direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Biesterveldsweg 5, 1e herziening
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0150.P397-OW01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Biesterveldsweg 5 te Schalkhaar wordt een opslag (tevens koelvriescel) van vleesproducten geëxploiteerd. De initiatiefnemer wenst zijn bedrijfsactiviteiten met betrekking tot de opslag van de vleesproducten uit te breiden en de bestaande koelvriescel te vergroten.

Het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Biesterveldsweg 5' staat de gewenste uitbreiding van de koelvriescel niet toe, omdat de uitbreiding deels buiten het bouwvlak en de bestemming 'Bedrijf' valt. Om het plan mogelijk te maken is daarom een herziening van het bestemmingsplan nodig.

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied is gesitueerd in het buitengebied van de gemeente Deventer, ten noordoosten van de stad Deventer en de kern Schalkhaar. De planlocatie heeft een oppervlakte van circa 1,8 hectare. In de directe omgeving van het perceel zijn twee woningen gesitueerd: ten noorden de woning aan de Waterdijk 14 (de tweede bedrijfswoning van het bedrijf) en ten zuiden de woning aan de Waterdijk 16. Ten westen en noordwesten van het plangebied is een natuur- en bosgebied gelegen. De verdere omgeving van het plangebied bestaat uit agrarische gronden en enkele verspreid liggende woningen. Ten oosten van het plangebied ligt de provinciale weg N348, de Weg door Zuid-Salland.

In de volgende afbeeldingen is de globale ligging van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0150.P397-OW01_0001.jpg"

Globale ligging plangebied (rood omlijnd) in relatie tot Deventer (Bron: PDOK).

afbeelding "i_NL.IMRO.0150.P397-OW01_0002.jpg"

Het plangebied bij benadering (rood omlijnd) (Bron: Google Earth).

1.3 Geldend bestemmingsplan

Op dit moment gelden voor het plangebied de bestemmingsplannen 'Biesterveldsweg 5', 'Parapluherziening Kleinschalige Kinderopvang' en 'Parapluherziening parkeereisen'.

1.3.1 Bestemmingsplan 'Biesterveldsweg 5'

Het bestemmingsplan 'Biesterveldsweg 5' is op 15 januari 2014 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Deventer. De gronden hebben deels de bestemming 'Bedrijf', deels de bestemming 'Natuur' en deels de bestemming 'Agrarisch met waarden - landschapswaarden'.

De twee vlakken met de bestemming 'Bedrijf' zijn middels een koppelteken aan elkaar verbonden en kennen beide de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - groothandel koel/vriesproducten'. Binnen de zuidoostelijke bedrijfsbestemming is een bouwvlak ingetekend met de maatvoeringen 'maximum aantal wooneenheden: 2' en 'maximum bebouwd oppervlak: 4000 m2'. Binnen de noordwestelijke bedrijfsbestemming is tevens een bouwvlak ingetekend.

De zuidoostelijke gronden hebben de dubbelbestemming 'Waarde - Landschap - 1'. Alle gronden kennen de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie - 1' en 'Waterstaat - Intrekgebied'. Het plangebied is gesitueerd binnen de gebiedsaanduidingen 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' en 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied'.

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven vallende in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, een groothandel in koel/vriesproducten en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen. Verder gelden de volgende bouwregels:

  • Ter plaatse van het bouwvlak zijn twee bedrijfswoningen toegestaan met een inhoud van maximaal 750 m3 per woning. De maximum goot- en bouwhoogte van een woning is 4,5 respectievelijk 10 meter. De oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen bij een bedrijfswoning mag maximaal 100 m2 bedragen.
  • De oppervlakte van de bedrijfsgebouwen mag ter plaatse van het zuidelijke bouwvlak maximaal 4.000 m2 bedragen en ter plaatse van het noordelijke bouwvlak maximaal 2.000 m2. Voor bedrijfsgebouwen is verder een goot- en bouwhoogte van 5,5 respectievelijk 10 m toegestaan.
  • Erf- of terreinafscheidingen hebben een maximale bouwhoogte van 1 m voor de voorgevel en 2 m op overige plaatsen op het perceel.
  • Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan met een maximum bouwhoogte van 3m.

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden, extensieve dagrecreatie, houtoogst, water en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals wegen, bruggen, paden, recreatieve voorzieningen en trafohuisjes. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

De voor 'Agrarisch met waarden – landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, nutsvoorzieningen, in- en uitritten, (erf)ontsluitingen en voet- en fietspaden, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding waaronder ook voorzieningen ten behoeve van het tijdelijk bergen van water. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor het behoud, de versterking en de ontwikkeling van de landschappelijke waarde van de gronden, zoals deze tot uitdrukking komt in het reliëf, de kleinschaligheid, de openheid en de beplantingselementen (houtsingels en houtwallen).

De voor 'Waarde - Landschap - 1' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud, de versterking en de ontwikkeling van waarden die samenhangen met de essen, te weten de openheid en het reliëf.

De voor 'Waarde - Archeologie - 1' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden voorkomende middelhoge en hoge archeologische verwachtingswaarde.

De voor 'Waterstaat - Intrekgebied' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor functies die harmoniëren met de functie voor de drinkwatervoorziening.

De navolgende afbeelding geeft de huidige juridisch-planologische situatie ter plaatse van het plangebied globaal weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0150.P397-OW01_0003.jpg"

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Biesterveldsweg 5', met aanduiding plangebied (rode lijn) (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl).

1.3.2 Bestemmingsplan 'Parapluherziening Kleinschalige Kinderopvang' en 'Parapluherziening Parkeereisen'

De gemeente Deventer heeft op 14 juli 2016 het bestemmingsplan 'Parapluherziening Kleinschalige Kinderopvang' vastgesteld en op 11 april 2018 het bestemmingsplan 'Parapluherziening parkeereisen'. Deze bestemmingsplannen bevatten geen specifieke regeling ter plaatse van het plangebied, maar algemene regels ten aanzien van parkeren en kleinschalige kinderopvang.

1.3.3 Strijdigheden

De initiatiefnemer wenst een bedrijfsgebouw op te richten op gronden die in de huidige situatie een agrarische bestemming kennen. Dit is in strijd met het bestemmingsplan. Om het plan mogelijk te maken dienen de gekoppelde bedrijfsbestemmingsvlakken en de bouwvlakken te worden vervormd. In het bestemmingsplan zijn hiervoor geen mogelijkheden opgenomen. Om voorliggende ontwikkeling mogelijk te maken is daarom een herziening van het bestemmingsplan nodig.

1.4 Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De toelichting is opgebouwd uit 7 hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en komt de planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt de toets aan het beleidskader weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de haalbaarheid van het plan aangetoond wordt voor wat betreft milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische planopzet en hoofdstuk 6 gaat in op de economische uitvoerbaarheid. Het laatste hoofdstuk behandelt de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Het plan

2.1 Huidige situatie

Op de locatie Biesterveldsweg 5 werd tot circa 10 jaar geleden een gemengd agrarisch bedrijf met een slachterij geëxploiteerd. De dieren werden op de locatie afgemest en uiteindelijk in de slachterij op het perceel geslacht. In 2011 zijn de agrarische activiteiten op het perceel beëindigd en is de slachterij gesloten. De slachterij was te kleinschalig om een verdienmodel te halen uit het slachten van dieren van derden. De opslag van vleesproducten van derden is wel in stand gebleven en doorontwikkeld tot het bedrijf zoals deze nu op de locatie geëxploiteerd wordt. De bedrijfsgebouwen ten behoeve van de voormalige slachterij hebben hun functie verloren en zijn niet meer in gebruik.

Rondom het plangebied zijn twee locaties gesitueerd welke onderdeel uitmaken van hetzelfde erfensemble. Op de locatie ten noordwesten van het perceel met adres Waterdijk 14 is een bedrijfswoning gesitueerd, behorende bij het bedrijf van initiatiefnemer. Op de locatie Waterdijk 16 is een burgerwoning gesitueerd. Beide woningen zijn bereikbaar via een onverharde in- / uitrit aan de westzijde van het plangebied.

Onderstaande afbeelding geeft een visualisatie van de planlocatie in de huidige situatie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0150.P397-OW01_0004.jpg"

Bovenaanzicht planlocatie in huidige situatie, plangebied rood omlijnd (Bron: PDOK)

2.2 Toekomstige situatie

Zoals reeds beschreven was vroeger op de locatie sprake van meerdere bedrijfsactiviteiten. Er werden dieren gehouden, deze werden ter plaatse geslacht en het vlees kon ook nog ter plaatse worden gekoeld. Tegenwoordig wordt alle omzet uit één activiteit gehaald, namelijk het opslaan van vleesproducten. Initiatiefnemer merkt een groei in de vraag naar de opslag van vleesproducten en wenst daarom de bedrijfsactiviteiten met betrekking tot de opslag van vleesproducten uit te breiden en daartoe het erf te transformeren. Om deze reden is de initiatiefnemer voornemens om de bestaande koelvriescel te vergroten. De gewenste uitbreiding bestaat uit een vergelijkbaar bouwwerk als de bestaande koelvriescel. In het plan zal het bestaande gebouw ten noorden van het bestaande bouwvolume worden gespiegeld. Op deze wijze wordt het bedrijfsgebouw uitgebreid met een oppervlakte van circa 870 m2. In de toekomstige situatie is er in totaal 1470 m2 bedrijfsbebouwing aanwezig op het perceel.

Compensatie

Ter compensatie van het toe te voegen bedrijfsgebouw, worden een bedrijfswoning en de bedrijfsgebouwen ten behoeve van de slachterij gesloopt. De bedrijfsgebouwen hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 750 m2. In onderstaande afbeelding is de te slopen bebouwing weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0150.P397-OW01_0005.jpg"

Visualisatie te slopen gebouwen rood omlijnt (bron: PDOK)

Onder andere de bedrijfswoning aan de Waterdijk 14 wordt gesloopt. Uit de bouwkundige en cultuurhistorische waardebepaling van de bedrijfswoning is gebleken dat deze door haar sobere bouwstijl in relatie met het verdrongen karakter als gevolg van de bebouwing pal naast het object niet als behoudens waardig aan is te merken. Sloop van de bedrijfswoning biedt juist kansen om het omliggende coulisselandschap te herstellen door de groenvoorziening rondom de bedrijfsgebouwen op een evenwichtige manier aan te passen.

De bedrijfsgebouwen ten behoeve van de slachterij staan leeg en zijn niet herbruikbaar voor de huidige bedrijfsactiviteiten van initiatiefnemer. Door hergebruik van deze meters ter plaatse ontstaat een kans om de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse te versterken.

Naast de her-inzet van de meters wordt het perceel tevens landschappelijk ingepast met een basisinspanning en extra kwaliteitsprestaties. Deze zijn voor het voorliggende plan opgesteld en uitgewerkt aan de hand van het werkboek Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving1. Deze 'toets' waarin een uitgebreide onderbouwing is opgenomen van de landschappelijke inpassing en de extra kwaliteitsprestaties is als bijlage aan het bestemmingsplan toegevoegd. Er wordt bijvoorbeeld een extra ecologische bijdrage geleverd in de vorm van een rillentak, faunatoren, een natuurvriendelijke poel en een extra bosschage met onderbegroeiing. Een deel van de destijds als bestaand aangewezen beplanting is door de jaren heen van het perceel verdwenen. Deze bomen worden terug aangeplant ter plaatse van de voormalige slachterij.

Ontsluiting en erfinrichting

Voor bezoekers blijft het bedrijfserf in de gewenste situatie enkel toegankelijk via een zijweg vanaf de Biesterveldsweg. Deze zijweg splitst zich op het perceel in twee in- / uitritten richting het bedrijfspand.

De in- / uitritten tot het bedrijfspand zijn middels een elektronisch hek afsluitbaar. De bedrijfswoning is dan wel toegankelijk. Hierdoor ontstaat er een privé-erf rondom de bedrijfswoning, maar vormt de bedrijfswoning ruimtelijk gezien toch een onderdeel van het gehele bedrijfserf. De parkeerplaats voor de bewoners van de bedrijfswoning bevindt zich op het privé-erf, ten oosten van de bedrijfswoning. Hier is ook een hondenkennel gesitueerd. Ten zuiden van de bedrijfswoning is een privaat pad aanwezig, ontoegankelijk voor auto's en vrachtverkeer. Om het bedrijfserf compacter te maken wordt een deel van de verharding verwijderd en vervangen door beplanting. De overige verharding moet behouden blijven voor het manoeuvreren en laden / lossen van vrachtwagens.

Een visualisatie van het plan is weergegeven in onderstaand figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0150.P397-OW01_0006.jpg"

Visualisatie gewenste situatie (Bron: Van Westreenen)

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 De Nationale Omgevingsvisie

De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven.

Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd:

  • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • duurzaam economisch groeipotentieel;
  • sterke en gezonde steden en regio's;
  • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven;

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen.
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties

Toetsing

Het rijk zet in de NOVI voor het landelijk gebied in op een toekomstbestendige ontwikkeling. Dit betekent dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen en ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste gaan van landschappelijke kwaliteiten. Het voorliggende plan voorziet in de vergroting van een koelvriescel in het landelijk gebied. Met de vergroting wordt voorzien in de toegenomen vraag. Met het plan wordt ter compensatie leegstaande bedrijfsgebouwen gesloopt en geïnvesteerd in natuurontwikkeling en landschappelijke inpassing. Het plan komt hiermee ten goede van de landschappelijke kwaliteiten en sluit hiermee aan bij de ambities uit de NOVI.

3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen.

Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij Natuurnetwerk Nederland en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de NNN is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen.

In de SVIR is aangegeven dat het Rijk drie hoofddoelen heeft:

  • a. het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke economische structuur van Nederland;
  • b. het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • c. het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.

Toetsing

Het voorgenomen plan bestaat uit de uitbreiding van een bestaand bedrijf. De ontwikkeling is relatief kleinschalig en raakt hierdoor niet aan overige nationale belangen waar in de SVIR en het Barro beleid voor is opgesteld.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.

Niet elke ontwikkeling van stedelijke aard wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Jurisprudentie wijst uit dat de uitbreiding van een bedrijfsgebouw met minder dan 500 m2 en uitbreiding van een terrein met minder dan 500 m2 niet hoeft te worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Wanneer een bestemmingsplan voorziet in kleinschalige bedrijfsbebouwing, het plandeel met de bedrijfsbestemming beperkt van omvang is en beperkte gebruiksmogelijkheden biedt, voorziet dit plan in zoverre niet in een stedelijke ontwikkeling (uitspraak van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1442). In deze gevallen is het niet noodzakelijk om de ladder te doorlopen.

Toetsing

Onderhavig plan voorziet in de vergroting van een koelvriescel. Deze wordt in de toekomstige situatie met circa 870 m2 vergroot. Ter compensatie van de uitbreiding van de koelvriescel, worden een bedrijfswoning en de bedrijfsgebouwen ten behoeve van de voormalige slachterij gesloopt. Deze bedrijfsgebouwen hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 750 m2. Per saldo komt het totale oppervlakte aan toegevoegde bebouwing uit op circa 120 m2. De uitbreiding van het bedrijfsgebouw is per saldo dus ruim onder de 500 m2. Het is daarom niet noodzakelijk om de ladder te doorlopen.

Conclusie

Voorliggend plan is niet in strijd met het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

Op 26 februari 2019 is door de provincie Overijssel de geconsolideerde versie van haar Omgevingsvisie gepubliceerd. Ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit zijn de rode draad in de visie voor de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel. In het kader van de visie is een uitvoeringsmodel gemaakt. De beleidsambities zijn daarin verwoord in de ontwikkelingsperspectieven.

Gebiedsspecifieke beleidskeuzes (Of?)

Het perceel is gesitueerd binnen een grondwaterbeschermingsgebied en intrekgebied. Er worden derhalve geen ontwikkelingen toegestaan met risico's op grondwaterverontreiniging.

Ontwikkelingsperspectieven (Waar?)

Het plangebied is gelegen in het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. In dit gebied staat de ambitie 'Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen' voorop. Daarnaast gelden de volgende ruimtelijke kwaliteitsambities:

  • Zichtbaar en beleefbaar mooi landschap
  • Sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel
  • Continu en beleefbaar watersysteem

De ontwikkelingsmogelijkheden worden verbonden met behoud en versterking van cultuurhistorie, natuurlijke en landschappelijke elementen.

Gebiedskenmerken (Hoe?)

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen.

  • De natuurlijke laag:
    De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier 'van nature' op vestigt. Deze natuurlijke laag is het resultaat van de wisselwerking tussen abiotische (fysische) en biotische factoren en processen.
    Het plangebied is gelegen in het gebied 'dekzandvlakte en ruggen'. Het landschap kent wintereikenbossen op de hoogste delen en berken-zomereikenbossen en elzen-eikenbossen in de lagere delen. De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem, door beplanting met 'natuurlijke' soorten, en door de richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen.

  • Laag van het agrarisch cultuurlandschap
    De tweede laag beschrijft het palet van agrarische cultuurlandschappen met hun dragende structuren en nederzettingsvormen. Deze laag is het resultaat van de wisselwerking tussen verschillen in de natuurlijke ondergrond en de manier waarop gebieden in cultuur werden – en worden – gebracht. Het plangebied in het jong heide- en broekontginningslandschap. Hier wordt gestreefd om de ruimtelijke kwaliteit een stevige impuls te geven en soms een transformatie wanneer daar aanleiding toe is. De dragende structuren worden gevormd door landschappelijk raamwerken van lanen, bosstroken en waterlopen, die de rechtlijnige ontginningsstructuren versterken. Binnen deze raamwerken is ruimte voor verdere ontwikkeling van bestaande erven en soms de vestiging van nieuwe erven, mits deze een stevige landschappelijke jas krijgen.

  • De stedelijke laag
    Het gebied is binnen de stedelijk laag aangewezen als 'verspreide bebouwing' en 'informele trage netwerk'. Er wordt gestreefd om de erven opnieuw te verbinden met het landschap. Als ontwikkelingen plaats vinden op erven, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de kenmerkende erfstructuur en volumematen, blijft er een duidelijk onderscheid voorkant- achterkant en vindt koppeling van het erf aan landschap plaats, overeenkomstig de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.
    Binnen het plangebied zijn geen wandelpaden en fietspaden aanwezig uit het informele trage netwerk. Het perceel is gesitueerd aan het einde van een doodlopende weg.

  • Laag van de beleving
    In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar. Dit is de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving. Het plangebied ligt in het structuurvisiegebied 'donkerte' en 'stads en dorpsrand'.
    De donkere gebieden geven een indicatie van de 'buitengebieden' van Overijssel, waaronder de natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden vallen. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het 's nachts nog echt donker is, waar de sterrenhemel waargenomen kan worden. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. De ambitie van de provincie is om de huidige 'donkere' gebieden ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau een terughoudende omgang met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze 's nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief.
    De stads- en dorpsrand is een overgangsgebied. Hier is sprake van 2 elkaar overlappende invloedssferen. De randen zijn bepalend voor de identiteit van zowel de steden- en dorpen als het landschap eromheen. De provincie heeft in deze gebieden de volgende ambities:
    - Verbind ontwikkeling van woon-, werk- en recreatiemilieus in de stads- en dorpsranden aan hun omgeving met landschappelijke structuren en routes.
    - Stimuleer integrale projecten waarin stedelijke programma's en landschappelijk raamwerk gelijktijdig worden ontwikkeld en gerealiseerd.
    - Tegengaan van verrommeling in de randzones.
    - Bijdragen aan aantrekkelijke mix woon-, werk en recreatiemilieus.

Toetsing

Het plan voorziet in een versterking van het kleinschalige mixlandschap. In de huidige situatie zijn op het perceel Biesterveldsweg 5a een opslaggebouw voor vleesproducten en bebouwing ten behoeve van een voormalige slachterij aanwezig. De activiteiten met betrekking tot de slachterij zijn echter beëindigd en dit deel van de bebouwing staat derhalve leeg. Deze zijn bouwkundig in slechte staat en niet geschikt voor het opslaan van vleesproducten. Leegstand levert bedrijfseconomisch niets op en zorgt voor verloedering op het perceel. Het voorliggende plan ziet daarom op het verplaatsen van de meters en deze worden gebruikt voor de overgebleven bedrijfsactiviteit, de opslag van vleesproducten. Bestaande bebouwing wordt derhalve ingezet voor een reeds bestaande en winstgevende economische functie. Met de uitbreiding wordt de continuïteit en het voortbestaan van het bedrijf ook voor de toekomst gewaarborgd.

Het bedrijf heeft een agrarisch-gerelateerde functie en past hiermee goed binnen het mixlandschap. Met het plan wordt ingezet op het vergroten van de zichtbaarheid en beleving van het mooie afwisselende landschap ter plaatse met haar afwisseling in open en gesloten gebieden. De ontwikkeling is dan ook verbonden met het behoud en de versterking van bestaande elementen. Er wordt ingezet op het versterken van de ter plaatse aanwezige bosstrook en waterlopen. Er wordt gestreefd naar het landschappelijk en ecologisch verbinden van het erf met de omliggende landschapselementen en het onderscheid tussen het voor- en achtererf wordt versterkt. Hiermee past het plan bij een gebied in de dorps- en stadsrandzone, waar woon-, werk- en recreatiemilieus worden gecombineerd. De ontwikkeling brengt daarnaast geen risico's op grondwaterverontreiniging met zich mee, dit wordt verder toegelicht in paragraaf 4.9. Ook betreft het plan per saldo slechts een kleinschalige uitbreiding van de aanwezige bebouwing (circa 120 m2), hierdoor worden geen negatieve effecten op het donkertegebied verwacht. Het plan is derhalve in lijn met het 'of, waar en hoe' principe uit de omgevingsvisie.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

Algemeen

De Omgevingsverordening is een uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie en is opgesteld in de vorm van regels. In veel regels is gekozen voor proces- en motiveringsvereisten. In de Omgevingsverordening moet elk inhoudelijk thema geregeld zijn, waar de provincie de mogelijkheid voor wil hebben om juridische instrumenten in te kunnen zetten. Het inzetten van juridische instrumenten vindt plaats op basis van de interventieladder.

Toetsing

Voor het voorliggende plan zijn de artikelen met betrekking tot zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ruimtelijke kwaliteit en de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving relevant. Onderstaand wordt aan deze artikelen getoetst.

Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik  
1.   Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:  
  a.   dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie;  
  b.   dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. 2.  
2.   Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt:  
  a.   dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is;  
  b.   dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.  

Het voorliggende plan ziet op de sloop van bestaande bedrijfsbebouwing en nieuwbouw compact bij de bestaande opslaghal. De bestemming bedrijf wordt ten behoeve van deze ontwikkeling van vorm veranderd. De oppervlakte van deze bestemming blijft in de toekomstige situatie gelijk en er wordt daarom geen extra ruimtebeslag gelegd op de Groene Omgeving. Artikel 2.1.3. is daarom niet van toepassing voor het plan.

Ruimtelijke kwaliteit

Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit  
1.   In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.  
2.   In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd.  
3.   In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd.  
4.   Gemeenteraden mogen gemotiveerd afwijken van het ontwikkelingsperspectief dat voor het betreffende gebied geldt, wanneer:  
  a.   er sprake is sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen; en  
  b.   voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit conform de gebiedskenmerken.  
5.   In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.  
6   Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken normerende uitspraken worden gedaan voorzien voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling conform deze normerende uitspraken.  
7.   Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken richtinggevende uitspraken worden gedaan voorzien voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling conform deze richtinggevende uitspraken.  
8.   Van normerende uitspraken in de Catalogus Gebiedskenmerken zoals bedoeld in lid 6 mag gemotiveerd worden afgeweken wanneer:  
  a.   er sprake is van zwaarwegende sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen en  
  b.   voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit conform de provinciale ambities zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken.  
9.   Van richtinggevende uitspraken in de Catalogus Gebiedskenmerken zoals bedoeld in lid 7 mag worden afgeweken mits voldoende gemotiveerd is dat de kwaliteitsambitie zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken in gelijke mate gerealiseerd wordt.  

Met het voorliggende plan wordt een nieuwe ontwikkeling mogelijk gemaakt, namelijk de sloop en nieuwbouw van bedrijfsbebouwing. In paragraaf 3.2.1 is het plan getoetst aan het Uitvoeringsmodel en geconcludeerd dat de ontwikkeling hierbinnen past. Ook is in deze paragraaf beschreven hoe de relevante onderdelen uit de Catalogus gebiedskenmerken zijn gebruikt bij de landschappelijke inpassing van het voorliggende plan.

Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

Artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving  
1.   Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.  
2.   Lid 1 is niet van toepassing op de bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging van agrarische bedrijven en op zelfstandige opstelling van zonnepanelen.  
3.   In aanvulling op het gestelde onder 1 geldt voor nieuwe ontwikkelingen die plaatsvinden op gronden die vallen binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water en die niet zijn aangeduid als Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS), geldt de voorwaarde dat de compensatie door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving gericht dienen te zijn op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap.  

Dit artikel is van toepassing op grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving. Aangezien het voorliggende plan ziet op slechts een beperkte uitbreiding van de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing, is geen sprake van een grootschalige uitbreiding. Voor de volledigheid is het plan in paragraaf 3.2.3 getoetst aan de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Hierin is aangetoond dat er sociaal-economische redenen voor zijn voor het voorliggende plan en dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

3.2.3 Werkboek Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

De Provincie Overijssel heeft in samenwerking met diverse gemeenten het 'Werkboek Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving' opgesteld (september 2010). Het werkboek is een vertaling van de Omgevingsvisie Overijssel (zoals vastgesteld in juli 2009) en vormt een handleiding voor het toepassen van ruimtelijke kwaliteitsprincipes in de praktijk van de ruimtelijke ordening in Overijssel.

Uitgangspunt voor het werkboek zijn twee principes uit de Omgevingsvisie Overijssel:

  • 1. elke ontwikkeling dient bij te dragen aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit;
  • 2. de ontwikkelingsruimte die men krijgt dient in evenwicht te zijn met investeringen in de ruimtelijke kwaliteit (kwaliteitsprestaties).

In hoofdstuk 9 van het werkboek zijn een aantal categorieën en referenties voor praktijksituaties beschreven, waaronder de uitbreiding van niet-agrarische bedrijven. De gemeente heeft voor deze categorie als doel om ruimte te bieden voor bedrijfsontwikkeling die past in haar omgeving en bijdraagt aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en sociale en economische vitaliteit in het buitengebied. Niet-agrarische bedrijvigheid is meestal te beoordelen als gebiedsvreemd, omdat zij niet aan de groene omgeving gebonden is en primair thuishoort in het stedelijk gebied. De in te zetten kwaliteitsprestaties zijn afhankelijk van de gebiedskenmerken en het type, de schaal en de impact van het bedrijf. Sociaaleconomische redenen en behoefte moeten aanwezig zijn voor het toestaan van de uitbreiding. Daarnaast moet verplaatsing onhaalbaar zijn.

Voorbeelden van kwaliteitsprestaties zijn:

  • investeringen in landschap, natuur, cultuurhistorisch e.d. in de omgeving van de eigen locatie;
  • kwaliteitsverbetering van het totale bedrijfsterrein en aangepaste situering en vormgeving van gebouwen passend bij gebiedskenmerken.

Er dient een ruimtelijk kwaliteitsplan te worden opgesteld. Met behoud van de balans in ontwikkelingsruimte en kwaliteitsprestaties is maatwerk mogelijk. De impact van de ontwikkeling is van invloed op de wijze van uitvoering en de hoogte van de kwaliteitsprestaties. De toename van de grondwaarde en de besparing op kosten kunnen als maatstaf dienen voor investeringen in verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

Toetsing

Onderhavig plan voorziet in de uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf. Derhalve dient in ieder geval een basisinspanning te worden geleverd, mogelijk aangevuld met extra kwaliteitsprestaties. Voor het bepalen van de mate van aanvullende kwaliteitsprestaties voor het perceel van initiatiefnemer is het plan getoetst aan het Werkboek kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (zie bijlage 1).

Voor uitbreidingen is de ruimtelijke inpassing afhankelijk van de gebiedskenmerken en het type, de schaal en de impact van het bedrijf. In de toekomstige situatie wordt de bebouwing compacter gesitueerd en vindt er enkel vervorming van het bouwvlak plaats. Omdat de totale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen op het perceel toeneemt met 17,6%, wordt er naast een basisinspanning tevens ingezet op aanvullende kwaliteitsprestaties.

Bij de basisinspanning is ingezet op het creëren van verdichte en open ruimtes door de dekzandrug ter plaatse te verdichten met landschapselementen als één grote bosschage en een brede houtsingel met onderbegroeiing. De noordelijke weide wordt zo open mogelijk gehouden om de afwisseling van verdichte en open ruimtes te versterken en zo de verbinding met de omliggende open agrarische gronden te behouden

Voor onderhavig plan wordt als extra kwaliteitsprestatie ingezet op het vergroten van de bijdrage van het perceel aan de aanwezige landschappelijke en ecologische waarden in en rondom het plangebied. Om de in het plangebied aanwezige soorten te ondersteunen worden hierbinnen een aantal maatregelen genomen. Deze dienen als schuilplaats, corridor, voedsel-en drinkvoorziening en ter verkoeling. Het gaat om de volgende maatregelen:

  • Faunatoren;
  • Takkenril;
  • Poel;
  • Bosschage-noord;
  • Bomenrij.
3.2.4 Conclusie

Voorliggend plan is niet in strijd met het geldende provinciaal beleid.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Landschapsontwikkelingsplan Salland

In 2006 is er voor het grondgebied van de gemeenten Raalte, Olst-Wijhe en Deventer een Landschapsontwikkelingsplan (LOP) ontwikkeld. Dit plan heeft als basis gediend voor het bestemmingsplan voor het buitengebied van Deventer.

Het LOP hanteert een indeling in landschappelijke eenheden waarop de ambities zijn gestoeld. Nieuwe ontwikkelingen dienen bij te dragen aan de versterking van het landschap. Nieuwe economische functies als landelijk wonen zijn steeds belangrijker. Dergelijke ontwikkelingen worden in de visie ingezet voor de ruimtelijke ambities.

Toetsing

Het plangebied is gesitueerd op de dekzandruggen, binnen het kampen- / hoevenlandschap. De landschappelijke kwaliteit van de dekzandruggen wordt gevormd door sterke verwevenheid van diverse ruimtelijke elementen zoals bosjes, bebouwing, houtwallen en singels. Samen met reliëfverschillen (essen) en open ruimtes ontstaat hierdoor een gevarieerd landschapsbeeld van een besloten tot halfopen landschap, ook wel het kampen- of hoevenlandschap genoemd. Het landschapsbeleid is hier gericht op het versterken van het landschapstype door de hoger gelegen ruggen ruimtelijk te verdichten. Nieuwe rode functies in het buitengebied zijn landschappelijk gezien het meest wenselijk op de ruggen onder de voorwaarde dat landschapselementen worden aangelegd.

Bij landschappelijke inpassing moet gedacht worden aan de volgende elementen:

  • rug verdichten met landschapselementen als bosjes, landgoederen, houtwallen, hagen, singels en solitaire bomen (soorten van de hogere gronden zoals eik, beuk);
  • afwisseling van verdichte en open ruimtes, met verrassende doorkijkjes;
  • essen onbeplant laten, omzoomd met houtwallen;
  • perceelsafscheidingen worden minimaal en terughoudend toegepast, aansluitend aan open karakter;
  • wegen zijn veelal kronkelend, zich voegend naar de erven, soms over erf;
  • wegen zijn beplant, essen zoveel mogelijk onbeplant, tenzij er sprake is van doorgaande historische structuren;
  • doorgaande structuren (weg/kanaal) passen zich aan omgeving aan;
  • erven langs rand van de es, grote dakvlakken tegen groene achtergrond;
  • knooperven;
  • erven gaan vloeiend over in landschap (geen strakke erfgrenzen);
  • zandwegen;
  • kleinschalige grillige blokverkaveling deels omzoomd met houtwallen;
  • reliëf door essen en kampen, soms in de vorm van een steilrand.

Voor het plangebied is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, waarvoor onder andere de uitgangspunten uit het LOP zijn gebruikt (zie paragraaf 2.2). Over het geheel genomen is ingezet op het creëren van verdichte en open ruimtes door de dekzandrug ter plaatse te verdichten met landschapselementen als één groter bosschage en een brede houtsingel met onderbegroeiing. De noordelijke weide wordt zo open mogelijk gehouden om de afwisseling van verdichte en open ruimtes te versterken en zo de verbinding met de omliggende open agrarische gronden te behouden. Het plan sluit hiermee aan op het LOP.

3.3.2 Regionale Structuurvisie De Voorlanden Stedendriehoek 2030 - Visie op het niet-bundelingsgebied

In mei 2007 heeft de regio Stedendriehoek de Regionale Structuurvisie voor het Bundelingsgebied vastgesteld. Dit Bundelingsgebied omvat het centrale deel van de regio met de grote stedelijke kernen Zutphen, Deventer en Apeldoorn en het landelijke gebied daartussen. Deze Regionale Structuurvisie De Voorlanden completeert het beeld. De regio heeft, nu deze visie klaar is, een geïntegreerde en samenhangende visie voor het hele grondgebied van zeven gemeenten: Apeldoorn, Brummen, Deventer, Epe, Lochem, Voorst en Zutphen. De structuurvisie is voor deze gemeenten een richtinggevend kader voor beleid en uitvoering. De sleutelbegrippen uit de visie zijn: ruimtelijke samenhang, een ontwikkelingsgerichte en integrale benadering en aandacht voor lokale kwaliteiten.

De visie voor De Voorlanden zet in op kernkwaliteiten die zijn op te delen in rode kernkwaliteiten en kernkwaliteiten voor het landelijk gebied. De rode kernkwaliteiten richten zich op het verbeteren van de leefbaarheid tegen de achtergrond van toenemende ontgroening en vergrijzing en van een verminderde groei en lokaal zelfs krimp van de bevolking. Ondanks de vergrijzing wordt er nog steeds een toenemende behoefte aan woningen verwacht en dient de woningvoorraad afgestemd te zijn op alle leeftijdsgroepen. Het toevoegen van landelijke woonmilieus vormt daarbij een speerpunt.

Voor vrijkomende agrarische bebouwing is de grondgedachte om door hergebruik, sloop en nieuwbouw een kwaliteitsverbetering op te leveren en verrommeling tegen wordt gegaan. Zowel economisch hergebruik als woonbestemmingen zijn passende oplossingen. Daarbij is het mogelijk om een deel van de hergebruiksruimte buiten het oorspronkelijke kavel te laten ontwikkelen.

Toetsing

Onderhavig plan voorziet in de uitbreiding van een koelvriescel in het landelijke gebied. Met de ontwikkelingen op het perceel wordt specifiek aandacht besteed aan de ruimtelijke kwaliteiten door het opstellen van een landschappelijk inpassingsplan. Dit plan zorgt er voor dat het plangebied meer ruimtelijke samenhang krijgt met de omgeving, door natuurwaarden te herstellen. Daarnaast wordt de huidige verrommeling op het perceel tegengegaan door de aanwezige leegstaande gebouwen te slopen. Door de landschappelijke inpassing ontstaat een compact en overzichtelijk geheel.

3.3.3 Conclusie

Voorliggend plan is niet in strijd met het geldende regionale beleid.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Deventer

In het Structuurplan Deventer 2025 (april 2004) zijn de toekomstige ruimtelijke opgaven voor Deventer en de gewenste ontwikkelingsrichting in beeld gebracht. Het Structuurplan Deventer 2025 is echter door allerlei ontwikkelingen binnen en buiten Deventer inmiddels deels verouderd. Daarom is in samenspraak met een groot aantal betrokkenen een Omgevingsvisie gemaakt. In de Omgevingsvisie legt de gemeente Deventer haar ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn vast. Dit is de eerste stap in het proces richting de invoering van de Omgevingswet.

In de Omgevingsvisie is aangegeven dat de klimaatverandering zorgt voor meer extremen in neerslag, hitte, droogte en water door de grote rivieren, waaronder de IJssel. Daarnaast speelt de eindigheid van natuurlijke hulpbronnen en grondstoffen. Dat vraagt om maatregelen. Zoals grote inzet op energiebesparing, het klimaatbestendig maken van de leefomgeving, het overschakelen van fossiele op duurzame energiebronnen en het zuiniger en duurzamer omgaan met energie, water, grondstoffen en voedsel. De gemeente zoekt duurzame, klimaatbestendige en circulaire oplossingen op alle plekken die zich daarvoor lenen: in woningen, bedrijven, in de stad en op het platteland.

Belangrijke uitdagingen zijn:

  • Instellen op de consequenties van klimaatverandering;
  • Planmatig werken aan de klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Bij het toewijzen van functies rekening houden met de druk op ruimte;
  • Meedoen met de ontwikkeling van nieuwe werkwijzen in energieopwekking;
  • Waarborgen en vergroten van de cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische kwaliteit.

Om in te kunnen spelen op de dynamiek van de economie en de (internationale) markt moet er ruimte voor ondernemerschap zijn. Ruimte om waardevast te investeren, te groeien en samen te werken. De opgave is de veerkracht en inventiviteit van de ondernemers optimaal te blijven faciliteren en in te spelen op ontwikkelingen in de markt. Minder regels mogen overigens niet leiden tot onduidelijkheid voor alle betrokken partijen, willekeur of een onzeker vestigingsklimaat.

Toetsing

Voor voorliggend plan is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, waarmee cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische kwaliteit worden gewaarborgd en vergroot. In dit plan wordt meer ruimte gegeven voor groen, wat past bij de focus op klimaatadaptatie van de gemeente. Tot slot wordt met het plan ingespeeld op ontwikkelingen op de markt. Het plan voorziet in de uitbreiding van een bedrijf in de opslag van vleesproducten, waarmee wordt voorzien in een toegenomen vraag naar dergelijke opslag op deze locatie.

3.4.2 Conclusie

Voorliggend plan is niet in strijd met het geldende gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Milieueffectrapportage

Algemeen

Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten.

Een bestemmingsplan kan plan-m.e.r.-plichtig zijn. Dit is het geval als het plan kaders stelt voor latere m.e.r.-plichtige activiteiten en/of als voor het plan een passende beoordeling nodig is. Daarnaast kan een plan ook m.e.r.-plichtig zijn als er een concreet (bouw)plan ter uitvoering ligt.

Toetsing

Jurisprudentie wijst uit dat met name de aard en omvang van een project bepalen of gesproken moet worden van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in categorie D.11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Onderhavig plan voorziet in de sloop en nieuwbouw van bedrijfsbebouwing. Per saldo wordt de oppervlakte aan bebouwing met circa 130 m2 uitgebreid. De oppervlakte van het perceel dat in gebruik is ten behoeve van het bedrijf blijft gelijk aan de huidige situatie. De ontwikkeling is daarmee kleinschalig te noemen en er is geen sprake van extra ruimtebeslag.. Daarnaast worden de potentiele effecten op het milieu in voorliggend document voldoende besproken. Hieruit volgt dat het plan weinig tot geen milieueffecten heeft. Gelet op de aard en omvang van dit plan is er daarom geen sprake van een activiteit zoals genoemd in het Besluit m.e.r.

Conclusie

Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.2 Bodem

Algemeen

Voordat een bestemmingsplan wordt vastgesteld voor de toevoeging van functies waar langdurig of frequent mensen verblijven, moet aangetoond zijn dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik.

Toetsing

Op de locatie is een verkennend bodemonderzoek2 uitgevoerd, waaruit de volgende conclusies volgen.

Op de locatie Biesterveldsweg 5 te Schalkhaar zijn in het verleden de volgende bodemonderzoeken uitgevoerd:

  • Verkennend bodemonderzoek (De Klinker, rapportnr. 97100985.510, l8 dec L997). Uit dit onderzoek blijkt het volgende:
    - de grond nabij de acculader is matig verontreinigd met minerale olie;
    - in de grond nabij de overstort van het afvalwater zijn sterk verhoogde gehalten aan koper, nikkel, lood, zink en minerale olie aangetoond en is cadmium in een matig verhoogd gehalte aangetoond;
    - in de overige grondmonsters zijn maximaal licht verontreinigd met PAK, chroom, arseen, kwik, zink, minerale olie en/of EOX;
    - het grondwater nabij de opslag afvalstoffen is matig verontreinigd met minerale olie. Het grondwater ter plaatse van de overstort van het afvalwater is matig verontreinigd met nikkel;
    - in het overig bemonsterde grondwater zijn maximaal licht verhoogde concentraties aan minerale olie, benzeen, tolueen, cadmium, chroom EOX. Tevens is de fenolindex aangetoond.
  • Ter plaatse van de ondergrondse tank (6000 l) is door Van der Poel Consult bv een bodemonderzoek uitgevoerd (1406.203, mei 2004). Hieruit blijkt dat er geen verontreiniging is aangetroffen. Op 8 juli 2004 is de tank inwendig gereinigd en daarna afgevuld met zand. Hiervan is een KIWA certificaat (nr AJ 1956) afgegeven.
  • Voor zover bekend zijn er op de onderzoekslocatie zelf geen stoffen opgeslagen (geweest) en/of activiteiten ontplooid die een mogelijke bodemverontreiniging hebben veroorzaakt. De onderzoeksopzet is gebaseerd op de richtlijnen uit de NEN-5740. Hierbij is de onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie (OI.W) gehanteerd.

Uit de veld- en laboratoriumwerkzaamheden is het volgende naar voren gekomen:

  • de bodem van de onderzochte locatie is tot 4,8 m -mv opgebouwd uit zand. De bovenlaag (0 tot maximaal -{,5 m -mv) is matig humeus en zwak wortelhoudend. Tijdens de veldwerkzaamheden bevond het grondwater zich op een diepte van circa 3,3 m –mv;
  • het opgeboorde materiaal is in het veld zintuiglijk beoordeeld. Hierbij zijn geen bijzonderheden waargenomen die duiden op het voorkomen van een mogelijke bodemverontreiniging. Tijdens het veldwerk is door de veldmedewerkers ter plaatse van de boringen in de bodem en op het maaiveld van de locatie zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal waargenomen;
  • in de bovengrond (0-0,5 m -mv) zijn lood, zink en PAK's gemeten in gehalten die de desbetreffende achtergrondwaarden overschrijden. Verder is in zowel de boven- als de ondergrond geen van de onderzochte componenten gemeten in een gehalte boven de desbetreffende achtergrondwaarde en/of rapportagegrens;
  • in het grondwater zijn barium en zink in concentraties gemeten boven de desbetreffende streefwaarde. Verder is geen van de onderzochte componenten gemeten in een concentratie boven de desbetreffende streefwaarde en/of de rapportagegrens. De gemeten waarden voor de pH en de EC kunnen als normaal worden beschouwd.

De gemeten overschrijdingen in de grond en in het grondwater zijn dusdanig dat aanvullende maatregelen en/of analyses niet noodzakelijk worden geacht.

Milieuhygiënisch zijn er naar mening van het onderzoeksbureau geen belemmeringen voor de voorgenomen nieuwbouw op de locatie.

Conclusie

De locatie is op basis van de resultaten van bovenstaand onderzoek verdacht voor de aanwezigheid van een verontreiniging. Voor de nieuwbouw is daarom een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN-5740 en NEN-5707 nodig. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.3 Geur

Algemeen

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastings- en afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten.

Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad.

Toetsing

De omgeving van het plangebied typeert zich door de afwisseling van woon- en agrarische bestemmingen. De voorgenomen uitbreiding van koelvriescel betreft een geurhinder veroorzakende functie. Volgens de VNG brochure valt een koelvriescel onder de categorie 'Groothandel in vlees, vleeswaren, zuivelproducten, eieren, spijsoliën, koel- en vriesproducten'. Voor deze functies geldt er een geurafstand van 10 meter. Er zijn geen geurhindergevoelige functies gelegen binnen tien meter van het plangebied.

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.4 Bedrijven en milieuzonering

Algemeen

Indien door middel van een plan nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu kan worden bereikt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie.

Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de omgevings- en gebiedstypen 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen-horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de aanbevolen richtafstanden met één stap worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel.

Toetsing

Onderhavig plan voorziet niet in een nieuwe gevoelige functie in de zin van het aspect bedrijven en milieuzonering. Dit betekent dat geen rekening hoeft te worden gehouden met eventuele omliggende hinder veroorzakende functies. Wel dient te worden onderzocht of de vormverandering van het bestemmingsvlak van het bedrijf voor de opslag en koeling van vleesproducten invloed heeft op het woon- en leefklimaat van bestaande gevoelige functies in de buurt.

Omgevingstype plangebied

Het gebied waarin het groothandel bedrijf in koel- en vrieswaren en de omliggende woningen zijn gelegen is te karakteriseren als omgeving type rustig buitengebied. Het verkeer op de provinciale weg N348 is op de bedrijfslocatie en omliggende woningen wel waarneembaar. Uit de weergaven van de geluidcontouren op de Atlas van Overijssel is te zien dat de geluidbelasting wegverkeer op de plan locatie rond de voorkeursgrenswaarde. Hiermee is geen sprake van een ligging in de nabijheid van hoofdinfrastructuur en gebied type gemengd gebied. Dit betekent dat voor de richtafstand geen afstandsstap terug kan worden gedaan.

Toets richtafstanden

Voor het bedrijf in de opslag en koeling van vleesproducten geldt de SBI code 632, 433. Volgens de richtafstandenlijst zoals opgenomen in de VNG brochure kan een dergelijk bedrijf worden aangemerkt als een categorie 3.1 bedrijf, waarbij de grootste afstand (gevaar) 50 meter bedraagt. De richtafstand 50 meter is van toepassing indien sprake van een risico-inrichting met koel- vries installatie met koudemiddel ammoniak en sprake van een vergunning plichtige BEVI. In dit geval wordt voor de koel- en vriesinstallatie het synthetisch koudemiddel: R407F gebruikt. Hiervoor geldt geen BEVI en de richtafstand van 50 meter voor gevaar is hier daarom niet van toepassing. De voor dit bedrijf te hanteren grootste richtafstand is 30 meter voor geluid.

Hieronder worden de omliggende woningen in de omgeving getoetst aan deze richtafstand.

Waterdijk 12

Deze woning ligt op 90 meter ten noorden van de bedrijfsbestemming. Aan de richtafstand van 30 meter wordt derhalve voldaan.

Waterdijk 16

Deze woning ligt op 50 meter ten zuiden van de huidige bedrijfsbestemming. Met de wijziging, komt het zuidelijk deel (met de te slopen beëindigde slachterij) te vervallen. Na de wijziging komt het bouwvlak op 100 meter van de woning. Aan richtafstand van 30 meter wordt derhalve voldaan.

Biesterveldsweg 3

Deze woning ligt, na de wijziging van het bouwvlak, op 90 meter ten oosten van de bedrijfsbestemming. De toegangsweg vanaf de Biesterveldsweg naar het bedrijf bevindt zich dichterbij: Op 30 meter van de woonbestemming en 40 meter van de woning. Aan de richtafstand 30 meter wordt derhalve voldaan.

Biesterveldsweg 7

Dit betreft een recreatiewoning. Op de recreatiewoning is een gedoogbeschikking voor permanent wonen van toepassing. De recreatiewoning zal op korte termijn een woonbestemming krijgen. De woning is daarmee als geluidgevoelig te beoordelen. De woning bevindt zich op 60 meter ten oosten van het bouwvlak van de bedrijfsbestemming. Echter is hier van belang dat de toegangsweg naar het bedrijf de woning Biesterveldsweg 7 op 10 meter passeert. Bij de voorgenomen uitbreiding van het bedrijf is ook een toename van transportbewegingen en laad- en losactiviteiten te verwachten. Van belang is om met akoestisch onderzoek in beeld te brengen of met de beoogde uitbreiding voor geluid nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en daarvoor nog maatregelen nodig zijn.

Akoestisch onderzoek industrielawaai

In verband met de ligging van de uitbreiding van het bedrijf binnen de richtafstand tot de woning aan de Biesterveldsweg 7, is een akoestisch onderzoek industrielawaai3 uitgevoerd om te bepalen of de geluidhinder op de toekomstige woningen aanvaardbaar is. In het onderzoek is tevens rekening gehouden met de voorgenomen en gewenste verandering van het pand op het adres Biesterveldsweg 7. Uit de rekenresultaten en toetsing blijkt het volgende:

Directe hinder:

  • het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt op 30 meter afstand minder dan 45 dB(A) etmaalwaarde. De voorgenomen activiteiten zijn hiermee vergelijkbaar met een bedrijf uit de milieucategorie 2;
  • het maximale geluidniveaus (LAmax) bedraagt op 30 meter afstand minder dan 65 dB(A) etmaalwaarde. De voorgenomen activiteiten zijn hiermee vergelijkbaar met een bedrijf uit de milieucategorie 2;
  • er wordt ten aanzien van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus ruimschoots voldaan aan de normstelling volgens het Activiteitenbesluit;
  • het maximale geluidniveau (LAmax) bedraagt ter plaatse van woningen maximaal 72 dB(A) tijdens de dagperiode en 59 dB(A) tijdens de avond- en nachtperiode. De piekniveaus in de dagperiode worden veroorzaakt door optrekkend verkeer en zijn volgens het Activiteitenbesluit uitgesloten van toetsing. Dit betekent dat ten aanzien van de maximale geluidniveaus wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit.

Indirecte hinder:

De geluidbijdrage vanwege het verkeer dat van en naar de inrichting rijdt bedraagt ter plaatse van woningen beduidend minder dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Volgens de Circulaire indirecte hinder is er dan geen hinder te verwachten vanwege het verkeer dat van en naar de inrichting rijdt.

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

4.5 Geluid

Algemeen

De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door inrichtingen, onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen.

Toetsing

Onderhavig plan maakt in het plangebied de vormverandering van het bestemmingsvlak van een bedrijf in opslag en koeling van vleesproducten mogelijk. Een bedrijf is geen geluidgevoelige functie in het kader van de Wet geluidhinder. Het aspect geluid vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling.

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

4.6 Externe veiligheid

Algemeen

Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.

Tenslotte zijn in de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente ambities opgenomen over het al dan niet toelaten van risicovolle activiteiten.

Toetsing

De te behouden bedrijfswoning in het plan is een beperkt kwetsbaar gebouw voor het aspect externe veiligheid. Het betreft een bestaande woning, waarmee een eventueel risico door ligging t.o.v. risicobronnen in de omgeving niet toeneemt. Het plan is wel getoetst aan de hand van de risicokaart www.risicokaart.nl en de EV-signaleringskaart.

Plaatsgebonden risico

De activiteit is niet gelegen binnen de aan te houden afstand voor het plaatsgebonden risico (PR10-6) van inrichtingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), aangewezen transportroute voor gevaarlijke stoffen onder het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) of buisleidingen die vallen onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Groepsrisico

De activiteit is niet gelegen in invloedgebied van een BEVI inrichting, transportroute gevaarlijke stoffen of buisleiding . Een verantwoording van het groepsrisico is niet nodig.

Advies Veiligheidsregio IJsselland

Onderhavig plan hoeft daarnaast niet voor advies voorgelegd te worden aan de Veiligheidsregio IJsselland. De oppervlakte van de koelcel neemt met de realisatie van het plan weliswaar toe, maar er wordt geen koudemiddel gebruikt dat de inrichting tot een vergunningplichtige Bevi-inrichting maakt. Daarnaast neemt het aantal personen in de omgeving niet toe. Door het wegbestemmen van de tweede bedrijfswoning neemt het aantal personen zelfs af. Afgezien daarvan is het plangebied gelegen in dunbevolkt buitengebied. In geval van een calamiteit bij het bedrijf kunnen, op een enkele uitzondering na, alle omwonenden in de richting van de calamiteit af vluchten. De situering en bereikbaarheid van het bedrijf in geval van een calamiteit verandert niet. Ten slotte is er, noch in het plangebied noch in de directe omgeving, sprake van bestemmingen waarin een groter aantal minder zelfredzame personen te verwachten is.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

4.7 Luchtkwaliteit

Algemeen

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diversie regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof. Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2µg/m3 verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM.

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.

Toetsing

Het voorliggende plan ziet op sloop en nieuwbouw van bedrijfsbebouwing van een bedrijf in de opslag en koeling van vleesproducten. Het aangevraagde plan heeft een toename van transportbewegingen tot gevolg. Met een berekening met de NIBM rekentool is vastgesteld dat de toename in betekende mate is vanaf 150 vrachtwagenbewegingen per dag (zie volgende afbeelding). Het daadwerkelijke aantal transportbewegingen zal hier in de toekomstige situatie ruim onder liggen (zie paragraaf 4.12). Het plan is voor luchtemissies Niet in Betekenende Mate. De emissie ten gevolge van het plan draagt dan ook Niet in Betekenende Mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.0150.P397-OW01_0007.jpg"

Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er in de omgeving van het plangebied geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's.

Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.8 Natuur

Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing worden verkregen.

Quick scan natuurwaardenonderzoek

Het plangebied is op 8 september 2020 onderzocht door Natuurbank Overijssel4 op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura

2000 en het Natuurnetwerk Nederland.

Gebiedsbescherming

Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, kan op basis van voorliggende studie uitgesloten worden.

Soortenbescherming

Het plangebied vormt een deel van een bedrijfslocatie en een woonerf. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Afhankelijk van de periode van het jaar, waarin de werkzaamheden uitgevoerd worden, kunnen vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van beschermde dieren beschadigd en vernield worden, vogeleieren beschadigd/vernield worden en beschermde dieren gedood worden. Omdat bezette vogelnesten beschermd zijn, dient bij de uitvoering van de voorgenomen activiteiten, rekening gehouden te worden met bezette vogelnesten.

De aanwezigheid van een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van de egel kan niet uitgesloten worden op basis van het uitgevoerde onderzoek. Om de voorgenomen activiteiten uit te voeren binnen de wet- en regelgeving voor beschermde soorten, hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. De egel en de vaste rust- en voortplantingsplaats van de egel is beschermd. In plaats van een ontheffing, mag ook gewerkt worden met een goedgekeurde en toepasbare Gedragscode. Dat houdt in dat er zorgvuldig gewerkt dient te worden en dat compenserende maatregelen genomen dienen te worden.

Effectenbeoordeling das en eekhoorn

Door de Natuurbank Overijssel is tevens een effectenbeoordeling5 op de das en de eekhoorn geschreven. De das en eekhoorn staan in de Wet natuurbescherming vermeld in de lijst van 'nationaal beschermde soorten' (Beschermingsregime andere soorten parr. 3.3 Wnb). Voor deze soorten geldt geen provinciale vrijstelling in het kader van een ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Dat wil zeggen dat de das en eekhoorn beschermd zijn. Deze dieren mogen niet gedood worden en de vaste rust- en voortplantingsplaats mag niet beschadigd of vernield worden. Er gelden geen gemeentelijk beschermingsregime voor deze soorten.

Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen das of eekhoorn gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Ook wordt geen essentieel onderdeel van het functionele leefgebied beschadigd of vernield, dat de vaste rust- en voortplantingsplaats als zodanig niet meer functioneert. Daarnaast neemt als gevolg van voorgenomen activiteiten het risico op verkeersslachtoffers in de dassenpopulatie in en rond Deventer af. Er is geen aanleiding om aanvullende maatregelen te treffen om het aantal verkeersslachtoffers, als gevolg van voorgenomen ontwikkeling, te verminderen of te vermijden.

Stikstofonderzoek

De stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden is berekend in een stinkstofonderzoek voor de aanlegfase6 en de gebruiksfase7 met het programma AERIUS Calculator. Hierbij is de versie van 13 oktober 2020 gebruikt. AERIUS Calculator dient gebruikt te worden om de stikstofdepositie van een bouwplan of project te bepalen op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Het toepassingsbereik van het programma erkent het gebruik van het programma voor onderhavige situatie.

De AERIUS-berekeningen kunnen als worst case-situaties beschouwd worden. De ingevoerde emissies zijn namelijk ruim aangehouden en zullen in de praktijk lager uitvallen. Voorts voorziet het programma niet in de mogelijkheid van een broninvoer over een tijdelijke periode, en betrekt in de berekeningen de stikstofuitstoot gedurende een heel jaar. Dit aspect is met name bij de berekening van de aanlegfase relevant.

Aanlegfase

In de aanlegfase zal de bouw/aanleg van de bouw koelvriescel incl. aanleg beplanting plaatsvinden. Daarnaast zijn de sloopwerkzaamheden alsmede de grondwerkzaamheden opgenomen. Er zal vervoer van personen plaatsvinden (o.a. timmermannen, metselaars, elektriciens) alsmede aanvoer van bouwmateriaal (o.a. spanten, stenen) en werktuigen (o.a. hijskranen, graafmachines).

Naast de transportbewegingen naar de bouwplaats toe zullen er ook mobiele werktuigen op de locatie zelf in gebruik zijn. Verder zullen er vrachtwagens laden en lossen op de bouwplaats (b.v. bouwmaterialen en bouwafval). De inzet van de mobiele werktuigen alsmede de verkeersbewegingen van het bouwverkeer zijn berekend conform onderstaande waarden. Hierbij is als uitgangspunt genomen dat zowel de bouwfase als de sloopfase gelijktijdig zal plaatsvinden. Naast de bouw en sloopfase wordt het realiseren van de aanplanting zoals omschreven in beplantingsplan ook meegenomen in de aanlegfase.

Uit de berekening van de aanlegfase blijkt dat er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/j verkregen worden op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. De verkeersbewegingen en mobiele werktuigen verband houdende met de aanlegfase zullen dan ook geen significante toename van stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden tot gevolg hebben. Negatieve significante effecten op Natura 2000-gebieden in de nabije omgeving als gevolg van de aanlegfase zijn dan ook uitgesloten.

Gebruiksfase

Tevens is voor de gebruiksfase een berekening met AERIUS-Calculator uitgevoerd waarbij de stikstofbronnen tijdens deze fase in beeld zijn gebracht. Omdat de beoogde situatie toeziet op een ingebruikname van een bedrijfspand zonder gas betreft de gebruiksfase uitsluitend de verkeersbewegingen. Ook hier geldt dat één voertuig gelijk staat aan twee bewegingen, omdat er namelijk telkens sprake is van een heenrit en een terugrit. Per etmaal rijden er 5 auto's af en aan, dit betreft personeel en woonverkeer.

Uit de berekening van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/j verkregen worden op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. De verkeersbewegingen verband houdende met de gebruiksfase en emissies van onder andere cv-ketels zullen dan ook geen significante toename van stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden tot gevolg hebben. Negatieve significante effecten op Natura 2000-gebieden in de nabije omgeving als gevolg van de gebruiksfase van de bouw koelvriescel incl. aanleg beplanting zijn dan ook uitgesloten.

Conclusie

Met betrekking tot de egel zal gewerkt worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Geconcludeerd wordt dat het aspect natuur geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.9 Water

Rijksbeleid – Het Nationaal Waterplan 2016-2021

Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen.

In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:

  • Nederland blijft de veiligste delta in de wereld.
  • Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater.
  • Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.
  • Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement.
  • Nederlanders leven waterbewust.

Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden.

Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen. Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar.

Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit.

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van de wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

Gemeentelijk waterbeleid

Het gemeentelijk beleid is vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan (2015-2020) en de regionale samenwerking op het gebied van water in de wateragenda. De wateragenda is een samenwerkingstructuur waarbij een aantal thema's centraal staan. Deze thema's zijn uitgewerkt in aandachtspunten. Op deze punten gaan de waterpartners de komende jaren lokaal samenwerken. De thema's zijn:

  • Veilig en klimaatbestendig
  • Milieu en gezondheid
  • Beleving, bewustwording en participatie

Doordat de wateragenda duidelijke thema's bevat, kunnen de waterpartners efficiënt en effectief samenwerken aan de watertaken.

De gemeente is verantwoordelijk voor een goed stedelijk watersysteem. Volgens de wet begint de zorgplicht bij de perceeleigenaar. De perceeleigenaar moet het hemel- en grondwater op het eigen perceel verwerken. De gemeente komt in beeld als dit niet kan.

In het Gemeentelijk Rioleringsplan is beschreven hoe de gemeente haar watertaken invult en uitvoert. De gemeentelijke watertaken komen voort uit 3 zorgplichten:

  • Inzameling en transport van stedelijk afvalwater (Wet Milieubeheer)
  • Verwerking van afvloeiend hemelwater (nieuwe Waterwet)
  • De aanpak en het voorkomen van grondwaterproblemen in bebouwd gebied coördineren (nieuwe Waterwet)

Afweging waterbelang bij ruimtelijke ontwikkelingen: Naast de gemeentelijke zorgplichten heeft de gemeente nog een verantwoordelijkheid. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening is zij verantwoordelijk voor een goede afweging en implementatie van het waterbelang bij nieuwe ruimtelijke plannen. Hiervoor is het instrument van de watertoets ontwikkeld (zie verder bij waterschappen).

Beleid Waterschap Drents Overijsselse Delta

Het waterschap Drents Overijsselse Delta beschrijft in het waterbeheerplan welke taken centraal staan voor de periode 2016-2021 en welke maatregelen daartoe worden genomen. Daarbij gaat het om de zorg voor een goede bescherming tegen hoog water, een goed functionerend regionaal watersysteem en het zuiveren van afvalwater.

Het waterschap laat in dit waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en op welke wijze wordt samengewerkt met andere overheden. Voor de planperiode 2016-2021 zijn de primaire taakgebieden:

  • Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water.
  • Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water.
  • Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water.
  • Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater.

Watertoets

Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijn de waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan.

De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterbelang, de korte procedure en de normale procedure. Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De procedure geen waterbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. Bij deze twee

procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval is actieve betrokkenheid van waterschap nodig mede ook in verband met het graven/verlengen van de watergangen rondom het perceel.

Toetsing

Watertoets

Voor onderhavig plan is de digitale watertoets8 doorlopen. Hieruit volgt dat de korte procedure kan worden gevolgd. Het waterschap gaat akkoord met het plan, wanneer wordt voldaan aan de volgende uitgangspunten:

  • rekening houden met het beleid van het waterschap;
  • voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseert het waterschap om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater;
  • bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater;
  • het plangebied of een gedeelte daarvan ligt in een grondwaterbeschermingsgebied of intrekgebied van een drinkwaterwinning. In deze gebieden is het beleid gericht op het verminderen van de risico s op de verontreiniging van het grondwater.

Het voorliggende plan heeft een geringe invloed op de waterhuishouding in ruimtelijke zin. Het verharde/bebouwde oppervlak zal met circa 805 m2 afnemen. Hiermee is er vanuit gemeentelijk beleid geen noodzaak tot het voorzien in waterberging. In het plan is echter aanvullend wel de realisatie van extra oppervlaktewater voorzien. Het regenwater zal in de toekomstige situatie worden geïnfiltreerd in de bodem. Verder zal bij de uitwerking van de plannen in het kader van de omgevingsvergunning rekening worden gehouden met bovenstaande uitgangspunten van het waterschap.

Omgevingsverordening Overijssel - grondwaterbeschermingsgebied

Het plangebied kent in het geldende bestemmingsplan een gebiedsaanduiding in het kader van grondwaterbescherming en een dubbelbestemming als intrekgebied. Dit komt voort uit de bescherming die geldt voor dit gebied vanuit de provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening.

Aangetoond dient te worden dat het grondwater met de ontwikkeling voldoende beschermd wordt: wat betekent dat er geen risicovolle functie wordt toegevoegd en dat wordt voldaan aan het stand-still principe. Voor deze toetsing kan gebruik worden gemaakt van de handleiding 'aan de slag met de methodiek Gebiedsgerichte Grondwaterbescherming', gepubliceerd op 11 augustus 2009 door Tauw. Bij gebiedsgerichte grondwaterbescherming worden de risico's van een nieuwe activiteit bepaald voor een specifieke locatie. Hierbij spelen twee factoren een rol: de kans op verontreiniging van het grondwater door de nieuwe activiteit en de kwetsbaarheid van de bodem ter plaatse van de nieuwe activiteit.

De methodiek doorloopt acht stappen:

  • 1. inventarisatie van aard, omvang, locatie en functietype van de nieuwe activiteit;
  • 2. vaststellen van het functietype (risicovol, niet-risicovol, harmoniërend);
  • 3. onderzoeken of activiteit past in het (provinciale) RO-beleid en voldoet aan de randvoorwaarden, zoals vastgelegd in de omgevingsverordening;
  • 4. detailleren van het functietype en eerste inschatting van risico's;
  • 5. beoordelen van risico, indeling in categorieën;
  • 6. uitwerken van de risico's (initiatief aanpassen en/of maatregelen vaststellen);
  • 7. beoordelen of activiteit voldoet aan stand-still- en stap-vooruit-principe;
  • 8. besluitvorming.

Stap 1: Inventarisatie van de activiteit

Het bedrijfsgebouw dat gebruikt wordt ten behoeve van de opslag van vleesproducten wordt met circa 870 m2 uitgebreid. Ter compensatie zal de nog aanwezige bebouwing van de voormalige slachterij (circa 750 m2) gesloopt worden. Verder wordt één bestaande bedrijfswoning behouden en één bedrijfswoning van het perceel verwijderd. De oppervlakte van het bouwvlak wordt niet vergroot, een deel van de bestaande verharding wordt verwijderd en er wordt extra groen aangelegd. Het type bedrijfsactiviteit blijft ten opzichte van de huidige situatie onveranderd.

Stap 2: Functiegroepen en risico's

Functies kunnen worden ingedeeld in risicovolle, harmoniërende en niet-risicovolle functietypes. Een opslag in vleesproducten kan worden aangemerkt als niet-risicovol. De activiteit bestaat namelijk uit één onderdeel en betreft opslag.

Stap 3: Toetsing aan randvoorwaarden

In hoofdstuk 3 is aangetoond dat de activiteit past binnen het nationale, provinciale en gemeentelijke beleid rondom ruimtelijke ordening. Daarnaast betreft het een niet-risicovolle functie in een overwegend landelijk gebied. Randvoorwaarde is derhalve dat wordt voldaan aan het stand-still principe. Dit geldt voor zowel het grondwaterbeschermingsgebied als het intrekgebied.

Stap 4: Detaillering

In deze stap vindt een inschatting van de risico's plaats op basis van de volgende vragen:

1. Vindt er (grootschalige) toepassing van brandstoffen, chemicaliën of andere schadelijke stoffen plaats? (bij productie(proces), overslag en transport)   Nee  
2. Worden er stoffen op of in de bodem gebracht (bouwstoffen, diepinfiltratie, lozing, begraafplaats etc.)   Ten behoeve van de uitbreiding wordt een fundering in de bodem aangebracht. Tegelijkertijd wordt echter de bebouwing ten behoeve van de voormalige slachterij en een deel van de bestaande verharding verwijderd. Daar worden derhalve bouwstoffen uit en van de bodem weggehaald.  
3. Vindt er bemesting en/of bestrijdingsmiddelengebruik plaats op meer dan 10% van het oppervlak   Nee  
4. Is er sprake van bebouwing zoals woningbouw op > 25% van het oppervlak? (in verband met uitlogen van de toegepaste materialen etc).   Het bouwvlak kan in de gewenste situatie door de compactere bebouwing worden verkleind. Tegelijkertijd wordt de bebouwing ten behoeve van de voormalige slachterij en een deel van de bestaande verharding verwijderd.  
5. Wordt er riolering gerealiseerd of vindt er infiltratie plaats van afgekoppeld neerslagwater?   Het bestaande rioleringssysteem zal op kleine schaal worden uitgebreid zodat ook de nieuwe hal hier op aangesloten kan worden. Het regenwater infiltreert in de bodem. Hiervoor is ook een infiltratiepoel aanwezig.  
6. Vinden er andere risicovolle activiteiten plaats?   Er vinden geen nieuwe risicovolle activiteiten plaats.  

Stap 5: Categorie-indeling

Op basis van voorgaande stappen is het mogelijk om het risico te beoordelen en de activiteit in te delen in een categorie. In dit geval gaat het om een categorie E activiteit. Hiervoor geldt het 'ja, met algemene voorwaarden' principe.

Stap 6: Uitwerking

Risico's zijn vaak te beperken door het initiatief aan te passen en/of (mitigerende) maatregelen op te stellen. In dit geval geldt het voorzorgsprincipe. Door Vitens zijn een aantal aandachtspunten gegeven waarmee rekening moet worden gehouden in onderhavige situatie. Deze zijn als volgt:

  • beperk de toename aan verharding. Zorg voor afdoende maatregelen om vervuiling door lozing vanaf wegen, parkeerplaatsen en andere verhard oppervlak te voorkomen;
  • verbod op grondingrepen en constructies dieper dan 2 meter;
  • bodemvervuiling moet voorkomen worden tijdens uitvoering en gebruik;
  • pas niet uitlogende materialen toe;
  • pas geen bodemenergiesystemen toe (denk aan koude/warmte opslag in de bodem);
  • voor de Biesterveldseweg moet specifiek aandacht zijn voor de transportbewegingen en de risico`s die dat met zich mee brengt voor bodemvervuiling. Afstromend water van verharding mag niet leiden tot bodemvervuiling door lekkende vrachtwagens. Daarnaast moet voorkomen worden dat koelinstallaties door lekkage tot bodemvervuiling kunnen leiden.

Hierop kan als volgt worden gereageerd:

  • de oppervlakte aan verharding neemt af met 805 m2;
  • in het bestemmingsplan wordt een verbodsbepaling opgenomen voor grondingrepen en constructies dieper dan 2 meter;
  • uitgangspunt bij de bedrijfsvoering is het voorkomen van bodemvervuiling tijdens uitvoering en gebruik. Hierbij zullen in ieder geval de regels uit het Activiteitenbesluit worden gevolgd;
  • er worden geen uitlogende materialen toegepast;
  • er worden geen bodemenergiesystemen toepast;
  • bij vervuiling kunnen putten worden afgesloten en het afstromend water worden opgevangen. Er wordt daarnaast geen vloeibare stof buiten het bedrijfsgebouw opgeslagen.

Stap 7: Beoordeling

In deze stap beoordeelt het bevoegd gezag of de activiteit toelaatbaar is of niet. De activiteit is toegestaan als het voldoet aan de stand-still of stap-vooruit principe. In dit geval wordt voldaan aan het stand-still principe. Dit houdt in dat de nieuwe situatie geen verslechtering is ten opzichte van de oude situatie. Daarnaast wordt rekening gehouden met de uitgangspunten gegeven door Vitens. Het plan is in het kader van deze methodiek derhalve aanvaardbaar.

Conclusie

De provincie heeft laten weten dat het plan in het provinciaal ruimtelijk beleid past en voldoet aan de provinciale regels met betrekking tot grondwaterbescherming. Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

4.10 Archeologie

Algemeen

Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet 2016, uitgewerkt in het Besluit Erfgoedwet archeologie, is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.

Toetsing

De gronden binnen het plangebied zijn, behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden voorkomende middelhoge en hoge archeologische verwachtingswaarden. De archeologische verwachting is weergegeven in onderstaand afbeelding. In het beleidsadvies van de gemeente Deventer9 is een gedetailleerde beschrijving van het archeologisch beleid en de gevolgen hiervan voor onderhavig plan opgenomen.

Onderstaand is dit document kort samengevat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0150.P397-OW01_0008.jpg"

Ligging plangebied op de archeologische beleidskaart 2015 (Bron: Van Westreenen)

In het plangebied worden de volgende ingrepen gedaan in de bodem: aanplant bomen, realisatie bijgebouw bij de woning (garage) en de realisatie van het bedrijfsgebouw (grote schuur).

Van de 145 bomen die geplant worden, zullen er 66 in waarde 3, 14 in waarde 2 en de rest in waarde 1 worden geplant. Er wordt uitgegaan van bomen met plantmaat 16-18, hierbij hoort een kluit van circa 0,5 m Hiervoor wordt geadviseerd om een plantgat te maken van circa 0,75x0,75x0,75 (1,5 keer de kluit), de te vergraven oppervlakte per boom is dan maximaal 0,6 m2. De ingreep voor het planten van de bomen is dan 37 m2 in waarde 3 en 8 m2 in waarde 2 De aanleg van de garage ten zuiden van de woning heeft een oppervlakte van 50 m2 en komt ter plaatse van een te slopen schuur. De ingreep voor de grote schuur valt voor 911 m2 in waarde 2, De totale oppervlakte in waarde 2 komt op 911+8=919 m2. In onderstaande tabel zijn de oppervlaktes per beleidswaarde weergegeven.

Onderdeel   m2 in waarde 3   m2 in waarde 2  
Bomen   37   8  
Schuur   0   911  
Garage   50   0  
Totale verstoring (per waarde)   87   919  
Totale verstoring (per waarde cumulatief)   87   1006  

De oppervlaktes van de ingrepen overschrijden de vrijstellingsgrenzen net voor waarde 2. De plannen vallen onder de meldingsplicht. Hiervoor dient de start van de werkzaamheden tijdig te worden doorgegeven aan de gemeentelijk archeoloog. Ook kan er gekozen worden voor een archeologievriendelijke bouwmethode. Door de graafwerkzaamheden ten behoeve van de fundering van bijvoorbeeld de garage binnen 0,5 m diepte te houden, worden de vrijstellingsgrenzen niet meer overschreden.

Conclusie

In het bestemmingsplan zijn de archeologische waarden geborgd door het opnemen van de archeologische dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3'. De start van werkzaamheden zal tijdig worden gemeld bij de gemeentelijk archeoloog. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.11 Cultuurhistorie

Algemeen

Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen.

Toetsing

In het plangebied en de omgeving van het plangebied bevinden zich geen gemeentelijke- of rijksmonumenten. Wel ligt het plangebied nabij landgoed Frieswijk. Om de invloed van het plan op de cultuurhistorische waarden te toetsen is een onderzoek10 verricht. Dit onderzoek heeft een focus op de te slopen bedrijfswoning aan de waterdijk 14, dat onderdeel uitmaakte van het landgoed.

Uit het onderzoek blijkt dat de nog zichtbare delen van het landgoed Frieswijk behoudens waardig zijn. Met name de nog aanwezige opstallen, welke voorheen deel uitmaakten van het landgoed, vormen als zodanig voor de gemiddelde passant een herkenbare relatie met het landgoed. Diezelfde kwalificatie kan ook worden toegekend aan de verkaveling en de inrichting van het gebied. De samenhang met hoofdwegen en verbindingswegen afgewisseld met akkerbouw en weiland en dat afgewisseld door bossen en houtwallen geven een prachtig beeld van het buitengebied.

De aanwezigheid van het boerderijtje Waterdijk 14 past in dat beeld maar vormt geen beeldbepalend geheel. Die slechte waardering komt voornamelijk voor rekening van de bedrijfsgebouwen in de onmiddellijke nabijheid van het boerderijtje. Door die dominante bebouwing is het coulisselandschap voor dat deel van de Waterdijk onherstelbaar verstoord.

De sloop van Waterdijk 14 zou volgens de cultuurhistorische beoordeling daarom kansen bieden om dat coulisselandschap te herstellen door de groenvoorziening rondom de bedrijfsgebouwen op een evenwichtige manier aan te passen. Hierin wordt met het voorliggende plan voorzien, door de sloop van de woning en daarnaast het opstellen van een landschappelijk inpassingsplan (zie paragraaf 2.2) waarin rekening is gehouden met landschappelijk en cultuurhistorisch waardevolle structuren in (de omgeving van) het plangebied. De realisatie van het landschappelijke inpassingsplan is gewaarborgd middels een voorwaardelijke verplichting.

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.12 Verkeer en parkeren

Verkeer

Het bedrijf wordt via een in- uitrit ontsloten op de Biesterveldseweg. Het voorliggende plan voorziet in de uitbreiding van een koelvriescel en de sloop van bestaande bedrijfsbebouwing en een bedrijfswoning. In de toekomstige situatie zijn op het perceel circa 1740 m2 bedrijfsbebouwing en een bedrijfswoning aanwezig. Uit het stikstofonderzoek blijkt dat in de toekomstige situatie sprake is van maximaal 4 vrachtwagenbewegingen per etmaal en maximaal 10 personenautobewegingen per etmaal.

Aangezien in de huidige situatie ook al sprake is van verkeersgeneratie op de locatie, is de verkeersaantrekking minimaal. Het extra verkeer zal kunnen worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld.

Parkeren

Aan de hand van de Nota parkeernomen 2013 van de gemeente Deventer kan bepaald worden wat de parkeerbehoefte voor de vrijstaande woning is. Voor het bedrijf wordt specifiek naar de situatie van het bedrijf gekeken, aangezien deze niet past binnen één van de categorieën uit de parkeernota en de daarbij gestelde parkeerbehoefte.

Woning

De vrijstaande woning kan worden gecategoriseerd als 'koop vrijstaand'. In onderstaande tabel is een berekening van de totale parkeerbehoefte opgenomen (uitgaande van een locatie in het buitengebied:

Functie   Omvang   parkeernorm   Totale parkeerbehoefte  
Wonen (koop, vrijstaand)   1 woning   2,4 (per woning)   2,4  

Volgens de parkeernormen van de gemeente Deventer moeten er bij de woning ruimte zijn voor 3 parkeerplaatsen. In de benodigde parkeerplaatsen wordt ten westen van de woning voorzien (op eigen terrein).

Bedrijf

Het bedrijf is een tweemans bedrijf, waar naast de eigenaar van de woning nog één persoon werkt. Er komen geen bezoekers of klanten bij het bedrijf, alleen vrachtwagens voor het halen en brengen van producten.

Voor de parkeerbehoefte betekent dit dat er behoefte is aan één extra parkeerplaats voor personenauto's. Ten westen van de woning wordt voorzien in 4 parkeerplaatsen, één extra parkeerplaats dan de hiervoor berekende behoefte. Hiermee wordt op eigen terrein voorzien in voldoende parkeerplaatsen.

Naast het parkeren voor personenauto's is er op het terrein ook rekening gehouden met voldoende ruimte voor het parkeren en manoeuvreren van vrachtwagens.

Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.13 Kabels en leidingen

Er zijn binnen het plangebied geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig die mogelijk een beperking kunnen vormen bij de bestemming van het plangebied.

Conclusie

Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

5.1 Inleiding

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels die vergezeld gaan van een toelichting. De verbeelding en de regels zijn juridisch bindend. De toelichting maakt geen onderdeel uit van het juridisch plangedeelte. Wel fungeert de toelichting als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.

5.2 Juridische methodiek

De regels zijn ondergebracht in een viertal hoofdstukken:

  • hoofdstuk 1 (inleidende regels), met daarin een aantal regels die van belang zijn voor de toepassing en interpretatie van de regels in de overige hoofdstukken en de wijze van meten;
  • hoofdstuk 2 (bestemmingsregels), met daarin per bestemming onder meer een bestemmingsomschrijving, bouwregels en afwijkingsregels;
  • hoofdstuk 3 (algemene regels), met daarin een anti-dubbeltelregel en algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels;
  • hoofdstuk 4 (overgangs- en slotregels), met daarin het overgangsrecht en de slotbepaling.

Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Daarnaast is ten behoeve van de leesbaarheid enige informatie, bijvoorbeeld topografische gegevens, op de verbeelding opgenomen. Deze ondergrond heeft geen juridische status. Deze informatie is weergegeven bij de verklaring.

5.3 Bestemmingsplan

5.3.1 Bestemmingen

Agrarisch met waarden - Landschapswaarden

Binnen de bestemmingsomschrijving wordt aangegeven welke productietakken rechtstreeks zijn toegestaan.

Voor de aanwezige agrarische bedrijven zijn bouwvlakken opgenomen. In dit bestemmingsplan is geen bouwvlak opgenomen. Er kunnen dus geen bedrijfsgebouwen o.i.d. op de agrarische gronden worden opgericht.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Op de gronden met de dubbelbestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden is een vergunningenstelsel van kracht met het oog op de te beschermen waarden. Middels regels wordt het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, bepaalde werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren die een aantasting van de landschappelijke en/of natuurlijke waarden dan wel de cultuurhistorische waarde betekenen. Dit vergunningenstelsel is niet van toepassing voor werken en werkzaamheden binnen het bouwvlak.

Bedrijf

De bestemming Bedrijf wordt toegekend aan niet-agrarische bedrijven in de gemeente Deventer. Voor de bestemming Bedrijf is gebruikgemaakt van een zogenaamde Standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten (milieucategorieën). In zijn algemeenheid worden bedrijfsactiviteiten in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de bestemming 'Bedrijf' toegestaan. Middels een afwijkingsbevoegdheid is het mogelijk om een bedrijf die naar aard en invloed geacht kan worden te behoren tot deze categorieën toe te staan. In het voorliggende plangebied is daarnaast specifiek een groothandel in koel/vriesproducten toegestaan.

Gebouwen en bouwwerken zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan, met uitzondering van een kennel en erf- of terreinafscheidingen. Ter plaatse van het plangebied zijn twee bouwvlakken opgenomen, welke met de figuur 'relatie' aan elkaar gekoppeld zijn. Dit betekent dat hiervoor de bepaling met betrekking tot een 'enkel' bouwvlak van toepassing zijn. In een tabel zijn de toegelaten afmetingen aan bedrijfsbebouwing weergegeven, het betreft de oppervlakte, de inhoud, goot- en bouwhoogte en dakhelling.

Om te waarborgen dat de landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd, is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels.

Voor bedrijven die de bedrijfsvoering beëindigen, is middels een wijzigingsbevoegdheid de mogelijkheid opgenomen voor een vervolgfunctie.

Natuur

De bestemming Natuur is toegekend aan bestaand en te realiseren natuur- en bosgebied. Ook bestaande bossen zijn voorzien van de bestemming Natuur. Om deze reden is hier ook houtoogst toegestaan zonder omgevingsvergunning voor werken . Bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen uitsluitend ten dienste van de bestemming worden gebouwd. Het oprichten van gebouwen ten behoeve van de bestemming is uitsluitend via een afwijkingsregel toegestaan.

5.3.2 Dubbelbestemmingen

'Waarde - Archeologie 2 en 3'

De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' zijn opgenomen ter bescherming van eventuele aanwezige archeologische waarden in het plangebied.

'Waarde - Landschap - 1'

Door middel van de dubbelbestemming 'Waarde - Landschap - 1' worden de landschappelijke waarden van de gronden beschermd vanwege de ligging op een es. Dit zijn de openheid en het reliëf.

'Waterstaat - Intrekgebied'

Voor intrekgebieden ten behoeve van (potentiële) waterwinning is de functie tot uitdrukking gebracht in de dubbelbestemming Waterstaat - Intrekgebied. Het bebouwen van deze gronden ten behoeve van de onderliggende bestemming is uitsluitend toegestaan als hiervoor vergunning is verleend door het bevoegd gezag. Vergunning wordt verleend als de waterwinfunctie hierdoor niet onevenredig worden geschaad. Het bevoegd gezag wint hiervoor, met het oog op een zorgvuldige voorbereiding van het besluit, advies in bij de beheerder van het waterwingebied, voordat ze beslist op het verzoek om af te wijken.

5.3.3 Overige regels

Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overgangsrecht en een slotregel. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht. In de overige regels is daarnaast een bepaling inzake parkeren opgenomen.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de gemeente zijn er geen andere kosten verbonden aan dit plan, waardoor het vaststellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk is. De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee geacht te zijn aangetoond.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Overleg

Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het bestemmingsplan voor advies toegezonden aan betrokken instanties.

7.2 Zienswijzen

Op de bestemmingsplanprocedure is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In navolging hiervan zal het ontwerpbestemmingsplan voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage worden gelegd. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.