in het omgevingsplan van de gemeente Enschede. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is voorliggend TAM-omgevingsplan opgesteld.

Eerder is rond 2007 in Lonneker het Lonneker Erf ontwikkeld door ontwikkelcombinatie Droste / Plegt Vos. In die tijd is door hen ook het betreffende perceel aan de Nieuwedijk, met kadastrale aanduiding LNK00AM152, aangekocht. Destijds is dit perceel uiteindelijk niet meegenomen in de ontwikkeling, omdat een ontsluiting aan de Oldenzaalsestraat mogelijk werd. Enkele jaren later hebben de ontwikkelaars in 2018 bij de gemeente het verzoek ingediend om mee te werken aan het planologisch mogelijk maken van de ontwikkeling van het perceel voor drie vrijstaande woningen. Ambtelijk en in het College was er ook toen steun voor dit plan. Weerstand uit de directe omgeving was destijds echter de reden om de planologische procedure te stoppen en het plan te laten rusten.

De omstandigheden zijn in de afgelopen zes jaar veranderd. Er is een grote behoefte aan extra woningen. Dat maakt dat gemeentebreed, maar ook in Lonneker, gekeken wordt naar locaties die mogelijk geschikt zijn voor woningbouw. Ambtelijk gezien is er nog altijd steun voor een invulling met woningbouw op deze locatie en ook de dorpsraad van Lonneker heeft zich achter nieuwbouw op deze locatie geschaard. Droste / Plegt Vos wil de locatie graag alsnog in ontwikkeling gaan brengen. Op onderstaande afbeelding 1 is het plangebied visueel weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.TAMH22N-0003_0001.png"

Afbeelding 1: ligging en begrenzing wijzigingsgebied (indicatief)

1.2 Planbeschrijving

De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van drie vrijstaande woningen aan de Nieuwedijk in Lonneker op een kavel gelegen tussen de woningen met de huisnummers 80 en 104. Er is een overeenkomst gesloten tussen de initiatiefnemers en de gemeente, waarin onder meer, middels een kavelpaspoort, de opzet van de toekomstige kavels is vastgelegd. Op onderstaande afbeelding 2, en als bijlage 1 bij deze motivering, is het kavelpaspoort weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.TAMH22N-0003_0002.png"

Afbeelding 2: toekomstige situatie plangebied

Het betreffen drie ruime woonkavels van ca. 800m2 tot ruim 1100m2. De bouwvlakken waarbinnen de woningen gebouwd moeten worden liggen voorop de kavels met een entree vanaf de Nieuwedijk. De woningen mogen maximaal 10 meter hoog worden, met een maximale goothoogte van 6 meter. Dit betekent dat woningen met 2 lagen en een kap kunnen worden gerealiseerd. Buiten de bouwvlakken (de gele vlakken in bovenstaande afbeelding) mogen gebouwen maximaal 5 meter hoog zijn en een goothoogte van 3 meter hebben. De totale oppervlakte aan gebouwen mag per kavel maximaal 250 m2 bedragen. Gebouwen mogen op basis van dit TAM-omgevingsplan niet tot op de perceelsgrens worden gebouwd, maar tot aan de stippellijn op bovenstaande afbeelding. Bovendien zijn aan de zuidoostzijde van de kavels bestaande en beschermenswaardige bomen aanwezig. Om te voorkomen dat ontwikkelingen op de planlocatie de vitaliteit van de betreffende bomen aantast, worden bouwmogelijkheden onder de kroonprojectie + 2 meter uitgesloten. Ter aanvulling op de bestaande groenstructuur, en vanuit de wensen zoals gebleken in de participatie, wordt een eveneens een haag (hulst) aan deze zijde aangeplant.

Parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden. De woningen worden ontsloten op de Nieuwedijk, waarbij er maximaal één inrit per woning is toegestaan.

Deze uitgangspunten zijn doorgevoerd in voorliggend TAM-omgevingsplan. Enerzijds door middel van grenzen en maatvoeringen op de verbeelding in combinatie met planregels, zoals de bouwvlakgrenzen en de maximale bouwhoogtes. Anderzijds door alleen planregels die aan de functies en activiteiten zijn gekoppeld, zoals de maximale bebouwingsoppervlakte en de regels voor parkeren.

1.3 Geldende juridische regelingen en wijzigen van het omgevingsplan

Geldende juridische regelingen

Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is een omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Alle geldende bestemmingsplannen die van toepassing zijn binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Enschede maken onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Hieronder worden de verschillende bestemmingsplannen die ter plaatse van het plangebied onderdeel uitmaken van het Omgevingsplan gemeente Enschede beschreven.

Buitengebied Noordwest

Het plangebied, gelegen aan de noordwestelijke rand van het dorp Lonneker, valt onder het bestemmingsplan 'Buitengebied Noordwest', dat op 9 november 2018 is vastgesteld door de gemeenteraad van Enschede. Het plangebied kent hierin de bestemming 'Agrarisch'. De realisatie van drie vrijstaande woningen past niet binnen de planregels. Een TAM-omgevingsplan is nodig om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. Naast dit bestemmingsplan gelden ter plaatse ook onderstaande parapluplannen en het voorbereidingsbesluit 'Kleinschalige units, opslag- en garageboxen 2023'.

Bedrijven met milieuzones (vuurwerk, risicovol, geluid)

Dit plan is vastgesteld op 18-11-2014 en sluit de vestiging van risicovolle inrichtingen en opslag van vuurwerk uit. Het uitsluiten van risicovolle inrichtingen en vuurwerk zijn in de Regels van voorliggend TAM-omgevingsplan overgenomen.

Cultuurhistorie

Dit plan is vastgesteld op 06-02-2017 en beoogt een planologisch-juridische regeling te geven voor cultuurhistorisch erfgoed. Sinds 1 januari 2012 geldt de wettelijke verplichting om in een bestemmingsplan aan te geven hoe in dat plan rekening is gehouden met cultuurhistorisch erfgoed. In dit geval betreft het plangebied een weiland en is er derhalve geen cultuurhistorisch erfgoed aanwezig.

Buitengebied - Zonnepanelen

Dit plan is vastgesteld op 02-07-2018 en maakt het mogelijk dat zonnepanelen onder voorwaarde op maaiveld kunnen worden gerealiseerd. In het plangebied van dit parapluplan geldt een maximum omvang van de zonnepanelen van 150m2 en bij woningen een maximum omvang van 100m2. De voorwaarden voor de realisatie van zonnepanelen zijn in de Regels van voorliggend TAM-omgevingsplan overgenomen.

Parkeren Enschede

Dit plan is vastgesteld op 11-03-2019 en zorgt ervoor dat de beleidsregel 'Parkeernormennota Enschede 2025' van toepassing is op (bijna) de hele gemeente, waaronder het plangebied. Voor dit plan dienen parkeerplaatsen op eigen terrein te worden gerealiseerd. Op grond van de huidige regelgeving geldt een parkeereis van 1,8 pp/woning. Gelet op de omvang van de kavels is voldoende ruimte beschikbaar om aan de parkeereis te voldoen.

Aanpassing binnenplanse afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden voor Omgevingswet

Dit plan is vastgesteld op 13-05-2024. De bestemmingsplannen die sinds de inwerkingstreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 onderdeel uitmaken van het (tijdelijke) omgevingsplan, bevatten diverse binnenplanse afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden. Daarmee kan worden afgeweken van de harde normen in het bestemmingsplan. Echter onder de Omgevingswet is er deels geen mogelijkheid meer om toepassing te geven aan een binnenplanse afwijkingen en wijzigingsbevoegdheden. Als gevolg verwijdert dit parapluplan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheden die niet geschikt (te maken) zijn om te worden omgezet naar een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (OPA) en wijzigingsbevoegdheden die geen bouwtitel bevatten uit de geldende bestemmingsplannen.

Kleinschalige units, opslag- en garageboxen 2025 (voorbereidingsbesluit)

Dit voorbereidingsbesluit is genomen op 12-06-2025 en heeft als doel nieuwvestiging en gebruikswijzigingen van bestaand vastgoed op bedrijfslocaties en op bedrijventerreinen naar units, garage-/opslagboxen kleiner dan 100m2 per eenheid tegen te gaan. Dit TAM-omgevingsplan maakt dit gebruik niet mogelijk.

Wijzigen Omgevingsplan

De gronden aan de Nieuwedijk tussen de huisnummers 80 en 104 te Lonneker hebben in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Noordwest' de bestemming 'Agrarisch', met bijbehorende bouw- en gebruiksmogelijkheden. Binnen deze bestemming is het niet mogelijk om drie vrijstaande woningen te realiseren. Om dit mogelijk te maken dient het omgevingsplan gewijzigd te worden, waarbij de functie 'Wonen', met daarbij behorende activiteiten wordt vastgelegd. De bestemming 'Agrarisch' met de daarbij behorende bouw- en gebruiksmogelijkheden vervalt hierbij.

1.4 Toelichting planregels

Voor deze wijziging van het omgevingsplan zijn planregels opgesteld. Hierna lichten we de regels kort toe.

1.4.1 Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

In dit hoofdstuk zijn algemene bepalingen opgenomen. Dit hoofdstuk richt zich op het toepassingsbereik van dit plan, begrips-, meet- en rekenbepalingen, de anti-dubbeltelregel, aanvraagvereisen ten het overgangsrecht.

1.4.2 Hoofdstuk 2 Algemene activiteiten

Dit hoofdstuk richt zich op algemene bouw- en gebruiksregels die gelden voor het plangebied. Ook is een specifiek artikel gewijd aan beroep of bedrijf aan huis.

1.4.3 Hoofdstuk 3 Activiteiten per functie

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de regels die gelden voor de functies. De volgende functies zijn opgenomen:

'Wonen'

'Wonen' is de meest voorname functie die dit TAM-omgevingsplan mogelijk maakt. Het gaat om een functie voor het mogelijk maken van de beoogde woningbouw op de planlocatie. Er zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld aan deze functie. Bovendien geldt een voorwaardelijke verplichting voor het uitvoeren van inrichtingsmaatregelen conform het opgestelde inrichtingsplan.

'Tuin'

De functie "Tuin" is qua strekking overgenomen uit het bestemmingsplan 'Lonneker 2018" en geldt voor gronden gelegen langs het tracé van de voormalige spoorlijn. Deze gronden behoren bij de toekomstig particuliere kavels, maar waarvan het niet wenselijk is om hier bouwmogelijkheden te realiseren. Om de groenstructuur langs het tracé te beschermen en handhaven is bebouwing op deze gronden niet toegestaan.

1.4.4 Hoofdstuk 4 Activiteiten per thema

In dit hoofdstuk zijn artikelen opgenomen gericht op de thema's water en parkeren. Enkel deze thema's zijn opgenomen in dit hoofdstuk, omdat alleen deze thema's relevant zijn voor dit plan.

1.4.5 Flexibiliteit: afwegingskader

De planregels vormen het juridisch bindend kader dat aangeeft waar en hoeveel er gebouwd mag worden en waar het voor gebruikt mag worden. De planregels kunnen niet altijd helemaal in alle ontwikkelingen voorzien. In sommige gevallen is het wenselijk dat de regels een beperkte mate van flexibiliteit bevatten.

In de planregels zijn deze gevallen opgenomen als omgevingsplanactiviteiten waarvoor extra beoordelingsregels gelden. Voor veel van deze gevallen geldt een algemeen afwegingskader met een aantal criteria. Dit kader is in deze omgevingsplanwijziging opgenomen in artikel 9.

Om meer duidelijkheid te geven voor aanvragers van de omgevingsplanactiviteiten waarvoor het afwegingskader geldt geven we hieronder aan waar over het algemeen naar gekeken wordt bij de beoordeling van de criteria.

Er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van:

  • a. Woon- en leefklimaat. Bij de afweging wordt ieder geval betrokken:
    • 1. verkeersaantrekkende werking mag geen onevenredige gevolgen hebben voor de bereikbaarheid van de locatie en zijn directe omgeving;
    • 2. overlast door lawaai, stank en/of trillingen;
    • 3. lichttoetreding en bezonning, waarbij rekening moet worden gehouden met de uitstraling naar (bebouwing op) aangrenzende gronden;
    • 4. ernstige gevolgen voor het uitzicht (zoals blokkering binnen enkele meters);
    • 5. aanwezigheid van voldoende privacy;
    • 6. mogelijkheden voor het realiseren van voorzieningen voor de berging van hemelwater, het voorkomen van hittestress en duurzame energie.  
  • b. Straat- en bebouwingsbeeld, in het belang van een verantwoorde, evenwichtige en samenhangende stedenbouwkundige en architectonische inpassing. Belangrijke specifieke handvaten daarvoor zijn voor dit plan opgenomen in de Welstandsnota. Bepalend is de specifieke situatie ter plaatse. Een hoekpand op een zichtlocatie vraagt een andere benadering dan een achterterrein van een bedrijf. Bij de afweging wordt ieder geval betrokken:
    • 1. goede verhouding tussen bouwmassa's en buiten-/openbare ruimte (stedenbouwkundige en/of landschappelijke inpassing);
    • 2. verhouding tussen de hoogte en breedte van gebouwen;
    • 3. gevelbeelden;
    • 4. samenhang van de bouwvorm met nabijgelegen bebouwing;
    • 5. hoogtedifferentiatie (wel of niet gewenst);
    • 6. situering van gebouwen op het perceel.
  • c. Verkeersveiligheid. Bij de afweging wordt ieder geval betrokken:
    • 1. eventuele toename van verkeersintensiteit;
    • 2. benodigde uitzichthoeken van wegen;
    • 3. aansluiting van in- en uitritten op de openbare weg;
    • 4. gevolgen voor het zicht op de openbare weg en of fiets- en voetpaden;
    • 5. aanwezigheid van voldoende laad- en losruimte.  
  • d. Parkeersituatie in de openbare ruimte. De parkeerbehoefte mag niet tot gevolg hebben dat de parkeerdruk op de openbare ruimte wordt vergroot op locaties waar de parkeerdruk al te hoog is.
  • e. Groenwaarden in de openbare ruimte, zoals groenstructuren en waardevolle/beschermwaardige bomen.
  • f. Sociale veiligheid. Het voorkomen van een ruimtelijke situatie die onoverzichtelijk, onherkenbaar en niet-sociaal controleerbaar is. Bij de afweging wordt ieder geval betrokken:
    • 1. het toezicht op en de overzichtelijkheid en toegankelijkheid van een openbare ruimte;  
    • 2. mogelijkheden voor verbetering van toezicht op en de overzichtelijkheid en toegankelijkheid van een sociaal onveilige plek.
  • g. Brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding. Bij de afweging wordt ieder geval betrokken:
    • 1. aanwezigheid van (beperkt/zeer) kwetsbare gebouwen en locaties;
    • 2. aanwezigheid en routering van vluchtwegen;
    • 3. bereikbaarheid van bouwwerken en buitenruimte voor hulpdiensten;
    • 4. beschikbaarheid en bereikbaarheid van adequate blusmiddelen.  
  • h. Milieusituatie. Om een milieukundig ongewenste situatie te voorkomen wordt bij de afweging in ieder geval betrokken :
    • 1. hinder voor omliggende functies;
    • 2. gevolgen van gevoelige functies (zoals woningen) voor aanwezige hinder veroorzakende functies (zoals bedrijven);
    • 3. externe veiligheid;
    • 4. beschermde natuurwaarden;
    • 5. bodem en (grond)waterkwaliteit;
    • 6. (grond)waterhuishouding;
  • i. Cultuurhistorische waarde van een gebouw of ensemble van gebouwen op zichzelf en in relatie met de omgeving.
  • j. Gebruiks- en bouwmogelijkheden van aangrenzende gronden. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met eventuele privaatrechtelijke aspecten.

1.5 Conclusie

Met deze motivering wordt aangetoond dat de deze wijziging van het omgevingsplan in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat de geldende beleids- en toetsingskaders van Rijk, provincie, waterschap en gemeente geen belemmeringen vormen voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

Hoofdstuk 2 Participatie, procedure en kostenverhaal

2.1 Participatie

Bij het wijzigen van het omgevingsplan moet de gemeente aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze het gemeentelijke participatiebeleid is toegepast. Gemeente Enschede heeft de 'Participatieverordening gemeente Enschede 2022' en de op basis daarvan opgestelde "handreiking participatie voor initiatieven Omgevingswet". De principes uit deze handreiking zijn gevolgd bij deze wijziging van het omgevingsplan.

Voor deze casus is vanuit de gemeenteraad op 13 november 2024 het concrete verzoek gekomen om een informatieavond voor dit plan te organiseren. De ontwikkelaars hebben hier gehoor aan gegeven door een informatieavond te organiseren voor omwonenden en de dorpsraad van Lonneker op 7 januari 2025. In onderstaande afbeelding 3 is weergegeven welke omwonenden waren uitgenodigd. Tijdens deze avond zijn omwonenden en de dorpsraad geïnformeerd over het initiatief en de status van het plan. Er zijn twee plannen gepresenteerd. Optie A betrof het plan voor drie vrijstaande woningen. Optie B betrof het plan voor twee vrijstaande woningen en vijf rijwoningen. Tevens is een toelichting gegeven op de invloed van beide opties op de doorstroming op de woningmarkt in Lonneker. Van deze bijeenkomst is een participatieverslag gemaakt die als bijlage 5 is toegevoegd aan deze motivering.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.TAMH22N-0003_0003.png"

Afbeelding 3: De gele vlakken betreft de omwonenden die uitgenodigd waren voor de informatieavond

Tijdens deze avond waren ca. twintig belangstellenden aanwezig. De aanwezigen waren in het algemeen tevreden over het organiseren van de informatieavond, zodat zij informatie over het plan tot zich konden nemen en hier vragen over konden stellen. De meningen liepen verder uiteen. Een aantal personen gaf aan liever helemaal geen bebouwing op de locatie te willen zien. Anderen gaven aan begrip te hebben voor het feit dat er woningen toegevoegd worden op de locatie, in het algemeen belang van Lonneker. Richting de dorpsraad werd gevraagd om een bredere visie op woningbouw initiatieven in Lonneker, waarop de dorpsraad aangaf dat dit bestaat en dat dit initiatief al langere tijd bekend is.

Vanuit aanwezigen kwam het concrete verzoek om zorg te dragen voor blijvend groene erfafscheidingen aan de achterzijde van de kavels. Aan dit verzoek is met onderhavig plan gehoor gegeven. Net buiten het plangebied zijn aan de oostzijde ervan bomen aanwezig. Deze staan gesitueerd op gemeentegrond, maken geen onderdeel uit van het plangebied en blijven voor de toekomst behouden. Tevens is aanwezigen meegegeven dat bewoners van Lonneker voorrang zullen krijgen bij de verkoop/toewijzing van de kavels. Gelet op de twee gepresenteerde plannen hadden de aanwezigen de voorkeur voor de variant met drie vrijstaande woningen. Dit TAM-omgevingsplan is gericht op de uitwerking van deze variant.

Verder heeft de gemeente op 2 april 2025 in het gemeenteblad en het Huis aan Huis-blad aan eenieder kennis gegeven van het voornemen om een omgevingsplan te wijzigen (artikel 16.29 Omgevingswet).

2.2 Procedure

Wijziging Omgevingsplan

De procedurebepalingen voor het wijzigen van een omgevingsplan staan in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Hieronder zijn de procedurestappen in verkorte vorm weergegeven.

Vooroverleg

Deze wijziging van het omgevingsplan betreft geen ontwikkeling waarbij ruimtelijke belangen van andere gemeenten, het waterschap Vechtstromen, de provincie Overijssel of het Rijk in het geding zijn. Daarom is voor deze aanvraag afgezien van het plegen van vooroverleg. Wel is het plan toegelicht aan de provincie. Zij kan instemmen met de beoogde ontwikkeling van de drie woningen.

Kennisgeving voornemen wijziging omgevingsplan

De gemeente heeft op 2 april 2025 in het gemeenteblad en het Huis aan Huis-blad kennis gegeven van het voornemen om een omgevingsplan te wijzigen (artikel 16.29 Omgevingswet).

In de kennisgeving staat onder andere hoe de gemeenteraad burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding heeft betrokken (zie paragraaf 2.1 t.a.v. participatie).


Terinzagelegging ontwerp wijziging Omgevingsplan

Het ontwerpbesluit is voor een periode van zes weken digitaal ter inzage gelegd. Deze terinzagelegging heeft een ieder de mogelijkheid gegeven om tijdens die periode zienswijzen naar voren te brengen. De bekendmaking van de terinzagelegging en de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen is digitaal gepubliceerd in het Gemeenteblad, het gemeentelijk blad 'Huis aan Huis' en op de gemeentelijke website.

Zienswijzen en vaststelling

Tijdens de terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan zijn zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen en de gemeentelijke beantwoording daarvan zijn opgenomen in het document 'Samenvatting en beantwoording zienswijzen TAM-omgevingsplan Nieuwedijk tussen nrs. 80 en 104'. dat als bijlage bij het vaststellingsbesluit van het TAM-omgevingsplan wordt gevoegd. De zienswijzen hebben geleid tot wijzigingen in het plan. Als bijlage 6 bij de planmotivering is de lijst met wijzigingen bijgevoegd.

In het Raadsdelegatiebesluit Enschede 2024 is opgenomen dat de raad de bevoegdheid tot wijzigen van het omgevingsplan aan het college van burgemeester en wethouders delegeert bij o.m. het mogelijk maken van ruimtelijke ontwikkelingen in het omgevingsplan waarvoor geen adviesrecht geldt. In de Lijsten Adviesrecht en Participatieplicht Enschede 2022 is opgenomen dat adviesrecht van de gemeenteraad van toepassing is vanaf de bouw van 7 woningen in Lonneker. In dit geval worden er 3 woningen gebouwd in Lonneker. Dit betekent dat over het vast te stellen TAM-omgevingsplan zal worden besloten door het College.


Inwerkingtreding

De wijziging van het omgevingsplan treedt in werking 4 weken na de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt.


Rechtsbescherming bij wijziging van het omgevingsplan

Tegen een wijziging van het omgevingsplan staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. In de kennisgeving van de wijziging van het omgevingsplan staat hoe dat moet en wanneer dat kan.

2.3 Kostenverhaal

De Omgevingswet biedt ruimte voor de ontwikkeling van activiteiten in de fysieke leefomgeving. Voor de ontwikkeling van gebieden moet de gemeente kosten maken. Dit zijn bijvoorbeeld kosten voor de aanleg van openbare voorzieningen en het wijzigen van het omgevingsplan. De gemeente is verplicht om in bepaalde gevallen deze kosten te verhalen. Het sluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur.


Kostenverhaal en deze wijziging van het omgevingsplan

De beoogde ontwikkeling betreft een bouwplan zoals bedoeld in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit waarvoor kostenverhaal wettelijk verplicht is. De gemeente Enschede heeft met initiatiefnemers een anterieure exploitatieovereenkomst gesloten. Hiermee is het kostenverhaal voor dit plan geborgd.

Hoofdstuk 3 Uitvoerbaarheidstoets

3.1 Toetsing aan de instructieregels van het Rijk

In deze paragraaf wordt de wijziging van het omgevingsplan getoetst aan beleid en regelgeving van het Rijk, zoals benoemd in de instructieregels voor omgevingsplannen in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl; afdelingen 5.1, 5.2 en 5.3).

Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk tot 2050 op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met het oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Verschillende ministeries werken aan de uitwerking van diverse beleidsthema's in de vorm van Nationale Programma's.

Opgaven

Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Realiseren opgaven

In de NOVI zijn een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren.

  • 1. De Omgevingsagenda

Voor Oost-Nederland is een omgevingsagenda opgesteld, waarvan de Regio Twente onderdeel uitmaakt. In de Omgevingsagenda agenderen Rijk en regio de gezamenlijke vraagstukken en de gewenste aanpak daarvan. De Omgevingsagenda biedt een basis voor uitvoeringsafspraken en inzet van programma's en projectbesluiten van Rijk en regio. Enschede is hierin genoemd vanuit de afspraak 'Samenhang topwerklocaties en stationsgebieden in Twente' tussen de Regio Twente en het Rijk. De afspraak behelst dat Regio en Rijk gezamenlijk onderzoek doen naar mogelijkheden van het versterken van agglomeratiekracht door ontwikkeling van wonen en werken in de samenhangende stationsgebieden Hengelo-Kennispark-Enschede (de innovatiedriehoek). De aaneengesloten stationsgebieden Hengelo-Kennispark-Enschede moeten doorgroeien als compact centrum van de integrale ontwikkelas Zwolle-Twente-Münster, met een vestigingsmiileu van vernieuwende combinaties van duurzaam wonen, werken, ondernemen en studeren.

  • 2. De NOVI-gebieden

Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Het doel is het versnellen van besluitvorming omtrent samenhangende ruimtelijke keuzes en de uitvoering van maatregelen, zodat plannen toekomstbestendig, met ruimtelijke kwaliteit, en in samenhang gerealiseerd kunnen worden. De gemeente Enschede maakt geen onderdeel uit van een door het Rijk aangewezen NOVI-gebied.

Actualisatie Omgevingsvisie

Er is een actualisatie van de NOVI in voorbereiding. Met de programma's Mooi Nederland en NOVEX wordt ingezet op aanscherping en versnelling van de NOVI. Het streven is de aangescherpte NOVI als nieuwe Nota Ruimte in 2025 vast te stellen als nationaal ruimtelijk beleid.

Omgevingswet

De Omgevingswet geeft de maatschappelijke doelen van de wet. Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en
  • doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Besluit Kwaliteit Leefomgeving

Hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels voor het omgevingsplan, voortkomend uit de beleidsdoelen van de Omgevingswet. Met zo'n instructieregel geeft het Rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden en regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. 'In acht nemen' is dwingender, in die zin dat een bestuursorgaan aan de instructieregel moet voldoen.

Voor de volgende onderwerpen gelden er rijksinstructieregels

  • Waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl);
  • Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl);
  • Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl);
  • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl);
  • Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (§ 5.1.6 Bkl);
  • Het behouden van de staat en werking van de infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (§ 5.1.7 Bkl);
  • Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (§ 5.1.8 Bkl).

Voor het plangebied gelden geen instructieregels buiten de instructieregels voor onderwerpen die aan bod komen in paragraaf 3.5 (omgevingsaspecten).


Conclusie

Deze wijziging van het omgevingsplan voldoet aan de instructieregels van het Rijk.

3.2 Toetsing aan de instructieregels van de provincie Overijssel


In deze paragraaf wordt de wijziging van het omgevingsplan getoetst aan beleid en regelgeving van de provincie Overijssel, zoals benoemd in de instructieregels voor omgevingsplannen in hoofdstukken 4 en 7 van de provinciale omgevingsverordening Overijssel 2024.

Het gaat alleen om de instructieregels die relevant zijn voor deze omgevingsplanwijziging. Het gaat in deze paragraaf ook alleen om instructieregels voor onderwerpen die niet aan bod komen in paragraaf 3.5 (omgevingsaspecten).

Woondeals Overijssel 2022-2030

Overijssel was in december 2022 de eerste provincie waar de toenmalige minister De Jonge twee regionale woondeals ondertekende. Met de ondertekening hebben de provincie en de Overijsselse gemeenten zich gecommitteerd aan de bouw van minimaal 14.100 woningen in Twente voor 2030. In de deal is opgenomen dat minimaal 5.040 woningen worden gerealiseerd in de gemeente Enschede.

Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit, sociale kwaliteit en gezondheid zijn daarbij de leidende principes of 'rode draden'. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren.

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

In afdeling 4.3 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat omgevingsplannen een onderbouwing moeten bevatten waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij moet het plan getoetst worden aan het 'Uitvoeringsmodel' en de 'catalogus gebiedskenmerken' uit de Omgevingsvisie Overijssel (artikel 4.9).

Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de ambities, gebruikt de provincie het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Bij een initiatief kan aan de hand van deze drie stappen bepaald worden of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is (generieke beleidskeuzes), waar het past (ontwikkelingsperspectieven) en hoe het uitgevoerd kan worden (gebiedskenmerken). In onderstaande afbeelding 4 is het uitvoeringsmodel weergegeven. Boven het uitvoeringsmodel (in de paraplu) staan de rode draden en centrale beleidsambities weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.TAMH22N-0003_0004.png"

Afbeelding 4: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Omgevingsverordening Overijssel

De hoofdlijnen van de Omgevingsvisie zijn juridisch geborgd in de Omgevingsverordening. Het gaat om de onderwerpen uit de visie die de provincie zo belangrijk vindt dat deze dwingend worden opgelegd. In hoofdstuk 4 van de Omgevingsverordening zijn instructieregels gesteld waar het voorliggende plan rekening mee dient te houden.

In het navolgende wordt invulling gegeven aan de wijze waarop het voorliggende plan aansluit bij de provinciale doelstellingen voor ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteiten en bij de aanvullende eisen op de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze aanvullende eisen zijn gericht op concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid.

Ruimtelijke kwaliteit

Deze paragraaf is gericht op het versterken van ruimtelijke kwaliteit door het toepassen van de OF-, WAAR- en HOE-benadering volgens het uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel.

Oogmerk

In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken. Voor het gebied van deze wijziging van het omgevingsplan geldt de welstandsidentiteit 'Vrije landelijke bebouwing'. Deze welstandsidentiteit wordt niet aangepast in het kader van voorliggend plan. De vergunningaanvragen zullen aan deze welstandsidentiteit worden getoetst.

Omgevingswaarden

Het plangebied kent de omgevingswaarde 'bebouwde kom'. Als bebouwde kom zijn aangewezen de gebieden die een overwegende woon- en verblijffunctie hebben door de mate van concentratie van bebouwing en die als zodanig geometrisch zijn begrensd.

Ontwikkelingsperspectief

In het kader van deze onderbouwing wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd. Het plangebied ligt binnen het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties binnen de stedelijke netwerken'. Rond de binnensteden liggen de diverse woon- en werklocaties, elk met hun eigen woon-, werk- of mixmilieu. Herstructurering en transformatie moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur of water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld door in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening te houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).

Het plan sluit aan op bovenstaande doelen. Er wordt gebouwd voor de lokale behoefte aan doorgroeimogelijkheden in de woningmarkt. Het plan komt de diversiteit aan woonmilieus in Lonneker ten goede. Ten aanzien van de waterhuishouding worden voldoende maatregelen binnen het plangebied getroffen. Deze opgave is deels gewaarborgd in de planregels (waterberging ter compensatie van bebouwing) en deels door wateruitgangspunten/-maatregelen te verbinden aan de gesloten exploitatie-overeenkomst door middel van een 'Memo waterhuishouding en riolering'. Deze is ook opgenomen als bijlage 3 van de motivering van dit TAM-omgevingsplan.

Gebiedskenmerken

Het plangebied is binnen de diverse lagen met gebiedskenmerken als volgt aangeduid:

  • Natuurlijke laag: 'Stuwwallen'. De kenmerken van de natuurlijke laag zijn vooral zichtbaar op grotere schaal in het buitengebied. De ruimtelijke ontwikkeling in voorliggend plan heeft geen invloed op deze kenmerken.
  • 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap': 'Jong heide- en broekontginningslandschap'. Ook hier heeft de voorgenomen (vrij kleine) ruimtelijke ontwikkeling geen invloed op.
  • 'Stedelijke laag': “Woonwijken 1955 - nu". Beleidsuitgangspunt is hier het behouden van het eigen karakter van deze wijken. Markante gebouwen blijven waar mogelijk behouden door ze een nieuwe functie te geven. Met de bouw van drie vrijstaande woningen op ruime kavels wordt aangesloten op de bebouwing van naastliggende kavels en wordt de dorpsrand op deze plek 'afgerond'.
  • 'Laag van de beleving': langs de oostelijke grens van het plangebied is de voormalige spoorlijn tussen Enschede en Oldenzaal aangeduid als een 'historische infrastructuurroute'. Deze historische lijn blijft behouden. Dit TAM-omgevingsplan heeft hier geen relevante invloed op.

Wonen, werken en recreëren

Afdeling 4.5 van de omgevingsverordening bevat onder andere instructieregels ten aanzien van woningbouw, detailhandel, werklocaties (bedrijventerreinen en kantoren) en verblijfsrecreatie (vooral over recreatiewoningen). Zoals in paragraaf 3.3 toegelicht past de omgevingsplanwijziging in het lokale Enschedese beleid. Dit lokale beleid is opgesteld in lijn met het provinciale beleid. Daarmee voldoet de ontwikkeling ook aan de omgevingsverordening.


Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat deze wijziging van het omgevingsplan voldoet aan de instructieregels van de provincie.

3.3 Toetsing aan gemeentelijk beleid

In deze paragraaf wordt de wijziging van het omgevingsplan getoetst aan gemeentelijk beleid dat relevant is voor deze wijziging. In paragraaf 3.5 (Omgevingsaspecten) komen, voor zover relevant voor deze wijziging, sectorale beleidsstukken aan bod, zoals het Water- en Klimaatadaptatieplan (WEK) en het archeologiebeleid.

Overweging relevant beleid

Het plangebied ligt in een gebied waar het bestemmingsplan 'Buitengebied Noordwest' geldt en maakt tevens onderdeel uit van het plangebied van de structuurvisie 'Visie landelijk gebied Enschede'. Hier vanuit geredeneerd zou het logisch zijn op basis van de Gids Buitenkans de aanvraag te beoordelen. Hier tegenover staat dat het plangebied in de Omgevingsverordening Overijssel de omgevingswaarde 'bebouwde kom' kent en het plangebied in de Omgevingsvisie Enschede (zie hieronder) is aangemerkt als een 'Centrum dorps' leefmilieu. Hiernaast is de Nieuwedijk een duidelijke grens tussen stedelijk en landelijk gebied. Het plangebied ligt aan de zijde van Lonneker en dus aan de zijde van het stedelijk gebied. Dit plan betreft een uitleglocatie van woningbouw, waardoor aan het beleid voor het stedelijk gebied is getoetst.

Omgevingsvisie Enschede

De gemeente Enschede heeft op 24 juli 2025 de Omgevingsvisie vastgesteld. De Omgevingswet (en daarmee de Omgevingsvisie) heeft als doel het bereiken van een balans. Een balans tussen een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. De Omgevingsvisie is een lange termijnvisie die inzicht in en richting geeft aan de samenhang tussen alle aspecten die de kwaliteit van de fysieke leefomgeving beïnvloeden. Het begrip fysieke leefomgeving omvat alle elementen die de kwaliteit van de ruimte bepalen voor mens, plant en dier. Denk aan bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur en cultureel erfgoed. Er is ook een sociale leefomgeving. Denk aan hoe we met elkaar omgaan, hoe we elkaar ontmoeten, de voorzieningen die er zijn in een buurt, de werkgelegenheid die er is, bereikbaarheid van voorzieningen en het veiligheidsgevoel van inwoners. En aan de organisaties die onze sociale leefomgeving ondersteunen. Bijvoorbeeld zorg- en welzijnsinstellingen, buurtcentra en andere voorzieningen die welzijn stimuleren en sociale contacten mogelijk maken.

Leefmilieu

Het plangebied ligt in een gebied dat is aangemerkt als 'Centrum dorps' leefmilieu. Het dorpse leefmilieu biedt een unieke mix van landelijke charme en kleinstedelijke voorzieningen. Het gaat om de dorpskernen Lonneker, Boekelo en Usselo. Hoewel deze dorpen zelfstandig zijn, liggen ze dicht genoeg bij het stedelijke gebied om toegang te hebben tot essentiële diensten en voorzieningen. Dit maakt het gebied vooral aantrekkelijk voor ouderen en gezinnen, vanwege de basisvoorzieningen zoals winkels, zorgfaciliteiten en ontmoetingsplekken (MXI 0,84). Het dorpse milieu is in zijn ruimtelijke stedelijkheid (FSI 0,39) vergelijkbaar met een suburbane leefomgeving en bestaat grotendeels uit grondgebonden woningen met tuin. Het dorpse leven speelt zich hier -meer dan in de andere leefmilieus- af op de eigen grond. Het toevoegen van eentonige woonwijken zou het dorpse karakter bedreigen. Vooral omdat moderne woonwijken kleinere kavels hebben en meer op het suburbane leefmilieu lijken. Daardoor sluiten ze niet aan op de dorpse kwaliteit. Het ontbreken van geschikte woonvormen in gestapelde bouw belemmert de doorstroming in dit leefmilieu. De dorpscentra bevatten een mix van historische en moderne gebouwen, met kleinschalige lokale bedrijven en ambachtelijke winkels. Het openbaar vervoer is beperkt en bevindt zich aan de rand van de dorpen. Dat beïnvloedt de bereikbaarheid.

Ambitie

De ambitie is om het leefmilieu aantrekkelijk en functioneel te houden voor alle generaties (koesteren), met mogelijkheden voor een wooncarrière en sociale interactie. Dit bereiken we door het versterken van voorzieningen zoals zorg, winkels en ontmoetingsplekken, die voorzien in de behoefte van bewoners in verschillende levensfasen.

Het behoud van het dorpse karakter is essentieel, wat betekent dat er zorgvuldig met nieuwe woonwijken moet worden omgegaan om eentonigheid te voorkomen. Er wordt gestreefd naar een leefomgeving waar de nabijheid van voorzieningen centraal staat en waarin functiemenging en werkgelegenheid in het dorp worden gestimuleerd.

In het dorpse leefmilieu wordt weinig ontwikkelruimte gezien. Nieuwe woonvormen moeten rondom de dorpskernen (ontmoetingsplekken) zorgen voor meer doorstroming. Rondom de dorpskernen en ontmoetingsplekken in het dorp kan de dichtheid hoger blijven (FSI 0,5) met behoud van het dorpse karakter, de nieuwe dorpsheid. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van drie vrijstaande woningen, wat de doorstroming van de woningmarkt in Lonneker ten goede komt.

Woonvisie Enschede 2024

De Woonvisie Enschede 2024 is geldend sinds 5 april 2024. Hierin is opgenomen dat het Rijk het woningtekort nadrukkelijk op de agenda heeft gezet. In 2022 ondertekenden het Rijk, provincie Overijssel en de Twentse gemeenten de Woondeal Twente. Hierin zijn al afspraken gemaakt over de Twentse bijdrage aan het landelijke woningtekort en de verduurzaming van de woningvoorraad. Boven water staat dat wonen een mensenrecht is, een eerste levensbehoefte waarin de gemeente streeft om iedere inwoner een passend thuis te kunnen bieden.

De gemeente Enschede heeft de ambitie om tot 2032 9.300 woningen te realiseren. Hiermee kan de gemeente Enschede doorgroeien richting 170.000 inwoners en invulling geven aan de bovenregionale vraag naar woningen. Dit woningbouwplan voor drie vrijstaande woningen draagt bij aan de doelstellingen uit de Woonvisie Enschede 2024. De woningen zijn bedoeld voor gezinnen in de leeftijd van 30 tot 65 jaar, met of zonder kinderen. Het plan stimuleert doorstroming op de woningmarkt in Lonneker, omdat de nieuwe bewoners doorgaans een goedkopere woning achterlaten. Daarmee ontstaan verhuisbewegingen die bijdragen aan een betere benutting van de bestaande woningvoorraad. In de Woondeal Twente zijn afspraken gemaakt over betaalbaarheid van nieuwbouw. In de basis dient de woningprogrammering van elke gemeente te bestaan uit 30 procent sociale huurwoningen, 40 procent middeldure woningen en 30 procent dure woningen. Deze segmenten zijn landelijk gedefinieerd. Dit wordt gebruikt voor de programmering op stedelijk niveau. De drie vrijstaande woningen vallen in het dure segment en versterken daarmee de differentiatie in het woningaanbod. Dit is in lijn met de ambitie om een gevarieerd en toekomstbestendig woonprogramma te realiseren en om ruimte te bieden aan gezinnen die op zoek zijn naar een kwalitatieve woonomgeving.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat deze wijziging van het omgevingsplan voldoet aan vastgesteld gemeentelijk beleid.

3.4 Ladder voor duurzame verstedelijking

Besluit kwaliteit leefomgeving

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel en 'nieuw' is.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor of een plan 'voldoende substantieel' is. De aard en omvang van het plan in relatie met de omgeving bepaalt dat. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Voor woningbouw is dat vanaf 12 woningen en voor de nieuwbouw en uitbreiding van bedrijven ligt de ondergrens in beginsel bij een bruto-vloeroppervlakte van 500m2.

Overijsselse Ladder voor duurzame verstedelijking

De provincie Overijssel hanteert een vergelijkbare ladder en stelt voor de provinciale doelstellingen voor ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit, aanvullende eisen op de ladder voor duurzame verstedelijking en is gericht op concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid. Ook het aspect 'behoefte' speelt hierin een belangrijke rol.

Principe van concentratie

In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen. Dit plan sluit hierop aan. Er worden drie vrijstaande woningen gebouwd voor de lokale behoefte aan doorgroeimogelijkheden in de woningmarkt van Lonneker.

Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:

  • er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied;
  • de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en
  • mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

Dit plan is gericht op de realisatie van drie vrijstaande woningen om doorgroeimogelijkheden te creëren in de woningmarkt van Lonneker. Het plangebied sluit direct aan op bestaande bebouwing in Lonneker en is in de Omgevingsverordening Overijssel ook aangewezen als bebouwde kom. Het is logisch om het plangebied ook een woonfunctie te geven, gelet op de directe omgeving. Doordat het plangebied is aangewezen als bebouwde kom blijft een verdere toets aan artikel 4.11 van de Omgevingsverordening Overijssel (compenseren in ruimtelijke kwaliteit) achterwege. Gelet op vorenstaande past de beoogde ontwikkeling binnen het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

Toekomstbestendigheid

In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is gemaakt dat die toekomstbestendig zijn en dus:

  • de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen;
  • duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden; en
  • ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben.

De realisatie van drie vrijstaande woningen aan de Nieuwedijk draagt bij aan doorgroeimogelijkheden in de woningmarkt van Lonneker. Met dit plan wordt een bijdrage geleverd aan de mogelijkheid voor bewoners van het dorp Lonneker om binnen het dorp een grotere woning en kavel te kunnen bewonen. Als woonbehoeften veranderen is men minder snel genoodzaakt om het dorp te moeten verlaten, zodat inwoners van Lonneker ook voor de lange termijn behouden kunnen blijven voor het dorp.

'Stedelijke ontwikkeling' en deze wijziging van het omgevingsplan

Met dit TAM-omgevingsplan worden drie vrijstaande woningen mogelijk gemaakt aan de noordwestelijke rand van het dorp Lonneker. De beoogde ontwikkeling betreft geen stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bkl en past ook binnen de aanvullende eisen op de Overijsselse Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.5 Omgevingsaspecten

In deze paragraaf wordt de wijziging van het omgevingsplan getoetst op de omgevingsaspecten die relevant zijn voor de beoogde ontwikkeling. Waarom is de ontwikkeling op deze locatie niet onuitvoerbaar en welke randvoorwaarden en eisen worden daarbij gesteld?

3.5.1 Welstand, beeldkwaliteit en landschappelijke waarden

De instructieregels in paragraaf 5.1.5 van het Bkl, over het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden, zijn niet van toepassing op Enschede. Deze gaan over de Waddenzee en de kust.

Welstand en beeldkwaliteit

In de Welstandsnota "Bouwen aan identiteit" is aangegeven aan welke welstandseisen bouwplannen moeten worden getoetst. Daartoe zijn in de Welstandsnota voor het gehele grondgebied van de gemeente Enschede welstandsidentiteiten opgenomen.

Voor het gebied van deze wijziging van het omgevingsplan geldt de welstandsidentiteit 'Vrije landelijke bebouwing'. Deze welstandsidentiteit wordt niet aangepast in het kader van voorliggend plan. De vergunningaanvragen zullen aan deze welstandsidentiteit worden getoetst.

Beschermwaardige bomen

De bescherming van bomen is geregeld in de Verordening kwaliteit leefomgeving (VKL). Op het bij de VKL behorende bomenoverzicht zijn de beschermde bomen en boomgroepen weergegeven, voor het vellen waarvan in ieder geval een omgevingsvergunning (kapvergunning) op grond van de VKL is vereist. De VKL is alleen van toepassing op bomen binnen de bebouwde kom. Op onderstaande afbeelding 5 is te zien dat het plangebied op basis van de Wet natuurbescherming in de huidige situatie buiten de bebouwde kom ligt, maar dat direct aansluitend aan het plangebied wel een beschermwaardig boomgebied is gesitueerd. Bij de uitvoering van dit plan is rekening gehouden met deze bomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.TAMH22N-0003_0005.png"

Afbeelding 5: Beschermwaardig boomgebied

Om de bomen te beschermen is het belangrijk dat er geen veranderingen in de ondergrond plaatsvinden in de nabijheid van de bomen. Voor het behoud van de bomen is het belangrijk dat de 'cilinder', zoals op onderstaande afbeelding 6 (kroonprojectie + 2 meter) visueel weergegeven, niet wordt aangetast. In de planregels is opgenomen dat per bouwvlak maximaal één woning aanwezig mag zijn. De bouwvlakken zijn op ruime afstand (minimaal 15 meter) van de beschermwaardige bomen gesitueerd. Verder is in de Regels onder sublid 13.2.7 van dit plan opgenomen dat daar waar het bouwen of verbouwen van bouwwerken is toegestaan in de directe nabijheid van op grond van de Verordening kwaliteit leefomgeving (Vkl) beschermde bomen, burgemeester en wethouders bij de besluitvorming over het verlenen van de omgevingsvergunning de als uitwerking van de Vkl vastgestelde nadere regels voor de bescherming van bomen betrekken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.TAMH22N-0003_0006.png"

Afbeelding 6: 'Cilinder' van de beschermwaardige bomen

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een onaanvaardbare aantasting van de ruimtelijke kwaliteit en is niet in strijd met redelijke eisen van welstand.

3.5.2 Cultuurhistorische waarden

Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat gemeenten voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime moeten opnemen in het omgevingsplan. Het Bkl bevat hiervoor instructieregels in artikel 5.130 (par 5.1.5.5; behoud cultureel erfgoed). Ook de Omgevingsverordening van de provincie bevat instructieregels voor cultureel erfgoed (artikel 4.12 van de Omgevingsverordening).

Waarden en deze omgevingsplanwijziging

In het gebied van deze wijziging van het omgevingsplan komen geen cultuurhistorisch waardevolle objecten, elementen en structuren voor. Direct ten noorden van het plangebied bevindt zich wel het rijksmonument 'Nieuwedijk 104-106-108', een blok van drie arbeiderswoningen, gebouwd in 1899. Op onderstaande afbeelding 7 is het betreffende rijksmonument visueel weergegeven. De bescherming van het rijksmonument vindt plaats op grond van de Erfgoedwet.

Het rijksmonument staat niet direct op de grens met het plangebied. De beoogde woningen in het plangebied komen op ruime kavels te staan en de bebouwing blijft t.o.v. het rijksmonument minimaal 3 meter uit de perceelsgrens. De voorzijde van de bouwvlakken zal iets verder van de Nieuwedijk af komen te liggen dan de voorgevel van het rijksmonument. De zichtbaarheid en beleving van het rijksmonument zullen niet wezenlijk worden beïnvloed door het nieuwbouwplan. Er kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling geen afbreuk doet aan de cultuurhistorische waarden van het monument.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.TAMH22N-0003_0007.png"

Afbeelding 7: Rijksmonument Nieuwedijk 104-106-108

Verder ligt het tracé van de voormalige spoorlijn tussen Enschede en Oldenzaal langs de oostelijke grens van het plangebied. Deze historische lijn blijft behouden. Het TAM-omgevingsplan heeft hier geen relevante invloed op.

Conclusie

Cultuurhistorische waarden vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de planwijziging. Daarmee wordt voldaan aan de instructieregels van het Rijk (Bkl) en de provincie (Omgevingsverordening).

3.5.3 Archeologische waarden

In de gemeente Enschede is een archeologische beleidskaart opgesteld. Op basis van deze kaart valt het gebied van deze omgevingsplanwijziging onder de aanduiding 'archeologisch onderzoeksgebied b'. In onderstaande afbeelding 8 is het plangebied aangeduid met een zwarte ster.

In het kader van bestemmingsplan 'Lonneker Erf' is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het plangebied van voorliggend plan 'Nieuwedijk tussen nrs. 80 en 104' maakte in eerste instantie namelijk deel uit van het plangebied van het plan 'Lonneker Erf' (ADC archeoprojecten, rapport nr. 703 d.d. juli 2006). Op basis van het onderzoek bleek dat er geen aanleiding was voor nader archeologisch onderzoek.

Het plangebied van dit plan 'Nieuwedijk tussen nrs. 80 en 104' maakte uiteindelijk geen deel uit van plan 'Lonneker Erf', maar op basis van het archeologisch onderzoek is er bij de daarop volgende planherziening ('Buitengebied Noordwest') geen aanduiding ten behoeve van een archeologische onderzoeksplicht meer opgenomen in het plangebied. In voorliggend plan is een dergelijke aanduiding dan ook niet opgenomen.

Dit betekent niet dat er geen archeologische waarden kunnen worden aangetroffen. Op grond van de Erfgoedwet geldt de meldplicht voor toevalsvondsten. Als tijdens het uitvoeren van graafwerkzaamheden een archeologische vondst wordt gedaan, geldt een meldingsplicht bij het bevoegd gezag (gemeente Enschede).

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.TAMH22N-0003_0008.png"

Afbeelding 8: uitsnede archeologische beleidskaart van Enschede


Conclusie

Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat archeologie geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van de voorgestelde wijziging van het omgevingsplan.

Daarmee wordt ook voldaan aan de instructieregels van het Rijk in artikel 5.130 (par 5.1.5.5) van het Bkl (behoud cultureel erfgoed).

3.5.4 Verkeer

De drie vrijstaande woningen worden ontsloten op de Nieuwedijk. De beoogde ontwikkeling zorgt voor een geringe verkeerstoename op de Nieuwedijk. De Nieuwedijk betreft een bestaande verharde weg die deze geringe verkeerstoename, gelet op verkeersveiligheid en doorstroming, goed kan dragen. Op onderstaande afbeelding 9 is aan de linkerzijde het plangebied te zien, met aan de rechterzijde de Nieuwedijk. Per woning is één oprit toegestaan. Voor het parkeren (auto en fiets) dient te worden voldaan aan de vigerende gemeentelijke Parkeernormennota. Eén van de voorwaarden in deze nota is het realiseren van parkeerplaatsen op eigen terrein. Op het moment van de aanvraag Omgevingsvergunning voor bouwen moet worden voldaan aan de dan geldende parkeernormen. Op grond van de huidige regelgeving geldt een parkeereis van 1,8 pp/woning. Gelet op de omvang van de kavels is voldoende ruimte beschikbaar om aan de parkeereis te voldoen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.TAMH22N-0003_0009.png"

Afbeelding 9: Streetview plangebied

3.5.5 Gezondheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de beoogde ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:

  • het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de omgevingsvergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?);
  • het bevorderen van de gezondheid, zoals het bevorderen van sport en ontspanning (positieve gezondheid).

Wettelijk kader

Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3, sub a, Omgevingswet). De aspeten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd.

Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodemkwaliteit. Deze aspecten worden in de hierna volgende paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om ter introductie kort te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming over dit TAM-omgevingsplan is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en instand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook bewoners, omwonenden, gebruikers van omliggende gronden en nabij het plangebied gevestigde bedrijven zijn vaak geinteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een ontwikkeling optreedt.

Toepassing gewasbeschermingsmiddelen

Er bestaan geen vaste regels over hoe om te gaan met de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen in ruimtelijke plannen. Wel is er een jurisprudentielijn omtrent spuitzones ontstaan:

  • Er zijn geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen teelgronden en nabijgelegen woningen.
  • Een afstand van 50 meter als spuitzone wordt in het algemeen niet als onredelijk gezien.

De landelijke jurisprudentie volgt zich m.b.t. dit onderwerp snel op.

Bij toevoeging van gevoelige functies, zoals woningen, moet een afweging van belangen worden gemaakt. De aan te houden afstand tussen gronden, waarop gewassen kunnen worden verbouwd en nabijgelegen gevoelige functies, dient zodanig te worden gekozen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (ETFAL) bij het gevoelige object aanwezig is (ECLI:NL:RVS:2023:3710). Een gevoelige functie is een functie waar mensen langdurig kunnen verblijven (ECLI:NL:RVS:2004:AP0392). Bij de beoordeling van ruimtelijke initiatieven dient uit te worden gegaan van de maximale planologische mogelijkheden (ECLI:NL:RVS:2022:1991).

Gezondheid en deze wijziging van het omgevingsplan

Dit plan betreft de realisatie van drie vrijstaande woningen aan de noordzijde van Lonneker. Binnen 50 meter van het plangebied liggen aan de noord-, west- en zuidzijde gronden, waarvoor het bestemmingsplan 'Buitengebied Noordwest' geldt, met de bestemming 'Agrarisch'. In onderstaande afbeelding 10 zijn de betreffende gronden met een zwarte ster aangeduid. In de bestemmingsomschrijving is opgenomen dat de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden bestemd zijn voor het weiden van vee en de exploitatie van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Voor een grondgebonden agrarisch bedrijf is het volgende in de begripsbepaling opgenomen: 'Een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk niet in gebouwen plaatsvindt, waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, zoals een melkrundveehouderijbedrijf, een akkerbouwbedrijf, waaronder het telen van kleinfruit (zoals aardbei, bosbes, rode bes, witte bes, zwarte bes, kruisbes, braam, framboos), een productiegerichte paardenhouderij, biologische bedrijven, waarbij dieren worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de bestaande Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, en naar de aard daarmee gelijk te stellen agrarische bedrijven'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.TAMH22N-0003_0010.png"

Afbeelding 10: Uitsnede plankaart uit bestemmingsplan 'Buitengebied Noordwest'

In de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden is onder artikel 2a het volgende opgenomen: 'Een ieder is verplicht op zorgvuldige wijze om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen, biociden, de daarbij behorende werkzame stoffen of daarbij gebruikte toevoegingsstoffen, alsmede restanten daarvan of de aangebroken verpakkingen. Die zorgvuldigheid houdt in ieder geval in, dat een ieder, die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten gevaar ontstaat of kan ontstaan voor een mens, voor een dier of voor planten waarvan de instandhouding gewenst is, voor planten die aan anderen toebehoren, voor de bodem of voor het water, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten, tenzij zulks in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd, dan wel onverwijld alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde voornoemd gevaar te voorkomen of de nadelige gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken'.  

In het Omgevingsplan Gemeente Enschede is onder artikel 22.44 specifieke zorgplicht het volgende opgenomen:

  • 1. Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht:
    • a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
    • b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
    • c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Er is op de gronden (met zwarte ster aangeduid op bovenstaande afbeelding 10) gebruik mogelijk, waarbij gewasbeschermingsmiddelen (kunnen) worden ingezet. Echter liggen deze gronden in de huidige situatie al binnen een zone van 50 meter van reeds aanwezige gevoelige functies (woningen). Gelet op vorenstaande worden agrarische grondeigenaren door de drie nieuwe woningen aan de Nieuwedijk niet verder in hun gebruiksmogelijkheden beperkt en is anderzijds binnen het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Conclusie

Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat gezondheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan.

3.5.6 Bodemkwaliteit

Bij een ruimtelijke procedure is het essentieel om te beoordelen of de fysieke leefomgeving gewaarborgd kan blijven, waarbij de bodemkwaliteit een belangrijk aspect is. Dit is noodzakelijk om de uitvoerbaarheid van het plan te waarborgen. De bodemkwaliteit kan worden vastgesteld aan de hand van beschikbare bodeminformatie of door middel van een bodemonderzoek. Als uit een bodemonderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit niet geschikt is voor de beoogde ontwikkeling, kunnen eventueel noodzakelijke saneringsmaatregelegen worden getroffen om deze geschikt te maken. Of en wanneer een bodemonderzoek nodig is, wordt bepaald door het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

Wettelijk kader

Volgens het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is een voorafgaand bodemonderzoek verplicht bij bepaalde activiteiten die potentieel schadelijk zijn voor de bodemkwaliteit. Dit betreft onder andere:

  • Graven in bodem met een kwaliteit onder de interventiewaarde voor bodemkwaliteit (paragraaf 4.119, Bal);
  • Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde voor bodemkwaliteit (paragraaf 4.120, Bal);
  • Saneren van de bodem (paragraaf 4.121, Bal);
  • Bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie (artikel 22.29 en 22.30 van het geldende Omgevingsplan).

Bodemkwaliteit en deze wijziging van het omgevingsplan

Dit TAM-omgevingsplan maakt de realisatie van drie vrijstaande woningen mogelijk. In de huidige situatie is het plangebied als weiland in gebruik. Om na te gaan of de bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem (wonen) is een verkennend bodemonderzoek gedaan. Dit onderzoek is in 2018 al uitgevoerd, maar is nog voldoende actueel. Sinds 2018 is het gebruik van het plangebied als weiland niet gewijzigd. Het bodemonderzoek (Ortageo, 2018, rapportnr 209147-10/R01) is als Bijlage 2 toegevoegd aan deze motivering. Uit het onderzoek blijkt dat de bovengrond en het grondwater licht verontreinigd zijn. De ondergrond is niet verontreinigd. Het betreft geen chemische verontreinigingen in gehalten boven de tussenwaarde. Nader onderzoek of sanerende maatregelen zijn niet noodzakelijk. De milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het beoogde gebruik en daarmee voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Het advies is om eventueel vrijkomende grond zoveel mogelijk in het plangebied te hergebruiken.

Conclusie

Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan. De planwijziging voldoet aan de instructieregels.

3.5.7 Waterhuishouding en klimaatadaptatie

Gemeente Enschede en waterschap Vechtstromen hanteren het principe om water en bodem sturend te maken bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Dit principe wordt opgenomen in de omgevingsvisie van de gemeente (vaststelling verwacht in 2025) en de Watervisie 2050 van het waterschap (vastgesteld 14 april 2021). Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst op de gevolgen voor de waterhuishouding en de waterkwaliteit en dienen klimaatrobuust te worden ontworpen.

De gemeenteraad heeft op 25 oktober 2021 het Water- en Klimaatadaptatieplan 2022-2026 (WEK) vastgesteld. Dit beleidsplan beschrijft hoe Enschede toewerkt naar een waterrobuuste en klimaatbestendige gemeente in 2050. Enschede wordt nog 'groener' en 'blauwer' om goed voorbereid te zijn op een nattere, hetere en drogere toekomst. Water de ruimte geven en stenen vervangen door planten en bomen gaan wateroverlast, hittestress en verdroging tegen. Zo werkt Enschede verder aan een aantrekkelijke 'duurzame en groene stad' waar mensen graag wonen, leven en werken! Nu en in de toekomst.

Het waterschap heeft op 15 december 2021 het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In het waterbeheerprogramma staan de uitgangspunten die het waterschap hanteert voor de inrichting en het beheer van het watersysteem en de afvalwaterzuivering, rekening houdend met een veranderend klimaat. Deze uitgangspunten zijn ingebracht in het WEK van de gemeente Enschede.

Paragraaf 22.3.8 Afvalwaterbeheer van de Bruidsschat Omgevingsplan is voor dit thema van toepassing op milieubelastende activiteiten. Hiernaast is voor dit plan een memo waterhuishouding en riolering gemaakt. Deze maakt als bijlage 3 onderdeel uit van deze motivering.


Hemelwater

Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat in bestaand stedelijk gebied hemelwater zo min mogelijk wordt afgevoerd via de riolering en in het buitengebied hemelwater niet wordt afgevoerd via de riolering. Bij een toename van verhard oppervlak komt meer hemelwater versneld tot afvoer, hierop is de riolering en het oppervlaktewatersysteem niet berekend. Het extra afstromend hemelwater moet derhalve op eigen terrein worden verwerkt.

Voor nieuwbouw en hernieuwbouw geldt per vierkante meter verharding (daken en bestrating op openbaar en particulier terrein) een waterbergingseis van 55 millimeter.

Vervuiling van hemelwater dient zoveel mogelijk voorkomen te worden door geen uitlogende bouwmaterialen te gebruiken.

Verder zijn de artikelen 22.142 tot en met 22.144 uit de Bruidsschat Omgevingswet van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening.

Waterberging en gevolgen van deze planwijziging

In de nieuwe situatie zal er ca. 300m2 verhard oppervlak aanwezig zijn in het wijzigingsgebied. Bij een bergingsopgave van 55mm betekent dit een totale berging op het kavel van (300m2 x 0,055 =) 16,5m3 per kavel. Infiltratievoorzieningen dienen bij voorkeur boven de GHG gesitueerd te zijn. Bij een gemiddeld toekomstig kavelpeil van +46,65m NAP en een GHG van +46,00m NAP is er ca. 65cm ruimte om de berging te realiseren. De kopers hebben diverse mogelijkheden deze berging te realiseren: groendaken, vijvers, wadi’s infiltratie-units, grindkoffers e.d. De exacte inrichting zal afhangen van de werkelijke verharde oppervlakken en de keuze van de kopers.

Conclusie hemelwaterberging

In het plangebied is ruim voldoende bergings- en infiltratiecapaciteit aanwezig om te voldoen aan de bergingsopgave van 55 millimeter over het verharde oppervlak.


Afvalwater

Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat het ontstaan van afvalwater wordt beperkt. In nieuwe situaties (nieuwbouw, herontwikkeling) wordt afvalwater gescheiden van het hemelwater aangeboden en afgevoerd. In principe zorgt de gemeente er voor dat het afvalwater vanaf de perceelsgrens wordt getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap Vechtstromen.

In dit geval zal het afvalwater ondergrond, onder vrijverval worden aangeboden in een huisaansluiting tot de kavelgrens. Er wordt een aanvraag bij de gemeente ingediend deze op de bestaande drukriool-unit bij huisnummer 104 (zie onderstaande uitsnede) aan te sluiten. Dit zal een vervolgfase in overleg met de gemeente en de bewoner van dit perceel nader uitgezocht worden.


Oppervlaktewater

Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is dat bestaand oppervlaktewater (sloten en vijvers) gehandhaafd blijft. Bij de herinrichting van het oppervlaktewatersysteem zijn de benodigde afvoercapaciteit, de streefbeelden en de kwaliteitsdoelstellingen van het waterschap Vechtstromen leidend. Wijzigingen aan het bestaande watersysteem en de aanleg van nieuwe waterpartijen worden altijd afgestemd met gemeente en waterschap. Nieuw en bestaand oppervlaktewater wordt geïntegreerd in het stedenbouwkundig plan, zodanig dat het water beleefd kan worden en goed te beheren is. Voor deze omgevingsplanwijziging geldt dat de ontwerpen voor de kavels in samenspraak tussen de nieuwe eigenaren en de gemeente worden gemaakt, waarbij vorenstaande mee wordt genomen in de toetsing van de vergunningaanvragen.


Grondwater, ontwateringsdiepte en ondergronds bouwen

In de Waterwet is vastgelegd dat perceeleigenaren zelf verantwoordelijk zijn voor het grondwater op het eigen perceel. De ontwatering van een perceel is afhankelijk van gebruik/toegestane functie van de grond. Onder ontwatering wordt verstaan: het verschil tussen het peil van de weg of van de bebouwing en de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). Om ongewenste effecten van hoge grondwaterstanden te voorkomen wordt geadviseerd de in onderstaande tabel genoemde ontwateringshoogtes aan te houden:

Functie/gebruik   Ontwatering in m t.o.v. GHG  
Primaire wegen   0,7  
Secundaire wegen en erfontsluiting   0,5  
Bouwwerken met kruipruimten   0,7  
Bouwwerken zonder kruipruimten   0,5  
Groen   0,5  

Tabel: Minimale ontwateringsdieptes (gerelateerd aan de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG))

Voor deze omgevingsplanwijziging geldt dat de omgeving rondom het plangebied bekend is met grondwateroverlast, mede veroorzaakt door nieuwe ontwikkelingen waar niet voldoende rekening is gehouden met de grondwater problematiek. De belangrijkste oorzaken van de grondwateroverlast zijn:

  • Bestaande ontwateringsstructuren (greppels) zijn verwijderd;
  • Terreinophoging (.1m) hebben een negatieve invloed op bestaande waterhuishouding;
  • De ophoging heeft plaatsgevonden met lemige / slecht-doorlatende grond;
  • Er bevindt zich een storende laag op ca. 70m. beneden maaiveld (oerbank);
  • Tijdens bouwwerkzaamheden aan de oostzijde is de grond verdicht geraakt (zwaar materieel). Oppervlakkig afstromend hemelwater infiltreert niet in de tuin, maar ter plaatse van de woning waar de grond niet verdicht is.

Ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek t.b.v. de huidige ontwikkeling (Nieuwedijk omg. Enschede, Ortageo, d.d. 13-08-2018) is een peilbuis geplaatst. Hiervan zijn geen lange meetreeksen beschikbaar. Er zijn grondwaterstanden waargenomen van 1,60m – maaiveld. Uit bijgevoegde boringen blijkt een grondwaterstand van 1,50m – maaiveld. Opgemerkt moet worden dat de waarnemingen gedaan zijn in de droge periode.

De wateratlas van de provincie Overijssel geeft een overzicht van de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) ter plaatse van het plangebied. Hieruit blijkt een GHG van ca. 0,80-0,90m beneden maaiveld voorkomt in het plangebied. Aangezien dit een model studie is, worden deze waarden niet meegenomen in het bepalen van een geschatte GHG voor het plangebied.

De resultaten van de onderzoeken op een rijtje zettend, kan geconcludeerd worden dat de hoogst gemeten grondwaterstanden voorkomen tot een hoogte van ca 0,50m beneden maaiveld In het plangebied geldt een gemiddelde terreinhoogte van +46,50m NAP. Bij het ontbreken van een formele GHG bepaling, wordt voor de verdere uitwerking van dit plan uitgegaan van een GHG van +46,00m NAP.

Afwatering

Om op perceelniveau te kunnen voorkomen dat afstromend regenwater problemen veroorzaakt, gelden de volgende adviezen:

  • Het vloerpeil minimaal 0,20 m boven straatpeil (kruin van de weg t.o.v. toegang ter plaatse);
  • De maaiveldpeilen en vloerpeilen van de verschillende percelen op elkaar afstemmen;
  • Plangebied/perceel zodanig inrichten dat water oppervlakkig kan afstromen zonder schade of overlast te veroorzaken aan aangrenzende particuliere percelen of openbare ruimte;
  • Indien nodig ruimte aan achterkant van perceel reserveren voor (gemeenschappelijk en te onderhouden) afvoervoorzieningen.


Waterhuishouding en deze wijziging van het omgevingsplan

Ten behoeve van dit TAM-omgevingsplan is de 'Memo waterhuishouding en riolering' opgesteld, waarin de te nemen maatregelen en te hanteren uitgangspunten specifiek zijn uitgewerkt voor het plangebied. Deze memo is opgenomen in bijlage 3 van deze motivering en is verbonden aan de met de initiatiefnemer gesloten exploitatieovereenkomst. Op basis van de eigenschappen van het plangebied en omgeving (maaiveld, grondwaterhoogte etc.) zijn ontwerpuitgangspunten gedefinieerd en maatregelen opgesteld om een goede waterhuishouding te borgen. Het gaat onder andere om het minimale bouwpeil, het kavelpeil, de invloed op omliggende kavels, de omvang en mogelijkheden voor waterberging en de aansluiting op het riool. Voor een volledige beschrijving wordt verwezen naar bijlage 3 van deze motivering.


Conclusie

Op basis van de te treffen maatregelen en te volgen uitgangspunten, zoals hiervoor beschreven en geborgd in de overeenkomst met de initiatiefnemer, vormt waterhuishouding geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan.

3.5.8 Natura 2000-gebieden

Het gebied van deze wijziging van het omgevingsplan ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied of bijzonder nationaal natuurgebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het Lonnekermeer en ligt op ca. 3,8 km afstand van het plangebied. Op onderstaande afbeelding 11 is een uitsnede uit de natura2000kaart-Nederland te zien, waar het plangebied met een zwarte ster is weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.TAMH22N-0003_0011.png"

Afbeelding 11: uitsnede natura2000-kaart Nederland (bron: atlasleefomgeving.nl)

Deze wijziging van het omgevingsplan maakt het mogelijk om in de nabijheid van het Natura 2000-gebied 'Lonnekermeer' drie vrijstaande woningen te realiseren. Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling in relatie tot de afstand (ca. 3,8 km) van de ontwikkelingslocatie tot het Natura 2000-gebied 'Lonnekermeer' kunnen significant negatieve gevolgen voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied 'Lonnekermeer' op voorhand met voldoende zekerheid worden uitgesloten. Een verdere toetsing aan de Wet natuurbescherming voor wat betreft beschermde natuurgebieden kan daarom achterwege blijven.

Stikstofdepositie

Ontwikkelfase

Ten behoeve van de ontwikkeling vindt er een tijdelijke geringe toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de afvoer van sloopmateriaal, aanvoer bouwmateriaal en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de grote afstand tussen het plangebied en het dichtsbijzijnde Natura 2000-gebied 'Lonnekermeer', en de tijdelijke toename van verkeersbewegingen, is het niet aannemelijk dat de uitvoering zal leiden tot toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Een stikstofberekening voor de ontwikkelfase wordt derhalve niet nodig geacht.

Gebruiksfase

Het in gebruik nemen van de drie nieuwe vrijstaande woningen leidt tot een geringe toename van verkeersbewegingen op de Nieuwedijk. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten (wonen) en de afstand van ca. 3,8 km tot Natura 2000-gebied 'Lonnekermeer', kan een toename van stikstofdepositie in dit Natura 2000-gebied tijdens de gebruiksfase op voorhand uitgesloten worden. Daarom hoeft voor de gebruiksfase geen stikstofberekening uitgevoerd te worden.

3.5.9 Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met veel natuurwaarden. Het NNN heeft als doel het behouden, beschermen en versterken van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit) en beoogt een bijdrage te leveren aan het realiseren en in stand houden van een (inter-)nationaal vitaal stelsel van natuurgebieden.

De aanwijzing van gebieden als onderdeel van het NNN vindt plaats bij provinciale verordening en dient te worden vertaald in gemeentelijke ruimtelijke plannen zoals de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan. De regels met betrekking tot het NNN uit de provinciale verordening voor zover gelegen in het buitengebied zijn vertaald naar de Gids Buitenkans van de gemeente Enschede. De Gids Buitenkans is van toepassing als toetsingskader als het gaat om het Natuur Netwerk Nederland (NNN).


Het NNN en deze wijziging van het omgevingsplan

Het gebied van deze wijziging van het omgevingsplan ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN. In onderstaande afbeelding 11 is het plangebied met een zwarte ster aangeduid. NNN-gronden zijn in kleur opgelicht. De dichtstbijzijnde gronden die onderdeel uitmaken van het NNN liggen op ca. 600 meter afstand van het plangebied. Een verdere toetsing aan het NNN kan daarom achterwege blijven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.TAMH22N-0003_0012.png"

Afbeelding 12 ligging NNN

3.5.10 Beschermde planten- en diersoorten

In de Omgevingswet is de aanwijzing en bescherming van planten- en diersoorten geregeld. Het gaat daarbij niet om de bescherming van individuele planten of dieren, maar om te voorkomen dat het voortbestaan van soorten planten of dieren in gevaar komt en dat vaste rust- en verblijfplaatsen en groeiplaatsen opzettelijk worden vernield of verstoord. Hiertoe zijn in deze wet een aantal verbodsbepalingen opgenomen, zoals het verbod op het opzettelijk doden of verontrusten van dieren of het verbod op het plukken van planten. Daarbij is het 'nee, tenzij' principe het uitgangspunt, er mag geen schade worden toegebracht aan beschermde dieren of planten tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan en daarbij zorgvuldig wordt gehandeld. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst of de beoogde activiteiten mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben voor in dat gebied voorkomende vaste rust- en verblijfplaatsen en/of anderszins functioneel leefgebied van beschermde soorten. Indien noodzakelijk dienen tijdig passende preventieve of mitigerende maatregelen te worden getroffen dan wel dient het plan te worden aangepast om overtreding van verbodsbepalingen te kunnen voorkomen en de functionaliteit van het gebied voor de aanwezige beschermde soorten te kunnen waarborgen. Indien door maatregelen en eventueel planaanpassing negatieve gevolgen voor aanwezige beschermde soorten niet of niet volledig kunnen worden voorkomen is een ontheffing van de betreffende verbodsbepalingen noodzakelijk en dient aannemelijk te worden gemaakt dat deze redelijkerwijs ook verleend zal kunnen worden.

Beschermde soorten en deze wijziging van het omgevingsplan

Dit TAM-omgevingsplan maakt de realisatie van drie vrijstaande woningen mogelijk aan de noordwestelijke rand van het dorp Lonneker. Als gevolg van deze beoogde ontwikkeling kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als biljage 4 aan deze motivering toegevoegd. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de bestaande inrichting en het gevoerde beheer (weiland) )het plangebied ongeschikt maken als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een voortplantings- en rustplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend als foerageergebied benut.

Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden, omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Het rooien van beplanting en het bouwen van de nieuwe woningen dient buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om dit uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen activiteiten mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, mits geen bezette nesten verstoord, beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

Mogelijk wordt als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een voortplantings- of rustplaats beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantings- en/of rustplaats negatief beinvloed worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van voortplantings- en rustplaats'. Voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden (en elders losgelaten) of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen omgevingsvergunning flora- en fuana-activiteit vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van de verbodsbepaling.

Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën waarvan mogelijk de (winter)rustplaats negatief beïnvloed wordt, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van voortplantingsplaats en/of rustplaats'. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om te voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.

Conclusie

Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat beschermde planten- en diersoorten geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan.

3.5.11 Activiteiten en milieuzonering

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is nagegaan of er bestaande bedrijfsactiviteiten en voorzieningen rondom het plangebied aanwezig zijn, die van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat in het plangebied. Daarbij is gekeken naar de potentiële milieubelasting van deze bedrijfsactiviteiten en voorzieningen. De milieubelasting en de bijbehorende hindercontouren worden bepaald door verschillende ruimtelijk relevante milieuaspecten, zoals geur en geluid. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat het plangebied kan worden gezien als een rustige woonwijk.

Het plangebied is gelegen aan de rand van het dorp Lonneker. Binnen een straal van ca. 150 meter rondom het plangebied zijn enkel woningen en landbouwgronden aanwezig. Er zijn geen bedrijven en voorzieningen in de omgeving aanwezig die mogelijk hinder kunnen veroorzaken voor de nieuw te bouwen woningen. Op de betreffende landbouwgronden kunnen wel gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, maar doordat voor dit gebruik van de landbouwgronden in de huidige situatie al rekening moet worden gehouden met bestaande woningen kan geconcludeerd worden dat ook vanuit dit milieuaspect in het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de gebruiksmogelijkheden van de agrarische gronden niet verder worden beperkt door de beoogde ontwikkeling.

De meest nabij gelegen agrarische bedrijven liggen op ca. 240 meter ten noorden en zuidoosten van het plangebied. Deze zijn niet van invloed op het woon- en leefklimaat binnen het plangebied. Ook zijn er reeds woningen gesitueerd tussen het plangebied en de betreffende bedrijven, waarmee de realisatie van de nieuwe woningen geen beperking oplevert van de ontwikkelmogelijkheden (milieuruimte) van de agrarische bedrijven.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect 'activiteiten en milieuzonering' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.5.12 Luchtkwaliteit

De Omgevingswet biedt het kader om te toetsen aan luchtkwaliteitseisen. Een uitzondering op deze verplichting om de gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen op de luchtkwaliteit mee te wegen, vormen bepaalde typen projecten die niet in betekende mate (NIBM) bijdrage aan de luchtkwaliteit. Het begrip NIBM is uitgewerkt in de artikelen 5.53 en 5.54 van het Bkl.

Een plan draagt niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging wanneer aannemelijk is (door berekening of motivering) dat de '3% grens' niet wordt overschreden. Deze grens in 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1.2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. De Regeling NIBM geeft voor een aantal categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen een invulling aan de NIBM grens. Indien er binnen de getalsmatige begrenzing van de Regelgeving wordt gebleven, is er geen nader onderzoek nodig. Bij de ruimtelijke ontwikkeling is er dan automatisch sprake van een niet in betekende mate bijdrage aan de luchtkwaliteit.

De grens in de regeling ligt bij 1500 woningen met een enkele ontsluitingsweg of 3000 woningen met twee ontsluitingswegen. Met dit TAM-omgevingsplan wordt de realisatie van slechts drie vrijstaande woningen mogelijk gemaakt.

Conclusie

Het plan draagt niet in betekende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. De planwijziging voldoet aan de instructieregels in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor deze wijziging van het Omgevingsplan.

3.5.13 Geluidhinder

Met de realisatie van de drie vrijstaande woningen worden er geluidsgevoelige gebouwen aan de omgeving toegevoegd. Het omgevingsplan gemeente Enschede bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. De geluidbelasting mag de in het omgevingsplan genoemde grenswaarden niet overschrijden. Daarbij moet, bij overschrijding van de standaardwaarde, de doeltreffendheid worden onderzocht van de in aanmerking komende maatregelen ter voorkoming van in de toekomst optredende geluidsbelasting van de geluidgevoelige gebouwen en gebieden.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan het ook noodzakelijk zijn dat akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd, zoals voor wegen met verkeersintensiteit lager dan 1000 mvt/etmaal of voor activiteiten waarvoor geen normen zoals stemgeluid gelden (zolang dat niet is vermengd met muziekgeluid).

Wegverkeerslawaai

Binnen het plangebied of in de directe omgeving ervan zijn geen wegen aanwezig met een geluidaandachtgebied. Een nadere toetsing aan de geluidnormen van wegverkeerslawaai kan daarom achterwege blijven. Ook is er geen onderzoek nodig naar wegen die geen geluidaandachtsgebied hebben in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In sommige gevallen kan ook een weg zonder geluidaandachtsgebied relevant zijn. Daarvan is hier geen sprake, de Nieuwedijk is namelijk een rustige weg en de woonbebouwing is, op enige afstand, niet direct langs de weg gesitueerd. De woningen zullen voldoen aan de standaardwaarde. Er is derhalve geen akoestisch onderzoek nodig.

Railverkeerslawaai

Het plangebied is niet gelegen aan of in het geluidaandachtgebied van een spoorlijn. De oude spoorlijn die nabij het plangebied ligt is niet meer in gebruik. Een nadere toetsing vanwege railverkeerslawaai kan hierom achterwege blijven.

Industrielawaai

Het plangebied is ligt niet in de nabijheid van een gezoneerd industrieterrein. Tevens worden geen nieuwe milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. Een nadere toetsing vanwege industrielawaai en overige milieubelastende activiteiten kan daarom achterwege blijven.


Conclusie

Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

3.5.14 Trillinghinder

Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van de Bruidsschat en artikel 5.87 Bkl.

Trillinghinder en deze wijziging van het omgevingsplan

Er zijn in de omgeving van de planlocatie geen bronnen aanwezig die mogelijk trillinghinder kunnen veroorzaken, zoals spoorlijnen. De oude spoorlijn die nabij het plangebied ligt is niet meer in gebruik. Er wordt verondersteld dat trillingen op deze locatie geen problemen opleveren. Het aspect 'trillingen' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De planwijziging voldoet aan de instructieregels in paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl.

3.5.15 Geurhinder

In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 Bkl. De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Het bevoegd gezag bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt.


Geurhinder en deze wijziging van het omgevingsplan

Zoals vastgesteld in paragraaf 3.5.11 zijn er in de omgeving van het plangebied geen bedrijven of inrichtingen gesitueerd die mogelijk voor geurhinder ter plekke van de beoogde woningen kunnen zorgen. Verder onderzoek naar geurhinder is niet noodzakelijk. Omgekeerd hebben de beoogde woningen geen effect op omliggende gevoelige functies. De planwijziging voldoet de instructieregels in paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl.

3.5.16 Omgevingsveiligheid

Met de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling worden er kwetsbare objecten aan de omgeving toegevoegd. De nieuwe kwetsbare objecten zijn niet gelegen binnen een brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied waardoor er geen aanvullende regels of voorschriften gelden dan wel onderzoek nodig is naar externe veiligheidsrisico's.

De aanwezigheid van vliegvelden en grote luchthavens in de omgeving is van belang in het kader van de externe veiligheid, omdat de kans op het neerstorten van vliegtuigen in de buurt van een vliegveld of luchthaven groter is dan elders. Een luchtvaartongeval is daar dus te voorzien en het is denkbaar dat daarbij (woon)bebouwing wordt getroffen. Een vliegtuig of helikopter kan overal neerstorten, de gevolgen kunnen dus in beginsel op elke plek optreden. Het risico is echter het grootst nabij een vliegveld of luchthaven, vooral bij het opstijgen en landen. Het plangebied is hemelsbreed op ca. 3 km afstand gelegen van de start-/landingsbaan van Twente Airport. Dit betekent dat de kans op een luchtvaartongeluk in het plangebied zeer klein is.

Verder is a.d.h.v. de Atlas leefomgeving een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Hieruit is gebleken dat in de nabijheid van het plangebied geen plaatsgebonden risicocontouren of aandachtsgebieden zijn gelegen. Het plangebied is tevens buiten het zoekgebied buitleidingen van de Structuurvisie Buisleidingen 2012 - 2035 van de gemeente Enschede gelegen.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

3.5.17 Overige fysieke veiligheid

Bereikbaarheid

Het plangebied ligt aan de Nieuwedijk in Lonneker. Dit is een doorgaande weg waarmee de planlocatie aangesloten is op het regionale wegennet. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Hulpdiensten kunnen goed ter plaatse komen. Daarnaast kan via de Nieuwedijk zowel richting het noordoosten als richting het zuidwesten van de bron af worden gevlucht.


Zelfredzaamheid

Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen, denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS), het luchtalarm. Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaalpakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.

Ter plaatse van de planlocatie wordt woningbouw mogelijk gemaakt. De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn.

3.5.18 Milieueffectrapportage

Bij een wijziging van het omgevingsplan moet beoordeeld worden of er eventueel een milieueffectrapportage (m.e.r.), een m.e.r.-beoordeling of geen van deze twee nodig is. In hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit en de bijbehorende Bijlage V is geregeld voor welke ontwikkelingen en besluiten een m.e.r.-(beoordelings)procedure doorlopen moet worden.


M.e.r. en deze wijziging van het omgevingsplan

De omgevingsplanwijziging maakt de realisatie van drie vrijstaande woningen mogelijk. Dit is geen activiteit die is genoemd of is bedoeld in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Er is geen m.e.r. of m.e.r.-beoordeling nodig voor deze omgevingsplanwijziging.